Gerecht EU 16 juni 2011, T-235/07, ECLI:EU:T:2011:283
Tekst
Zaak T-235/07
Bavaria NV
tegen
Europese Commissie
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Nederlandse biermarkt – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Bewijs van inbreuk – Toegang tot dossier – Geldboeten – Gelijkheidsbeginsel – Redelijke termijn”
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Begrip – Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag
(Art. 81, lid 1, EG)
2. Mededinging – Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Begrip – Contact dat onverenigbaar is met verplichting van elke onderneming om marktgedrag zelfstandig te bepalen – Informatie-uitwisseling – Vermoeden – Voorwaarden
(Art. 81, lid 1, EG)
3. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijslevering – Bundel aanwijzingen
(Art. 81, lid 1, EG)
4. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijslevering – Bewijsstukken
(Art. 81, lid 1, EG)
5. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Grondrechten – Vermoeden van onschuld – Mededingingsprocedure – Toepasselijkheid
(Art. 81, lid 1, EG)
6. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Gebruik als bewijs van verklaringen die in kader van mededeling inzake medewerking zijn afgelegd door andere ondernemingen die aan inbreuk hebben deelgenomen – Toelaatbaarheid – Voorwaarden
(Art. 81 EG en 82 EG)
7. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Bewijs van inbreuk, te leveren door Commissie – Grenzen
(Art. 81, lid 1, EG)
8. Mededinging – Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Aantasting van mededinging – Beoordelingscriteria – Mededingingsbeperkend doel – Vaststelling toereikend
(Art. 81, lid 1, EG)
9. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijs van inbreuk en duur daarvan ten laste van Commissie – Bewijskracht van voor onderneming belastende vrijwillige verklaringen die voornaamste deelnemers aan mededingingsregeling hebben afgelegd met oog op toepassing van mededeling betreffende medewerking
(Art. 81, lid 1, EG; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie)
10. Mededinging – Mededingingsregelingen – Complexe inbreuk met kenmerken van overeenkomst en kenmerken van onderling afgestemde feitelijke gedraging – Eén enkele kwalificatie als „overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging” – Toelaatbaarheid
(Art. 81, lid 1, EG)
11. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij ten aanzien van onderneming inbreuk wordt vastgesteld na vaststelling van andere beschikking van Commissie waarin die onderneming uitsluitend in kader van uiteenzetting van feiten wordt vermeld maar geen adressaat is en niet wordt bestraft – Schending van beginsel ne bis in idem – Geen
(Art. 81, lid 1, EG)
12. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijs van inbreuk en duur daarvan ten laste van Commissie – Omvang van bewijslast
(Art. 81, lid 1, EG)
13. Mededinging – Mededingingsregelingen – Bewijs – Antwoord van onderneming op verzoek om inlichtingen van Commissie – Bewijswaarde – Beoordeling
(Verordeningen van de Raad, nr. 17, art. 11, en nr. 1/2003, art. 18)
14. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Verplichting voor Commissie om alle relevante gegevens van geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken
15. Mededinging – Administratieve procedure – Te vroeg kenbaar maken door Commissie van haar overtuiging dat sprake is van inbreuk
16. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Toegang tot dossier – Omvang – Weigering document mee te delen – Gevolgen – Noodzaak om voor op betrokken onderneming rustende bewijslast onderscheid te maken tussen belastende en ontlastende documenten
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27, lid 2)
17. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Documenten die zich niet in onderzoeksdossier bevinden en die door Commissie niet zijn uitgekozen om als belastend stuk te worden gebruikt – Documenten die dienstig kunnen zijn voor verweer van partijen
(Art. 81, lid 1, EG en 82 EG; EER-Overeenkomst, art. 53, 54 en 57; verordening nr. 139/2004 van de Raad; mededeling 2005/C 325/07 van de Commissie, punt 27)
18. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsmarge van Commissie – Grenzen – Inachtneming van richtsnoeren van Commissie – Rechterlijke toetsing
(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
19. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Inaanmerkingneming van concrete weerslag op markt – Omvang
(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)
20. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Beoordelingsvrijheid van Commissie
(Verordeningen nrs. 17 en 1/2003 van de Raad; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
21. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Indeling van betrokken ondernemingen in verschillende categorieën – Voorwaarden
(Mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A, zesde en zevende alinea)
22. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Indeling van betrokken ondernemingen in verschillende categorieën – Omzet die in aanmerking is genomen
(Mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A, zesde en zevende alinea)
23. Mededinging – Administratieve procedure – Verplichtingen van Commissie – Inachtneming van redelijke termijn – Beoordelingscriteria – Schending – Gevolgen
(Verordening nr. 1/2003 van de Raad)
24. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Mogelijkheid om hoogte van geldboeten op te trekken om afschrikkende werking ervan te vergroten
(Art. 81 EG)
25. Mededinging – Administratieve procedure – Verplichtingen van Commissie – Inachtneming van redelijke termijn – Schending – Gevolgen – Vermindering van geldboete uit billijkheidsoverwegingen
(Art. 81 EG)
1. Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen. Aangenomen kan worden dat een overeenkomst in de zin van dit artikel is gesloten wanneer er wilsovereenstemming bestaat over een principiële beperking van de mededinging, ook al wordt er nog onderhandeld over de specifieke aspecten van de beoogde beperking. Aan het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81 EG wordt niet afgedaan door het feit dat de wilsovereenstemming tussen de ondernemingen zich niet uitstrekt tot de concrete wijze van doorvoering van de prijsverhoging, en evenmin door het feit dat deze prijsverhoging feitelijk nooit heeft plaatsgevonden op de markt.
(cf. punten 34-35, 175)
2. De onderling afgestemde feitelijke gedraging is een vorm van coördinatie tussen ondernemingen waarbij, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust door een feitelijke samenwerking worden vervangen. Artikel 81, lid 1, EG staat in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen marktdeelnemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent wordt beïnvloed, hetzij die concurrent op de hoogte wordt gebracht van het marktgedrag dat de betrokken marktdeelnemer zelf vertoont of heeft voorgenomen, wanneer dat contact de beperking van de mededinging tot doel of gevolg heeft.
Behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs geldt het vermoeden dat de ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op deze markt rekening houden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld. Dit geldt temeer wanneer de afstemming gedurende een lange periode en met een zekere regelmaat plaatsvindt.
(cf. punten 36-37, 178)
3. Wat de bewijsvoering met betrekking tot een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG betreft, moet de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken bewijzen en de elementen leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk bewijzen. De Commissie moet dus, om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren.
Niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen hoeft evenwel noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde reeks aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet.
Gelet op de algemene bekendheid van het verbod op mededingingsbeperkende overeenkomsten, kan van de Commissie niet worden geëist dat zij stukken overlegt waaruit met zoveel woorden blijkt dat de betrokken marktdeelnemers overleg hebben gepleegd. De fragmentarische en schaarse bewijzen waarover de Commissie eventueel beschikt, moeten in elk geval kunnen worden vervolledigd via deductie, zodat de relevante omstandigheden kunnen worden gereconstrueerd. Het bestaan van een mededingingsbeperkende gedraging of overeenkomst kan dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden.
(cf. punten 38-41)
4. Wanneer de Commissie schriftelijke bewijzen heeft aangevoerd tot staving van haar stelling dat sprake is van een mededingingsbeperkende overeenkomst of praktijk, dienen partijen die deze vaststelling voor het Gerecht betwisten niet louter een plausibel alternatief te bieden voor de stelling van de Commissie, maar dienen zij te stellen dat de bewijzen van de inbreuk in de bestreden beschikking ontoereikend zijn.
(cf. punt 42)
5. Wat de omvang van de rechterlijke toetsing betreft, moet het Gerecht, wanneer bij hem een beroep tot nietigverklaring van een beschikking inzake een procedure op grond van artikel 81, lid 1, EG aanhangig is, in het algemeen een volledig onderzoek instellen naar de vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 1, EG is voldaan.
Twijfel bij de rechter dient in het voordeel te spelen van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. Dit is in overeenstemming met het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat als algemeen beginsel van Unierecht met name van toepassing is op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot de oplegging van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden.
(cf. punten 43-44)
6. Geen enkele bepaling en geen enkel algemeen beginsel van Unierecht verbiedt de Commissie zich tegenover een onderneming te beroepen op de verklaringen van andere beschuldigde ondernemingen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 EG en 82 EG onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met de haar door het EG‑Verdrag opgedragen taak van toezicht op de juiste toepassing van deze bepalingen.
