Gerecht EU 9 september 2011, T-12/06, ECLI:EU:T:2011:441

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑12/06

Deltafina SpA

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Italiaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Prijsvaststelling en marktverdeling – Immuniteit tegen geldboeten – Medewerking – Geldboeten – Evenredigheid – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Vermindering van bedrag van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Verlening van voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten vóór vaststelling van eindbeschikking van Commissie – Draagwijdte

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie, punten 8, sub a en b, 11, sub a‑c, 15, 16, 18 en 19)

2. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Vermindering van bedrag van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Volledige immuniteit – Voorwaarden

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie, punt 11, sub a)

3. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Mededeling van punten van bezwaar – Voorlopig karakter

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27, lid 1)

4. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Vermindering van bedrag van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Verlening van voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten vóór vaststelling van eindbeschikking van Commissie – Weigering van Commissie om definitieve immuniteit te verlenen – Schending van beginsel van gewettigd vertrouwen – Geen

(Art. 81 EG; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie, punt 11)

5. Handelingen van de instellingen – Richtsnoeren voor berekening van geldboeten die bij schending van mededingingsregels worden opgelegd – Handeling die externe gevolgen beoogt te sorteren – Draagwijdte

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

6. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Inbreuken die uitsluitend wegens aard ervan als zeer ernstig worden aangemerkt

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

7. Mededinging – Geldboeten – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd – Motiveringsplicht – Omvang

(Art. 253 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23)

8. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Verplichting van Commissie om inzage te verlenen in interne documenten – Geen

(Art. 81 EG)

1. Wanneer de Commissie een immuniteitsverzoek ontvangt op grond van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken, beoordeelt zij de bewijzen die de betrokken onderneming ter ondersteuning van haar verzoek heeft verstrekt, om na te gaan of deze onderneming voldoet aan de voorwaarden van punt 8, sub a of b, van de mededeling inzake medewerking, naargelang van het geval. Indien deze onderneming als eerste aan deze voorwaarden voldoet, kent de Commissie haar schriftelijk voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten toe.

De toekenning van voorwaardelijke immuniteit impliceert dus dat tijdens de administratieve procedure ten behoeve van de onderneming die aan de voorwaarden van punt 8 van de mededeling inzake medewerking voldoet, een bijzondere procedurele status wordt gecreëerd die bepaalde rechtsgevolgen heeft. Deze voorwaardelijke immuniteit kan evenwel geenszins worden gelijkgesteld met een definitieve immuniteit tegen geldboeten, die pas aan het einde van de administratieve procedure wordt verleend.

Meer bepaald wordt door de toekenning van de voorwaardelijke immuniteit bevestigd dat de betrokken onderneming als eerste aan de voorwaarden van punt 8, sub a of b, van de mededeling inzake medewerking heeft voldaan, zodat de Commissie geen andere verzoeken om immuniteit tegen geldboeten in aanmerking zal nemen zolang zij geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van haar verzoek. Voorts krijgt deze onderneming hierdoor de zekerheid dat de Commissie haar immuniteit tegen geldboeten zal verlenen indien zij aan het einde van de administratieve procedure tot de conclusie komt dat deze onderneming heeft voldaan aan de in punt 11, sub a tot en met c, van de mededeling inzake medewerking gestelde voorwaarden.

Eerst aan het einde van de administratieve procedure, bij de vaststelling van de eindbeschikking, beslist de Commissie in de beschikking of zij al dan niet de eigenlijke immuniteit tegen geldboeten toekent aan de onderneming die voorwaardelijke immuniteit geniet. Juist op dat ogenblik houdt de uit de voorwaardelijke immuniteit voortvloeiende procedurele status op gevolgen te sorteren. De definitieve immuniteit tegen geldboeten wordt evenwel slechts verleend indien de betrokken onderneming gedurende de gehele administratieve procedure, tot op het ogenblik van de eindbeschikking, voldoet aan de drie cumulatieve voorwaarden van punt 11, sub a tot en met c, van de mededeling inzake medewerking.

Aldus blijkt uit het systeem zoals dit is vastgesteld in de mededeling inzake medewerking, dat vóór de eindbeschikking geen echte immuniteit tegen geldboeten wordt verleend aan de onderneming die om immuniteit verzoekt, maar dat deze onderneming slechts een procedurele status geniet die aan het einde van de administratieve procedure in immuniteit tegen geldboeten kan worden omgezet indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan.

(cf. punten 113‑115, 117‑118)

2. De toekenning van volledige immuniteit tegen geldboeten vormt een uitzondering op het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid van de onderneming voor schendingen van de mededingingsregels die gerechtvaardigd is door het doel, het opsporen, onderzoeken, bestrijden en ontraden van praktijken die tot de zwaarste mededingingsbeperkingen behoren, te bevorderen. In deze omstandigheden is het dus een logische eis dat de onderneming die om immuniteit verzoekt, in ruil voor de toekenning van volledige immuniteit tegen geldboeten voor de door haar gepleegde inbreuk, volgens de bewoordingen zelf van punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken „onafgebroken en zonder dralen haar volledige” medewerking aan het onderzoek van de Commissie moet verlenen.

Uit de kwalificatie van de medewerking als „volledig” blijkt dat de medewerking die de onderneming die om immuniteit verzoekt aan de Commissie moet verlenen om immuniteit te kunnen genieten, totaal en absoluut moet zijn en zonder voorbehoud moet zijn verleend. De kwalificatie „onafgebroken” en „zonder dralen” houdt in dat deze medewerking gedurende de gehele administratieve procedure en in beginsel direct moet worden verleend.

Bovendien kan een verlaging van de geldboete op grond van de mededeling inzake medewerking slechts gerechtvaardigd zijn indien de verstrekte inlichtingen en meer in het algemeen het gedrag van de betrokken onderneming in dat verband kunnen worden geacht aan te tonen dat zij daadwerkelijk heeft meegewerkt. Blijkens het begrip medewerking zelf, zoals dit in de tekst van de mededeling inzake medewerking van 2002 wordt gehanteerd, kan een verlaging op grond van deze mededeling immers slechts worden toegekend wanneer het gedrag van de betrokken onderneming blijk geeft van een dergelijke geest van medewerking. Deze overweging geldt a fortiori voor de medewerking die noodzakelijk is om een volledige immuniteit tegen geldboeten te kunnen rechtvaardigen, aangezien de immuniteit een nog gunstiger behandeling is dan een loutere verlaging van de geldboete.

Bijgevolg impliceert het begrip „onafgebroken en zonder dralen verleende volledige medewerking”, die de toekenning van volledige immuniteit tegen geldboeten rechtvaardigt, een werkelijke, totale samenwerking die blijk geeft van een echte geest van medewerking.

Een onderneming die volledige immuniteit tegen geldboeten wil genieten wegens de medewerking die zij aan het onderzoek heeft verleend, mag niet nalaten de Commissie in te lichten over relevante feiten waarvan zij kennis heeft en die, zij het potentieel, een negatieve invloed kunnen uitoefenen op het verloop van de administratieve procedure en op de doeltreffendheid van het onderzoek van de Commissie. Een werkelijke en totale samenwerking veronderstelt dus dat de betrokken onderneming tijdens de gehele duur van de administratieve procedure de Commissie te gepasten tijde op de hoogte brengt van elke relevante omstandigheid die een negatieve invloed kan hebben op het goede verloop van het onderzoek en op de opsporing en de doeltreffende bestrijding van de betrokken mededingingsregeling. Deze informatieverplichting is des te belangrijker wanneer een dergelijke omstandigheid betrekking heeft op de betrekkingen tussen deze onderneming en de andere leden van het kartel en, a fortiori, wanneer de Commissie en deze onderneming vooraf in het kader van de administratieve procedure uitdrukkelijk hebben gesproken over de mogelijkheid dat deze omstandigheid zich zou voordoen.

De vraag of sprake is van gedrag dat getuigt van een geest van daadwerkelijke medewerking kan slechts worden beoordeeld op basis van de omstandigheden die golden op het ogenblik dat dit gedrag heeft plaatsgevonden. Gelet op het feit dat de medewerking „onafgebroken” gedurende de gehele procedure moet worden verleend, volstaat elk gedrag dat indruist tegen de geest van daadwerkelijke medewerking op zich om van een inbreuk op de verplichting tot medewerking te kunnen spreken. Omstandigheden die zich na dit gedrag hebben voorgedaan, kunnen een dergelijke inbreuk dus niet rechtvaardigen.

Hieruit volgt dat de eventuele vaststelling achteraf dat de niet-nakoming van de verplichting tot medewerking geen negatieve gevolgen heeft gehad, niet ter rechtvaardiging van het betrokken gedrag kan worden aangevoerd.

(cf. punten 125‑130, 132‑134)

3. In mededingingszaken kan de Commissie de argumenten die zij in de mededeling van de punten van bezwaar heeft aangevoerd, wijzigen in haar eindbeschikking waarbij een geldboete wegens een inbreuk op de mededingingsregels wordt opgelegd, op voorwaarde dat de beschikking de rechten van verdediging van de partijen eerbiedigt door de betrokkenen geen andere inbreuken ten laste te leggen dan die welke in de punten van bezwaar zijn genoemd, en slechts feiten in aanmerking te nemen waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken.

(cf. punt 176)

4. Voor een beroep op het vertrouwensbeginsel moet aan drie voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste moet de betrokkene van de instanties nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen hebben gekregen die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn. Ten tweede moeten deze toezeggingen gegronde verwachtingen kunnen wekken bij degene tot wie zij zijn gericht. Ten derde moeten de toezeggingen in overeenstemming zijn met de toepasselijke voorschriften.

In het kader van een administratieve procedure wegens een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie kan een onderneming die een immuniteitsverzoek bij de Commissie heeft ingediend, zich niet beroepen op nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen dat zij aan het einde van de administratieve procedure definitieve immuniteit zou verkrijgen. Volgens punt 19 van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken beoordeelt de Commissie immers pas of aan de in punt 11 van deze mededeling gestelde voorwaarden is voldaan wanneer zij haar eindbeschikking vaststelt. Hieruit volgt dat de Commissie in de fase van de procedure vóór de vaststelling van de eindbeschikking de betrokken onderneming geen nauwkeurige toezegging kan doen dat haar definitieve immuniteit zal worden verleend.

Bovendien hoeft de Commissie de ondernemingen die om immuniteit verzoeken niet in te lichten over het feit dat zij de uit de mededeling inzake medewerking van 2002 voortvloeiende verplichtingen en met name de verplichting tot medewerking moeten nakomen, aangezien de mededeling zelf duidelijk aangeeft welke de gevolgen zijn van de niet-nakoming hiervan.

(cf. punten 190‑193)

5. De richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, zijn een instrument waarmee, met inachtneming van het recht van hogere rang, de criteria worden gespecificeerd die de Commissie voornemens is toe te passen in het kader van de uitoefening van de haar bij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 verleende beoordelingsbevoegdheid bij de vaststelling van de geldboeten. Deze richtsnoeren vormen niet de rechtsgrondslag van een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd, aangezien deze gebaseerd is op verordening nr. 1/2003, maar zij bepalen op algemene en abstracte wijze de methode die de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van bij deze beschikking opgelegde geldboeten dient te volgen, en waarborgen derhalve de rechtszekerheid van de ondernemingen.

De richtsnoeren kunnen dus weliswaar niet worden aangemerkt als een rechtsregel die de administratie hoe dan ook dient na te leven, maar zij vormen wel een gedragsregel voor de te volgen praktijk, waarvan de administratie in een concreet geval niet mag afwijken zonder dit te rechtvaardigen.

De omstandigheid dat de Commissie door de vaststelling van de richtsnoeren haar eigen beoordelingsbevoegdheid beperkt, belet evenwel niet dat zij een aanzienlijke beoordelingsmarge behoudt. Het feit dat de Commissie via de richtsnoeren haar benadering met betrekking tot de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk heeft gepreciseerd, verzet zich immers niet ertegen dat zij deze zwaarte globaal beoordeelt aan de hand van alle relevante omstandigheden, waaronder factoren die niet uitdrukkelijk in de richtsnoeren worden genoemd.

