Gerecht EU 16 juni 2011, T-186/06, ECLI:EU:T:2011:276

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑186/06

Solvay SA

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Waterstofperoxide en natriumperboraat – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Duur van inbreuk – Begrippen ‚overeenkomst’ en ‚onderling afgestemde feitelijke gedragingen’ – Toegang tot dossier – Geldboeten – Mededeling inzake medewerking – Gelijke behandeling – Gewettigd vertrouwen – Motiveringsplicht”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Begrip – Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag – Daaronder begrepen

(Art. 81, lid 1, EG)

2. Mededinging – Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Begrip – Uitwisseling van informatie in kader van of ter voorbereiding van mededingingsregeling

(Art. 81, lid 1, EG)

3. Mededinging – Mededingingsregelingen – Complexe inbreuk met kenmerken van overeenkomst en kenmerken van onderling afgestemde feitelijke gedraging – Eén enkele kwalificatie als „overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging” – Toelaatbaarheid

(Art. 81, lid 1, EG)

4. Mededinging – Mededingingsregelingen – Aantasting van mededinging – Beoordelingscriteria – Mededingingsbeperkend doel – Vaststelling toereikend

(Art. 81, lid 1, EG)

5. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die één enkele inbreuk vormen

(Art. 81, lid 1, EG)

6. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Mededingingsregelingen die effect blijven sorteren na formele beëindiging ervan

(Art. 81 EG)

7. Mededinging – Mededingingsregelingen – Bewijs – Door Commissie aangevoerde aanwijzingen – Deelneming aan vergaderingen die ertoe strekken mededinging te verstoren

(Art. 81, lid 1, EG)

8. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Toegang tot dossier – Omvang – Niet-mededeling van document – Gevolgen

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27, lid 2)

9. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Mededeling van antwoorden op mededeling van punten van bezwaar – Voorwaarden – Grenzen

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27, lid 2)

10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 3)

11. Mededinging – Geldboeten – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd – Motiveringsplicht – Omvang

(Art. 253 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 3)

12. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verplichting om concrete weerslag op markt in aanmerking te nemen – Omvang

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkende werking – Inaanmerkingneming van omvang van onderneming waaraan sanctie wordt opgelegd – Relevantie

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

14. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Inaanmerkingneming van medewerking van betrokken onderneming met Commissie buiten door mededeling inzake medewerking vastgesteld kader – Voorwaarden – Grenzen

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededelingen van de Commissie 98/C 9/03, punt 3, en 2002/C 45/03, punt 23, sub b, derde alinea)

15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming – Vaststelling van datum van clementieverzoek – Criteria

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie, punten 21 en 23, sub b)

16. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Beoordeling van mate van medewerking van elke onderneming tijdens administratieve procedure – Inachtneming van gelijkheidsbeginsel

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie)

17. Procedure – Kosten – Invorderbare kosten – Begrip

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 91, sub b)

1. Voor het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG is het voldoende dat de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen.

Een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan worden geacht te zijn gesloten wanneer er wilsovereenstemming bestaat over een principiële beperking van de mededinging, ook al wordt er nog onderhandeld over de specifieke aspecten van de beoogde beperking.

Wanneer vaststaat dat de deelnemers aan de gesprekken zich duidelijk hebben laten leiden door de gemeenschappelijke wil om een akkoord te bereiken over een principiële beperking van de mededinging, wordt aan deze vaststelling niet afgedaan door het feit dat de deelnemers over specifieke aspecten van de beoogde beperking hebben onderhandeld en dat de bepalingen van het stevige akkoord dat vervolgens is gesloten verschillen van die welke tijdens de vroegere bijeenkomsten zijn besproken. Aldus kan de Commissie op goede gronden vaststellen dat de gedragingen van de deelnemers die in de beginfase van het kartel zijn verricht, deel uitmaken van hetzelfde plan om de mededinging te verstoren en bijgevolg vallen onder het in artikel 81, lid 1, EG bedoelde verbod.

(cf. punten 85‑86, 139, 142‑143)

2. Het begrip onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreft een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking.

Artikel 81, lid 1, EG staat in de weg aan elk al dan niet rechtstreeks contact tussen marktdeelnemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent kan worden beïnvloed, hetzij deze concurrent kennis kan krijgen van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag, wanneer dit contact tot doel of ten gevolge heeft dat de mededinging wordt beperkt.

Het feit dat een onderneming inlichtingen aan haar concurrenten verstrekt om een mededingingsverstorende overeenkomst voor te bereiden, volstaat om aan te tonen dat sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81 EG.

Zelfs indien de Commissie er niet in slaagt aan te tonen dat de ondernemingen een overeenkomst in strikte zin hebben gesloten, is het voor de vaststelling van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG voldoende dat de concurrenten rechtstreeks contact met elkaar hebben opgenomen om de markt te stabiliseren.

Hoe dan ook moet, behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, worden aangenomen dat de ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij het bepalen van hun marktgedrag rekening houden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie.

(cf. punten 87‑89, 147‑148, 160)

3. De begrippen overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG omvatten samenspanningsvormen van dezelfde aard die enkel verschillen in intensiteit en in de vorm waarin zij zich manifesteren.

Wanneer sprake is van een complexe inbreuk waarbij verschillende producenten gedurende een aantal jaren samen de markt probeerden te reguleren, kan van de Commissie niet worden geëist dat zij de inbreuk specifiek als overeenkomst of als onderling afgestemde feitelijke gedragingen kwalificeert, aangezien artikel 81 EG hoe dan ook op deze beide soorten inbreuken ziet.

De dubbele kwalificatie van de inbreuk als een overeenkomst „en/of” onderling afgestemde feitelijke gedragingen moet worden geacht een complex geheel van feitelijke bestanddelen aan te duiden waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG, dat voor dit soort complexe inbreuken niet in een specifieke kwalificatie voorziet.

(cf. punten 90‑92, 130)

4. Voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG hoeven de concrete gevolgen van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen niet in aanmerking te worden genomen wanneer eenmaal is gebleken dat de overeenkomst tot doel had de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verhinderen, te beperken of te vervalsen.

In het bijzonder belet het feit dat bepaalde onderling afgestemde feitelijke gedragingen geen rechtstreekse invloed hebben op het prijsniveau niet dat wordt vastgesteld dat zij de mededinging tussen de betrokken ondernemingen hebben beperkt, met name door de concurrentiedruk weg te nemen.

(cf. punten 158, 162)

5. Voor zover de Commissie een mededingingsregeling als één enkele inbreuk heeft gekwalificeerd, is zij niet verplicht in het kader van deze kwalificatie te wijzen op het feit dat de handelingen die betrekking hadden op een van de betrokken markten, niet even lang hebben geduurd. Aangezien het niet om afzonderlijke inbreuken gaat, hoeft zij bij de bepaling van de duur van de inbreuk, in haar geheel beschouwd, evenmin rekening te houden met dit verschil.

Het zou immers gekunsteld zijn een voortdurende gedraging, die door één enkel doel wordt gekenmerkt, op te splitsen in verschillende afzonderlijke inbreuken op grond dat de heimelijke gedragingen naargelang van de betrokken markt in intensiteit verschilden. Deze factoren dienen enkel in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en, in voorkomend geval, bij de bepaling van de geldboete.

(cf. punten 165‑166)

6. Artikel 81 EG is van toepassing op overeenkomsten die na de formele beëindiging ervan effect blijven sorteren. In het bijzonder kan de Commissie wettig vaststellen dat de mededingingsregeling na de formele beëindiging van de heimelijke bijeenkomsten effect blijft sorteren, voor zover de tijdens deze bijeenkomsten vastgelegde prijsverhogingen in een latere periode worden doorgevoerd.

(cf. punten 174‑175)

7. Wanneer uit een reeks overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat sprake is van een kartel, is een werkelijk goede verklaring nodig om aan te tonen dat er tijdens een bepaalde bijeenkomst iets heel anders gebeurde dan tijdens eerdere bijeenkomsten, indien al deze bijeenkomsten door dezelfde deelnemers werden bijgewoond, onder uiterlijk gelijke omstandigheden plaatsvonden en onbetwistbaar hetzelfde doel hadden.

(cf. punt 181)

8. In een administratieve procedure inzake de toepassing van de mededingingsregels impliceert het recht van toegang tot het dossier, dat voortvloeit uit het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet bieden alle stukken van het onderzoeksdossier die relevant kunnen zijn voor haar verweer, te onderzoeken.

Daartoe behoren zowel belastende als ontlastende stukken, met uitzondering van documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie.

Wat de belastende stukken betreft, levert het feit dat een document niet is meegedeeld, slechts een schending van de rechten van de verdediging op wanneer de betrokken onderneming aantoont dat de Commissie dat document heeft gebruikt ter ondersteuning van haar grief dat een inbreuk is gepleegd, en deze grief alleen met dat document kan worden bewezen. De betrokken onderneming dient dus aan te tonen dat de Commissie in haar beschikking tot een ander resultaat zou zijn gekomen indien dit niet-meegedeelde document als bewijsmiddel had moeten worden uitgesloten.

Wanneer daarentegen een ontlastend stuk niet is meegedeeld, hoeft de betrokken onderneming enkel aan te tonen dat de niet-overlegging ervan het verloop van de procedure en de inhoud van de beschikking van de Commissie ten nadele van deze onderneming heeft kunnen beïnvloeden. Het is voldoende dat de onderneming aantoont dat zij de ontlastende stukken voor haar verweer had kunnen gebruiken, door met name aan te tonen dat zij elementen had kunnen aanvoeren die niet overeenstemmen met het standpunt dat de Commissie in het stadium van de mededeling van de punten van bezwaar heeft ingenomen, en dus op enigerlei wijze invloed had kunnen uitoefenen op het standpunt dat de Commissie in de beschikking heeft ingenomen.

(cf. punten 205‑208)

9. In het kader van een administratieve mededingingsprocedure maken de antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar geen deel uit van het eigenlijke onderzoeksdossier. Wat de stukken betreft die geen deel uitmaken van het dossier dat ten tijde van de toezending van de mededeling van de punten van bezwaar is samengesteld, zij opgemerkt dat de Commissie deze antwoorden slechts aan andere betrokken partijen hoeft vrij te geven indien blijkt dat zij nieuwe belastende of ontlastende elementen bevatten.

Bovendien staat het weliswaar niet enkel aan de Commissie om te bepalen welke stukken voor het verweer van de betrokken onderneming van nut kunnen zijn, maar deze overweging, die betrekking heeft op de stukken van het dossier van de Commissie, kan niet gelden voor antwoorden van andere betrokken ondernemingen op de door de Commissie meegedeelde punten van bezwaar.

Overwegingen in verband met de inachtneming van het beginsel van equality of arms en de eerbiediging van de rechten van de verdediging kunnen er dus in beginsel niet toe leiden dat de Commissie de antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar aan andere partijen moet vrijgeven om hun in staat te stellen na te gaan of er geen ontlastende elementen zijn.

Voor zover de betrokken onderneming als verzoekende partij voor het Gerecht stelt dat de niet-overgelegde antwoorden ontlastende elementen bevatten, dient zij een eerste aanwijzing te verstrekken van het nut van deze stukken voor haar verweer. Zij moet met name de betrokken potentieel ontlastende elementen noemen of een aanwijzing verschaffen dat zij bestaan en dus van nut zijn voor de procedure. Het loutere feit dat de andere betrokken ondernemingen in wezen dezelfde argumenten hebben aangevoerd als de betrokken onderneming, kan op zich niet de conclusie wettigen dat deze argumenten ontlastende elementen vormen. Zo ook impliceert het feit dat bepaalde ondernemingen in hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar hebben kunnen aantonen dat hun deelname aan de gestelde inbreuken niet afdoende is bewezen, geenszins dat deze antwoorden elementen bevatten die een ander licht kunnen werpen op de rechtstreekse schriftelijke bewijzen waarop de Commissie zich ten aanzien van andere ondernemingen heeft gebaseerd.

