Gerecht EU 18 september 2024, T-671/19, ECLI:EU:T:2024:626
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid)
18 september 2024 ( *1 )
„Mededinging – Misbruik van machtspositie – Markt voor UMTS-basebandchipsets – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Afbraakprijzen – Bevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld – Rechten van de verdediging – Bepaling van de relevante markt – Machtspositie – Misbruik – Reconstructie van de prijzen – Vaststelling van de kostenstandaard – Prijzen- en kostenanalyse – Geen vereiste om het bestaan van concrete gevolgen aan te tonen – Intentie om een concurrent uit te sluiten – Objectieve rechtvaardiging – Berekening van het bedrag van de geldboete – Richtsnoeren voor de berekening van het bedrag van geldboeten van 2006 – Waarde van de verkopen – Aanvullend bedrag – Volledige rechtsmacht”
In zaak T‑671/19,
Qualcomm, Inc., gevestigd te San Diego, Californië (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door M. Davilla, M. Pinto de Lemos Fermiano Rato, M. English en A. Kontosakou, advocaten,
verzoekende partij,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. van Vliet, G. Conte, M. Farley en C. Urraca Caviedes als gemachtigden,
verwerende partij,
ondersteund door
Nvidia Corp., vertegenwoordigd door M. Dolmans, advocaat, P. Stuart, barrister-at-Law en W. Lin, solicitor,
interveniërende partij,
wijst
HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: D. Spielmann, president, V. Valančius, R. Mastroianni (rapporteur), I. Gâlea en T. Tóth, rechters,
griffier: M. Zwozdziak-Carbonne, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 13 tot en met 15 maart 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Qualcomm Inc., nietigverklaring van besluit C(2019) 5361 final van de Commissie van 18 juli 2019 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst [Zaak AT.39711 – Qualcomm (afbraakprijzen)] (hierna: „bestreden besluit”) of, subsidiair, intrekking of verlaging van de haar in dat besluit opgelegde geldboete.
Voorgeschiedenis van het geding
Context van de zaak
2 Qualcomm is een in 1985 opgerichte Amerikaanse vennootschap die actief is op het gebied van cellulaire en draadloze technologieën. Zij verricht haar activiteiten voornamelijk via Qualcomm CDMA Technologies (hierna: „QCT”) en Qualcomm Technology Licensing. QCT ontwikkelt en levert onder andere basebandchipsets, een type halfgeleider en systeemsoftware die is gebaseerd op Code Division Multiple Access (CDMA), Orthogonal Frequency-Division Multiple Access (OFDMA) en andere technologieën die voornamelijk worden gebruikt voor spraak‑ en datacommunicatie. De chipsets van Qualcomm worden verkocht (en haar systeemsoftware wordt in licentie gegeven) aan ondernemingen die deze chipsets verwerken in mobiele telefoons, tablets, laptops, datamodules en andere elektronische consumptiegoederen. Qualcomm Technology Licensing beheert het programma voor de licentiëring van de intellectuele eigendom van Qualcomm, waarbij voornamelijk licenties aan leveranciers van mobiele apparaten worden verleend.
3 Mobiele apparaten zoals mobiele telefoons, tablets en andere verbonden apparaten vereisen mobiele breedband-connectiviteit met het internet via cellulaire mobiele telecommunicatienetwerken.
4 De kerncomponent voor mobiele connectiviteit in een apparaat is de basebandprocessor, die signaalverwerkingsfuncties biedt volgens communicatieprotocollen die in cellulaire normen zijn beschreven. Basebandprocessoren kunnen rechtstreeks worden geïntegreerd in mobiele apparaten, zoals smartphones, of in externe modules die op hun beurt in een apparaat worden ingebouwd. Dergelijke processoren zijn gemaakt van halfgeleidermateriaal (zoals silicium) en zijn verpakt in een zogenaamde „basebandchipset”.
5 Naast de basebandprocessor hebben sommige soorten mobiele apparaten een applicatieprocessor nodig, die wordt gebruikt voor het beheer van het besturingssysteem en applicaties zoals berichtenverkeer, surfen op het internet, beeldvorming en spelletjes. Deze applicatieprocessor kan worden geleverd als een opzichzelfstaand product dat is verpakt in een afzonderlijke chip, of kan binnen dezelfde chip worden geïntegreerd met de basebandprocessor. Basebandchipsets kunnen dus worden onderverdeeld in: – autonome basebandchipsets (die ook bekendstaan als „slim baseband chipsets” of „slim modems”), wanneer er geen applicatieprocessor is inbegrepen; – geïntegreerde basebandchipsets, wanneer de basebandprocessor is geïntegreerd met de applicatieprocessor.
6 Ongeacht de aanwezigheid van een applicatieprocessor, wordt een basebandprocessor gewoonlijk gecombineerd met twee extra componenten om de functionaliteit ervan te vervolledigen, namelijk de radiofrequentie-geïntegreerde schakeling, ook bekend als de RF-zendontvanger, en de geïntegreerde schakeling waarmee de voeding wordt geregeld. Deze drie componenten (basebandprocessor, RF-zendontvanger en geïntegreerde schakeling waarmee de voeding wordt geregeld) zijn nodig voor mobiele connectiviteit en worden meestal – samen of afzonderlijk – bij dezelfde leverancier gekocht.
7 Basebandchipsets worden meestal verkocht aan fabrikanten van originele producten (hierna: „OEM’s”), die deze chipsets inbouwen in apparaten met mobiele connectiviteit. Voorbeelden zijn Apple, HTC Corporation, Huawei Technologies Co Ltd (hierna: „Huawei”), LG Corp, Nokia Corporation, Samsung Group (hierna: „Samsung”) en ZTE Corporation.
8 Van 2009 tot 2011 konden mobiele apparaten met basebandchipsets worden onderverdeeld in twee grote categorieën, te weten enerzijds verschillende typen mobiele telefoons (van telefoons die alleen basisfuncties bieden zoals spraakdiensten, tot smartphones) en anderzijds MBB-apparaten, dat wil zeggen apparaten die een andere connectiviteit bieden dan mobiele telefoons, meestal zonder spraakdiensten (zoals tablets, datakaarten zoals USB-sticks met cellulaire toegang, draadloze routers die werken op mifi of laptops).
9 Meerdere MBB-apparaten, zoals datakaarten, maakten voornamelijk gebruik van slim modems omdat ze geen verwerkingsfunctie nodig hadden maar alleen connectiviteit, en de markt voor dergelijke apparaten – met name voor de apparaten die compatibel waren met de communicatiestandaarden van de derde generatie (3G) op basis van de UMTS-technologie (Universal Mobile Telecommunications System) – was aanzienlijk kleiner dan die voor mobiele telefoons.
10 Zoals hierboven in punt 4 is opgemerkt, moet een basebandchipset een van de communicatiestandaarden gebruiken om connectiviteit te bieden. Oorspronkelijk was met de communicatiestandaarden van de eerste generatie (1G) – dat wil zeggen analoge communicatiestandaarden – en de communicatiestandaarden van de tweede generatie (2G) die daarvoor in de plaats kwamen – dat wil zeggen digitale communicatiestandaarden – alleen spraakcommunicatie mogelijk. Geleidelijk werd de standaard die was ontwikkeld voor de 2G‑communicatiestandaarden, namelijk het „Global System for Mobile Communication” (GSM), middels „General Packet Radio Services” (GPRS) en „Enhanced Data rates for GSM Evolution” (EDGE) uitgebreid om hogere snelheden en het pakketgeschakeld versturen van gegevens mogelijk te maken.
11 De 3G‑communicatiestandaarden, die zijn gebaseerd op de UMTS-technologie – een mobiele draadloze communicatietechnologie – konden aanvankelijk (rond het jaar 2000) datasnelheden tot 0,348 Megabits per seconde (Mbps) verwerken, wat onvoldoende was voor typische bandbreedte-intensieve applicaties, zoals volledig internetgebruik en videostreaming. De datatransmissiecapaciteit van deze communicatiestandaarden werd met latere ontwikkelingen verbeterd. De „High Speed Packet Access”-technologie (HSPA) maakte datasnelheden tot 14 Mbps mogelijk en de „Evolved High Speed Packet Access”-technologie (HSPA+) maakte datasnelheden tot 28 Mbps en zelfs 42 Mbps mogelijk.
12 In beginsel ondersteunden chipsets op basis van de UMTS-technologie (hierna: „UMTS-chipsets”) ook de uitgebreide GSM/EDGE-standaard, die aanvankelijk was geoptimaliseerd voor spraaktelefonie. De reden hiervoor was dat deze uitgebreide standaard nog steeds essentieel was voor mobiele telefoons, omdat GSM voor de meeste mobiele-netwerkexploitanten nog steeds een belangrijke rol speelde op het gebied van dekking en capaciteit. Deze uitgebreide standaard kon namelijk ook nuttig zijn voor MBB-apparaten, hoewel deze geen breedbandconnectiviteit bood, omdat met de ondersteuning voor basisconnectiviteit van GSM kon worden gezorgd voor een ononderbroken dienstverlening in het geval de dekking van het UMTS-netwerk hiaten vertoonde.
13 De „Long Term Evolution”-technologie (LTE) verscheen eind 2008. De eerste LTE-chipsets waren uitsluitend compatibel met deze technologie, waardoor zij in de praktijk niet konden worden ingezet omdat netwerken die deze technologie gebruikten maar beperkt werden opgezet. Geleidelijk aan hebben de belangrijkste leveranciers van basebandchipsets chipsets ontwikkeld die zowel de UMTS- als de LTE-technologie ondersteunden, waarvan de eerste in 2011 of 2012 commercieel beschikbaar werden. De UMTS‑ en LTE-technologieën zijn naast elkaar ontwikkeld om de prestaties en interoperabiliteit te verbeteren.
Administratieve procedure
14 Op 30 juni 2009 heeft Icera Inc. bij de Europese Commissie een klacht tegen Qualcomm ingediend, die later is vervangen door een herziene en bijgewerkte versie van 8 april 2010 (hierna: „klacht”), op basis waarvan de Commissie haar onderzoek heeft ingeleid.
15 In 2012 heeft de interveniërende partij, Nvidia Corp., die Icera in mei 2011 had overgenomen, nadere inlichtingen verstrekt, waarbij de klacht werd aangevuld en beschuldigingen over afbraakprijzen werden geuit jegens Qualcomm.
16 Tussen juni 2010 en juli 2015 heeft de Commissie diverse verzoeken om inlichtingen gericht aan Qualcomm, aan Icera of Nvidia, en andere spelers in de sector voor basebandchipsets. In het bijzonder heeft zij Qualcomm ten eerste een verzoek om inlichtingen van 7 juni 2010 gestuurd, vastgesteld overeenkomstig artikel 18, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), ten tweede een verzoek om inlichtingen van 3 november 2011, vastgesteld overeenkomstig artikel 18, lid 3, van die verordening, ten derde een verzoek om inlichtingen van 10 juli 2013, vastgesteld overeenkomstig artikel 18, lid 3, van die verordening, ten vierde een verzoek om inlichtingen van 13 februari 2014, vastgesteld overeenkomstig artikel 18, leden 1 en 2, van die verordening, ten vijfde een verzoek om inlichtingen van 13 oktober 2014, vastgesteld overeenkomstig artikel 18, lid 3, van die verordening, en ten slotte een gevoegd verzoek om inlichtingen van 14 januari 2015, aangezien dat verzoek tevens was opgesteld in zaak AT.40220 – Qualcomm (exclusiviteitsbetalingen). Tegen het eindbesluit in die zaak is beroep ingesteld bij het Gerecht [arrest van 15 juni 2022, Qualcomm/Commissie (Qualcomm – Exclusiviteitsbetalingen), T‑235/18, EU:T:2022:358].
17 Op 16 juli 2015 heeft de Commissie in zaak AT.39711 – Qualcomm (afbraakprijzen) een procedure tegen Qualcomm ingeleid in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18). Deze procedure betrof het vermeende misbruik door Qualcomm van haar machtspositie in de vorm van afbraakprijzen op de markt voor UMTS-chipsets.
18 Op 8 december 2015 heeft de Commissie een aan Qualcomm gerichte mededeling van punten van bezwaar (hierna: „MPB”) in de zin van artikel 27, lid 1, van verordening nr. 1/2003 en artikel 10, lid 1, van verordening nr. 773/2004 vastgesteld.
