Gerecht EU 2 februari 2022, T-799/17, ECLI:EU:T:2022:48
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid)
2 februari 2022 ( *1 )
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van vrachtwagenfabrikanten – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragen met betrekking tot de verkoopprijzen van vrachtwagens, het tijdschema voor de invoering van emissietechnologieën en de doorberekening van de kosten van deze technologieën aan de klanten – In de tijd gespreide ‚hybride’ procedure – Vermoeden van onschuld – Beginsel van onpartijdigheid – Handvest van de grondrechten – Eén enkele voortdurende inbreuk – Mededingingsbeperkende strekking – Geografische reikwijdte van de inbreuk – Geldboete – Evenredigheid – Gelijke behandeling– Volledige rechtsmacht”
In zaak T‑799/17,
Scania AB, gevestigd te Södertälje (Zweden),
Scania CV AB, gevestigd te Södertälje,
Scania Deutschland GmbH, gevestigd te Koblenz (Duitsland),
vertegenwoordigd door D. Arts, F. Miotto, C. Pommiès, K. Schillemans, C. Langenius, L. Ulrichs, P. Hammarskiöld, S. Falkner en N. De Backer, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Farley en L. Wildpanner als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit C(2017) 6467 final van de Commissie van 27 september 2017 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) (zaak AT.39824 – Vrachtwagens) dan wel, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van de bij dat besluit aan verzoeksters opgelegde geldboeten,
wijst
HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, A. Kornezov, E. Buttigieg (rapporteur), K. Kowalik‑Bańczyk en G. Hesse, rechters,
griffier: B. Lefebvre, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 juni 2020,
het navolgende
Arrest
I. Voorgeschiedenis van het geding
1 Verzoeksters, Scania AB, Scania CV AB en Scania Deutschland GmbH (hierna: „Scania DE”), zijn drie juridische entiteiten van de onderneming Scania (hierna: „Scania”). Scania is actief op het gebied van de productie en de verkoop van zware vrachtwagens (meer dan 16 ton) voor langeafstandsvervoer, distributie en vervoer gerelateerd aan bouw- en gespecialiseerde werkzaamheden.
2 Bij besluit C(2017) 6467 final van 27 september 2017 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) (zaak AT.39824 – Vrachtwagens) (hierna: „bestreden besluit”) heeft de Europese Commissie vastgesteld dat verzoeksters inbreuk hebben gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011 samen met juridische entiteiten van de ondernemingen [vertrouwelijk] ( 1 ), [vertrouwelijk], [vertrouwelijk], [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] deel te nemen aan heimelijke afspraken over de prijzen en de brutoprijsverhogingen in de EER voor middelzware en zware vrachtwagens, alsmede over het tijdschema en de doorberekening van kosten voor de invoering van voor de Euro 3- tot Euro 6-normen vereiste emissietechnologieën voor middelzware en zware vrachtwagen (artikel 1 van het bestreden besluit). De Commissie heeft aan Scania AB en Scania CV AB hoofdelijk en gezamenlijk een geldboete opgelegd van 880523000 EUR, waarbij Scania DE hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk wordt gehouden voor de betaling van 440003282 EUR (artikel 2 van het bestreden besluit).
A. Administratieve procedure die aan de grondslag ligt van het bestreden besluit
3 Op 20 september 2010 heeft [vertrouwelijk] een verzoek tot immuniteit tegen geldboeten ingediend overeenkomstig punt 14 van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17; hierna: „mededeling inzake medewerking”). Op 17 december 2010 heeft de Commissie voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten verleend aan [vertrouwelijk].
4 Tussen 18 en 21 januari 2011 heeft de Commissie onder meer ten kantore van verzoeksters inspecties verricht.
5 Op 28 januari 2011 heeft [vertrouwelijk] verzocht om immuniteit tegen geldboeten overeenkomstig punt 14 van de mededeling inzake medewerking en, bij gebreke daarvan, om vermindering van de geldboete overeenkomstig punt 27 van die mededeling. Zij is daarin gevolgd door [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk].
6 De Commissie heeft tijdens het onderzoek onder meer aan verzoeksters verschillende verzoeken om inlichtingen toegezonden krachtens artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1).
7 Op 20 november 2014 heeft de Commissie de procedure van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 ingeleid ten aanzien van verzoeksters en de juridische entiteiten van de in punt 2 hierboven genoemde ondernemingen en een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, waarvan zij die entiteiten, met inbegrip van verzoeksters, in kennis heeft gesteld.
8 Na de kennisgeving van de mededeling van punten van bezwaar hebben de adressaten ervan toegang gekregen tot het onderzoeksdossier van de Commissie.
9 Tijdens [vertrouwelijk] hebben de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar de Commissie informeel benaderd en verzocht de zaak voort te zetten in het kader van de schikkingsprocedure van artikel 10 bis van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18). De Commissie heeft besloten een schikkingsprocedure in te leiden nadat elk van de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar had bevestigd bereid te zijn schikkingsgesprekken aan te gaan.
10 Tussen [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] hebben schikkingsgesprekken plaatsgevonden tussen elke adressaat van de mededeling van punten van bezwaar en de Commissie. Na die gesprekken hebben een aantal van de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hun formeel schikkingsverzoek bij de Commissie ingediend overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, van verordening nr. 773/2004 (hierna: „schikkende partijen”). Verzoeksters hebben geen dergelijk verzoek ingediend.
11 Op 19 juli 2016 heeft de Commissie krachtens artikel 7 en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 besluit C(2016) 4673 final inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39824 – Vrachtwagens) vastgesteld, dat is gericht tot de schikkende partijen (hierna: „schikkingsbesluit”).
12 Aangezien verzoeksters ervoor hebben gekozen geen formele verklaring met het oog op een schikking in te dienen, heeft de Commissie het onderzoek naar hen voortgezet in het kader van de standaardprocedure (niet-schikkingsprocedure).
13 Op 23 september 2016 hebben verzoeksters, na toegang te hebben gekregen tot het dossier, hun schriftelijk antwoord op de mededeling van punten van bezwaar ingediend.
14 Op 18 oktober 2016 hebben verzoeksters deelgenomen aan een hoorzitting.
15 Op 7 april 2017 heeft de Commissie overeenkomstig punt 111 van haar mededeling inzake goede praktijken voor procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU (PB 2011, C 308, blz. 6) een „Letter of Facts” toegezonden aan Scania AB. Op 23 juni 2017 heeft de Commissie die „Letter of Facts” eveneens toegezonden aan Scania CV AB en Scania DE.
16 Op 12 mei 2017 heeft Scania AB de Commissie haar schriftelijke opmerkingen over het aan de „Letter of Facts” gehechte bewijsmateriaal meegedeeld, waarbij die opmerkingen tegelijkertijd het standpunt van Scania CV AB en Scania DE weergaven.
17 Op 27 september 2017 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld.
B. Bestreden besluit
1. Structuur van de vrachtwagenmarkt en prijszettingsmechanisme in de vrachtwagensector
18 Om te beginnen heeft de Commissie in de overwegingen 22 tot en met 50 van het bestreden besluit de structuur van de vrachtwagenmarkt en het prijszettingsmechanisme in de vrachtwagensector uiteengezet, ook wat Scania betreft.
a) Structuur van de vrachtwagenmarkt
19 Wat de structuur van de vrachtwagenmarkt betreft, wijst de Commissie erop dat deze markt wordt gekenmerkt door een hoge mate van doorzichtigheid en concentratie, waarbij de partijen meerdere malen per jaar de gelegenheid hebben om bijeen te komen en de marktsituatie te bespreken. Volgens de Commissie konden de partijen door alle uitwisselingen een duidelijk beeld krijgen van de mededingingspositie van elk van hen (overwegingen 22 en 23 van het bestreden besluit).
20 De Commissie wijst er eveneens op dat de partijen, waaronder Scania, op belangrijke nationale markten dochterondernemingen hebben die optreden als distributeurs van hun producten. Deze nationale distributeurs beschikken over een eigen dealernetwerk (overweging 25 van het bestreden besluit). De Commissie merkt op dat Scania in alle EER-landen behalve [vertrouwelijk] haar vrachtwagens verkoopt via nationale distributeurs, die volledige dochterondernemingen van haar zijn. Scania’s nationale distributeurs verkopen de bij het hoofdkantoor gekochte vrachtwagens aan dealers, die ofwel volledige dochterondernemingen ofwel onafhankelijke ondernemingen zijn. De Commissie verklaart dat Scania in Duitsland [vertrouwelijk] dealers heeft die volledige dochterondernemingen zijn (overweging 26 van het bestreden besluit).
b) Prijszettingsmechanisme in de vrachtwagensector
21 Wat het prijszettingsmechanisme betreft, merkt de Commissie op dat dit voor alle partijen dezelfde stappen omvat en over het algemeen begint met de vaststelling, in een eerste fase, van een initiële brutoprijslijst door het hoofdkantoor. Volgens de Commissie worden voorts in een tweede fase verrekenprijzen vastgesteld voor de verkoop, op de verschillende nationale markten, van vrachtwagens tussen de hoofdkantoren van de fabrikanten en nationale distributeurs, die onafhankelijk zijn of volledig in handen zijn van het hoofdkantoor. Verder worden volgens de Commissie in een derde fase de prijzen vastgesteld die door de dealers aan de distributeurs worden betaald, en in een vierde fase de uiteindelijke nettoprijs die door de afnemers wordt betaald en waarover door de dealers of door de fabrikanten zelf wordt onderhandeld wanneer zij rechtstreeks aan dealers of grote afnemers verkopen (overweging 38 van het bestreden besluit).
22 De Commissie merkt op dat de uiteindelijk door de afnemers betaalde prijs weliswaar kan variëren (bijvoorbeeld als gevolg van de toepassing van verschillende kortingen op verschillende niveaus van de distributieketen), maar dat alle prijzen die van toepassing zijn in elk stadium van de distributieketen rechtstreeks (in het geval van de verrekenprijzen tussen het hoofdkantoor en de distributeur) of indirect (in het geval van de door de dealer aan de distributeur betaalde prijs of in het geval van de door de eindafnemer betaalde prijs) voortvloeien uit de initiële brutoprijs. Zo blijkt volgens de Commissie dat de door het hoofdkantoor vastgestelde initiële brutoprijslijsten een gemeenschappelijk en fundamenteel onderdeel vormen van de berekening van de prijzen die gelden in elk stadium van de nationale distributieketens in heel Europa (overweging 38 van het bestreden besluit). De Commissie wijst erop dat alle partijen, met uitzondering van [vertrouwelijk], tussen 2000 en 2006 brutoprijslijsten hebben vastgesteld die geharmoniseerde brutoprijzen omvatten voor de gehele EER (overweging 40 van het bestreden besluit).
c) Prijszettingsmechanisme binnen Scania
23 In de overwegingen 41 tot en met 50 van het bestreden besluit beschrijft de Commissie het prijszettingsmechanisme binnen Scania en de bij die prijszetting betrokken actoren.
24 Volgens deze beschrijving stelt Scania’s hoofdkantoor de lijst met brutoprijzen af fabriek (Factory Gross Price List; hierna: „FGPL”) vast voor elk van de verschillende onderdelen van een vrachtwagen (overweging 44 van het bestreden besluit). [vertrouwelijk].
25 Op basis van de ontvangen FGPL onderhandelt elke nationale Scaniadistributeur (bijvoorbeeld Scania DE) met Scania’s hoofdkantoor over een „nettodistributeursprijs” (de prijs die de distributeur voor elk onderdeel aan het hoofdkantoor betaalt). De nettodistributeursprijs wordt vermeld in een document dat „RPU” wordt genoemd en dat het verschil laat zien tussen de FGPL en de nettodistributeursprijs in termen van kortingen. De distributeurskortingen worden vastgesteld door [vertrouwelijk] op Scania’s hoofdkantoor, maar worden tevens besproken in het prijscomité. De uiteindelijke beslissing over de nettoprijs voor de Scaniadistributeur wordt genomen door [vertrouwelijk] (overweging 45 van het bestreden besluit).