(cf. punten 224‑225, 228‑231, 233‑234)

10. Bij de vaststelling van de zwaarte van een inbreuk op de mededingingsregels moet rekening worden gehouden met een groot aantal factoren, zoals de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, ten aanzien waarvan de Commissie over een beoordelingsbevoegdheid beschikt.

Het uitgangsbedrag wordt weliswaar op basis van de zwaarte van de gehele inbreuk bepaald wanneer het gaat om één enkele voortdurende inbreuk, maar het kan aangewezen zijn om in deze fase van de vaststelling van het boetebedrag de uiteenlopende intensiteit van de inbreukmakende gedragingen tot uitdrukking te brengen.

(cf. punten 255, 260)

11. Wat de motivering van het in een beschikking van de Commissie vastgestelde uitgangsbedrag van een wegens een inbreuk op de mededingingsregels opgelegde geldboete betreft, zij opgemerkt dat aan de vereisten van dit wezenlijk vormvoorschrift is voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking de beoordelingselementen vermeldt aan de hand waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft kunnen bepalen. De Commissie voldoet aan deze vereisten wanneer zij in haar beschikking de factoren vermeldt die verband houden met de aard van de inbreuk en met de omvang en het volume van de betrokken markten, en de toepassing ervan op het betrokken geval uitlegt.

Voorts zij er met betrekking tot de motivering van de uitgangsbedragen in absolute termen aan herinnerd dat de geldboeten een instrument zijn van het mededingingsbeleid van de Commissie, die bij de vaststelling van het bedrag ervan over een beoordelingsmarge moet kunnen beschikken om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven. Bijgevolg kan niet worden verlangd dat de Commissie dienaangaande andere motiveringselementen verstrekt dan die met betrekking tot de zwaarte en de duur van de inbreuk.

(cf. punten 271‑273)

12. Bij de vaststelling van het bedrag van een geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels wordt opgelegd, is de concrete weerslag van de inbreuk op de markt weliswaar een element dat bij de beoordeling van de zwaarte van deze inbreuk in aanmerking moet worden genomen, maar het gaat om één criterium naast een reeks andere, zoals de aard van de inbreuk en de omvang van de geografische markt. Deze weerslag moet volgens punt 1 A, eerste alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, ook enkel in aanmerking worden genomen wanneer hij meetbaar is.

Horizontale prijs- of marktverdelingskartels kunnen aldus louter op grond van de specifieke aard ervan als een zeer zware inbreuk worden gekwalificeerd, zonder dat de Commissie een concrete weerslag van de inbreuk op de markt hoeft aan te tonen. De concrete weerslag van de inbreuk vormt slechts één van de factoren op basis waarvan de Commissie het uitgangsbedrag van de geldboete kan verhogen tot boven het mogelijke minimumbedrag, op voorwaarde dat deze weerslag meetbaar is.

Aangezien het voorts gaat om een facultatief beoordelingselement bij de vaststelling van het boetebedrag, kan de Commissie niet met succes worden verweten dat zij niet expliciet heeft gemotiveerd waarom de concrete weerslag van de inbreuk volgens haar niet meetbaar is.

De Commissie kan immers bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de opgelegde geldboete deze factor op goede gronden buiten beschouwing laten en zich op andere factoren baseren, zoals de aard van de inbreuk, de geografische omvang en het volume van de markt, zonder dat zij deze keuze hoeft te rechtvaardigen.

(cf. punten 277‑278, 288‑289)

13. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels wordt opgelegd, moet de Commissie ervoor zorgen dat deze een afschrikkende werking heeft. Dienaangaande kan de Commissie met name de omvang en de economische macht van de betrokken onderneming in aanmerking nemen.

Wanneer de bestrafte inbreuk gedragingen omvat die de Commissie herhaaldelijk, vanaf de eerste stappen die zij dienaangaande heeft gezet, als illegaal heeft aangemerkt, kan zij het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau vaststellen dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat, zonder dat zij de kans hoeft in te schatten dat de verzoekende partij zal recidiveren.

(cf. punten 297‑298, 300)

14. Wanneer de inbreuken op de mededingingsregels binnen de werkingssfeer van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken vallen, kan een onderneming de Commissie in beginsel niet met succes verwijten dat zij de omvang van haar medewerking niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen buiten het rechtskader van de mededeling inzake medewerking. Wanneer de Commissie de medewerking van een onderneming in aanmerking heeft genomen door het bedrag van de geldboete op grond van de mededeling inzake medewerking te verlagen, kan haar dus niet met succes worden verweten dat zij het bedrag van de aan deze onderneming opgelegde geldboete niet aanvullend heeft verlaagd buiten het kader van deze mededeling.

(cf. punten 314‑315)

15. Met het oog op de toepassing van de marges waarbinnen het bedrag van een wegens een inbreuk op de mededingingsregels opgelegde geldboete kan worden verlaagd, die zijn vastgesteld in punt 23, sub b, van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken, moet de Commissie het tijdstip vaststellen waarop de onderneming haar daadwerkelijk bewijsmateriaal heeft verstrekt dat een significant toegevoegde waarde heeft vergeleken met het bewijsmateriaal waarover zij reeds beschikte. De Commissie dient het precieze moment te bepalen waarop de betrokken onderneming heeft voldaan aan de voorwaarden om voor een verlaging van het bedrag van de geldboete in aanmerking te komen, door het verstrekte bewijsmateriaal te vergelijken met het bewijsmateriaal waarover zij reeds beschikte op het ogenblik waarop het verzoek is ingediend, en moet dus daadwerkelijk over de betrokken gegevens beschikken.

In dit opzicht moeten ondernemingen die krachtens de mededeling inzake medewerking een clementieverzoek indienen, worden geacht zich in vergelijkbare situaties te bevinden, ongeacht de wijze waarop het bewijsmateriaal wordt verstrekt. Het staat aan degene die het verzoek indient om te kiezen op welke wijze hij dit doet. Deze situaties moeten dus op dezelfde wijze worden behandeld.

Wanneer een onderneming de Commissie contacteert om een mondelinge verklaring af te leggen, maar pas de volgende dag bewijsmateriaal betreffende de betrokken inbreuk verstrekt, kan de Commissie dus op goede gronden vaststellen dat de onderneming op die datum heeft voldaan aan de in punt 21 van de mededeling inzake medewerking gestelde voorwaarde.

Juist omdat de mondelinge verstrekking van inlichtingen een wijze van medewerking is die in beginsel minder snel verloopt dan de schriftelijke verstrekking van inlichtingen, dient een onderneming, wanneer zij besluit om mondelinge inlichtingen te verstrekken, rekening te houden met het risico dat een andere onderneming de Commissie eerder doorslaggevend schriftelijk materiaal ten bewijze van het bestaan van de mededingingsregeling overlegt.

(cf. punten 365‑366, 370‑372, 374)

16. De Commissie mag weliswaar bij haar beoordeling van de door de leden van een kartel verleende medewerking het gelijkheidsbeginsel niet schenden, maar zij beschikt over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de kwaliteit en het nut van de medewerking die een bepaalde onderneming heeft verleend. Enkel een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie kan dus worden afgekeurd. In dit opzicht kan een onderneming zich er niet toe beperken, in de bijlage bij haar verzoekschrift uiteen te zetten hoe zijzelf de bijdragen van de andere ondernemingen beoordeelt, maar moet zij op basis van concrete argumenten aantonen waarin de kennelijke beoordelingsfout van de Commissie bestaat.

(cf. punten 394‑395)

17. De kosten voor het stellen en handhaven van een bankgarantie ter voorkoming van de gedwongen tenuitvoerlegging van een beschikking van de Commissie vormen geen procedurekosten.

(cf. punt 444)

ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid)

16 juni 2011 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Waterstofperoxide en natriumperboraat – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Duur van inbreuk – Begrippen ‚overeenkomst’ en ‚onderling afgestemde feitelijke gedragingen’ – Toegang tot dossier – Geldboeten – Mededeling inzake medewerking – Gelijke behandeling – Gewettigd vertrouwen – Motiveringsplicht”

In zaak T‑186/06,

Solvay NV, gevestigd te Brussel (België), aanvankelijk vertegenwoordigd door O. W. Brouwer, D. Mes, advocaten, M. O’Regan en A. Villette, solicitors, vervolgens door O. W. Brouwer, A. Stoffer, advocaat, M. O’Regan en A. Villette,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Arbault, vervolgens door V. Di Bucci en V. Bottka als gemachtigden, bijgestaan door M. Gray, barrister,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(2006) 1766 def. van de Commissie van 3 mei 2006 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/F/C.38.620 – Waterstofperoxide en perboraat) en tot intrekking of verlaging van de aan verzoekster opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: V. Vadapalas (rapporteur), waarnemend voor de president van de Zesde kamer, A. Dittrich en L. Truchot, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 maart 2010,

het navolgende

Arrest

Feiten

1 Verzoekster, Solvay NV, is een vennootschap naar Belgisch recht die ten tijde van de feiten met name waterstofperoxide (hierna: „HP”) en natriumperboraat (hierna: „PBS”) produceerde.

2 Op 7 mei 2002 heeft verzoekster de volledige zeggenschap verworven over Ausimont SpA (thans Solvay Solexis SpA), die ten tijde van de feiten voor 100 % in handen was van Montedison SpA (thans Edison SpA).

3 In november 2002 heeft Degussa AG de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingelicht over het bestaan van een kartel op de markten voor HP en PBS en verzocht om toepassing van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking”).

4 Degussa heeft de Commissie materiële bewijzen verstrekt op basis waarvan deze laatste op 25 en 26 maart 2003 verificaties heeft kunnen verrichten in de kantoren van drie ondernemingen, waaronder die van verzoekster.

5 Na deze verificaties hebben verschillende ondernemingen, waaronder met name EKA Chemicals AB, Arkema SA (voorheen Atofina SA) en verzoekster om toepassing van de mededeling inzake medewerking verzocht en de Commissie bewijsmateriaal betreffende het betrokken kartel verstrekt.

6 Op 26 januari 2005 heeft de Commissie verzoekster en de andere betrokken ondernemingen een mededeling van punten van bezwaar toegezonden.

7 Bij brieven van 29 april en 27 juni 2005 heeft verzoekster verzocht om toegang tot de niet-vertrouwelijke versies van de antwoorden van de andere betrokken ondernemingen op de mededeling van de punten van bezwaar en tot bepaalde vertrouwelijke stukken van het dossier die door Degussa waren verstrekt.

8 Bij brieven van 4 mei en 20 juli 2005 heeft de Commissie geweigerd toegang te verlenen tot de antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar en gedeeltelijk inzage gegeven in de door Degussa verstrekte stukken.

9 Na de betrokken ondernemingen op 28 en 29 juni 2005 te hebben gehoord, heeft de Commissie beschikking C(2006) 1766 def. van 3 mei 2006 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst ten aanzien van Akzo Nobel NV, Akzo Nobel Chemicals Holding AB, EKA Chemicals, Degussa, Edison, FMC Corp., FMC Foret SA, Kemira Oyj, L’Air liquide SA, Chemoxal SA, SNIA SpA, Caffaro Srl, verzoekster, Solvay Solexis, Total SA, Elf Aquitaine SA en Arkema (zaak COMP/F/C.38.620 – Waterstofperoxide en perboraat) (hierna: „bestreden beschikking”) vastgesteld, waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 13 december 2006 (PB L 353, blz. 54). Bij brief van 8 mei 2006 heeft zij deze beschikking ter kennis gebracht van verzoekster.

Bestreden beschikking

10 De Commissie heeft in de bestreden beschikking opgemerkt dat de adressaten ervan hebben deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), die betrekking had op HP en het daarvan afgeleide product, PBS (punt 2 van de bestreden beschikking).