19 Tussen december 2015 en juli 2016 had Qualcomm toegang tot het dossier.
20 Meer bepaald heeft Qualcomm, bij brief van 18 april 2016, de raadadviseur-auditeur overeenkomstig artikel 3, lid 7, en artikel 7, lid 1, van besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB 2011, L 275, blz. 29) verzocht om nadere toegang tot bepaalde gegevens in het dossier. Na het onderzoek van de raadadviseur-auditeur zijn volledigere versies van het dossier aan Qualcomm verstrekt.
21 Op 15 augustus 2016 heeft Qualcomm haar antwoord op de MPB toegestuurd, waarin de voorlopige conclusies van de Commissie werden weerlegd.
22 Op 10 november 2016 heeft op verzoek van Qualcomm een hoorzitting plaatsgevonden.
23 Na deze hoorzitting heeft de Commissie verdere onderzoeksstappen ondernomen en, tussen 2017 en 2019, verdere verzoeken om inlichtingen gericht aan Qualcomm en andere spelers in de sector voor basebandchipsets.
24 Meer bepaald heeft de Commissie op 30 januari 2017 een verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 1/2003 aan Qualcomm gezonden, waarop Qualcomm niet heeft geantwoord. Op 31 maart 2017 heeft de Commissie bij besluit overeenkomstig artikel 18, lid 3, van voornoemde verordening een verzoek om inlichtingen aan Qualcomm gericht.
25 Op 13 juni 2017 heeft Qualcomm bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 31 maart 2017 ingesteld. Zij heeft tevens een verzoek krachtens de artikelen 278 en 279 VWEU ingediend, dat primair strekte tot opschorting van de tenuitvoerlegging van dat besluit of, subsidiair, tot verkrijging van voorlopige maatregelen ter zake. Bij beschikking van 12 juli 2017, Qualcomm en Qualcomm Europe (T‑371/17 R, niet gepubliceerd, EU:T:2017:485), heeft de president van het Gerecht het verzoek tot opschorting afgewezen en, bij arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie (T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232), heeft het Gerecht het verzoek tot nietigverklaring van dat besluit afgewezen. De hogere voorziening van Qualcomm tot vernietiging van dat arrest is bij arrest van het Hof van 28 januari 2021, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie (C‑466/19 P, EU:C:2021:76), in haar geheel afgewezen.
26 Op 10 november 2017 heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 1/2003, een nieuw verzoek om inlichtingen aan Qualcomm gericht.
27 Op 19 juli 2018 heeft de Commissie een aanvullende mededeling van punten van bezwaar (hierna: „AMBP”) aan Qualcomm gericht, waarin zij stelde dat afbraakprijzen over een kortere duur waren toegepast, en zij een herziene methode had gebruikt om de prijzen en kosten van Qualcomm met betrekking tot de vermeende verkopen tegen afbraakprijzen te vergelijken.
28 Tussen 31 juli en 28 september 2018 heeft Qualcomm toegang gehad tot de documenten die na de goedkeuring van de MPB op 8 december 2015 in het dossier van de Commissie waren opgenomen.
29 Op 22 oktober 2018 heeft Qualcomm een antwoord op de AMPB (hierna: „antwoord op de AMPB”) toegestuurd, waarin de voorlopige conclusies van de Commissie, zoals uiteengezet in de MPB en vervolledigd in de AMPB, werden betwist.
30 Op 10 januari 2019 heeft op verzoek van Qualcomm een tweede hoorzitting plaatsgevonden.
31 Op 5 februari 2019 heeft de Commissie een verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 18, leden 1 en 2, van verordening nr. 1/2003 aan Qualcomm toegezonden.
32 Op 22 februari 2019 heeft de Commissie een brief omtrent de feiten (hierna: „BoF”) aan Qualcomm gericht, die volgens de Commissie bedoeld was om, ten eerste, Qualcomm opheldering te verschaffen over bepaalde in de AMPB uiteengezette elementen, die Qualcomm in het antwoord op de AMPB in twijfel had getrokken, ten tweede, Qualcomm op de hoogte te stellen van reeds bestaande bewijzen die niet uitdrukkelijk waren aangedragen in de MPB en de AMPB, maar die bij nader onderzoek van het dossier relevant hadden kunnen zijn ter ondersteuning van de voorlopige conclusies van de MPB, zoals aangevuld in de AMPB, en ten derde, Qualcomm te informeren over bepaalde gegevens die waren bijgewerkt in de prijs-kostenanalyse in de AMPB. Bij de BoF waren andere documenten gevoegd die nog niet eerder aan Qualcomm waren verstrekt.
33 Op 24 maart en 25 april 2019 heeft Qualcomm haar opmerkingen over de BoF ingediend.
34 Op 18 juli 2019 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld.
Inhoud van het bestreden besluit
Betrokken producten
35 Na de bezwaren van Qualcomm met betrekking tot vermeende procedurele onregelmatigheden in de administratieve procedure te hebben weerlegd, heeft de Commissie een gedetailleerde beschrijving gegeven van de context waarin Qualcomm en haar concurrenten, waaronder Icera, op het gebied van technologie en intellectuele eigendom actief waren. Zij heeft met name aangegeven dat haar onderzoek betrekking had op UMTS-chipsets, namelijk de MDM8200-, MDM6200‑ en MDM8200A-chipsets van Qualcomm, die ten tijde van de vermeende inbreuk concurreerden met de UMTS-chipsets van Icera, namelijk de ICE8040-, ICE8042‑ en ICE8060-chipsets.
36 Volgens de Commissie bestonden al deze producten tussen 1 juli 2009 en 30 juni 2011 (hierna: „relevante periode”) uit opzichzelfstaande basebandchipsets met ondersteuning voor dataverbindingen met downlinksnelheden variërend van 7,2/14,4 Mbps tot 28 Mbps. Meer bepaald was de MDM8200-chipset de eerste opzichzelfstaande basebandchipset van Qualcomm voor MBB-apparaten, met ondersteuning voor HSPA+-technologie en met downlinksnelheden tot 28 Mbps. De chipset kwam voor het eerst op de markt in mei 2009 en bereikte het einde van zijn commerciële levensduur op 30 maart 2011. Vanaf 2010 werd de chipset geleidelijk vervangen door de MDM8200A-chipset, een verbeterde versie van de MDM8200-chipset, die na kleine aanpassingen tevens ondersteuning voor spraakfunctionaliteit bood. Net als de MDM8200‑ en MDM8200A-chips was de MDM6200-chipset hoofdzakelijk ontworpen voor dataverkeerapplicaties. De chipset bood zonder enige aanpassingen ondersteuning voor HSPA+-technologie, met een downlinksnelheid tot 14,4 Mbps, evenals spraakfunctionaliteit. De chipset werd vanaf het tweede kwartaal van 2010 in beperkte hoeveelheden geleverd en vanaf 2011 in grotere hoeveelheden verkocht en bleef minstens tot eind 2017 op de markt.
37 De ICE8040-chipset (of Espresso-300) van Icera was eveneens een opzichzelfstaande basebandchipset, die in oktober 2008 is gelanceerd. De chipset kon aanvankelijk een maximale downlinksnelheid van 10 Mbps ondersteunen, en kon vanwege de kenmerken ervan gemakkelijk worden verbeterd en gemoderniseerd met behulp van software, in het bijzonder om de downlinksnelheid geleidelijk te verhogen tot 21 Mbps. De ICE8042-chipset (of Espresso-302) was een verbeterde variant van de ICE8040-chipset, die in december 2009 op de markt was gebracht met een downlinksnelheid tot 14,4 Mbps, welke in maart 2010 door middel van software-updates was verhoogd tot 21 Mbps. Een gedowngradede versie van deze chip, de Espresso-302‑1, die slechts een maximale downlinksnelheid van 7,2 Mbps kon halen, werd door Icera verkocht aan ZTE. De ICE8060-chipset (of Espresso-400), die in oktober 2010 werd aangekondigd, had een op de software van Icera gebaseerde modemarchitectuur en een downlinksnelheid tot 28 Mbps. Voorts was er een gedowngradede versie van deze chipset beschikbaar, de E‑400‑1, die een maximale downlinksnelheid van 7,2 Mbps haalde.
Relevante markt
38 De Commissie heeft de relevante markt voor de betrokken producten afgebakend als de „handelsmarkt” voor opzichzelfstaande en geïntegreerde basebandchipsets die compatibel zijn met UMTS-technologie (hierna: „markt voor UMTS-chipsets”). Zij is tot deze conclusie gekomen door met name rekening te houden met de mogelijkheid om UMTS-chipsets en chipsets die andere technologieën ondersteunen onderling te vervangen, en met het ontbreken van concurrentiedruk die uitgaat van verticaal geïntegreerde fabrikanten van basebandchipsets. Geografisch gezien is deze markt als wereldomspannend gedefinieerd.
Machtspositie
39 De Commissie heeft op basis van de volgende elementen vastgesteld dat Qualcomm, ten minste tussen 1 januari 2009 en 31 december 2011, een machtspositie op de wereldwijde markt voor UMTS-chipsets had.
40 Ten eerste had Qualcomm in de periode tussen 1 januari 2009 en 31 december 2011 een marktaandeel van ongeveer 60 % op de relevante markt.
41 Ten tweede bestonden er op de relevante markt enkele toetredings‑ en uitbreidingsdrempels, zoals de noodzaak om aanzienlijke initiële investeringen te doen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) om UMTS-chipsets te ontwerpen, alsmede diverse belemmeringen in verband met de intellectuele-eigendomsrechten van Qualcomm, waaronder haar netwerk waarin „grant-back”-voorwaarden golden.
42 Ten derde kon de machtspositie van Qualcomm tijdens de relevante periode niet worden aangetast door het commerciële gewicht van de chipsetklanten van Qualcomm.
Misbruik van machtspositie
43 De Commissie was van mening dat Qualcomm haar machtspositie heeft misbruikt door in de relevante periode bepaalde hoeveelheden van drie van haar UMTS-chipsets, namelijk de MDM8200-, MDM6200‑ en MDM8200A-chipsets, onder de kostprijs te leveren aan twee van haar belangrijkste klanten, namelijk Huawei en ZTE, met de bedoeling Icera – destijds haar grootste concurrent in het leidende segment van de markt voor UMTS-chipsets – uit te schakelen.
44 Volgens de Commissie wilde Qualcomm – door de groei van Icera te beknotten in het leidende segment van de markt voor UMTS-chipsets, dat destijds bijna uitsluitend bestond uit chipsets voor snelle MBB-apparaten – beletten dat Icera, een kleine en financieel beperkte onderneming, de nodige reputatie en schaalgrootte zou opbouwen om haar machtspositie op die markt te bedreigen, met name gezien het verwachte groeipotentieel van dat segment als gevolg van de toenemende wereldwijde verbreiding van zogenaamde „slimme” mobiele apparaten. De Commissie was van mening dat Qualcomm aldus trachtte fabrikanten van originele producten in dit segment een alternatieve bron van chipsets voor hun mobiele telefoons te ontnemen, waardoor de keuze voor de consument werd beperkt.
45 De Commissie heeft de volgende factoren aangeduid als kernelementen van haar conclusies.
46 De prijsstellingspraktijken van Qualcomm hebben plaatsgevonden toen Icera zich op de markt voor UMTS-chipsets prominenter ging manifesteren als betrouwbare leverancier van UMTS-chipsets, wat een toenemende bedreiging vormde voor de activiteiten van Qualcomm. Om ervoor te zorgen dat de activiteiten van Icera niet zodanig zouden groeien dat de positie van Qualcomm op die markt in gevaar zou komen, heeft zij preventieve maatregelen genomen in de vorm van prijsconcessies die gericht waren op twee klanten van strategisch belang, namelijk Huawei en ZTE. Qualcomm was namelijk van mening dat de ontwikkelingsperspectieven van Icera afhankelijk waren van haar vermogen om met deze twee ondernemingen een zakelijke relatie op te bouwen. De preventieve maatregelen van Qualcomm waren gebaseerd op een „multi-chipset”-strategie, die was gericht op haar drie chipsets die met de meest geavanceerde chipsets van Icera concurreerden en met name tot doel had haar marktpositie te beschermen in het breedbandsegment van chipsets voor mobiele telefoons – een segment dat Icera wilde betreden zodra zij vaste voet had gekregen in het segment van chipsets voor gebruik in breedband MBB-apparaten.