Het is juist dat de verklaring van een onderneming die van deelneming aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, niet kan worden beschouwd als voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien zij niet door andere bewijzen wordt gestaafd. Een dergelijke verklaring alleen kan dus niet volstaan om het bestaan van een inbreuk aan te tonen, maar moet door andere bewijzen worden gestaafd. Indien een verklaring in hoge mate betrouwbaar is, behoeft zij evenwel een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig is.
Mocht aldus worden vastgesteld dat het bestaan en bepaalde specifieke aspecten van de in die verklaring genoemde praktijken steun vinden in een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen, dan kan die verklaring op zich volstaan als bewijs van andere aspecten van de beschikking van de Commissie.
Bovendien volstaat het dat een stuk, voor zover het niet in kennelijke tegenspraak is met de verklaring over het bestaan of de wezenlijke inhoud van de gewraakte praktijken, wezenlijke onderdelen van de in die verklaring beschreven praktijken bevestigt, opdat het enige waarde zou hebben als element ter ondersteuning van deze verklaring in het kader van de reeks belastende bewijzen.
(cf. punten 60, 79-81)
7. De Commissie is vaak verplicht om het bestaan van een inbreuk in moeilijke omstandigheden te bewijzen, doordat meerdere jaren kunnen zijn verstreken sinds de inbreuk is gepleegd en verschillende van de ondernemingen waartegen een onderzoek is ingesteld, niet actief met haar hebben meegewerkt.
De Commissie dient weliswaar noodzakelijkerwijs aan te tonen dat een ongeoorloofde marktverdelingsovereenkomst is gesloten, maar het zou te ver gaan om daarenboven ook nog te eisen dat zij bewijst via welk specifiek mechanisme dat doel moest worden bereikt. Het zou immers al te gemakkelijk zijn voor een onderneming die zich aan een inbreuk schuldig heeft gemaakt, om zich aan elke sanctie te onttrekken indien zij zich kon beroepen op de vaagheid van de informatie die met betrekking tot de werking van een ongeoorloofde overeenkomst is verstrekt, hoewel het bestaan van de overeenkomst en het mededingingsbeperkende doel ervan genoegzaam zijn aangetoond. In een dergelijk geval kunnen ondernemingen zich nuttig verweren wanneer zij de gelegenheid krijgen een verklaring te geven voor alle door de Commissie tegen hen aangevoerde bewijzen.
(cf. punt 69)
8. Uit de tekst van artikel 81 EG volgt dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen verboden zijn, ongeacht of zij al dan niet gevolgen hebben voor de markt, wanneer zij een mededingingsbeperkend doel hebben. Wanneer de Commissie heeft vastgesteld dat sprake is van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen met een mededingingsbeperkend doel, kunnen aanwijzingen dat de heimelijke afspraken niet zijn toegepast of geen gevolgen hebben gehad voor de markt dus geen tegenbewijs leveren van die vaststelling.
(cf. punten 70-71)
9. Hoewel een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is, omdat deze deelnemers geneigd kunnen zijn om het belang van hun eigen bijdrage aan de inbreuk te bagatelliseren en dat van de anderen te overdrijven, vormt het feit dat wordt verzocht om toepassing van de mededeling betreffende het niet-opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen teneinde een vermindering van de geldboete te verkrijgen, er niet noodzakelijkerwijs een aanzet voor om bewijzen vertekend weer te geven ten aanzien van de andere deelnemers aan de gewraakte mededingingsregeling. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker, en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt te hebben bij de mededeling inzake medewerking in gevaar brengen.
(cf. punt 78)
10. In een complexe feitelijke situatie moet de dubbele kwalificatie van de mededingingsbeperkende gedragingen als „samenstel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen”, aangezien sommige elementen van die gedragingen als „overeenkomst” en andere als „onderling afgestemde feitelijke gedraging” moeten worden aangemerkt, niet worden opgevat als een kwalificatie ten aanzien waarvan gelijktijdig en cumulatief moet worden bewezen dat elk van deze feitelijke bestanddelen zowel de karakteristieken van een overeenkomst als die van een onderling afgestemde gedraging vertoont, doch als een kwalificatie die een complex geheel van feitelijke bestanddelen aanduidt, waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 81 EG, dat voor dit soort complexe inbreuken niet in een specifieke kwalificatie voorziet.