11 De vastgestelde inbreuk bestond voornamelijk in de uitwisseling van commercieel belangrijke informatie en van vertrouwelijke informatie over markten en ondernemingen tussen concurrenten, in de beperking en de controle van de productie en de potentiële en de reële productiecapaciteit, in de verdeling van marktaandelen en klanten, alsook in de vaststelling van richtprijzen en het toezicht op de inachtneming ervan.

12 Voor de berekening van het bedrag van de geldboeten heeft de Commissie gebruikgemaakt van de methode die is uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”).

13 De Commissie heeft het basisbedrag van de geldboeten bepaald op basis van de zwaarte en de duur van de inbreuk (punt 452 van de bestreden beschikking), die zij als zeer zwaar heeft gekwalificeerd (punt 457 van de bestreden beschikking).

14 Met het oog op een gedifferentieerde behandeling heeft zij verzoekster als grootste speler op de betrokken markten in de EER in de eerste categorie ingedeeld, waarvoor zij het uitgangsbedrag heeft vastgesteld op 50 miljoen EUR (punt 460 van de bestreden beschikking).

15 Om een voldoende afschrikkende werking te verzekeren, heeft de Commissie dit uitgangsbedrag met een factor 1,5 vermenigvuldigd, rekening houdend met de belangrijke omzet van verzoekster (punt 463 van de bestreden beschikking).

16 Aangezien verzoekster volgens de Commissie van 31 januari 1994 tot 31 december 2000 aan de inbreuk heeft deelgenomen, dat wil zeggen gedurende een periode van zes jaar en elf maanden, is het uitgangsbedrag van haar geldboete met 65 % verhoogd (punt 467 van de bestreden beschikking).

17 Het basisbedrag van de geldboete is wegens verzwarende omstandigheden, namelijk recidive, met 50 % verhoogd (punt 469 van de bestreden beschikking).

18 De Commissie is ervan uitgegaan dat verzoekster als derde onderneming heeft voldaan aan de in punt 21 van de mededeling inzake medewerking gestelde voorwaarde, en heeft op die grond haar geldboete met 10 % verlaagd (punten 501‑524 van de bestreden beschikking).

19 Artikel 1, sub m, van de bestreden beschikking bepaalt dat verzoekster inbreuk heeft gepleegd op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 EER-Overeenkomst, door van 31 januari 1994 tot en met 31 december 2000 aan de inbreuk deel te nemen.

20 In artikel 2, sub h, van de bestreden beschikking is het eindbedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete vastgesteld op 167,062 miljoen EUR.

Procesverloop en conclusies van partijen

21 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 17 juli 2006, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

22 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer, waarop het Gerecht, na de partijen te hebben gehoord, de onderhavige zaak aan de uitgebreide Zesde kamer heeft toegewezen.

23 Bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht op 22 juli 2009 en 6 januari 2010 schriftelijke vragen gesteld aan de partijen, waarop dezen op 15 september 2009 en 29 januari 2010 hebben geantwoord.

24 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Ter terechtzitting van 3 maart 2010 hebben de partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

25 Aangezien twee leden van de kamer niet aan de beraadslagingen hebben kunnen deelnemen, zijn de beraadslagingen van het Gerecht overeenkomstig artikel 32 van het Reglement voor de procesvoering voortgezet door de drie rechters die het onderhavige arrest hebben ondertekend.

26 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

– de bestreden beschikking geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren, in het bijzonder voor zover de Commissie daarin heeft vastgesteld dat zij in de periode van 31 januari 1994 tot augustus 1997 en van 18 mei tot 31 december 2000 aan de inbreuk heeft deelgenomen;

– de aan verzoekster en Solvay Solexis opgelegde geldboeten in te trekken dan wel aanzienlijk te verlagen;

– de Commissie te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten voor het stellen van een bankgarantie voor de betaling van de geldboete.

27 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

28 Bij akte van 15 september 2009 heeft verzoekster gedeeltelijk afstand gedaan van het tweede onderdeel van haar conclusie, voor zover dit strekte tot intrekking of verlaging van de aan Solvay Solexis opgelegde geldboete. Deze afstand is ter terechtzitting bevestigd, waarvan in het proces-verbaal akte is genomen.

In rechte

29 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan. Volgens haar heeft de Commissie blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten onjuist beoordeeld, voor zover zij heeft vastgesteld dat verzoekster in de periode van 31 januari 1994 tot augustus 1997 (eerste middel) en in de periode van 18 mei tot en met 31 december 2000 (tweede middel) aan de inbreuk heeft deelgenomen. Zij heeft tevens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten onjuist beoordeeld bij de toepassing van de mededeling inzake medewerking (derde middel), bij de vaststelling van het boetebedrag (vierde middel) en voor zover zij heeft geweigerd om toegang te verlenen tot bepaalde stukken (vijfde middel).

30 Uit het betoog van verzoekster blijkt dat de middelen betreffende de duur van haar deelname aan de inbreuk (eerste en tweede middel) en betreffende de toegang tot het dossier (vijfde middel) dienen ter ondersteuning van haar verzoek tot nietigverklaring van de bestreden beschikking, terwijl de middelen betreffende de vaststelling van het boetebedrag (vierde middel) en de verlaging ervan op grond van de mededeling inzake medewerking (derde middel) dienen ter ondersteuning van haar verzoek tot intrekking of verlaging van de geldboete.

31 Bijgevolg dienen deze middelen in deze volgorde te worden onderzocht.

Duur van verzoeksters deelname aan de inbreuk

Argumenten van partijen

32 Met het eerste en het tweede middel betwist verzoekster de vaststelling dat zij in de begin- en de eindperiode van het kartel, namelijk respectievelijk van 31 januari 1994 tot augustus 1997 en van 18 mei tot en met 31 december 2000, aan de inbreuk heeft deelgenomen.

– Periode van 31 januari 1994 tot augustus 1997

33 Verzoekster betwist de conclusie van de Commissie dat zij van 31 januari 1994 tot augustus 1997 aan de inbreuk heeft deelgenomen. Zij maakt een onderscheid tussen de periode vóór mei 1995 en de periode van mei 1995 tot augustus 1997.

34 Wat de periode van 31 januari 1994 tot mei 1995 betreft, betoogt zij dat de Commissie niet heeft aangetoond dat zij aan besprekingen heeft deelgenomen of informatie met concurrenten heeft uitgewisseld.

35 Wat ten eerste de bijeenkomst van EKA Chemicals en Kemira te Stockholm van 31 januari 1994 betreft, die als het begin van de inbreuk is beschouwd, is niet duidelijk aangetoond dat zij daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, aangezien zij door Kemira niet is bevestigd.

36 Voorts blijkt uit de notities die EKA Chemicals tijdens deze bijeenkomst heeft genomen en waarin naar gesprekken tussen Kemira en andere ondernemingen, waaronder verzoekster, wordt verwezen, niet dat deze gesprekken ongeoorloofd waren. Dit gegeven wordt niet bevestigd door enig ander bewijs waaruit blijkt dat er een verband is tussen de door EKA Chemicals en Kemira overeengekomen bilaterale mededingingsregeling op de Scandinavische markt en de mededingingsregeling die op Europees niveau zou zijn uitgevoerd.

37 De notities van EKA Chemicals, volgens welke de gesprekken met Air Liquide „geen al te beste” resultaten hadden opgeleverd en dat de gesprekken met verzoekster „beter verliepen”, tonen aan dat Kemira noch met Air Liquide noch met verzoekster een akkoord had bereikt. Aangezien de Commissie heeft vastgesteld dat Air Liquide in die periode niet aan de inbreuk heeft deelgenomen, had zij tot dezelfde conclusie moeten komen voor verzoekster.

38 Wat ten tweede de bijeenkomst te Göteborg van 2 november 1994 betreft, deze had geen mededingingsverstorend doel. De stelling van de Commissie dat tijdens deze bijeenkomst commerciële informatie is uitgewisseld, wordt niet bevestigd door de bewijzen die EKA Chemicals heeft aangevoerd, en wordt tegengesproken door de informatie die verzoekster heeft verstrekt.

39 Wat ten derde de gesprekken betreft die zouden hebben plaatsgevonden in de marge van de bijeenkomsten die de European Chemical Industry Council (CEFIC) op 29 april 1994 te Rome en op 25 november 1994 te Zaventem heeft gehouden, volstaan de verklaringen van Degussa over de uitwisseling van „gevoelige informatie over de mededinging” op zich niet om het ongeoorloofde karakter ervan aan te tonen.

40 Wat de periode van mei 1995 tot augustus 1997 betreft, erkent verzoekster dat zij informatie met concurrenten heeft uitgewisseld, maar zij stelt dat deze uitwisseling niet als een overeenkomst of als onderling afgestemde feitelijke gedragingen kan worden gekwalificeerd.

41 Het loutere verlangen om de mededinging te beperken vormt geen inbreuk op artikel 81 EG. De Commissie had moeten bewijzen dat er sprake was van een overeenkomst die voortvloeide uit de gemeenschappelijke wil om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen. Elk van de in de bestreden beschikking genoemde bijeenkomsten, die tot augustus 1997 hebben plaatsgevonden, is evenwel beëindigd zonder dat de ondernemingen enig akkoord hebben bereikt over een te volgen onrechtmatige gedragslijn.

42 De Commissie heeft dus niet aangetoond dat de betrokken ondernemingen een akkoord hebben bereikt over een specifieke gedragslijn die de mededinging kon beperken, zoals wordt vereist door de in punt 305 van de bestreden beschikking genoemde rechtspraak.

43 De Commissie heeft evenmin aangetoond dat de uitwisseling van informatie in de betrokken periode als onderling afgestemde feitelijke gedragingen kon worden gekwalificeerd.

44 Volgens verzoekster is voor het bestaan van onderling afgestemde feitelijke gedragingen vereist dat concurrenten overeenkomen om een bepaalde gedragslijn te volgen, dat ondernemingen via onderlinge contacten elke onzekerheid over hun wederzijds gedrag kunnen uitsluiten en dat hun marktgedrag hierdoor wordt beïnvloed.

45 Zij is van mening dat de in punt 298 van de bestreden beschikking aangehaalde rechtspraak, volgens welke de uitwisseling van informatie ter voorbereiding van een mededingingsregeling als onderling afgestemde feitelijke gedragingen kan worden gekwalificeerd, slechts van toepassing is wanneer reeds een overeenkomst is gesloten en de informatie wordt uitgewisseld om de uitvoering ervan mogelijk te maken. In casu was evenwel vóór de uitwisseling van de betrokken informatie geen sprake van een overeenkomst of van onderling afgestemde feitelijke gedragingen.

46 De tegenstellingen tussen de deelnemers aan de betrokken bijeenkomsten waren immers zo groot dat van een praktische samenwerking tussen hen en dus van onderling afgestemde feitelijke gedragingen geen sprake kon zijn.

47 Bovendien kon de uitgewisselde informatie het gedrag van de concurrenten niet beïnvloeden en evenmin de onzekerheid over het marktgedrag van de andere ondernemingen aanzienlijk verminderen.

48 In de betrokken periode waren de gesprekken toegespitst op de capaciteit en het productievolume van de verschillende leveranciers, alsook op de wijze waarop het probleem van de nieuwe capaciteit en de verdeling van de extra vraag diende te worden opgelost. De uitwisseling van informatie betrof het productievolume en had tot doel modellen voor de verdeling van dit volume uit te werken om ervoor te zorgen dat redelijk gebruik werd gemaakt van de capaciteit. Zij had geen betrekking op de verdeling van de markt. Deze informatie stelde de ondernemingen niet in staat om hun commerciële gedrag aan te passen.

49 Aangezien de Commissie niet heeft onderzocht of de uitgewisselde informatie voor mededingingsverstorende doeleinden kon worden gebruikt, kon zij geen causaal verband tussen de gestelde onderling afgestemde feitelijke gedragingen en het marktgedrag vaststellen.