47 Volgens de Commissie heeft de analyse van de door Qualcomm aan Huawei en ZTE aangerekende prijzen en de kosten van Qualcomm voor de productie van haar chipsets uitgewezen dat Qualcomm bepaalde hoeveelheden van deze chipsets onder haar gemiddelde marginale kosten op lange termijn (long run average incremental costs; hierna: „LRAIC”) heeft verkocht en, in elk geval, onder haar gemiddelde totale kostprijs (average total costs; hierna: „ATC”), en tevens een beperkte hoeveelheid MDM6200-chipsets onder haar gemiddelde variabele kosten (average variable costs; hierna: „AVC”) heeft verkocht. Het resultaat van de uitgevoerde prijs-kostenanalyse strookte met het bewijsmateriaal bestaande in interne documenten van Qualcomm uit de onderzochte periode waaruit blijkt dat Qualcomm beoogde Icera van de markt uit te sluiten.
– Geen rechtvaardiging
48 De Commissie was van mening dat Qualcomm voor haar gedrag geen geldige objectieve rechtvaardiging had verstrekt of een doeltreffend verweer had gevoerd.
– Eén enkele en voortdurende inbreuk
49 De Commissie is tot de conclusie gekomen dat de verkopen van Qualcomm aan Huawei en ZTE tegen afbraakprijzen samen één enkele en voortdurende inbreuk vormden die zich over de gehele relevante periode uitstrekte.
– Bevoegdheid van Commissie
50 Volgens de Commissie is zij bevoegd om artikel 102 VWEU en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”) toe te passen op de door Qualcomm gepleegde inbreuk, aangezien deze is uitgevoerd en wezenlijke, onmiddellijke en voorzienbare gevolgen kan hebben in de Europese Economische Ruimte (EER) en merkbare gevolgen heeft gehad voor het handelsverkeer tussen de lidstaten en tussen de partijen bij de EER-Overeenkomst.
– Sanctie
51 Hoewel de inbreuk van Qualcomm was beëindigd op het tijdstip dat het bestreden besluit werd vastgesteld, heeft de Commissie Qualcomm niettemin verplicht zich te onthouden van een herhaling van de in dat besluit beschreven gedragingen, alsmede van elke handeling of gedraging met dezelfde of gelijkwaardige doelstellingen of gevolgen als die gedragingen.
52 De geldboete die wegens de inbreuk aan Qualcomm is opgelegd, is door de Commissie berekend aan de hand van de beginselen in haar richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, punt a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210/2, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”) en bedraagt 242042000 EUR.
Procedure en conclusies van partijen
Procedure
53 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 oktober 2019, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
54 Op respectievelijk 4 februari en 24 maart 2020 heeft de Commissie verzocht om verlenging van de termijn voor indiening van het verweerschrift, gezien de lengte van het verzoekschrift en het aantal bijgevoegde documenten. Deze verzoeken zijn ingewilligd.
55 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 maart 2020, heeft Nvidia verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie. Het verzoek tot interventie is overeenkomstig artikel 144, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht aan de hoofdpartijen betekend. De hoofdpartijen hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt.
56 Op 11 juni 2020 heeft de Commissie haar verweerschrift ter griffie van het Gerecht neergelegd.
57 Op 6 juli 2020 heeft verzoekster verzocht om verlenging van de termijn voor indiening van de repliek, gezien de lengte van het verweerschrift en het aantal bijgevoegde documenten. Dit verzoek is ingewilligd.
58 Op 5 oktober 2020 heeft verzoekster haar repliek ter griffie van het Gerecht neergelegd.
59 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 oktober 2020, hebben verzoekster en de Commissie, na verschillende verlengingen van de termijn te hebben verkregen, overeenkomstig artikel 144, leden 2 en 7, van het Reglement voor de procesvoering verzocht om bepaalde gegevens in het verzoekschrift en in bepaalde bijlagen daarbij vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van Nvidia. Deze partijen hebben een gezamenlijke niet-vertrouwelijke versie van deze documenten overgelegd.
60 Op 23 oktober 2020 heeft de Commissie verzocht om verlenging van de termijn voor indiening van de dupliek, gezien de lengte van de repliek en het aantal bijgevoegde documenten. Dit verzoek is ingewilligd.
61 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 november 2020, heeft de Commissie verzocht om bepaalde gegevens in het verweerschrift vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van Nvidia. Op dezelfde datum heeft de Commissie in overleg met verzoekster een gezamenlijke niet-vertrouwelijke versie van het verweerschrift en de bijlagen daarbij overgelegd.
62 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 november 2020, heeft verzoekster verzocht om bepaalde gegevens in het verweerschrift en de bijlagen daarbij, alsmede in de processtukken die in de periode van 30 juni tot en met 5 oktober 2020 aan de griffie zijn overgelegd, vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van Nvidia.
63 Bij beschikking van 25 november 2020, Qualcomm/Commissie (T‑671/19, niet gepubliceerd), heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht Nvidia toegelaten tot interventie en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.
64 Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 december 2020 en 18 januari 2021, heeft Nvidia bezwaar gemaakt tegen de verzoeken om vertrouwelijke behandeling van het verzoekschrift, het verweerschrift en bepaalde bijlagen.
65 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 december 2020, heeft de Commissie verzocht om bepaalde gegevens in de repliek en in bijlage C.8 daarbij vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van Nvidia.
66 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 december 2020, heeft verzoekster verzocht om bepaalde gegevens in de repliek en de bijlagen daarbij, alsmede in de processtukken die in de periode van 5 oktober tot en met 9 december 2020 aan de griffie zijn overgelegd, vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van Nvidia. Op dezelfde datum hebben de hoofdpartijen een gezamenlijke niet-vertrouwelijke versie van de repliek en de bijlagen daarbij overgelegd.
67 Op 21 januari 2021 heeft de Commissie haar dupliek ingediend ter griffie van het Gerecht.
68 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 februari 2021, heeft de Commissie, na een verlenging van de termijn te hebben verkregen, verzocht om bepaalde gegevens in de dupliek vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van Nvidia. Op dezelfde datum heeft de Commissie in overleg met verzoekster een gezamenlijke niet-vertrouwelijke versie van de dupliek en de bijlage daarbij overgelegd.
69 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 februari 2021, heeft verzoekster, na een verlenging van de termijn te hebben verkregen, verzocht om andere gegevens in de dupliek en de bijlage daarbij, alsmede in processtukken die in de periode van 18 december 2020 tot en met 10 februari 2021 aan de griffie zijn overgelegd, vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van Nvidia.
70 Bij beschikking van 22 juli 2021, Qualcomm/Commissie (T‑671/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:502), heeft de president van de Vijfde kamer de verzoeken om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens in het verzoekschrift, in de bijlagen A.1 en A.29 daarbij en in het verweerschrift ingewilligd en de soortgelijke verzoeken met betrekking tot de andere processtukken afgewezen. Dientengevolge werd verzoekster en de Commissie een termijn gesteld om nieuwe niet-vertrouwelijke versies van bepaalde documenten in het dossier te verstrekken. Op 16 en 17 september 2021 hebben de hoofdpartijen, na een verlenging van de termijn te hebben verkregen, een gezamenlijke niet-vertrouwelijke versie van deze documenten overgelegd.
71 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 oktober 2021, heeft Nvidia een memorie in interventie ingediend.
72 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 november 2021, heeft de Commissie aangegeven dat zij geen opmerkingen had over de memorie in interventie.
73 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 november 2021, heeft verzoekster opmerkingen over de memorie in interventie ingediend.
74 Op 29 november 2021 is de schriftelijke behandeling gesloten.
75 Op 8 februari 2022 heeft verzoekster verzocht om tijdens een pleitzitting te worden gehoord.
76 Op voorstel van de Vijfde kamer heeft het Gerecht, ingevolge artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering, beslist de zaak naar de Vijfde kamer (uitgebreid) te verwijzen.
77 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht ingevolge artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering, is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Eerste kamer (uitgebreid), aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.
78 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten de mondelinge behandeling te openen.
79 Op 2 december 2022 heeft het Gerecht, in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang, de hoofdpartijen verzocht om een aantal vragen te beantwoorden. Verzoekster heeft op 16 december 2022 op deze vragen geantwoord. Na een verlenging van de termijn voor het indienen van haar antwoorden te hebben verkregen, heeft de Commissie op 16 januari 2023 op deze vragen geantwoord.
80 Op verzoek van de hoofdpartijen is de termijn voor het indienen van verzoeken om vertrouwelijke behandeling van hun antwoorden op de vragen van het Gerecht verlengd. Deze termijn is laatstelijk vastgesteld op 31 januari 2023, op welke datum de gezamenlijke niet-vertrouwelijke versies van deze antwoorden zijn ingediend.
81 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 16 februari 2023, heeft Nvidia, na een verlenging van de termijn te hebben verkregen, bezwaar gemaakt tegen deze verzoeken om vertrouwelijke behandeling van de antwoorden van de hoofdpartijen op de door het Gerecht gestelde vragen.
82 Aan partijen is een rapport ter terechtzitting verstrekt, en verzoekster en de Commissie hebben respectievelijk op 27 januari 2023 en 16 februari 2023 opmerkingen over dit document ingediend. Het Gerecht heeft nota genomen van deze opmerkingen.
83 Bij beschikking van 8 maart 2023, Qualcomm/Commissie (T‑671/19, niet gepubliceerd, EU:T:2023:125), heeft de president van de Eerste kamer (uitgebreid) bepaalde verzoeken om vertrouwelijke behandeling van gegevens in de antwoorden van de hoofdpartijen op de door het Gerecht gestelde vragen ingewilligd en andere verzoeken afgewezen. Dientengevolge is voor verzoekster en de Commissie een termijn vastgesteld om nieuwe niet-vertrouwelijke versies van die antwoorden in te dienen. Op 10 maart 2023 hebben de hoofdpartijen een gezamenlijke niet-vertrouwelijke versie van deze documenten ingediend.
84 Omdat een lid van de Eerste kamer (uitgebreid) was verhinderd om zitting te nemen, heeft de president van deze kamer ter aanvulling ervan een andere rechter aangewezen.
85 De mondelinge behandeling is aan het einde van de terechtzitting van 15 maart 2023 gesloten. Aangezien een lid van de kamer na het verstrijken van diens mandaat op 27 september 2023 verhinderd was om aan de beraadslagingen deel te nemen, zijn de beraadslagingen van het Gerecht overeenkomstig artikel 22 en artikel 24, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering voortgezet door de drie rechters die het onderhavige arrest hebben ondertekend.
Conclusies van partijen
86 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – „het boetebedrag nietig te verklaren of, subsidiair, aanzienlijk te verlagen”; – maatregelen tot organisatie van de procesgang of maatregelen van instructie te treffen waarbij de Commissie wordt gelast te bevestigen dat de weglakkingen in bepaalde documenten in het dossier zijn gebaseerd op deugdelijke aanspraken op eerbiediging van het beroepsgeheim en Qualcomm hiervan op de hoogte te stellen of deze documenten op te vragen teneinde de geldigheid van de aanspraken van interveniënte te onderzoeken; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
87 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – Qualcomm te verwijzen in de kosten.
88 Nvidia verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – Qualcomm te verwijzen in de kosten.
In rechte
89 In de eerste plaats, en zoals in de punten 59, 61 en 62 is uiteengezet, hebben hoofdpartijen verzocht om bepaalde gegevens in hun schriftelijke opmerkingen en andere processtukken weg te laten ten aanzien van Nvidia, en dus ten aanzien van het publiek. Nvidia heeft bezwaar gemaakt tegen de verzoeken om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens. Bij beschikkingen van 22 juli 2021, Qualcomm/Commissie (T‑671/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:502), en 8 maart 2023, Qualcomm/Commissie (T‑671/19, niet gepubliceerd, EU:T:2023:125), hebben de presidenten van respectievelijk de Vijfde kamer en de Eerste kamer (uitgebreid) sommige verzoeken om vertrouwelijke behandeling ingewilligd en andere afgewezen.