(cf. punt 183)
11. Het beginsel ne bis in idem, dat een algemeen beginsel van Unierecht vormt waarvan de rechter de naleving waarborgt, verbiedt om een persoon voor eenzelfde onrechtmatige gedraging meer dan één keer te bestraffen ter bescherming van hetzelfde rechtsgoed. De toepassing van dit beginsel is afhankelijk van drie cumulatieve voorwaarden, te weten de feiten, de overtreder en het beschermde rechtsgoed moeten dezelfde zijn.
Wanneer de Commissie een onderneming (wegens mededingingsbeperkende gedragingen) bestraft, wordt dat beginsel geenszins geschonden doordat die gedragingen reeds het voorwerp van een eerdere beschikking van de Commissie zijn geweest, aangezien de betrokken onderneming in de eerdere beschikking niet werd bestraft, zij niet een van de adressaten was van die beschikking en evenmin van de mededeling van punten van bezwaar in het kader van de procedure die tot die beschikking heeft geleid, en haar deelname aan de ongeoorloofde gedragingen uitsluitend in het kader van de uiteenzetting van de feiten werd vermeld, zonder enige juridische beoordeling door de Commissie.
(cf. punten 186-188)
12. De duur van de inbreuk vormt uit hoofde van artikel 81, lid 1, EG een bestanddeel van het begrip „inbreuk”, waarvan het bewijs hoofdzakelijk door de Commissie moet worden geleverd. In dit verband dient de Commissie zich bij het ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, ten minste te baseren op bewijzen betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd.
(cf. punt 198)
13. Een in naam van de onderneming gegeven verklaring in antwoord op een verzoek om inlichtingen van de Commissie op grond van artikel 11 van verordening nr. 17 en artikel 18 van verordening nr. 1/2003 is op zich geloofwaardiger dan wanneer het antwoord afkomstig ware geweest van een personeelslid, ongeacht diens ervaring of persoonlijke mening.
(cf. punt 217)
14. Tot de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen behoort met name de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.
(cf. punt 222)
15. Het bestaan van een inbreuk moet uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van de bewijzen die de Commissie heeft verzameld. Indien na afloop van de administratieve procedure wordt vastgesteld dat inderdaad een inbreuk is gepleegd, kan het bewijs dat de Commissie tijdens die procedure te vroeg haar overtuiging kenbaar heeft gemaakt dat sprake is van een inbreuk, niet afdoen aan het feit zelf dat de inbreuk bewezen is.
(cf. punt 226)
16. Het recht op toegang tot het dossier is het logische uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en impliceert dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet bieden om alle voor haar verdediging mogelijk relevante documenten in het onderzoeksdossier te onderzoeken. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie.
Aangaande de belastende stukken levert de omstandigheid dat een document niet is meegedeeld, slechts een schending van de rechten van de verdediging op wanneer de betrokken onderneming aantoont dat de Commissie dat document heeft gebruikt om haar punt van bezwaar betreffende het bestaan van een inbreuk te staven en dit punt van bezwaar alleen met dat document kan worden bewezen. De betrokken onderneming dient dus aan te tonen dat de Commissie in haar beschikking tot een ander resultaat zou zijn gekomen indien dat niet-meegedeelde document als bewijsmiddel zou zijn uitgesloten.
Wat de niet-mededeling van een ontlastend document betreft, behoeft de betrokken onderneming daarentegen enkel aan te tonen dat de niet-overlegging daarvan het verloop van de procedure en de inhoud van de beschikking van de Commissie ten nadele van deze onderneming heeft kunnen beïnvloeden. Het volstaat dat de onderneming aantoont dat zij die ontlastende stukken voor haar verweer had kunnen gebruiken, en met name het bewijs levert dat zij elementen had kunnen aanvoeren die niet overeenstemden met de door de Commissie in het stadium van de mededeling van punten van bezwaar gedane vaststellingen, en dus op enigerlei wijze het oordeel in de beschikking had kunnen beïnvloeden.
(cf. punten 236-239)
17. De mededeling van punten van bezwaar is erop gericht het voorwerp van de tegen een onderneming ingeleide procedure af te bakenen en een doeltreffende uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen. In dat opzicht gaat de mededeling van punten van bezwaar gepaard met procedurele waarborgen die gestalte geven aan het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, waaronder het recht van toegang tot documenten die zich in het dossier van de Commissie bevinden.
De antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar maken geen deel uit van het eigenlijke onderzoeksdossier. Aangezien het documenten betreft die geen deel uitmaken van het ten tijde van de toezending van de mededeling van punten van bezwaar aangelegde dossier, moet de Commissie die antwoorden alleen aan andere betrokken partijen bekendmaken indien blijkt dat zij nieuwe belastende of ontlastende gegevens bevatten. Ook volgens punt 27 van de mededeling van de Commissie betreffende de regels voor toegang tot het dossier van de Commissie overeenkomstig de artikelen 81 EG en 82 EG, de artikelen 53, 54 en 57 van de EER-Overeenkomst en verordening nr. 139/2004, geldt als algemene regel dat partijen geen toegang hebben tot de antwoorden van de andere bij het onderzoek betrokken partijen op de mededeling van punten van bezwaar. Een partij krijgt tot die documenten alleen toegang wanneer zij nieuw bewijsmateriaal, ongeacht of het om belastend of ontlastend bewijsmateriaal gaat, kunnen vormen betreffende de verklaringen in verband met die partij in de mededeling van punten van bezwaar van de Commissie.
Wat enerzijds nieuwe belastende gegevens betreft, moeten de andere partijen in die procedure, indien de Commissie een element uit een antwoord op een mededeling van punten van bezwaar als basis wil gebruiken om het bestaan van een inbreuk vast te stellen, in staat worden gesteld zich over dat nieuwe bewijsstuk uit te spreken.
Wat anderzijds nieuwe ontlastende gegevens betreft, is de Commissie niet verplicht om daar op eigen initiatief toegang toe te verlenen. Wanneer de Commissie in de loop van de administratieve procedure de vraag van een verzoeker om toegang tot documenten die zich niet in het onderzoeksdossier bevinden, heeft afgewezen, kan een schending van de rechten van de verdediging slechts worden vastgesteld als vaststaat dat de administratieve procedure anders had kunnen aflopen indien de verzoeker in die procedure toegang tot de betrokken documenten had gehad.
(cf. punten 241-246, 249)
18. De Commissie beschikt ter zake van de berekeningsmethode voor geldboeten over een ruime beoordelingsvrijheid. Deze methode, die is beschreven in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, laat de Commissie enige speelruimte om overeenkomstig verordening nr. 1/2003 gebruik te maken van haar beoordelingsvrijheid.
Voorts gaat het op gebieden zoals de vaststelling van de hoogte van een geldboete krachtens verordening nr. 1/2003, waarvoor de Commissie over deze beoordelingsmarge beschikt, bij de controle of deze beoordelingen rechtmatig zijn, enkel erom of er geen kennelijke beoordelingsfout is gemaakt. De beoordelingsmarge van de Commissie en de grenzen die zij daaraan heeft gesteld, kunnen evenwel geen afbreuk doen aan de uitoefening door de Unierechter van zijn volledige rechtsmacht, op basis waarvan deze de door de Commissie opgelegde geldboete kan nietig verklaren, verlagen of verhogen.
(cf. punten 265-267)
19. Bij de vaststelling van de zwaarte van een inbreuk moet rekening worden gehouden met een groot aantal factoren, zoals de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van geldboeten, ten aanzien waarvan de Commissie over een beoordelingsmarge beschikt.
In het bijzonder dient volgens punt 1 A, eerste alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk rekening te worden gehouden met de eigen aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt. In het kader van zijn volledige rechtsmacht dient het Gerecht te beoordelen of de hoogte van de opgelegde geldboete in verhouding staat tot de zwaarte van de inbreuk en de zwaarte van de inbreuk af te wegen tegen de door de onderneming aangevoerde omstandigheden.
Volgens punt 1 A, tweede alinea, derde streepje, van die richtsnoeren gaat het bij de zeer zware inbreuken in hoofdzaak om „horizontale beperkingen van het type prijskartel en marktverdelingsregeling”. De mededingingsregelingen van dit type bevatten de meest zware vormen van aantasting van de mededinging, daar zij ertoe strekken de concurrentie tussen de ondernemingen die hieraan uitvoering geven, eenvoudigweg uit te schakelen, en daardoor in strijd zijn met de gronddoelstellingen van de Unie. Horizontale mededingingsregelingen met betrekking tot prijzen of marktverdelingen kunnen reeds op grond van hun eigen aard als zeer zware inbreuk worden gekwalificeerd, zonder dat de Commissie een concrete weerslag van de inbreuk op de markt hoeft aan te tonen.