50 De verklaring van Degussa over de uitwisseling van „gevoelige informatie over de mededinging” volstaat niet om het ongeoorloofde karakter ervan aan te tonen.

51 Degussa heeft in haar clementieverzoek en in haar antwoord van 5 september 2003 op het verzoek om inlichtingen van de Commissie verwezen naar gesprekken met concurrenten die gedurende vele jaren zouden hebben plaatsgevonden, zonder ook maar enige toelichting te verstrekken over de inhoud van de uitgewisselde informatie. Deze verklaring, die in het kader van een clementieverzoek is afgelegd, dient met de nodige omzichtigheid te worden beoordeeld. De verklaringen van Degussa zijn dubbelzinnig en de bewijswaarde ervan is twijfelachtig, aangezien zij niet ten tijde van de feiten van het geding zijn afgelegd en niet de mogelijkheid bieden om individuele getuigen te identificeren. Aangezien zij niet door andere stukken worden bevestigd, volstaan zij niet om de inbreuk aan te tonen.

52 Degussa zelf heeft niet erkend dat zij vóór „midden 1997” een inbreuk heeft gepleegd. Zij heeft gepreciseerd dat „de uitdrukking ‚uitwisseling van gevoelige informatie over de markt’ de typische inhoud van een gesprek tussen de verkoopteams van concurrerende ondernemingen [weergaf]” en dat deze uitdrukking „geen actief overleg tussen de ondernemingen over hun gedragslijn [impliceerde]”. Degussa heeft hieraan toegevoegd dat deze uitwisseling „slechts tot doel had de informatie die als basis diende voor de toekomstige beslissingen van de ondernemingen, uit te breiden”. Zij had dus geen ander doel dan een „klimaat” te creëren dat het mogelijk maakte om in de toekomst beslissingen te nemen.

53 De verklaringen van Degussa worden niet door de andere ondernemingen bevestigd. De door EKA Chemicals verstrekte documenten bevestigen enkel dat zij informatie heeft uitgewisseld met Kemira. Arkema heeft enkel verwezen naar gesprekken over een model dat voor de verdeling van de „productiecapaciteit” zou kunnen worden gebruikt, die op een mislukking zijn uitgedraaid. Hieruit volgt dat de producenten zelfs begin 1997 geen akkoord of overeenstemming hebben bereikt over een „organisatie van de markt op Europees niveau”, ondanks pogingen in die zin.

54 Dat geen sprake was van een overeenkomst of van onderling afgestemde feitelijke gedragingen wordt bevestigd door het toenmalige gedrag van Degussa, met name door haar „WAR”-plan, dat erop gericht was haar verkoop te doen stijgen, ongeacht de prijzen, en door de mislukking van de gesprekken tijdens de bijeenkomst te Sevilla in mei 1997, die volgens Degussa en Arkema „in een impasse” waren beland wegens het gebrek aan vertrouwen tussen de producenten. De Commissie heeft zelf in punt 164 van de bestreden beschikking erkend dat nog geen overeenkomst was gesloten tijdens deze bijeenkomst, waarop de vertegenwoordiger van verzoekster „met slaande deuren was vertrokken”.

55 De Commissie kan er niet van uitgaan dat de ondernemingen rekening hebben gehouden met de informatie die de andere ondernemingen hun hebben verstrekt, zonder aan te tonen dat zij onderling afspraken hebben gemaakt. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest van het Hof van 8 juli 1999, Hüls/Commissie (C‑199/92 P, Jurispr. blz. I‑4287, punten 161 en 162), konden de betrokken ondernemingen in casu geen akkoord bereiken over enig aspect van hun commercieel beleid, en zij konden de uitgewisselde informatie hoe dan ook niet gebruiken om hun feitelijke gedragingen onderling af te stemmen.

56 Dat er geen sprake was van onderling afgestemde feitelijke gedragingen wordt eveneens bevestigd door het feit dat tot augustus 1997 een sterke concurrentie heerste op de markt voor HP. Meer bepaald zijn de prijzen voor HP eind 1996 en begin 1997 sterk gedaald tot beneden het niveau van de variabele kosten.

57 Uit het bewijsmateriaal dat verschillende ondernemingen tijdens de administratieve procedure hebben aangevoerd, blijkt dat in de betrokken periode een sterke concurrentie heerste op de markt. Gelet op dit bewijsmateriaal had de Commissie moeten aantonen dat de uitwisseling van informatie daadwerkelijk een invloed heeft gehad op het marktgedrag van de ondernemingen.

58 Ten slotte zijn er geen bewijzen dat verzoekster vóór de bijeenkomst te Evian-les-Bains van 14 mei 1998 aan een inbreuk met betrekking tot PBS heeft deelgenomen. Vóór die datum is geen overeenkomst gesloten en hebben de producenten geen gevoelige commerciële informatie uitgewisseld.

59 De Commissie stelt dat zij rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat verzoekster reeds vanaf 31 januari 1994 met haar gedrag inbreuk maakte op het verbod van artikel 81, lid 1, EG.

60 Zij heeft vastgesteld dat de betrokken ondernemingen in de periode van 31 januari 1994 tot augustus 1997 gevoelige informatie hebben uitgewisseld met het specifieke doel te anticiperen op elkaars marktgedrag wat het productievolume en de mogelijke vermindering ervan betreft en wat de mogelijkheid betreft om de introductie van nieuwe capaciteit op de markt te verhinderen (punten 104‑170 en 304 van de bestreden beschikking).

61 De verklaringen van Degussa tonen aan dat de ondernemingen in de jaren negentig „gevoelige informatie over de mededinging” hebben uitgewisseld. Uit de door Degussa gegeven beschrijving blijkt dat de verstrekte informatie betrekking had op het beoogde marktgedrag, namelijk op de „evolutie van hoeveelheden en prijzen” en op de „komst of het vertrek van concurrenten” (punt 104 van de bestreden beschikking).

62 Deze elementen worden bevestigd door de bewijsstukken die zijn verstrekt door EKA Chemicals, die heeft verklaard dat „de leveranciers waren overeengekomen om van elkaars markten weg te blijven”. EKA Chemicals heeft een lijst opgesteld van bijeenkomsten waarop volgens haar geheime afspraken werden gemaakt. In de notities die EKA Chemicals heeft genomen tijdens een bilaterale bijeenkomst met Kemira die op 31 januari 1994 in Stockholm heeft plaatsgevonden, is sprake van gesprekken met onder meer verzoekster. Uit deze informatie blijkt duidelijk dat de producenten onderling het gedrag van hun concurrenten controleerden en dat Air Liquide in die context onvoldoende discipline toonde, terwijl verzoekster aan de verwachtingen van de anderen beantwoordde. EKA Chemicals heeft eveneens verwezen naar een bilaterale bijeenkomst tussen haar en verzoekster, die op 2 november 1994 te Göteborg heeft plaatsgevonden (punten 106‑108 en 111 van de bestreden beschikking).

63 Anders dan verzoekster stelt, heeft Kemira niet betwist dat zij op 31 januari 1994 met EKA Chemicals is bijeengekomen, maar heeft zij integendeel erkend dat zij vanaf die datum aan de inbreuk heeft deelgenomen. Aangezien deze bilaterale bijeenkomst een ongeoorloofd doel had, ligt het voor de hand dat de onderhandelingen met andere concurrenten, waaronder verzoekster, die in de notities van EKA Chemicals worden beschreven, eveneens ongeoorloofd waren.

64 Verzoekster stelt ten onrechte dat er geen bewijzen zijn dat de bijeenkomst tussen haar en EKA Chemicals die op 2 november 1994 te Göteborg heeft plaatsgevonden, ongeoorloofd was. Uit de door EKA Chemicals verstrekte informatie blijkt immers dat tijdens deze bijeenkomst commerciële informatie is uitgewisseld (punt 113 van de bestreden beschikking).

65 Degussa heeft opgemerkt dat ook „gevoelige informatie over de mededinging” is uitgewisseld in de marge van de bijeenkomsten van de CEFIC die op 29 april 1994 te Rome en op 25 november 1994 te Zaventem hebben plaatsgevonden (punt 114 van de bestreden beschikking).

66 Deze feiten worden bevestigd door de verklaringen van Arkema volgens welke verzoekster in april of juni 1995 heeft deelgenomen aan gesprekken over „markttendensen en nieuwkomers”, in het kader waarvan „Degussa en [verzoekster] de wens [hebben] geuit, de markt en hun positie zo veel mogelijk te stabiliseren”, en „een model voor de verdeling tussen producenten is besproken, wellicht sinds 1994‑1995” (punten 115 en 116 van de bestreden beschikking).

67 Voorts heeft verzoekster in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar erkend dat zij gesprekken heeft gevoerd met concurrenten en vanaf mei 1995 informatie over de markt heeft uitgewisseld.

68 Deze gesprekken, die in de beginperiode van het kartel plaatsvonden, tot doel hadden de mededinging te beperken en tot een overeenkomst over de prijzen en de verdeling van de markten hebben geleid, druisen in tegen het verbod van artikel 81, lid 1, EG (punt 305 van de bestreden beschikking). Zij kunnen worden geacht deel uit te maken van hetzelfde geheime plan.

69 De Commissie erkent dat geen „stevig” akkoord is gesloten over het model voor de verdeling van de markt dat op 31 oktober 1995 te Milaan en in mei 1997 te Sevilla is besproken, maar stelt dat het feit dat een dergelijk model is voorgesteld en besproken op zich de conclusie wettigt dat sprake was van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG.

70 Uit het loutere feit dat in de betrokken periode gesprekken over hoeveelheden, prijzen en modellen voor de verdeling van de klanten zijn gevoerd, blijkt dat de gemeenschappelijke wil bestond om de mededinging te beperken. Anders dan verzoekster stelt, was er niet enkel sprake van een „loutere intentie”, maar van een gemeenschappelijk project om een akkoord te bereiken dat het marktgedrag zou beïnvloeden.

71 Subsidiair stelt de Commissie dat de concurrenten zich in de betrokken periode schuldig hebben gemaakt aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG. Hun gedrag kan dus worden geacht onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG te vallen, ook al heeft het nog niet de fase bereikt dat „van een [eigenlijke] overeenkomst kan worden gesproken” (punt 309 van de bestreden beschikking).

72 In deze periode hebben de concurrenten immers informatie over verkoophoeveelheden, prijzen en klanten uitgewisseld, op basis waarvan zij hun marktgedrag hebben kunnen aanpassen (punten 308 en 120, 127 en 144 van de bestreden beschikking).

73 De uitgewisselde informatie volstond om de onzekerheid over het marktgedrag van de concurrenten te verminderen. Verzoekster heeft zelf erkend dat zij vanaf mei 1995 vertrouwelijke informatie met haar concurrenten heeft uitgewisseld, en verklaard dat „[d]e deelnemers de mogelijke opties om de marktsituatie te verbeteren en op een verhoging van de capaciteit op de markt te anticiperen hebben onderzocht”. De vraag was „of een akkoord kon worden bereikt” (punten 130 en 133 van het antwoord van verzoekster op de mededeling van de punten van bezwaar en punten 317‑319 van de bestreden beschikking). Deze verklaring bevestigt dat de betrokken uitwisseling de concurrenten in staat stelde hun marktgedrag aan te passen. Voorts diende deze uitwisseling „het terrein te effenen” voor de prijsverhogingen en de verdeling van de markt.

74 De in de bestreden beschikking genoemde aanwijzingen zijn dus in hun geheel beschouwd voldoende nauwkeurig en met elkaar in overeenstemming om de vaste overtuiging te schragen dat verzoekster de inbreuk heeft gepleegd vanaf 31 januari 1994.