90 Wanneer een partij een verzoek krachtens artikel 144, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering indient, staat het in beginsel aan de president om uitsluitend uitspraak te doen over de stukken en gegevens waarvan het vertrouwelijke karakter wordt betwist (zie in die zin en naar analogie beschikking van 26 januari 2018, FV/Raad, T‑750/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:59, punt 14 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91 Het Gerecht kan echter, ook al wordt het vertrouwelijke karakter niet betwist, niet worden belet om verzoeken om vertrouwelijke behandeling af te wijzen voor zover zij betrekking hebben op informatie die blijkens de gegevens van het dossier kennelijk openbaar is of waarvan het vertrouwelijke karakter door de bekendmaking van andere gegevens van het dossier kennelijk achterhaald is (beschikking van 15 september 2016, Deutsche Telekom/Commissie, T‑827/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:545, punt 46). In bepaalde omstandigheden kan het Gerecht dus beslissen om uitspraak te doen over de onbetwiste aspecten van een verzoek om vertrouwelijke behandeling (zie in die zin de beschikking van 11 april 2019, Google en Alphabet/Commissie, T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:250, punt 16).
92 Bovendien zij eraan herinnerd dat, volgens de vaste rechtspraak, informatie die vertrouwelijk is geweest maar minstens vijf jaar oud is, om die reden niet langer als actueel moet worden beschouwd en aan de andere partijen moet worden meegedeeld, tenzij de partij die om het behoud van de vertrouwelijkheid verzoekt, bij wijze van uitzondering aantoont dat deze informatie ondanks de ouderdom ervan nog steeds essentiële geheime informatie vormt van met name industriële of commerciële aard, waarvan de openbaarmaking haar of de betrokken derde zou schaden (zie beschikking van 11 april 2019, Google en Alphabet/Commissie, T‑612/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:250, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93 In dat opzicht moet het Gerecht in het kader van de toepassing van artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering het beginsel van openbaarheid van rechterlijke beslissingen verzoenen met het recht op bescherming van persoonsgegevens en met het recht op bescherming van het beroepsgeheim, en er daarbij tevens rekening mee houden dat het publiek overeenkomstig de in artikel 15 VWEU neergelegde beginselen recht heeft op toegang tot rechterlijke beslissingen (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 oktober 2020, Broughton/Eurojust, T‑87/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:464, punt 49).
94 In casu heeft het Gerecht beslist om bepaalde gegevens waarnaar in de verzoeken van de hoofdpartijen wordt verwezen en waarvan Nvidia de vertrouwelijkheid niet heeft betwist, niet weg te laten in de niet-vertrouwelijke versie van het arrest. Sommige van deze gegevens kunnen namelijk worden afgeleid uit de inhoud van andere delen van dit arrest en behoren derhalve tot het openbare domein. Sommige gegevens zijn historische gegevens waarvoor meer dan tien jaar later geen passende reden meer bestaat om ze vertrouwelijk te blijven behandelen. Tot slot verschaffen bepaalde andere gegevens feitelijke verduidelijkingen met betrekking tot de gedragingen die het onderwerp waren van het onderzoek van de Commissie. Het weglaten van deze informatie zou afdoen aan het begrip bij het publiek van het arrest van het Gerecht (zie in die zin arrest van 2 februari 2022, Scania e.a./Commissie, T‑799/17, EU:T:2022:48, punt 82).
95 Ter ondersteuning van haar verzoek tot nietigverklaring voert verzoekster vijftien middelen aan: – eerste middel: procedurele onregelmatigheden; – tweede middel: „kennelijke beoordelingsfouten” feitelijk en rechtens, en niet-nakoming van motiveringsplicht met betrekking tot de bepaling van de relevante markt en tot haar machtspositie gedurende de relevante periode; – derde middel: „onjuiste toepassing van het recht doordat de juiste rechtsnorm niet is toegepast”; – vierde middel: „onlogische en niet met bewijzen gestaafde ‚theorie over roofgedrag’”; – vijfde middel: „kennelijke beoordelingsfouten” en niet-nakoming van de motiveringsplicht met betrekking tot de reconstructie van de zogenoemd „daadwerkelijk betaalde” prijzen; – zesde middel: „onjuiste allocatie van eenmalige ingenieurskosten”; – zevende middel: „ontbreken van een gepaste kostenstandaard”; – achtste middel: „kennelijk onjuiste prijs-kostenanalyse”; – negende middel: „kennelijke beoordelingsfouten” en kennelijk onjuiste toepassingen van het recht met betrekking tot de conclusie dat de door haar aangerekende prijzen hebben geleid tot uitsluiting van Icera en tot benadeling van de consument; – tiende middel: „kennelijke beoordelingsfouten” feitelijk en rechtens, ontoereikende motivering en schending van het recht om te worden gehoord en van het beginsel van behoorlijk bestuur, doordat de Commissie heeft geconcludeerd dat met het prijsbeleid van Qualcomm uitvoering werd gegeven aan een plan om Icera uit te sluiten; – elfde middel: „kennelijke beoordelingsfouten” feitelijk en rechtens, en ontoereikende motivering van de afwijzing door de Commissie van de door Qualcomm aangevoerde objectieve rechtvaardiging; – twaalfde middel: ontoereikende motivering van het bestreden besluit; – dertiende middel: „kennelijke beoordelingsfouten”, ontbrekende grondslag en ontoereikende motivering van het bestreden besluit wat de duur van de inbreuk betreft; – veertiende middel: „kennelijke fouten” in het bestreden besluit bij het opleggen en berekenen van de boete; – vijftiende middel: „kennelijke beoordelingsfouten” feitelijk en rechtens, en ontoereikende motivering van het bestreden besluit, voor zover daarin de bevoegdheid van de Commissie en de invloed op het handelsverkeer zijn vastgesteld.
96 Deze middelen zullen hierna worden onderzocht in de volgorde waarin zij door verzoekster zijn aangevoerd, met uitzondering van het derde, het vierde en het achtste middel, die zijn gebaseerd op of een beknopte weergave vormen van bepaalde argumenten die met name in het kader van het zesde, het zevende en het negende tot en met het elfde middel zijn aangevoerd, en die bijgevolg na het elfde middel zullen worden behandeld.
Eerste middel: procedurele onregelmatigheden
97 Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel is ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur doordat de Commissie heeft nagelaten een grondig, objectief en zorgvuldig onderzoek te verrichten. Het tweede onderdeel is ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van het beginsel van processuele gelijkheid doordat de Commissie heeft nagelaten verzoekster inzage te geven in bewijsmateriaal dat relevant was voor haar verdediging.
Eerste onderdeel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur
98 Het eerste onderdeel valt uiteen in drie grieven. De eerste grief is ontleend aan de buitensporig lange duur van het onderzoek. De tweede grief is eraan ontleend dat het dossier niet volledig en nauwkeurig genoeg was. De derde grief is eraan ontleend dat het onderzoek partijdig was.
– Voorafgaande opmerkingen
99 In artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) is het recht op behoorlijk bestuur neergelegd en is bepaald dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen en organen van de Europese Unie worden behandeld. In de toelichtingen bij het Handvest, die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007 (PB 2007, C 303, blz. 17), wordt verduidelijkt dat artikel 41 van het Handvest is gebaseerd op het bestaan van de Unie als een rechtsgemeenschap waarvan de kenmerken zijn ontwikkeld door de jurisprudentie die behoorlijk bestuur heeft erkend als algemeen rechtsbeginsel [arrest van 13 december 2018, Transavia Airlines/Commissie, T‑591/15, EU:T:2018:946, punt 37 (niet gepubliceerd)].
100 Volgens de rechtspraak inzake het beginsel van behoorlijk bestuur is het, wanneer – zoals in casu – de instellingen van de Unie over een beoordelingsmarge beschikken, van des te fundamenteler belang dat de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen in acht worden genomen. Tot die waarborgen behoort met name de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het concrete geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken [arresten van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, EU:C:1991:438, punt 14, en 13 december 2018, Transavia Airlines/Commissie, T‑591/15, EU:T:2018:946, punt 38 (niet gepubliceerd), en beschikking van 17 januari 2022, Car-Master 2/Commissie, T‑743/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:33, punt 66].
– Eerste grief: buitensporig lange duur van het onderzoek
101 Verzoekster stelt dat de duur van het onderzoek, tien jaar, buitensporig lang is en met name wijst op een gebrek aan zorgvuldigheid van de Commissie.
102 Volgens verzoekster heeft zij zich door de lange duur van het onderzoek niet naar behoren kunnen verdedigen. Zij wijst met name op wijzigingen in de samenstelling van het met het onderzoek belaste team van de Commissie, een verzoek om inlichtingen dat acht jaar na de indiening van de klacht is verzonden, verzoeken om verduidelijkingen met betrekking tot documenten die al jaren in het bezit van de Commissie waren en een wijziging van de omvang van het onderzoek in een vergevorderd stadium ervan. Zij benadrukt ook dat de herinneringen aan de feiten door het verstrijken van de tijd zijn vervaagd, zowel van haar kant als bij Huawei en ZTE, die daardoor niet in staat zouden zijn geweest te antwoorden op sommige van de soms cruciale verzoeken van de Commissie. Ten slotte betwist zij dat de ingewikkeldheid van de zaak een reden heeft kunnen zijn voor deze lange duur en voegt zij eraan toe dat zij altijd volledige medewerking aan de Commissie heeft verleend.
103 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
104 Uit vaste rechtspraak volgt dat de inachtneming van een redelijke termijn tijdens administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid een algemeen beginsel van Unierecht vormt, waarvan de rechters van de Unie de eerbiediging verzekeren (zie arrest van 19 december 2012, Heineken Nederland en Heineken/Commissie, C‑452/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:829, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105 Of de duur van elke fase van de procedure redelijk is, moet worden beoordeeld aan de hand van de specifieke elementen van de zaak, met name de context van de zaak, het gedrag van partijen tijdens de procedure, het belang van de zaak voor de verschillende betrokken ondernemingen en de ingewikkeldheid ervan (arrest van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, EU:T:1999:80, punt 126).
106 Op het gebied van het mededingingsbeleid kan de administratieve procedure bij de Commissie bovendien aanleiding geven tot onderzoek van twee achtereenvolgende perioden, die elk een eigen innerlijke logica hebben. De eerste periode, die duurt tot de mededeling van de punten van bezwaar, begint op de datum waarop de Commissie krachtens de haar door de Uniewetgever verleende bevoegdheden maatregelen neemt die impliceren dat een inbreuk ten laste wordt gelegd, en moet de Commissie in staat stellen haar standpunt te bepalen over de richting die de procedure zal nemen. De tweede periode loopt van de mededeling van de punten van bezwaar tot de vaststelling van het eindbesluit. Zij moet de Commissie in staat stellen zich definitief uit te spreken over de verweten inbreuk (arrest van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punt 38).
107 Overigens kan een dergelijke schending leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit wanneer de schending van het beginsel van de redelijke termijn de uitkomst van de procedure mogelijk heeft beïnvloed (zie in die zin arrest van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, EU:C:2006:593, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
108 Evenwel moet worden gepreciseerd dat overschrijding van de redelijke termijn bij de toepassing van de mededingingsregels enkel een reden voor nietigverklaring kan zijn in geval van besluiten houdende vaststelling van een inbreuk wanneer is aangetoond dat door de schending van het beginsel van de redelijke termijn inbreuk is gemaakt op de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen. Buiten dit specifieke geval heeft de niet-nakoming van de verplichting om binnen een redelijke termijn te beslissen geen gevolgen voor de geldigheid van de administratieve procedure op grond van verordening nr. 1/2003 (zie in die zin arrest van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punten 42 en 43).
109 In casu moet worden opgemerkt dat er meer dan zes jaar is verstreken tussen de indiening van de klacht en de verzending van de MPB. Zoals in punt 15 is opgemerkt, heeft de klaagster echter pas medio 2012, dus drie jaar na de indiening van de klacht, de eerste beschuldigingen van afbraakprijzen geuit en kon de Commissie pas op dat moment haar onderzoek naar de verweten gedragingen starten. Hieruit volgt dat de eerste fase van de administratieve procedure meer dan zes jaar heeft geduurd sinds de indiening van de klacht, maar slechts iets meer dan drie jaar sinds de eerste beschuldigingen van de klaagster over afbraakprijzen.
110 De tweede fase van de administratieve procedure, die zich uitstrekt van de ontvangst van de MPB tot de vaststelling van het bestreden besluit op 18 juli 2019, heeft ongeveer drieënhalf jaar geduurd.
111 Over het geheel vanaf het moment van de eerste beschuldigingen over afbraakprijzen genomen is de duur van het onderzoek, namelijk ongeveer zeven jaar, evenwel niet buitensporig gezien de specifieke omstandigheden van de zaak en met name de ingewikkeldheid ervan.