26 Voorts deelt de nationale Scaniadistributeur zijn eigen lijst met brutoprijzen (bestaande uit de nettodistributeursprijs plus de winstmarge) voor elk van de verschillende onderdelen van een vrachtwagen mee aan de Scaniadealers in zijn gebied (overweging 46 van het bestreden besluit).
27 De Scaniadealer zal met de distributeur onderhandelen over een „nettodealerprijs”, die gebaseerd is op de brutoprijslijst van de distributeur minus een aanzienlijke dealerkorting (overweging 47 van het bestreden besluit).
28 [vertrouwelijk].
29 De klanten die bij Scaniadealers vrachtwagens kopen, betalen de „klantenprijs”. De „klantenprijs” bestaat uit de nettodealerprijs, vermeerderd met de winstmarge van de dealer en eventuele uit de aanpassing van de vrachtwagen voortvloeiende kosten, en verminderd met eventuele aan de klant aangeboden kortingen en promoties (overweging 48 van het bestreden besluit). De Commissie stelt vast dat de prijswijziging in welk stadium van de distributieketen dan ook een beperkte of geen invloed zal hebben op de uiteindelijk door de afnemer betaalde prijs (overweging 48 van het bestreden besluit).
30 De Commissie merkt op dat de FGPL wereldwijd van toepassing is, terwijl de nettodistributeursprijs en de brutoprijslijst van de distributeur gelden voor de regio waarin de distributeur werkzaam is. Voorts wordt de door de dealer bedongen prijs toegepast in de regio waarin de dealer werkzaam is (overweging 49 van het bestreden besluit).
31 Overweging 50 van het bestreden besluit bevat een schema met de verschillende stadia van het prijszettingsmechanisme binnen Scania, zoals beschreven in de punten 24 tot en met 29 hierboven. Dit schema is door verzoeksters verstrekt in het kader van de administratieve procedure en ziet eruit als volgt:
d) Gevolgen van prijsverhogingen op Europees niveau voor de prijzen op nationaal niveau
32 In de overwegingen 51 en 52 van het bestreden besluit onderzoekt de Commissie de gevolgen van prijsverhogingen op Europees niveau voor de prijzen op nationaal niveau. Dienaangaande merkt de Commissie op dat de nationale distributeurs van fabrikanten, zoals Scania DE, de brutoprijzen en de brutoprijslijsten niet autonoom vaststellen en dat alle prijzen die in elk stadium van de distributieketen tot bij de eindafnemer worden toegepast, voortvloeien uit de pan-Europese brutoprijslijsten die door het hoofdkantoor zijn vastgesteld (overweging 51 van het bestreden besluit).
33 Hieruit volgt volgens de Commissie dat een door het hoofdkantoor besliste verhoging van de prijzen op de pan-Europese brutoprijslijst bepalend is voor de ontwikkeling van de „nettodistributeursprijs”, dat wil zeggen de prijs die de distributeur voor de aankoop van de vrachtwagen betaalt aan het hoofdkantoor. Volgens de Commissie beïnvloedt de verhoging van bovenbedoelde brutoprijzen door het hoofdkantoor derhalve ook het niveau van de brutodistributeursprijs, namelijk de prijs die de dealer aan de distributeur betaalt, ook al wordt de prijs voor de eindafnemer niet noodzakelijkerwijs in dezelfde mate of in het geheel niet gewijzigd (overweging 52 van het bestreden besluit).
2. Heimelijke contacten tussen Scania en de schikkende partijen
34 De Commissie stelt bij het bestreden besluit vast dat Scania aan heimelijke bijeenkomsten en contacten met de schikkende partijen heeft deelgenomen binnen verschillende fora en op verschillende niveaus die in de loop van de tijd ontwikkelingen hebben doorgemaakt, terwijl de deelnemende ondernemingen, de doelstellingen en de betrokken producten dezelfde zijn gebleven (overweging 75 van het bestreden besluit).
35 De Commissie stelt vast dat er op drie niveaus heimelijke contacten waren.
36 In de eerste plaats stelt de Commissie vast dat topmanagers van de kartelpartijen in de beginjaren van de inbreuk besprekingen voerden over hun voornemens op het gebied van prijszetting, toekomstige brutoprijsverhogingen, soms ook de ontwikkeling van nettoafnemersprijzen, en weleens afspraken hebben gemaakt over de verhoging van hun brutoprijzen. In het bestreden besluit noemt de Commissie dit niveau van heimelijke contacten het „bestuursniveau” (top management). De Commissie voegt daaraan toe dat de kartelpartijen tijdens de bijeenkomsten op bestuursniveau ook afspraken hebben gemaakt over het tijdschema en de doorberekening van kosten voor de invoering van vrachtwagenmodellen die voldoen aan de Euro 3- tot Euro 5-normen, en dat bij bepaalde gelegenheden is afgesproken de betrokken technologieën niet vóór een bepaalde datum in te voeren (overweging 75 van het bestreden besluit). De Commissie stelt vast dat de bijeenkomsten op bestuursniveau hadden plaatsgevonden tussen 1997 en 2004 [overweging 327, onder a), van het bestreden besluit].
37 In tweede plaats stelt de Commissie vast dat gedurende een beperkte periode en parallel met de bijeenkomsten op bestuursniveau besprekingen plaatsvonden op het niveau van het middenmanagement van het hoofdkantoor van de kartelpartijen, in het kader waarvan naast technische informatie ook gegevens over prijzen en brutoprijsverhogingen werden uitgewisseld. In het bestreden besluit noemt de Commissie dit niveau van heimelijke contacten het „lagere niveau van het hoofdkantoor” (lower headquarters level) (overweging 75 van het bestreden besluit). De Commissie stelt vast dat de bijeenkomsten op het lagere niveau van het hoofdkantoor plaatsvonden tussen 2000 en 2008 [overweging 327, onder a), van het bestreden besluit].
38 In de derde plaats stelt de Commissie vast dat de kartelpartijen na de invoering van de euro en de invoering door bijna alle vrachtwagenfabrikanten van voor heel Europa geldende brutoprijslijsten, de systematische coördinatie van hun toekomstige prijsvoornemens hebben voortgezet via hun Duitse dochterondernemingen. In het bestreden besluit noemt de Commissie dit niveau van heimelijke contacten het „Duitse niveau” (German level meetings). De Commissie wijst erop dat de vertegenwoordigers van de Duitse dochterondernemingen naar analogie met de contacten in de beginjaren van het kartel besprekingen voerden over de toekomstige brutoprijsverhogingen, het tijdschema en de doorberekening van kosten voor de invoering van voor de Euro 3- tot Euro 6-normen vereiste emissietechnologieën voor middelzware en zware vrachtwagens. Zij wisselden ook andere commercieel gevoelige informatie uit (overweging 76 van het bestreden besluit). De Commissie stelt vast dat de bijeenkomsten op Duits niveau plaatsvonden vanaf 2004 [overweging 327, onder a), van het bestreden besluit].
3. Toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst
a) Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragen
39 Volgens de Commissie blijkt uit de bewijsstukken in het dossier dat voornoemde contacten betrekking hadden op: – door de karteldeelnemers voorgenomen wijzigingen in de brutoprijzen, de brutoprijslijsten, het tijdschema van die wijzigingen en, incidenteel, uitwisselingen over voorgenomen wijzigingen in de nettoprijzen of wijzigingen in de aan klanten aangeboden kortingen [overweging 212, onder a), van het bestreden besluit]; – het tijdstip van invoering van voor de Euro 3- tot Euro 6-normen vereiste emissietechnologieën voor middelzware en zware vrachtwagens en de doorberekening van kosten voor de invoering van deze technologieën [overweging 212, onder b), van het bestreden besluit]; – het delen van andere mededingingsgevoelige informatie, zoals beoogde marktaandelen, actuele nettoprijzen en kortingen, brutoprijslijsten (zelfs alvorens deze van kracht werden), vrachtwagenconfigurators, bestellingen en voorraadniveaus [overweging 212, onder c), van het bestreden besluit].
40 De Commissie wijst erop dat de partijen multilaterale contacten onderhielden op verschillende niveaus en dat er soms op meerdere niveaus gezamenlijke contacten en bijeenkomsten waren. Volgens de Commissie hielden deze contacten verband met elkaar door de inhoud ervan, het tijdstip ervan, de openlijke verwijzingen naar elkaar en de onderlinge doorgifte van de verkregen informatie (overweging 213 van het bestreden besluit).
41 Volgens de Commissie hielden deze activiteiten een vorm van coördinatie en samenwerking in waarbij de partijen de mededingingsrisico’s welbewust vervingen door feitelijke samenwerking. De betrokken handelwijze nam de vorm aan van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging waarbij de concurrerende ondernemingen ervan afzagen om zelfstandig te bepalen welk commercieel beleid zij op de markt wilden voeren en in plaats daarvan hun prijsgedrag via rechtstreekse contacten coördineerden en zich ertoe verbonden de invoering van technologieën gecoördineerd uit te stellen (overweging 214 van het bestreden besluit). Volgens de Commissie heeft de systematische deelneming aan heimelijke contacten geleid tot een klimaat van wederzijds begrip van het prijsbeleid van de partijen (overweging 215 van het bestreden besluit).
42 De Commissie stelt vast dat Scania gedurende de gehele duur van de inbreuk regelmatig deelnam aan de verschillende vormen van heimelijke afspraken en concludeert dat de inbreuk waaraan zij heeft deelgenomen, de vorm aannam van een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (overweging 229 van het bestreden besluit).
b) Beperking van de mededinging
43 De Commissie verklaart dat het mededingingsverstorende gedrag in casu de beperking van de mededinging ten doel had (overweging 236 van het bestreden besluit).
44 Het belangrijkste onderdeel van alle overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen dat als mededingingsbeperkend kon worden aangemerkt, was volgens de Commissie de coördinatie van de prijzen en de brutoprijsverhogingen via contacten over prijzen, de coördinatie van het tijdschema voor de marktintroductie van nieuwe emissieconforme vrachtwagens en de daaraan verbonden extra kosten, en de uitwisseling van mededingingsgevoelige informatie (overweging 237 van het bestreden besluit).
45 De Commissie stelt vast dat Scania heeft deelgenomen aan de in punt 39 hierboven beschreven heimelijke contacten en dat alle overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen waaraan zij heeft deelgenomen, ertoe strekten de mededinging te beperken in de zin van artikel 101 VWEU (overwegingen 238 en 239 van het bestreden besluit).
c) Eén enkele voortdurende inbreuk
46 Volgens de Commissie vormden de overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen Scania en de schikkende partijen één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst gedurende de periode van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011. De inbreuk bestond uit heimelijke afspraken over de prijzen en de brutoprijsverhogingen in de EER voor middelzware en zware vrachtwagens, alsmede over het tijdschema en de doorberekening van kosten voor de invoering van voor de Euro 3- tot Euro 6-normen vereiste emissietechnologieën voor middelzware en zware vrachtwagens (overweging 315 van het bestreden besluit).
47 De Commissie was meer bepaald van mening dat de partijen via de mededingingsverstorende contacten een gemeenschappelijk plan met één enkel mededingingsverstorend doel hadden nagestreefd en dat Scania op de hoogte was of had moeten zijn van de algemene reikwijdte en de wezenlijke kenmerken van het netwerk van heimelijke contacten en de bedoeling had om door haar handelingen mee te werken aan het kartel (overweging 316 van het bestreden besluit).
48 De Commissie stelt vast dat het enige mededingingsverstorende doel erin bestond de mededinging op de markt voor middelzware en zware vrachtwagens in de EER te beperken. Volgens haar werd dat doel bereikt via de feitelijke gedragingen die de strategische onzekerheid tussen de partijen verminderden met betrekking tot de toekomstige prijzen en brutoprijsverhogingen, en het tijdschema en de doorberekening van kosten voor de invoering van milieuconforme vrachtwagens (overweging 317 van het bestreden besluit).
d) Geografische reikwijdte van de inbreuk
49 Volgens de Commissie bestreek de geografische reikwijdte van de inbreuk de gehele EER voor de gehele duur van de inbreuk (overweging 386 van het bestreden besluit).
