Gerecht EU 16 juni 2015, T-655/11, ECLI:EU:T:2015:383
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)
16 juni 2015 ( *1 )
„Mededinging — Mededingingsregelingen — Europese bananenmarkt in Italië, Griekenland en Portugal — Coördinatie bij de vaststelling van de prijzen — Toelaatbaarheid van het bewijsmateriaal — Rechten van verdediging — Misbruik van bevoegdheid — Bewijs van de inbreuk — Berekening van het bedrag van de geldboete”
In zaak T‑655/11,
FSL Holdings, gevestigd te Antwerpen (België),
Firma Léon Van Parys, gevestigd te Antwerpen,
Pacific Fruit Company Italy SpA, gevestigd te Rome (Italië),
vertegenwoordigd door P. Vlaemminck, C. Verdonck, B. Van Vooren en B. Gielen, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Kellerbauer en A. Biolan als gemachtigden,
verweerster,
betreffende primair een verzoek tot nietigverklaring van besluit C(2011) 7273 definitief van de Commissie van 12 oktober 2011 betreffende een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] [zaak COMP/39482 – Exotisch fruit (Bananen)], subsidiair een verzoek tot verlaging van de geldboete,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro (rapporteur), president, S. Gervasoni en L. Madise, rechters,
griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 november 2014,
het navolgende
Arrest
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
1 Met het onderhavige beroep verzoeken FSL Holdings (hierna: „FSL”), Firma Léon Van Parys (hierna: „LVP”) en Pacific Fruit Company Italy SpA (hierna: „PFCI”) (hierna samen: „verzoeksters” of „Pacific”) om nietigverklaring van besluit C(2011) 7273 definitief van de Commissie van 12 oktober 2011 betreffende een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] [zaak COMP/39482 – Exotisch fruit (Bananen)] (hierna: „bestreden besluit”).
2 Verzoeksters importeren, verhandelen en verkopen bananen van het merk Bonita in Europa (overweging 14 van het bestreden besluit). LVP, PFCI en de entiteiten die deel uitmaken van dezelfde groep en betrokken zijn bij de bananenhandel in Europa worden afhankelijk van de informatiebron hierna ook aangeduid als „Pacific”, „Pacific Fruit”, „Bonita” of ook „Noboa”, aangezien Bonita een merk van de Noboa-groep is (overwegingen 15 en 16 van het bestreden besluit).
3 Op 8 april 2005 heeft Chiquita Brands International Inc. (hierna: „Chiquita”) een verzoek om immuniteit ingediend krachtens de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”) in verband met de distributie van en de handel in ingevoerde bananen en ananassen en ander vers fruit in Europa. Dit verzoek is ingeschreven als zaak COMP/39188 – Bananen (overweging 79 van het bestreden besluit).
4 Op 3 mei 2005 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen Chiquita met toepassing van punt 8, onder a), van de mededeling inzake medewerking van 2002 voorwaardelijke boete-immuniteit verleend met betrekking tot een verondersteld geheim kartel betreffende de verkoop van bananen en ananassen in de Europese Economische Ruimte (EER) (overwegingen 79 en 345 van het bestreden besluit).
5 Op 15 oktober 2008 heeft de Commissie beschikking C(2008) 5955 definitief betreffende een procedure op grond van artikel [101 VWEU] (zaak COMP/39188 – Bananen) (samenvatting in PB 2009, C 189, blz. 12; hierna: „beschikking in zaak COMP/39188 – Bananen”) gegeven, waarin zij vaststelde dat Chiquita, de Dole-groep en Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert & Co. KG (hierna: „Weichert”), die destijds onder de beslissende invloed stond van de Del Monte-groep, inbreuk hadden gemaakt op artikel 81 EG door deel te nemen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging waarmee zij de referentieprijzen voor bananen coördineerden die zij elke week bepaalden voor Oostenrijk, België, Denemarken, Finland, Duitsland, Luxemburg, Nederland en Zweden tussen 2000 en 2002 (overweging 80 van het bestreden besluit).
6 In het kader van het onderzoek in zaak COMP/39188 – Bananen heeft de Commissie inspecties uitgevoerd in de bedrijfsruimten van verschillende bananenimporteurs, met name van LVP in Antwerpen (België), en op 20 juli 2007 een mededeling van punten van bezwaar gericht tot verschillende bananenimporteurs, waaronder FSL en LVP, maar laatstgenoemden behoorden ten slotte niet tot de adressaten van de beschikking in zaak COMP/39188 – Bananen.
7 Op 26 juli 2007 heeft de Commissie kopieën van documenten van de Italiaanse belastingpolitie ontvangen, die tijdens een inspectie in de woning en het kantoor van een werknemer van Pacific in het kader van een nationaal onderzoek waren verzameld (overweging 81 van het bestreden besluit).
8 Op 26 november 2007 is Chiquita er mondeling door het directoraat-generaal (DG) Concurrentie van de Commissie van op de hoogte gesteld dat haar functionarissen op 28 november 2007 een inspectie zouden uitvoeren in de ruimten van Chiquita Italia SpA. Bij die gelegenheid werd Chiquita meegedeeld dat een onderzoek met betrekking tot Zuid-Europa zou worden uitgevoerd onder zaaknummer COMP/39482 – Exotisch fruit (Bananen) en werd zij eraan herinnerd dat haar voorwaardelijke boete-immuniteit was verleend voor de gehele Europese Gemeenschap en dat zij de plicht had om mee te werken (overweging 82 van het bestreden besluit).
9 Van 28 november tot en met 30 november 2007 heeft de Commissie ten kantore van grote bananenimporteurs in Italië en Spanje inspecties uitgevoerd op grond van artikel 20, lid 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) (overweging 83 van het bestreden besluit).
10 In de loop van het onderzoek heeft de Commissie verschillende inlichtingenverzoeken gezonden aan partijen, klanten en andere marktdeelnemers, waaronder havens en havenautoriteiten. Partijen werd verzocht om opnieuw bepaalde informatie en bewijsstukken over te leggen die zich in het onderzoeksdossier van zaak COMP/39188 – Bananen bevonden, en Chiquita werd verzocht aan te geven welke delen van haar mondelinge verklaringen in die zaak volgens haar ook met de onderhavige zaak in verband konden worden gebracht. (overweging 84 van het bestreden besluit). Op 9 februari 2009 heeft het DG Concurrentie een brief doen toekomen aan Chiquita waarin het de balans opmaakte van haar medewerking op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 (overweging 85 van het bestreden besluit).
11 Op 10 december 2009 heeft de Commissie in zaak COMP/39482 – Exotisch fruit (Bananen) een mededeling van punten van bezwaar gericht tot Chiquita, Fruit Shippers Ltd en verzoeksters. Nadat hun toegang was verleend tot het dossier, hebben alle adressaten van het bestreden besluit hun opmerkingen kenbaar gemaakt aan de Commissie en deelgenomen aan de hoorzitting die op 18 juni 2010 plaatsvond (overwegingen 87 en 88 van het bestreden besluit).
12 Op 12 oktober 2011 heeft de Commissie het bestreden besluit genomen.
Bestreden besluit
13 De Commissie wijst erop dat het bestreden besluit betrekking heeft op een kartel tussen Chiquita en Pacific bij de invoer, de handel en de verkoop van bananen in Griekenland, Italië en Portugal (hierna: „regio Zuid-Europa”) gedurende de periode van 28 juli 2004 tot 8 april 2005 (overwegingen 1, 73, 93‑95, 306 en 330 van het bestreden besluit).
14 De producten waar de procedure van de Commissie betrekking op heeft, zijn bananen (vers fruit), terwijl het bestreden besluit zowel betrekking heeft op onrijpe (groene) bananen als op rijpe (gele) bananen. Bananen worden beschouwd als producten die gedurende het hele jaar beschikbaar zijn, die wekelijks worden verhandeld en waarnaar de vraag al naargelang het seizoen licht varieert, aangezien deze groter is gedurende de eerste zes maanden van het jaar en minder gedurende de warme zomermaanden. Bananen worden onder een merknaam of zonder merknaam verkocht en komen ofwel uit de Europese Unie, ofwel uit landen in Afrika, het Caraïbisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), ofwel uit landen buiten de ACS. Bananen uit landen buiten de ACS worden meestal in de Unie ingevoerd vanuit het Caraïbisch gebied, Centraal-Amerika, Zuid-Amerika en enkele landen in Afrika, en worden in koelschepen naar de Europese havens vervoerd (overwegingen 2 en 3 van het bestreden besluit).
15 Ten tijde van de feiten van het bestreden besluit werd de invoer van bananen in de Europese Gemeenschap geregeld door verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB L 47, blz. 1), die voorzag in een systeem op basis van invoer- en tariefcontingenten. De invoercontingenten voor bananen werden jaarlijks vastgesteld en op kwartaalbasis toegewezen, met een beperkte flexibiliteit tussen kwartalen van eenzelfde kalenderjaar (overweging 53 van het bestreden besluit).
16 In de bananensector wordt een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën bananen: bananen van de hoogste kwaliteit van het merk Chiquita, bananen van de tweede categorie (van de merken Dole en Del Monte), en bananen van de derde categorie, die verschillende andere bananenmerken omvatten, met name Bonita, Pacific of ook het merk Consul van Chiquita. Dit onderscheid op basis van het merk wordt weerspiegeld in de prijs van de banaan (overweging 27 van het bestreden besluit).
17 Wat de prijzen betreft, maakte de bananensector onderscheid tussen „T1”‑ en „T2”‑prijzen, waarbij „T1” stond voor prijzen „duty unpaid”, dat wil zeggen exclusief douanerechten en invoervergunningen, terwijl „T2” de prijzen inclusief betaalde rechten („duty paid”) aanduidde (overweging 29 van het bestreden besluit).
18 De bananensector in Italië, Griekenland en Portugal bestond uit twee segmenten, te weten het „groene” segment, waarin onrijpe bananen door importeurs werden verkocht aan rijpers en groothandelaars, en het „gele” segment waarin rijpe bananen door rijpers, importeurs van rijpe bananen en groothandelaars werden verkocht aan andere groothandelaars, supermarkten of detailhandelaren. Gedurende de betrokken periode verkochten Chiquita en Pacific bijna uitsluitend groene bananen in de regio Zuid-Europa, maar zonder dat zij langetermijnovereenkomsten of raamovereenkomsten met groothandelaars of rijpers hadden gesloten (overwegingen 31, 32 en 39 van het bestreden besluit).
19 De Commissie wijst erop dat de prijs van de „gele” banaan was samengesteld uit de één of zelfs twee weken eerder vastgestelde prijs van de „groene” banaan plus een marge voor de rijping en andere kosten; die marge was in de regio Zuid-Europa niet uniform, waardoor de onderlinge samenhang tussen de groene en de gele prijzen er ook minder was dan in andere delen van de Unie (overweging 33 van het bestreden besluit).
20 In het bestreden besluit wordt met de term „prijs”, indien deze zonder nadere specificatie wordt gebruikt, gedoeld op de groene T2-prijs (exclusief rabatten en kortingen) voor het eerste merk van iedere partij, te weten respectievelijk Chiquita of Bonita (overweging 42 van het bestreden besluit).
21 De voornaamste betrokkenen bij de prijsvaststelling binnen Chiquita in Zuid-Europa waren C1, die ten tijde van de feiten met name de functie van [vertrouwelijk] ( 1 ) vervulde, en C2, [vertrouwelijk]. Bij Pacific waren de belangrijkste betrokkenen P1, [vertrouwelijk], en P2, [vertrouwelijk]. Bovendien waren, gedurende de betrokken periode, de [vertrouwelijk] P3 [vertrouwelijk] en P4 [vertrouwelijk] (overwegingen 12 en 18 van het bestreden besluit).
22 De Commissie legt uit dat Chiquita en Pacific gedurende de periode van in elk geval 28 juli 2004 tot „verkoopweek 15” van 2005 hun prijsbeleid in Griekenland, Italië en Portugal hebben gecoördineerd wat betreft de toekomstige prijzen, de prijsniveaus, de prijsbewegingen en/of de prijsontwikkelingen, en informatie hebben uitgewisseld over hun toekomstige marktgedrag ten aanzien van de prijzen (overwegingen 94 en 187 van het bestreden besluit).
23 Volgens de Commissie vormen de betrokken feiten een overeenkomst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, doordat de betrokken ondernemingen het expliciet met elkaar eens zijn geworden over een bepaald marktgedrag teneinde de risico’s van de onderlinge mededinging welbewust te vervangen door feitelijke samenwerking. De Commissie is verder van mening dat, zelfs als niet zou kunnen worden aangetoond dat partijen expliciet een gemeenschappelijk plan steunden dat een overeenkomst was, het bewuste gedrag of onderdelen daarvan niettemin onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormen, en dat de contacten tussen partijen hun gedrag bij de vaststelling van de bananenprijzen voor Zuid-Europa hebben beïnvloed (overwegingen 188‑195 van het bestreden besluit).