112 Zoals het Gerecht heeft opgemerkt in zijn uitspraak op het beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 31 maart 2017, moesten voor de in casu verweten praktijk complexe analysen worden verricht van talrijke gegevens – waarvan het merendeel alleen voor verzoekster toegankelijk was – teneinde de prijzen-kostenstructuur te reconstrueren om vast te stellen of er al dan niet sprake was van afbraakprijzen. Bovendien bleek een dergelijke oefening des te ingewikkelder omdat het samengestelde producten betrof (arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232, punt 125).
113 Ten eerste heeft verzoekster, zoals blijkt uit het verzoekschrift, meer dan 31000 documenten aan de Commissie overgelegd in antwoord op acht verzoeken om inlichtingen, die soms werden gevolgd door latere verzoeken om verduidelijking. De Commissie heeft ook talrijke bijeenkomsten en telefoongesprekken met verzoekster, klaagster en derden georganiseerd. Bovendien blijkt uit punt 3 van het bestreden besluit, waarin de verschillende fasen van de administratieve procedure worden uiteengezet, dat de Commissie tijdens het onderzoek nooit heeft stilgezeten. Ten slotte moet ook rekening worden gehouden met het feit dat in het kader van het besluit een complexe en gedetailleerde analyse van de verweten gedraging is verricht en dat de Commissie heeft gepoogd te antwoorden op de talrijke argumenten die verzoekster in de loop van de procedure heeft aangevoerd, met eerbiediging van verzoeksters rechten van verdediging.
114 Ten tweede is het gedrag van partijen tijdens de administratieve procedure van invloed geweest op de duur van de procedure. In dit verband moet worden opgemerkt dat klaagster pas drie jaar na het indienen van de klacht voor het eerst beschuldigingen over afbraakprijzen naar voren heeft gebracht. Zelf heeft verzoekster eerst negen keer een beroep gedaan op de raadadviseur-auditeur om kwesties in verband met de toegang tot het dossier op te lossen en vervolgens verzocht om verschillende verlengingen van de termijn, om uitstel van een hoorzitting en om een bijkomende hoorzitting. Ten slotte moet verzoekster wel hebben geweten dat het onderzoek noodzakelijkerwijs vertraging zou oplopen door het instellen van een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 31 maart 2017 en vervolgens van een hogere voorziening tegen het arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie (T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232), waarbij dat beroep is verworpen.
115 Aangezien het onderzoek dus niet buitensporig lang heeft geduurd, moet deze grief ongegrond worden verklaard.
116 Maar zelfs al werd aangenomen dat het onderzoek buitensporig lang heeft geduurd, verzoekster heeft niet aangetoond hoe dit een negatieve invloed zou kunnen hebben gehad op haar verweermogelijkheden.
117 Ten eerste legt verzoekster op geen enkele wijze uit hoe eenvoudige wijzigingen binnen de Commissie in het personeel dat op alle hiërarchische niveaus belast was met het onderzoek, afbreuk zouden hebben kunnen gedaan aan de striktheid, nauwkeurigheid, stabiliteit en omvang van het onderzoek of aan haar rechten van verdediging.
118 Ten tweede volstaat het, wat betreft het in december 2013 overgelegde document ten aanzien waarvan de Commissie pas in januari 2017 om verduidelijkingen heeft verzocht, eraan te herinneren dat, zoals het Gerecht heeft geoordeeld, rekening moet worden gehouden met de algemene voorzorgplicht die op elke onderneming of ondernemersvereniging rust en op grond waarvan zij gehouden zijn ervoor te zorgen dat de gegevens aan de hand waarvan hun activiteiten kunnen worden nagegaan goed bewaard blijven in hun boeken en archieven, zodat zij met name kunnen beschikken over de noodzakelijke bewijzen in het geval van gerechtelijke of administratieve procedures. Aangezien de Commissie al sinds 7 juni 2010 verzoeken om inlichtingen op grond van artikel 18, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 aan verzoekster had gericht, had het verzoekster dus, ten minste vanaf die datum, betaamd om zorgvuldiger te handelen en alle passende maatregelen te nemen ter bescherming van het bewijsmateriaal waarover zij redelijkerwijs kon beschikken (zie in die zin arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie, T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
119 Ten derde heeft de Commissie uitgelegd dat het onderzoek in de loop van de administratieve procedure inderdaad was veranderd, maar dat dit nodig was om rekening te houden met de opmerkingen en argumenten van verzoekster, met name in antwoord op de MPB en de AMPB, waaruit – anders dan wat verzoekster beweert – alleen maar blijkt dat de Commissie haar rechten van verdediging ten volle heeft geëerbiedigd.
120 Ten vierde verduidelijkt verzoekster niet hoe het feit dat Huawei en ZTE bepaalde door de Commissie gevraagde toelichtingen met betrekking tot betalingen van eenmalige ingenieurskosten (non-recurring engineering expenses; hierna: „NRE-betalingen”) niet hebben kunnen verstrekken, verband hield met het verstrijken van de tijd. In elk geval moet worden opgemerkt dat de Commissie heeft onderzocht of verzoekster, door dergelijke betalingen aan Huawei en ZTE toe te kennen, de bedoeling had om die twee klanten kortingen te geven, zodat het gaat om een subjectief element dat dus geen verband houdt met die twee ondernemingen, die bijgevolg geen significant ontlastend bewijsmateriaal ten gunste van verzoekster hadden kunnen aandragen. Dit wordt bovendien bevestigd door het feit dat, zoals blijkt uit het onderzoek van het zesde middel, de Commissie dit element heeft bewezen door zich te baseren op een geheel van andere overeenstemmende bewijzen dan de verklaringen van deze twee ondernemingen.
121 In het licht van de voorgaande overwegingen kan de onderhavige grief, zelfs indien deze gegrond wordt geacht, in casu niet leiden tot de vaststelling dat verzoeksters rechten van verdediging zodanig zijn geschonden dat het bestreden besluit nietig moet worden verklaard.
– Tweede grief: het dossier is niet volledig en nauwkeurig genoeg
122 Verzoekster betoogt dat de Commissie er niet in is geslaagd een volledig en nauwkeurig dossier samen te stellen omdat zij bepaalde mogelijkerwijs ontlastende inlichtingen niet heeft verzameld. Volgens haar blijft de Commissie daarmee in gebreke, hetgeen tot uiting komt in de volgende drie voorbeelden. Ten eerste heeft de Commissie Huawei en ZTE geen vragen gesteld over een werknemer van Qualcomm, ondanks het grote aantal documenten dat door deze werknemer is opgesteld en waarop zij zich heeft gebaseerd. Ten tweede waren Huawei en ZTE niet in staat een zinvol antwoord te geven op een verzoek om inlichtingen over de NRE-betalingen, die evenwel essentieel waren. Ten derde betoogt verzoekster dat de Commissie haar toegang heeft verleend tot bepaalde documenten waarin veel informatie was weggelaten, zonder na te gaan of de redenen voor geheimhouding die waren aangevoerd door klaagster die deze documenten had ingediend, al dan niet gegrond waren, hoewel deze documenten mogelijkerwijs ontlastende gegevens konden bevatten.
123 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
124 Volgens vaste rechtspraak is het in beginsel aan de Commissie om te beoordelen of een inlichting noodzakelijk is in het kader van een onderzoek naar een inbreuk op de mededingingsregels (zie arrest van 15 juli 2015, GEA Group/Commissie, T‑45/10, niet gepubliceerd, EU:T:2015:507, punt 311 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voor zover verzoekster de Commissie in het kader van dit onderdeel verwijt geen poging te hebben gedaan om waarschijnlijk ontlastende inlichtingen te verkrijgen en zich daarmee tevens beroept op de eerbiediging van de rechten van de verdediging, vereist die eerbiediging bovendien niet dat de Commissie nader onderzoek instelt wanneer zij de feitelijke omstandigheden van de zaak voldoende opgehelderd acht (arresten van 16 mei 1984, Eisen und Metall/Commissie, 9/83, EU:C:1984:177, punt 32, en 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie, T‑141/94, EU:T:1999:48, punt 110).
125 Daarenboven volgt, wat betreft het bestaan van mogelijkerwijs ontlastende documenten die de Commissie niet heeft gepoogd te verkrijgen, uit de rechtspraak dat de betrokken onderneming moet aantonen dat zij die documenten voor haar verweer had kunnen gebruiken doordat zij, indien zij zich tijdens de administratieve procedure daarop had kunnen beroepen, elementen had kunnen aanvoeren die niet overeenstemden met de deducties die de Commissie in dat stadium had verricht en dus op enigerlei wijze het oordeel van de Commissie in haar besluit had kunnen beïnvloeden (zie in die zin arresten van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C‑407/08 P, EU:C:2010:389, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 97).
126 Bijgevolg moet de betrokken onderneming aantonen dat zij geen toegang heeft gehad tot bepaalde ontlastende bewijzen, en voorts dat zij deze voor haar verweer had kunnen gebruiken (arresten van 1 juli 2010, Knauf Gips/Commissie, C‑407/08 P, EU:C:2010:389, punt 24, en 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 98).
127 In casu legt verzoekster niet uit waarom de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat de zaak voldoende was onderzocht en hoe de mogelijkerwijs ontlastende inlichtingen die niet door de Commissie zijn verzameld – waaronder de drie voorbeelden die zij noemt – hadden kunnen worden gebruikt voor haar verweer doordat zij, indien zij zich daarop tijdens de administratieve procedure had kunnen beroepen, op enigerlei wijze het oordeel van de Commissie in het bestreden besluit had kunnen beïnvloeden. Hoe dan ook is de Commissie, zoals blijkt uit de in punt 124 aangehaalde rechtspraak, niet gehouden het onderzoek voort te zetten om alle mogelijkerwijs ontlastende bewijzen te verzamelen wanneer zij meent dat de zaak voldoende is onderzocht.
128 Met name met betrekking tot haar werknemer die de auteur is van talrijke documenten waarop de Commissie zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd, zet verzoekster op geen enkele wijze uiteen hoe de antwoorden op eventuele vragen die de Commissie over die werknemer aan derden heeft gesteld van enig belang konden zijn voor het onderzoek van het dossier of op enigerlei wijze voor haar verweer hadden kunnen worden gebruikt, dan wel het oordeel van de Commissie hadden kunnen beïnvloeden. Hoewel de Commissie zich op een aantal van deze documenten heeft gebaseerd, voornamelijk om aan te tonen dat er een plan bestond om Icera uit te schakelen, heeft zij zich ook gebaseerd op andere doorslaggevende bewijzen, die zij toereikend achtte. Tot slot legt verzoekster niet uit hoe een derde beter dan zij in staat kon zijn geweest om bewijzen aan te voeren die de rol van die werknemer of de interpretatie van de betrokken documenten door de Commissie weerleggen.
129 Zelfs indien Huawei en ZTE niet in staat waren geweest om op een zinvolle manier te antwoorden op een verzoek om inlichtingen met betrekking tot de NRE-betalingen, die evenwel essentieel waren, moet evenzo worden opgemerkt dat de Commissie die antwoorden niet nodig had, aangezien zij zich in dat opzicht heeft gebaseerd op een geheel van overeenstemmende bewijzen, zoals blijkt uit het onderzoek van het zesde middel. De Commissie kon dus, zonder een kennelijke fout te maken, oordelen dat de zaak voldoende was onderzocht.
130 Wat ten slotte haar toegang betreft tot documenten waarin tal van gegevens waren weggelaten en die mogelijkerwijs ontlastende bewijzen hadden kunnen bevatten, betwist verzoekster niet dat deze gegevens volgens klaagster, die deze heeft verstrekt, onder het beroepsgeheim vielen en dat de Commissie zelf niet in het bezit was van volledige versies. In elk geval kon de Commissie redelijkerwijs oordelen dat zij over voldoende andere elementen beschikte om het onderzoek uit te voeren, zonder klaagster te hoeven vragen naar versies van de door haar ingediende documenten waarin minder gegevens waren wegelaten.
131 Om deze redenen moet het verzoek van verzoekster om de Commissie te gelasten dat zij bevestigt of de talrijke weglatingen in de documenten ID 1112‑00146, 1112‑00148, 1112‑00150, 1112‑00151, 1112‑00154, 1112‑00185, 1112‑00218, 1112‑00196, 1112‑00229 en 1294 zijn gebaseerd op deugdelijke aanspraken inzake het beroepsgeheim en verzoekster hiervan op de hoogte stelt dan wel dat zij deze presentaties opvraagt teneinde te onderzoeken of de aanspraken van Nvidia geldig zijn, eveneens worden afgewezen.