4. Adressaten
50 In de eerste plaats is het zo dat de Commissie het bestreden besluit heeft gericht tot Scania CV AB en Scania DE, die zij voor de volgende perioden rechtstreeks aansprakelijk achtte voor de inbreuk: – wat Scania CV AB betreft, voor de periode van 17 januari 1997 tot en met 27 februari 2009; – wat Scania DE betreft, voor de periode van 20 januari 2004 tot en met 18 januari 2011 (overweging 410 van het bestreden besluit).
51 Voorts heeft de Commissie in de tweede plaats vastgesteld dat Scania AB in de periode van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011 direct of indirect alle aandelen hield in Scania CV AB, die op haar beurt direct of indirect alle aandelen hield in Scania DE (overweging 411 van het bestreden besluit). Bijgevolg heeft de Commissie verklaard dat zij het bestreden besluit ook richtte tot de volgende entiteiten, die als moedermaatschappijen hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk werden gehouden: – Scania AB, die aansprakelijk was voor het gedrag van Scania CV AB voor de periode van 17 januari 1997 tot en met 27 februari 2009 en daarnaast ook voor het gedrag van Scania DE voor de periode van 20 januari 2004 tot en met 18 januari 2011; – Scania CV AB, als aansprakelijke voor het gedrag van Scania DE voor de periode van 20 januari 2004 tot en met 18 januari 2011 (overweging 412 van het bestreden besluit).
52 De Commissie was van oordeel dat de adressaten van het bestreden besluit de entiteiten Scania AB, Scania CV AB en Scania DE waren (overweging 413 van het bestreden besluit).
5. Berekening van de hoogte van de geldboete
53 De Commissie pastte in de onderhavige zaak de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van geldboeten”) toe.
a) Basisbedrag van de geldboete
54 In de eerste plaats werd de waarde van de verkopen berekend op basis van verzoeksters’ EER-verkopen van zware vrachtwagens (gecorrigeerd om rekening te houden met de geografische ontwikkeling van de EER) in 2010, het laatste volledige jaar van de inbreuk (overwegingen 429 tot en met 431 van het bestreden besluit). Op grond van de berekening van de Commissie kwam die waarde overeen met een bedrag van [vertrouwelijk] EUR.
55 Volgens de Commissie konden, gelet op de omvang van de waarde van verzoeksters’ verkopen, de aan artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 ten grondslag liggende doelstellingen van afschrikking en evenredigheid worden bereikt zonder gebruik te maken van de totale waarde van verzoeksters’ verkopen van zware vrachtwagens in 2010. De Commissie heeft daarom in overeenstemming met punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten besloten om de geldboete te berekenen op slechts een deel van de totale waarde van de verkopen, namelijk het bedrag van [vertrouwelijk] EUR (overwegingen 432 en 433 van het bestreden besluit). De Commissie heeft erop gewezen dat het voor Scania vastgestelde percentage van de omzet overeenkwam met het percentage dat in het schikkingsbesluit voor de schikkende partijen was vastgesteld (overweging 432 in fine van het bestreden besluit).
56 Wat in de tweede plaats de ernst van de inbreuk betreft, heeft de Commissie de in casu gebruikte coëfficiënt voor de ernst (te weten het in aanmerking genomen percentage van de omzet) vastgesteld op 17 %, waarbij zij rekening hield met ten eerste het feit dat de overeenkomsten inzake prijscoördinatie naar hun aard tot de ernstigste inbreuken op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst behoren, ten tweede de omstandigheid dat het kartel de gehele EER bestreek en ten derde het grote gecumuleerde marktaandeel van de bij het kartel betrokken ondernemingen (dat meer dan 90 % bedroeg) (overwegingen 434 tot en met 437 van het bestreden besluit).
57 In de derde plaats heeft de Commissie het uit punt 56 hierboven voortvloeiende bedrag op basis van de duur van Scania’s deelneming aan de inbreuk vermenigvuldigd met 14, zijnde het aantal jaren dat zij daaraan heeft deelgenomen (overwegingen 438 en 439 van het bestreden besluit).
58 In de vierde plaats heeft de Commissie het basisbedrag overeenkomstig punt 25 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten verhoogd met een extra bedrag (toetredingsrecht) ten belope van 17 % van de vastgestelde waarde van de verkopen (overwegingen 440 en 441 van het bestreden besluit).
59 Op basis van deze berekeningen kwam de Commissie tot de slotsom dat het basisbedrag van de geldboete 880523000 EUR bedroeg (overweging 442 van het bestreden besluit).
b) Eindbedrag van de geldboete
60 Volgens de Commissie waren er in casu geen verzwarende of verzachtende omstandigheden die het basisbedrag van de aan Scania opgelegde geldboete konden wijzigen (overweging 444 van het bestreden besluit). Zij kwam derhalve tot de slotsom dat het eindbedrag van de geldboete 880523000 EUR bedroeg en dat dit bedrag niet hoger was dan het wettelijke maximum van 10 % van Scania’s omzet (overwegingen 445 tot en met 447 van het bestreden besluit).
6. Dispositief van het bestreden besluit
61 Het dispositief van het bestreden besluit luidt als volgt: „Artikel 1 De hiernavolgende juridische entiteiten van Scania hebben door overleg over de prijzen en de brutoprijsverhogingen in de EER voor middelzware en zware vrachtwagens, alsmede over het tijdschema en de doorberekening van kosten voor de invoering van voor de Euro 3- tot Euro 6-normen vereiste emissietechnologieën voor middelzware en zware vrachtwagens inbreuk gemaakt op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de [EER-Overeenkomst] gedurende de hiernavolgende perioden: a) Scania AB (publ) voor de periode van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011; b) Scania CV AB (publ) voor de periode van 17 januari 1997 tot en met 18 januari 2011; c) Scania DE voor de periode van 20 januari 2004 tot en met 18 januari 2011. Artikel 2 Voor de in artikel 1 genoemde inbreuk worden de volgende geldboeten opgelegd: 880523000 EUR aan Scania AB (publ) en Scania CV AB (publ), hoofdelijk en gezamenlijk, waarbij Scania DE hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk wordt gehouden voor de betaling van 440003282 EUR. […]”
II. Procedure en conclusies van partijen
62 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 december 2017, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
63 Bij brief van 20 februari 2019 heeft de griffie van het Gerecht partijen in kennis gesteld van de sluiting van de schriftelijke behandeling.
64 Bij een op 11 maart 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte hebben verzoeksters een verzoek om een pleitzitting ingediend. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn geen standpunt over het houden van een pleitzitting ingenomen.
65 Bij de wijziging in de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Tiende kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.
66 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tiende kamer) besloten de mondelinge behandeling te openen.
67 Op voorstel van de Tiende kamer heeft het Gerecht de zaak krachtens artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering verwezen naar een uitgebreide kamer.
68 In het licht van de COVID-19-gezondheidscrisis is de op 2 april 2020 geplande pleitzitting uitgesteld.
69 Wegens verhindering van een lid van de uitgebreide Tiende kamer heeft de president van het Gerecht de vicepresident van het Gerecht aangewezen om de uitgebreide Tiende kamer te completeren en dus als president ervan op te treden.
70 Bij brief van 5 juni 2020 hebben verzoeksters op grond van artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering verzocht om weglating, ten opzichte van het publiek, van bepaalde gegevens uit het rapport ter terechtzitting. Bij brief van dezelfde datum heeft de Commissie op dezelfde basis verzocht om weglating, ten opzichte van het publiek, van bepaalde gegevens uit met name het rapport ter terechtzitting en het eindarrest.
71 Bij brief van 5 juni 2020 heeft de Commissie op grond van artikel 109, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verzocht om de pleitzitting achter gesloten deuren te houden. Verzoeksters hebben hun opmerkingen over dit verzoek ingediend op 9 juni 2020.
72 Op 12 juni 2020 heeft het Gerecht besloten om de pleitzitting achter gesloten deuren te houden.
73 Partijen zijn gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen die het Gerecht op de pleitzitting van 18 juni 2020 heeft gesteld.
74 Op de pleitzitting heeft het Gerecht de partijen te kennen gegeven dat het naar zijn oordeel voor de beslechting van het geschil noodzakelijk was om bepaalde in het bestreden besluit genoemde documenten te onderzoeken.
75 Nadat de Commissie bij brief van 23 juni 2020 opheldering had verschaft over de inhoud van de in punt 74 hierboven bedoelde documenten en de erop toepasselijke wettelijke regeling, heeft het Gerecht bij beschikking van 14 juli 2020 een maatregel van instructie en een maatregel tot organisatie van de procesgang vastgesteld, waarbij de Commissie is verzocht deze documenten over te leggen. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan het verzoek van het Gerecht voldaan.
76 De mondelinge behandeling is gesloten op 26 oktober 2020.
77 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – bij gebreke daarvan, het bestreden besluit gedeeltelijk nietig te verklaren en het bedrag van de hun krachtens artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening nr. 1/2003 opgelegde geldboete te verlagen; – in elk geval zijn eigen oordeel over het bedrag van de hun opgelegde geldboete in de plaats te stellen van dat van de Commissie en dit bedrag te verlagen als bedoeld in artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening nr. 1/2003; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
78 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
A. Weglating van bepaalde gegevens ten opzichte van het publiek
79 Bij haar brief van 5 juni 2020 (zie punt 70 hierboven) heeft de Commissie met name verzocht om de gegevens waarvan de schikkende partijen haar hadden verzocht om weglating uit de niet-vertrouwelijke versie van het bestreden besluit, weg te laten ten opzichte van het publiek. De Commissie heeft het Gerecht laten weten dat de schikkende partijen zich met betrekking tot laatstgenoemde verzoeken hadden gewend tot de raadadviseur-auditeur op grond van artikel 8 van besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB 2011, L 275, blz. 29) en dat de raadadviseur-auditeur op dat moment over de voornoemde verzoeken van de schikkende partijen nog geen besluit had genomen.
80 Bij de toepassing van artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering dient het Gerecht, mede gelet op het recht van het publiek op toegang tot rechterlijke beslissingen overeenkomstig de in artikel 15 VWEU neergelegde beginselen, een evenwicht te vinden tussen enerzijds het beginsel van openbaarheid van rechterlijke beslissingen en anderzijds het recht op bescherming van persoonsgegevens en het recht op bescherming van het beroepsgeheim (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 oktober 2020, Broughton/Eurojust, T‑87/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:464, punt 49).
81 In het kader van deze evenwichtsoefening heeft het Gerecht in casu besloten om in de niet-vertrouwelijke versie van het onderhavige arrest de namen van de natuurlijke personen te anonimiseren en de namen van andere rechtspersonen dan verzoeksters weg te laten. Het heeft eveneens besloten om een aantal gegevens weg te laten die met name betrekking hebben op het prijszettingsmechanisme binnen Scania en de berekening van de haar opgelegde geldboete, waarvan de weglating geen gevolgen heeft voor het begrip van de niet-vertrouwelijke versie van het arrest.
82 Het Gerecht heeft daarentegen besloten om de in de verzoeken van de schikkende partijen aan de Commissie bedoelde gegevens (zie punt 79 hierboven) niet weg te laten uit de niet-vertrouwelijke versie van het arrest. Sommige van deze gegevens kunnen immers worden afgeleid uit de inhoud van de documenten die op de website van het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie zijn gepubliceerd, en behoren dus tot het publieke domein. Bij een aantal andere gegevens is er louter sprake van juridische kwalificaties van het gedrag van de schikkende partijen en van Scania of gaat het om feitelijke verduidelijkingen met betrekking tot dat gedrag. De weglating van deze gegevens zou gevolgen hebben voor de manier waarop het publiek het arrest van het Gerecht begrijpt.
