Gerecht EU 2 oktober 2024, T-587/22, ECLI:EU:T:2024:661
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid)
2 oktober 2024 ( *1 )
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt voor metalen verpakkingen – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld – Samenwerking tussen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten – Inleiding van de onderzoeksprocedure door de Commissie op verzoek van een nationale mededingingsautoriteit – Doorverwijzingsperiode – Motiveringsplicht – Gewettigd vertrouwen – Subsidiariteitsbeginsel – Rechten van de verdediging – Evenredigheid – Beginsel van behoorlijk bestuur – Reconventionele vordering tot herbeoordeling van het bedrag van de geldboete ingevolge een schikkingsprocedure”
In zaak T‑587/22,
Crown Holdings, Inc., gevestigd te Yardley, Pennsylvanië (Verenigde Staten),
Crown Cork & Seal Deutschland Holdings GmbH, gevestigd te Seesen (Duitsland),
vertegenwoordigd door A. Burnside, C. Graf York von Wartenburg, A. Kidane en D. Strohl, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Ernst, A. Keidel en L. Wildpanner als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,
interveniënte,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. Marcoulli, president, J. Schwarcz, V. Tomljenović, R. Norkus (rapporteur) en W. Valasidis, rechters,
griffier: I. Kurme, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 20 maart 2024,
het navolgende
Arrest ( 1 )
1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoeken verzoeksters, Crown Holdings, Inc. en Crown Cork & Seal Deutschland Holdings GmbH, om nietigverklaring van besluit C(2022) 4761 final van de Commissie van 12 juli 2022 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU (zaak AT.40522 – Metalen verpakkingen) (hierna: „bestreden besluit”) voor zover dit op hen van toepassing is. De Europese Commissie vordert in reconventie verhoging van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoeksters zijn ondernemingen die actief zijn in de sector metalen verpakkingen, daaronder begrepen metalen blikjes en metalen sluitingen.
3 In maart 2015 heeft het Bundeskartellamt (federale mededingingsautoriteit, Duitsland) een onderzoek ingesteld ten aanzien van verschillende ondernemingen van de sector, waaronder verzoeksters.
4 Na een verzoek van de federale mededingingsautoriteit om deze zaak te onderzoeken, heeft de Commissie op 19 april 2018 besluit C(2018) 2466 final tot inleiding van een procedure in zaak AT. 40522 – Pandora (hierna: „besluit tot inleiding”) vastgesteld.
5 Op 25 april 2018 heeft de Commissie van verzoeksters een clementieverzoek ontvangen.
6 Op 23 maart 2021 heeft de Commissie hen en het andere bij de inbreuk betrokken concern uitgenodigd voor besprekingen met het oog op een schikking.
7 Bij besluit van 1 oktober 2021 is de procedure afgerond voor het gehele grondgebied van de Europese Economische Ruimte (EER) met uitzondering van Duitsland.
8 Verzoeksters hebben een formeel verzoek tot schikking ingediend. Daarin hebben zij hun aansprakelijkheid voor de inbreuk erkend en tevens een indicatie gegeven van het maximumbedrag van de geldboete die zij verwachtten opgelegd te zullen krijgen en die zij in het kader van een schikkingsprocedure zouden aanvaarden.
9 Op 19 mei 2022 heeft de Commissie verzoeksters een mededeling van punten van bezwaar toegezonden, waarop zij hebben geantwoord en bevestigd dat de feiten en de juridische beoordeling van de inbreuk zoals vastgesteld door de Commissie de inhoud van hun schikkingsverklaringen weergaven en dat zij nog steeds bereid waren de schikkingsprocedure te volgen.
10 Op 12 juli 2022 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld. Zij heeft met name geoordeeld dat verzoeksters van 11 maart 2011 tot en met 18 september 2014 in de sector metalen verpakkingen in Duitsland hadden deelgenomen aan één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, en hun een geldboete van 7670000 EUR opgelegd.
11 Bij dit bedrag is rekening gehouden met een boeteverlaging van 50 % die aan verzoeksters werd toegekend op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17) en met een boeteverlaging van 10 % op grond van de mededeling van de Commissie betreffende schikkingsprocedures met het oog op de vaststelling van beschikkingen op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad in kartelzaken (PB 2008, C 167, blz. 1; hierna: „mededeling inzake schikkingen”). [omissis]
III. In rechte
A. Vordering tot nietigverklaring
15 Vooraf zij ten eerste opgemerkt dat de Commissie krachtens artikel 105, lid 1, VWEU tot taak heeft toe te zien op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU.
16 Aldus moet de Commissie volgens de rechtspraak het mededingingsbeleid van de Europese Unie bepalen en uitvoeren (zie arrest van 16 oktober 2013, Vivendi/Commissie, T‑432/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:538, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
17 Overeenkomstig deze beginselen is bij verordening nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) aan de Commissie de bevoegdheid toegekend om, ongeacht hoe zij kennis krijgt van het dossier – of zij de zaak ingevolge een klacht dan wel op eigen initiatief heeft onderzocht –, en al naargelang de prioriteiten die zij in het kader het mededingingsbeleid van de Unie bepaalt, te beslissen of gedragingen dienen te worden vervolgd en aanleiding moeten geven tot een besluit tot vaststelling van een inbreuk en tot een corrigerende maatregel, zoals een geldboete. Hetzelfde geldt wanneer de Commissie zoals in het onderhavige geval de zaak op verzoek van een nationale mededingingsautoriteit heeft onderzocht.
18 Ten tweede maakt verordening nr. 1/2003 een einde aan het vroegere gecentraliseerde stelsel en voorziet deze conform het subsidiariteitsbeginsel in een ruimere medewerking van de nationale mededingingsautoriteiten, waarbij deze autoriteiten te dien einde de bevoegdheid wordt verleend om het mededingingsrecht van de Unie uit te voeren. De opzet van de verordening berust op de nauwe samenwerking die tussen de Commissie en de in een netwerk georganiseerde mededingingsautoriteiten van de lidstaten moet groeien (arrest van 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie, T‑655/11, EU:T:2015:383, punt 75).