132 Op grond van voorgaande overwegingen moet deze grief worden afgewezen.
– Derde grief: partijdig onderzoek
133 Verzoekster is van mening dat het bestreden besluit het resultaat is van een partijdig onderzoek, waardoor het beginsel van behoorlijk bestuur en, subsidiair, het beginsel van het vermoeden van onschuld, het beginsel in dubio pro reo en de beginselen van rechtszekerheid en equality of arms zijn geschonden en afbreuk is gedaan aan haar rechten van verdediging.
134 Ter ondersteuning van de onderhavige grief voert rekwirante drie argumenten aan.
135 In de eerste plaats heeft de Commissie de argumenten en bewijzen die verzoekster in haar antwoord op de MPB en tijdens de hoorzitting heeft aangevoerd, niet volkomen onpartijdig onderzocht. Integendeel, zij heeft eindeloos „naar informatie gehengeld” door talloze verzoeken om inlichtingen te verzenden, waardoor enorme hoeveelheden aan gegevens zijn verzameld. Bovendien bevat het bestreden besluit aanzienlijke verschillen en nieuwe gegevens ten opzichte van de AMPB en de BoF, die op hun beurt verschillen van de MPB. In dit verband verstrekt verzoekster in bijlage A.11 bij het verzoekschrift een lijst met voorbeelden van dergelijke verschillen.
136 In de tweede plaats heeft de Commissie in het bestreden besluit geen rekening gehouden met bepaalde ontlastende elementen die Huawei heeft overgelegd, in het bijzonder met betrekking tot de NRE-betalingen.
137 In de derde plaats is de Commissie met klaagster bijeengekomen om kwesties in verband met de hoorzitting betreffende de AMPB te bespreken, zonder dat de raadadviseur-auditeur daarbij aanwezig was ofschoon deze kwesties onder zijn bevoegdheid vallen, hetgeen ernstige vragen doet rijzen over haar integriteit en neutraliteit.
138 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
139 In dit verband zij erop gewezen dat elke justitiabele er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig door de instellingen van de Unie worden behandeld (zie arrest van 2 februari 2022, T‑799/17, Scania e.a./Commissie, EU:T:2022:48, punt 145 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu moet echter worden opgemerkt dat niet op basis van enig argument van verzoekster kan worden vastgesteld dat de Commissie niet alle waarborgen heeft geboden om elke gerechtvaardigde twijfel omtrent haar onpartijdigheid in het onderzoek uit te sluiten.
140 Wat in de eerste plaats verzoeksters argument betreft dat de Commissie talrijke verzoeken om inlichtingen heeft verzonden waardoor grote hoeveelheden aan gegevens zijn verzameld, zij eraan herinnerd dat de Commissie volgens overweging 23 van verordening nr. 1/2003 in de gehele Unie de bevoegdheid moet hebben om de inlichtingen te verlangen die noodzakelijk zijn om met name het door artikel 102 VWEU verboden misbruik van een machtspositie op het spoor te komen. Voorts volgt uit artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1/2003 dat de Commissie, ter vervulling van de haar bij deze verordening opgedragen taken, met een eenvoudig verzoek of bij besluit de ondernemingen en ondernemersverenigingen kan verzoeken „alle nodige inlichtingen” te verstrekken.
141 Gelet op de ruime onderzoeks‑ en controlebevoegdheid van de Commissie staat het aan haar om te beoordelen of de door haar aan de betrokken ondernemingen gevraagde inlichtingen noodzakelijk zijn. Wat betreft de controle die het Gerecht op deze beoordeling van de Commissie uitoefent, zij eraan herinnerd dat het begrip „nodige inlichtingen” volgens de rechtspraak moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van het doel waarvoor de betrokken onderzoeksbevoegdheid aan de Commissie is toegekend. Aan het vereiste dat er een verband bestaat tussen een verzoek om inlichtingen en de vermoede inbreuk is dus voldaan zodra er goede gronden zijn om aan te nemen dat dit verzoek in die fase van de procedure verband houdt met de vermoede inbreuk, in die zin dat de Commissie redelijkerwijze mag aannemen dat de inlichting haar zal helpen om het bestaan van de gestelde inbreuk aan te tonen [zie arrest van 14 maart 2014, Holcim (Deutschland) en Holcim/Commissie, T‑293/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:127, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
142 Wat meer bepaald de onderhavige zaak betreft, blijkt uit punt 128 van het arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie (T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232), dat is gewezen naar aanleiding van het door verzoekster ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 31 maart 2017, dat de omvang van het door de Commissie verrichte onderzoek kon rechtvaardigen dat er een groot aantal inlichtingen werd verstrekt.
143 Bovendien, en zoals het Gerecht tevens heeft onderstreept in punt 201 van het arrest van 9 april 2019, Qualcomm en Qualcomm Europa/Commissie (T‑371/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:232), mocht de Commissie dat besluit juist vaststellen teneinde haar eindbesluit over de vraag of al dan niet sprake was van inbreuk op artikel 102 VWEU, met de nodige zorgvuldigheid en op basis van alle gegevens die daarop van invloed konden zijn voor te bereiden. Dezelfde redenering geldt naar analogie voor andere verzoeken om inlichtingen die de Commissie in het kader van de administratieve procedure heeft toegezonden, zonder dat er enige reden is om aan te nemen dat zij „naar informatie hengelde”. Uit het bestaan van de beoordelingsmarge waarover de Commissie beschikt bij de wijze waarop zij het onderzoek verricht, kan namelijk niet abstract worden afgeleid dat de Commissie tijdens dit onderzoek blijk heeft gegeven van partijdigheid jegens verzoekster, en voorts heeft verzoekster geen elementen aangedragen aan de hand waarvan concreet kan worden aangetoond dat die andere verzoeken om inlichtingen enkel door een dergelijke partijdigheid konden worden verklaard.
144 Wat vervolgens het argument van verzoekster betreft dat er verschillen bestaan tussen de MPB, de AMPB, de BoF en het bestreden besluit, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging verlangt dat de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld naar behoren haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk heeft gestaafd (zie arresten van 5 december 2013, SNIA/Commissie, C‑448/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:801, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 25 maart 2021, Deutsche Telekom/Commissie, C‑152/19 P, EU:C:2021:238, punt 106).
145 Aan dit vereiste is voldaan wanneer in het eindbesluit aan betrokkenen geen andere dan in de mededeling van de punten van bezwaar opgenomen inbreuken ten laste worden gelegd en daarin slechts van feiten wordt uitgegaan waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken (arresten van 24 mei 2012, MasterCard e.a./Commissie, T‑111/08, EU:T:2012:260, punt 266; 18 juni 2013, ICF/Commissie, T‑406/08, EU:T:2013:322, punt 117, en 13 december 2018, Slovak Telekom/Commissie, T‑851/14, EU:T:2018:929, punt 180).
146 De belangrijkste elementen waarop de Commissie zich in de mededeling van punten van bezwaar baseert kunnen echter beknopt worden vermeld, en het besluit behoeft niet noodzakelijkerwijs gelijkluidend te zijn met deze mededeling, daar dit een voorbereidend document is met zuiver voorlopige beoordelingen feitelijk en rechtens (arrest van 17 november 1987, British American Tobacco en Reynolds Industries/Commissie, 142/84 en 156/84, EU:C:1987:490, punt 70; zie ook arresten van 5 december 2013, SNIA/Commissie, C‑448/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:801, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 mei 2012, MasterCard e.a./Commissie, T‑111/08, EU:T:2012:260, punt 267). Zo zijn toevoegingen aan de mededeling van punten van bezwaar, waarmee wordt gereageerd op het antwoord van de partijen en waaruit blijkt dat zij hun rechten van de verdediging daadwerkelijk hebben kunnen uitoefenen, toelaatbaar. In het licht van de administratieve procedure kan de Commissie ook feitelijke of juridische argumenten die zij ter ondersteuning van haar bezwaren heeft aangevoerd wijzigen of aanvullen (arrest van 9 september 2011, Alliance One International/Commissie, T‑25/06, EU:T:2011:442, punt 181). Totdat een eindbesluit is gegeven kan de Commissie derhalve, onder meer gelet op de schriftelijke of mondelinge opmerkingen van partijen, sommige of zelfs alle aanvankelijk tegen hen ingebrachte bezwaren laten vallen en daarmee haar standpunt in hun voordeel wijzigen ofwel, omgekeerd, besluiten om nieuwe bezwaren te formuleren, mits zij de betrokken ondernemingen de mogelijkheid geeft hun opmerkingen daarover kenbaar te maken (zie arrest van 30 september 2003, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T‑191/98 en T‑212/98–T‑214/98, EU:T:2003:245, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
147 In casu kan uit het bestaan van verschillen tussen de MPB, de AMPB, de BoF en het bestreden besluit niet abstract worden afgeleid dat de Commissie tijdens het onderzoek blijk heeft gegeven van partijdigheid jegens verzoekster. Bovendien heeft verzoekster geen elementen aangedragen aan de hand waarvan concreet kan worden aangetoond dat deze verschillen alleen door een dergelijke partijdigheid konden worden verklaard.
148 Daarentegen moet worden onderzocht of de Commissie zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd op nieuwe punten van bezwaar of belastende bewijzen tegen verzoekster, ten aanzien waarvan verzoekster tijdens de administratieve procedure niet in de gelegenheid is gesteld haar standpunt kenbaar te maken.
149 Dienaangaande betoogt verzoekster louter in algemene bewoordingen dat het bestreden besluit aanzienlijke verschillen bevat alsook nieuwe gegevens die ontbreken in de argumentering in de AMPB en de BoF, en stelt zij zich tevreden met een vermelding van een aantal overwegingen van dit besluit in een voetnoot en een verwijzing naar bijlage A.11 bij het verzoekschrift.
150 Zelfs indien het om nieuwe elementen zou gaan die niet in eerdere processtukken waren opgenomen, blijft het een feit dat verzoekster op geen enkele wijze uitlegt hoe deze elementen nieuwe punten van bezwaar of nieuwe belastende bewijzen tegen haar vormen ten aanzien waarvan zij niet in de gelegenheid is gesteld om haar standpunt kenbaar te maken, en er niet louter op neerkomen dat in het bestreden besluit rekening is gehouden met de door de Commissie ontvangen opmerkingen, waaronder die van haar.
151 Zoals blijkt uit de in punt 146 aangehaalde rechtspraak, kan het bestreden besluit niet gelijkluidend zijn met de MPB, de AMPB of de BoF, juist omdat de Commissie rekening moet houden met de opmerkingen die partijen tijdens de administratieve procedure hebben ingediend. Door slechts een lijst van verschillen tussen dit besluit en de eerdere processtukken op te stellen, zonder nader toe te lichten welke concrete, voor verzoekster nadelige, gevolgen deze wijzigingen hebben voor de juridische redenering van de Commissie en voor de kwalificatie van de feiten noch uit te leggen hoe de omvang van de verweten gedraging daardoor is gewijzigd, toont verzoekster niet aan dat de Commissie een partijdig onderzoek heeft gevoerd.
152 Tot slot doet het argument van verzoekster dat de Commissie met klaagster is bijeengekomen om kwesties in verband met de hoorzitting betreffende de AMPB te bespreken, buiten aanwezigheid van de raadadviseur-auditeur ofschoon deze kwesties onder zijn bevoegdheid vallen, niets af aan de integriteit van de Commissie of aan haar vermogen om de onderhavige zaak op neutrale en objectieve wijze te behandelen. Verzoekster heeft ook niet aangetoond hoe een dergelijke bijeenkomst haar rechten van verdediging kon aantasten, temeer daar niets haar heeft belet om, indien zij dit nodig achtte, de raadadviseur-auditeur om een soortgelijke bijeenkomst te verzoeken.
153 De onderhavige grief moet dus worden afgewezen.
154 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.
Tweede onderdeel: schending van de rechten van de verdediging en het beginsel van equality of arms
155 Dit onderdeel berust op twee grieven. De eerste grief is ontleend aan een ontoereikende toegang tot het dossier. De tweede grief is in wezen ontleend aan de ontoereikende inhoud van het verstrekte dossier.