83 Het door de Commissie aangevoerde feit dat de raadadviseur-auditeur zich nog niet over de verzoeken van de schikkende partijen heeft uitgesproken, heeft geen invloed op de beoordeling van het Gerecht. De beoordeling van de raadadviseur-auditeur ziet immers op de vaststelling van de niet-vertrouwelijke versie van het bestreden besluit, terwijl de beoordeling van het Gerecht in het kader van artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering ziet op de vaststelling van de niet-vertrouwelijke versie van het arrest. Deze twee beoordelingen dienen dus andere doelen en het Gerecht moet dan ook onafhankelijk van het verloop van de procedure bij de raadadviseur-auditeur te werk gaan.
B. Ten gronde
84 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters negen middelen aan.
85 Met hun eerste middel beroepen verzoeksters zich op schending van de rechten van de verdediging, van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het vermoeden van onschuld, welke schending met name voortvloeit uit de vaststelling van het schikkingsbesluit voorafgaand aan de vaststelling van het bestreden besluit. In het kader van het tweede middel, ontleend aan schending van artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en van artikel 27, leden 1 en 2, van verordening nr. 1/2003, verwijten verzoeksters de Commissie in wezen dat zij heeft geweigerd om hun toegang te geven tot alle antwoorden van [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] op de mededeling van punten van bezwaar.
86 Het derde, het vierde, het vijfde, het zesde en het zevende middel, die met name zijn ontleend aan de onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, zijn in wezen gericht tegen de conclusie van de Commissie dat er in casu sprake is van één enkele voortdurende inbreuk die toerekenbaar is aan Scania.
87 Met het achtste middel, ontleend aan een onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU, van artikel 53 van de EER-Overeenkomst en van artikel 25 van verordening 1/2003, verwijten verzoeksters de Commissie dat zij hun een geldboete heeft opgelegd voor een gedraging die verjaard is en in elk geval geen rekening heeft gehouden met het feit dat deze gedraging geen voortgezet karakter had.
88 Het negende middel is ontleend aan het feit dat, waar het gaat om de hoogte van de geldboete, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden. Voorts baseren verzoeksters zich op dit middel om het Gerecht subsidiair te verzoeken het bedrag van de geldboete te verlagen krachtens artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening nr. 1/2003.
1. Eerste middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging, van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het vermoeden van onschuld
89 Tot staving van het eerste middel betogen verzoeksters in wezen dat het schikkingsbesluit en het bestreden besluit, die zijn vastgesteld op basis van dezelfde bezwaren als geformuleerd in de aan de schikkende partijen en verzoeksters gerichte mededeling van punten van bezwaar, betrekking hebben op hetzelfde vermeende kartel en allebei berusten op dezelfde feiten en hetzelfde bewijsmateriaal.
90 Op basis van dat uitgangspunt voeren verzoeksters in de eerste plaats aan dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met hun rechten van verdediging als bedoeld in artikel 48, lid 2, van het Handvest en artikel 27, leden 1 en 2, van verordening nr. 1/2003, voor zover de Commissie de feiten in het schikkingsbesluit juridisch heeft gekwalificeerd en de gedraging waaraan Scania had deelgenomen als inbreuk heeft aangemerkt, alvorens Scania in de gelegenheid te stellen haar rechten van verdediging daadwerkelijk uit te oefenen.
91 In de tweede plaats stellen verzoeksters dat de Commissie niet heeft voldaan aan haar verplichting om een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek te verrichten, welke voortvloeit uit het beginsel van behoorlijk bestuur van artikel 41, lid 1, van het Handvest, doordat zij het schikkingsbesluit vóór de vaststelling van het bestreden besluit heeft vastgesteld en daardoor niet meer in staat was onpartijdig te handelen en de door Scania in de loop van de procedure tot vaststelling van het bestreden besluit aangevoerde bewijselementen en argumenten objectief te beoordelen.
92 Verzoeksters voegen daaraan toe dat in die omstandigheden zelfs een volledig onderzoek door het Gerecht van het door de Commissie aangevoerde en in haar dossier opgenomen bewijsmateriaal deze schending van artikel 41, lid 1, van het Handvest niet kan verhelpen.
93 In de derde plaats stellen verzoeksters dat het bestreden besluit schending inhoudt van het vermoeden van onschuld, waarvan de eerbiediging wordt gewaarborgd door artikel 48, lid 1, van het Handvest. Zij betogen meer bepaald dat de Commissie in het schikkingsbesluit haar definitieve standpunt heeft ingenomen op basis van dezelfde feiten als die in de mededeling van punten van bezwaar en bij dat besluit heeft geconcludeerd dat deze feiten, aan de verwezenlijking waarvan ook Scania zou hebben deelgenomen, een inbreuk vormden. Die verklaring gaat verder dan het louter verwijzen naar Scania’s mogelijke aansprakelijkheid en houdt derhalve schending in van het recht op het vermoeden van onschuld dat Scania moet genieten totdat de Commissie het tegendeel bewijst.
94 Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat de opvatting dat schending van het vermoeden van onschuld er niet toe doet zolang de Commissie er niet toe wordt gebracht een „slecht” besluit vast te stellen, namelijk een besluit waarin de vaststelling van de inbreuk niet naar behoren is gestaafd met bewijsmateriaal, het vermoeden van onschuld in de praktijk ontdoet van zijn inhoud en zijn doel, omdat indien de verzoekende partij de onjuistheid van het besluit kan aantonen, zij niet hoeft aan te voeren dat de procedure niet eerlijk is verlopen.
95 Verzoeksters concluderen dat de Commissie, gelet op het feit dat het schikkingsbesluit vóór het bestreden besluit is vastgesteld, laatstgenoemd besluit ten aanzien van Scania niet kon vaststellen op een onpartijdige wijze en zonder onherstelbare schending van haar recht om te worden gehoord en van het vermoeden van onschuld.
96 De Commissie betwist verzoeksters’ argumenten en concludeert tot afwijzing van het eerste middel.
97 Zoals verzoeksters ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht hebben bevestigd, dient er vooraf op te worden gewezen dat zij in het kader van het eerste middel opkomen tegen het „hybride” karakter van de door de Commissie gevolgde procedure, hetwelk in de omstandigheden van de onderhavige zaak tot de gestelde inbreuken heeft geleid, namelijk schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, niet-nakoming van de verplichting tot onpartijdigheid en schending van de rechten van verdediging van Scania, die zich had teruggetrokken uit de schikkingsprocedure. Met name het feit dat het schikkingsbesluit is vastgesteld vóór het bestreden besluit, maakt deze schendingen nog erger.
98 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 10 bis van verordening nr. 773/2004, met als opschrift „Schikkingsprocedure in kartelzaken”, bepaalt: „1. Na de inleiding van de procedure op grond van artikel 11, lid 6, van verordening […] nr. 1/2003 kan de Commissie een termijn vaststellen waarbinnen de partijen schriftelijk kunnen aangeven dat zij bereid zijn schikkingsgesprekken te voeren, met als doel om eventueel verklaringen met het oog op een schikking in te dienen. De Commissie is niet verplicht rekening te houden met antwoorden die zij na het verstrijken van die termijn ontvangt. […] 2. Partijen die aan schikkingsgesprekken deelnemen, kunnen door de Commissie in kennis worden gesteld van: a) de bezwaren die zij voornemens is jegens hen aan te voeren; b) het bewijsmateriaal waarvan wordt gebruikgemaakt om de beoogde bezwaren vast te stellen; c) niet-vertrouwelijke versies van ieder specifiek, toegankelijk document dat op dat tijdstip in het dossier van de zaak is opgenomen, voor zover een verzoek van een partij gerechtvaardigd is om die partij in staat te stellen haar positie ten aanzien van een bepaalde periode of enig ander specifiek aspect van het kartel te bepalen, en d) de bandbreedte van mogelijke geldboeten. […] Indien de schikkingsgesprekken vorderen, kan de Commissie een termijn vaststellen waarbinnen de partijen zich ertoe kunnen verbinden de schikkingsprocedure te volgen door verklaringen met het oog op een schikking in te dienen waarin de uitkomsten van de schikkingsgesprekken zijn weergegeven en waarin zij hun betrokkenheid bij een schending van artikel 101 [VWEU] en hun aansprakelijkheid erkennen. […] Voordat de Commissie een termijn vaststelt voor het indienen van verklaringen met het oog op een schikking, hebben de betrokken partijen het recht om, op hun verzoek, tijdig inzage te krijgen in de in de eerste alinea bedoelde gegevens. De Commissie is niet verplicht rekening te houden met verklaringen met het oog op een schikking die zij na het verstrijken van die termijn ontvangt. […] 3. Wanneer de inhoud van de door de partijen met het oog op een schikking gedane verklaringen in de aan de partijen kennisgegeven mededeling van punten van bezwaar is weergegeven, wordt door het schriftelijke antwoord van de betrokken partijen op de mededeling van punten van bezwaar, binnen een door de Commissie vast te stellen termijn, bevestigd dat de aan hen gerichte mededeling van punten van bezwaar de inhoud van hun met het oog op een schikking gedane verklaringen weergeeft. De Commissie kan daarop, na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities overeenkomstig artikel 14 van verordening […] nr. 1/2003, overgaan tot het geven van een beschikking op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening […] nr. 1/2003. 4. De Commissie kan op ieder tijdstip in de procedure besluiten om schikkingsgesprekken volledig stop te zetten in een bepaalde zaak of ten aanzien van één of meer van de betrokken partijen, indien zij van menig is dat procedurele voordelen in het gedrang komen.”
99 Meteen zij opgemerkt dat deze bepaling zich niet ertegen verzet, noch uitsluit dat de Commissie in het kader van de toepassing van artikel 101 VWEU een „hybride” procedure volgt.
100 Voorts heeft het Gerecht reeds erkend dat de Commissie een dergelijke „hybride” procedure mag volgen en een schikkingsprocedure mag toepassen ten aanzien van de ondernemingen die verklaringen met het oog op een schikking indienen, terwijl zij ten aanzien van de ondernemingen die geen dergelijke verklaringen met het oog op een schikking wensen in te dienen, de procedure voortzet die wordt beheerst door de algemene bepalingen van verordening nr. 773/2004 veeleer dan door de op de schikkingsprocedure toepasselijke bepalingen (zie in die zin arrest van 20 mei 2015, Timab Industries en CFPR/Commissie, T‑456/10, EU:T:2015:296, punten 70, 71 en 104, bevestigd in hogere voorziening bij arrest van 12 januari 2017, Timab Industries en CFPR/Commissie, C‑411/15 P, EU:C:2017:11, punten 119 en 136).
101 Bovendien heeft het Gerecht ook bevestigd dat de Commissie over de mogelijkheid beschikt om in een eerste fase een schikkingsbesluit vast te stellen ten aanzien van de partijen die hebben besloten te schikken, en in een tweede fase een besluit volgens de gewone procedure ten aanzien van de partijen die hebben besloten niet te schikken, op voorwaarde evenwel dat zij het beginsel van het vermoeden van onschuld eerbiedigt, met name wanneer de vaststelling van het schikkingsbesluit niet vereist dat de aansprakelijkheid van de niet-schikkende partij wordt vastgesteld (zie in die zin arrest van 10 november 2017, Icap e.a./Commissie, T‑180/15, EU:T:2017:795, punten 265 tot en met 268, bevestigd in hogere voorziening bij arrest van 10 juli 2019, Commissie/Icap e.a., C‑39/18 P, EU:C:2019:584).
102 Zoals de Commissie betoogt, zou het vertragen of afbreken van een schikkingsprocedure op grond dat een van de betrokken ondernemingen, zoals in casu Scania, zich uit die procedure heeft teruggetrokken, indruisen tegen het doel van de schikkingsprocedure zoals uiteengezet in overweging 4 van verordening (EG) nr. 622/2008 van de Commissie van 30 juni 2008 tot wijziging van verordening (EG) nr. 773/2004, wat betreft schikkingsprocedures in kartelzaken (PB 2008, L 171, blz. 3), namelijk ervoor zorgen dat de zaak sneller en doeltreffender wordt afgehandeld met de ondernemingen die hebben gekozen voor een schikking. Bij de verwezenlijking van dit doel mag evenwel geen afbreuk worden gedaan aan de eisen inzake de eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld en de verplichting tot onpartijdigheid.