– Periode van 18 mei tot 31 december 2000

75 Verzoekster stelt dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten onjuist heeft beoordeeld, voor zover zij tot de conclusie is gekomen dat het kartel na 18 mei 2000 is voortgezet.

76 Om te beginnen heeft de Commissie niet bewezen dat de deelnemers tijdens de bijeenkomst te Turku van 18 mei 2000 hebben besloten om door te gaan met de uitvoering van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen voort te zetten.

77 De Commissie heeft zich uitsluitend gebaseerd op niet-beslissend bewijsmateriaal dat door Arkema is verstrekt en niet door andere bewijzen wordt bevestigd. De door Arkema verstrekte aanwijzingen zijn tegenstrijdig, aangezien zij ook heeft verklaard dat de betrokken bijeenkomst „bepaalde producenten de gelegenheid [bood] om aan te tonen dat de tijden waren veranderd” en „om te melden dat de samenwerking was geschorst”. Haar opmerking over de „consensus” die tijdens de betrokken bijeenkomst zou zijn ontstaan, wordt door andere ondernemingen tegengesproken.

78 Vóór de bijeenkomst van 18 mei 2000 heeft verzoekster Degussa tijdens een bilaterale bijeenkomst te Krefeld meegedeeld dat zij niet langer geïnteresseerd was in het kartel. De Commissie heeft ten onrechte vastgesteld dat de bijeenkomst te Krefeld na die van Turku plaatsvond.

79 Het eenmalige bilaterale gesprek tussen verzoekster en FMC Foret dat eind 2000 heeft plaatsgevonden en dat betrekking had op PBS, vormt niet het bewijs dat de mededingingsregeling met betrekking tot HP is voortgezet. De mededingingsregeling met betrekking tot PBS was reeds beëindigd en FMC Foret heeft haar deelname aan de mededingingsregeling met betrekking tot HP eind 1999 beëindigd.

80 Voorts is de Commissie ten onrechte uitgegaan van de veronderstelling dat het kartel na mei 2000 verder effect heeft gesorteerd. Om aan te tonen dat de overeenkomst, die niet langer van kracht was, verder effect sorteerde, had de Commissie de weerslag ervan op de prijzen moeten bewijzen.

81 De Commissie is met name voorbijgegaan aan de bewijzen waaruit blijkt dat de markt na mei 2000 concurrentieel was. Wat de prijsevolutie betreft, heeft de Commissie zich uitsluitend gebaseerd op een document van Arkema waaruit blijkt dat haar gemiddelde prijzen gedurende het gehele jaar 2000 vrij stabiel zijn gebleven. Uit andere documenten van Arkema blijkt evenwel dat haar prijzen in de Europese Unie in 2000 zijn gedaald en dat de gemiddelde prijs niet uitsluitend op basis van de verkoop in de EER werd berekend. En ook al zouden de prijzen stabiel zijn gebleven, zou dit verklaard kunnen worden door de sterke toename van de vraag en de stijging van de kosten.

82 Voor zover de Commissie heeft verklaard dat verzoekster zich na 18 mei 2000 niet duidelijk van het kartel heeft gedistantieerd, is zij voorbijgegaan aan het feit dat het kartel op die datum „uiteen is gevallen” en heeft zij dus in strijd met het principiële vermoeden van onschuld de bewijslast omgedraaid.

83 De Commissie betwist verzoeksters argumenten en verwijst met name naar de overwegingen in de punten 355 tot en met 360 van de bestreden beschikking.

Beoordeling door het Gerecht

84 Volgens artikel 81, lid 1, EG zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

85 Voor het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG is het voldoende dat de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T‑7/89, Jurispr. blz. II‑1711, punt 256, en 20 maart 2002, HFB Holding e.a./Commissie, T‑9/99, Jurispr. blz. II‑1487, punt 199).

86 Een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan worden geacht te zijn gesloten wanneer er wilsovereenstemming bestaat over een principiële beperking van de mededinging, ook al wordt er nog onderhandeld over de specifieke aspecten van de beoogde beperking (zie in die zin arrest HFB Holding e.a./Commissie, aangehaald in punt 85, punten 151‑157 en 206).

87 Het begrip onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreft een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking (arrest Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 115, en arrest Hüls/Commissie, aangehaald in punt 55, punt 158).

88 Artikel 81, lid 1, EG staat in de weg aan elk al dan niet rechtstreeks contact tussen marktdeelnemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent kan worden beïnvloed, hetzij deze concurrent kennis kan krijgen van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag, wanneer dit contact tot doel of ten gevolge heeft dat de mededinging wordt beperkt (zie in die zin arrest Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 87, punten 116 en 117).

89 Het feit dat een onderneming inlichtingen aan haar concurrenten verstrekt om een mededingingsverstorende overeenkomst voor te bereiden, volstaat om aan te tonen dat sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81 EG (arresten Gerecht van 6 april 1995, Tréfilunion/Commissie, T‑148/89, Jurispr. blz. II‑1063, punt 82, en 8 juli 2008, BPB/Commissie, T‑53/03, Jurispr. blz. II‑1333, punt 178).

90 Volgens vaste rechtspraak omvatten de begrippen overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG samenspanningsvormen van dezelfde aard die enkel verschillen in de intensiteit en in de vorm waarin zij zich manifesteren (arresten Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 87, punten 131 en 132, en HFB Holding e.a./Commissie, aangehaald in punt 85, punt 190).

91 Wanneer sprake is van een complexe inbreuk waarbij verschillende producenten gedurende een aantal jaren samen de markt probeerden te reguleren, kan van de Commissie niet worden geëist dat zij de inbreuk specifiek als overeenkomst of als onderling afgestemde feitelijke gedragingen kwalificeert, aangezien artikel 81 EG hoe dan ook op deze beide soorten inbreuken ziet (zie in die zin arrest Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 87, punten 111‑114, en arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 696).

92 De dubbele kwalificatie van de inbreuk als een overeenkomst „en/of” onderling afgestemde feitelijke gedragingen moet worden geacht een complex geheel van feitelijke bestanddelen aan te duiden, waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG, dat voor dit soort complexe inbreuken niet in een specifieke kwalificatie voorziet (arresten Hercules Chemicals/Commissie, aangehaald in punt 85, punt 264, en HFB Holdings e.a./Commissie, aangehaald in punt 85, punt 187).

93 Wat het bewijs van de inbreuk betreft, zij eraan herinnerd dat de Commissie bewijzen dient te leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve bestanddelen van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG aantonen (arrest Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 58).

94 Zij moet dienaangaande nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren (zie arrest Gerecht van 6 juli 2000, Volkswagen/Commissie, T‑62/98, Jurispr. blz. II‑2707, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95 Evenwel hoeft niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punt 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96 De aanwijzingen die de Commissie in de beschikking aanvoert om te bewijzen dat een onderneming artikel 81, lid 1, EG heeft geschonden, moeten niet afzonderlijk, maar in hun geheel worden beschouwd (zie arrest BPB/Commissie, aangehaald in punt 89, punt 185 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 Tevens moet rekening worden gehouden met het feit dat mededingingsverstorende activiteiten clandestien worden verricht en dat het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst in de meeste gevallen dus moet worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punten 55‑57).

98 Wat de omvang van de rechterlijke toetsing betreft, is het vaste rechtspraak dat het Gerecht in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking tot uitvoering van artikel 81, lid 1, EG in de regel ten volle moet onderzoeken of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 1, EG is voldaan (zie arrest Gerecht van 26 oktober 2000, Bayer/Commissie, T‑41/96, Jurispr. blz. II‑3383, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

99 Wanneer de rechter twijfels koestert, moet dit in het voordeel spelen van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld, overeenkomstig het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat als algemeen beginsel van het recht van de Unie met name van toepassing is op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboetes of dwangsommen kunnen leiden (arrest Hüls/Commissie, aangehaald in punt 55, punten 149 en 150, en arrest Gerecht van 27 september 2006, Dresdner Bank e.a./Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/02 OP en T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T 61/02 OP, Jurispr. blz. II‑3567, punten 60 en 61).

100 Tegen de achtergrond van deze overwegingen moet worden onderzocht of de Commissie in casu rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat het gedrag van verzoekster in de betrokken periodes een inbreuk vormde op artikel 81, lid 1, EG.

– Periode van 31 januari 1994 tot mei 1995

101 Verzoekster stelt in wezen dat de Commissie de feiten onjuist heeft beoordeeld door ervan uit te gaan dat de inbreuk op 31 januari 1994 is begonnen. Zij betoogt dat niet is aangetoond dat zij vóór mei 1995 heeft deelgenomen aan gesprekken met concurrenten die een inbreuk kunnen vormen op artikel 81, lid 1, EG.

102 Uit de punten 104 tot en met 114 en 351 van de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie op basis van de verklaringen die Degussa in het kader van haar verzoek om immuniteit heeft ingediend en die worden bevestigd door de door EKA Chemicals verstrekte bewijsstukken en door de verklaringen van Arkema, ervan is uitgegaan dat verzoekster vanaf 31 januari 1994 aan de inbreuk heeft deelgenomen.

103 Om te beginnen heeft de Commissie opgemerkt dat de concurrenten volgens de verklaringen van Degussa in de jaren negentig steeds vaker „gevoelige informatie over de mededinging” of „informatie over de markt” uitwisselden. Volgens deze verklaringen „[geeft de uitdrukking] ‚uitwisseling van informatie over de markt’ [...] de typische inhoud van een gesprek tussen de verkoopteams van concurrerende ondernemingen weer”. De Commissie heeft hieraan toegevoegd dat volgens dezelfde verklaringen „de mondeling verstrekte informatie betrekking had op de evolutie van hoeveelheden en prijzen, het marktgedrag van concurrenten en klanten, de komst of het vertrek van concurrenten, de evolutie van de productiecapaciteit, het aanbod van en de vraag naar nieuwe producten, alsook op andere soortgelijke kwesties” (punt 104 van de bestreden beschikking). Volgens Degussa hebben de concurrenten dergelijke gesprekken met name gevoerd om de marktaandelen van de concurrenten te bepalen en te controleren en inlichtingen over het gedrag van de klanten te verstrekken (punt 105 van de bestreden beschikking).

104 Wat voorts de juiste datum betreft waarop de inbreuk is begonnen, heeft de Commissie opgemerkt dat het eerste bewijs dat de verklaringen van Degussa – die met name verzoekster betroffen – bevestigt, betrekking heeft op de bijeenkomst tussen EKA Chemicals en Kemira van 31 januari 1994 te Stockholm en op de bijeenkomst tussen Degussa en EKA Chemicals van diezelfde dag. Volgens de Commissie toont dit bewijs aan dat „EKA [Chemicals], Kemira, Degussa en [verzoekster] ten laatste vanaf begin 1994 bij geheime afspraken betrokken [waren]” (punten 106‑108 en 351 van de bestreden beschikking).

105 Ten slotte heeft de Commissie opgemerkt dat in 1994 en 1995 andere ongeoorloofde gesprekken hebben plaatsgevonden waarvan EKA Chemicals (punten 110 en 111 van de bestreden beschikking), Degussa (punt 114) en Arkema (punt 115 van de bestreden beschikking) melding hebben gemaakt.

106 Dienaangaande zij om te beginnen opgemerkt dat de verklaringen van Degussa, waarvan de inhoud door verzoekster wordt betwist, op zich geen voldoende bewijs kunnen vormen dat deze laatste aan de inbreuk heeft deelgenomen.

107 Volgens vaste rechtspraak kan de verklaring van een onderneming die van deelname aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien deze verklaring niet door andere bewijselementen wordt gestaafd (arrest Gerecht JFE Engineering e.a./Commissie, aangehaald in punt 95, punt 219, en arrest Gerecht van 25 oktober 2005, Groupe Danone/Commissie, T‑38/02, Jurispr. blz. II‑4407, punt 285).