24 De Commissie is van mening dat het gedrag van partijen één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU vormt, aangezien de overeenkomsten en/of de geconstateerde onderling afgestemde feitelijke gedragingen onderdeel waren van een globale regeling met als doel vast te stellen hoe zij zich op de markt zouden gedragen, en hun individuele commerciële gedragingen te beperken teneinde eenzelfde mededingingsverstorend doel en één enkel economisch doel na te streven, namelijk het beperken of vervalsen van de normale prijsbewegingen in de bananensector in Italië, Griekenland en Portugal, en daarover informatie uit te wisselen (overwegingen 209‑213 van het bestreden besluit).
25 De Commissie verduidelijkt dat verordening nr. 26 van de Raad van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (PB 1962, 30, blz. 993), die van toepassing was ten tijde van de feiten en bepaalde dat artikel 101 VWEU gold voor alle overeenkomsten, besluiten en gedragingen die verband houden met de productie van of de handel in verschillende producten, waaronder fruit, in artikel 2 in uitzonderingen voorzag waarop artikel 101 VWEU niet van toepassing was. Aangezien in het onderhavige geval niet aan de voorwaarden voor de toepassing van die uitzonderingen is voldaan, concludeert de Commissie dat voor de bewuste gedragingen geen ontheffing op grond van artikel 2 van verordening nr. 26 kan worden verleend (overwegingen 172‑174 van het bestreden besluit).
26 De Commissie heeft zich bij de berekening van de geldboeten in de bestreden beschikking gebaseerd op de bepalingen van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”) en op de mededeling inzake medewerking van 2002.
27 De Commissie heeft voor de op te leggen geldboeten basisbedragen vastgesteld oplopend tot – naargelang van de zwaarte van de inbreuk – maximaal 30 % van de waarde van de betrokken verkopen van de onderneming, vermenigvuldigd met het aantal jaren dat de onderneming aan de inbreuk heeft deelgenomen, en aangevuld met een bedrag van 15 tot 25 % van de waarde van de verkopen, ongeacht de duur van de deelname aan de inbreuk (overweging 319 van het bestreden besluit).
28 Op basis van deze berekeningen zijn de basisbedragen van de op te leggen geldboeten vastgesteld als volgt: — 47922000 EUR voor Chiquita; — 11149000 EUR voor Pacific (overweging 334 van het bestreden besluit).
29 Gezien de bijzondere omstandigheden in zaak COMP/39188 – Bananen (zie punt 5 hierboven) is het basisbedrag van de geldboeten in die zaak met 60 % verlaagd om rekening te houden met de specifieke regelgeving die in de bananensector gold en op grond van het feit dat de coördinatie betrekking had op de referentieprijzen. Aangezien die factoren ontbreken in de onderhavige zaak, heeft de Commissie besloten slechts een verlaging van 20 % toe te passen op het basisbedrag voor alle betrokken ondernemingen. Zo wees de Commissie erop dat ondanks de in hoge mate identieke toepasselijke wettelijke regelingen ten tijde van de inbreuk in zaak COMP/39188 – Bananen en in de onderhavige zaak, in casu de prijsvaststelling geen referentieprijzen betrof, die in Zuid-Europa niet bestonden, en dat zelfs bewezen is dat de samenspanning ook betrekking had op de niveaus van de werkelijke prijzen (overwegingen 336‑340 van het bestreden besluit).
30 Deze aanpassing resulteerde in de volgende basisbedragen: — 38337600 EUR voor Chiquita; — 8919200 EUR voor Pacific (overweging 341 van het bestreden besluit).
31 Krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 is immuniteit tegen geldboeten verleend aan Chiquita (overwegingen 345‑352 van het bestreden besluit). Aangezien geen verdere aanpassing werd verricht ten aanzien van Pacific, bedraagt voor haar het afgeronde eindbedrag van de boete 8919000 EUR.
32 Het dispositief van het bestreden besluit luidt als volgt: „Artikel 1 De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 van het Verdrag door van 28 juli 2004 tot 8 april 2005 deel te nemen aan één enkele voortdurende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging bestaande in de vaststelling van de verkoopprijs van bananen in drie landen in Zuid-Europa, te weten Italië, Griekenland en Portugal: a) Chiquita Brands International, Inc., Chiquita Banana Company BV, Chiquita Italia SpA, b) FSL Holdings NV, Firma Leon Van Parys NV, Pacific Fruit Company Italy SpA. Artikel 2 Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk(en) worden de volgende geldboeten opgelegd: a) Chiquita Brands International, Inc., Chiquita Banana Company BV, Chiquita Italia SpA, een gezamenlijk en hoofdelijk verschuldigde geldboete van 0 EUR, b) FSL Holdings NV, Firma Leon Van Parys NV, Pacific Fruit Company Italy SpA, een gezamenlijk en hoofdelijk verschuldigde geldboete van 8919000 EUR. [...]”
Procedure en conclusies van partijen
33 Bij op 22 december 2011 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
34 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de in artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering geregelde maatregelen tot organisatie van de procesgang een schriftelijke vraag aan de Commissie gesteld en partijen verzocht om stukken over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan die verzoeken voldaan. De Commissie heeft evenwel geweigerd enkele van de gevraagde stukken over te leggen met een beroep op de vertrouwelijkheid daarvan.
35 Bij beschikking van 24 oktober 2014 heeft het Gerecht krachtens de artikelen 65, onder b), 66, lid 1, en 67, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering de Commissie gelast om de stukken over te leggen die volgens haar vertrouwelijk waren. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn hieraan voldaan. Aangezien het Gerecht vaststelde dat de bedoelde stukken niet nodig waren voor de beslechting van het geding, zijn deze uit het dossier verwijderd en niet ter kennis van verzoeksters gebracht.
36 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 4 november 2014.
37 Verzoeksters concluderen tot: — primair, nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover hierin is vastgesteld dat zij inbreuk hebben gemaakt op artikel 101 VWEU (nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van het bestreden besluit voor zover deze op hen betrekking hebben); — subsidiair, nietigverklaring van artikel 2 van het bestreden besluit voor zover hun daarbij een geldboete van 8919000 EUR is opgelegd, en verlaging van het bedrag van de geldboete overeenkomstig de in het verzoekschrift uiteengezette argumenten; — verwijzing van de Commissie in de kosten.
38 De Commissie concludeert tot: — verwerping van het beroep; — verwijzing van verzoeksters in de kosten.
In rechte
39 Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan. Het eerste middel betreft schending van wezenlijke vormvoorschriften en van de rechten van verdediging. Het tweede middel is ontleend aan misbruik van bevoegdheid. Het derde middel betreft de onjuistheid van het bestreden besluit, aangezien in het besluit niet rechtens genoegzaam wordt vastgesteld dat verzoeksters inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU hebben gemaakt, onjuiste beoordeling van de bewijzen en het feit dat de aangevoerde bewijzen de vaststelling van een inbreuk niet kunnen dragen. Het vierde middel ten slotte is ontleend aan schending van artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 en van de richtsnoeren van 2006 wegens onjuiste beoordeling van de zwaarte en de duur van de inbreuk en van de verzachtende omstandigheden en wegens schending van het non-discriminatiebeginsel bij de berekening van de hoogte van de geldboete.
40 In een inleidend deel, „Beschrijving van de betrokken sector”, zetten verzoeksters de kenmerken uiteen van de Europese bananenmarkt in het algemeen en die van Zuid-Europa in het bijzonder. Ter terechtzitting hebben verzoeksters verduidelijkt dat de desbetreffende uiteenzetting in hun schrifturen bedoeld was om de context van de zaak voor het Gerecht te verduidelijken en geen concrete grieven tegen het bestreden besluit bevatten, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
I – Primaire vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit
A – Middel inzake schending van wezenlijke vormvoorschriften en van de rechten van verdediging
41 In het kader van hun eerste middel voeren verzoeksters schending aan van wezenlijke vormvoorschriften en van de rechten van verdediging doordat de Commissie stukken heeft gebruikt die uitsluitend voor de doeleinden van een nationaal fiscaal onderzoek waren verkregen, alsook stukken die uit andere dossiers afkomstig waren, en voorts doordat zij de onderneming die om immuniteit heeft verzocht onrechtmatig heeft beïnvloed. De feitelijke omstandigheden die tot staving van die laatste grief worden aangevoerd, zijn evenwel dezelfde als die welke worden aangehaald tot staving van misbruik van bevoegdheid; dit is door verzoeksters ter terechtzitting bevestigd, zodat die omstandigheden zullen worden behandeld bij het onderzoek van dat middel.
1. Inleidende opmerkingen
42 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering primeert en het enige relevante criterium ter beoordeling van aangevoerde bewijzen de geloofwaardigheid ervan is (arresten Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T-67/00, T-68/00, T-71/00 en T-78/00, Jurispr. blz. II-2501, EU:T:2004:221, punt 273; Dalmine/Commissie, T-50/00, Jurispr. blz. II-2395, EU:T:2004:220, punt 72, en van 12 december 2012, Almamet/Commissie, T‑410/09, EU:T:2012:676, punt 38).
43 Het is evenwel ook vaste rechtspraak dat de eerbiediging van de grondrechten een vereiste is voor de wettigheid van handelingen van de Unie en dat maatregelen die onverenigbaar zijn met de eerbiediging van deze rechten, in de Unie niet toelaatbaar zijn (zie arrest Hof van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C-402/05 P en C-415/05 P, Jurispr. blz. I-6351, EU:C:2008:461, punt 284 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arresten Gerecht van 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad, T-390/08, Jurispr. blz. II-3967, EU:T:2009:401, punt 70, en Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 39).
44 Het Unierecht kan bijgevolg geen bewijs toelaten dat is verkregen onder volledige miskenning van de voor de bewijslevering geldende procedure, die bedoeld is om de grondrechten van betrokkenen te beschermen. Het volgen van die procedure moet derhalve worden beschouwd als een wezenlijk vormvoorschrift in de zin van artikel 263, tweede alinea, VWEU. Volgens de rechtspraak heeft schending van een wezenlijk vormvoorschrift gevolgen, waarbij het niet van belang is of die schending schade heeft veroorzaakt aan degene die zich erop beroept (zie in die zin arrest Hof van 6 april 2000, Commissie/ICI, C-286/95 P, Jurispr. blz. I-2341, EU:C:2000:188, punten 42 en 52, en arrest Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 39).
45 In dit verband is het van belang erop te wijzen dat al is beslist dat de vraag of een nationale officier van justitie of de bevoegde mededingingsautoriteiten gerechtigd zijn informatie die krachtens het nationale strafrecht is verkregen, aan de Commissie door te geven, dient te worden beoordeeld volgens het nationale recht. Bovendien is de Unierechter niet bevoegd om de rechtmatigheid van een handeling van een nationale autoriteit aan het nationale recht te toetsen (zie arrest Hof van 25 januari 2007, Dalmine/Commissie, C-407/04 P, Jurispr. blz. I-829, EU:C:2007:53, punt 62, en arrest Dalmine/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2004:220, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Aangezien de overdracht van de betrokken documenten niet door een nationale rechter onrechtmatig is verklaard, kunnen deze documenten niet worden beschouwd als ontoelaatbaar bewijs dat uit het dossier dient te worden verwijderd (arrest Dalmine/Commissie, punt 45 supra, EU:C:2007:53, punt 63).