103 Anders dan verzoeksters stellen, kan uit de door hen ter terechtzitting aangevoerde omstandigheden van de onderhavige zaak, namelijk dat de volledige mededeling van punten van bezwaar was gericht aan alle partijen en dat deze volledige toegang tot het onderzoeksdossier hebben gekregen, niet worden afgeleid dat de Commissie door de toepassing van de in de tijd gespreide „hybride” procedure dat doel van snelheid en doeltreffendheid niet heeft kunnen bereiken. Dat doel wordt immers eveneens beoogd door middel van andere omstandigheden die eigen zijn aan een schikkingsprocedure, zoals de ondubbelzinnige erkenning door de schikkende partijen van hun aansprakelijkheid voor de inbreuk, de aanvaarding van de beperkte uitoefening van hun rechten van verdediging en de bandbreedte van de geldboeten [zie mededeling van de Commissie betreffende schikkingsprocedures met het oog op de vaststelling van beschikkingen op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 in kartelzaken (PB 2008, C 167, blz. 1), punten 20 en 21].
104 Anders dan verzoeksters in wezen betogen, is het is dus zo dat „hybride” procedures in het kader van de toepassing van artikel 101 VWEU, waarbij het schikkingsbesluit en het besluit volgens de gewone procedure gespreid in de tijd worden vastgesteld, niet op zichzelf en in alle omstandigheden een schending van het vermoeden van onschuld of van de rechten van de verdediging, of de niet-nakoming van de verplichting tot onpartijdigheid met zich brengen en niet noodzakelijkerwijze een schending van deze beginselen en rechten inhouden, zoals blijkt uit de in de punten 100 en 101 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.
105 Hieruit volgt dat de Commissie een dergelijke „hybride” procedure waarbij zij het schikkingsbesluit vaststelt vóór het bestreden besluit, mag hanteren, mits er evenwel voor wordt gezorgd dat deze beginselen en rechten ten volle worden geëerbiedigd.
106 Bijgevolg dient te worden onderzocht of de Commissie in de omstandigheden van het geval het vermoeden van Scania’s onschuld heeft geëerbiedigd, haar verplichting tot onpartijdigheid jegens die onderneming is nagekomen en de rechten van verdediging van Scania in acht heeft genomen.
107 Verzoeksters baseren hun grieven van het eerste middel hoofdzakelijk op het uitgangspunt dat het schikkingsbesluit en het bestreden besluit op dezelfde feiten en op hetzelfde bewijsmateriaal berusten. In dat verband verwijzen zij naar feiten die betrekking hebben op het gedrag van de schikkende partijen, zoals die in punt 3 van het schikkingsbesluit, maar „waarbij Scania noodzakelijkerwijs was betrokken”, zodat de groep ondernemingen waarvan het gedrag in het schikkingsbesluit juridisch is gekwalificeerd, niet beperkt is tot de adressaten van dat besluit, maar ook Scania omvat. Verzoeksters betogen eveneens dat het beginsel van het vermoeden van onschuld is geschonden doordat het schikkingsbesluit en het bestreden besluit zijn vastgesteld op basis van dezelfde bezwaren als die in de mededeling van punten van bezwaar, die zowel aan de schikkende partijen als aan verzoeksters was gericht.
108 Dienaangaande moet met betrekking tot de grief ontleend aan schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld in herinnering worden gebracht dat dit beginsel een algemeen beginsel van Unierecht is, dat thans is neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest, en van toepassing is op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (zie arrest van 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punten 72 en 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
109 Zoals blijkt uit de toelichtingen bij het Handvest, correspondeert artikel 48 ervan met artikel 6, leden 2 en 3, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest dient dus bij de uitlegging van artikel 48 van het Handvest rekening te worden gehouden met artikel 6, leden 2 en 3, EVRM als minimumbeschermingsniveau en inspiratie te worden gezocht in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 6, lid 2, EVRM [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld),C‑377/18, EU:C:2019:670, punten 41 en 42]. Artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt immers dat rechten uit het Handvest die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend (zie arrest van 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie, C‑501/11 P, EU:C:2013:522, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
110 Voorts zij erop gewezen dat het EHRM bij arrest van 27 september 2011, A. Menarini Diagnostics S.R.L. tegen Italië (CE:ECHR:2011:0927JUD004350908, §§ 39 tot en met 44), betreffende een sanctie die door de Italiaanse mededingingsautoriteit was opgelegd voor soortgelijke mededingingsverstorende praktijken als die waarvan verzoeksters zijn beschuldigd, heeft geoordeeld dat gelet op het hoge bedrag van de opgelegde geldboete de sanctie door de zwaarte ervan onder het strafrecht viel. Het EHRM heeft evenwel ook geoordeeld dat de aard van een administratieve procedure, zoals die welke in dat arrest aan de orde was, in verschillende opzichten kan verschillen van de aard van strafrechtelijke procedures in strikte zin. Die verschillen ontslaan de verdragsluitende staten weliswaar niet van hun verplichting om alle door het strafrechtelijke deel van artikel 6 EVRM geboden waarborgen in acht te nemen, maar zij kunnen wel van invloed zijn op de wijze waarop deze worden toegepast (EHRM, 27 september 2011, A. Menarini Diagnostics S.R.L. tegen Italië, CE:ECHR:2011:0927JUD004350908, § 62; zie ook in die zin EHRM, 23 november 2006, Jussila tegen Finland, CE:ECHR:2006:1123JUD007305301, § 43).
111 Het vermoeden van onschuld houdt in dat eenieder tegen wie vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Dat beginsel verzet zich derhalve tegen iedere formele vaststelling en zelfs iedere toespeling met betrekking tot de aansprakelijkheid van een beschuldigde in een beslissing waarbij vervolging wordt beëindigd, zonder dat deze persoon alle waarborgen heeft kunnen genieten die inherent zijn aan de uitoefening van het recht van verweer in het kader van een normaal procesverloop dat tot een uitspraak over de gegrondheid van de betwisting leidt (zie arrest van 10 november 2017, Icap e.a./Commissie, T‑180/15, EU:T:2017:795, punt 257 en aldaar aangehaalde rechtspraak, bevestigd in hogere voorziening bij arrest van 10 juli 2019, Commissie/Icap e.a., C‑39/18 P, EU:C:2019:584).
112 Dienaangaande heeft het EHRM geoordeeld dat het voorbarig schuldig verklaren van een verdachte bij een vonnis dat is gewezen ten aanzien van afzonderlijk vervolgde verdachten, in theorie eveneens inbreuk kan maken op het beginsel van het vermoeden van onschuld (zie EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:2014:0227JUD001710310, § 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
113 Volgens het EHRM wordt het beginsel van het vermoeden van onschuld geschonden wanneer een rechterlijke beslissing of een officiële verklaring betreffende een verdachte een duidelijke verklaring bevat, gedaan bij gebreke van een definitieve veroordeling, dat de betrokkene het betrokken strafbare feit heeft gepleegd. In deze context heeft dit Hof de aandacht gevestigd op het belang van de keuze van de bewoordingen die de gerechtelijke autoriteiten gebruiken, alsmede van de bijzondere omstandigheden waarin zij worden geformuleerd, en de aard en de context van de betrokken procedure (zie in die zin EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:2014:0227JUD001710310, § 63).
114 Het EHRM heeft erkend dat het in complexe strafrechtelijke procedures met meerdere verdachten die niet samen kunnen worden beoordeeld, gebeurt dat de nationale rechter verplicht is om voor de beoordeling van de schuld van de verdachten melding te maken van de deelneming van derden, die vervolgens misschien afzonderlijk zullen worden berecht. Het heeft er evenwel op gewezen dat indien melding moet worden gemaakt van feiten met betrekking tot de betrokkenheid van derden, het betrokken gerecht moet vermijden dat meer informatie wordt verstrekt dan noodzakelijk is voor het onderzoek van de juridische aansprakelijkheid van de personen die dat gerecht dient te berechten. Bovendien heeft dat Hof ook benadrukt dat de motivering van rechterlijke beslissingen moet worden geformuleerd in bewoordingen die kunnen voorkomen dat over de schuld van de betrokken derden een mogelijk voorbarig oordeel wordt uitgesproken, hetgeen het billijk onderzoek van de tegen hen in aanmerking genomen tenlasteleggingen in het kader van een afzonderlijke procedure in het gedrang zou kunnen brengen (zie in die zin EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:2014:0227JUD001710310, §§ 64 en 65, en 23 februari 2016, Navalnyy en Ofitserov tegen Rusland, CE:ECHR:2016:0223JUD004663213, § 99).
115 Volgens de rechtspraak van het EHRM kan het vermoeden van onschuld niet alleen worden geschonden door een rechter of een gerecht, maar ook door andere overheidsinstanties (zie EHRM, 15 maart 2011, Begu tegen Roemenië, CE:ECHR:2011:0315JUD002044802, § 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
116 In casu moet worden vastgesteld, zoals de Commissie heeft gedaan, dat geen van de door verzoeksters aangevoerde passages van het schikkingsbesluit een verwijzing naar of toespeling op Scania bevat waaruit zou blijken dat de Commissie op het tijdstip van de vaststelling van dat besluit reeds was vooruitgelopen op de aansprakelijkheid van die onderneming in verband met een inbreuk op artikel 101 VWEU.
117 Dienaangaande moet ten eerste worden gewezen op de inhoud van overweging 4 van het schikkingsbesluit, die luidt als volgt: „Op 20 november 2014 heeft de Commissie de procedure van artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1/2003 ingeleid tegen de adressaten van dit besluit en tegen verschillende entiteiten van een andere onderneming. Die onderneming heeft geen verklaring met het oog op een schikking ingediend als bedoeld in artikel 10 bis, lid 2, van verordening nr. 773/2004. Op het tijdstip van dit [schikkingsbesluit] loopt de administratieve procedure van artikel 7 van verordening nr. 1/2003 tegen deze onderneming nog. Voor alle duidelijkheid: in dit [schikkingsbesluit] wordt ten aanzien van deze onderneming niet vastgesteld dat zij inbreuk heeft gemaakt op het mededingingsrecht van de [Europese] Unie.”
118 De Commissie heeft in overweging 4 van het schikkingsbesluit dus impliciet verwezen naar Scania, namelijk als zijnde een onderneming waartegen de op artikel 7 van verordening nr. 1/2003 gebaseerde administratieve procedure aanhangig was, en voorts door te verklaren dat het schikkingsbesluit met betrekking tot die onderneming geen vaststellingen bevat over een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie. Een dergelijke verwijzing moet hooguit worden aangemerkt als de uiting van een vermoeden van Scania’s aansprakelijkheid, die nog moest worden vastgesteld, en houdt geen schending in van het vermoeden van onschuld (zie in die zin en naar analogie EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:2014:0227JUD001710310, § 63, en 31 oktober 2017, Bauras tegen Litouwen, CE:ECHR:2017:1031JUD005679513, § 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
119 Ten tweede moet er echter op worden gewezen dat uit de expliciete verwijzing in het schikkingsbesluit naar het feit dat Scania’s aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 101 VWEU in dat stadium niet was vastgesteld, weliswaar blijkt dat de Commissie heeft willen voldoen aan haar verplichting tot eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals vastgelegd in de rechtspraak van het EHRM (zie in die zin EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:2014:0227JUD001710310, §§ 67, 69 en 70, en 31 oktober 2017, Bauras tegen Litouwen, CE:ECHR:2017:1031JUD005679513, § 54), te weten aangeven dat tegen Scania een afzonderlijke procedure aanhangig was en dat haar aansprakelijkheid nog niet in rechte vaststond [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 45], maar dat die verwijzing, zoals de Commissie ter terechtzitting in wezen heeft erkend, op zich niet volstaat om schending van dit beginsel uit te sluiten.