(cf. punten 217‑219)

6. Volgens de methode van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, dient bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk rekening te worden gehouden met de eigen aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer deze meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt.

Deze drie aspecten van de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk wegen evenwel niet even zwaar in het kader van het globale onderzoek. De aard van de inbreuk speelt met name bij de kwalificatie van de inbreuken als „zeer zwaar” een vooraanstaande rol. Daarentegen vormt noch de concrete weerslag op de markt noch de omvang van de geografische markt een noodzakelijke factor om de inbreuk als zeer zwaar te kunnen kwalificeren in het geval van horizontale kartels die met name de vaststelling van de prijzen beogen. Horizontale kartels die met name de vaststelling van de prijzen beogen, kunnen aldus louter op grond van hun eigen aard als een „zeer zware” inbreuk worden gekwalificeerd, zonder dat de Commissie een concrete weerslag van de inbreuk op de markt hoeft aan te tonen, en de beperkte omvang van de betrokken geografische markt verzet zich niet tegen een dergelijke kwalificatie.

Voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk is beslissend dat de kartelleden alles hebben gedaan wat in hun macht lag om hun wensen concreet gestalte te geven. Wat daarna met de reële marktprijzen is gebeurd, kan zijn beïnvloed door andere factoren, waarop de leden van het kartel geen greep hadden, zodat zij externe factoren die hun inspanningen hebben doorkruist, niet in hun voordeel kunnen aanvoeren als elementen die een verlaging van de geldboeten rechtvaardigen.

Wanneer is vastgesteld dat een mededingingsregeling is uitgevoerd, kan van de Commissie niet worden verlangd dat zij stelselmatig aantoont dat de afspraken de betrokken ondernemingen daadwerkelijk in staat hebben gesteld een hogere of – in het geval van inkoopkartels – een lagere transactieprijs te bereiken dan zonder het kartel het geval zou zijn geweest. Het zou buitensporig zijn een dergelijk bewijs – waarmee aanzienlijke middelen gemoeid zouden zijn – te verlangen, aangezien daarvoor hypothetische berekeningen moeten worden gemaakt op grond van economische modellen waarvan de juistheid door de rechter slechts moeilijk is na te gaan en waarvan de onfeilbaarheid geenszins is bewezen.

Bovendien is de omvang van de geografische markt geen zelfstandig criterium in die zin dat enkel inbreuken die het merendeel van de lidstaten treffen, als „zeer zwaar” kunnen worden gekwalificeerd. Noch het Verdrag, noch verordening nr. 1/2003, noch de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, bieden steun aan de veronderstelling dat uitsluitend geografisch zeer omvangrijke beperkingen aldus kunnen worden aangemerkt. Voorts kunnen overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die met name strekken tot vaststelling van de aankoopprijzen en tot verdeling van de aangekochte hoeveelheden, louter op grond van hun aard als zeer zwaar worden gekwalificeerd, en is hiervoor niet nodig dat zij een bepaald geografisch gebied bestrijken. Hieruit volgt dat de omvang van de betrokken geografische markt, ook al zou deze beperkt zijn, zich in beginsel niet verzet tegen de kwalificatie van de vastgestelde inbreuk als „zeer zwaar”.

(cf. punten 220, 222‑224, 226, 248‑250, 277, 279)

7. In het kader van de vaststelling van geldboeten wegens schending van het mededingingsrecht wordt aan de motiveringsverplichting voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking de factoren aangeeft op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft beoordeeld. Bij beschikkingen waarbij aan verschillende ondernemingen geldboeten worden opgelegd, moet de omvang van de motiveringsplicht met name worden beoordeeld in het licht van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden bepaald op basis van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.

In het geval van horizontale kartels die met name de vaststelling van de prijzen beogen, hoeft er geen concrete weerslag op de markt te zijn om de inbreuk als zeer zwaar te kunnen kwalificeren, zodat de Commissie deze factor niet in aanmerking hoeft te nemen bij de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk. De omstandigheid dat de Commissie niet heeft gemotiveerd waarom zij een criterium dat zij niet in aanmerking hoefde te nemen en waarmee zij haars inziens in het betrokken geval geen rekening hoefde te houden, buiten beschouwing heeft gelaten, betekent niet dat de vaststelling van de geldboete niet is gemotiveerd.

(cf. punten 282, 284)

8. De Commissie is niet verplicht tijdens de administratieve mededingingsprocedure inzage te verlenen in haar interne documenten. Bovendien worden interne documenten van de Commissie tijdens de procedure voor de Unierechter slechts aan de verzoekende partijen ter inzage gegeven indien deze serieuze aanwijzingen hebben verstrekt dat de bijzondere omstandigheden van het geval dit vereisen. Deze beperking van het recht van inzage in interne documenten is gerechtvaardigd door de noodzaak de goede werking van de betrokken instelling op het gebied van de bestrijding van inbreuken op de mededingingsregels te verzekeren.

(cf. punt 313)

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

9 september 2011 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Italiaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Prijsvaststelling en marktverdeling – Immuniteit tegen geldboeten – Medewerking – Geldboeten – Evenredigheid – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden”

In zaak T‑12/06,

Deltafina SpA, gevestigd te Orvieto (Italië), vertegenwoordigd door R. Jacchia, A. Terranova, I. Van Bael, J.‑F. Bellis en F. Di Gianni, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Whelan en F. Amato, vervolgens door A. Whelan en V. Di Bucci, en ten slotte door É. Gippini Fournier en L. Malferrari als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek tot intrekking of, subsidiair, tot verlaging van de geldboete die aan Deltafina is opgelegd bij artikel 2 van beschikking C(2005) 4012 def. van de Commissie van 20 oktober 2005 in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, [EG] (zaak COMP/C.38.281/B.2 – Ruwe tabak – Italië),

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, E. Cremona (rapporteur) en S. Frimodt Nielsen, rechters,

griffier: J. Palacio Gonzáles, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 september 2010,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1 Verzoekster, Deltafina SpA, is een Italiaanse vennootschap die zich voornamelijk bezighoudt met de eerste bewerking van ruwe tabak en de verkoop van bewerkte tabak. Zij is voor 100 % in handen van Universal Corp., een in Richmond (Verenigde Staten) gevestigde vennootschap.

I – Administratieve procedure

2 Op 3, 4 en 5 oktober 2001 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 van de Raad, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204) verificaties verricht op de zetels van de Fédération européenne des transformateurs de tabac en het Maison des métiers du tabac te Brussel (België). Dezelfde dag heeft de Fédération européenne des transformateurs de tabac bij faxbericht al haar leden – daaronder begrepen de Associazione professionale trasformatori tabacchi italiani (APTI, beroepsvereniging van Italiaanse bewerkers van ruwe tabak), waartoe de grootste ondernemingen van de sector behoren – van deze verificaties op de hoogte gebracht.

3 Op 3, 4 en 5 oktober 2001 heeft de Commissie eveneens verificaties verricht op de zetels van de drie belangrijkste Spaanse bewerkers van ruwe tabak en van de twee Spaanse verenigingen van tabakbewerkers en -producenten. Op 16 januari 2002 hebben de drie Spaanse bewerkers van ruwe tabak waarbij verificaties waren verricht, alsook een vennootschap van de Universal-groep gezamenlijk een verzoek om immuniteit bij de Commissie ingediend krachtens de mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking van 1996”).

4 Op 15 januari 2002 heeft de Commissie een verzoek om inlichtingen gericht tot twee Italiaanse beroepsverenigingen, namelijk APTI, die de bewerkers van ruwe tabak vertegenwoordigt, en de Unione italiana tabacco (Unitab, Italiaanse tabaksbond), die de producenten van ruwe tabak vertegenwoordigt. Op 12 februari 2002 heeft APTI het verzoek om inlichtingen beantwoord. Dezelfde dag is haar beheerscomité bijeengekomen en tijdens deze bijeenkomst is het verzoek van de Commissie besproken.

5 Op 19 februari 2002 heeft Deltafina krachtens titel A van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”) een verzoek om immuniteit tegen geldboeten en, subsidiair, krachtens titel B van deze mededeling, een verzoek tot verlaging van de geldboete bij de Commissie ingediend. Het verzoek om immuniteit betrof een vermeende mededingingsregeling tussen bewerkers van ruwe tabak op de Italiaanse markt.

6 Op 28 februari 2002 heeft een van de advocaten van Universal een telefoongesprek gevoerd met de ambtenaar van het directoraat-generaal „Mededinging” van de Commissie die met het dossier was belast.

7 Op 6 maart 2002 heeft de Commissie Deltafina meegedeeld dat haar verzoek voldeed aan de voorwaarden van punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 en dat zij haar na afloop van de administratieve procedure immuniteit tegen geldboeten zou verlenen voor elke inbreuk die na het onderzoek van de Commissie zou zijn vastgesteld op basis van de verstrekte bewijzen, op voorwaarde dat Deltafina aan alle voorwaarden van punt 11 van deze mededeling voldeed.

8 Op 14 maart 2002 zijn de diensten van de Commissie en de vertegenwoordigers van Deltafina en Universal bijeengekomen om de modaliteiten van de samenwerking tussen Deltafina en de Commissie te bespreken (hierna: „bijeenkomst van 14 maart 2002”). Tijdens deze bijeenkomst is met name de vertrouwelijkheid van het immuniteitsverzoek van Deltafina te berde gebracht.

9 Op 19, 21, 25 en 26 maart 2002 heeft Deltafina de Commissie aanvullende inlichtingen verstrekt.

10 Op 22 maart 2002 hebben de vertegenwoordigers van Deltafina en de met het dossier belaste ambtenaar van de Commissie verschillende kwesties in verband met de samenwerking tussen Deltafina en de Commissie telefonisch besproken.

11 Op 2 april 2002 heeft de externe juridische raadsman van Universal de externe juridische raadslieden van Standard Commercial Corp. (hierna: „SCC”) en Dimon Inc., de moedermaatschappijen van respectievelijk Transcatab SpA en Dimon Italia Srl, twee Italiaanse vennootschappen die zich bezighouden met de eerste bewerking van ruwe tabak, meegedeeld dat Deltafina bij de Commissie een verzoek om immuniteit had ingediend voor de mededingingsregelingen tussen de bewerkers op de Italiaanse markt voor tabak.

12 Op de ochtend van 4 april 2002 is het beheerscomité van APTI bijeengekomen. Tijdens deze bijeenkomst heeft de voorzitter van Deltafina de aanwezige personen meegedeeld dat Deltafina was begonnen mee te werken met de Commissie in de zin van de mededeling inzake medewerking van 2002, door haar stukken te bezorgen die voor haarzelf bezwarend waren.

13 In de middag van dezelfde dag, namelijk op 4 april 2002, hebben Dimon Italia en Transcatab, waarvan de vertegenwoordigers op de in het vorige punt genoemde bijeenkomst van APTI aanwezig waren, eveneens krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 een verzoek om een gunstige behandeling ingediend (respectievelijk om 16 uur 15 en 18 uur 47).

14 Op 18 en 19 april 2002 heeft de Commissie krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 verificaties verricht in de kantoren van Dimon Italia en Transcatab en in die van Trestina Azienda Tabacchi SpA (hierna: „Trestina”) en Romana Tabacchi SpA.

15 Op 18 april en 17 mei 2002 heeft Deltafina de Commissie nog meer aanvullende inlichtingen verstrekt.

16 Op 29 mei en 11 juli 2002 zijn de vertegenwoordigers en de diensten van de Commissie tweemaal opnieuw bijeengekomen.

17 Op 8 oktober 2002 heeft de Commissie Dimon Italia en Transcatab meegedeeld dat zij van plan was om hun na afloop van de administratieve procedure een verlaging toe te kennen van respectievelijk 30 tot 50 % en 20 tot 30 % van het bedrag van de geldboete die hun anders wegens de eventueel vastgestelde inbreuken zou zijn opgelegd, aangezien zij respectievelijk de eerste en de tweede onderneming waren die bewijzen van de inbreuk hadden verstrekt in de zin van de mededeling inzake medewerking van 2002.