47 In de tweede plaats dient erop te worden gewezen dat de rechten van verdediging in elke procedure die kan leiden tot sancties, met name geldboeten of dwangsommen, zoals de procedure van verordening nr. 1/2003, volgens vaste rechtspraak grondrechten zijn die een integrerend deel vormen van de algemene rechtsbeginselen waarvan de Unierechter de eerbiediging verzekert (zie arrest Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 De administratieve procedure van verordening nr. 1/2003, die zich voor de Commissie afspeelt, bestaat uit twee onderscheiden, opeenvolgende fasen, te weten een vooronderzoeksfase en een fase op tegenspraak, die elk een eigen innerlijke logica hebben. De vooronderzoeksfase, waarin de Commissie de in deze verordening bepaalde onderzoeksbevoegdheden gebruikt en die duurt tot aan de mededeling van punten van bezwaar, is bedoeld om de Commissie in staat te stellen alle relevante bewijzen te verzamelen die het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels al dan niet bevestigen, en een eerste standpunt in te nemen over de richting die de procedure zal nemen en het uiteindelijke gevolg dat aan de procedure moet worden gegeven. De fase op tegenspraak, die loopt van de mededeling van punten van bezwaar tot de vaststelling van het definitieve besluit, moet de Commissie daarentegen in staat stellen zich definitief uit te spreken over de verweten inbreuk (zie arrest Hof van 3 september 2009, Prym en Prym Consumer/Commissie, C-534/07 P, Jurispr. blz. I-7415, EU:C:2009:505, punt 27, en arrest Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 De vooronderzoeksfase begint op de datum waarop de Commissie krachtens haar bevoegdheden op grond van de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 1/2003 maatregelen neemt die impliceren dat een inbreuk ten laste wordt gelegd en die belangrijke consequenties hebben voor de situatie van de verdachte ondernemingen (arresten Hof van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C-238/99 P, C-244/99 P, C-245/99 P, C-247/99 P, C-250/99 P-C-252/99 P en C-254/99 P, Jurispr. blz. I-8375, EU:C:2002:582, punt 182; van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C-105/04 P, Jurispr. blz. I-8725, EU:C:2006:592, punt 38, en arrest Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 25).
50 Daarnaast wordt de betrokken onderneming blijkens de rechtspraak pas aan het begin van de administratieve fase op tegenspraak, door middel van de mededeling van punten van bezwaar, ingelicht over de belangrijkste feiten waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert, en beschikt deze onderneming pas dan over een recht van toegang tot het dossier van de Commissie teneinde een daadwerkelijke uitoefening van haar rechten van verdediging te waarborgen. De betrokken onderneming kan dus pas nadat de mededeling van punten van bezwaar is toegestuurd, haar rechten van verdediging ten volle uitoefenen (zie arrest Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien deze rechten zouden worden uitgebreid tot de periode vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar, zou immers afbreuk worden gedaan aan de doeltreffendheid van het onderzoek van de Commissie, omdat de onderneming dan reeds in de vooronderzoeksfase zou kunnen achterhalen over welke informatie de Commissie beschikt en welke informatie dus nog voor haar verborgen kan worden gehouden (arrest Dalmine/Commissie, punt 45 supra, EU:C:2007:53, punt 60, en arrest Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 25).
51 Dat neemt niet weg dat de door de Commissie in de vooronderzoeksfase getroffen onderzoeksmaatregelen, met name de inlichtingenverzoeken en de inspecties krachtens de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 1/2003, naar hun aard het verwijt van een inbreuk impliceren en belangrijke gevolgen kunnen hebben voor de situatie van de verdachte ondernemingen. Derhalve moet worden voorkomen dat de rechten van verdediging in deze fase van de administratieve procedure onherstelbaar worden geschaad, daar de genomen onderzoeksmaatregelen beslissend kunnen zijn voor het leveren van het bewijs van de onrechtmatigheid van gedragingen van ondernemingen waarvoor deze aansprakelijk kunnen worden gehouden (zie arrest Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Zo verplicht artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 de Commissie tot motivering van het besluit waarbij een inspectie wordt gelast, door het voorwerp en het doel van de inspectie te vermelden; deze verplichting vormt een fundamenteel vereiste om het voor de betrokken ondernemingen duidelijk te maken dat de voorgenomen ingreep gerechtvaardigd is, maar ook om hun inzicht te geven in de omvang van hun verplichting tot medewerking en tegelijk hun rechten van verdediging veilig te stellen (arresten Hof van 21 september 1989, Hoechst/Commissie, 46/87 en 227/88, Jurispr. blz. 2859, EU:C:1989:337, punt 29, en van 22 oktober 2002, Roquette Frères, C-94/00, Jurispr. blz. I-9011, EU:C:2002:603, punt 47; arresten Gerecht van 11 december 2003, Minoan Lines/Commissie, T-66/99, Jurispr. blz. II-5515, EU:T:2003:337, punt 54; van 8 maart 2007, France Télécom/Commissie, T-339/04, Jurispr. blz. II-521, EU:T:2007:80, punt 57, en Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 28).
53 De Commissie dient derhalve zo nauwkeurig mogelijk aan te geven wat wordt onderzocht en welke de elementen zijn waarop de inspectie betrekking dient te hebben. Dit vereiste beschermt de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen, aangezien die rechten ernstig zouden worden aangetast indien de Commissie tegen ondernemingen bewijsmateriaal kon aanvoeren dat tijdens een inspectie is verkregen, maar dat geen verband houdt met het voorwerp en het doel daarvan (arresten Hof van 17 oktober 1989, Dow Benelux/Commissie, 85/87, Jurispr. blz. 3137, EU:C:1989:379, punt 18, en Roquette Frères, punt 52 supra, EU:C:2002:603, punt 48; arresten Minoan Lines/Commissie, punt 52 supra, EU:T:2003:337, punt 55, en Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 29).
54 Ook al volgt dus uit de rechtspraak dat de door de Commissie tijdens verificaties verkregen inlichtingen niet mogen worden gebruikt voor een ander doel dan vermeld in de opdracht tot verificatie of het verificatiebesluit, dit betekent echter niet dat het de Commissie verboden zou zijn een onderzoeksprocedure in te leiden teneinde gegevens waarvan zij tijdens een eerdere inspectie toevallig kennis heeft gekregen, op hun juistheid te controleren of aan te vullen, zo die gegevens mochten wijzen op het bestaan van met de mededingingsregels van het Verdrag strijdige gedragingen. Een dergelijk verbod zou immers verder gaan dan noodzakelijk is ter bescherming van de geheimhoudingsplicht en van de rechten van verdediging, en zou de Commissie derhalve ten onrechte belemmeren in de uitoefening van haar taak om toe te zien op de naleving van de mededingingsregels binnen de interne markt en inbreuken op de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU op te sporen (arresten Dow Benelux/Commissie, punt 53 supra, EU:C:1989:379, punten 17‑19; Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, punt 49 supra, EU:C:2002:582, punten 298‑301, en arrest Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 30).
55 In het kader van een dergelijk nieuw onderzoek heeft de Commissie het recht om nieuwe kopieën van de tijdens het eerste onderzoek verkregen stukken te verlangen en deze dan als bewijs te gebruiken in de zaak waarop het tweede onderzoek betrekking heeft, zonder dat hierdoor de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen worden geschaad (zie in die zin arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, punt 49 supra, EU:C:2002:582, punten 303‑305, en arrest Almamet/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2012:676, punt 30).
56 In de derde plaats zij opgemerkt dat de beslissing om een procedure te splitsen, wat neerkomt op het openen van een of meer nieuwe onderzoeksprocedures, behoort tot de discretionaire bevoegdheid waarover de Commissie beschikt bij de uitoefening van de prerogatieven die het Verdrag haar op het gebied van het mededingingsrecht heeft verleend (zie in die zin arresten Dow Benelux/Commissie, punt 53 supra, EU:C:1989:379, punten 17‑19; Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, punt 49 supra, EU:C:2002:582, punten 446‑449, en arrest Gerecht van 19 mei 2010, Wieland-Werke e.a./Commissie, T‑11/05, EU:T:2010:201, punt 101).
57 Zo mag de Commissie procedures om objectieve redenen splitsen of voegen (arresten Gerecht van 12 september 2007, Prym en Prym Consumer/Commissie, T‑30/05, EU:T:2007:267, punt 64, en van 13 juli 2011, Polimeri Europa/Commissie, T-59/07, Jurispr. blz. II-4687, EU:T:2011:361, punt 100).
58 Het middel van verzoeksters moet in het licht van deze beginselen worden onderzocht.
2. Grief inzake het gebruik van door de Italiaanse fiscale autoriteit verstrekte documenten als bewijs
59 Verzoeksters betogen dat de stellingen van de Commissie grotendeels zijn gebaseerd op door de Italiaanse fiscale autoriteit Guardia di Finanza (belastingpolitie) aan haar overgedragen documenten die in beslag waren genomen bij een nationaal belastingonderzoek, te weten handgeschreven aantekeningen van P1.
60 Zij stellen dat zij niet op de hoogte zijn gebracht van de overdracht van die documenten, die gedurende bijna twee jaar werden bewaard in het dossier van de Commissie voordat zij hun werden meegedeeld, zodat zij noch de Italiaanse procedurele waarborgen hebben kunnen inroepen om te verhinderen dat de bedoelde stukken aan de Commissie zouden worden overhandigd en tijdens het onderzoek zouden worden gebruikt, noch hun rechten van verdediging hebben kunnen uitoefenen.
61 Volgens verzoeksters staan de procedurele minimumwaarborgen van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 1/2003, dat in het onderhavige geval naar analogie moet worden toegepast, in de weg aan het gebruik van de genoemde documenten in het kader van deze procedure. Bovendien kan de toestemming die de Guardia di Finanza van de Procuratore della Repubblica (officier van justitie) van Rome (Italië) kreeg voor het gebruik van bedoelde documenten voor administratieve doeleinden niet van toepassing zijn op de onderhavige procedure, aangezien de door de Commissie in mededingingszaken opgelegde boeten strafrechtelijk van aard zijn in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”).
62 Bijgevolg verzoeken verzoeksters de documenten in kwestie uit het dossier te verwijderen en niet voor het bewijs in aanmerking te nemen in de onderhavige zaak.
63 De Commissie houdt staande dat de rechtmatigheid van de overdracht door nationale autoriteiten van documenten die verkregen zijn onder toepassing van nationaal strafrecht afhangt van het nationale recht, en dat een document pas als ontoelaatbaar kan worden beschouwd indien de overdracht onrechtmatig is verklaard door een nationale rechterlijke instantie. In het onderhavige geval heeft de Procuratore della Repubblica van Rome toestemming verleend voor het gebruik van de betrokken documenten voor administratieve doeleinden. In dit verband verwerpt de Commissie de stelling dat procedures op grond van het mededingingsrecht van de Unie strafrechtelijk van aard zijn.
64 Bovendien betoogt de Commissie dat artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1/2003 slechts betrekking heeft op de informatie-uitwisseling binnen het Europees netwerk van mededingingsautoriteiten (ECN) en de Commissie niet verbiedt om documenten uit andere bron in ontvangst te nemen.
65 De vraag naar de toelaatbaarheid van de door de Italiaanse autoriteiten overhandigde documenten voor het bewijs in de onderhavige zaak moet worden onderscheiden van de vraag naar het waarborgen van de rechten van verdediging van verzoeksters. Uit het betoog van verzoeksters blijkt immers dat zij aan de ene kant de toelaatbaarheid van deze documenten voor het bewijs betwisten en aan de andere kant schending van de rechten van verdediging aanvoeren.
a) Ontoelaatbaarheid van de litigieuze stukken als bewijs
66 Vooraf zij opgemerkt dat de Commissie van de door de Guardia di Finanza aan de Commissie overhandigde documenten vier pagina’s met aantekeningen van P1 als bewijs in deze zaak heeft gebruikt, te weten twee pagina’s met aantekeningen over de lunch van 28 juli 2004 en twee pagina’s met aantekeningen uit augustus 2004. Afgezien van die vier pagina’s heeft de Commissie naar enkele andere pagina’s uit de door de Guardia di Finanza verstrekte aantekeningen van P1 verwezen teneinde de geloofwaardigheid van het bewijs van de inbreuk te staven, te weten de geloofwaardigheid van de aantekeningen van P1 (zie punt 210 hieronder) en zijn rechtstreekse betrokkenheid in de directie van Pacific (zie punt 296 hieronder), maar zonder deze pagina’s te gebruiken als bewijs voor de inbreuk.
67 Wat betreft de vier pagina’s met aantekeningen die als bewijs voor de inbreuk zijn gebruikt, moet erop worden gewezen dat uit het dossier blijkt dat de twee pagina’s met aantekeningen over de lunch van 28 juli 2004 ook door de Commissie zijn gevonden tijdens inspecties bij Pacific in Rome.
68 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de twee pagina’s met aantekeningen over de lunch van 28 juli 2004 zich in het dossier van deze zaak bevinden los van de vraag naar de toelaatbaarheid van de door de Guardia di Finanza overhandigde documenten. Ter terechtzitting hebben verzoeksters bevestigd dat zij de rechtmatigheid van de door de Commissie in deze zaak uitgevoerde inspecties niet betwisten, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting, en bijgevolg evenmin de toelaatbaarheid van de tijdens die inspecties verzamelde documenten als bewijs.