19 Ten derde blijkt uit artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 dat de Commissie bij de opsporing en de vaststelling van inbreuken op de mededingingsregels van de Unie een beslissende rol blijft vervullen, die niet wordt aangetast door de parallelle bevoegdheid waarover de nationale mededingingsautoriteiten krachtens deze verordening beschikken (arrest van 13 juli 2011, ThyssenKrupp Liften Ascenseurs/Commissie, T‑144/07, T‑147/07–T‑150/07 en T‑154/07, EU:T:2011:364, punt 76).
20 Wanneer de Commissie krachtens artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 tegen een of meer ondernemingen een procedure wegens vermeende schending van artikel 101 of artikel 102 VWEU inleidt, verliezen de mededingingsautoriteiten van de lidstaten namelijk hun bevoegdheid om dezelfde ondernemingen te vervolgen voor dezelfde vermeende mededingingsverstorende gedragingen die op dezelfde productmarkt of productmarkten en geografische markt of markten in dezelfde periode of perioden hebben plaatsgevonden (arresten van 25 februari 2021, Slovak Telekom, C‑857/19, EU:C:2021:139, punt 30, en 20 april 2023, Amazon.com e.a./Commissie, C‑815/21 P, EU:C:2023:308, punt 27). Ook wanneer een nationale autoriteit de zaak reeds in behandeling heeft genomen, behoudt de Commissie de mogelijkheid om een procedure te beginnen, mits zij daarover eenvoudig overleg pleegt met die autoriteit (arrest van 8 maart 2007, France Télécom/Commissie, T‑339/04, EU:T:2007:80, punt 80).
21 Ten vierde zij eraan herinnerd dat punt 4 van de mededeling van de Commissie betreffende de samenwerking binnen het netwerk van mededingingsautoriteiten (PB 2004, C 101, blz. 43; hierna: „mededeling inzake medewerking”) preciseert dat raadplegingen en uitwisselingen binnen het netwerk een zaak zijn tussen de openbare handhavingsinstanties, en dat deze mededeling volgens punt 31 ervan voor de betrokken ondernemingen geen individueel recht schept dat de zaak door een bepaalde autoriteit zal worden behandeld. Meer in het algemeen kan een onderneming zich noch op basis van verordening nr. 1/2003 noch op basis van deze mededeling gerechtigd achten of verwachten dat haar zaak door een bepaalde mededingingsautoriteit zal worden behandeld (zie arrest van 17 december 2014, Si.mobil/Commissie, T‑201/11, EU:T:2014:1096, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en de beschikking van 14 oktober 2021, Amazon.com e.a./Commissie, T‑19/21, EU:T:2021:730, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
22 Luidens punt 5 van de mededeling inzake medewerking behoudt elk lid van het netwerk ten volle de discretionaire bevoegdheid om te beslissen een zaak al dan niet te onderzoeken en volgens punt 55 ervan moet de Commissie, overeenkomstig artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003, aan de nationale mededingingsautoriteit die een zaak reeds in behandeling heeft, haar beweegredenen om deze zaak over te nemen toelichten.
23 Wat betreft de doorverwijzing van zaken tussen mededelingsautoriteiten, bepaalt punt 18 van de mededeling inzake medewerking dat „[w]anneer zich problemen inzake doorverwijzing voordoen, […] deze onverwijld [dienen] te worden opgelost, gewoonlijk binnen een periode van twee maanden vanaf de datum waarop de eerste informatie aan het netwerk werd toegezonden overeenkomstig artikel 11 van de [verordening nr. 1/2003]”, en dat „de mededingingsautoriteiten [tijdens deze periode zullen] trachten tot een akkoord te komen over een mogelijke doorverwijzing en zo nodig over een nadere regeling van een parallel optreden”.
24 Punt 19 van de mededeling inzake medewerking bepaalt het volgende: „De mededingingsautoriteit of -autoriteiten die aan het einde van de doorverwijzingsperiode met een zaak belast is/zijn, zal/zullen […] deze zaak verder behandelen tot het einde van de procedure. Doorverwijzing van een zaak na de eerste toewijzingsperiode van twee maanden dient alleen plaats te vinden indien de feiten die bekend zijn over de zaak, in de loop van de procedure wezenlijk veranderen.”
25 Ten slotte doelt punt 54 van de mededeling inzake medewerking meer in het bijzonder op de situatie waarin de Commissie een procedure inleidt op grond van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 nadat „een of meer [nationale mededingingsautoriteiten] het netwerk […] ter kennis hebben gebracht dat zij een bepaalde zaak in behandeling hebben genomen”. Dit punt bepaalt dat de Commissie „[t]ijdens de eerste toewijzingsperiode”, namelijk de in punt 18 van deze mededeling vermelde „indicatieve duur van twee maanden”, na overleg met de betrokken autoriteiten op grond van die bepaling een procedure kan inleiden. Voorts preciseert het dat de Commissie „[n]a de toewijzingsfase” deze bepaling in principe alleen in bepaalde situaties zal toepassen, namelijk wanneer leden van het netwerk in dezelfde zaak onderling strijdige beslissingen overwegen [punt 54, onder a)], wanneer zij een beslissing overwegen die klaarblijkelijk in strijd is met de vaste rechtspraak [punt 54, onder b)], wanneer een of meer leden van het netwerk de procedures in de zaak onnodig laten aanslepen [punt 54, onder c)], wanneer er behoefte is om het mededingingsbeleid van de Unie verder te ontwikkelen, met name wanneer zich in verschillende lidstaten een vergelijkbaar mededingingsvraagstuk voordoet, of om een doeltreffende handhaving te verzekeren [punt 54, onder d)], of nog wanneer de betrokken nationale mededingingsautoriteit of -autoriteiten hiertegen geen bezwaar maakt of maken [punt 54, onder e)].
26 De middelen van verzoeksters dienen op basis van deze elementen te worden beoordeeld.
27 In casu wijzen verzoeksters erop dat zij de inhoud van het bestreden besluit, die zij in het kader van de schikkingsprocedure hebben aanvaard, niet betwisten. Zij verduidelijken dat het verzoek enkel betrekking heeft op de onregelmatigheden in de procedure die tot de doorverwijzing van de zaak aan de Commissie en uiteindelijk tot de vaststelling van dat besluit hebben geleid.