108 Deze overweging geldt temeer in het onderhavige geval, gelet op de algemene bewoordingen die Degussa heeft gebruikt. Zij verwijst naar alle bijeenkomsten die in de beginperiode van het kartel, van 1994 tot 1996, hebben plaatsgevonden. Louter op basis van deze verklaringen kan dus niet worden vastgesteld dat verzoekster vanaf begin 1994 aan de inbreuk heeft deelgenomen.

109 Voor zover de Commissie verwijst naar de verklaringen van Degussa, volgens welke tijdens multilaterale gesprekken in de marge van de bijeenkomsten van de CEFIC van 29 april en 25 november 1994 „gevoelige informatie over de mededinging” is uitgewisseld (punt 114 van de bestreden beschikking), zij erop gewezen dat deze opmerking, die niet uitdrukkelijk naar verzoekster verwijst, deel uitmaakt van bovengenoemde verklaringen van Degussa en dus niet kan worden beschouwd als een element dat deze verklaringen kan bevestigen.

110 Wat voorts het bewijsmateriaal betreft dat de Commissie heeft aangevoerd ter ondersteuning van de verklaringen van Degussa betreffende de betrokken periode, staat vast dat verzoekster niet heeft deelgenomen aan de in punt 351 van de bestreden beschikking genoemde bijeenkomsten, namelijk die tussen EKA Chemicals en Kemira van 31 januari 1994 te Stockholm en die tussen EKA Chemicals en Degussa van dezelfde dag.

111 Wat deze bijeenkomsten betreft, heeft de Commissie uitsluitend verwezen naar een uit de betrokken periode stammend document van EKA Chemicals volgens hetwelk EKA Chemicals en Kemira tijdens de bijeenkomst van 31 januari 1994 informatie over de Scandinavische markt hebben uitgewisseld en deze laatste „[heeft] meegedeeld dat [zij] onderhandelingen met [Air Liquide had] gevoerd, maar dat deze gesprekken geen al te beste resultaten hadden opgeleverd”. Volgens de Commissie blijkt uit dit document dat „[d]e gesprekken met [Degussa] en [verzoekster] beter [verliepen]” (punt 106 van de bestreden beschikking).

112 In dit document wordt weliswaar vermeld dat de Scandinavische producenten, Kemira en EKA Chemicals informatie hebben uitgewisseld en dat Kemira en EKA Chemicals en bepaalde producenten op de „continentale markt” gesprekken hebben gevoerd, maar het feit dat in deze context naar verzoekster wordt verwezen vormt geen voldoende bewijs dat zij in de marge van de betrokken bijeenkomst aan ongeoorloofde gesprekken heeft deelgenomen.

113 Het gaat immers om een indirect bewijs dat afkomstig is van een onderneming die niet aan de vermeende gesprekken met verzoekster heeft deelgenomen en dat niet door Kemira is bevestigd. Bovendien kan uit de gegevens in het betrokken document niet worden afgeleid waarover de betrokken gesprekken gingen.

114 Dienaangaande heeft de Commissie zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij „geen enkele reden had om te betwijfelen dat de informatie in dit document een getrouwe weerspiegeling is van de toentertijd gevoerde gesprekken” die deel uitmaakten van de mededingingsregeling waaraan verzoekster zou hebben deelgenomen (punt 317 van de bestreden beschikking).

115 Wat de andere door EKA Chemicals genoemde bilaterale gesprekken betreft die in 1994 zijn gevoerd, verwijst de Commissie naar de bijeenkomst tussen EKA Chemicals en verzoekster te Göteborg van 2 november 1994, waarop de deelnemers volgens EKA Chemicals hebben „gesproken over de markt voor HP in Europa” (punt 111 van de bestreden beschikking).

116 Deze algemene verklaring volstaat op zich niet om het ongeoorloofde karakter van de betrokken bijeenkomst, dat door verzoekster wordt betwist, aan te tonen. Het ongeoorloofde doel van deze bijeenkomst wordt evenmin aangetoond door de andere door de Commissie aangehaalde verklaringen van EKA Chemicals, aangezien deze niet uitdrukkelijk betrekking hebben op deze bijeenkomst, maar slechts verwijzen naar het feit dat „de bijeenkomsten tussen EKA [Chemicals] en [verzoekster] vanaf de jaren negentig voornamelijk betrekking hadden op algemene marktkwesties, zoals informatie over de prijzen, marktprognoses, enzovoort” (punt 113 en voetnoot 84 van de bestreden beschikking).

117 Ten slotte is de Commissie weliswaar ervan uitgegaan dat de verklaringen van Degussa werden ondersteund door de verklaringen van Arkema betreffende de bijeenkomsten van 1995, volgens welke met name „ een model voor de verdeling tussen producenten [is] besproken, wellicht sinds 1994‑1995” (punten 104 en 115 van de bestreden beschikking), maar deze verklaringen hebben betrekking op de multilaterale bijeenkomsten van „april of mei 1995” (punt 115 van de bestreden beschikking) en op de daaropvolgende gesprekken en konden dus niet dienen als bewijs ter ondersteuning van de verklaringen van Degussa volgens welke verzoekster in de periodes daarvóór aan de inbreuk heeft deelgenomen.

118 Uit al het voorgaande volgt dat de in de punten 104 tot en met 115 en 351 van de bestreden beschikking uiteengezette elementen, in hun geheel beschouwd, geen voldoende zwaarwegende verzameling aanwijzingen vormen die de vaststelling van de Commissie dat verzoekster in de periode van 31 januari 1994 tot mei 1995 aan de inbreuk heeft deelgenomen, kunnen schragen.

119 De in de punten 104 en 105 van de bestreden beschikking aangehaalde verklaringen van Degussa vormen immers op zich niet het bewijs dat verzoekster vanaf 1994 betrokken was bij geheime afspraken, en de overige in de punten 106 tot en met 115 en 351 van de bestreden beschikking genoemde bewijzen kunnen op zich deze verklaringen, volgens welke verzoekster vóór mei 1995 aan ongeoorloofde gesprekken heeft deelgenomen, niet staven.

120 Bijgevolg moet de grief van verzoekster dat de feiten onjuist zijn beoordeeld, in die zin dat zij in de periode van 31 januari 1994 tot mei 1995 niet aan de inbreuk heeft deelgenomen, worden aanvaard.

– Periode van mei 1995 tot augustus 1997

121 De Commissie heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat de adressaten ervan, waaronder verzoekster, hebben deelgenomen aan een complexe mededingingsregeling die bestond uit een reeks overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die tot doel hadden de mededinging te beperken in de zin van artikel 81, lid 1, EG. Deze mededingingsregeling omvatte voornamelijk de uitwisseling van informatie over de markten, de beperking van de productie en van de productiecapaciteit, de verdeling van de markten en de vaststelling van de prijzen (punt 337 van de bestreden beschikking).

122 Wat meer bepaald de beginperiode van het kartel betreft, heeft de Commissie met name opgemerkt dat de kartelleden elkaar vanaf uiterlijk 31 januari 1994 regelmatig hebben ontmoet om gevoelige informatie over de markt uit te wisselen en te spreken over het productievolume, de mogelijke vermindering ervan of de mogelijkheid om te verhinderen dat nieuwe capaciteit op de markt werd gebracht (punt 304 van de bestreden beschikking), en dat deze geheime gesprekken, die tot een stevig akkoord over de prijzen en de verdeling van de markt hebben geleid, konden worden geacht deel uit te maken van hetzelfde geheime plan (punt 305 van de bestreden beschikking).

123 Voorts is de Commissie ervan uitgegaan dat de betrokken ondernemingen dankzij de uitwisseling van informatie over de verkoophoeveelheden, de prijzen en de klanten in de beginperiode van het kartel rekening konden houden met deze informatie om hun eigen marktgedrag te bepalen, en dat dus aangenomen kan worden dat deze ondernemingen bij het bepalen van hun eigen marktgedrag rekening hebben gehouden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld (punt 308 van de bestreden beschikking).

124 Aldus heeft de Commissie vastgesteld dat „[het betrokken gedrag] in de beginperiode van de inbreuk weliswaar nog niet de fase [had] bereikt dat van een eigenlijke overeenkomst kon worden gesproken, maar alleszins kon worden geacht [...] onder het verbod van artikel 81, lid 1, [EG ...] te vallen, aangezien alle heimelijke gedragingen in hun verschillende vormen alle kenmerken [vertoonden] van een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen” (punt 309 van de bestreden beschikking).

125 Ter ondersteuning van haar vaststellingen betreffende de periode van mei 1995 tot augustus 1997 heeft de Commissie met name gewezen op de volgende feiten:

– de multilaterale bijeenkomst te Parijs van april of mei 1995 is georganiseerd om permanente contacten tussen de concurrenten tot stand te brengen, en Degussa en verzoekster hebben de wens geuit om de bestaande marktposities zoveel mogelijk te stabiliseren (punten 115‑117 van de bestreden beschikking);

– de bilaterale gesprekken in de marge van de bijeenkomst van de CEFIC te Dresden van 11 of 12 mei 1995 hadden betrekking op de prijsverlaging die te verwachten was wegens de voltooiing van de nieuwe productiefaciliteiten (punten 118 en 119 van de bestreden beschikking);

– de bilaterale gesprekken tussen Atofina en Air Liquide (punt 120 van de bestreden beschikking), tussen Atofina en Degussa (punt 121 van de bestreden beschikking) en tussen Degussa en EKA Chemicals (punt 122 van de bestreden beschikking) van juni 1995 hadden betrekking op de overcapaciteit op de markt voor HP en op de mogelijkheden voor de producenten om samen te werken; deze gesprekken werden gevoerd op basis van een tabel die gedetailleerde gegevens per klant en per producent omvatte, waaronder de door verzoekster verstrekte gegevens;

– algemeen beschouwd hebben rond 1995 gedurende meer dan een jaar verschillende voorstellen betreffende verkoopquota en de controle van de overcapaciteit „gecirculeerd”, die Atofina, Degussa en verzoekster onderling hebben besproken (punten 123 en 124 van de bestreden beschikking);

– tijdens de bijeenkomst tussen Atofina, Degussa en Chemoxal te Parijs van 23 oktober 1995 kwamen met name een becijferd voorstel voor de beperking van nieuwe capaciteit, waaronder die van een nieuwe fabriek van verzoekster, en een voorstel voor een prijsovereenkomst aan bod (punten 126 en 127 van de bestreden beschikking);

– de producenten waren verdeeld in twee groepen, „A” en „B”, die respectievelijk door verzoekster en Degussa werden gecoördineerd; de producenten van groep „B” werden geacht de door de groep „A” vastgestelde marktaandelen onderling te verdelen; tot deze groep „A” behoorden de „marktleiders”, namelijk Degussa en verzoekster, alsook de Scandinavische ondernemingen, EKA Chemicals en Kemira (punten 130 en 131 van de bestreden beschikking);

– de bijeenkomst van groep „B” te Milaan van 31 oktober 1995 had betrekking op „de grondslagen voor een model ter verdeling van de groei” en de notities die bij deze gelegenheid zijn genomen, bevatten met name informatie betreffende verzoekster (punten 132 en 133 van de bestreden beschikking);

– tijdens bilaterale gesprekken in de marge van de bijeenkomst van de CEFIC te Brussel van 21 en 22 november 1995, waaraan ook verzoekster heeft deelgenomen, en op de bijeenkomst in Italië is informatie uitgewisseld over de markt en de vaststelling van de prijsniveaus voor HP voor het volgende jaar, die evenwel niet in acht zijn genomen (punten 134‑136 van de bestreden beschikking);

– de bilaterale bijeenkomst tussen Atofina en verzoekster die begin 1996 te Parijs heeft plaatsgevonden, had tot doel de standpunten van de groepen „A” en „B” te vergelijken (punt 139 van de bestreden beschikking);

– tijdens ontmoetingen die op 24 mei 1996 te Göteborg en op 27 november 1996 te Brussel hebben plaatsgevonden in de marge van de bijeenkomsten van de CEFIC en waaraan verzoekster heeft deelgenomen, kwamen becijferde voorstellen over de verdeling van de markt en de prijzen aan bod, zonder dat evenwel een specifieke overeenkomst is gesloten (punten 141‑145 van de bestreden beschikking);

– vele bilaterale contacten in 1996 en 1997, waaronder de bijeenkomst tussen EKA Chemicals en verzoekster die in april of mei 1997 te Kopenhagen heeft plaatsgevonden en in het kader waarvan verzoekster EKA Chemicals heeft gevraagd of zij bereid was om samen met de andere producenten een gecoördineerde inspanning te leveren om de capaciteit te verminderen, wijzen erop dat het plan bestond om de capaciteit te verminderen (punten 154 en 155 van de bestreden beschikking);

– de groepen „A” en „B” hebben deelgenomen aan de bijeenkomsten van 28 of 29 mei 1997 die in de marge van de bijeenkomst van de CEFIC te Sevilla plaatsvonden en betrekking hadden op een geleed model voor de verdeling van de markt voor HP, maar er werd geen eindakkoord bereikt en de besprekingen werden uitgesteld tot augustus 1997 (punten 156‑167 van de bestreden beschikking);

– na deze bijeenkomsten hebben verzoekster, EKA Chemicals en Degussa in de zomer van 1997 bilaterale gesprekken gevoerd (punten 168‑170 van de bestreden beschikking).