69 In elk geval volgt uit de in de punten 54 en 55 aangehaalde rechtspraak dat – ook al mogen de door de Commissie tijdens verificaties verkregen inlichtingen niet worden gebruikt voor een ander doel dan vermeld in de opdracht tot verificatie of het verificatiebesluit – dit niet betekent dat het de Commissie verboden zou zijn een onderzoeksprocedure in te leiden teneinde gegevens waarvan zij tijdens een eerdere inspectie toevallig kennis heeft gekregen, op hun juistheid te controleren of aan te vullen, zo die gegevens mochten wijzen op het bestaan van met de mededingingsregels van het Verdrag strijdige gedragingen, en dat de Commissie in het kader van een dergelijk nieuw onderzoek het recht heeft om nieuwe kopieën van de tijdens het eerste onderzoek verkregen stukken te verlangen en deze dan als bewijs te gebruiken in de zaak waarop het tweede onderzoek betrekking heeft, zonder dat hierdoor de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen worden geschaad.
70 Uit het voorgaande volgt dat de enige door de Guardia di Finanza verstrekte stukken die de Commissie heeft gebruikt als bewijs voor de inbreuk in deze zaak en waarvan de toelaatbaarheid wordt betwist, de twee pagina’s met aantekeningen uit augustus 2004 zijn.
b) Toelaatbaarheid van de door de Italiaanse belastingautoriteiten verstrekte documenten als bewijs
71 Verzoeksters betogen dat de waarborgen van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1/2003, dat bepaalt dat de tussen de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten uitgewisselde inlichtingen alleen als bewijs mogen worden gebruikt „met betrekking tot het onderwerp waarvoor zij door de toezendende autoriteit zijn verzameld”, in de weg staan aan het gebruik van de door de Italiaanse belastingautoriteiten verstrekte documenten als bewijs in deze zaak.
72 Volgens verzoeksters heeft verordening nr. 1/2003 – hoewel in principe alleen van toepassing binnen het ECN-netwerk – een set procedurele minimumnormen en ‑waarborgen ingevoerd, waarvan de werkingssfeer zich behoort uit te strekken tot alle door de Commissie in een mededingingsonderzoek als bewijs gebruikte inlichtingen. Iedere andere uitlegging zou leiden tot een niet te rechtvaardigen verschil, aangezien de Commissie dan zou mogen samenwerken met nationale autoriteiten die geen deel uitmaken van het ECN teneinde op een aan minder beperkingen en regels onderworpen manier bewijs te verkrijgen, waardoor zij de procedurele waarborgen en de beperkingen van verordening nr. 1/2003 zou kunnen omzeilen.
73 Verzoeksters stellen dat de betrokken documenten in het onderhavige geval bijgevolg alleen in het nationale fiscale onderzoek, voor welk doel zij waren verzameld, als bewijs mogen worden gebruikt en niet in een mededingingsonderzoek teneinde een inbreuk op artikel 101 VWEU vast te stellen. Iedere andere uitlegging zou een fundamentele schending van hun rechten van verdediging en van de specifiek op mededingingsonderzoeken toepasselijke interne procedurele regels betekenen.
74 Dit argument moet worden afgewezen. Er kan niet worden gesteld dat in een procedure waarop verordening nr. 1/2003 van toepassing is, het gebruik als bewijs door de Commissie van documenten die door welke nationale autoriteiten dan ook zijn verzameld voor andere doeleinden dan de toepassing van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU en voor andere doeleinden dan waarop het onderzoek van de Commissie is gericht, schending oplevert van de waarborgen van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1/2003.
75 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat verordening nr. 1/2003 een einde heeft gemaakt aan het vroegere gecentraliseerde stelsel en conform het subsidiariteitsbeginsel in een ruimere medewerking van de nationale mededingingsautoriteiten voorziet, waartoe deze de bevoegdheid is verleend om het mededingingsrecht van de Unie toe te passen. De opzet van de verordening berust op de nauwe samenwerking die tussen de Commissie en de in een netwerk georganiseerde mededingingsautoriteiten van de lidstaten moet groeien (zie in die zin arrest Gerecht van 8 maart 2007, France Télécom/Commissie, T-339/04, Jurispr. blz. II-521, EU:T:2007:80, punt 79).
76 Zo heeft artikel 12 van verordening nr. 1/2003, dat in hoofdstuk IV „Samenwerking” staat, tot doel de uitwisseling van inlichtingen binnen het netwerk bestaande uit de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten te regelen om de informatie-uitwisseling binnen dat netwerk mogelijk te maken, onder verzekering van de naleving van passende procedurele waarborgen voor de ondernemingen.
77 In de toelichting bij het voorstel voor verordening nr. 1/2003 verduidelijkt de Commissie: „Lid 1 [van artikel 12] schept een rechtsgrond voor de uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten en het gebruik ervan als bewijsmateriaal in procedures waarin toepassing wordt gemaakt van het communautaire mededingingsrecht. [...] Doel is met het oog op een efficiënte verdeling van zaken de overname van een bij een bepaalde mededingingsautoriteit aanhangig gemaakte zaak door een andere mededingingsautoriteit mogelijk te maken. Lid 2 stelt beperkingen aan het gebruik van de overeenkomstig lid 1 meegedeelde informatie en biedt aldus de betrokken ondernemingen passende procedurele waarborgen.”
78 Het verbod van artikel 12, lid 2, van verordening nr. 1/2003 om inlichtingen die de Commissie en de mededingingsautoriteiten van de lidstaten op grond van hun onderzoeksbevoegdheden hebben verzameld, als bewijs te gebruiken voor andere doelen dan waarvoor zij zijn verkregen, beantwoordt aan een specifieke behoefte, namelijk de noodzaak om de naleving te verzekeren van de procedurele waarborgen die inherent zijn aan het in het kader van hun taken verzamelen van informatie door de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten, waarbij tevens informatie-uitwisseling tussen die autoriteiten is toegestaan. Uit dat verbod kan echter niet automatisch een algemeen verbod voor de Commissie worden afgeleid om als bewijs informatie te gebruiken die een andere nationale autoriteit in het kader van de uitoefening van haar taken heeft verkregen.
79 Overigens zou een dergelijk algemeen verbod de bewijslast van de Commissie bij gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU te zeer verzwaren en derhalve onverenigbaar zijn met de haar bij de Verdragen opgedragen taak om toezicht te houden op de juiste toepassing van die bepalingen.
80 Uit de in de punten 45 en 46 hierboven aangehaalde rechtspraak volgt dat de vraag of een nationale officier van justitie of de bevoegde mededingingsautoriteiten gerechtigd zijn informatie die krachtens het nationale strafrecht is verzameld, aan de Commissie door te geven, dient te worden beoordeeld volgens het nationale recht. Bovendien is de Unierechter niet bevoegd om de rechtmatigheid van een handeling van een nationale autoriteit aan het nationale recht te toetsen. Aangezien de overdracht van de betrokken documenten niet door een nationale rechter onrechtmatig is verklaard, kunnen deze documenten derhalve niet worden beschouwd als ontoelaatbaar bewijs dat uit het dossier dient te worden verwijderd.
81 In dit verband volstaat het erop te wijzen dat verzoeksters in het onderhavige geval niets hebben aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de overdracht van de betrokken documenten door een nationale rechter onrechtmatig is verklaard. Afgezien daarvan blijkt uit hun betoog evenmin dat een bevoegde Italiaanse rechterlijke instantie is verzocht om na te gaan of de betrokken documenten op regelmatige wijze zijn overgedragen en op Unieniveau mochten worden gebruikt (zie in die zin arrest Dalmine/Commissie, punt 45 supra, EU:C:2007:53, punt 63, en arrest Dalmine/Commissie, punt 42 supra, EU:T:2004:220, punt 87).
82 Ten overvloede dient ook nog het argument van verzoeksters te worden afgewezen dat de toestemming van de Procuratore della Repubblica van Rome slechts voor administratieve doeleinden was verkregen. Volgens verzoeksters valt een mededingingsprocedure niet onder de kwalificatie „administratieve doeleinden”, aangezien de door de Commissie opgelegde geldboeten strafrechtelijk van aard zijn in de zin van artikel 6 EVRM. De toestemming die de Guardia di Finanza van de Procuratore della Repubblica heeft gekregen zou daarom niet van toepassing zijn op de procedure van de Commissie in de onderhavige zaak.
83 Ten eerste zij erop gewezen dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) inderdaad in punt 44 van zijn door verzoeksters aangehaalde arrest A. Menarini Diagnostics S.R.L./Italië van 27 september 2011 (verzoekschrift nr. 43509/08), heeft geoordeeld: „Rekening houdend met de verschillende aspecten van de zaak [...] is het Hof van oordeel dat de geldboete die de verzoekende vennootschap is opgelegd strafrechtelijk van aard is, zodat in dit geval de strafrechtelijke dimensie van artikel 6, lid 1, van toepassing is.”
84 Dit betekent echter niet dat de toestemming van de Procuratore della Repubblica van Rome om de betrokken documenten voor „administratieve doeleinden” te gebruiken, aldus zou moeten worden uitgelegd dat de Procuratore della Repubblica het gebruik van de documenten in een procedure op grond van het mededingingsrecht wilde uitsluiten, indien het mededingingsrecht in het Italiaanse recht wordt beschouwd als behorende tot het bestuursrecht. Dat laatste is het geval zoals met name ook valt te lezen in het arrest van het EHRM A. Menarini Diagnostics S.R.L./Italië, punt 83 supra (punten 11 e.v. en 60).
85 In dit verband moet er immers op worden gewezen dat volgens de rechtspraak van het EHRM de eerbiediging van artikel 6 EVRM niet uitsluit dat in een procedure van bestuurlijke aard eerst door een bestuurlijke instantie een „straf” wordt opgelegd. Deze bepaling verlangt evenwel dat de beslissing van een bestuurlijke instantie die zelf niet aan de in artikel 6, lid 1, EVRM gestelde voorwaarden voldoet, vervolgens kan worden getoetst door een rechterlijk orgaan met volledige rechtsmacht (arrest Hof van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, C‑295/12 P, Jurispr., EU:C:2014:2062, punt 51).
86 Het is overigens nuttig nog te vermelden dat vaststaat dat de Guardia di Finanza de betrokken stukken op 25 juli 2007 heeft overgedragen, nadat zij toestemming van de Procuratore della Repubblica van Rome had gekregen om ze voor administratieve doeleinden te gebruiken (overweging 81 van het bestreden besluit), terwijl het door verzoeksters aangevoerde arrest van het EHRM A. Menarini Diagnostics S.R.L./Italië, punt 83 supra, werd gewezen op 27 september 2011. Dientengevolge kan de beslissing van de Procuratore niet worden uitgelegd in het licht van een mogelijke kwalificatie van sancties in het mededingingsrecht in dat arrest.
87 Ten tweede dient te worden vermeld dat blijkens het dossier niet kan worden volgehouden dat de Procuratore della Repubblica, toen hij zijn toestemming gaf, niet wist dat de betrokken documenten bestemd waren voor gebruik in een mededingingsrechtelijk onderzoek.
88 In dit verband verklaren verzoeksters in punt 466 van hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar dat de Procuratore della Repubblica van Rome bij beslissing van 13 juli 2007 toestemming heeft gegeven voor een interne overdracht, binnen de Guardia di Finanza, van stukken die in de woning van P1 in beslag waren genomen door de Nucleo Polizia Tributaria di Roma (afdeling van de belastingpolitie van Rome) aan de Nucleo Speciale Tutela Mercati (gespecialiseerde afdeling voor bescherming van de markten). Uit de voetnoot op pagina 2 van de begeleidende brief bij de verzending van de stukken door de Guardia di Finanza aan de Commissie blijkt echter dat de Nucleo Speciale Tutela Mercati, die hiërarchisch deel uitmaakt van de directie „Comando tutela dell’Economia” (marktbescherming), binnen de Guardia de Finanza de gespecialiseerde dienst voor de bescherming van de mededinging voor het hele nationale grondgebied is. De Nucleo Speciale Tutela Mercati is bevoegd om signalen van de andere diensten binnen de organisatie te ontvangen en deze na beoordeling aan de bevoegde autoriteit over te dragen. Derhalve kon het de Procuratore della Repubblica niet onbekend zijn geweest, toen hij toestemming gaf voor de overdracht van de door de Nucleo Polizia Tributaria di Roma van de Guardia di Finanza in het kader van een belastingonderzoek in beslag genomen stukken aan de Nucleo Speciale Tutela Mercati van diezelfde autoriteit, dat hij daarmee toestemming gaf voor gebruik van die stukken in een mededingingsonderzoek.