18 Op 25 februari 2004 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar gericht tot verschillende ondernemingen of ondernemingsverenigingen, waaronder Deltafina, Universal, Dimon Italia en Transcatab.

19 Op 22 juni 2004 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waaraan Deltafina heeft deelgenomen. Tijdens deze hoorzitting heeft een vertegenwoordiger van Dimon Italia de Commissie gewezen op twee stukken in het dossier, handgeschreven notities van vertegenwoordigers van deze vennootschap die waren gekopieerd tijdens de verificaties die de Commissie op 18 april 2002 in de kantoren van Dimon Italia had verricht en die een samenvatting bevatten van de verklaringen die de voorzitter van Deltafina tijdens de bijeenkomst van APTI van 4 april 2002 had afgelegd.

20 Op 21 december 2004 heeft de Commissie een addendum bij de mededeling inzake punten van bezwaar van 25 februari 2004 (hierna: „addendum”) vastgesteld, waarbij zij Deltafina en de andere betrokken ondernemingen heeft meegedeeld dat zij van plan was om haar geen immuniteit tegen geldboeten te verlenen omdat zij haar in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 bedoelde verplichting tot medewerking niet was nagekomen.

21 Op 1 maart 2005 heeft een hoorzitting met betrekking tot het addendum plaatsgevonden. Na deze hoorzitting heeft de Commissie nieuwe opmerkingen van Universal, Deltafina, Dimon en SCC ontvangen.

II – Bestreden beschikking

22 Na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities heeft de Commissie, gezien het eindverslag van de raadadviseur-auditeur, op 20 oktober 2005 beschikking C(2005) 4012 def. in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, [EG] (zaak COMP/C.38.281/B.2 – Ruwe tabak – Italië) vastgesteld (hierna: „bestreden beschikking”), waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 13 februari 2006 (PB L 353, blz. 45).

23 Op 10 november 2005 is de bestreden beschikking aan Deltafina ter kennis gebracht.

24 De bestreden beschikking bevat met name de volgende bepalingen:

„Artikel 1

1. Deltafina [...], Universal [...] hebben in de genoemde periodes artikel 81, lid 1, [EG] geschonden door deel te nemen aan overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector ruwe tabak in Italië.

De inbreuk is gepleegd tijdens de volgende periodes:

a) voor Deltafina, Universal [...], van 29 september 1995 tot 19 februari 2002;

[...]

Artikel 2

Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuken worden de volgende geldboeten opgelegd:

a) aan Deltafina en Universal, hoofdelijk aansprakelijk: 30 000 000 EUR;

[...]”

25 De bestreden beschikking berust op de hierna uiteengezette overwegingen.

A – Inbreuk en toerekenbaarheid van het inbreukmakende gedrag

26 In de bestreden beschikking komt de Commissie na de beschrijving en de juridische beoordeling van de relevante feiten tot de conclusie dat is aangetoond dat Deltafina, samen met verschillende andere ondernemingen, rechtstreeks aan door artikel 81, lid 1, EG verboden overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen heeft deelgenomen. Deze beoordeling wordt in de onderhavige zaak niet betwist.

27 Vervolgens onderzoekt de Commissie de kwestie van de toerekenbaarheid van het inbreukmakende gedrag van de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, en komt het tot de slotsom dat zowel Deltafina als haar moedermaatschappij, Universal, aansprakelijk moet worden gesteld voor de betrokken inbreuken en dat de bestreden beschikking tot beide ondernemingen moet worden gericht.

B – Berekening van het boetebedrag

1. Vaststelling van het basisbedrag van de geldboete

28 Wat de berekening van de aan Deltafina op te leggen geldboete betreft, merkt de Commissie om te beginnen in punt 357 van de bestreden beschikking op dat zij bij de vaststelling van het boetebedrag alle omstandigheden van de zaak en met name de zwaarte en de duur van de inbreuk in aanmerking moet nemen overeenkomstig artikel 23, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1).

29 Aldus onderzoekt de Commissie om te beginnen de zwaarte van de inbreuk. Zij herinnert eraan dat bij de beoordeling hiervan rekening moet worden gehouden met de eigen aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer deze meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt (punt 365 van de bestreden beschikking).

30 Voorts merkt de Commissie op dat de productie van ruwe tabak in Italië in 2001, het laatste volledige jaar waarin de inbreuk is gepleegd, 38 % van de productie binnen de quota in de Europese Unie uitmaakte en een waarde had van 67 338 miljoen EUR (punt 366 van de bestreden beschikking).

31 Wat de aard van de inbreuk betreft, zij opgemerkt dat de Commissie deze als zeer zwaar beschouwt, aangezien zij betrekking heeft op de vaststelling van de aankoopprijzen voor verschillende soorten ruwe tabak in Italië en op de verdeling van de aangekochte hoeveelheden (punt 367 van de bestreden beschikking).

32 In punt 368 van de bestreden beschikking verklaart de Commissie onder verwijzing naar het deel van deze beschikking waarin de mededingingsbeperking wordt onderzocht (overwegingen 277 en volgende) dat inkoopkartels afbreuk kunnen doen aan de bereidheid van producenten om een bepaald rendement te halen en ook de concurrentie tussen bewerkingsbedrijven op downstreammarkten kunnen beperken, en dat dit met name het geval is in zaken zoals deze, waar het door het inkoopkartel getroffen product (ruwe tabak) een belangrijke grondstof is voor de activiteiten die door marktdeelnemers downstream (in casu de eerste bewerking en de verkoop van bewerkte tabak) worden verricht.

33 Gelet op deze overwegingen komt de Commissie tot de conclusie dat de door Deltafina gepleegde inbreuk als zeer zwaar moet worden gekwalificeerd (punt 369 van de bestreden beschikking).

34 Voorts verklaart de Commissie dat bij de vaststelling van het boetebedrag rekening moet worden gehouden met het specifieke gewicht van elke onderneming en met de waarschijnlijke weerslag van het ongeoorloofde gedrag ervan. Aldus is de Commissie van mening dat de geldboeten op basis van de marktpositie van elk van de betrokken partijen moeten worden bepaald. Dienaangaande stelt zij dat het uitgangsbedrag van de aan Deltafina op te leggen geldboete hoger moet zijn, omdat zij de grootste afnemer is, aangezien haar marktaandeel in 2001 ongeveer 25 % bedroeg (punten 370‑372 van de bestreden beschikking).

35 De Commissie is evenwel van mening dat een uitgangsbedrag dat enkel de marktpositie weerspiegelt Deltafina onvoldoende zou afschrikken, aangezien zij weliswaar een vrij beperkte omzet heeft, maar deel uitmaakt van een multinationale groep met een aanzienlijke economische en financiële macht, die behoort tot de belangrijkste tabakshandelaars ter wereld en binnen de tabaksindustrie op verschillende niveaus en op verschillende geografische markten actief is (punt 374 van de bestreden beschikking).

36 Bijgevolg past de Commissie, om van de geldboete een afschrikkende werking te doen uitgaan, op het uitgangsbedrag een vermenigvuldigingscoëfficiënt toe, rekening houdend met de omvang van de betrokken ondernemingen. Voor Deltafina bedraagt de door de Commissie toegepaste vermenigvuldigingscoëfficiënt 1,5. Aldus stelt de Commissie in punt 376 van de bestreden beschikking het uitgangsbedrag van de geldboete van Deltafina, vermenigvuldigd met deze coëfficiënt, vast op 37,5 miljoen EUR.

37 Vervolgens verhoogt de Commissie dit bedrag op basis van de duur van de inbreuk met 60 % (punt 377 van de bestreden beschikking), zodat het basisbedrag van de geldboete van Deltafina is vastgesteld op 60 miljoen EUR (punt 379 van de bestreden beschikking).

2. Verzachtende omstandigheid

38 Voorts neemt de Commissie de medewerking die Deltafina daadwerkelijk tijdens de procedure heeft verleend buiten het kader van de mededeling inzake medewerking van 2002, als verzachtende omstandigheid in aanmerking. Zij merkt om te beginnen op dat Deltafina om de hierna in de punten 43 en volgende uiteengezette redenen niet meer voldoet aan de voorwaarden van de mededeling inzake medewerking van 2002 om volledige immuniteit te kunnen genieten of een verlaging van de geldboete te kunnen krijgen (punt 385 van de bestreden beschikking).

39 Voorts merkt de Commissie op dat de medewerking van de ondernemingen die aan de procedure deelnemen, in beginsel aan de mededeling inzake medewerking van 2002 moet worden getoetst wanneer deze van toepassing is. Zij voegt hieraan toe dat de medewerking van een partij slechts in uitzonderlijke gevallen op grond van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”) kan worden geacht een milderend effect op het bedrag van de op te leggen geldboete te hebben wanneer de mededeling inzake medewerking van 2002 in beginsel van toepassing is (punten 386 en 387 van de bestreden beschikking).

40 De Commissie is van mening dat dit in casu om twee redenen voor Deltafina het geval is. Ten eerste is Deltafina de eerste onderneming die een verzoek tot toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft ingediend (slechts enkele dagen na de vaststelling ervan) en de eerste onderneming waaraan de Commissie voorwaardelijke immuniteit heeft verleend. Het gaat tevens om de eerste beslissing over de gevolgen van de niet-nakoming van de verplichting tot medewerking die bij punt 11 van de mededeling inzake medewerking van 2002 is opgelegd aan ondernemingen die een immuniteitsverzoek hebben ingediend. Ten tweede erkent de Commissie dat Deltafina van meet af aan aanzienlijk aan haar onderzoek heeft bijgedragen en gedurende de gehele procedure hiermee is doorgegaan, afgezien van de feiten die de weigering om definitieve immuniteit te verlenen rechtvaardigen (punten 388‑390 van de bestreden beschikking).

41 Om deze redenen stelt de Commissie zich welwillend op ten aanzien van de medewerking die Deltafina tijdens de procedure heeft verleend. Ten slotte voegt de Commissie hieraan toe dat Deltafina de feiten waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, nooit heeft betwist. Gelet op deze overwegingen en op de wijze waarop Deltafina zich in het algemeen tijdens de procedure heeft gedragen, komt de Commissie tot de conclusie dat de haar op te leggen geldboete met 50 % moet worden verlaagd (punten 391‑398 van de bestreden beschikking).

42 Gelet op deze verzachtende omstandigheid stelt de Commissie het bedrag van de hoofdelijk aan Deltafina en Universal op te leggen geldboete vast op 30 miljoen EUR.

C – Immuniteitsverzoek van Deltafina

43 Vervolgens zet de Commissie de redenen uiteen waarom zij tot de conclusie is gekomen dat Deltafina geen immuniteit tegen geldboeten in de zin van de mededeling inzake medewerking van 2002 kan genieten.

44 Zij legt uit dat zij Deltafina na onderzoek van het door haar ingediende immuniteitsverzoek immuniteit heeft verleend, aangezien zij voldeed aan de voorwaarden van punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002, maar deze immuniteit afhankelijk heeft gesteld van de inachtneming van alle voorwaarden van punt 11 van deze mededeling, waaronder de nakoming van de verplichting tot medewerking (punt 11, sub a, van deze mededeling) (punten 405‑409 van de bestreden beschikking).

45 De Commissie merkt evenwel in punt 410 van de bestreden beschikking op dat tijdens de hoorzitting van 22 juni 2004 is gebleken dat Deltafina haar immuniteitsverzoek openbaar had gemaakt op de hierboven in punt 12 genoemde bijeenkomst van APTI, waaraan ook de vertegenwoordigers van Dimon Italia, Transcatab en Trestina hadden deelgenomen, voordat de Commissie de gelegenheid had om verificaties met betrekking tot de betrokken mededingingsregeling te verrichten. Voorts merkt de Commissie op dat deze feiten zijn vermeld in de punten van bezwaar die in het addendum tegen Deltafina zijn aangevoerd (zie punt 20 hierboven).

46 Aldus heeft de Commissie om te beginnen de relevante feiten uitvoerig bestudeerd, en is zij vervolgens tot de conclusie gekomen dat Deltafina niet voldeed aan de voorwaarden van punt 11 van de mededeling inzake medewerking van 2002.