– Voorafgaande opmerkingen
156 De rechten van de verdediging zijn fundamentele rechten die integrerend deel uitmaken van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Gerecht en het Hof de eerbiediging verzekeren (arrest van 25 oktober 2011, Solvay/Commissie, C‑109/10 P, EU:C:2011:686, punt 52).
157 De eerbiediging van de rechten van de verdediging vormt een algemeen Unierechtelijk beginsel dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is ten opzichte van een bepaalde persoon een bezwarend besluit vast te stellen (arrest van 16 januari 2019, Commissie/United Parcel Service, C‑265/17 P, EU:C:2019:23, punt 28).
158 Dit algemene beginsel van Unierecht is verankerd in artikel 41, lid 2, onder a) en b), van het Handvest (arrest van 25 maart 2021, Deutsche Telekom/Commissie, C‑152/19 P, EU:C:2021:238, punt 105).
159 Op het gebied van het mededingingsrecht verlangt de eerbiediging van de rechten van de verdediging dat de adressaat van een besluit waarin wordt vastgesteld dat hij een inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd, tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en de relevantie van de hem verweten feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk heeft gestaafd, zoals voortvloeit uit de in punt 144 aangehaalde rechtspraak.
160 Volgens vaste rechtspraak van het Hof leidt schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. Aan een verzoekende partij die schending van haar rechten van verdediging aanvoert, kan niet worden opgelegd aan te tonen dat het besluit van de betrokken Unie-instelling anders zou hebben geluid, maar wel dat zulks niet helemaal is uitgesloten (zie arrest van 18 juni 2020, Commissie/RQ, C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punten 105 en 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak), aangezien zij zich zonder de procedurele onregelmatigheid beter had kunnen verdedigen (arresten van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C‑194/99 P, EU:C:2003:527, punt 31; 1 oktober 2009, Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad, C‑141/08 P, EU:C:2009:598, punt 94, en 13 december 2018, Deutsche Telekom/Commissie, T‑827/14, EU:T:2018:930, punt 129).
161 Een dergelijke beoordeling moet worden verricht aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval (arrest van 18 juni 2020, Commissie/RQ, C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punt 107).
– Eerste grief: ontoereikende toegang tot het dossier
162 Verzoekster betoogt dat zij pas na de vaststelling van de MPB en de AMPB en na daar herhaaldelijk om te hebben verzocht, toegang tot het dossier heeft verkregen. Zij stelt ook dat zij „enorm veel tijd en onevenredig veel middelen” heeft moeten besteden aan het raadplegen van bepaalde documenten, wat een „onnodige en nadelige afleiding” was en een negatieve invloed had op haar vermogen om verweer te voeren.
163 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
164 Als uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging impliceert het recht van toegang tot het dossier dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet bieden alle voor haar verdediging mogelijk relevante stukken in het onderzoeksdossier te onderzoeken. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 68, en 12 juli 2011, Toshiba/Commissie, T‑113/07, EU:T:2011:343, punt 41).
165 In casu heeft verzoekster zich er in de eerste plaats over beklaagd dat zij bij de Commissie heeft moeten aandringen om toegang tot de stukken van het dossier te krijgen, hetgeen haar tijd heeft doen verliezen en de herinneringen aan de feiten heeft doen vervagen, en dus een negatieve invloed op haar verweer heeft gehad.
166 De argumenten die verzoekster heeft ontleend aan de duur van de administratieve procedure en de gevolgen daarvan voor haar verweermogelijkheden moeten echter worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in de punten 116 tot en met 121. Voor zover verzoekster betoogt dat zij pas laat toegang tot het dossier heeft verkregen, staat bovendien vast dat zij tijdens de administratieve procedure wel degelijk toegang tot het dossier heeft gehad en dat zij bij de organisatie van haar verweer rekening heeft kunnen houden met de daarin opgenomen stukken. Dus zelfs indien verzoekster niet onmiddellijk toegang tot haar dossier heeft gehad, blijft het een feit dat zij niet heeft aangetoond dat zij pas laat toegang heeft verkregen en dat haar rechten van verdediging zijn geschonden, waardoor dit argument moet worden afgewezen.
167 Wat in de tweede plaats de gestelde ontoereikende toegang tot het dossier betreft, moet worden opgemerkt – zoals blijkt uit de overwegingen 45 en 46 van het bestreden besluit die door verzoekster niet worden betwist – dat verzoekster met betrekking tot de MPB zelf heeft erkend dat alle vragen over de toegang tot het dossier waren opgelost voordat zij het antwoord op de MPB heeft ingediend en dat zij met betrekking tot de AMPB geen gebruik heeft gemaakt van de haar door de Commissie geboden mogelijkheid om haar antwoord op de AMPB te aan te vullen nadat zij toegang had verkregen tot een herziene niet-vertrouwelijke versie van bepaalde documenten van het dossier, zodat haar bewering dat haar rechten van verdediging zijn geschonden niet kan slagen.
168 Derhalve moet de onderhavige grief worden afgewezen.
– Tweede grief: ontoereikende inhoud van het verstrekte dossier
169 Verzoekster is van mening dat de Commissie heeft verzaakt in haar verplichting om gedetailleerde aantekeningen te maken van alle, formele en informele, bijeenkomsten, telefoongesprekken en vraaggesprekken die hebben plaatsgevonden om informatie te verzamelen over het voorwerp van een onderzoek, en om haar deze aantekeningen op een nuttige manier te verstrekken.
170 In de eerste plaats betoogt verzoekster dat de Commissie heeft nagelaten aantekeningen te maken van zeven telefonische besprekingen en vijf bijeenkomsten met haar. De Commissie heeft vervolgens dan ook geen gebruik kunnen maken van deze aantekeningen, die mogelijkerwijs ontlastende gegevens konden bevatten.
171 In de tweede plaats stelt verzoekster dat de Commissie haar bepaalde aantekeningen van bijeenkomsten of telefonische besprekingen met derden te laat heeft toegezonden, soms meerdere jaren nadat deze hadden plaatsgevonden.
172 In de derde plaats betoogt verzoekster dat de Commissie haar te beknopte aantekeningen heeft toegezonden over bepaalde telefonische besprekingen met derden, te weten een telefonische bespreking met Huawei en zeven telefonische besprekingen met klaagster, waardoor zij de besproken informatie niet kon begrijpen.
173 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
174 Om te beginnen zij erop gewezen dat de Commissie krachtens artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1/2003 gemachtigd is om ter vervulling van de haar bij deze verordening opgedragen taken alle natuurlijke personen of rechtspersonen te horen die daarin toestemmen, teneinde inlichtingen te verzamelen over het onderwerp van het onderzoek.
175 Overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 773/2004 kan de Commissie in het kader van een op basis van artikel 19 van verordening nr. 1/2003 afgenomen verhoor de verklaringen van de ondervraagden in om het even welke vorm registreren. Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 773/2004 bepaalt ook dat een dergelijk verhoor met alle middelen kan worden afgenomen, met inbegrip van telefoon of langs elektronische weg.
176 In dit verband blijkt uit de rechtspraak dat wanneer de Commissie besluit over te gaan tot een verhoor op basis van artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1/2003, zij dat verhoor in zijn geheel moet registreren, onverminderd de aan haar gelaten keuze ten aanzien van de wijze van registratie. Bijgevolg moet de Commissie elk verhoor dat zij krachtens dat artikel afneemt teneinde inlichtingen te verzamelen over het onderwerp van haar onderzoek, op een door haar gekozen wijze registreren (arresten van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 90 en 91, en 9 maart 2023, Les Mousquetaires en ITM Entreprises/Commissie, C‑682/20 P, EU:C:2023:170, punt 89).
177 Een korte samenvatting van de onderwerpen die tijdens het verhoor aan de orde zijn gekomen, volstaat daartoe niet. De Commissie moet aanwijzingen kunnen geven betreffende de inhoud van de tijdens dat verhoor gevoerde gesprekken, met name betreffende de aard van de inlichtingen die tijdens het verhoor over de besproken onderwerpen zijn verstrekt [arrest van 15 juni 2022, Qualcomm/Commissie (Qualcomm – exclusiviteitsbetalingen), T‑235/18, EU:T:2022:358, punt 190; zie tevens in die zin arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 91 en 92].
178 Wat in de eerste plaats de contacten betreft die tijdens de administratieve procedure tussen de Commissie en verzoekster zelf hebben plaatsgevonden, beklaagt verzoekster zich erover dat er in het dossier geen aantekeningen betreffende zeven telefonische besprekingen en vijf bijeenkomsten zijn opgenomen.
179 Opgemerkt zij echter dat verzoekster op geen enkele wijze uitlegt hoe haar rechten van verdediging in geval van een procedurele onregelmatigheid zouden zijn aangetast, door aan te tonen dat zij beter verweer had kunnen voeren indien de Commissie aantekeningen had gemaakt van hun onderlinge contacten. Aangezien deze bijeenkomsten tussen de Commissie en verzoekster zelf hebben plaatsgevonden, was verzoekster immers volledig op de hoogte van de inhoud ervan en van de onderwerpen die met de Commissie zijn besproken. Met het oog op een beter verweer had zij dus zeer zeker gebruik kunnen maken van alle ontlastende elementen die tijdens deze contacten mogelijk aan bod zouden zijn gekomen. Bovendien kan in een dergelijk geval redelijkerwijs worden verwacht dat verzoekster als voorzorgsmaatregel zelf een samenvatting van het contact in kwestie aan de Commissie toezendt, om van elk mogelijkerwijs ontlastend element een schriftelijk spoor in het dossier te laten opnemen.
180 Wat in de tweede plaats bepaalde aantekeningen betreffende bijeenkomsten of telefonische besprekingen met derden betreft, beklaagt verzoekster zich erover dat zij er pas laat toegang toe heeft gekregen, waardoor haar rechten van verdediging zijn geschonden.
181 Los van de vraag of de betrokken bijeenkomsten en telefoongesprekken al dan niet „verhoren” in de zin van artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1/2003 zijn die de Commissie moest registreren, hetgeen verzoekster overigens niet eens tracht aan te tonen, wordt niet betwist dat verzoekster op 31 juli en 27 augustus 2018, dat wil zeggen onmiddellijk nadat de Commissie de AMPB had toegezonden, toegang had tot de desbetreffende aantekeningen.
182 Hoewel het betreurenswaardig is dat inderdaad pas lang na deze bijeenkomsten en telefonische besprekingen toegang is verleend tot de aantekeningen over de betrokken bijeenkomsten en telefonische besprekingen, blijft het een feit dat verzoekster haar antwoord op de AMPB heeft ingediend op 22 oktober 2018, dus meerdere weken nadat zij deze aantekeningen had ontvangen, waardoor zij voldoende tijd had om deze te bestuderen, er elk mogelijkerwijs ontlastend element uit te halen en zich daarop te baseren voor dat antwoord.
183 Dienaangaande zij opgemerkt dat de omstandigheden van de onderhavige zaak moeten worden onderscheiden van die welke ten grondslag liggen aan het arrest van 15 juni 2022, Qualcomm/Commissie (Qualcomm – Exclusiviteitsbetalingen) (T‑235/18, EU:T:2022:358), waarin het Gerecht besluit C(2018) 240 final van de Commissie van 24 januari 2018 betreffende een procedure op grond van artikel 102 VWEU en artikel 54 van de EER-Overeenkomst [zaak AT.40220 – Qualcomm (Exclusiviteitsbetalingen)] nietig heeft verklaard, met name wegens de late verzending door de Commissie van bepaalde aantekeningen betreffende gesprekken met derden.
184 Zo komt uit de punten 168 en 169 van het arrest van 15 juni 2022, Qualcomm/Commissie (Qualcomm – Exclusiviteitsbetalingen) (T‑235/18, EU:T:2022:358), naar voren dat de Commissie, in de aan dat arrest ten grondslag liggende zaak, tijdens de administratieve procedure geheel geen informatie had verstrekt aan Qualcomm over het bestaan of de inhoud van bepaalde gesprekken met derden, en dat zij die aantekeningen pas heeft toegezonden nadat besluit C(2018) 240 final was vastgesteld, sommige aantekeningen zelfs in de loop van de procedure bij het Gerecht in antwoord op de door het Gerecht gelaste maatregelen van instructie.