89 Bovendien blijkt uit punt 467 van het antwoord van verzoeksters op de mededeling van punten van bezwaar, uit overweging 81 van het bestreden besluit en uit punt 21 van het verweerschrift, dat de Procuratore della Repubblica later – in verband met een verzoek van de Commissie aan de Guardia di Finanza van 21 december 2007 en een aan hem gerichte brief van de Guardia di Finanza van 3 januari 2008 – heeft verklaard dat mededeling van de betrokken stukken door de Commissie aan partijen geen schade toebracht aan het nationale onderzoek in Italië. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het de Procuratore della Repubblica uiterlijk op dat moment niet meer onbekend kon zijn geweest dat de Commissie de stukken in haar bezit had voor gebruik in een onderzoek op het gebied van het mededingingsrecht.
90 Uit het voorgaande volgt dat de grief inzake het gebruik door de Commissie als bewijs in deze zaak van stukken die haar waren overgedragen door de Italiaanse Guardia di Finanza moet worden afgewezen.
c) Waarborging van de rechten van verdediging van verzoeksters door de Commissie
91 Wat de vraag betreft of de Commissie verzoeksters eerder toegang tot de stukken had moeten geven, is in punt 47 hierboven eraan herinnerd dat de rechten van verdediging in elke procedure die kan leiden tot sancties, met name geldboeten of dwangsommen, zoals de procedure van verordening nr. 1/2003, volgens vaste rechtspraak grondrechten zijn die een integrerend deel vormen van de algemene rechtsbeginselen waarvan de Unierechter de eerbiediging verzekert.
92 De eerbiediging van de rechten van verdediging verlangt dat de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld haar standpunt met betrekking tot de juistheid en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk heeft gestaafd, op nuttige wijze kenbaar te maken (zie arrest Dalmine/Commissie, punt 45 supra, EU:C:2007:53, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93 In dit verband vormt de mededeling van punten van bezwaar de procedurele waarborg voor de toepassing van het grondbeginsel van het recht van de Unie dat de rechten van verdediging in elke procedure moeten worden geëerbiedigd. Zoals al in punt 48 hierboven in herinnering is geroepen, moet wat een procedure op grond van artikel 101 VWEU betreft, onderscheid worden gemaakt tussen twee fasen van de administratieve procedure, te weten de onderzoeksfase vóór de mededeling van punten van bezwaar en de fase die het vervolg van de administratieve procedure omvat. Elk van deze opeenvolgende fasen heeft een eigen innerlijke logica, waarbij de eerste fase de Commissie in staat moet stellen een standpunt in te nemen over de richting die de procedure zal nemen en de tweede de Commissie in staat moet stellen zich definitief uit te spreken over de verweten inbreuk (arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, punt 48 supra, EU:C:2009:505, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94 Met betrekking tot de vraag of de Commissie verzoeksters eerder of zelfs vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar had moeten inlichten over het feit dat zij in het bezit was van de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte documenten, dient eraan te worden herinnerd dat juist de verzending van de mededeling van punten van bezwaar en de toegang tot het dossier, die de adressaat van deze mededeling in staat stelt kennis te nemen van de bewijsstukken in het dossier van de Commissie, de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces, waarop verzoeksters zich in het kader van het onderhavige middel beroepen, waarborgen (zie in die zin arrest Dalmine/Commissie, punt 45 supra, EU:C:2007:53, punt 58).
95 Het is immers door de mededeling van punten van bezwaar dat de betrokken onderneming wordt ingelicht over alle wezenlijke omstandigheden waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert. De betrokken onderneming kan dus pas na de verzending van deze mededeling de rechten van verdediging ten volle uitoefenen (arrest Dalmine/Commissie, punt 45 supra, EU:C:2007:53, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
96 Indien de bovenbedoelde rechten in de door verzoeksters voorgestelde zin werden uitgebreid tot de periode vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar, zou afbreuk worden gedaan aan de doeltreffendheid van het onderzoek van de Commissie, omdat de onderneming dan reeds in de eerste fase van het onderzoek van de Commissie zou kunnen achterhalen over welke informatie de Commissie beschikt en welke informatie dus nog voor haar verborgen kan worden gehouden (zie in die zin arrest Dalmine/Commissie, punt 45 supra, EU:C:2007:53, punt 60).
97 Hieruit volgt dat de Commissie in de onderhavige zaak niet verplicht was om verzoeksters vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar te informeren over de overdracht van stukken door de Guardia di Finanza.
98 Bijgevolg volstaat de constatering dat de Commissie in punt 86 van de mededeling van punten van bezwaar expliciet heeft vermeld dat zij deze documenten als bewijs gebruikte. Uit een brief van verzoeksters aan de Commissie van 13 juli 2009 blijkt bovendien dat de Commissie de stukken die zij van de Guardia di Finanza had ontvangen, op 6 juli 2009 aan verzoeksters heeft doen toekomen, dat wil zeggen nog vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar op 10 december 2009. Dit is door verzoeksters ter terechtzitting bevestigd, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van die zitting.
99 Voor het overige zij erop gewezen dat verzoeksters niet stellen dat het feit dat de Commissie hen tijdens de onderzoeksfase niet heeft meegedeeld dat zij in het bezit was van de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte documenten, enige weerslag kan hebben gehad op hun latere verweermogelijkheden tijdens de door de verzending van de mededeling van punten van bezwaar ingeleide fase van de administratieve procedure (zie in die zin arrest Dalmine/Commissie, punt 45 supra, EU:C:2007:53, punt 61).
100 Uit het voorgaande volgt dat de grief inzake het gebruik van door de Italiaanse fiscale autoriteit verstrekte stukken als bewijs moet worden afgewezen.
3. Grief inzake het gebruik van documenten uit andere dossiers
101 Verzoeksters bekritiseren het gebruik door de Commissie van een document uit het dossier van zaak COMP/39188 – Bananen, dat verkregen werd tijdens onaangekondigde inspecties bij LVP in het kader van die zaak, te weten een intern e‑mailbericht dat P1 op 11 april 2005 om 9.57 uur aan P2 zond (hierna: „e‑mail van 11 april 2005 om 9.57 uur”).
102 Verzoeksters rekenen de Commissie aan dat zij het stuk aan de ene kant heeft gebruikt in verband met het immuniteitsverzoek van Chiquita en aan de andere kant als bewijs in de onderhavige zaak. Aangezien het eerste punt betrekking heeft op de grief inzake onrechtmatige beïnvloeding van de immuniteitsverzoeker, zal het in dat kader worden behandeld (zie de punten 162 e.v. hieronder).
103 Wat het gebruik van dat document als bewijs in de onderhavige zaak betreft, staat blijkens het dossier vast dat de Commissie in het kader van deze zaak verzoeksters om overlegging van dit document heeft verzocht. Het is door verzoeksters op 14 augustus 2008 overgelegd in bijlage bij een antwoord op een inlichtingenverzoek van de Commissie en in september 2008 in bijlage bij een antwoord op een ander inlichtingenverzoek van de Commissie.
104 Uit de in de punten 54 en 55 hierboven aangehaalde rechtspraak volgt dat, ook al mogen de door de Commissie tijdens verificaties verkregen inlichtingen niet voor een ander doel worden gebruikt dan vermeld in de opdracht tot verificatie of het verificatiebesluit, dit niet betekent dat het de Commissie verboden zou zijn een onderzoeksprocedure in te leiden teneinde gegevens waarvan zij tijdens een eerdere inspectie toevallig kennis heeft gekregen, op hun juistheid te controleren of aan te vullen, zo die gegevens mochten wijzen op het bestaan van met de mededingingsregels van het Verdrag strijdige gedragingen, en dat de Commissie in het kader van een dergelijk nieuw onderzoek het recht heeft om nieuwe kopieën van de tijdens het eerste onderzoek verkregen stukken te verlangen en deze dan als bewijs te gebruiken in de zaak waarop het tweede onderzoek betrekking heeft, zonder dat hierdoor de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen worden geschaad.
105 Uit het voorgaande volgt dat de grief inzake het gebruik van een document uit een ander dossier als bewijs in deze zaak moet worden afgewezen en dientengevolge ook het eerste middel in zijn geheel.
B – Middel inzake onrechtmatige beïnvloeding van de immuniteitsverzoeker en misbruik van bevoegdheid
106 Verzoeksters maken, althans formeel, onderscheid tussen een grief inzake onrechtmatige beïnvloeding van de immuniteitsverzoeker, die wordt aangevoerd tot staving van het eerste middel, ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften en van de rechten van verdediging (zie punt 41 hierboven), en een middel betreffende misbruik van bevoegdheid.
107 Ter terechtzitting hebben verzoeksters verklaard dat de feiten die ten grondslag liggen aan de grief inzake onrechtmatige beïnvloeding van de immuniteitsverzoeker, die wordt aangevoerd in het kader van het eerste middel (punt 41 hierboven), mede ten grondslag liggen aan het tweede middel, inzake misbruik van bevoegdheid, dat voor het overige niet is onderbouwd. Bijgevolg dient te worden aangenomen dat verzoeksters in wezen betogen dat deze feiten aantonen dat de Commissie de immuniteitsverzoeker onrechtmatig heeft beïnvloed, hetgeen tevens misbruik van bevoegdheid oplevert, en zullen alle bedoelde feiten hieronder in het kader van het tweede middel worden onderzocht.
108 Vooraf dient te worden opgemerkt dat verzoeksters in hun betoog ter ondersteuning van het eerste middel een serie argumenten naar voren brengen die niet kunnen worden onderscheiden van de in het kader van het derde middel aangevoerde argumenten om de waarheidsgetrouwheid of de geloofwaardigheid van de verklaringen van Chiquita of de conclusies die de Commissie daaraan heeft verbonden, in twijfel te trekken. Voor zover die argumenten geen betrekking hebben op de regelmatigheid van de procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid, maar op de vraag of de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft bewezen, zullen zij in het kader van het derde middel worden onderzocht, waarin wordt aangevoerd dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat verzoeksters inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU hebben gemaakt en derhalve niet heeft voldaan aan de eisen van haar bewijslast op grond van artikel 2 van verordening nr. 1/2003 (de punten 173 e.v. hieronder).
1. Inleidende opmerkingen
a) Clementieregeling
109 In het kader van de vervolging van inbreuken op artikel 101 VWEU heeft de Commissie een clementieregeling opgezet die ertoe strekt ondernemingen die met haar meewerken aan onderzoeken naar geheime kartels die de Unie schaden, een gunstige behandeling te verlenen (arrest Gerecht van 9 september 2011, Deltafina/Commissie, T-12/06, Jurispr. blz. II-5639, EU:T:2011:441, punt 103, in hogere voorziening bevestigd door arrest Hof van 12 juni 2014, Deltafina/Commissie, C‑578/11 P, Jurispr., EU:C:2014:1742).
110 Deze clementieregeling, die oorspronkelijk werd ingevoerd bij mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking van 1996”), is daarna verder uitgewerkt in de mededeling inzake medewerking van 2002, die op deze zaak van toepassing is, en vervolgens in de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2006”) (zie in die zin arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 104).
111 Ondernemingen die gebruikmaken van deze regeling werken actief en vrijwillig aan het onderzoek mee en vergemakkelijken aldus de taak van de Commissie, die erin bestaat inbreuken op de mededingingsregels vast te stellen en tegen te gaan (zie in die zin arresten Gerecht van 25 oktober 2005, Groupe Danone/Commissie, T-38/02, Jurispr. blz. II-4407, EU:T:2005:367, punt 505, en van 12 december 2007, BASF en UCB/Commissie, T-101/05 en T-111/05, Jurispr. blz. II-4949, EU:T:2007:380, punt 90). In ruil voor deze medewerking kunnen zij een gunstigere geldboete krijgen dan die welke hun anders zou zijn opgelegd, mits zij aan de in de geldende mededeling inzake medewerking gestelde voorwaarden voldoen (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 108).
112 De clementieregeling, zoals vastgesteld in de mededeling inzake medewerking van 2002, biedt de Commissie de mogelijkheid om zowel volledige immuniteit tegen geldboeten te verlenen aan de eerste onderneming die aan het onderzoek meewerkt, als een verlaging van de geldboeten aan de ondernemingen die later hun medewerking verlenen. In het eerste geval geldt voor de betrokken onderneming een totale uitzondering op het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid, volgens hetwelk een onderneming die de mededingingsregels overtreedt, daarvoor de verantwoordelijkheid moet dragen (zie in die zin arrest Hof van 24 september 2009, Erste Group Bank e.a./Commissie, C-125/07 P, C-133/07 P, C-135/07 P en C-137/07 P, Jurispr. blz. I-8681, EU:C:2009:576, punt 77). In de andere gevallen hangt de mate waarin deze uitzondering wordt toegepast, af van de chronologische volgorde waarin het verzoek tot medewerking wordt ingediend en van de kwaliteit van de verleende medewerking (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 109).