1. Relevante feiten

47 De Commissie merkt op dat tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 de kwestie van de vertrouwelijkheid van het immuniteitsverzoek van Deltafina ter sprake is gebracht. Volgens de Commissie hebben haar diensten tijdens deze bijeenkomst duidelijk gemaakt dat zij van plan waren om onverwachtse verificaties met betrekking tot de door Deltafina onthulde mededingingsregeling te verrichten, dat deze verificaties niet vóór de periode van 18 tot 20 april 2002 konden plaatsvinden en dat dus tot die datum de vertrouwelijkheid in acht moest worden genomen om de concurrenten niet te alarmeren en de doeltreffendheid van deze verificaties niet aan te tasten (punt 412 van de bestreden beschikking).

48 Voorts merkt de Commissie op dat Deltafina tijdens deze bijeenkomst de diensten van de Commissie heeft uitgelegd dat het om diverse redenen voor haar moeilijk zou zijn om haar immuniteitsverzoek tot de geplande datum van de verificaties geheim te houden. Ten eerste zou zij binnen afzienbare tijd binnen de APTI met haar concurrenten bijeenkomen en zou het moeilijk zijn om tijdens deze bijeenkomsten de vertrouwelijkheid te handhaven, ten tweede diende het middenkader van Deltafina (een vijftiental personen) van het verzoek op de hoogte te worden gebracht en, ten derde, moest dit immuniteitsverzoek openbaar worden gemaakt in het kader van financieringstransacties waarbij Universal in de Verenigde Staten betrokken was (punt 412 van de bestreden beschikking).

49 In de punten 413 tot en met 415 van de bestreden beschikking geeft de Commissie de inhoud weer van een intern verslag van de bijeenkomst van 14 maart 2002 dat de diensten van de Commissie hebben opgesteld, en van de notities die een van de vertegenwoordigers van Universal tijdens deze bijeenkomst heeft genomen.

50 Voorts merkt de Commissie in punt 416 van de bestreden beschikking op dat haar diensten Deltafina tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 hebben verzocht om haar een reeks inlichtingen te verstrekken op basis waarvan zij verificaties ter plaatse zouden kunnen verrichten. In punt 417 van de bestreden beschikking wordt verwezen naar de tekst van een intern memorandum van de diensten van de Commissie van 15 maart 2002, waarin de stand van zaken na de bijeenkomst van de vorige dag wordt samengevat. In punt 418 van de bestreden beschikking wordt de tekst van de notulen van een bijeenkomst van de raad van bestuur van Deltafina van 1 maart 2002 weergegeven, waarin deze raad vaststelt dat de onrechtmatige gedragingen van het kartel onmiddellijk moeten worden beëindigd, en de deelnemers verzoekt om het immuniteitsverzoek zo vertrouwelijk mogelijk te behandelen.

51 Voorts verwijst de Commissie naar de verklaring die de voorzitter van Deltafina tijdens de bijeenkomst van APTI van 4 april 2002 heeft afgelegd. Dienaangaande baseert zij zich op de inhoud van de twee documenten die de advocaten van Dimon Italia tijdens de hoorzitting van 22 juni 2004 hebben genoemd, en op de inhoud van een door de voorzitter van Deltafina zelf ondertekend memorandum waaruit blijkt in welke bewoordingen het immuniteitsverzoek tijdens deze bijeenkomst openbaar is gemaakt (punten 421‑426 van de bestreden beschikking).

52 De Commissie merkt op dat Dimon Italia en Transcatab op de dag zelf van deze openbaarmaking eveneens een verzoek tot toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 hebben ingediend en dat de verklaringen die de voorzitter van Deltafina tijdens de bijeenkomst van APTI heeft afgelegd, niet in deze verzoeken worden vermeld (punt 427 van de bestreden beschikking).

53 Ten slotte blijkt uit de bestreden beschikking dat op 29 mei 2002 nog een bijeenkomst tussen de diensten van de Commissie en Deltafina heeft plaatsgevonden, waarop noch de Commissie, noch Deltafina de kwestie van de vertrouwelijkheid ter sprake heeft gebracht en waarop Deltafina niet heeft verklaard dat zij tijdens de bijeenkomst van APTI van 4 april 2002 aan Dimon Italia en Transcatab had onthuld dat zij een immuniteitsverzoek had ingediend (punt 429 van de bestreden beschikking).

2. Niet-inachtneming door Deltafina van de voorwaarde van punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002

54 In de bestreden beschikking verklaart de Commissie dat de bij punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 opgelegde verplichting tot medewerking een wezenlijk onderdeel van de overeenkomst tussen haar en de verzoeker vormt wanneer voorwaardelijke immuniteit wordt verleend. Volgens de Commissie moet bij de interpretatie van deze verplichting worden uitgegaan van de onderliggende logica van haar immuniteitsbeleid, namelijk van de premisse dat de verzoeker een doorslaggevende bijdrage moet leveren tot de inleiding van een onderzoek of de vaststelling van de door een kartel gepleegde inbreuken. Gelet op deze logica is deze verplichting volgens de Commissie niet beperkt tot het verstrekken van bewijzen met betrekking tot de inbreuk, maar houdt zij tevens in dat geen maatregelen mogen worden genomen die haar vermogen om een onderzoek te verrichten en/of de inbreuk vast te stellen kunnen aantasten (punten 431 en 432 van de bestreden beschikking).

55 In punt 433 van de bestreden beschikking wordt opgemerkt dat wanneer de Commissie, zoals in casu, nog geen verificaties heeft verricht en de sector niet weet dat zij op het punt staat verificaties te verrichten, elke openbaarmaking van een immuniteitsverzoek haar vermogen om doeltreffende verificaties te verrichten en de inbreuk vast te stellen volledig en onherroepelijk kan aantasten. Volgens de Commissie kan de mededeling inzake medewerking van 2002 slechts een nuttig effect sorteren indien de verificaties niet worden geschaad door het gedrag van de ondernemingen die om een gunstige behandeling verzoeken. Deze ondernemingen kunnen zich dus niet beroepen op de gewettigde verwachting dat de in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 gestelde voorwaarde niet impliceert dat de vertrouwelijkheid in acht moet worden genomen omdat dit niet uitdrukkelijk zou zijn bepaald. Hieruit volgt volgens de Commissie dat een onderneming die om immuniteit verzoekt en deze informatie welbewust en vrijwillig aan haar concurrenten onthult, moet worden geacht tekort te schieten in de bij punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 opgelegde verplichting tot medewerking.

56 De Commissie voegt hieraan toe dat een verzoeker aan de „intrinsieke spanning” tussen deze verplichting en die welke is opgelegd bij punt 11, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002, volgens hetwelk de verzoeker haar betrokkenheid bij de inbreuk uiterlijk moet beëindigen op het ogenblik waarop hij zijn immuniteitsverzoek indient, niet het recht kan ontlenen om de andere kartelleden vrijwillig mee te delen dat hij een immuniteitsverzoek heeft ingediend. Deze situatie verschilt van die waarin de verzoeker zich gedwongen ziet om maatregelen te nemen waardoor de andere kartelleden zouden kunnen vermoeden dat hij een dergelijk verzoek heeft ingediend (punt 434 van de bestreden beschikking).

57 Voorts is de Commissie van mening dat uit de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak wel degelijk blijkt dat Deltafina had begrepen dat haar medewerkingsplicht een vertrouwelijkheidsplicht omvatte. Volgens de Commissie blijkt dit met name duidelijk uit het besluit van de raad van bestuur van Deltafina van 1 maart 2002, volgens welke het verzoek „uiterst vertrouwelijk” moest worden behandeld (zie punt 418 van de bestreden beschikking en punt 50 hierboven), en uit de eigen woorden van de voorzitter van Deltafina, volgens welke het besluit van Deltafina om met de Commissie samen te werken „slechts met de grootste terughoudendheid en in geval van noodzaak aan de andere ondernemingen kon worden meegedeeld” (punt 440 van de bestreden beschikking).

58 Gelet op de hierboven genoemde relevante feiten en op de draagwijdte van de in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 gestelde voorwaarde, komt de Commissie tot de conclusie dat Deltafina niet aan deze voorwaarde heeft voldaan. Hoewel zij wist dat de Commissie van plan was om in de periode van 18 tot 20 april 2002 ter plaatse verificaties te verrichten, heeft haar voorzitter immers vóór deze verificaties ter plaatse haar twee voornaamste concurrenten vrijwillig ingelicht over de indiening van haar immuniteitsverzoek (punt 441 van de bestreden beschikking).

59 Voorts merkt de Commissie in punt 442 van de bestreden beschikking op dat het gedrag van Deltafina zeer wel afbreuk kan doen aan het resultaat van deze verificaties, wat Deltafina wist of althans had moeten weten, met name omdat de Commissie haar specifiek had meegedeeld dat zij spoedig verificaties zou verrichten en had verzocht om haar immuniteitsverzoek vertrouwelijk te houden om geen afbreuk te doen aan het resultaat van deze verificaties. Volgens de Commissie kan onmogelijk worden nagegaan of daadwerkelijk afbreuk is gedaan aan het resultaat van haar verificaties en kan deze omstandigheid overigens geen doorslaggevende factor zijn bij de vaststelling van de aansprakelijkheid van Deltafina (punt 443 van de bestreden beschikking).

60 Dienaangaande stelt de Commissie vast dat noch de gesprekken die tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 zijn gevoerd, noch de wijze waarop zij zich daarna heeft gedragen er enige twijfel over laten bestaan dat zij nooit heeft aanvaard dat Deltafina haar concurrenten noodzakelijkerwijs op de hoogte moest brengen van haar verzoek tot toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 en dat de verificaties dus niet meer plaats konden vinden. Integendeel, de Commissie stelt dat zij duidelijk heeft gepreciseerd dat de vertrouwelijkheid nog een maand lang in acht moest worden genomen, zodat zij deze verificaties, waarvoor zij reeds de dag na de bijeenkomst om de nodige informatie heeft verzocht en toebereidselen heeft getroffen, kon voorbereiden (punten 446 en 447 van de bestreden beschikking).

61 De Commissie verklaart dat zij heeft erkend dat het voor Deltafina praktisch gezien moeilijk was om het immuniteitsverzoek vertrouwelijk te houden, maar ook dat het uiterst onwaarschijnlijk was dat nog verificaties konden plaatsvinden indien Deltafina haar immuniteitsverzoek openbaar had moeten maken aan haar concurrenten. De Commissie is evenwel van mening dat Deltafina in casu haar immuniteitsverzoek vrijwillig en uit eigen beweging openbaar heeft gemaakt tijdens de bijeenkomst van APTI. Een dergelijk gedrag kan nooit gerechtvaardigd zijn in het kader van dit immuniteitsverzoek (punten 444, 448 en 450 van de bestreden beschikking).

62 Volgens punt 449 van de bestreden beschikking laat het feit dat Deltafina de Commissie nooit over deze openbaarmaking heeft ingelicht, vermoeden dat zij niet verwachtte dat de Commissie haar gedrag zou goedkeuren.

63 De Commissie merkt op dat Deltafina tijdens de administratieve procedure heeft gesteld dat zij het verzoek niet vrijwillig openbaar heeft gemaakt, maar veeleer heeft toegegeven aan de druk van haar concurrenten. De Commissie is evenwel van mening dat de verplichting om na de indiening van een immuniteitsverzoek de deelname aan de inbreuk te beëindigen weliswaar praktische moeilijkheden kan meebrengen, maar dat Deltafina niet heeft aangetoond in welke zin de beëindiging van haar deelname aan de onrechtmatige praktijken en haar weigering om haar concurrenten te ontmoeten „haar konden belemmeren om rechtmatig zaken te doen”. Voorts kan druk van de omgeving die geen ernstige en nakende dreiging vormt, volgens de Commissie niet uitsluiten dat het betrokken verzoek vrijwillig openbaar is gemaakt. Aangezien de voorzitter van Deltafina niet onder enige dwingende bedreiging heeft gehandeld, komt de Commissie tot de conclusie dat het immuniteitsverzoek tijdens de bijeenkomst van APTI vrijwillig openbaar is gemaakt (punten 451‑453 van de bestreden beschikking).