28 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters zes middelen aan. Het eerste middel betreft schending van de in de mededeling inzake medewerking genoemde beginselen. Het tweede middel is ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en ontoereikende motivering van het bestreden besluit. Het derde middel berust op schending van het subsidiariteitsbeginsel. Het vierde middel is gebaseerd op schending van de rechten van de verdediging. Het vijfde middel berust op schending van het evenredigheidsbeginsel. Het zesde middel betreft schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.
29 Het eerste en het tweede middel dienen samen te worden onderzocht en vervolgens moeten de overige middelen worden onderzocht in de volgorde waarin zij zijn aangevoerd.
1. Eerste en tweede middel: schending van de mededeling inzake medewerking, van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van de motiveringsplicht
30 Verzoeksters betogen in essentie ten eerste dat de Commissie gebonden is door de mededeling inzake medewerking, die een gewettigd vertrouwen doet ontstaan, en ten tweede dat de Commissie haar besluit om af te wijken van de aanvankelijke doorverwijzingsperiode waarin die mededeling voorziet, niet heeft gemotiveerd.
a) Argumenten volgens welke de mededeling inzake medewerking een gewettigd vertrouwen doet ontstaan en de Commissie daaraan gebonden is
31 De argumentatie van verzoeksters bestaat in wezen uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de vraag of de Commissie gebonden is aan de mededeling inzake medewerking. Met het tweede onderdeel wordt beoogd na te gaan of de punten 18 en 19 van die mededeling een gewettigd vertrouwen hebben doen ontstaan dat een doorverwijzing van de zaak binnen een termijn van twee maanden zou plaatsvinden. Het derde onderdeel gaat over de vraag of er in casu redenen waren om van deze termijn af te wijken.
1) Eerste onderdeel: de Commissie is gebonden aan de mededeling inzake medewerking
32 Verzoeksters betogen dat uit de rechtspraak volgt dat de Commissie, wanneer zij gedragsregels vaststelt zoals die welke in de mededeling inzake medewerking zijn vermeld, zelf de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid beperkt en zij van die regels niet kan afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van de algemene rechtsbeginselen, waartoe het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen behoort.
33 De Commissie en de Bondsrepubliek Duitsland betwisten de argumenten van verzoeksters.
34 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie volgens het Hof, anders dan de L-reeks ervan, niet de bekendmaking beoogt van juridisch bindende handelingen, maar enkel van mededelingen, aanbevelingen en adviezen betreffende de Unie (arresten van 12 mei 2011, Polska Telefonia Cyfrowa, C‑410/09, EU:C:2011:294, punt 35, en 13 december 2012, Expedia, C‑226/11, EU:C:2012:795, punt 30). De mededeling inzake medewerking, die binnen het kader van het „European Competition Network” (ECN) is aangenomen, is in 2004 in de C-reeks van dat Publicatieblad bekendgemaakt [arrest van 20 januari 2016, DHL Express (Italy) en DHL Global Forwarding (Italy), C‑428/14, EU:C:2016:27, punt 34].
35 Uit de rechtspraak volgt evenwel dat de Commissie, wanneer zij gedragsregels vaststelt en door de publicatie ervan doet weten dat zij die voortaan op de desbetreffende gevallen zal toepassen, zelf de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid beperkt en zij van die regels niet kan afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen, zoals het gelijkheids‑ of het vertrouwensbeginsel (arrest van 16 februari 2017, H&R ChemPharm/Commissie, C‑95/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:125, punt 57).
36 Zoals verzoeksters opmerken heeft het Gerecht er recentelijk op gewezen dat deze rechtspraak van toepassing is op de mededeling inzake medewerking, waarbij de Commissie zelf grenzen heeft gesteld aan de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid bij de behandeling van klachten, door richtsnoeren vast te stellen om onder meer te verduidelijken onder welke voorwaarden ofwel de Commissie, ofwel één nationale mededingingsautoriteit, ofwel verschillende nationale mededingingsautoriteiten het meest geschikt zijn om een klacht te onderzoeken (arrest van 9 februari 2022, Sped-Pro/Commissie, T‑791/19, EU:T:2022:67, punt 40).
37 De Commissie is evenwel van mening dat de mededeling inzake medewerking verschilt van andere mededelingen doordat zij enkel de verhoudingen tussen mededingingsautoriteiten behandelt. Bovendien is het arrest van 9 februari 2022, Sped-Pro/Commissie (T‑791/19, EU:T:2022:67), volgens hen in casu niet relevant aangezien dit gaat over de „behandeling van klachten” krachtens artikel 7 van verordening nr. 1/2003 en artikel 7 van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18) en niet over de doorverwijzing van zaken of over een besluit tot vaststelling van een inbreuk op de mededingingsregels. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid, ging het er volgens verzoeksters om een situatie te vermijden waarin een klacht niet zou worden onderzocht, terwijl zij in de onderhavige zaak betogen dat de Commissie – en niet de federale mededingingsautoriteit – moest worden belet om artikel 101 VWEU toe te passen, om de eenvoudige reden dat de eerste toewijzingsperiode was verstreken. Dat zou in feite ingaan tegen de doelstelling van dat arrest, namelijk daadwerkelijke toepassing van de mededingingsregels. Bovendien behandelt de mededeling inzake medewerking in de punten 20 tot en met 25, 35 en 36 volgens verzoeksters hoofdzakelijk de behandeling van klachten, welke in casu niet ter discussie staat.
38 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat het door de Commissie aangevoerde onderscheid tussen het geval waarin een zaak is ingeleid ingevolge een klacht en het geval waarin zij een zaak ambtshalve heeft onderzocht – en, a fortiori, zoals in casu, op verzoek daartoe van de federale mededingingsautoriteit – niet relevant is.
39 Het is juist dat het arrest van 9 februari 2022, Sped-Pro/Commissie (T‑791/19, EU:T:2022:67), betrekking heeft op het gevaar dat de rechten van een klager bij afwijzing van een klacht worden geschonden.