120 Zo is het voor het verifiëren of het vermoeden van onschuld is geëerbiedigd, vereist dat de motivering van het schikkingsbesluit steeds in haar geheel en in het licht van de bijzondere omstandigheden waarin dat besluit is vastgesteld, wordt onderzocht teneinde na te gaan of andere passages van dat besluit die kunnen worden opgevat als een voortijdige uitdrukking van Scania’s aansprakelijkheid voor de inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie, de uitdrukkelijke verwijzing naar het ontbreken van de vaststelling van haar aansprakelijkheid niet nutteloos maken [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 46].
121 Verzoeksters verwijzen in dit verband naar punt 3 van het schikkingsbesluit, waarin de gedragingen van de adressaten van dat besluit worden beschreven, en in het bijzonder naar bepaalde passages waarin de Commissie de gedragingen beschrijft waaraan „onder meer” de adressaten van dat besluit hebben deelgenomen (overwegingen 47 en 60 van het schikkingsbesluit).
122 De Commissie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat deze verwijzingen, zelfs indien zij worden gelezen in samenhang met overweging 4 van het schikkingsbesluit, niet mogen worden opgevat als een impliciete verwijzing naar Scania. Verzoeksters hebben geen argumenten aangevoerd waarmee deze uitlegging van de overwegingen 47 en 60 van het schikkingsbesluit kan worden weerlegd.
123 Zelfs als wordt aangenomen dat de Commissie met de verwijzing in het schikkingsbesluit naar de gedragingen van „onder meer” de adressaten ervan impliciet met name Scania heeft beoogd, ziet die verwijzing hoe dan ook niet op haar aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk in de zin van de in punt 111 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, maar hoogstens op haar deelneming aan bepaalde gedragingen die in verband met de schikkende partijen zijn vastgesteld. Zij vormt dus geen „duidelijke” verklaring, gedaan bij gebreke van een definitieve veroordeling, dat Scania het betrokken strafbare feit heeft gepleegd, zoals bedoeld in de in punt 113 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.
124 Zoals de Commissie benadrukt, heeft zij bij het schikkingsbesluit immers de door de adressaten ervan erkende feiten juridisch gekwalificeerd als inbreuken op artikel 101 VWEU en in punt 4 van dat besluit enkel met betrekking tot de adressaten ervan conclusies over de aansprakelijkheid voor die inbreuk geformuleerd.
125 Verzoeksters betogen evenwel dat het vermoeden van Scania’s onschuld is geschonden doordat de Commissie bij het schikkingsbesluit haar definitieve standpunt heeft ingenomen op basis van dezelfde feiten als die in de mededeling van punten van bezwaar en daarbij heeft geconcludeerd dat die feiten, aan de verwezenlijking waarvan ook Scania zou hebben deelgenomen, een inbreuk vormden. Deze verklaring gaat volgens verzoeksters verder dan het louter verwijzen naar Scania’s mogelijke aansprakelijkheid.
126 Dienaangaande moet erop worden gewezen dat de in het schikkingsbesluit vastgestelde feiten blijkens overweging 3 ervan door de schikkende partijen zijn erkend.
127 Het enkele feit dat de adressaten van het schikkingsbesluit hun deelneming aan de inbreuk en hun schuld hebben erkend, kan niet leiden tot de impliciete erkenning van Scania’s aansprakelijkheid wegens haar mogelijke deelneming aan diezelfde feiten door de vaststellingen ten aanzien van de schikkende partijen aldus de facto en de jure automatisch te veranderen in een soort van „verkapt verdict” van de Commissie ten aanzien van Scania (zie in die zin arrest van 28 maart 2019, Pometon/Commissie, T‑433/16, EU:T:2019:201, punt 68).
128 De erkenning door de bij de schikkingsprocedure betrokken kartelleden van hun schuld kan evenwel een invloed hebben op de feiten in verband met de deelneming van een „andere onderneming” die ervan wordt verdacht bij datzelfde kartel betrokken te zijn geweest, namelijk Scania (zie in die zin arrest van 28 maart 2019, Pometon/Commissie, T‑433/16, EU:T:2019:201, punt 92; zie in die zin en naar analogie EHRM, 23 februari 2016, Navalnyy en Ofitserov tegen Rusland, CE:ECHR:2016:0223JUD004663213, § 103). De Commissie moet er dus op toezien dat de door de schikkende partijen toegegeven feiten niet worden overgenomen ten aanzien van een partij die niet aan die procedure deelneemt, zoals Scania, zonder dat in het kader van de gewone procedure een volledig en behoorlijk onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de door laatstgenoemde aangedragen argumenten en bewijselementen (zie in die zin en naar analogie EHRM, 23 februari 2016, Navalnyy en Ofitserov tegen Rusland, CE:ECHR:2016:0223JUD004663213, §§ 103 tot en met 105, en 31 oktober 2017, Bauras tegen Litouwen, CE:ECHR:2017:1031JUD005679513, § 53).
129 Dienaangaande moet erop worden gewezen dat er, vergeleken met de schikkingsprocedure, in het kader van de gewone administratieve procedure voor de betrokken onderneming en de Commissie een situatie van „tabula rasa” geldt waarin de aansprakelijkheden nog moeten worden vastgesteld. Bij de vaststelling van het besluit ten aanzien van Scania volgens de gewone administratieve procedure was de Commissie dus alleen gebonden door de mededeling van punten van bezwaar en diende zij met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor rekening te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder alle inlichtingen en alle argumenten die Scania heeft aangevoerd in het kader van de uitoefening van haar recht om te worden gehoord, zodat zij het dossier met inachtneming van deze elementen opnieuw moest onderzoeken (zie in die zin arrest van 20 mei 2015, Timab Industries en CFPR/Commissie, T‑456/10, EU:T:2015:296, punten 90, 96 en 107, bevestigd in hogere voorziening bij arrest van 12 januari 2017, Timab Industries en CFPR/Commissie, C‑411/15 P, EU:C:2017:11, punten 119 en 136).
130 Bovendien impliceert het feit dat de Commissie een bepaalde juridische kwalificatie van de feiten hanteert ten aanzien van de schikkende partijen op zich niet, zoals de Commissie in overweging 366 van het bestreden besluit benadrukt en ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft bevestigd, dat zij noodzakelijkerwijs dezelfde juridische kwalificatie van de feiten hanteert ten aanzien van Scania aan het einde van de afzonderlijke procedure die haar betreft. Zoals uit de rechtspraak blijkt, staat immers niets eraan in de weg dat de Commissie vaststelt dat de ene partij bij een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging aansprakelijk is op grond van artikel 101 VWEU, terwijl de andere partij dat niet is (zie in die zin arrest van 12 juli 2018, ABB/Commissie, T‑445/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:449, punten 177 tot en met 179 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
131 Wat verzoeksters’ bewering betreft dat het vermoeden van onschuld is geschonden doordat het schikkingsbesluit en het bestreden besluit op hetzelfde bewijsmateriaal berusten, erkent de Commissie dat er sprake is van enige overlapping tussen het bewijsmateriaal waarop zij zich in de twee besluiten heeft gebaseerd.
132 Een dergelijke overlapping van het bewijsmateriaal volstaat op zich evenwel niet om tot slotsom te komen dat in casu het vermoeden van onschuld ten aanzien van verzoeksters niet is geëerbiedigd. Het enkele feit dat de Commissie zich in de twee besluiten op hetzelfde bewijsmateriaal heeft gebaseerd, zegt immers niets over de conclusie die de Commissie daaruit zou kunnen trekken met betrekking tot Scania’s aansprakelijkheid.
133 Zoals de Commissie bovendien terecht aanvoert, verzet het beginsel van het vermoeden van onschuld zich weliswaar tegen de formele vaststelling in het schikkingsbesluit van een inbreuk of iedere toespeling op verzoeksters’ aansprakelijkheid, aangezien deze in het kader van de vaststelling van dat besluit niet alle gebruikelijke waarborgen voor de uitoefening van de rechten van verweer hebben genoten, maar sluit dat beginsel niet uit dat steun kan worden gevonden in gemeenschappelijk bewijsmateriaal, op voorwaarde dat verzoeksters de op dat bewijsmateriaal gebaseerde vaststellingen hebben kunnen betwisten bij de Unierechters (zie in die zin arrest van 12 oktober 2007, Pergan Hilfsstoffe für industrielle Prozesse/Commissie, T‑474/04, EU:T:2007:306, punten 76 en 77), hetgeen in casu het geval is.
134 Verzoeksters’ stelling dat het beginsel van het vermoeden van onschuld is geschonden doordat het schikkingsbesluit en het bestreden besluit zijn vastgesteld op basis van dezelfde bezwaren als die welke zijn aangevoerd in de zowel aan de schikkende partijen als aan verzoeksters gerichte mededeling van punten van bezwaar, kan evenmin worden aanvaard.
135 Dienaangaande moet er ten eerste op worden gewezen dat de Commissie, zoals zij in overweging 367 van het bestreden besluit heeft benadrukt, in de mededeling van punten van bezwaar, die zowel aan Scania als aan de partijen die uiteindelijk aan de schikkingsprocedure hebben deelgenomen is toegezonden, weliswaar vaststellingen heeft gedaan met betrekking tot Scania’s aandeel in en aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk, maar dat het schikkingsbesluit, in tegenstelling tot hetgeen verzoeksters stellen, niet rechtstreeks op die mededeling van punten van bezwaar is gebaseerd, maar wel op de gemeenschappelijke uitlegging die de schikkende partijen en de Commissie aan de bezwaren hebben gegeven na de schikkingsbijeenkomsten overeenkomstig artikel 10 bis, lid 2, van verordening nr. 773/2004 en de punten 16 en 17 van de mededeling van de Commissie betreffende schikkingsprocedures met het oog op de vaststelling van beschikkingen op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 in kartelzaken.
136 Ten tweede dient erop te worden gewezen dat niets verzoeksters ervan weerhield om in het kader van de procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid, en met inachtneming van hun rechten van verdediging de tegen hen in de mededeling van punten van bezwaar aangevoerde bezwaren te weerleggen.
137 De Commissie is uit hoofde van de eerbiediging van de rechten van de verdediging immers verplicht om, alvorens omtrent oplegging van geldboeten te beslissen, de betrokkenen de gelegenheid te geven hun standpunt naar behoren kenbaar te maken met betrekking tot de door haar te hunner aanzien in aanmerking genomen punten van bezwaar, met name met betrekking tot de juistheid en relevantie der gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op artikel 101 VWEU heeft gestaafd (zie in die zin arrest van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, EU:C:1979:36, punten 9 en 11).
138 In het kader van een procedure wegens inbreuk op de mededingingsregels vormt de mededeling van punten van bezwaar de belangrijkste procedurele waarborg daarvoor (zie arrest van 5 maart 2015, Commissie e.a./Versalis e.a., C‑93/13 P en C‑123/13 P, EU:C:2015:150, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139 Hieruit volgt dat verzoeksters met hun betoog dat de Commissie het vermoeden van Scania’s onschuld heeft geschonden doordat het bestreden besluit en het schikkingsbesluit zijn gebaseerd op dezelfde feiten en hetzelfde bewijsmateriaal, alsook op dezelfde bezwaren die in de mededeling van punten van bezwaar ten aanzien van zowel de schikkende partijen als Scania zijn aangevoerd, eraan voorbijgaan i) dat zij bij de uitoefening van hun recht om in het kader van de gewone administratieve procedure te worden gehoord, gerechtigd zijn om alle bewijsmateriaal aan te voeren ter betwisting van de feiten en de bewijselementen waarop de Commissie zich wil baseren en waarmee zij eventueel rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het schikkingsbesluit, alsook ii) dat de Commissie het dossier in het licht van dat nieuwe bewijsmateriaal opnieuw dient te onderzoeken.