185 Overigens wordt niet betwist dat Qualcomm in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 15 juni 2022, Qualcomm/Commissie (Qualcomm – Exclusiviteitsbetalingen) (T‑235/18, EU:T:2022:358), anders dan in casu, tijdens de administratieve procedure geen toegang had tot die aantekeningen en dus haar standpunt daarover niet kenbaar heeft kunnen maken of eventueel daarin vervatte ontlastende bewijzen niet heeft kunnen gebruiken om zich te verdedigen vóór het besluit waarbij zij werd beticht van exclusiviteitsbetalingen werd vastgesteld. Deze doorslaggevende omstandigheden, die het Gerecht ertoe hebben gebracht besluit C(2018) 240 final nietig te verklaren, verschillen fundamenteel van de onderhavige zaak.
186 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat haar rechten van verdediging zijn geschonden door het feit dat de Commissie haar de aantekeningen over de betrokken bijeenkomsten en telefonische besprekingen betrekkelijk laat heeft toegezonden. Verzoeksters argument dat de Commissie deze aantekeningen laat heeft verzonden, moet derhalve worden afgewezen.
187 In de derde plaats beklaagt verzoekster zich erover dat bepaalde aantekeningen van telefonische besprekingen met derden, te weten een telefonische bespreking met Huawei en zeven telefonische besprekingen met klaagster, te beknopt zijn.
188 Dienaangaande heeft de Commissie ter terechtzitting erkend dat althans enkele van de door verzoekster genoemde telefonische besprekingen inderdaad als „verhoren” in de zin van artikel 19, lid 1, van verordening nr. 1/2003 konden worden aangemerkt, en dat zij deze niet heeft geregistreerd. Ook moet worden opgemerkt dat de aantekeningen van deze verhoren, zoals weergegeven in bijlage A.9 bij het verzoekschrift, te beknopt zijn om te compenseren dat zij niet zijn geregistreerd.
189 Wat de gevolgen betreft die aan een dergelijke procedurele onregelmatigheid moeten worden verbonden, moet worden vastgesteld of verzoekster, gelet op de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van de onderhavige zaak, genoegzaam heeft aangetoond dat zij zich zonder die onregelmatigheid beter had kunnen verdedigen. Wanneer zulks niet wordt aangetoond, kan deze onregelmatigheid namelijk niet leiden tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
190 Wanneer de betrokken onderneming beschikt over gedetailleerde aanwijzingen betreffende de auteurs alsook de aard en de inhoud van de documenten waarin haar geen inzage is gegeven, is het aan haar om aan te tonen en te bewijzen dat – belastende of ontlastende – delen van het dossier die zij ten onrechte niet heeft kunnen inzien, van nut zouden zijn geweest voor haar verdediging (zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Solvay/Commissie, C‑110/10 P, EU:C:2011:257, punt 37).
191 Indien haar geen inzage is gegeven in belastend bewijs, volstaat het dat de betrokken onderneming aantoont dat de administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden indien dat belastend bewijs zou zijn uitgesloten, voor zover de Commissie zich daarop heeft gebaseerd (zie in die zin arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punten 71 en 73, en 12 juli 2011, Toshiba/Commissie, T‑113/07, EU:T:2011:343, punt 46).
192 Indien haar geen inzage is gegeven in ontlastend bewijs moet de betrokken onderneming aantonen dat zij dat bewijs voor haar verweer had kunnen gebruiken doordat zij, indien zij zich tijdens de administratieve procedure daarop had kunnen beroepen, elementen had kunnen aanvoeren die niet overeenstemden met de gevolgtrekkingen die de Commissie in dat stadium had gemaakt en dus op enigerlei wijze het oordeel van de Commissie in haar besluit had kunnen beïnvloeden (zie arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
193 In casu moet worden geconstateerd dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij zonder de vastgestelde procedurele onregelmatigheid beter verweer had kunnen voeren.
194 Ondanks het feit dat het uiteindelijk mogelijk was om uit de door de Commissie toegezonden aantekeningen de inhoud van de betrokken gesprekken af te leiden en dus ook het eventuele bestaan van gegevens af te leiden die verzoekster had kunnen gebruiken om zich te verdedigen, heeft verzoekster meer bepaald geen enkel onderbouwd argument aangevoerd aan de hand waarvan kan worden begrepen hoe zij beter verweer had kunnen voeren, zelfs niet toen het Gerecht haar ter terechtzitting uitdrukkelijk daaromtrent heeft ondervraagd.
195 Ten slotte moet worden opgemerkt dat verzoekster in het arrest van 15 juni 2022, Qualcomm/Commissie (Qualcomm – Exclusiviteitsbetalingen) (T‑235/18, EU:T:2022:358), waarin het Gerecht besluit C(2018) 240 final nietig heeft verklaard, onder meer op grond dat de door de Commissie toegezonden aantekeningen betreffende bepaalde gesprekken met derden onvolledig waren, ter ondersteuning van haar stellingen dienaangaande in het verzoekschrift een bijlage had overgelegd waarin was gespecificeerd welke aspecten tijdens die gesprekken mogelijk zijn besproken en hoe die gegevens haar verweer hadden kunnen ondersteunen. In casu heeft verzoekster echter geen dergelijke verduidelijkingen aangedragen.
196 Hieruit volgt dat de in casu vastgestelde procedurele onregelmatigheid met betrekking tot het feit dat de aantekeningen betreffende telefonische besprekingen met derden te beknopt waren, niet kan leiden tot nietigverklaring van het bestreden besluit.
197 Deze grief moet dus worden afgewezen, evenals het tweede onderdeel van het eerste middel. Aangezien ook het eerste onderdeel van dit middel is afgewezen (zie punt 154 hierboven), moet dit middel bijgevolg in zijn geheel worden afgewezen.
Tweede middel: „kennelijke beoordelingsfouten” feitelijk en rechtens, en niet-nakoming van motiveringsplicht met betrekking tot de bepaling van de relevante markt en tot haar machtspositie gedurende de relevante periode
198 Het tweede middel omvat vijf onderdelen. Het eerste onderdeel heeft betrekking op hiaten in het bestreden besluit wat betreft de bepaling van de relevante markt. Het tweede onderdeel heeft betrekking op de concurrentiedruk die direct uitgaat van de gebonden toelevering op de handelsmarkt. Het derde onderdeel heeft betrekking op de concurrentiedruk die indirect uitgaat van de gebonden toelevering op de handelsmarkt. Het vierde onderdeel heeft betrekking op verzoeksters machtspositie tijdens de relevante periode. Het vijfde onderdeel heeft betrekking op de bepaling van het leidende segment van de markt voor UMTS-chipsets waarop de Commissie haar analyse heeft gebaseerd.
Eerste onderdeel: tekortkomingen in het bestreden besluit wat betreft de bepaling van de relevante markt
199 Dit onderdeel berust op drie grieven. De eerste grief is ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten en kennelijk onjuiste toepassingen van het recht, aangezien de Commissie zich voor de bepaling van de relevante markt heeft gebaseerd op een selectie van vage antwoorden op weinig duidelijke verzoeken om inlichtingen. De tweede grief berust op kennelijke beoordelingsfouten en kennelijk onjuiste toepassingen van het recht, aangezien de Commissie niet heeft onderzocht of er mogelijk een substitutieketen bestond. De derde grief berust op kennelijke beoordelingsfouten en kennelijk onjuiste toepassingen van het recht, aangezien de Commissie heeft geconcludeerd dat zij het criterium van de „small but significant and non-transitory increase in price” (kleine maar significante en niet-tijdelijke prijsverhoging; hierna: „SSNIP-test”) niet hoefde toe te passen.
– Voorafgaande opmerkingen
200 Opgemerkt moet worden dat in het kader van de toepassing van artikel 102 VWEU de bepaling van de relevante markt als doel heeft om het kader af te bakenen waarbinnen moet worden beoordeeld of de betrokken onderneming in staat is zich jegens haar concurrenten, afnemers en consumenten in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen [zie arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
201 De bepaling van de relevante markt is derhalve in beginsel een voorwaarde voor de beoordeling van het eventuele bestaan van een machtspositie van de betrokken onderneming, waarbij eerst de producten of diensten van de markt en vervolgens de geografische dimensie van deze markt worden gedefinieerd [zie arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 127 en 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
202 Wat de product‑ of dienstenmarkt betreft, impliceert het begrip „relevante markt” dat er daadwerkelijke concurrentie kan bestaan tussen de producten of diensten die er deel van uitmaken, hetgeen veronderstelt dat deze producten en diensten in voldoende mate onderling verwisselbaar of substitueerbaar zijn. Het onderzoek of producten of diensten onderling verwisselbaar of substitueerbaar zijn, mag niet alleen uitgaan van de objectieve kenmerken van de betrokken producten of diensten. Daarbij moeten eveneens de mededingingsomstandigheden en de structuur van vraag en aanbod op de markt in aanmerking worden genomen [zie arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 129 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
203 Een dergelijke beoordeling veronderstelt dat de producten of diensten die deel uitmaken van de relevante markt en diegene die zijn bestemd om aan de vraag op die markt te voldoen, in voldoende mate onderling verwisselbaar zijn. Dit is onder meer het geval wanneer de aanbieder van het alternatieve aanbod in staat is om op korte termijn met voldoende kracht aan de vraag te voldoen om een serieus tegenwicht te vormen voor de macht van de betrokken onderneming op de markt [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 132 en 133].
204 Ten slotte kan, volgens vaste rechtspraak, de bepaling van de relevante markt, voor zover zij voor de Commissie een ingewikkelde economische beoordeling inhoudt, slechts aan een beperkte toetsing door de Unierechter worden onderworpen [arresten van 17 september 2007, Microsoft/Commissie, T‑201/04, EU:T:2007:289, punt 482; 7 mei 2009, NVV e.a./Commissie, T‑151/05, EU:T:2009:144, punt 53, en 15 december 2010, CEAHR/Commissie, T‑427/08, EU:T:2010:517, punt 66).
205 Verzoeksters argumenten betreffende de door de Commissie in het bestreden besluit vastgestelde bepaling van de relevante markt moeten in het licht van deze overwegingen worden onderzocht.
– Eerste grief: kennelijke beoordelingsfouten en kennelijk onjuiste toepassingen van het recht, aangezien de Commissie zich heeft gebaseerd op een selectie van vage antwoorden op weinig duidelijke vragen
206 Verzoekster betoogt dat de Commissie, in het bestreden besluit, op basis van de bevooroordeelde analyse van geselecteerde antwoorden op slecht geformuleerde vragen heeft uitgesloten dat UMTS-chipsets en chipsets die andere technologieën ondersteunen mogelijk substitueerbaar waren.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 21 december 2023, C-333/21, ECLI:EU:C:2023:1011
- HvJ EU 9 maart 2023, C-682/20, ECLI:EU:C:2023:170
- Gerecht EU 15 juni 2022, T-235/18, ECLI:EU:T:2022:358
- HvJ EU 12 mei 2022, C-377/20, ECLI:EU:C:2022:379
- Gerecht EU 2 februari 2022, T-799/17, ECLI:EU:T:2022:48
- HvJ EU 25 maart 2021, C-152/19, ECLI:EU:C:2021:238
- HvJ EU 28 januari 2021, C-466/19, ECLI:EU:C:2021:76
- Gerecht EU 5 oktober 2020, T-87/19, ECLI:EU:T:2020:464
- Gerecht EU 5 oktober 2020, T-380/17, ECLI:EU:T:2020:471
- HvJ EU 18 juni 2020, C-831/18, ECLI:EU:C:2020:481
- HvJ EU 30 januari 2020, C-307/18, ECLI:EU:C:2020:52
- HvJ EU 16 januari 2019, C-265/17, ECLI:EU:C:2019:23
- Gerecht EU 13 december 2018, T-851/14, ECLI:EU:T:2018:929
- Gerecht EU 13 december 2018, T-827/14, ECLI:EU:T:2018:930
- Gerecht EU 13 december 2018, T-591/15, ECLI:EU:T:2018:946
- HvJ EU 26 september 2018, C-99/17, ECLI:EU:C:2018:773
- Gerecht EU 12 juli 2018, T-441/14, ECLI:EU:T:2018:453
- Gerecht EU 12 juli 2018, T-449/14, ECLI:EU:T:2018:456
- Gerecht EU 10 november 2017, T-180/15, ECLI:EU:T:2017:795
- HvJ EU 6 september 2017, C-413/14, ECLI:EU:C:2017:632