40 Desalniettemin betreft de mededeling inzake medewerking zowel gevallen waarin de zaak is ingeleid ingevolge een klacht als die waarin een mededingingsautoriteit de zaak ambtshalve heeft onderzocht.
41 Meer bepaald maken de punten 18 en 19 van de mededeling inzake medewerking, die betrekking hebben op doorverwijzingskwesties en die volgens verzoeksters zijn geschonden, geen enkel onderscheid naargelang de zaak in kwestie ambtshalve dan wel ingevolge een klacht is onderzocht.
42 Derhalve dient te worden geoordeeld dat de Commissie, niettegenstaande het feit dat de uitwisselingen binnen het netwerk een zaak tussen de openbare handhavingsinstanties zijn en eventuele rechten of verplichtingen van ondernemingen onverlet laten (punt 4 van de mededeling inzake medewerking), met deze mededeling niet enkel ten aanzien van klagers maar ook ten aanzien van ondernemingen waarvan de activiteiten worden onderzocht, zelf grenzen heeft gesteld aan haar bevoegdheid.
43 Een verzuim van de Commissie om de regels die zij zichzelf heeft opgelegd na te leven kan dus overeenkomstig de in punt 35 hierboven aangehaalde rechtspraak leiden tot de schending van algemene beginselen, zoals het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, welke schending verzoeksters in casu hebben aangevoerd en die het voorwerp uitmaakt van het tweede en het derde onderdeel, die hierna volgen.
2) Tweede onderdeel: de punten 18 en 19 van de mededeling inzake medewerking hebben een gewettigd vertrouwen doen ontstaan
44 Verzoeksters zijn van mening dat de in de punten 18 en 19 van de mededeling inzake medewerking genoemde regels inzake doorverwijzing een gerechtvaardigd vertrouwen hebben doen ontstaan dat een eventuele doorverwijzing van de zaak binnen de eerste toewijzingsperiode van twee maanden zou plaatsvinden.
45 De Commissie en de Bondsrepubliek Duitsland betwisten de argumenten van verzoeksters.
46 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat voor de vaststelling van een schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen vereist is dat een instelling van de Unie, door aan een justitiabele nauwkeurige toezeggingen te doen, bij deze laatste gegronde verwachtingen heeft gewekt. Nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende inlichtingen zijn als dergelijke toezeggingen aan te merken, ongeacht de vorm waarin zij worden medegedeeld (zie arrest van 16 september 2021, FVE Holýšov I e.a./Commissie, C‑850/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2021:740, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 De mededeling inzake medewerking bevat echter geen nauwkeurige toezegging dat de doorverwijzingsperiode niet langer dan twee maanden kan zijn.
48 Ten eerste blijkt immers uit het feit dat de doorverwijzing luidens punt 18 van de mededeling inzake medewerking (zie punt 23 hierboven) „gewoonlijk” binnen een periode van twee maanden moet plaatsvinden, dat dit geen dwingende termijn is. Voorts is dit punt in ieder geval niet relevant voor de omstandigheden van het onderhavige geval aangezien tussen de partijen niet wordt betwist dat de federale mededingingsautoriteit en de Commissie niet – in de bewoordingen van deze bepaling – hebben moeten „trachten tot een akkoord te komen over een mogelijke doorverwijzing” teneinde „problemen inzake doorverwijzing”„op te lossen”, maar dat de Commissie de procedure op verzoek van de federale mededingingsautoriteit heeft ingeleid.
49 Ten tweede beroepen verzoeksters zich op een strikte uitlegging van punt 19, tweede volzin, van de in punt 24 hierboven aangehaalde mededeling inzake medewerking. Volgens hen verwijzen de bewoordingen „feiten die bekend zijn over de zaak” enkel naar feiten die relevant blijken om te bepalen of er inbreuk is gemaakt op de mededingingsregels en niet naar gebeurtenissen die nadien in de loop van de administratieve procedure hebben plaatsgevonden en mogelijk gevolgen hebben voor deze procedure.
50 Volgens vaste rechtspraak dient bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht evenwel niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt (zie arrest van 27 januari 2021, De Ruiter, C‑361/19, EU:C:2021:71, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 De uitlegging die verzoeksters voorstellen kan dan ook niet worden aanvaard aangezien deze in strijd is met de uitlegging van punt 19 van de mededeling inzake medewerking in het licht van de context ervan. Uit de verschillende in punt 54 van die mededeling genoemde situaties (zie punt 25 hierboven) blijkt namelijk dat de Commissie om verschillende redenen een procedure kan inleiden op grond van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003. Aangezien die situaties niet enkel feiten betreffen die relevant zijn om te bepalen of er inbreuk is gemaakt op de mededingingsregels, moeten de woorden „indien de feiten die bekend zijn over de zaak, in de loop van de procedure wezenlijk veranderen” aldus worden uitgelegd dat daarmee ieder relevant feit wordt bedoeld dat zich in de loop van de procedure voordoet.
52 Het argument van verzoekers dat de punten 18 en 19 van de mededeling inzake medewerking een gewettigd vertrouwen hebben doen ontstaan dat een eventuele doorverwijzing binnen de twee maanden moest plaatsvinden, dient dan ook te worden afgewezen.
[omissis]
2. Derde middel: schending van het subsidiariteitsbeginsel
73 Verzoeksters verwijzen onder meer naar de rechtspraak volgens welke verordening nr. 1/2003 overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel in een ruimere medewerking van de nationale mededingingsautoriteiten voorziet. De Commissie moet bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheden die zij aan verordening nr. 1/2003 ontleent dus het subsidiariteitsbeginsel in acht nemen. Het was dan ook niet passend dat de Commissie haar discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend om de doorverwijzing van de zaak te aanvaarden teneinde de Duitse regels te omzeilen.
74 De Commissie en de Bondsrepubliek Duitsland betwisten de argumenten van verzoeksters.
75 Krachtens het in artikel 5, lid 3, VEU verankerde subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.
76 In overweging 34 van verordening nr. 1/2003 staat te lezen: „Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5, [leden 1 en 3, VEU], gaat deze verordening niet verder dan nodig is om haar doelstelling te verwezenlijken, namelijk een doeltreffende toepassing van de [mededingingsregels van de Unie].”