140 In casu betwisten verzoeksters niet dat zij vóór de vaststelling van het bestreden besluit in de gelegenheid zijn gesteld om in het kader van de gewone administratieve procedure hun rechten van verdediging zowel schriftelijk als mondeling daadwerkelijk uit te oefenen en om aldus de door de Commissie vastgestelde feiten en bewijselementen tot staving van de tegen hen aangevoerde punten van bezwaar te betwisten. Zoals met name uit overweging 379 van het bestreden besluit blijkt en door verzoeksters niet wordt betwist, hebben zij meer bepaald de gelegenheid gekregen om hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, met inbegrip van de elementen die na de mededeling van punten van bezwaar zijn toegevoegd aan het onderzoeksdossier, zoals uittreksels uit antwoorden van bepaalde schikkende partijen op de mededeling van punten van bezwaar of aanvullend feitenmateriaal dat de Commissie in de loop van de gewone administratieve procedure heeft geïdentificeerd en dat een bevestiging inhoudt van haar voorlopige bevindingen in de mededeling van punten van bezwaar, welke elementen aan Scania zijn meegedeeld bij de „Letter of Facts” van 7 april 2017.
141 Verzoeksters zijn evenwel van mening dat hun argumenten en bewijsmiddelen voor niets zijn geweest, aangezien de Commissie zich reeds heeft uitgesproken over de juridische kwalificatie van de gedraging waaraan Scania zou hebben deelgenomen, als zijnde een inbreuk op artikel 101 VWEU.
142 Zij betogen dus in wezen dat de Commissie, nadat zij de feiten bij het schikkingsbesluit had gekwalificeerd als een inbreuk op artikel 101 VWEU, niet meer in staat was om die beoordeling te heroverwegen en de door Scania aangevoerde bewijselementen en argumenten objectief te beoordelen, of om andere onderzoeksmaatregelen vast te stellen op grond waarvan deze beoordelingen in het schikkingsbesluit ter discussie hadden kunnen worden gesteld of hadden kunnen worden afgezwakt. Het schikkingsbesluit was dus van invloed op de onderzoeksstrategie van de Commissie en uiteindelijk op de inhoud van het bewijsmateriaal waarop de Commissie het bestreden besluit heeft gebaseerd. In dat verband beroepen verzoeksters zich op bepaalde omstandigheden inzake het verloop van de procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid, waaruit het gebrek aan onpartijdigheid van de Commissie blijkt.
143 Aldus voeren zij als tweede grief van het eerste middel aan dat de Commissie in strijd met artikel 41, lid 1, van het Handvest niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om een onpartijdig onderzoek in te stellen.
144 Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat blijkens vaste rechtspraak de Commissie tijdens de administratieve procedure inzake mededingingsregelingen het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur moet eerbiedigen (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 154 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
145 Volgens de bewoordingen van artikel 41 van het Handvest heeft eenieder er onder meer recht op dat zijn zaken onpartijdig door de instellingen van de Unie worden behandeld. Dit vereiste van onpartijdigheid omvat enerzijds de subjectieve onpartijdigheid, in die zin dat geen lid van de betrokken instelling die belast is met de zaak, blijk mag geven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid, en anderzijds de objectieve onpartijdigheid in de zin dat de instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel dienaangaande uit te sluiten (zie arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 155 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
146 Tot de door het Unierecht in administratieve procedures geboden waarborgen, die zijn verbonden aan het beginsel van behoorlijk bestuur, behoort de verplichting van de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie arrest van 27 september 2012, Shell Petroleum e.a./Commissie, T‑343/06, EU:T:2012:478, punt 170 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
147 Vooraf zij opgemerkt dat een schending van het beginsel van onpartijdigheid in omstandigheden als die van de onderhavige zaak, in tegenstelling tot hetgeen de Commissie betoogt, niet uitsluitend moet worden beoordeeld als mogelijk gevolg van schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld bij de vaststelling van het schikkingsbesluit, maar kan voortvloeien uit een ander verzuim van de Commissie om voldoende waarborgen te bieden om elke gerechtvaardigde twijfel over haar onpartijdigheid bij het voeren van de gewone procedure in de zin van de in punt 145 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak uit te sluiten.
148 Uit geen enkel van de door verzoeksters aangevoerde argumenten blijkt evenwel dat de Commissie in casu niet alle nodige waarborgen heeft geboden om bij het onderzoek van de zaak ten aanzien van Scania, en met name bij het onderzoek van de argumenten en bewijselementen die Scania in het kader van de uitoefening van haar rechten van verdediging in de gewone administratieve procedure heeft kunnen aanvoeren, elke gerechtvaardigde twijfel over haar onpartijdigheid uit te sluiten.
149 Dienaangaande moet ten eerste worden beklemtoond dat de Commissie bij het onderzoek van de bewijselementen die in de gewone procedure zijn aangevoerd door de partijen die hebben besloten niet te schikken, geenszins gebonden is aan haar feitelijke vaststellingen en juridische kwalificaties in het schikkingsbesluit ten aanzien van de partijen die wel hebben besloten te schikken. Derhalve kan de Commissie op grond van het beginsel van het vermoeden van onschuld en haar verplichting tot onpartijdigheid komen tot andere feitelijke vaststellingen of juridische kwalificaties dan die in het schikkingsbesluit indien haar de novo toetsing van het bewijsmateriaal waarover zij beschikt, overeenkomstig het beginsel „tabula rasa” dit rechtvaardigt.
150 Ten tweede kan verzoeksters’ argument dat de twijfel over de onpartijdigheid van de Commissie voortvloeit uit het feit dat het voor mededinging bevoegde Commissielid tijdens een persconferentie de vaststelling van het schikkingsbesluit heeft aangekondigd, zodat de Commissie in het kader van het bestreden besluit niet meer van de conclusies van dat besluit kon afwijken, niet slagen. In het betrokken perscommuniqué staat immers duidelijk, evenals in overweging 4 van het schikkingsbesluit (zie punt 117 hierboven), dat bovengenoemd Commissielid geen conclusies trekt met betrekking tot de aansprakelijkheid van Scania, ten aanzien waarvan de gewone procedure nog aan de gang was. In genoemd perscommuniqué heeft het Commissielid voor mededinging het publiek enkel ingelicht over de vaststelling van het schikkingsbesluit met de discretie en terughoudendheid ten aanzien van Scania’s aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk die nodig zijn om het vermoeden van onschuld te eerbiedigen en heeft het dus zijn verplichting tot onpartijdigheid niet verzaakt (zie in die zin en naar analogie arrest van 12 december 2018, Servier e.a./Commissie, T‑691/14, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2018:922, punten 132 en 134).
151 Ten derde tonen verzoeksters niet aan op welke manier het feit dat dezelfde diensten van de Commissie, met name die van het directoraat-generaal Concurrentie, bij de vaststelling van zowel het schikkingsbesluit als het bestreden besluit zijn betrokken, op zich aantoont dat er geen sprake was van een onpartijdig onderzoek van de zaak te hunnen aanzien. Het is waar dat de betrokkenheid van dezelfde diensten bij de vaststelling van beide besluiten het moeilijker maakt om te waarborgen dat na de vaststelling van het schikkingsbesluit de feiten en bewijzen met betrekking tot een onderneming zullen worden onderzocht overeenkomstig het door de rechtspraak opgelegde „tabula rasa”-beginsel (zie punt 129 hierboven), hetgeen zou kunnen rechtvaardigen dat de dossiers aan twee verschillende teams worden toevertrouwd, teneinde de twijfels dienaangaande weg te nemen.
152 In casu tonen verzoeksters evenwel niet aan dat een lid van de Commissie of van de diensten die bij de vaststelling van het bestreden besluit betrokken waren, in strijd met het beginsel van subjectieve onpartijdigheid blijk zou hebben gegeven van partijdigheid of persoonlijke vooringenomenheid jegens Scania, met name vanwege diens deelneming aan de vaststelling van het schikkingsbesluit, waardoor het onpartijdige onderzoek van de feiten en het bewijsmateriaal met betrekking tot Scania zou kunnen zijn beïnvloed.
153 Aangaande ten vierde verzoeksters’ argument dat de Commissie niet bereid was nieuwe onderzoeksmaatregelen vast te stellen, welke die instelling ertoe hadden kunnen brengen haar bij het schikkingsbesluit ingenomen standpunt in twijfel te trekken, zij eraan herinnerd dat in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering primeert (zie arrest van 29 februari 2016, Schenker/Commissie, T‑265/12, EU:T:2016:111, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
154 Voorts zij, zoals de Commissie heeft gedaan, erop gewezen dat zij over een beoordelingsmarge beschikt om al dan niet onderzoeksmaatregelen vast te stellen. Anders dan verzoeksters betogen, kan uit een dergelijke beoordelingsmarge bij de wijze waarop het onderzoek wordt gevoerd, dus niet in abstracto worden afgeleid dat de Commissie ten aanzien van verzoeksters blijk heeft gegeven van partijdigheid. Integendeel, het niet vaststellen van andere onderzoeksmaatregelen kan vooral worden verklaard doordat de Commissie gebruik heeft gemaakt van haar beoordelingsmarge met betrekking tot de wenselijkheid om dergelijke maatregelen vast te stellen. Het stond dus aan verzoeksters om argumenten aan te voeren waarmee concreet kon worden aangetoond dat het ontbreken van aanvullende onderzoeksmaatregelen enkel kon worden verklaard door de partijdigheid van de Commissie en niet door de rechtmatige uitoefening van haar beoordelingsmarge bij de uitvoering van het onderzoek.
155 Verzoeksters betogen in dat verband dat de Commissie zich bij haar beoordeling van de aard en de (temporele en geografische) reikwijdte van de gestelde gedragingen, met name in de overwegingen 144 en 339 van het bestreden besluit, heeft gebaseerd op een beoordeling van de feiten die Scania had verworpen en uitvoerig weerlegd. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de Commissie het onderzoek heeft voortgezet teneinde Scania’s conclusies te verifiëren, bijvoorbeeld door Scania een verzoek om inlichtingen toe te zenden met het oog op de overlegging van bewijsstukken tot staving van haar opmerkingen of die bezwaren, of door een dergelijk verzoek te richten aan andere partijen. De Commissie heeft zich dus schuldig gemaakt aan „nalatigheid uit eigenbelang”, aldus verzoeksters.
156 Dat betoog van verzoeksters toont evenwel hooguit aan dat de Commissie de door Scania voorgestelde conclusies of interpretaties van de feiten niet heeft gevolgd, met name doordat zij van oordeel was dat deze niet geloofwaardig waren (zie onder meer overweging 301 van het bestreden besluit), en valt samen met de vraag of de in het bestreden besluit vastgestelde feiten afdoende worden gestaafd door het bewijsmateriaal dat door de Commissie is ingebracht, en met de vraag of zij in haar onderzoek blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen, hetgeen behoort tot de toetsing van de juistheid van de door de Commissie gedane beoordeling (zie in die zin arrest van 12 december 2018, Servier e.a./Commissie, T‑691/14, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2018:922, punt 137 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dergelijke beweringen vormen geen bewijs voor het feit dat de Commissie bij de uitoefening van haar beoordelingsmarge blijk zou hebben gegeven van partijdigheid door te besluiten het onderzoek niet voort te zetten en met name verzoeksters niet te verzoeken om aanvullend bewijs ter ondersteuning van hun eigen beweringen.
157 Ten vijfde betogen verzoeksters dat de Commissie niet onafhankelijk heeft gehandeld, aangezien zij met betrekking tot de gestelde kartels de onderzoekende, vervolgende en beslissende autoriteit is.
158 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat blijkens de rechtspraak het feit dat de Commissie tegelijk het onderzoek verricht en de sanctie oplegt bij inbreuken op artikel 101 VWEU, op zich niet in strijd is met artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM, en geen schending van het beginsel van onpartijdigheid oplevert, aangezien haar beslissingen worden getoetst door de Unierechter, die de waarborgen biedt waarin artikel 6 EVRM voorziet (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie, C‑501/11 P, EU:C:2013:522, punten 33 tot en met 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 27 juni 2012, Bolloré/Commissie, T‑372/10, EU:T:2012:325, punten 65 tot en met 67).