113 Uit de mededeling inzake medewerking van 2002 blijkt dat de procedure tot verlening van volledige boete-immuniteit aan een onderneming in het kader van de in deze mededeling vastgestelde clementieregeling, die in wezen is overgenomen in de mededeling inzake medewerking van 2006, drie verschillende fasen omvat (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 111).
114 In een eerste fase moet de onderneming die haar medewerking aan de Commissie wil verlenen, contact met haar opnemen en haar bewijzen verstrekken van het bestaan van een vermeend kartel dat de mededinging in de Unie aantast. Deze bewijzen moeten de Commissie in staat stellen ofwel een besluit te nemen tot het verrichten van een verificatie, in het geval van punt 8, onder a), van de mededeling inzake medewerking van 2002, ofwel een inbreuk op artikel [101 VWEU] vast te stellen, in het geval van punt 8, onder b), van deze mededeling (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 112).
115 In een tweede fase beoordeelt de Commissie na ontvangst van het immuniteitsverzoek de ter ondersteuning van dit verzoek verstrekte bewijzen om na te gaan of de betrokken onderneming voldoet aan de voorwaarden van, naargelang van het geval, punt 8, onder a) of b), van de mededeling inzake medewerking van 2002. Indien deze onderneming als eerste aan deze voorwaarden voldoet, kent de Commissie haar schriftelijk voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten toe conform het bepaalde in de punten 15 en 16 van de mededeling inzake medewerking van 2002 (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 113).
116 De toekenning van voorwaardelijke immuniteit impliceert dus dat tijdens de administratieve procedure ten behoeve van de onderneming die aan de voorwaarden van punt 8 van de mededeling inzake medewerking van 2002 voldoet, een bijzondere procedurele status wordt gecreëerd die bepaalde rechtsgevolgen heeft. Deze voorwaardelijke immuniteit kan evenwel geenszins worden gelijkgesteld met een definitieve immuniteit tegen geldboeten, die pas aan het einde van de administratieve procedure wordt verleend (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 114).
117 Meer bepaald wordt door de toekenning van de voorwaardelijke immuniteit bevestigd dat de betrokken onderneming als eerste aan de voorwaarden van punt 8, onder a) of b), van de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft voldaan, zodat de Commissie geen andere verzoeken om immuniteit tegen geldboeten in aanmerking zal nemen zolang zij geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van haar verzoek (punt 18 van de mededeling inzake medewerking van 2002). Voorts krijgt deze onderneming hierdoor de zekerheid dat de Commissie haar immuniteit tegen geldboeten zal verlenen indien zij aan het einde van de administratieve procedure tot de conclusie komt dat deze onderneming heeft voldaan aan de in punt 11, onder a) tot en met c), van de mededeling inzake medewerking van 2002 gestelde voorwaarden (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 115).
118 Punt 11, onder a) tot en met c), van de mededeling inzake medewerking van 2002 luidt als volgt: „Afgezien van de voorwaarden die in de punten 8, onder a), en 9 of in de punten 8, onder b), en 10 zijn vermeld, naargelang van het geval, moet in ieder geval aan de volgende cumulatieve voorwaarden worden voldaan om in aanmerking te komen voor immuniteit tegen geldboeten: a) de onderneming moet, gedurende de gehele administratieve procedure van de Commissie, onafgebroken en zonder dralen haar volledige medewerking verlenen en de Commissie alle bewijsmateriaal ter beschikking stellen dat met betrekking tot de vermoedelijke inbreuk in haar bezit is of waarover zij kan beschikken. Inzonderheid zal zij ter beschikking blijven van de Commissie om snel antwoord te geven op verzoeken die kunnen bijdragen tot de vaststelling van de betrokken feiten; b) de onderneming moet haar betrokkenheid bij de vermoedelijke inbreuk uiterlijk beëindigen op het tijdstip waarop zij op grond van punt 8, onder a), of 8, onder b), naargelang van het geval, haar bewijsmateriaal indient; c) de onderneming mag andere ondernemingen niet tot deelname aan de inbreuk hebben gedwongen.”
119 Ten slotte kent de Commissie pas in een derde fase, aan het einde van de administratieve procedure, wanneer zij het eindbesluit vaststelt, hierin al dan niet de eigenlijke immuniteit tegen geldboeten toe aan de onderneming die voorwaardelijke immuniteit geniet. Juist op dat ogenblik houdt de uit de voorwaardelijke immuniteit voortvloeiende procedurele status op gevolgen te sorteren. Punt 19 van de mededeling inzake medewerking 2002 benadrukt evenwel dat de definitieve immuniteit tegen geldboeten slechts wordt verleend indien de betrokken onderneming gedurende de gehele administratieve procedure, tot op het ogenblik van de eindbeschikking, voldoet aan de drie cumulatieve voorwaarden van punt 11, onder a) tot en met c), van die mededeling (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 117).
120 In het systeem zoals dit is vastgesteld in de mededeling inzake medewerking van 2002, wordt derhalve vóór het eindbesluit geen echte immuniteit tegen geldboeten verleend aan de onderneming die om immuniteit verzoekt, maar geniet deze onderneming slechts een procedurele status die aan het einde van de administratieve procedure in immuniteit tegen geldboeten kan worden omgezet indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 118, en arrest Gerecht van 18 juni 2013, Fluorsid en Minmet/Commissie, T‑404/08, Jurispr., EU:T:2013:321, punt 134).
b) Omvang van de verplichting tot medewerking
121 Uit de bewoordingen zelf van punt 11, onder a), van de mededeling inzake medewerking van 2002 (zie punt 118 hierboven) en met name uit het feit dat de onderneming „onafgebroken en zonder dralen haar volledige” medewerking moet verlenen, blijkt dat de verplichting tot medewerking van de onderneming die om immuniteit verzoekt een zeer algemene, niet duidelijk afgebakende verplichting is, waarvan de juiste omvang slechts duidelijk wordt in de context waarin deze verplichting geldt, namelijk in het kader van de clementieregeling (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 124).
122 De toekenning van volledige immuniteit tegen geldboeten vormt een uitzondering op het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid van de onderneming voor inbreuken op de mededingingsregels, die gerechtvaardigd wordt door het doel, het opsporen, onderzoeken, bestrijden en ontraden van praktijken die tot de zwaarste mededingingsbeperkingen behoren, te bevorderen. In deze omstandigheden is het een logische eis dat de onderneming die om immuniteit verzoekt in ruil voor de toekenning van volledige immuniteit tegen geldboeten voor de door haar gepleegde inbreuk, volgens de bewoordingen van de mededeling inzake medewerking van 2002 „onafgebroken en zonder dralen haar volledige” medewerking verleent aan het onderzoek van de Commissie (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 125).
123 Uit de kwalificatie van de medewerking als „volledig” blijkt dat de medewerking die de onderneming die om immuniteit verzoekt aan de Commissie moet verlenen om immuniteit te kunnen genieten, totaal en absoluut moet zijn en zonder voorbehoud moet zijn verleend. De kwalificatie „onafgebroken” en „zonder dralen” houdt in dat deze medewerking gedurende de gehele administratieve procedure en in beginsel direct moet worden verleend (arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 126).
124 Bovendien kan een verlaging van de geldboete op grond van de geldende mededeling inzake medewerking volgens vaste rechtspraak slechts gerechtvaardigd zijn indien de verstrekte inlichtingen en meer algemeen het gedrag van de betrokken onderneming in dat verband kunnen worden geacht aan te tonen dat zij daadwerkelijk heeft meegewerkt (zie met betrekking tot de mededeling inzake medewerking van 1996, arresten Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P-C-208/02 P en C-213/02 P, Jurispr. blz. I-5425, EU:C:2005:408, punt 395; van 29 juni 2006, Commissie/SGL Carbon, C-301/04 P, Jurispr. blz. I-5915, EU:C:2006:432, punt 68, en Erste Group Bank e.a./Commissie, punt 112 supra, EU:C:2009:576, punt 281; met betrekking tot de mededeling inzake medewerking van 2002, arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 127).
125 Blijkens het begrip medewerking zelf, zoals dit in de tekst van de mededeling inzake medewerking van 2002 wordt gehanteerd, kan een verlaging op grond van de geldende mededeling inzake medewerking immers slechts worden toegekend wanneer het gedrag van de betrokken onderneming blijk geeft van een dergelijke geest van medewerking (zie in die zin, met betrekking tot de mededeling inzake medewerking van 1996, arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 124 supra, EU:C:2005:408, punt 396, en Erste Group Bank e.a./Commissie, punt 112 supra, EU:C:2009:576, punt 282; met betrekking tot de mededeling inzake medewerking van 2002, arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punt 128).
126 Deze overweging geldt a fortiori voor de medewerking die noodzakelijk is om een volledige immuniteit tegen geldboeten te kunnen rechtvaardigen, aangezien de immuniteit een nog gunstigere behandeling is dan een loutere verlaging van de geldboete. Bijgevolg impliceert het begrip „onafgebroken en zonder dralen verleende volledige medewerking”, die de toekenning van volledige immuniteit tegen geldboeten rechtvaardigt, een werkelijke, totale samenwerking die blijk geeft van een echte geest van medewerking (zie in die zin arrest Deltafina/Commissie, punt 109 supra, EU:T:2011:441, punten 129 en 130)
2. Bestreden besluit
127 Zoals vermeld in de punten 3 en volgende hierboven, heeft Chiquita op 8 april 2005 een verzoek om immuniteit tegen geldboeten, subsidiair om vermindering van de geldboete ingediend krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 in verband met de distributie van en de handel in ingevoerde bananen en ananassen en ander vers fruit in Europa. Dit verzoek is ingeschreven onder zaaknummer COMP/39188 – Bananen, en op 3 mei 2005 heeft Chiquita voorwaardelijke boete-immuniteit verkregen met betrekking tot een verondersteld geheim kartel als beschreven in de inlichtingen die Chiquita had voorgelegd op 8, 14, 21 en 28 april 2005, dat de verkoop van bananen en ananassen in de Europese Economische Ruimte betrof. Het onderzoek in zaak COMP/39188 – Bananen heeft op 15 oktober 2008 geresulteerd in beschikking C(2008) 5955 definitief van de Commissie inzake een procedure op grond van artikel [101 VWEU] (zaak COMP/39188 – Bananen), waarin zij vaststelde dat Chiquita, de Dole-groep en Weichert, die destijds onder de beslissende invloed stond van de Del Monte-groep, inbreuk hadden gemaakt op artikel 81 EG door deel te nemen aan een onderling afgestemde feitelijke gedraging waarmee zij de referentieprijzen voor bananen coördineerden die zij elke week bepaalden voor Oostenrijk, België, Denemarken, Finland, Duitsland, Luxemburg, Nederland en Zweden tussen 2000 en 2002 (overwegingen 79 en 80 van het bestreden besluit).
128 In de punten 7 en 8 hierboven is ook opgemerkt dat de Commissie onderzoeken in Zuid-Europa in gang heeft gezet in het kader van zaak COMP/39482 – Exotisch fruit (Bananen), nadat zij op 26 juli 2007 kopieën van documenten van de Italiaanse belastingpolitie had ontvangen, die tijdens een inspectie in de woning en het kantoor van een werknemer van Pacific in het kader van een nationaal onderzoek waren verkregen (overweging 81 van het bestreden besluit).
129 In de overwegingen 82 en 83 van het bestreden besluit heeft de Commissie uiteengezet dat Chiquita op 26 november 2007 mondeling door het DG Concurrentie is geïnformeerd dat functionarissen van de Commissie op 28 november 2007 een inspectie zouden uitvoeren in de bedrijfsruimten van Chiquita Italia in Rome en dat zij rekenden op de aanwezigheid van C1 voor een onderhoud op die dag. Bij die gelegenheid werd Chiquita eraan herinnerd dat haar voorwaardelijke boete-immuniteit was verleend voor de gehele Gemeenschap en dat zij op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 de plicht had om mee te werken, en dat een onderzoek met betrekking tot Zuid-Europa zou worden uitgevoerd onder zaaknummer COMP/39482 – Exotisch fruit. Ten slotte hebben de functionarissen van de Commissie een inspectie verricht bij Chiquita Italia overeenkomstig artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1/2003 en een onderhoud gehad met C1.