77 Het Gerecht heeft reeds geoordeeld dat het subsidiariteitsbeginsel de bij het VWEU aan de Commissie verleende bevoegdheden, waaronder de toepassing van mededingingsregels, onverlet laat (arrest van 8 maart 2007, France Télécom/Commissie, T‑339/04, EU:T:2007:80, punt 89).
78 Zoals in de punten 18 en 19 hierboven in herinnering is gebracht, heeft verordening nr. 1/2003 weliswaar een einde gemaakt aan het vroegere gecentraliseerde stelsel, en voorziet deze conform het subsidiariteitsbeginsel in een ruimere medewerking van de nationale mededingingsautoriteiten, maar blijft de Commissie bij de opsporing en de vervolging van inbreuken een beslissende rol vervullen.
79 Zoals in punt 20 hierboven in herinnering is gebracht, bepaalt artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 aldus dat de Commissie ook wanneer een nationale autoriteit de zaak reeds in behandeling heeft genomen de mogelijkheid behoudt om een procedure in te leiden die tot het geven van een beschikking moet leiden, mits zij daarover eenvoudig overleg pleegt met de betrokken nationale autoriteit.
80 Aangezien de Commissie, zoals vermeld in overweging 11 van het bestreden besluit, op verzoek van de federale mededingingsautoriteit de procedure zelf heeft ingeleid, is in casu volledig voldaan aan de voorwaarde van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003. Bijgevolg heeft de inleiding van de procedure geen afbreuk gedaan aan de bevoegdheden van de betrokken lidstaat en is schending van het subsidiariteitsbeginsel noodzakelijkerwijs uitgesloten.
81 Het derde middel, ontleend aan schending van het subsidiariteitsbeginsel, dient dan ook te worden afgewezen.
[omissis]
B. Reconventionele vordering van de Commissie
114 Volgens de Commissie maakt de bijkomende administratieve last die verzoeksters na de schikking hebben veroorzaakt, een herbeoordeling noodzakelijk van het bedrag van de geldboete die hun is opgelegd. Verzoeksters voeren immers slechts middelen aan waarmee zij betwisten dat de Commissie bevoegd was om de betrokken procedure te voeren, terwijl zij in hun schikkingsvoorstellen hebben verklaard te aanvaarden dat de Commissie hun een geldboete zou opleggen. De Commissie is van mening dat de boeteverlaging met 10 % op grond van punt 32 van de mededeling inzake schikkingen niet meer gerechtvaardigd is en vraagt het Gerecht dus in uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete vast te stellen op 9588000 EUR. Subsidiair stelt de Commissie voor rekening te houden met het feit dat de schikkingsprocedure in de onderhavige zaak in veel geringere mate dan gewoonlijk heeft bijgedragen tot het behoud van de overheidsmiddelen, en betoogt zij dat een boeteverlaging met de volle 10 % daarom niet gerechtvaardigd is.
115 Verzoeksters betwisten de argumenten van de Commissie. Meer bepaald is er volgens hen geen rechtsgrondslag om de in het kader van de schikkingsprocedure toegekende boeteverlaging ongedaan te maken.
116 Bijgevolg moet eerst worden nagegaan of het Gerecht bevoegd is om de in het kader van de schikkingsprocedure toegekende boeteverlaging ongedaan te maken, wat neerkomt op een verhoging van de boete, en moet vervolgens worden beoordeeld of de vordering van de Commissie gegrond is.
1. Bevoegdheid van het Gerecht
117 In herinnering moet worden gebracht dat het wettigheidstoezicht wordt aangevuld door de volledige rechtsmacht die bij artikel 31 van verordening nr. 1/2003 overeenkomstig artikel 261 VWEU aan de Unierechter is verleend. Naast het eenvoudige wettigheidstoezicht op de sanctie is de Unierechter op grond van deze rechtsmacht bevoegd om zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie en derhalve de opgelegde geldboete of dwangsom in te trekken, te verlagen of te verhogen (zie arresten van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P,EU:C:2011:815, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 oktober 2023, Clariant en Clariant International/Commissie, T‑590/20, EU:T:2023:650, punt 185 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 Hoewel het meestal de verzoekende partijen zijn die om uitoefening van de volledige rechtsmacht verzoeken teneinde een verlaging van het bedrag van de geldboete te verkrijgen, staat niets eraan in de weg dat ook de Commissie de kwestie van het bedrag van de geldboete aan de Unierechter voorlegt en een verzoek tot verhoging van dat bedrag indient (arresten van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, EU:T:2008:415, punt 244, en 18 oktober 2023, Clariant en Clariant International/Commissie, T‑590/20, EU:T:2023:650, punt 221).
119 Deze volledige rechtsmacht geldt ook wanneer de verzoekende partijen, zoals in het onderhavige geval, niet subsidiair om verlaging van de hun opgelegde geldboete verzoeken. Artikel 31 van verordening nr. 1/2003, dat uitdrukkelijk bepaalt dat de Unierechter in beroepen tegen besluiten van de Commissie waarin een geldboete wordt vastgesteld de „geldboete [kan] intrekken, verlagen of verhogen”, stelt deze bevoegdheid immers niet afhankelijk van een dergelijk verzoek.
120 Het middel van niet-ontvankelijkheid dat verzoeksters aanvoeren tegen de reconventionele vordering van de Commissie, dient dan ook te worden afgewezen.
2. Gegrondheid van het verzoek
a) Opmerkingen vooraf
121 Wat in de eerste plaats de schikkingsprocedure betreft, daarvan heeft het Gerecht in de punten 58 tot en met 74 van het arrest van 20 mei 2015, Timab Industries en CFPR/Commissie (T‑456/10, EU:T:2015:296), en laatstelijk in de punten 208 tot en met 216 van het arrest van 18 oktober 2023, Clariant en Clariant International/Commissie (T‑590/20, EU:T:2023:650), reeds de essentiële kenmerken in herinnering gebracht.