64 Ten slotte is de Commissie van mening dat het feit dat de externe juridische raadsman van Universal op 2 april 2002, nadat de externe juridische raadslieden van de moedermaatschappijen Dimon Italia en Transcatab enige druk hadden uitgeoefend, heeft bevestigd dat Deltafina een immuniteitsverzoek bij de Commissie had ingediend, op zich niet kan rechtvaardigen dat Deltafina haar verplichting tot medewerking niet is nagekomen, of deze tekortkoming niet kan wegnemen. Ten eerste is er geen verband aangetoond tussen de openbaarmaking in de Verenigde Staten en het gedrag van de voorzitter van Deltafina, ten tweede kon een eventuele afzonderlijke inbreuk op de verplichting tot samenwerking met de Commissie niet worden aangevoerd ter rechtvaardiging van een latere inbreuk op dezelfde verplichting (ex iniuria non oritur ius), en ten derde ontbrak elk bewijs dat de externe juridische raadslieden van SCC en Dimon druk hadden uitgeoefend, afgezien van het feit dat de externe juridische raadsman van SCC een boodschap op het antwoordapparaat van de juridische raadsman van Universal had achtergelaten (punten 454‑459 van de bestreden beschikking).

65 Voorts merkt de Commissie op dat Universal de Commissie hoe dan ook niet onverwijld heeft ingelicht over de door haar juridische raadsman verrichte openbaarmaking (punt 459 van de bestreden beschikking).

66 In punt 460 van de bestreden beschikking komt de Commissie tot de conclusie dat Deltafina om alle hierboven uiteengezette redenen de krachtens punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 op haar rustende verplichting tot medewerking niet is nagekomen en dat haar dus geen immuniteit kon worden verleend, zodat haar een geldboete voor de betrokken inbreuken moest worden opgelegd.

Procesverloop en conclusies van partijen

67 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 januari 2006, heeft Deltafina het onderhavige beroep ingesteld.

68 Bij brief van 26 juni 2006 heeft Deltafina het Gerecht verzocht, de Commissie te gelasten, een bij het verweerschrift gevoegd document integraal over te leggen. Op 22 november 2006 heeft de griffie van het Gerecht Deltafina de beslissing van de president van de Derde kamer ter kennis gebracht waarbij dit verzoek werd verworpen.

69 Bij brief van 16 september 2010 heeft Deltafina het Gerecht meegedeeld dat zij haar zesde middel introk.

70 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten om de mondelinge procedure in te leiden.

71 Ter terechtzitting van 29 september 2010 hebben de partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

72 Deltafina verzoekt het Gerecht:

– de haar bij artikel 2 van de bestreden beschikking opgelegde geldboete in te trekken;

– subsidiair, het bedrag van deze geldboete te verlagen;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

73 De Commissie verzoekt het Gerecht:

– het beroep te verwerpen;

– Deltafina te verwijzen in de kosten.

In rechte

74 Ter ondersteuning van haar vordering voert Deltafina zeven middelen aan.

75 De eerste vier middelen worden primair aangevoerd en strekken tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, voor zover Deltafina daarbij een geldboete wordt opgelegd. Met het eerste middel stelt verzoekster dat sprake is van een kennelijke vergissing, voor zover de intrekking van de immuniteit tegen geldboeten op een onjuiste feitelijke premisse is gebaseerd. Met het tweede middel stelt zij dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, voor zover zij heeft vastgesteld dat Deltafina de in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 bedoelde verplichting tot medewerking niet is nagekomen. Het derde middel houdt in dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, voor zover zij de immuniteit heeft ingetrokken op grond van de overweging dat Deltafina met de openbaarmaking van haar immuniteitsverzoek het onderzoek heeft geschaad. Het vierde middel betreft de schending van het vertrouwensbeginsel, het beginsel van goed bestuur en het evenredigheidsbeginsel.

76 De laatste drie middelen worden subsidiair aangevoerd en strekken tot verlaging van de aan Deltafina opgelegde geldboete. Met het vijfde middel stelt verzoekster dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden omdat het uitgangsbedrag van de geldboete buitensporig is. Met het zesde middel stelt zij dat de Commissie zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Universal medeverantwoordelijk is voor het gedrag van Deltafina, en bijgevolg een buitensporige geldboete aan deze laatste heeft opgelegd. Met het zevende middel stelt zij dat de verzachtende omstandigheden niet correct zijn beoordeeld.

77 Aangezien Deltafina bij brief van 16 september 2010 haar zesde middel heeft ingetrokken, hoeft dit niet te worden onderzocht.

I – Primaire middelen

78 Vooraf zij opgemerkt dat de eerste drie middelen van Deltafina alle betrekking hebben op vergissingen die volgens haar afbreuk doen aan de rechtmatigheid van de bestreden beschikking, voor zover de Commissie haar geen immuniteit tegen geldboeten heeft verleend omdat zij de in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 bedoelde verplichting tot medewerking niet zou zijn nagekomen.

79 Aangezien deze middelen nauw met elkaar verbonden zijn, moeten zij samen worden onderzocht.

A – Eerste drie middelen: kennelijke vergissingen op basis waarvan geen definitieve immuniteit aan Deltafina is verleend

1. Argumenten van partijen

80 In het kader van haar eerste middel stelt Deltafina dat de intrekking van de immuniteit door de Commissie is gebaseerd op een kennelijke feitelijke vergissing, voor zover de Commissie uitgaat van de onjuiste premisse dat de Italiaanse bewerkers van ruwe tabak niet op de hoogte waren van het door haar gevoerde onderzoek.

81 Volgens Deltafina blijkt uit punt 433 van de bestreden beschikking dat de Commissie van mening is dat de mededeling die haar voorzitter tijdens de bijeenkomst van 4 april 2002 heeft verricht een inbreuk op de verplichting tot medewerking vormt, omdat zij afbreuk kon doen aan de doeltreffendheid van het onderzoek. De Commissie heeft in dat punt verklaard dat elk informatielek betreffende het immuniteitsverzoek de andere kartelleden ertoe kan aanzetten bewijzen te vernietigen of te verstoppen. Een dergelijk standpunt is evenwel slechts gerechtvaardigd indien is voldaan aan de wezenlijke voorwaarde dat de betrokken sector niet reeds op de hoogte is van het feit dat een onderzoek wordt gevoerd en van de mogelijkheid dat onverwachtse verificaties worden verricht. Enkel in dat geval kan de mededeling aan derden dat een immuniteitsverzoek is ingediend – in theorie – het vermogen van de Commissie om een doeltreffend onderzoek te voeren aantasten. Deltafina stelt dan ook dat bij de intrekking van de immuniteit noodzakelijkerwijs is uitgegaan van de vaststelling dat de betrokken sector niets afwist van het onderzoek van de Commissie.

82 Volgens Deltafina waren de Italiaanse bewerkers van ruwe tabak evenwel op de hoogte van het onderzoek van de Commissie, omdat deze laatste in oktober 2001 in Brussel en in Spanje verificaties had verricht en op 15 januari 2002 verzoeken om inlichtingen had gericht tot APTI en Unitab. Verschillende andere factoren tonen volgens haar aan dat de sector op de hoogte was van het onderzoek, zoals een verklaring van Dimon op een formulier dat was ingediend bij de Amerikaanse instantie die toezicht houdt op de financiële markten, het feit dat zowel Dimon Italia als Transcatab reeds vóór de openbaarmaking van 4 april 2002 waren begonnen hun verzoeken om een gunstige behandeling voor te bereiden, alsook de omstandigheid dat het onderzoek van de Commissie tijdens een bijeenkomst van APTI ter sprake was gekomen.

83 Bovendien leidt de indiening van een immuniteitsverzoek niet automatisch tot onverwachtse verificaties. Deze zijn niet noodzakelijk wanneer de Commissie op basis van de door de verzoeker verstrekte bewijzen een inbreuk kan vaststellen. Onverwachtse verificaties zijn immers slechts in het in punt 8, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 bedoelde geval onontbeerlijk om een inbreuk vast te stellen. In de in punt 8, sub b, van deze mededeling bedoelde gevallen daarentegen zijn verificaties niet onontbeerlijk, aangezien de onderneming die het immuniteitsverzoek heeft ingediend, reeds alle noodzakelijke bewijzen aan de Commissie heeft verstrekt. Aangezien het immuniteitsverzoek van Deltafina in casu volgens de Commissie zelf aan de voorwaarden van punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 voldeed, was het in dit geval niet nodig dat de Commissie onverwachtse verificaties verrichtte.

84 Volgens Deltafina berust de intrekking van de immuniteit van Deltafina door de Commissie dus, gelet op al deze omstandigheden, op een kennelijke feitelijke vergissing.

85 In het kader van het tweede middel, volgens hetwelk de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, voor zover zij zich op het standpunt heeft gesteld dat Deltafina de in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 bedoelde verplichting tot medewerking niet is nagekomen, voert Deltafina in wezen drie reeksen grieven aan.

86 In de eerste plaats stelt zij dat zij, anders dan de Commissie stelt, haar verplichting tot medewerking, zoals bedoeld in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002, nauwgezet is nagekomen. Zij stelt dat zij de Commissie tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 heeft verwittigd dat zij onmogelijk verborgen kon houden dat zij een immuniteitsverzoek had ingediend. Deze onmogelijkheid om het geheim te bewaren vloeit volgens haar voort uit de vier volgende omstandigheden: het feit dat een voorafgaande controleprocedure (due diligence) voor een financiële operatie van Universal op de Amerikaanse markt hangende was; het feit dat in de Verenigde Staten een collectieve antitrustprocedure tegen Universal, Dimon en SCC was ingesteld; de noodzaak om het middenkader van Deltafina op de hoogte te brengen van de indiening van het verzoek om een gunstige behandeling om te vermijden dat de activiteiten van het kartel zouden worden voortgezet; de nakende bijeenkomst van APTI, waarop Deltafina voor het eerst sinds de indiening van haar verzoek om een gunstige behandeling tegenover de andere bewerkers van ruwe tabak zou komen te staan.

87 Aangezien de betrokken markt gekenmerkt wordt door haar zeer beperkte omvang, haar transparantie en het gemak waarmee de leden van het kartel onderling persoonlijke contacten leggen, zou de weigering van Deltafina om in de weken na de indiening van haar immuniteitsverzoek aan de gebruikelijke besprekingen deel te nemen onvermijdelijk argwaan hebben gewekt bij de andere leden van het kartel. Het risico dat uit dit gedrag kon worden afgeleid dat zij een immuniteitsverzoek had ingediend, was nog groter indien de feitelijke context van haar immuniteitsverzoek in aanmerking wordt genomen, met name het feit dat in oktober 2001 verificaties waren verricht in Spanje en Brussel, dat Dimon, Deltafina en Transcatab een collectief immuniteitsverzoek hadden ingediend voor de onrechtmatige mededingingsregelingen op de Spaanse markt, dat het gedrag van Deltafina typisch was voor de indiener van een immuniteitsverzoek en dat Deltafina’s concurrenten, met name Dimon en SCC, druk uitoefenden om bevestigd te krijgen dat zij een immuniteitsverzoek had ingediend. Deltafina stelt dat in de bestreden beschikking geen rekening wordt gehouden met deze feitelijke context.

88 Voorts stelt Deltafina dat de verplichting om de inbreuk onmiddellijk te beëindigen haar in een onmogelijke positie plaatste. Indien Deltafina zich niet vanaf de indiening van het immuniteitsverzoek uit het kartel had moeten terugtrekken, had zij immers tijdens de bijeenkomst van APTI deze mededeling niet hoeven te verrichten om een einde te maken aan een situatie die onhoudbaar was geworden. De openbaarmaking van het immuniteitsverzoek is dus volgens haar in de omstandigheden van het onderhavige geval het rechtstreekse gevolg van de verplichting om de inbreuk te beëindigen. De Commissie erkent zelf openlijk dat er een „intrinsieke spanning” is tussen de in punt 11, sub a en b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 vastgestelde verplichtingen (punt 434 van de bestreden beschikking), maar zij verbindt daaraan niet de nodige gevolgen. Deltafina vraagt zich af of de verzoeker krachtens punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 verplicht is om te liegen om het voordeel van de voorwaardelijke immuniteit te kunnen behouden.