126 Verzoekster ontkent niet dat deze gesprekken hebben plaatsgevonden en betwist evenmin de inhoud van de besprekingen zoals deze in bovengenoemde punten van de bestreden beschikking is uiteengezet.

127 Zij stelt evenwel dat uit deze feiten niet kan worden afgeleid dat vóór de multilaterale bijeenkomst te Brussel van augustus 1997, die tot een stevig akkoord over de verhoging van de prijzen voor HP heeft geleid (punten 171‑174 van de bestreden beschikking) en waarvan zij erkent dat zij het begin van haar deelname aan de inbreuk vormde, sprake was van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen.

128 In de eerste plaats stelt verzoekster onder verwijzing naar de uiteenzetting in de punten 115‑170 van de bestreden beschikking dat de deelnemers aan de betrokken gesprekken vóór deze bijeenkomst van augustus 1997 geen overeenkomst over de verdeling van de markten of over de prijzen hebben kunnen sluiten en hun feitelijke gedragingen niet onderling hebben afgestemd.

129 Dienaangaande betoogt zij dat de Commissie zich op een onjuiste interpretatie van de begrippen overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG heeft gebaseerd en de feiten onjuist heeft beoordeeld.

130 Wat de gestelde onjuiste rechtsopvatting betreft, zij eraan herinnerd dat de Commissie bij de beoordeling van een complexe inbreuk niet gehouden is elk van de vastgestelde gedragingen als overeenkomst of als onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG te kwalificeren, aangezien het gaat om samenspanningsvormen van dezelfde aard. Bovendien kan van de Commissie niet worden geëist dat zij de inbreuk specifiek als overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen kwalificeert, aangezien deze bepaling hoe dan ook op deze beide soorten inbreuken ziet (zie punten 90 en 91 hierboven).

131 In casu kan de Commissie dus niet juridisch verweten worden dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat de betrokken gedragingen, in hun geheel beschouwd, alle constitutieve kenmerken van „een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen” vertoonden, voor zover zij konden worden beschouwd als een van deze beide in artikel 81, lid 1, EG bedoelde samenspanningsvormen.

132 Wat de onjuiste beoordeling van de feiten betreft, stelt verzoekster in wezen dat de concurrenten vóór augustus 1997 geen overeenkomst over een specifieke op de markt te volgen gedragslijn hebben gesloten en hun gedrag niet zodanig hebben gecoördineerd dat van onderling afgestemde feitelijke gedragingen kan worden gesproken.

133 Zij verwijst met name naar de informatie in de bestreden beschikking volgens welke de besprekingen in 1996 „reeds een jaar lang in het slop zaten” en „in een impasse” leken te zijn beland. Zij merkt op dat er in mei 1997 „nog steeds een gebrek aan vertrouwen was, wat mede aan de oorsprong lag van het feit dat geen overeenkomst over het behoud van de bestaande marktaandelen was gesloten”, „aangezien de kleinste producenten tegen de vaststelling van marktaandelen hebben gestemd” (punten 140, 142 en 164 van de bestreden beschikking).

134 De door verzoeksters verstrekte gegevens wijzen er weliswaar op dat de producenten die in de periode van mei 1995 tot augustus 1997 aan de bijeenkomsten hebben deelgenomen, er niet in geslaagd zijn een „eigenlijke” overeenkomst over de verdeling van de markt te sluiten, wat de Commissie zelf in punt 309 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, maar dit neemt niet weg dat zij lange tijd regelmatig gesprekken over een ontwerp voor een dergelijke overeenkomst hebben gevoerd.

135 Uit de door verzoekster niet-betwiste feiten blijkt immers dat in mei 1995 ontmoetingen hebben plaatsgevonden met als doel permanente contacten tussen de concurrenten tot stand te brengen, nadat Degussa en verzoekster hun concurrenten op de markt voor HP daartoe herhaaldelijk hadden uitgenodigd. De deelnemers hebben gesproken over de markttendensen en de nieuwkomers op de Europese markt voor HP, en Degussa en verzoekster hebben de wens geuit om de bestaande marktposities zoveel mogelijk te stabiliseren (punten 115‑117 van de bestreden beschikking).

136 In de periode van mei 1995 tot augustus 1997 hebben regelmatig gesprekken plaatsgevonden over voorstellen voor verkoopquota en de controle van de overcapaciteit (punten 123 en 124 van de bestreden beschikking), over een becijferd voorstel voor de beperking van nieuwe capaciteit, waaronder die van verzoekster, en over een voorstel voor een prijsovereenkomst (punten 126 en 127 van de bestreden beschikking), over „de grondslagen voor een model ter verdeling van de groei” (punten 132 en 133 van de bestreden beschikking), over becijferde voorstellen voor de verdeling van de markt en een prijsovereenkomst (punten 143‑145 van de bestreden beschikking), over een gecoördineerde inspanning om de capaciteit te verminderen (punten 154‑155 van de bestreden beschikking) en over een geleed model voor de verdeling van de markt voor HP (punten 159‑167 van de bestreden beschikking).

137 Uit de inhoud van deze gesprekken, die door verzoekster niet wordt betwist, blijkt duidelijk dat de gemeenschappelijke wil bestond om de mededinging te beperken.

138 Deze regelmatige reeks bijeenkomsten, waarop de ondernemingen elkaar hebben ontmoet om plannen over de verdeling van de nieuwe capaciteit, de verdeling van de marktaandelen en een prijsovereenkomst te bespreken, had immers niet kunnen plaatsvinden indien de deelnemers aan deze bijeenkomsten toentertijd niet de gemeenschappelijke wil hadden om de markt te stabiliseren door middel van mededingingsbeperkende maatregelen (zie in die zin arrest Gerecht van 20 maart 2002, Dansk Rørindustri/Commissie, T‑21/99, Jurispr. blz. II‑1681, punt 46).

139 Aangezien de deelnemers aan de betrokken gesprekken zich duidelijk hebben laten leiden door de gemeenschappelijke wil om een akkoord te bereiken over een principiële beperking van de mededinging, wordt aan deze overweging niet afgedaan door het feit dat de deelnemers tot augustus 1997 hebben onderhandeld over de specifieke aspecten van de beoogde beperking en dat de bepalingen van het stevige akkoord van augustus 1997 over een gecoördineerde verhoging van de prijzen voor HP verschillen van die welke tijdens de vroegere bijeenkomsten zijn besproken.

140 Dat verzoekster bij de geheime contacten betrokken was, blijkt overigens duidelijk uit het feit dat zij actief aan de gesprekken heeft deelgenomen. Zij heeft aan de meeste bijeenkomsten in de betrokken periode deelgenomen, de voorstellen „samengevat” (punten 123 en 124 van de bestreden beschikking) en de groep „marktleiders” gecoördineerd (punten 130 en 131 van de bestreden beschikking).

141 Het door verzoekster aangehaalde feit dat haar vertegenwoordiger tijdens een bijeenkomst in mei 1997 (punt 162 van de bestreden beschikking) „met slaande deuren is vertrokken, [...] omdat hij geïrriteerd was door de verzoeken van de kleine producenten”, vormt geen aanwijzing dat haar deelname aan de betrokken bijeenkomst, laat staan haar deelname aan alle betrokken gesprekken, geen mededingingsverstorend oogmerk had.

142 Gelet op deze overwegingen heeft de Commissie terecht vastgesteld dat de betrokken gedragingen, die in de beginfase van het kartel zijn verricht en waarbij verzoekster betrokken was, deel uitmaakten van hetzelfde plan om de mededinging te verstoren en bijgevolg vielen onder het in artikel 81, lid 1, EG bedoelde verbod.

143 Zoals reeds gezegd, kan een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG immers worden geacht te zijn gesloten wanneer er wilsovereenstemming bestaat over een principiële beperking van de mededinging, ook al wordt er nog onderhandeld over de specifieke aspecten van de beoogde beperking (zie punt 86 hierboven).

144 In casu kan verzoekster dus niet met succes stellen dat, voor zover de ondernemingen niet zijn overeengekomen om een specifieke gedragslijn op de markt te volgen, de betrokken gedragingen hooguit blijk geven van een loutere intentie om de mededinging te beperken en dus niet behoren tot de in artikel 81, lid 1, EG bedoelde samenspanningsvormen.

145 Aangezien de hierboven uiteengezette feiten aantonen dat de concurrenten reeds een gemeenschappelijk plan hadden dat erop gericht was een mededingingsverstorende overeenkomst te sluiten, moeten deze gesprekken worden geacht verder te gaan dan de loutere intentie of een poging om een overeenkomst te sluiten.

146 Voorts konden de contacten die in de betrokken periode hebben plaatsgevonden hoe dan ook als onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden geacht onder artikel 81, lid 1, EG te vallen.

147 Zoals reeds gezegd, volstaat volgens vaste rechtspraak het feit dat een onderneming inlichtingen aan haar concurrenten verstrekt om een mededingingsverstorende overeenkomst voor te bereiden, om aan te tonen dat sprake is van onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81 EG (zie punt 89 hierboven).

148 Zelfs indien de Commissie er niet in slaagt aan te tonen dat de ondernemingen een overeenkomst in strikte zin hebben gesloten, volstaat het voor de vaststelling van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG dat de concurrenten rechtstreeks contact met elkaar hebben opgenomen om „de markt te stabiliseren” (zie in die zin arrest BPB/Commissie, aangehaald in punt 89, punt 170).

149 Gelet op deze overwegingen moet de stelling van verzoekster dat het verstrekken van inlichtingen aan de concurrenten slechts als een onderling afgestemde feitelijke gedraging kan worden beschouwd wanneer reeds een mededingingsverstorende overeenkomst is gesloten en slechts onderhandelingen worden gevoerd om deze te kunnen uitvoeren, worden verworpen.

150 In casu heeft de Commissie vastgesteld dat verzoekster aan een aantal bijeenkomsten met haar concurrenten heeft deelgenomen en dat de deelnemers tijdens deze bijeenkomsten informatie over de marktvoorwaarden hebben uitgewisseld, het niveau van de prijzen hebben besproken en de commerciële strategie die zij op de markt wilden volgen, hebben uiteengezet. Voorts is vastgesteld dat de betrokken informatie is uitgewisseld met als doel een marktverdelingsovereenkomst of een prijsovereenkomst voor te bereiden. Deze uitwisseling van informatie had dus duidelijk een mededingingsverstorend doel.

151 Bijgevolg heeft de Commissie terecht vastgesteld dat verzoekster heeft deelgenomen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen die tot doel hadden de mededinging te verstoren.