122 Volgens deze rechtspraak stelt de schikkingsprocedure de Commissie in staat kartelzaken sneller en doeltreffender af te handelen. Deze procedure heeft dus tot doel de administratieve procedures te vereenvoudigen en te versnellen, zodat de Commissie met dezelfde middelen meer zaken kan behandelen (arresten van 20 mei 2015, Timab Industries en CFPR/Commissie, T‑456/10, EU:T:2015:296, punt 60, en 18 oktober 2023, Clariant en Clariant International/Commissie, T‑590/20, EU:T:2023:650, punt 209).
123 De schikkingsprocedure verloopt in wezen als volgt. De Commissie start deze procedure met instemming van de betrokken ondernemingen (mededeling inzake schikkingen, punten 5, 6 en 11). Zodra de procedure is gestart, deelt de Commissie aan de ondernemingen die aan een onderzoek worden onderworpen en aan de schikkingsprocedure deelnemen, in bilaterale gesprekken de essentiële gegevens mee, „zoals de gestelde feiten, de classificatie van die feiten, de zwaarte en duur van het vermeende kartel, de toerekening van de aansprakelijkheid, een raming van de bandbreedte van de verwachte geldboeten, alsmede […] het gebruikte bewijsmateriaal om de mogelijke bezwaren te staven” (mededeling inzake schikkingen, punt 16). Op basis daarvan kunnen partijen hun standpunt over de eventuele door de Commissie tegen hen aangevoerde grieven kenbaar maken en met kennis van zaken beslissen al dan niet te schikken (mededeling inzake schikkingen, punt 16).
124 Na de mededeling van die informatie kunnen de betrokken ondernemingen voor de schikkingsprocedure kiezen en een schikkingsvoorstel doen. Dit schikkingsvoorstel moet onder meer het volgende bevatten: een duidelijke en ondubbelzinnige erkenning van de aansprakelijkheid van de partijen voor de inbreuk, een indicatie van het maximumbedrag van de geldboeten die de Commissie, naar zij verwachten, hun zal opleggen, en waarmee de partijen in het kader van de schikkingsprocedure kunnen instemmen alsook een bevestiging van het feit dat zij niet overwegen een verzoek om toegang tot het dossier in te dienen, noch een verzoek om opnieuw te worden gehoord in een hoorzitting, tenzij de Commissie hun met het oog op een schikking afgelegde verklaring niet in de mededeling van punten van bezwaar en het besluit weergeeft (mededeling inzake schikkingen, punt 20).
125 Na deze aansprakelijkheidserkenning en bevestigingen door de betrokken ondernemingen deelt de Commissie hun de mededeling van punten van bezwaar mee en stelt zij een eindbesluit vast. Dat besluit berust in wezen op het feit dat de partijen hun aansprakelijkheid ondubbelzinnig hebben erkend, de mededeling van punten van bezwaar niet hebben betwist en bij hun toezegging blijven om tot een schikking te komen (mededeling inzake schikkingen, punten 23‑28).
126 In haar eindbesluit kan de Commissie beslissen een partij wegens schikking te belonen, en dit ten belope van 10 % van het bedrag van de op te leggen geldboete (mededeling inzake schikkingen, punt 32).
127 Wat in de tweede plaats de reconventionele vordering van de Commissie betreft, kan de Commissie weliswaar, zoals blijkt uit de in punt 118 hierboven aangehaalde rechtspraak, het Gerecht verzoeken het bedrag van de geldboete te verhogen, maar er zij aan herinnerd dat zij het Gerecht te dien einde in staat moet stellen na te gaan of de omstandigheden van de zaak een dergelijke verhoging rechtvaardigen (zie in die zin arresten van 9 juli 2003, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, T‑224/00, EU:T:2003:195, punt 362, en 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, EU:T:2008:415, punt 251).
128 In het bijzonder moet de Commissie aantonen dat de verhoging van het bedrag van de geldboete passend is, met name gelet op feiten en omstandigheden die in de loop van het geding aan het licht zijn gekomen en waarvan zij niet op de hoogte was op het tijdstip van het besluit waarin zij het bedrag van de geldboete heeft vastgesteld (zie in die zin arresten van 5 oktober 2011, Transcatab/Commissie, T‑39/06, EU:T:2011:562, punt 402, en 18 oktober 2023, Clariant en Clariant International/Commissie, T‑590/20, EU:T:2023:650, punt 222). Het is immers van belang of het gedrag van de verzoekende partij de Commissie heeft verplicht, anders dan zij redelijkerwijs van de medewerking van die partij tijdens de administratieve procedure had mogen verwachten, zich voor het Gerecht te verweren tegen de ontkenning van feiten waarvan zij op goede gronden kon aannemen dat deze partij die niet meer in twijfel zou trekken (zie in die zin arrest van 14 december 2006, Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, T‑259/02–T‑264/02 en T‑271/02, EU:T:2006:396, punt 573).
b) Onderzoek van het verzoek van de Commissie
129 In casu stelt de Commissie dat de verhoging van de geldboete passend is ten eerste omdat verzoeksters niet voor het Gerecht ter discussie kunnen stellen dat de Commissie in de onderhavige zaak bevoegd was om de administratieve procedure te voeren terwijl zij in hun schikkingsverzoek deze bevoegdheid hadden erkend, en ten tweede omdat de onderhavige zaak een bijkomende administratieve last meebrengt.
130 In de eerste plaats dient te worden nagegaan of de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat verzoeksters tijdens de administratieve procedure hadden erkend dat zij bevoegd was in de plaats van de federale mededingingsautoriteit.
131 Ten eerste heeft de Commissie, hoewel zij vanaf haar verweerschrift in wezen heeft betoogd dat verzoeksters haar bevoegdheid in de loop van de administratieve procedure hadden erkend, geen enkel bewijs geleverd, noch aangeboden om dat te leveren, om de vermeende erkenning door verzoeksters van haar bevoegdheid in de loop van de schikkingsprocedure aan te tonen, niet in dat verweerschrift en zelfs niet in de memorie van dupliek, ook al stond de betwisting van die bevoegdheid centraal in hun beroep.