159 Met betrekking tot de grief inzake schending van de rechten van de verdediging moet erop worden gewezen dat verzoeksters de Commissie niet verwijten dat zij tijdens de administratieve procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid, niet alle procedurele waarborgen heeft geëerbiedigd die verband houden met de daadwerkelijke uitoefening van hun rechten van verdediging, zoals deze onder meer zijn opgenomen in de algemene bepalingen van verordening nr. 773/2004 (zie punt 140 hierboven). Verzoeksters voeren schending van hun rechten van verdediging slechts aan met betrekking tot het feit dat de Commissie bij het schikkingsbesluit is overgegaan tot de juridische kwalificatie van feiten die betrekking hebben op het gedrag van de schikkende partijen, maar die noodzakelijkerwijs ook zien op Scania, terwijl laatstgenoemde niet de gelegenheid heeft gehad om haar rechten van verdediging uit te oefenen.
160 Dienaangaande moet erop worden gewezen dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke procedure die tot de oplegging van sancties, met name geldboeten of dwangsommen, kan leiden, een grondbeginsel van het recht van de Unie is, dat talloze malen in de rechtspraak van het Hof is onderstreept en dat in artikel 48, lid 2, van het Handvest is erkend (zie arrest van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie e.a., C‑550/07 P, EU:C:2010:512, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat beginsel moet zelfs in een administratieve procedure ten volle in acht worden genomen (zie arresten van 9 juli 2009, Archer Daniels Midland/Commissie, C‑511/06 P, EU:C:2009:433, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 5 maart 2015, Commissie e.a./Versalis e.a., C‑93/13 P en C‑123/13 P, EU:C:2015:150, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
161 Het beginsel van hoor en wederhoor maakt deel uit van de rechten van de verdediging. Het is van toepassing op alle procedures die tot een beslissing van een instelling van de Unie kunnen leiden die de belangen van een persoon aanmerkelijk kunnen raken (zie arrest van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a., C‑89/08 P, EU:C:2009:742, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
162 Voor zover verzoeksters betogen dat het schikkingsbesluit is vastgesteld zonder dat zij hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken, zij erop gewezen dat het schikkingsbesluit, zoals blijkt uit het onderzoek van de grief ontleend aan schending van het vermoeden van onschuld, verzoeksters’ belangen niet aanmerkelijk heeft geraakt in de zin van de in punt 161 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, aangezien de Commissie, anders dan zij stellen, bij het schikkingsbesluit de feiten ten aanzien van Scania niet juridisch heeft gekwalificeerd en op geen enkele wijze is vooruitgelopen op haar aansprakelijkheid voor de betrokken inbreuk. Dat Scania niet is gehoord in de procedure die tot de vaststelling van het schikkingsbesluit heeft geleid, schendt haar rechten van verdediging dan ook niet.
163 Verzoeksters’ argument ten slotte dat een „duidelijk verband” tussen het schikkingsbesluit en het bestreden besluit voortvloeit uit het feit dat de Commissie in het kader van de voorbereiding van de niet-vertrouwelijke versie van het bestreden besluit de schikkende partijen heeft geraadpleegd met het oog op de bekendmaking van dat besluit, kan evenmin worden aanvaard. Ten eerste leggen verzoeksters immers niet uit op welke manier een dergelijk „duidelijk verband” hun in het kader van het eerste middel aangevoerde argumenten ondersteunt. Ten tweede heeft de Commissie, zoals zij aanvoert, zodoende hoe dan ook uitvoering gegeven aan de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 12 oktober 2007, Pergan Hilfsstoffe für industrielle Prozesse/Commissie (T‑474/04, EU:T:2007:306), door de schikkende partijen de mogelijkheid te bieden de vertrouwelijkheid van bepaalde op hen betrekking hebbende gegevens in te roepen, daar zij weliswaar niet de adressaten van het bestreden besluit waren, doch niettemin erin werden vermeld.
164 Verzoeksters kunnen evenmin met succes aanvoeren dat op grond van een louter technische fout als gevolg waarvan de link op de website van de Commissie in de rubriek van het bestreden besluit leidt naar het schikkingsbesluit, kan worden aangenomen dat er een verband tussen de twee besluiten bestaat, zodat daaruit een conclusie zou mogen worden getrokken met betrekking tot Scania’s aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 101 VWEU.
165 Hieruit volgt dat het eerste middel moet worden afgewezen.
2. Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 48, lid 2, van het Handvest en artikel 27, leden 1 en 2, van verordening nr. 1/2003
166 Verzoeksters betogen in wezen dat de Commissie in strijd met artikel 48, lid 2, van het Handvest en artikel 27, leden 1 en 2, van verordening nr. 1/2003 hun rechten van verdediging heeft geschonden door hun de toegang te weigeren tot alle antwoorden van [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] op de mededeling van punten van bezwaar, terwijl het volgens hen aannemelijk is dat deze antwoorden ontlastend materiaal bevatten met betrekking tot de andere partijen, waaronder Scania, dat niet is vervat in de uittreksels uit deze antwoorden waartoe de raadadviseur-auditeur toegang heeft verleend.
167 Volgens verzoeksters hebben [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk], blijkens de uittrekseks die Scania heeft mogen bekijken, hun antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar immers gebruikt om de aantijgingen van de Commissie tegen hen te betwisten. Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat het feit dat de Commissie gedeeltelijk van mening is veranderd over de vraag of de antwoorden van [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] belastend dan wel ontlastend waren, twijfels doet rijzen over het feit of de weigering om volledige toegang tot die antwoorden te verlenen, terecht was.
168 Onder verwijzing naar de rechtspraak betwist de Commissie verzoeksters’ betoog omdat zij niet aantonen dat de weigering om Scania toegang te verlenen tot alle antwoorden van [vertrouwelijk] en [vertrouwelijk] op de mededeling van punten van bezwaar, welke strikt genomen geen deel uitmaken van een onderzoeksdossier, afbreuk heeft gedaan aan de daadwerkelijke uitoefening van haar rechten van verdediging, en met name aan het recht om documenten te raadplegen die ontlastend bewijsmateriaal over haar zouden kunnen bevatten.
169 Zoals uit de in punt 160 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak blijkt, is de eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke procedure die tot de oplegging van sancties, met name geldboeten of dwangsommen, kan leiden, een grondbeginsel van het recht van de Unie dat is erkend in artikel 48, lid 2, van het Handvest. Dat beginsel dient zelfs in een administratieve procedure ten volle in acht te worden genomen.
170 Volgens artikel 27, lid 2, van verordening nr. 1/2003 wordt „[h]et recht van verdediging van de partijen […] in de loop van de procedure ten volle geëerbiedigd” en hebben „[d]e partijen […] het recht tot inzage van het dossier van de Commissie, onder voorbehoud van het rechtmatige belang van de ondernemingen dat hun zakengeheimen niet aan de openbaarheid prijs worden gegeven”.
171 Opgemerkt zij dat volgens vaste rechtspraak de eerbiediging van de rechten van de verdediging verlangt dat de betrokkene tijdens de administratieve procedure in staat is gesteld zijn standpunt naar behoren kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie der gestelde feiten en omstandigheden, alsook met betrekking tot de stukken waarmee de Commissie de door haar gestelde inbreuk op het Verdrag heeft gestaafd (zie arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
172 Als corollarium van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging impliceert het recht van toegang tot het dossier dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet geven alle stukken van het onderzoeksdossier te onderzoeken die voor haar verdediging relevant kunnen zijn. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, de interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie (arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 68).
173 Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat de betrokken onderneming pas aan het begin van de administratieve fase op tegenspraak, door middel van de mededeling van punten van bezwaar, wordt ingelicht over de belangrijkste feiten waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert en dat deze onderneming over een recht van toegang tot het dossier beschikt teneinde een daadwerkelijke uitoefening van haar rechten van de verdediging te waarborgen. Bijgevolg behoort het op de mededeling van punten van bezwaar geformuleerde antwoord van de andere ondernemingen die aan het kartel zouden hebben deelgenomen, in beginsel niet tot de stukken van het onderzoeksdossier die partijen kunnen inzien (arresten van 14 mei 2020, NKT Verwaltung en NKT/Commissie, C‑607/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:385, punt 263, en 30 september 2009, Hoechst/Commissie, T‑161/05, EU:T:2009:366, punt 163).
174 Indien de Commissie een passage uit een antwoord op een mededeling van punten van bezwaar of een bij een dergelijk antwoord gevoegd document als basis wil gebruiken om in een procedure tot toepassing van artikel 101 VWEU het bestaan van een inbreuk vast te stellen, moeten de andere ondernemingen in die procedure evenwel in staat worden gesteld zich over dat bewijsstuk uit te spreken. In die omstandigheden is de betrokken passage uit een antwoord op de mededeling van punten van bezwaar of een daarbij gevoegd document immers een belastend stuk voor de verschillende ondernemingen die aan de inbreuk zouden hebben deelgenomen (arrest van 14 mei 2020, NKT Verwaltung en NKT/Commissie, C‑607/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:385, punt 264; zie ook arrest van 30 september 2009, Hoechst/Commissie, T‑161/05, EU:T:2009:366, punt 164 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
175 Mutatis mutandis vormen een passage uit een antwoord op een mededeling van punten van bezwaar die of een bij een dergelijk antwoord gevoegd document dat voor de verdediging van een onderneming van belang kan zijn doordat deze aan de hand daarvan elementen kan aanvoeren die niet met de door de Commissie in die fase getrokken conclusies overeenkomen, bewijzen à décharge. In dat geval dient de betrokken onderneming in de gelegenheid te worden gesteld om deze passage of dit document te onderzoeken en zich daarover uit te spreken (arrest van 12 juli 2011, Mitsubishi Electric/Commissie, T‑133/07, EU:T:2011:345, punt 43).
176 Het enkele feit dat andere ondernemingen dezelfde argumenten als de betrokken onderneming hebben aangevoerd en dat zij in voorkomend geval voor hun verweer meer middelen hebben aangewend, volstaat evenwel niet om die argumenten als belastende elementen te beschouwen (zie in die zin arrest van 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie, T‑43/02, EU:T:2006:270, punten 353 en 355).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 5 oktober 2020, T-87/19, ECLI:EU:T:2020:464
- Gerecht EU 24 september 2019, T-105/17, ECLI:EU:T:2019:675
- HvJ EU 10 juli 2019, C-39/18, ECLI:EU:C:2019:584
- Gerecht EU 28 maart 2019, T-433/16, ECLI:EU:T:2019:201
- Gerecht EU 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922
- Gerecht EU 10 november 2017, T-180/15, ECLI:EU:T:2017:795
- HvJ EU 26 januari 2017, C-618/13, ECLI:EU:C:2017:48
- HvJ EU 26 januari 2017, C-625/13, ECLI:EU:C:2017:52
- HvJ EU 12 januari 2017, C-411/15, ECLI:EU:C:2017:11
- Gerecht EU 29 februari 2016, T-265/12, ECLI:EU:T:2016:111
- HvJ EU 21 januari 2016, C-603/13, ECLI:EU:C:2016:38
- Gerecht EU 16 juni 2015, T-655/11, ECLI:EU:T:2015:383
- Gerecht EU 20 mei 2015, T-456/10, ECLI:EU:T:2015:296
- HvJ EU 19 maart 2015, C-286/13, ECLI:EU:C:2015:184
- HvJ EU 5 maart 2015, C-93/13, ECLI:EU:C:2015:150
- Gerecht EU 12 december 2014, T-551/08, ECLI:EU:T:2014:1081
- HvJ EU 12 november 2014, C-580/12, ECLI:EU:C:2014:2363
- HvJ EU 11 september 2014, C-67/13, ECLI:EU:C:2014:2204
- Gerecht EU 16 september 2013, T-376/10, ECLI:EU:T:2013:442
- HvJ EU 18 juli 2013, C-501/11, ECLI:EU:C:2013:522
Aangehaald in
- HvJ EU 1 februari 2024, C-251/22, ECLI:EU:C:2024:103
- HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945
- HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:414
- Conclusie A-G Vlas 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:561
- Gerecht EU 21 januari 2026, T-93/24, ECLI:EU:T:2026:33
- Gerecht EU 23 juli 2025, T-84/22, ECLI:EU:T:2025:752
- Gerecht EU 18 september 2024, T-671/19, ECLI:EU:T:2024:626