152 Aan deze overweging wordt niet afgedaan door het argument van verzoekster dat het ondenkbaar was dat de concurrenten hun feitelijke gedragingen onderling afstemden, omdat zij elkaar onvoldoende vertrouwden.

153 De meningsverschillen en zelfs het gebrek aan vertrouwen tussen de deelnemers volstaan immers al zodanig niet om uit te sluiten dat zij samenspanden en aldus onderling afgestemde feitelijke gedragingen verrichtten. De argumenten van verzoekster weerleggen niet de door de Commissie vastgestelde feiten waaruit blijkt dat de concurrenten, ondanks een zeker gebrek aan onderling vertrouwen, elkaar in de betrokken periode regelmatig hebben ontmoet en informatie over de marktvoorwaarden en hun commerciële strategie hebben uitgewisseld om een mededingingsverstorende overeenkomst voor te bereiden.

154 Anders dan verzoekster stelt, kan de Commissie niet worden verweten dat zij niet heeft aangetoond dat de uitgewisselde informatie, gelet op de inhoud ervan, voor mededingingsverstorende doeleinden kon worden gebruikt.

155 Het mededingingsverstorende doel van het betrokken gedrag blijkt immers duidelijk uit de aard van de informatie die tijdens de bijeenkomsten in de betrokken periode is uitgewisseld, aangezien het onder meer gaat om verkoopcijfers voor de voorbije jaren en ramingen voor de toekomst (punt 120 van de bestreden beschikking), alsook uit de inhoud van de besproken voorstellen, die betrekking hadden op het behoud van de status-quo op de markt, op de verdeling van de nieuwe productiecapaciteit en op de vaststelling van de prijsniveaus voor HP (zie bijvoorbeeld punten 115, 127, 133, 136 et 144 van de bestreden beschikking).

156 Bijgevolg heeft de Commissie rechtens genoegzaam aangetoond dat de betrokken informatie-uitwisseling, die diende om „het terrein te effenen” voor de prijsverhogingen en de verdeling van de markten die daaruit voortvloeiden, een samenspanningsvorm in de zin van artikel 81, lid 1, EG vormde.

157 Uit deze overwegingen volgt dat de Commissie terecht heeft vastgesteld dat de litigieuze gedragingen konden worden geacht onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG te vallen, doordat zij deel uitmaakten van een geheel van gedragingen die de constitutieve kenmerken van een overeenkomst „en/of” onderling afgestemde feitelijke gedragingen vertonen (punten 308 en 309 van de bestreden beschikking).

158 Wat het argument van verzoekster betreft dat de markt voor HP tot augustus of september 1997 concurrentieel is gebleven, aangezien de prijzen voor HP begin 1997 aanzienlijk zijn gedaald, zij herinnerd aan de vaste rechtspraak dat voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG de concrete gevolgen van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen niet in aanmerking hoeven te worden genomen wanneer eenmaal is gebleken dat de overeenkomst tot doel had de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verhinderen, te beperken of te vervalsen (arresten Hof van 19 maart 2009, Archer Daniels Midland/Commissie, C‑510/06 P, Jurispr. blz. I‑1843, punt 140, en 4 juni 2009, T‑Mobile Netherlands e.a., C‑8/08, Jurispr. blz. I‑4529, punt 29).

159 Aangezien de Commissie in casu heeft vastgesteld dat verzoekster heeft deelgenomen aan een mededingingsverstorende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die tot doel hadden de mededinging op de markt voor HP te beperken, was zij niet verplicht de concrete gevolgen van de betrokken gedragingen in aanmerking te nemen.

160 Wat meer bepaald de onderling afgestemde feitelijke gedragingen betreft, moet hoe dan ook volgens vaste rechtspraak, behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, worden aangenomen dat de ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij het bepalen van hun marktgedrag rekening houden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie (arresten Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 87, punten 118 en 121, en Hüls/Commissie, aangehaald in punt 55, punten 161 en 162).

161 Ook al zou vaststaan dat deze gedragingen geen invloed hebben gehad op de prijs in de betrokken periode, kan dit geen afbreuk doen aan de rechtmatigheid van de beoordeling van de Commissie.

162 Meer bepaald belet het feit dat bepaalde onderling afgestemde feitelijke gedragingen geen rechtstreekse invloed hebben op het prijsniveau niet dat wordt vastgesteld dat zij de mededinging tussen de betrokken ondernemingen hebben beperkt, met name door de concurrentiedruk weg te nemen (zie in die zin arrest Dansk Rørindustri/Commissie, aangehaald in punt 138, punten 139‑140).

163 Het argument van verzoekster dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het bewezen feit dat de markt tijdens de betrokken periode concurrentieel is gebleven, kan dus niet worden aanvaard.

164 Wat het argument van verzoekster betreft dat de in de bestreden beschikking voor de betrokken periode aangevoerde feiten voornamelijk betrekking hebben op de markt voor HP, en niet op die voor PBS, zij eraan herinnerd dat de bestreden beschikking is gebaseerd op de vaststelling dat sprake is van één enkele inbreuk die betrekking heeft op de twee betrokken markten (punten 328 en volgende van de bestreden beschikking), een kwalificatie die verzoekster in casu niet betwist.

165 Aangezien de Commissie de betrokken mededingingsregeling als één enkele inbreuk heeft gekwalificeerd, was zij niet verplicht in het kader van deze kwalificatie te wijzen op het feit dat de handelingen die enkel betrekking hadden op de markt voor PBS niet even lang hebben geduurd. Aangezien het niet om afzonderlijke inbreuken gaat, hoefde zij bij de bepaling van de duur van de inbreuk, in haar geheel beschouwd, evenmin rekening te houden met dit verschil.

166 Het zou immers gekunsteld zijn een voortdurende gedraging, die door één enkel doel wordt gekenmerkt, op te splitsen in verschillende afzonderlijke inbreuken op grond dat de heimelijke gedragingen naargelang van de betrokken markt in intensiteit verschilden. Deze factoren dienen enkel in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en, in voorkomend geval, bij de bepaling van de geldboete (zie naar analogie arrest Commissie/Anic Partecipazioni, aangehaald in punt 87, punt 90).

167 In casu heeft de Commissie overeenkomstig deze overwegingen opgemerkt dat zij bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening heeft gehouden met het feit dat de mededingingsregeling inzake PBS later is begonnen en vroeger is beëindigd dan die inzake HP (punt 331 van de bestreden beschikking).

168 Het argument van verzoekster dat onvoldoende bewijs is geleverd dat in de betrokken periode mededingingsverstorende handelingen op de markt voor PBS zijn verricht, kan dus niet worden aanvaard.

169 Aangezien verzoekster niet heeft aangetoond dat de Commissie in de bestreden beschikking blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 81, lid 1, EG, moet ten slotte ook haar – in wezen op dezelfde premisse gebaseerd – argument dat de Commissie deze bepaling in strijd met het beginsel van de legaliteit van sancties te ruim heeft geïnterpreteerd, worden verworpen.

170 Gelet op het voorgaande kan de grief dat ten onrechte is vastgesteld dat in de periode van mei 1995 tot augustus 1997 een inbreuk is gepleegd, niet worden aanvaard.

– Periode van 18 mei tot 31 december 2000

171 Wat het einde van de inbreuk betreft, heeft de Commissie in punt 356 van de bestreden beschikking opgemerkt dat artikel 81, lid 1, EG van toepassing is op een mededingingsregeling die na de formele beëindiging ervan effect blijft sorteren, en dat dit met name het geval is wanneer ondernemingen de tijdens de bijeenkomsten van het kartel overeengekomen richtprijzen verder toepassen.

172 De Commissie heeft deze overwegingen op het onderhavige geval toegepast en opgemerkt dat volgens de verklaringen van Arkema, die met ander bewijsmateriaal overeenstemden, tijdens de multilaterale bijeenkomst te Turku van 18 mei 2000 een algemene consensus tot stand is gekomen om het prijsniveau gedurende het jaar 2000 te handhaven en dat er dus van uit kan worden gegaan dat het prijseffect ten minste gedurende het tweede semester van 2000 is blijven bestaan (punt 357 van de bestreden beschikking). De einddatum van de inbreuk is dan ook, met name voor verzoekster, op 31 december 2000 vastgesteld (punt 360 van de bestreden beschikking).

173 Verzoekster stelt in wezen dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten onjuist heeft beoordeeld door vast te stellen dat de mededingingsregeling na de bijeenkomst van 18 mei 2000 is voortgezet.

174 Volgens vaste rechtspraak is artikel 81 EG ook van toepassing op overeenkomsten die na de formele beëindiging ervan effect blijven sorteren (arrest Hof van 3 juli 1985, Binon, 243/83, Jurispr. blz. 2015, punt 17, en arrest Gerecht van 10 maart 1992, Montedipe/Commissie, T‑14/89, Jurispr. blz. II‑1155, punt 231).

175 In het bijzonder kan de Commissie wettig vaststellen dat de mededingingsregeling na de formele beëindiging van de heimelijke bijeenkomsten effect blijft sorteren, voor zover de tijdens deze bijeenkomsten vastgelegde prijsverhogingen in een latere periode worden doorgevoerd (zie in die zin arrest Gerecht van 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie, T‑109/02, T‑118/02, T‑122/02, T‑125/02, T‑126/02, T‑128/02, T‑129/02, T‑132/02 en T‑136/02, Jurispr. blz. II‑947, punt 186).

176 Aangezien de Commissie in casu heeft vastgesteld dat de bijeenkomst van 18 mei 2000 heeft geleid tot een algemene consensus om het prijsniveau in het tweede semester van het jaar 2000 te handhaven, heeft zij terecht geconcludeerd dat de mededingingsregeling tot 31 december 2000 effect is blijven sorteren.

177 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan voor de argumenten van verzoekster, die in de eerste plaats zijn gebaseerd op het feit dat de Commissie onvoldoende bewijzen heeft aangevoerd.

178 Verzoekster betwist niet dat de betrokken informele bijeenkomst heeft plaatsgevonden, en evenmin dat zij aan deze bijeenkomst heeft deelgenomen. Dienaangaande stelt zij ten onrechte dat de verklaringen van Arkema, waarin sprake is van een „consensus”, niet impliceren dat de deelnemers de gemeenschappelijke wil hadden om de gevolgen van de overeenkomst te handhaven. Dit argument wordt immers tegengesproken door de bewoordingen van deze verklaringen, waarin sprake is van „eindbesprekingen” over de prijzen voor 1 januari 2001 en van een „algemene consensus” om het prijsniveau te handhaven (punt 282 van de bestreden beschikking).

179 Verzoekster stelt eveneens ten onrechte dat de verklaring van Arkema over de consensus met betrekking tot de prijzen in tegenspraak is met haar andere verklaringen, volgens welke de bijeenkomst te Turku „bepaalde producenten de gelegenheid [had geboden] om aan te tonen dat de tijden waren veranderd” en „om te melden dat de samenwerking was geschorst en aldus de gecontroleerde regulering van de markt te beëindigen”. Deze laatste verklaringen, waarin sprake is van de intentie om het mededingingsverstorende gedrag te beëindigen, en dus van de formele beëindiging van de mededingingsregeling, zijn niet in tegenspraak met het feit dat er een consensus was om de gevolgen ervan tot het einde van het jaar te handhaven.

180 Bovendien stemmen de verklaringen van Arkema, anders dan verzoekster stelt, met andere elementen van het dossier overeen, met name met de – door verschillende ondernemingen bevestigde en door verzoekster niet betwiste – informatie dat de prijzen in het kader van de bijeenkomsten die in de marge van de tweejaarlijkse vergaderingen van CEFIC plaatsvonden, gewoonlijk voor de zes daaropvolgende maanden werden vastgelegd (punt 357 van de bestreden beschikking).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in