132 Pas ter terechtzitting heeft de Commissie zich bereid verklaard om, in het kader van een krachtens artikel 92, lid 3, en artikel 103 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gelaste maatregel van instructie, het schikkingsverzoek van verzoeksters, waarvan de inhoud zeer „gevoelig” en „vertrouwelijk” was, aan het Gerecht over te leggen. Volgens de Commissie bevat dat schikkingsverzoek aanwijzingen dat haar bevoegdheid was erkend.
133 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat „[de hoofdpartijen bij] wijze van uitzondering […] nog bewijs [kunnen] overleggen of aanbieden hun stellingen nader te bewijzen voordat de mondelinge behandeling is gesloten of voordat het Gerecht beslist om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, mits de vertraging waarmee dit geschiedt, wordt gerechtvaardigd”.
134 Evenzo bepaalt artikel 88, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dat wanneer een verzoek om maatregelen van instructie na de eerste memoriewisseling wordt ingediend, de partij die het verzoek doet, moet uiteenzetten waarom zij het verzoek niet eerder heeft kunnen indienen.
135 Voorts bepaalt artikel 92, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering dat de partij die om een maatregel van instructie op grond van deze bepaling verzoekt, dient aan te geven waarom een dergelijke maatregel in de vorm van een instructiebeschikking moet worden gelast.
136 Evenwel moet worden vastgesteld dat de Commissie, ongeacht of haar handelen moet worden beschouwd als een bewijsaanbod krachtens artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering dan wel als een verzoek om maatregelen van instructie krachtens artikel 92, lid 3, van dit Reglement, geen geldige rechtvaardiging heeft verschaft voor de vertraging in haar handelen.
137 De Commissie heeft ter terechtzitting immers slechts verwezen naar punt 222 van het in punt 128 hierboven aangehaalde arrest van 18 oktober 2023, Clariant en Clariant International/Commissie (T‑590/20, EU:T:2023:650), en erop gewezen dat zij in casu bij de vaststelling van het bestreden besluit niet wist dat verzoeksters haar bevoegdheid zouden betwisten.
138 De uitleg van de Commissie kan echter niet afdoen aan het feit dat zij na het beroep van verzoeksters vanaf het verweerschrift de mogelijkheid had om alle mogelijke bewijzen over te leggen, aan te bieden haar stellingen nader te bewijzen of te verzoeken om maatregelen van instructie ter ondersteuning van haar argument waarmee zij in wezen stelt dat verzoeksters haar bevoegdheid met betrekking tot de schikkingsprocedure impliciet hebben erkend.
139 Bovendien dient te worden vastgesteld dat – gesteld al dat de Commissie zich nog heeft willen beroepen op het arrest van 18 oktober 2023, Clariant en Clariant International/Commissie (T‑590/20, EU:T:2023:650), dat na het verweerschrift van 7 december 2022 en de memorie van dupliek van 5 april 2023 was uitgesproken – dit arrest, zoals blijkt uit punt 128 hierboven, geen nieuwe juridische beoordelingen bevat over de feiten die een reconventionele vordering tot verhoging van de geldboete zouden moeten rechtvaardigen en die de vertraging in het handelen van de Commissie kunnen rechtvaardigen. Uit de rechtspraak van het Gerecht volgt immers al dat het aan de Commissie staat om haar vordering te rechtvaardigen aan de hand van feiten waarvan zij geen kennis had op het tijdstip waarop zij de boeteverlaging toekende (zie in die zin arrest van 5 oktober 2011, Transcatab/Commissie, T‑39/06, EU:T:2011:562, punt 402).
140 Voor zover de Commissie naar artikel 92, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering heeft verwezen, moet overigens worden vastgesteld dat zij evenmin heeft uitgelegd waarom in casu een maatregel van instructie noodzakelijk was. Zij heeft immers enkel in algemene termen het vertrouwelijke en gevoelige karakter van de documenten die zij wenste over te leggen vermeld, hoewel die documenten afkomstig waren van verzoeksters zelf.
141 Het ter terechtzitting van 20 maart 2024 geformuleerde verzoek van de Commissie om bepaalde bewijzen te mogen overleggen aan het Gerecht, dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
142 Ten tweede stelt de Commissie dat de erkenning van haar bevoegdheid voortvloeit uit het feit dat verzoeksters in hun schikkingsvoorstel hadden verklaard te aanvaarden dat de Commissie hun een geldboete zou opleggen die kon oplopen tot een bepaald maximumbedrag.
143 Zo hebben verzoeksters volgens overweging 16, onder a), van het bestreden besluit in duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen, hun aansprakelijkheid, de belangrijkste feiten en de juridische kwalificatie ervan, alsook hun rol en de duur van hun betrokkenheid bij de inbreuk erkend. Volgens overweging 16, onder b), van dit besluit hebben zij tevens een indicatie gegeven van het maximumbedrag van de geldboete die zij verwachtten door de Commissie opgelegd te zullen krijgen en die zij in het kader van een schikkingsprocedure zouden aanvaarden.
144 Uit de erkenning van die gegevens kan echter niet worden afgeleid dat verzoeksters eveneens de bevoegdheid van de Commissie hadden erkend. In die erkenning was immers, anders dan die van voornoemde gegevens, waarin punt 20 van de mededeling inzake schikkingen specifiek voorziet, in deze mededeling niet voorzien (zie punt 124 hierboven).
145 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie niet heeft aangetoond dat verzoeksters haar bevoegdheid om de betrokken administratieve procedure te voeren, hadden erkend.
146 Overigens zij eraan herinnerd dat het Hof in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn, reeds heeft geoordeeld dat indien de Commissie na afloop van de op het besluit tot inleiding volgende administratieve procedure een besluit vaststelt dat de belangen van een onderneming als de verzoekende partij aantast, krachtens artikel 263 VWEU beroep in rechte tegen dat besluit kan worden ingesteld en dat die onderneming in het kader daarvan alle passende middelen kan aanvoeren. Meer bepaald blijkt uit die bepaling dat de kwestie van de bevoegdheid van de opsteller van de handeling deel uitmaakt van de controle die de Unierechter in het kader van een dergelijk beroep uitoefent. Het staat dus aan de Unierechter om na te gaan of er dienaangaande in de loop van die administratieve procedure onregelmatigheden zijn begaan en of deze onregelmatigheden de wettigheid aantasten van het besluit dat de Commissie aan het einde van de administratieve procedure heeft vastgesteld (beschikking van 29 januari 2020, Silgan Closures en Silgan Holdings/Commissie, C‑418/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:43, punten 63 en 64).