89 Voorts kunnen de autoriteiten krachtens de clementieregelingen in de Verenigde Staten en in een groot aantal lidstaten, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk, de ondernemingen die om immuniteit verzoeken toestaan om verder aan de mededingingsregeling deel te nemen, teneinde het verrassingseffect van latere verificaties te behouden. Deze mogelijkheid is ingevoerd bij de nieuwe mededeling inzake medewerking van 2006 [mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2006”)]. Bovendien is de vertrouwelijkheidsplicht pas uitdrukkelijk ingevoerd bij de mededeling inzake medewerking van 2006.

90 In de tweede plaats stelt Deltafina dat de Commissie perfect op de hoogte was van het feit dat Deltafina – om de tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 genoemde praktische redenen – vóór de periode van 18 tot 20 april 2002, vanaf welke de Commissie naar eigen zeggen verificaties kon verrichten, zou onthullen dat zij een immuniteitsverzoek had ingediend. Deltafina verklaart dat zij de Commissie zowel op 28 februari 2002, tijdens een telefoongesprek tussen de advocaat van Universal en de met het dossier belaste ambtenaar van de Commissie, als tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 heeft meegedeeld dat zij vreesde dat zij de indiening van haar immuniteitsverzoek niet lang verborgen zou kunnen houden. Voorts heeft deze ambtenaar volgens haar tijdens de hoorzitting van 22 juni 2004 bevestigd dat hij had „erkend” dat het verzoek openbaar moest worden gemaakt en dat „absoluut geen vertrouwelijkheid kon worden bedongen”.

91 Uit het verslag van de bijeenkomst van 14 maart 2002, dat de Commissie zelf heeft opgesteld, en de notities van de advocaat van Universal en de advocaten van Deltafina die op de bijeenkomst aanwezig waren, blijkt dat de ambtenaren van de Commissie akte hadden genomen van het feit dat het voor Deltafina onmogelijk was om haar immuniteitsverzoek niet openbaar te maken tijdens de bijeenkomst van de APTI. De inhoud van een telefoongesprek dat op 22 maart 2002 heeft plaatsgevonden tussen de advocaten van Deltafina en de met het dossier belaste ambtenaar, bevestigt dat de Commissie perfect op de hoogte was van het feit dat Deltafina op het punt stond haar medewerking te onthullen.

92 Bovendien blijkt uit het verslag van de bijeenkomst van 14 maart 2002, dat door de Commissie zelf is opgesteld, dat de met het dossier belaste ambtenaar heeft verklaard dat, indien het immuniteitsverzoek openbaar werd gemaakt, „de verplichting van Deltafina om de Commissie zo snel mogelijk bewijzen te verstrekken des te urgenter [werd]”. Deltafina is deze verplichting nagekomen, zoals blijkt uit de punten 389 tot en met 397 van de bestreden beschikking. Bijgevolg is zij haar verplichting tot medewerking nagekomen, aangezien zij aanvullende informatie heeft verstrekt, zoals de diensten van de Commissie haar tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 hadden gevraagd, en heeft zij dus deze zwaardere last aanvaard, omdat het onmogelijk was om haar medewerking geheim te houden. Bovendien zijn de bestuurders van Deltafina op 29 mei 2002 en 11 juli 2002 lang door de Commissie ondervraagd. Het grootste deel van de in de bestreden beschikking vermelde bewijzen is de facto afkomstig van Deltafina. Aldus heeft Deltafina volledig voldaan aan de verzoeken die de Commissie heeft geformuleerd in het kader van wat volgens haar de „tweede beste optie” was. Door Deltafina te verzoeken aanvullende informatie te verstrekken, heeft de Commissie het mogelijk gemaakt om het immuniteitsverzoek openbaar te maken zonder het onderzoek te schaden.

93 Volgens Deltafina heeft zij de Commissie niet meegedeeld dat zij haar immuniteitsverzoek openbaar had gemaakt omdat zij de Commissie tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 had verwittigd dat het voor haar materieel onmogelijk was om op de nakende bijeenkomst van APTI niet te onthullen dat zij dit verzoek had ingediend. Volgens Deltafina wisten de ambtenaren van de Commissie die met de zaak belast waren dus perfect dat Deltafina op deze bijeenkomst deze mededeling zou verrichten.

94 Voorts maakten de twee documenten betreffende de bijeenkomst van APTI van 4 april 2002 op basis waarvan Dimon Italia Deltafina ervan heeft beschuldigd haar verplichting tot medewerking niet te zijn nagekomen, reeds lang deel uit van het dossier van de Commissie, namelijk sinds 18 april 2002, de dag waarop de verificatie bij Dimon Italia is verricht, en heeft de Commissie daarin niets laakbaars gevonden.

95 In de derde plaats stelt Deltafina dat het feit dat de Commissie haar gedrag aanvankelijk verkeerd heeft ingeschat, haar conclusies in de bestreden beschikking heeft beïnvloed. Zij stelt dat de Commissie er in het addendum van is uitgegaan dat Deltafina, Dimon Italia en Transcatab hun immuniteitsverzoeken in onderling overleg hebben ingediend. Deze vaststelling vloeit voort uit de punten 57 en 60 van het addendum. In dat laatste punt heeft de Commissie het gedrag van Deltafina met name als „kennelijk bedrieglijk” gekwalificeerd. Uit de stukken blijkt evenwel dat Deltafina, Dimon Italia en Transcatab hun immuniteitsverzoeken afzonderlijk hebben voorbereid, zonder enig overleg over de volgorde waarin de verzoeken zouden worden ingediend. Deltafina heeft zich aldus in overeenstemming met de mededeling inzake medewerking van 2002 gedragen.

96 Hoewel de beschuldigingen die in het addendum aan het adres van Deltafina zijn geuit, niet in de bestreden beschikking zijn overgenomen, zijn er nog sporen van in deze beschikking terug te vinden, met name in punt 441, waarin de Commissie verklaart dat Deltafina „aan haar twee voornaamste concurrenten” heeft onthuld dat zij een verzoek heeft ingediend, alsook in de titel die volgt op punt 420 van de bestreden beschikking („Verklaringen van Deltafina aan Dimon en Transcatab van 4 april 2002”).

97 In het kader van het derde middel stelt Deltafina dat de bestreden beschikking op een kennelijke beoordelingsfout berust, voor zover de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat de openbaarmaking van haar immuniteitsverzoek het onderzoek heeft geschaad. Volgens Deltafina kon deze openbaarmaking het onderzoek van de Commissie immers, anders dan deze in punt 433 van de bestreden beschikking stelt, geenszins schaden, aangezien zij niets kon onthullen dat de andere kartelleden niet reeds wisten.

98 Wat meer bepaald Dimon Italia en Transcatab betreft, heeft het feit dat zij door de juridische raadsman van Universal zijn ingelicht over de indiening van het immuniteitsverzoek door Deltafina enkel tot gevolg gehad dat deze ondernemingen hun verzoek om een gunstige behandeling – dat zij hoe dan ook reeds aan het voorbereiden waren – sneller hebben ingediend. De medewerking van deze twee ondernemingen heeft het onderzoek niet geschaad. Integendeel, zij heeft het onderzoek van de Commissie verlicht. Bovendien blijkt uit de stukken dat de Commissie met deze twee ondernemingen is overeengekomen om verificaties te verrichten.

99 In punt 443 van de bestreden beschikking erkent de Commissie zelf dat „onmogelijk [kan] worden nagegaan of daadwerkelijk afbreuk is gedaan aan [haar] verificaties”. Bovendien is het in hetzelfde punt van de bestreden beschikking genoemde feit dat de in de kantoren van Trestina verrichte verificaties geen resultaat hebben opgeleverd, niet te wijten aan de verklaring van de voorzitter van Deltafina, maar veeleer aan het feit dat de Commissie zelf door haar gedrag vooraf de aandacht van de gehele Italiaanse sector op het onderzoek heeft gevestigd. Bovendien klaagt de Commissie in het geval van Romana Tabacchi niet over het feit dat de verificatie geen resultaat heeft opgeleverd.

100 Op basis van al deze overwegingen verzoekt Deltafina het Gerecht dus om de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover haar daarbij een geldboete wordt opgelegd.

101 De Commissie verzoekt om de eerste drie middelen van Deltafina te verwerpen.

2. Beoordeling door het Gerecht

102 Voordat de verschillende argumenten van Deltafina worden onderzocht, dient te worden gewezen op de juridische context waarin deze worden aangevoerd.

a) Clementieregeling

103 In het kader van de vervolging van inbreuken op artikel 81 EG heeft de Commissie een clementieregeling opgezet die ertoe strekt, ondernemingen die met haar meewerken aan onderzoeken naar geheime kartels die de Unie schaden, een gunstige behandeling te verlenen.

104 Deze clementieregeling, die oorspronkelijk is ingevoerd bij de mededeling inzake medewerking van 1996, is vervolgens verder uitgewerkt in de mededeling inzake medewerking van 2002, die van toepassing is op het onderhavige geval, en later in de mededeling inzake medewerking van 2006.

105 Volgens de mededeling inzake medewerking van 2002 vindt de invoering van een clementieregeling haar rechtvaardiging in de overweging dat het in het belang van de Unie is om ondernemingen die met de Commissie meewerken aan onderzoeken naar geheime kartels die zich schuldig maken aan praktijken die tot de zwaarste inbreuken op artikel 81 EG behoren – zoals het afspreken van prijzen, productie- of verkoopquota, de verdeling van markten of het beperken van importen of exporten – een gunstige behandeling te verlenen.

106 De Commissie is namelijk van mening dat het ontdekken en verbieden van geheime kartels voor consumenten en burgers van groter belang is dan het beboeten van die ondernemingen die de Commissie in staat hebben gesteld deze praktijken op te sporen en te bestraffen (zie punt 4 van de mededeling inzake medewerking van 2002, overgenomen in punt 3 van de mededeling inzake medewerking van 2006).

107 De clementieregeling is er dus op gericht, praktijken die tot de zwaarste inbreuken op artikel 81 EG behoren, te onderzoeken en tegen te gaan en een ontradend effect te creëren. Zij berust op een soort afspraak tussen de Commissie en de ondernemingen die aan deze onrechtmatige mededingingsregelingen hebben deelgenomen en besluiten om met de Commissie samen te werken.

108 Deze ondernemingen werken immers actief en vrijwillig aan het onderzoek mee en vergemakkelijken aldus de taak van de Commissie, die erin bestaat inbreuken op de mededingingsregels vast te stellen en tegen te gaan (zie in die zin arrest Gerecht van 12 december 2007, BASF en UCB/Commissie, T‑101/05 en T‑111/05, Jurispr. blz. II‑4949, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In ruil voor deze medewerking kunnen zij een gunstigere geldboete krijgen dan die welke hun anders zouden zijn opgelegd, mits zij aan de in de mededeling inzake medewerking gestelde voorwaarden voldoen.

109 De clementieregeling, zoals vastgesteld in de mededeling inzake medewerking van 2002, biedt de Commissie de mogelijkheid om zowel volledige immuniteit tegen geldboeten te verlenen aan de eerste onderneming die aan het onderzoek meewerkt, als een verlaging van de geldboeten aan de ondernemingen die later hun medewerking verlenen. In het eerste geval geldt voor de betrokken onderneming een totale uitzondering op het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid, volgens hetwelk een onderneming die de mededingingsregels overtreedt, daarvoor de verantwoordelijkheid moet dragen (zie in die zin arrest Hof van 24 september 2009, Erste Group Bank e.a./Commissie, C‑125/07 P, C‑133/07 P, C‑135/07 P en C‑137/07 P, Jurispr. blz. I‑8681, punt 77). In de andere gevallen hangt de mate waarin deze uitzondering wordt toegepast, af van de chronologische volgorde waarin het verzoek tot medewerking wordt ingediend en van de kwaliteit van de verleende medewerking.