130 Zoals al vermeld in punt 10 hierboven heeft de Commissie in de overwegingen 84 en 85 van het bestreden besluit opgemerkt dat zij in de loop van het onderzoek verschillende inlichtingenverzoeken aan de partijen heeft gezonden, waarin deze werden verzocht om opnieuw bepaalde inlichtingen en bewijsstukken over te leggen die van hen afkomstig waren en die zich in het onderzoeksdossier van zaak COMP/39188 – Bananen bevonden, en dat Chiquita was verzocht aan te geven welke delen van haar mondelinge verklaringen in die zaak volgens haar ook met de onderhavige zaak in verband konden worden gebracht. Op 9 februari 2009 heeft het DG Concurrentie een brief doen toekomen aan Chiquita waarin het de balans opmaakte van haar medewerking op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002.
131 De betrokken inbreuk in de onderhavige zaak wordt door de Commissie beschouwd als duidelijk verschillend van de vastgestelde inbreuk in zaak COMP/39188 – Bananen. Zij heeft in zoverre erop gewezen dat de onderhavige zaak een onderscheiden (één enkele en voortdurende) inbreuk betrof doordat met name de geografische reikwijdte van de overeenkomsten, het betrokken personeel, de periode van de veronderstelde inbreuk, het functioneren van de sector en de aard van de aan het onderzoek onderworpen praktijken in dit geval duidelijk verschilden van wat was vastgesteld in zaak COMP/39188 – Bananen (overwegingen 80, 316 en 345 van het bestreden besluit).
132 Met betrekking tot het clementieverzoek van Chiquita heeft de Commissie meer in het bijzonder opgemerkt dat zij vóór dat verzoek geen enkele inspectie in verband met het veronderstelde kartel had verricht en over geen enkel bewijs beschikte om dat te doen, dat Chiquita op 3 mei 2005 voorwaardelijke boete-immuniteit had verkregen met betrekking tot een verondersteld geheim kartel als beschreven in de inlichtingen die door die onderneming waren overgelegd op 8, 14, 21 en 28 april 2005, dat de verkoop van bananen en ananassen in de Europese Economische Ruimte betrof. Vanwege het feit dat de praktijken in de onderhavige zaak verschilden van die in zaak COMP/39188 – Bananen was het oorspronkelijke onderzoek gesplitst in twee zaken, te weten zaak COMP/39482 – Exotisch fruit en zaak COMP/39188 – Bananen. De Commissie heeft er duidelijk op gewezen dat elke immuniteitsverzoeker in een dergelijk geval verplicht is medewerking te verlenen aan elk van de twee verschillende onderzoeken die kunnen voortvloeien uit hetzelfde immuniteitsverzoek, en deze medewerking te blijven verlenen, ook nadat hij definitieve immuniteit heeft verkregen voor de inbreuk of inbreuken waarop een van de onderzoeken betrekking heeft (overweging 345 van het bestreden besluit).
133 De Commissie heeft bovendien uitgelegd dat zij zich op basis van bepaalde verklaringen die Chiquita in de loop van de procedure had afgelegd, in de mededeling van punten van bezwaar van 10 december 2009 die zij tot haar had gericht in de onderhavige zaak, op het voorlopige standpunt had gesteld dat de inbreuk waar het bestreden besluit betrekking op had, niet onder het immuniteitsverzoek viel dat de onderneming op 8 april 2005 had ingediend, en anders, dat Chiquita niet had voldaan aan haar verplichtingen op grond van punt 11, onder a) (verplichting om mee te werken) en onder b) (beëindiging van de inbreuk op het moment van het verzoek), van de mededeling inzake medewerking van 2002. Zoals al vermeld in punt 130 hierboven had de Commissie voorafgaand aan de mededeling van punten van bezwaar in een brief aan Chiquita de balans opgemaakt van haar medewerking op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 (overweging 348 van het bestreden besluit).
134 De Commissie heeft vervolgens aangegeven dat zij, rekening houdend met alle door Chiquita aangevoerde argumenten, in het bijzonder na de mededeling van punten van bezwaar, tot de conclusie was gekomen dat de in het bestreden besluit vastgestelde inbreuk onder het immuniteitsverzoek van de onderneming viel. Desalniettemin heeft de Commissie eraan herinnerd dat verzoekers om immuniteit moeten proberen zo duidelijk mogelijk aan te geven op welke inlichtingen zij hun beweringen baseren wanneer zij om immuniteit verzoeken (overweging 349 van het bestreden besluit).
135 Ten slotte heeft de Commissie in het kort eraan herinnerd dat Chiquita haar meerdere verklaringen had verstrekt waarin zij uitlegde welke rol zij had gespeeld in de bananensector in Zuid-Europa, met inbegrip van de heimelijke contacten met Pacific, en er nogmaals op gewezen dat juist een bijdrage van Chiquita aanvankelijk tot de start van haar onderzoek had geleid, zodat geconcludeerd diende te worden dat deze onderneming haar verplichting tot voortdurende medewerking was nagekomen en dat het gezien de bijzondere omstandigheden van deze zaak niet gerechtvaardigd zou zijn om haar de immuniteit te ontnemen (overwegingen 351 en 352 van het bestreden besluit).
3. Door verzoeksters aangevoerde omstandigheden
136 Verzoeksters stellen dat de Commissie onrechtmatige praktijken heeft toegepast met het doel Chiquita te beïnvloeden teneinde – in strijd met de geest van de mededeling inzake medewerking van 2002 – haar eigen verdenkingen en vermoedens te staven. Dat bewijst het feit dat Chiquita in haar verzoek om immuniteit niets heeft aangevoerd met betrekking tot de onderhavige zaak en dat de Commissie zich voor het overige niet baseert op dat verzoek om de gepleegde inbreuk in deze zaak te staven. De Commissie had van begin af aan een vooropgezet standpunt over de litigieuze zaak, door eerst een dossier inzake een mededingingsverstorend kartel aan te leggen en vervolgens gebruik te maken van een immuniteitsverzoeker in een andere zaak om haar beschuldigingen te staven.
137 Volgens verzoeksters heeft de Commissie, doordat zij de onderneming die om immuniteit had verzocht op die manier onrechtmatig heeft beïnvloed, overduidelijk niet alleen haar bevoegdheid op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002 alsmede de onderzoeks- en sanctiebevoegdheden op grond van verordening nr. 1/2003 overschreden, maar tevens haar bevoegdheden voor andere doeleinden gebruikt dan waarvoor zij zijn verleend.
138 De Commissie bestrijdt de beweringen van verzoeksters en stelt dat geen enkele van haar handelingen tijdens de administratieve procedure kan worden uitgelegd als het uitoefenen van ongepaste druk op Chiquita of als het sturen van de immuniteitsverzoeker.
139 Er zij eerst aan herinnerd dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid indien een handeling van een instelling van de Unie is vastgesteld met het uitsluitende, of althans doorslaggevende oogmerk, andere doelen te bereiken dan de instelling zegt na te streven, dan wel te ontkomen aan de toepassing van een procedure waarin het Verdrag speciaal heeft voorzien om aan de betrokken omstandigheden het hoofd te bieden. Zo oordeelt de Unierechter dat ter zake van een handeling slechts van misbruik van bevoegdheid kan worden gesproken wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat zij uitsluitend of althans hoofdzakelijk is vastgesteld ter bereiking van andere doeleinden dan de aangegeven doeleinden (arresten Hof van 13 november 1990, Fedesa, C-331/88, Jurispr. blz. I-4023, EU:C:1990:391, punt 24; van 11 november 2004, Ramondín e.a./Commissie, C-186/02 P en C-188/02 P, Jurispr. blz. I-10653, EU:C:2004:702, punt 44, en van 16 april 2013, Spanje en Italië/Raad, C‑274/11 en C‑295/11, Jurispr., EU:C:2013:240, punt 33; arresten Gerecht van 27 september 2012, Koninklijke Wegenbouw Stevin/Commissie, T‑357/06, Jurispr., EU:T:2012:488, punt 246, en van 16 januari 2014, BP Products North America/Raad, T‑385/11, Jurispr., EU:T:2014:7, punt 120).
140 Vervolgens zij eraan herinnerd dat verordening nr. 1/2003 de Commissie bevoegdheden toekent die tot doel hebben haar in staat te stellen de taak te vervullen die haar door het Verdrag is toevertrouwd, namelijk toe te zien op de naleving van de mededingingsregels in de interne markt (zie naar analogie betreffende verordening nr. 17, arrest Hof van 26 juni 1980, National Panasonic/Commissie, 136/79, Jurispr. blz. 2033, EU:C:1980:169, punt 20, en beschikking Hof van 17 november 2005, Minoan Lines/Commissie, C‑121/04 P, EU:C:2005:695, punt 34).
141 Ten slotte bepaalt de mededeling inzake medewerking van 2002, waarvan de systematiek in de punten 111 tot en met 126 is uiteengezet, op algemene en abstracte wijze de methode die de Commissie zichzelf heeft opgelegd bij de toepassing van haar clementieregeling en waarborgt zij derhalve de rechtszekerheid van de ondernemingen (zie naar analogie arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 124 supra, EU:C:2005:408, punten 211 en 213).
142 De mededeling inzake medewerking kan weliswaar niet worden aangemerkt als een rechtsregel die de Commissie hoe dan ook dient na te leven, maar zij vormt wel een gedragsregel voor de te volgen praktijk, waarvan de Commissie in een concreet geval niet mag afwijken zonder redenen op te geven die verenigbaar zijn met het gelijkheidsbeginsel (zie naar analogie arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 124 supra, EU:C:2005:408, punt 209 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Gerecht van 8 oktober 2008, Carbone‑Lorraine/Commissie, T-73/04, Jurispr. blz. II-2661, EU:T:2008:416, punt 70).
143 Door dergelijke gedragsregels vast te stellen en via de publicatie ervan aan te kondigen dat deze voortaan op de betrokken gevallen zullen worden toegepast, stelt de Commissie grenzen aan de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid en kan zij niet van deze regels afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheids- of het vertrouwensbeginsel (zie naar analogie arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 124 supra, EU:C:2005:408, punt 211 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest Carbone‑Lorraine/Commissie, punt 142 supra, EU:T:2008:416, punt 71).
144 Bovendien moet worden opgemerkt dat, ook al mag de Commissie gelet op de hierboven aangehaalde rechtspraak gebruikmaken van aanwijzingen uit andere onderzoeken om een nieuw onderzoek te starten (zie de punten 54 en 55 hierboven) en procedures te voegen of te splitsen (zie de punten 56 en 57 hierboven), en ook al moet de medewerking van een immuniteitsverzoeker gelet op de hierboven in de punten 121 tot en met 126 aangehaalde rechtspraak „volledig” zijn, de Commissie, zoals zijzelf heeft verklaard in punt 351 van het bestreden besluit „neutraal [moet] blijven en zich onthouden van beïnvloeding van de immuniteitsverzoeker”.
145 Anders dan verzoeksters stellen, kunnen de door hen aangevoerde omstandigheden ter staving van de grief inzake onrechtmatige beïnvloeding van de immuniteitsverzoeker en van het middel inzake misbruik van bevoegdheid evenwel niet aantonen dat de Commissie die beginselen in dit geval heeft geschonden. Zo kunnen de door verzoeksters aangevoerde feiten niet de juistheid bevestigen van de beweringen dat „de Commissie onrechtmatige praktijken heeft toegepast met het doel Chiquita, als onderneming die om immuniteit heeft verzocht, te beïnvloeden teneinde – in strijd met de geest van de mededeling inzake [medewerking] – haar eigen verdenkingen en vermoedens te staven”, door „eerst een dossier inzake een mededingingsverstorend kartel [aan te leggen] op basis van een speculatieve uitlegging van persoonlijke en handgeschreven aantekeningen, en vervolgens [gebruik te maken] van de immuniteitsverzoeker in een andere zaak om te proberen dat dossier te ondersteunen”.
146 In de eerste plaats kunnen verzoeksters niet in het algemeen als argument aanvoeren dat de Commissie aanvankelijk van mening was dat het clementieverzoek van Chiquita niet van toepassing was op de onderhavige procedure om naderhand in het bestreden besluit „van mening te veranderen”. Zoals is verduidelijkt in de hierboven in de punten 113 tot en met 120 aangehaalde rechtspraak, is de medewerkingsprocedure van de mededeling inzake medewerking van 2002 immers een proces en kent de Commissie eerst aan het einde ervan al dan niet definitieve boete-immuniteit toe aan de immuniteitsverzoeker, naargelang van de medewerking die hij gedurende de hele procedure heeft verleend. De Commissie is derhalve niet verplicht al in het stadium van de mededeling van punten van bezwaar een definitief standpunt over een clementieverzoek in te nemen (zie in die zin arrest Fluorsid en Minmet/Commissie, punt 120 supra, EU:T:2013:321, punten 134‑136).