147 Uit het voorgaande volgt dat de verhoging van de geldboete in de omstandigheden van de onderhavige zaak, anders dan de Commissie betoogt, niet kan worden gerechtvaardigd door het vermeende feit dat verzoeksters voor het eerst voor het Gerecht een feit hebben betwist (namelijk, in casu, de bevoegdheid van Commissie in de plaats van de federale mededingingsautoriteit) dat zij in de loop van de schikkingsprocedure bij de Commissie zouden hebben erkend. De Commissie heeft in het onderhavige geval immers niet kunnen aantonen dat verzoeksters in de loop van de schikkingsprocedure hadden erkend dat zij in de plaats van de federale mededingingsautoriteit bevoegd was, noch dat zij redelijkerwijs mocht veronderstellen dat verzoeksters die bevoegdheid niet zouden betwisten, temeer gelet op de uitkomst van de in punt 146 hierboven genoemde gedingen die door het andere bij de inbreuk betrokken concern zijn ingeleid.
148 In de tweede plaats moet de subsidiaire argumentatie van de Commissie worden onderzocht, volgens welke het onderhavige beroep afbreuk heeft gedaan aan de efficiëntieverbeteringen die de schikkingsprocedure haar had gebracht.
149 Wat dit betreft, blijkt uit overweging 16 van het bestreden besluit dat verzoeksters hun aansprakelijkheid hebben erkend, dat zij een indicatie hebben gegeven van het maximumbedrag van de geldboete dat zij zouden aanvaarden (zie punt 143 hierboven) en dat zij hebben bevestigd afdoende te zijn geïnformeerd over de bezwaren die de Commissie ten aanzien van hen overwoog te formuleren en voldoende gelegenheid te hebben gekregen hun standpunten aan de Commissie kenbaar te maken [overweging 16, onder c)]. Zij hebben tevens aangegeven dat zij niet voornemens waren te verzoeken om toegang tot het dossier of om op een hoorzitting opnieuw te worden gehoord [overweging 16, onder d)] en zij hebben ermee ingestemd dat zij de mededeling van punten van bezwaar en het eindbesluit in het Engels zouden ontvangen [overweging 16, onder e)].
150 Anders dan de Commissie betoogt, heeft zij dus geprofiteerd van procedurele efficiëntieverbeteringen die los van de instelling van het onderhavige beroep blijven bestaan (zie in die zin arrest van 18 oktober 2023, Clariant en Clariant International/Commissie, T‑590/20, EU:T:2023:650, punt 237). De inzet van de middelen van de Commissie voor de verdediging van het bestreden besluit voor het Gerecht is inherent aan iedere gerechtelijke procedure en doet niets af aan die procedurele efficiëntieverbeteringen wanneer de verzoekende partijen zoals in casu niet willen terugkomen op de in punt 149 hiervoor genoemde feiten, die zij in het kader van de schikkingsprocedure hebben erkend, maar enkel betwisten dat de Commissie bevoegd was in de plaats van de federale mededingingsautoriteit.
151 Uit het voorgaande volgt dat de door de Commissie gevraagde verhoging van de geldboete in de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak niet kan worden gerechtvaardigd door het vermeende verlies van procedurele efficiëntieverbeteringen, noch door de vermeende bijkomende administratieve last als gevolg van de instelling van het onderhavige beroep.
152 De reconventionele vordering van de Commissie, de subsidiaire vordering daaronder begrepen, dient dan ook te worden afgewezen.
[omissis] HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) De reconventionele vordering van de Europese Commissie wordt afgewezen.
3) Crown Holdings, Inc. en Crown Cork & Seal Deutschland Holdings GmbH dragen hun eigen kosten en 90 % van de kosten van de Commissie.
4) De Commissie draagt 10 % van haar eigen kosten.
5) De Bondsrepubliek Duitsland draagt haar eigen kosten.
Marcoulli Schwarcz Tomljenović Norkus Valasidis Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 oktober 2024. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 18 oktober 2023, T-590/20, ECLI:EU:T:2023:650
- HvJ EU 20 april 2023, C-815/21, ECLI:EU:C:2023:308
- Gerecht EU 9 februari 2022, T-791/19, ECLI:EU:T:2022:67
- HvJ EU 25 februari 2021, C-857/19, ECLI:EU:C:2021:139
- HvJ EU 27 januari 2021, C-361/19, ECLI:EU:C:2021:71
- HvJ EU 20 januari 2016, C-428/14, ECLI:EU:C:2016:27
- Gerecht EU 16 juni 2015, T-655/11, ECLI:EU:T:2015:383
- Gerecht EU 20 mei 2015, T-456/10, ECLI:EU:T:2015:296
- Gerecht EU 17 december 2014, T-201/11, ECLI:EU:T:2014:1096
- HvJ EU 13 december 2012, C-226/11, ECLI:EU:C:2012:795
- HvJ EU 8 december 2011, C-386/10, ECLI:EU:C:2011:815
- Gerecht EU 5 oktober 2011, T-39/06, ECLI:EU:T:2011:562
- Gerecht EU 13 juli 2011, T-144/07, ECLI:EU:T:2011:364
- HvJ EU 12 mei 2011, C-410/09, ECLI:EU:C:2011:294
- Gerecht EU 8 oktober 2008, T-69/04, ECLI:EU:T:2008:415
- Gerecht EU 8 maart 2007, T-339/04, ECLI:EU:T:2007:80
- Gerecht EU 14 december 2006, T-259/02, ECLI:EU:T:2006:396
- Gerecht EU 9 juli 2003, T-224/00, ECLI:EU:T:2003:195