110 Dienaangaande zij opgemerkt dat het inherent is aan de logica van de clementieregeling dat slechts één van de leden van een kartel volledige immuniteit tegen geldboeten kan genieten, aangezien het de bedoeling is om een klimaat van onzekerheid binnen de kartels te creëren door de aangifte van het kartel bij de Commissie aan te moedigen. Deze onzekerheid vloeit juist voort uit het feit dat de kartelleden weten dat slechts één van hen een volledige immuniteit zal kunnen verkrijgen door de overige deelnemers aan de inbreuk aan te geven, zodat deze het risico lopen dat hun geldboeten worden opgelegd.

111 Uit de mededeling inzake medewerking van 2002 blijkt dat de procedure tot verlening van volledige boete-immuniteit aan een onderneming in het kader van de in deze mededeling vastgestelde clementieregeling, die in wezen is overgenomen in de mededeling inzake medewerking van 2006, drie verschillende fasen omvat.

112 In een eerste fase moet de onderneming die haar medewerking aan de Commissie wil verlenen, contact met haar opnemen en haar bewijzen verstrekken van het bestaan van een vermeend kartel dat de mededinging in de Unie aantast. Deze bewijzen moeten de Commissie in staat stellen ofwel een beschikking te nemen tot het verrichten van een verificatie, in het geval van punt 8, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002, ofwel een inbreuk op artikel 81 EG vast te stellen, in het geval van punt 8, sub b, van deze mededeling.

113 In een tweede fase beoordeelt de Commissie na ontvangst van het immuniteitsverzoek de ter ondersteuning van dit verzoek verstrekte bewijzen om na te gaan of de betrokken onderneming voldoet aan de voorwaarden van punt 8, sub a of b, van de mededeling inzake medewerking van 2002, naargelang van het geval. Indien deze onderneming als eerste aan deze voorwaarden voldoet, kent de Commissie haar schriftelijk voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten toe (punten 15 en 16 van de mededeling inzake medewerking van 2002).

114 De toekenning van voorwaardelijke immuniteit impliceert dus dat tijdens de administratieve procedure ten behoeve van de onderneming die aan de voorwaarden van punt 8 van de mededeling inzake medewerking van 2002 voldoet, een bijzondere procedurele status wordt gecreëerd die bepaalde rechtsgevolgen heeft. Deze voorwaardelijke immuniteit kan evenwel geenszins worden gelijkgesteld met een definitieve immuniteit tegen geldboeten, die pas aan het einde van de administratieve procedure wordt verleend.

115 Meer bepaald wordt door de toekenning van de voorwaardelijke immuniteit bevestigd dat de betrokken onderneming als eerste aan de voorwaarden van punt 8, sub a of b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft voldaan, zodat de Commissie geen andere verzoeken om immuniteit tegen geldboeten in aanmerking zal nemen zolang zij geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van haar verzoek (punt 18 van de mededeling inzake medewerking van 2002). Voorts krijgt deze onderneming hierdoor de zekerheid dat de Commissie haar immuniteit tegen geldboeten zal verlenen indien zij aan het einde van de administratieve procedure tot de conclusie komt dat deze onderneming heeft voldaan aan de in punt 11, sub a tot en met c, van de mededeling inzake medewerking van 2002 gestelde voorwaarden.

116 Punt 11, sub a tot en met c, van de mededeling inzake medewerking van 2002 luidt als volgt:

„Afgezien van de voorwaarden die in de punten 8, sub a, en 9 of in de punten 8, sub b, en 10 zijn vermeld, naargelang van het geval, moet in ieder geval aan de volgende cumulatieve voorwaarden worden voldaan om in aanmerking te komen voor immuniteit tegen geldboeten:

a) de onderneming moet, gedurende de gehele administratieve procedure van de Commissie, onafgebroken en zonder dralen haar volledige medewerking verlenen en de Commissie alle bewijsmateriaal ter beschikking stellen dat met betrekking tot de vermoedelijke inbreuk in haar bezit is of waarover zij kan beschikken. Inzonderheid zal zij ter beschikking blijven van de Commissie om snel antwoord te geven op verzoeken die kunnen bijdragen tot de vaststelling van de betrokken feiten;

b) de onderneming moet haar betrokkenheid bij de vermoedelijke inbreuk uiterlijk beëindigen op het tijdstip waarop zij op grond van punt 8, sub a, of 8, sub b, naargelang van het geval, haar bewijsmateriaal indient;

c) de onderneming mag andere ondernemingen niet tot deelname aan de inbreuk hebben gedwongen.”

117 Ten slotte kent de Commissie pas in een derde fase, aan het einde van de administratieve procedure, wanneer zij de eindbeschikking vaststelt, hierin al dan niet de eigenlijke immuniteit tegen geldboeten toe aan de onderneming die voorwaardelijke immuniteit geniet. Juist op dat ogenblik houdt de uit de voorwaardelijke immuniteit voortvloeiende procedurele status op gevolgen te sorteren. De definitieve immuniteit tegen geldboeten wordt evenwel slechts verleend indien de betrokken onderneming gedurende de gehele administratieve procedure, tot op het ogenblik van de eindbeschikking, voldoet aan de drie cumulatieve voorwaarden van punt 11, sub a tot en met c, van de mededeling inzake medewerking van 2002 (punt 19 van deze mededeling).

118 Aldus blijkt uit het systeem zoals dit is vastgesteld in de mededeling inzake medewerking van 2002, dat vóór de eindbeschikking geen echte immuniteit tegen geldboeten wordt verleend aan de onderneming die om immuniteit verzoekt, maar dat deze onderneming slechts een procedurele status geniet die aan het einde van de administratieve procedure in immuniteit tegen geldboeten kan worden omgezet indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan.

119 Zowel in haar memories als ter terechtzitting heeft Deltafina evenwel herhaaldelijk verwezen naar een vermeend besluit van de Commissie om de voorwaardelijke immuniteit die haar krachtens de mededeling inzake medewerking van 2002 was verleend, „in te trekken”.

120 Dienaangaande zij opgemerkt dat Deltafina in casu op 19 februari 2002 haar verzoek om immuniteit of verlaging van de geldboete heeft ingediend. Vervolgens heeft de Commissie haar bij brief van 6 maart 2002 de uit de voorwaardelijke immuniteit voortvloeiende procedurele status verleend, omdat zij van mening was dat zij aan de voorwaarden van punt 8, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 2002 voldeed. Ten slotte heeft de Commissie aan het einde van de administratieve procedure besloten om Deltafina geen definitieve immuniteit te verlenen, aangezien zij van mening was dat zij niet had voldaan aan de voorwaarde van punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002.

121 Hieruit volgt dat de voorwaardelijke immuniteit niet, zoals Deltafina beweert, in de bestreden beschikking is „ingetrokken”, aangezien de hieruit voortvloeiende procedurele status heeft opgehouden gevolgen te sorteren op het ogenblik dat de Commissie haar eindbeschikking heeft vastgesteld. In deze beschikking heeft de Commissie dus de voorwaardelijke immuniteit niet „ingetrokken”, maar besloten om Deltafina geen definitieve immuniteit te verlenen.

122 Aangezien de voorwaardelijke immuniteit niet is „ingetrokken”, moeten de argumenten van Deltafina aldus worden opgevat dat zij gericht zijn tegen de beslissing van de Commissie om haar geen definitieve immuniteit te verlenen.

b) Omvang van de verplichting tot medewerking

123 Aangezien Deltafina voornamelijk stelt dat de bestreden beschikking onrechtmatig is, voor zover de Commissie heeft beslist om haar geen definitieve immuniteit te verlenen omdat zij de krachtens punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 op haar rustende verplichting tot medewerking niet zou zijn nagekomen, moet eerst de omvang van deze verplichting worden toegelicht.

124 Uit de bewoordingen zelf van punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 (zie punt 116 hierboven) en met name uit het feit dat de onderneming „onafgebroken en zonder dralen haar volledige” medewerking moet verlenen, blijkt dat de verplichting tot medewerking van de onderneming die om immuniteit verzoekt een zeer algemene, niet duidelijk afgebakende verplichting is, waarvan de juiste omvang slechts duidelijk wordt in de context waarin deze verplichting geldt, namelijk in het kader van de clementieregeling.

125 Uit de hierboven in de punten 103 en volgende uiteengezette overwegingen volgt dat de toekenning van volledige immuniteit tegen geldboeten een uitzondering vormt op het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid van de onderneming voor schendingen van de mededingingsregels die gerechtvaardigd is door het doel, het opsporen, onderzoeken, bestrijden en ontraden van praktijken die tot de zwaarste mededingingsbeperkingen behoren, te bevorderen. In deze omstandigheden is het dus een logische eis dat de onderneming die om immuniteit verzoekt in ruil voor de toekenning van volledige immuniteit tegen geldboeten voor de door haar gepleegde inbreuk, volgens de bewoordingen van de mededeling inzake medewerking van 2002 „onafgebroken en zonder dralen haar volledige” medewerking verleent aan het onderzoek van de Commissie.

126 Uit de kwalificatie van de medewerking als „volledig” blijkt dat de medewerking die de onderneming die om immuniteit verzoekt aan de Commissie moet verlenen om immuniteit te kunnen genieten, totaal en absoluut moet zijn en zonder voorbehoud moet zijn verleend. De kwalificatie „onafgebroken” en „zonder dralen” houdt in dat deze medewerking gedurende de gehele administratieve procedure en in beginsel direct moet worden verleend.

127 Bovendien kan een verlaging van de geldboete op grond van de mededeling inzake medewerking volgens vaste rechtspraak slechts gerechtvaardigd zijn indien de verstrekte inlichtingen en meer algemeen het gedrag van de betrokken onderneming in dat verband kunnen worden geacht aan te tonen dat zij daadwerkelijk heeft meegewerkt (zie met betrekking tot de mededeling inzake medewerking van 1996 arresten Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 395, en 29 juni 2006, Commissie/SGL Carbon, C‑301/04 P, Jurispr. blz. I‑5915, punt 68, alsook arrest Erste Group Bank e.a./Commissie, aangehaald in punt 109, punt 281).

128 Blijkens het begrip medewerking zelf, zoals dit in de tekst van de mededeling inzake medewerking van 2002 wordt gehanteerd, kan een verlaging op grond van deze mededeling immers slechts worden toegekend wanneer het gedrag van de betrokken onderneming blijk geeft van een dergelijke geest van medewerking (zie in die zin, met betrekking tot de mededeling inzake medewerking van 1996, arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 127, punt 396, en Erste Group Bank e.a./Commissie, aangehaald in punt 109, punt 282).

129 Deze overweging geldt a fortiori voor de medewerking die noodzakelijk is om een volledige immuniteit tegen geldboeten te kunnen rechtvaardigen, aangezien de immuniteit een nog gunstiger behandeling is dan een loutere verlaging van de geldboete.

130 Uit het voorgaande volgt dat het begrip „onafgebroken en zonder dralen verleende volledige medewerking”, die de toekenning van volledige immuniteit tegen geldboeten rechtvaardigt, een werkelijke, totale samenwerking impliceert die blijk geeft van een echte geest van medewerking.

131 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat wanneer een onderneming de Commissie onvolledige of onjuiste feitelijke informatie verstrekt, haar gedrag niet getuigt van een geest van daadwerkelijke medewerking in de zin van zijn rechtspraak (zie in die zin arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 127, punt 397; Commissie/SGL Carbon, aangehaald in punt 127, punt 69, en Erste Group Bank e.a./Commissie, aangehaald in punt 109, punt 283).

132 Zo ook mag een onderneming die volledige immuniteit tegen geldboeten wil genieten wegens de medewerking die zij aan het onderzoek heeft verleend, niet nalaten de Commissie in te lichten over relevante feiten waarvan zij kennis heeft en die, zij het potentieel, een negatieve invloed kunnen uitoefenen op het verloop van de administratieve procedure en op de doeltreffendheid van het onderzoek van de Commissie. Een werkelijke en totale samenwerking veronderstelt dus dat de betrokken onderneming tijdens de gehele duur van de administratieve procedure de Commissie te gepasten tijde op de hoogte brengt van elke relevante omstandigheid die een negatieve invloed kan hebben op het goede verloop van het onderzoek en op de opsporing en de doeltreffende bestrijding van de betrokken mededingingsregeling. Deze informatieverplichting is des te belangrijker wanneer een dergelijke omstandigheid betrekking heeft op de betrekkingen tussen deze onderneming en de andere leden van het kartel en, a fortiori, wanneer de Commissie en deze onderneming vooraf in het kader van de administratieve procedure het eventuele optreden van deze omstandigheid uitdrukkelijk hebben besproken.