147 Het feit dat de Commissie zich voor het bewijs van de inbreuk in de onderhavige zaak niet baseert op het aanvankelijke clementieverzoek van Chiquita, dat betrekking had op de hele EER (zie de punten 3, 4 en 127 hierboven), toont evenmin aan dat de Commissie in het vervolg van de procedure misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden om Chiquita ertoe te bewegen om feiten met betrekking tot de onderhavige zaak te bevestigen. Uit de hierboven in de punten 121 tot en met 126 aangehaalde rechtspraak volgt immers dat de verplichting tot medewerking van een onderneming die om volledige boete-immuniteit verzoekt, de verplichting omvat van een onafgebroken en zonder dralen verleende volledige medewerking gedurende de gehele procedure, hetgeen ook onderzoeken en verklaringen over feiten kan impliceren die geen betrekking hebben op de oorspronkelijke verklaring in antwoord op vragen van de Commissie, aangezien, zoals zij terecht in punt 31 van haar verweerschrift verklaart, het beantwoorden van vragen een belangrijk onderdeel van de verplichting tot medewerking van verzoekers om immuniteit vormt.
148 Bovendien blijkt uit de hierboven in de punten 56 en 57 aangehaalde rechtspraak dat de Commissie bevoegd is procedures om objectieve redenen te splitsen of te voegen. Verzoeksters hebben niets aangevoerd om de redenen ter discussie te stellen die de Commissie heeft aangegeven voor haar opvatting dat in deze zaak de feiten van zaak COMP/39482 – Exotisch fruit en die van zaak COMP/39188 – Bananen moesten worden beschouwd als twee duidelijk verschillende inbreuken (zie punt 131 hierboven).
149 In die omstandigheden kon de Commissie zich op het standpunt stellen dat in een dergelijk geval een immuniteitsverzoeker verplicht is medewerking te verlenen aan elk van de twee verschillende onderzoeken die kunnen voortvloeien uit hetzelfde immuniteitsverzoek, dat betrekking had op de gehele EER (zie de punten 3, 4 en 127 hierboven), en deze medewerking te blijven verlenen, ook nadat hij definitieve immuniteit had verkregen voor de inbreuk of inbreuken waarop een van de onderzoeken betrekking heeft (zie punt 132 hierboven).
150 Hieruit volgt dat het betoog van verzoeksters dat gebaseerd is op de algemene gedachte dat Chiquita haar argumentatie heeft „aangepast” aan de feiten zoals die door de Commissie waren voorgelegd, evenmin kan worden aanvaard.
151 In dit verband dient er bovendien op te worden gewezen dat verklaringen die ingaan tegen de belangen van degene die ze heeft afgelegd, in beginsel als bijzonder betrouwbaar bewijs moeten worden beschouwd (arrest Gerecht van 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie, T-109/02, T-118/02, T-122/02, T-125/02, T-126/02, T-128/02, T-129/02, T-132/02 en T-136/02, Jurispr. blz. II-947, EU:T:2007:115, punt 166).
152 Weliswaar kan een onderneming die om boete-immuniteit heeft verzocht, reden hebben om zoveel mogelijk belastende gegevens over te leggen, maar dat neemt niet weg dat zij zich eveneens bewust zal zijn van de mogelijke negatieve gevolgen indien onjuiste gegevens worden overgelegd, die met name zouden kunnen leiden tot het verlies van de eerder verleende immuniteit. Bovendien wordt het risico dat de onjuistheid van de verklaringen aan het licht komt en tot die gevolgen leidt, vergroot door het feit dat dergelijke verklaringen moeten worden gestaafd door andere bewijzen (arrest Hof van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, EU:C:2013:866, punt 138).
153 Bovendien heeft het Hof al benadrukt dat een verklaring van een onderneming waarin zij toegeeft een inbreuk te hebben gepleegd aanzienlijke juridische en economische risico’s met zich brengt, zoals met name het risico van schadevorderingen voor nationale rechterlijke instanties, in het kader waarvan zou kunnen worden aangevoerd dat de Commissie een inbreuk van de onderneming heeft vastgesteld (zie arrest Siemens e.a./Commissie, punt 152 supra, EU:C:2013:866, punt 140 en 141 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
154 In de tweede plaats kan, gezien de verplichtingen die voor Chiquita voortvloeien uit de procedurele status van immuniteitsverzoekster (zie de punten 120‑126 hierboven), niet worden aanvaard dat het enkele feit dat zij aan die status wordt herinnerd, de uitoefening van onrechtmatige druk betekent, zoals verzoeksters beweren. Evenzo wordt de bewering van verzoeksters dat de Commissie „[heeft] gedreigd Chiquita de immuniteit in de zaak betreffende Noord-Europa [(zaak COMP/39188 – Bananen)] te onthouden teneinde zich te verzekeren van de medewerking van die onderneming om overtuigende bewijzen te vinden en om de aard van de verklaringen van Chiquita over de feiten van de onderhavige zaak te beïnvloeden”, geenszins gestaafd.
155 Wat ten slotte de verklaring tijdens de hoorzitting betreft van A1, advocaat van Chiquita, waarnaar verzoeksters verwijzen in voetnoot 43 van de repliek, en waaruit volgt dat de Commissie tijdens de hoorzitting aan de advocaten van Chiquita had gevraagd om C1 duidelijk te maken dat hij meer mededeelzaam moest zijn, deze toont niet aan dat de Commissie aan Chiquita meer heeft gevraagd dan geëist mag worden in het kader van de van een immuniteitsverzoeker verwachte medewerking (zie de punten 121‑126 hierboven). Het door verzoeksters aangehaalde uittreksel moet bovendien worden gezien in de context van de gehele verklaring, waarin A1 en A2 ertegen opkwamen dat de Commissie de bereidheid tot medewerking van Chiquita in twijfel trok, en hebben uitgelegd dat de Commissie niet mocht verwachten dat C1 tijdens de inspecties bovenmatig behulpzaam was, terwijl de Commissie uitdrukkelijk had gevraagd om hem niet vooraf te waarschuwen zodat er sprake van een zeker verrassingseffect zou zijn. Uit de verklaringen over die situatie van zowel de advocaten van Chiquita als vooral van C1 zelf blijkt derhalve dat C1 zich als persoon bedreigd had gevoeld en de inspectie als „vijandig” had ervaren, totdat de advocaten hem hadden uitgelegd dat Chiquita had besloten om mee te werken met de Commissie en dat hij zich derhalve behulpzamer mocht opstellen.
156 In de derde plaats voeren verzoeksters aan dat de Commissie op velerlei wijzen druk uitoefende, aangezien de Commissie in meerdere brieven Chiquita erop had gewezen dat zij inspecties in haar gebouwen zou uitvoeren en medewerkers zou ondervragen, haar had gevraagd in de onderhavige zaak stukken over te leggen die zij al in de zaak met betrekking tot Noord-Europa had overgelegd (zaak COMP/39188 – Bananen) en had bevestigd dat zij stukken uit die zaak in het dossier van de onderhavige zaak had gevoegd.
157 Allereerst dient te worden vastgesteld dat de Commissie in punt 34 van het verweerschrift heeft verklaard, zonder dat zij op dit punt door verzoeksters in de memorie van repliek is tegengesproken, dat hun bewering dat zij verschillende brieven aan Chiquita had gezonden om haar op de hoogte te stellen van komende inspecties feitelijk onjuist is. De Commissie herhaalt in dit verband de verklaring die al in overweging 82 van het bestreden besluit staat, dat zij Chiquita eerst op 26 november 2007 mondeling op de hoogte heeft gesteld dat zij twee dagen later de gebouwen van Chiquita zou bezoeken en daar een gesprek wilde hebben met C1. Een dergelijke handelwijze lijkt gerechtvaardigd om Chiquita ervoor te kunnen laten zorgen dat C1 die dag aanwezig was, en vormt op zichzelf geen uitoefening van onrechtmatige druk op de immuniteitsverzoeker. Voorts is het opnieuw opvragen bij Chiquita van documenten die zij al in zaak COMP/39188 – Bananen had overgelegd, niet onrechtmatig, maar een noodzakelijke voorwaarde voor het gebruik van die documenten in het kader van de onderhavige zaak, zoals blijkt uit de hierboven in de punten 54 en 55 aangehaalde rechtspraak. Ten slotte wordt de bewering van verzoeksters dat de Commissie Chiquita had meegedeeld dat zij stukken uit zaak COMP/39188 – Bananen in het dossier van de onderhavige zaak had gevoegd, op generlei wijze gestaafd, zodat ook daarmee geen misbruik van bevoegdheid door de Commissie kan worden aangetoond.
158 In de vierde plaats kan ook met de door verzoeksters uit hun verband aangehaalde gegevens uit het dossier niet worden aangetoond dat de Commissie de immuniteitsverzoeker onrechtmatig onder druk heeft gezet.
159 Ten eerste beschrijven de door verzoeksters aangehaalde opmerkingen van Chiquita in zaak COMP/39188 – Bananen, volgens welke „de prijzen voor het Verenigd Koninkrijk/Ierland, Zuid-Europa en Frankrijk niet aan de concurrenten werden meegedeeld”, de wijze waarop Chiquita iedere donderdagochtend haar referentieprijzen aan haar concurrenten meedeelde. Zaak COMP/39482 – Exotisch fruit had echter geen betrekking op referentieprijzen, zodat de verklaringen van Chiquita in de onderhavige zaak niet in tegenspraak zijn met die in zaak COMP/39188 – Bananen.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 10 oktober 2014, T-68/09, ECLI:EU:T:2014:867
- HvJ EU 11 september 2014, C-67/13, ECLI:EU:C:2014:2204
- HvJ EU 10 juli 2014, C-295/12, ECLI:EU:C:2014:2062
- HvJ EU 12 juni 2014, C-578/11, ECLI:EU:C:2014:1742
- Gerecht EU 16 januari 2014, T-385/11, ECLI:EU:T:2014:7
- HvJ EU 16 april 2013, C-274/11, ECLI:EU:C:2013:240
- Gerecht EU 14 maart 2013, T-587/08, ECLI:EU:T:2013:129
- HvJ EU 22 november 2012, C-89/11, ECLI:EU:C:2012:738
- Gerecht EU 27 september 2012, T-357/06, ECLI:EU:T:2012:488
- Gerecht EU 27 september 2012, T-82/08, ECLI:EU:T:2012:494
- Gerecht EU 2 februari 2012, T-83/08, ECLI:EU:T:2012:48
- HvJ EU 8 december 2011, C-272/09, ECLI:EU:C:2011:810
- HvJ EU 8 december 2011, C-389/10, ECLI:EU:C:2011:816
- Gerecht EU 30 november 2011, T-208/06, ECLI:EU:T:2011:701
- Gerecht EU 25 oktober 2011, T-348/08, ECLI:EU:T:2011:621
- Gerecht EU 15 september 2011, T-216/06, ECLI:EU:T:2011:475
- Gerecht EU 9 september 2011, T-12/06, ECLI:EU:T:2011:441
- Gerecht EU 13 juli 2011, T-59/07, ECLI:EU:T:2011:361
- Gerecht EU 16 juni 2011, T-186/06, ECLI:EU:T:2011:276
- Gerecht EU 16 juni 2011, T-235/07, ECLI:EU:T:2011:283
Aangehaald in
- Gerecht EU 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922
- Gerecht EU 10 november 2017, T-180/15, ECLI:EU:T:2017:795
- HvJ EU 27 april 2017, C-469/15, ECLI:EU:C:2017:308
- Gerecht EU 2 februari 2022, T-799/17, ECLI:EU:T:2022:48
- Gerecht EU 24 september 2019, T-105/17, ECLI:EU:T:2019:675
- Gerecht EU 30 maart 2022, T-324/17, ECLI:EU:T:2022:175
- Gerecht EU 30 maart 2022, T-337/17, ECLI:EU:T:2022:179
- Rb. Rotterdam 8 mei 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:3953
- Gerecht EU 9 juni 2021, T-514/19, ECLI:EU:T:2021:332
- Rb. Rotterdam 8 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:283
- Gerecht EU 28 maart 2019, T-433/16, ECLI:EU:T:2019:201
- Gerecht EU 12 juli 2018, T-475/14, ECLI:EU:T:2018:448
- Gerecht EU 23 juli 2025, T-84/22, ECLI:EU:T:2025:752
- Gerecht EU 2 oktober 2024, T-587/22, ECLI:EU:T:2024:661
- Gerecht EU 18 september 2024, T-671/19, ECLI:EU:T:2024:626
- Gerecht EU 9 november 2022, T-655/19, ECLI:EU:T:2022:689
- Gerecht EU 29 september 2021, T-344/18, ECLI:EU:T:2021:637