133 Voorts kan de vraag of sprake is van gedrag dat getuigt van een geest van daadwerkelijke medewerking, overeenkomstig de vereisten die hierboven in de punten 124 tot en met 132 en met name in de hierboven in de punten 127 en 128 aangehaalde rechtspraak zijn genoemd, slechts worden beoordeeld op basis van de omstandigheden die golden op het ogenblik dat dit gedrag heeft plaatsgevonden. Gelet op het feit dat de medewerking „onafgebroken” gedurende de gehele procedure moet worden verleend, volstaat elk gedrag dat indruist tegen de geest van daadwerkelijke medewerking op zich om van een inbreuk op de verplichting tot medewerking te kunnen spreken. Omstandigheden die zich na dit gedrag hebben voorgedaan, kunnen een dergelijke inbreuk dus niet rechtvaardigen.

134 Hieruit volgt dat de eventuele vaststelling achteraf dat de niet-nakoming van de verplichting tot medewerking geen negatieve gevolgen heeft gehad, niet ter rechtvaardiging van het betrokken gedrag kan worden aangevoerd.

135 De door Deltafina aangevoerde relevante feiten en argumenten moeten aan deze overwegingen worden getoetst.

c) Niet-nakoming door Deltafina van de verplichting tot medewerking

136 In het kader van haar eerste drie middelen stelt Deltafina in wezen dat de Commissie verschillende vergissingen heeft begaan, voor zover zij haar aan het einde van de administratieve procedure geen immuniteit tegen geldboeten heeft verleend omdat zij de in punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 bedoelde verplichting tot medewerking niet zou zijn nagekomen.

137 Dienaangaande is in de eerste plaats gebleken dat de voorzitter van Deltafina op 4 april 2002 tijdens een bijeenkomst van APTI uit eigen beweging een verklaring heeft afgelegd en daarbij de aanwezige personen heeft ingelicht over het feit dat Deltafina in het kader van de clementieregeling bij de Commissie een immuniteitsverzoek had ingediend voor de mededingingsregelingen tussen de bewerkers op de Italiaanse markt voor tabak en dat Deltafina aldus was begonnen mee te werken met de Commissie. Deze mededeling wordt door de voorzitter van Deltafina zelf uitvoerig weergegeven in een schriftelijke verklaring die letterlijk is overgenomen in punt 426 van de bestreden beschikking. Uit deze verklaring blijkt dat de voorzitter van Deltafina heeft gesteld dat hij zelf heeft besloten om tijdens de bijeenkomst van 4 april 2002 deze mededeling te verrichten.

138 Deltafina betwist niet het met name in punt 449 van de bestreden beschikking aangehaalde feit dat zij de diensten van de Commissie nooit heeft ingelicht over de verklaring die haar voorzitter tijdens de bijeenkomst van APTI van 4 april 2002 heeft afgelegd, hoewel zij na deze onthullingen de diensten van de Commissie herhaaldelijk heeft ontmoet. In haar beroep bevestigt zij dit feit zelfs uitdrukkelijk.

139 Bovendien is gebleken dat de Commissie er pas achterkwam dat de voorzitter van Deltafina onthullingen had verricht nadat Dimon Italia tijdens de hoorzitting van 22 juni 2004, meer dan twee jaar na deze onthullingen, daarop had gewezen (zie punten 410, 422, 423 en 449 van de bestreden beschikking).

140 In de tweede plaats is eveneens gebleken dat de externe juridische raadsman van Universal, de moedermaatschappij van Deltafina, op 2 april 2002 de externe juridische raadslieden van SCC en Dimon, de moedermaatschappijen van respectievelijk Transcatab en Dimon Italia, concurrenten van Deltafina op de Italiaanse markt, op de hoogte heeft gebracht van het feit dat Deltafina bij de Commissie een immuniteitsverzoek had ingediend voor de mededingingsregelingen tussen de bewerkers op de Italiaanse markt voor tabak. Dit feit, dat door Deltafina niet wordt betwist, blijkt uit de verklaring van de externe juridische raadsman van Universal die is overgenomen in punt 455 van de bestreden beschikking, en met name uit de laatste zin van deze verklaring, waarin hij uitdrukkelijk stelt dat hij „op 2 april 2002 de juridische raadslieden van de andere partijen hierover [heeft] ingelicht”.

141 Deltafina betwist niet dat zij en Universal de Commissie pas in februari 2005, na de toezending van het addendum door de Commissie, hebben ingelicht over de mededeling die op 2 april 2002 door de externe juridische raadsman van Universal was verricht, hoewel zij na deze mededeling de diensten van de Commissie herhaaldelijk hebben ontmoet (zie punt 454 van de bestreden beschikking). In haar beroep bevestigt Deltafina zelfs uitdrukkelijk dit feit.

142 De Commissie kwam dus pas bijna drie jaar na de door de externe juridische raadsman van Universal verrichte mededeling erachter dat deze mededeling had plaatsgevonden. In punt 459 in fine van de bestreden beschikking wordt uitdrukkelijk gesteld dat de Commissie niet onverwijld over deze mededeling is ingelicht.

143 Aangezien Deltafina op 19 februari 2002 een immuniteitsverzoek heeft ingediend en de Commissie haar op 6 maart 2002 de uit de voorwaardelijke immuniteit voortvloeiende procedurele status heeft verleend, moest zij de bij punt 11 van de mededeling inzake medewerking van 2002 opgelegde verplichtingen en met name de verplichting om onafgebroken en zonder dralen haar volledige medewerking te verlenen in de zin van punt 11, sub a, van deze mededeling, volledig nakomen om aan het einde van de administratieve procedure definitieve immuniteit te kunnen genieten.

144 Zoals hierboven in de punten 127, 128 en 131 in herinnering is gebracht, kan een onderneming die om een gunstige behandeling in de zin van de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft verzocht, volgens vaste rechtspraak slechts een dergelijke behandeling genieten wanneer haar gedrag blijk geeft van een geest van daadwerkelijke medewerking. Bovendien getuigt het gedrag van een onderneming niet van een geest van daadwerkelijke medewerking in de zin van deze rechtspraak wanneer zij de Commissie onvolledige of onjuiste feitelijke informatie verstrekt.

145 In casu is gebleken dat Deltafina de Commissie niet heeft ingelicht over omstandigheden die relevant waren voor het onderzoek, namelijk over het feit dat haar voorzitter tijdens de bijeenkomst van APTI van 4 april 2002 had onthuld dat zij een immuniteitsverzoek had ingediend en dat de externe juridische raadsman van haar moedermaatschappij Universal op 2 april 2002 hetzelfde had gedaan ten overstaan van de moedermaatschappijen van bepaalde van haar concurrenten. Verder is gebleken dat de Commissie gedurende meer dan twee jaar geen kennis had van deze voor het onderzoek relevante omstandigheden.

146 Bovendien blijkt uit de bestreden beschikking en uit de stukken dat de partijen tijdens de contacten die zij in het kader van de clementieregeling onderhielden en met name tijdens de bijeenkomst van 14 maart 2002 uitdrukkelijk hadden gediscussieerd over de vraag of de indiening van het immuniteitsverzoek geheim moest blijven teneinde de concurrenten niet te alarmeren en de doeltreffendheid van de verificaties niet aan te tasten (zie de punten 8 en 47‑49 hierboven, alsook de in de punten 413‑415 van de bestreden beschikking genoemde verslagen van deze bijeenkomst, die Deltafina bij het dossier heeft gevoegd). Meer bepaald blijkt uit deze stukken dat de Commissie Deltafina uitdrukkelijk had verzocht om het immuniteitsverzoek geheim te houden omdat zij van plan was verificaties te verrichten. Aldus was Deltafina zich bewust van het feit dat een eventuele openbaarmaking van het immuniteitsverzoek werd beschouwd als een relevante omstandigheid die, althans potentieel, een invloed kon uitoefenen op het goede verloop van het onderzoek en op het vermogen van de Commissie om de betrokken mededingingsregeling op doeltreffende wijze vast te stellen, te onderzoeken en te bestrijden.

147 Voorts kan niet worden betwist dat een eventuele openbaarmaking van het immuniteitsverzoek op dat ogenblik door zowel Deltafina als de Commissie werd opgevat als een omstandigheid die, althans potentieel, negatieve gevolgen voor het onderzoek kon hebben. Dit wordt bevestigd door de omstandigheid dat Deltafina zelf het noodzakelijk achtte om het immuniteitsverzoek zo vertrouwelijk mogelijk te behandelen (zie punt 50 in fine hierboven), wat aantoont dat zij zich bewust was van de mogelijke negatieve gevolgen van de openbaarmaking van deze informatie, en door de omstandigheid dat zij zelf stelt dat zij een zwaardere last heeft aanvaard omdat het onmogelijk was om haar medewerking geheim te houden (zie punt 92 hierboven en punt 163 hierna), wat aantoont dat zij erkende dat de openbaarmaking van deze informatie een probleem vormde waarvoor een oplossing moest worden gezocht en gevonden. Deltafina kan dus niet stellen dat zij niet wist dat de vertrouwelijke behandeling van het immuniteitsverzoek werd beschouwd als een belangrijk element voor het succes van het onderzoek.

148 In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat Deltafina’s gedrag slechts van een geest van daadwerkelijke medewerking zou hebben getuigd indien zij de Commissie onverwijld op de hoogte had gebracht van het feit dat haar immuniteitsverzoek openbaar was gemaakt.

149 Aangezien Deltafina de Commissie evenwel niet heeft ingelicht over het feit dat het immuniteitsverzoek op 2 en 4 april 2002 openbaar is gemaakt, terwijl dit feit, althans potentieel, een negatieve invloed kon hebben op het goede verloop van het onderzoek, kan zij niet stellen dat uit haar gedrag is gebleken dat zij daadwerkelijk heeft meegewerkt in de zin van de hierboven in de punten 127, 128 en 131 aangehaalde rechtspraak en dat zij dus niet is tekortgeschoten in haar verplichting tot medewerking waaraan zij – als onderneming die om immuniteit verzocht –krachtens punt 11, sub a, van de mededeling inzake medewerking van 2002 diende te voldoen.

150 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de specifieke argumenten die Deltafina in het kader van haar eerste drie middelen heeft aangevoerd.

d) Specifieke argumenten van Deltafina volgens welke de bestreden beschikking op vergissingen berust, voor zover de Commissie haar geen definitieve immuniteit heeft verleend

Argument dat de Commissie had aanvaard dat Deltafina op de bijeenkomst van APTI haar immuniteitsverzoek bekend zou maken

151 Om te beginnen moet het in het kader van het tweede middel door Deltafina aangevoerde argument worden onderzocht dat de Commissie ervan op de hoogte was en had aanvaard dat Deltafina op de nakende bijeenkomst van APTI bekend zou maken dat zij een immuniteitsverzoek had ingediend. In haar verzoekschrift stelt Deltafina immers dat zij de Commissie hierover niet had ingelicht omdat zij haar reeds vooraf, op de bijeenkomst van 14 maart 2002, had verwittigd dat het onmogelijk was om het verzoek niet openbaar te maken op de bijeenkomst van APTI. De diensten van de Commissie waren er dus van op de hoogte dat Deltafina dit op deze bijeenkomst openbaar zou maken.

– Informatie die vooraf aan de Commissie zou zijn verstrekt

152 Dienaangaande zij vastgesteld dat noch uit de bestreden beschikking noch uit de stukken van het dossier blijkt dat Deltafina de Commissie vooraf uitdrukkelijk en duidelijk heeft ingelicht over het feit dat een van haar vertegenwoordigers tijdens de nakende bijeenkomst van APTI uit eigen beweging bekend zou maken dat zij een immuniteitsverzoek had ingediend, zoals de voorzitter van Deltafina op 4 april 2002 heeft gedaan.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in