De concrete weerslag van de inbreuk op de markt is weliswaar een factor die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk, maar het gaat daarbij om één criterium naast andere, zoals de eigen aard van de inbreuk en de omvang van de geografische markt. Evenzo blijkt uit punt 1 A, eerste alinea, van die richtsnoeren dat deze weerslag enkel in aanmerking moet worden genomen wanneer die meetbaar is.
(cf. punten 270-272, 275-276, 280-281)
20. De Commissie beschikt in het kader van verordening nr. 17 en verordening nr. 1/2003 bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten over een beoordelingsmarge om het gedrag van ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven, en kan de hoogte van de geldboeten op elk moment aan de eisen van dit beleid aanpassen.
De vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie fungeert niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken.
Beschikkingen in andere zaken hebben slechts een indicatieve waarde wat het eventuele bestaan van discriminatie betreft, omdat het niet erg waarschijnlijk is dat de omstandigheden van die zaken, zoals de betrokken markten, producten, ondernemingen en tijdvakken, identiek zullen zijn.
De Commissie beoordeelt de zwaarte van de inbreuk aan de hand van een groot aantal factoren, zonder dat sprake is van een dwingende of uitputtende lijst van in aanmerking te nemen criteria, en is bovendien niet verplicht om een precieze mathematische formule toe te passen, noch voor het totale bedrag van de geldboete, noch voor de verschillende onderdelen ervan. Een rechtstreekse vergelijking van de geldboeten die zijn opgelegd aan de adressaten van twee beschikkingen met betrekking tot verschillende inbreuken, houdt dan ook het gevaar in dat wordt afgedaan aan de specifieke functies van de verschillende stappen van de berekening van een geldboete. De uiteindelijke bedragen van de geldboeten weerspiegelen namelijk de specifieke omstandigheden van elke mededingingsregeling.
(cf. punten 288, 290, 293-294)
21. Volgens de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, kan de Commissie bij inbreuken waarbij verscheidene ondernemingen betrokken zijn, op de uitgangsbedragen een weging toepassen om rekening te houden met het specifieke gewicht van elke onderneming, en de kartelleden in groepen indelen, met name wanneer er een aanzienlijk verschil bestaat in de grootte van de ondernemingen die eenzelfde soort inbreuk hebben gepleegd. Voorts kan het beginsel van gelijke bestraffing voor een gelijke gedraging, wanneer de omstandigheden ertoe nopen, tot de toepassing van verschillende boetebedragen voor de betrokken ondernemingen leiden, zonder dat deze differentiëring in een rekenkundige regel te vatten is.
Wanneer zij geldboeten oplegt aan verschillende bij eenzelfde inbreuk betrokken ondernemingen, is de Commissie bij de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk niet verplicht om ervoor te zorgen dat de definitieve bedragen van de geldboeten waarop haar berekening uitkomt voor de betrokken ondernemingen, elk verschil tussen deze ondernemingen op het gebied van hun totale omzet weerspiegelen, maar kan zij deze ondernemingen indelen in groepen.
Een indeling van de betrokken ondernemingen in categorieën moet evenwel het beginsel van gelijke behandeling in acht nemen, volgens hetwelk vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij dat objectief gerechtvaardigd is. Voorts moet het boetebedrag ten minste evenredig zijn aan de voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking genomen factoren.
(cf. punten 298-300)
22. In het kader van het mededingingsrecht wordt de omzet van ondernemingen, hoewel deze approximatief is, beschouwd als een geschikt criterium om de omvang en de economische macht van de betrokken ondernemingen te beoordelen.
Aangaande het feit dat bij de berekening van de individuele uitgangsbedragen is uitgegaan van een omzet inclusief accijns, moet erop worden gewezen dat de niet-inaanmerkingneming van belastingen en accijnzen de eindconclusie van de Commissie niet verandert, aangezien deze berekening een weging van het relatieve gewicht van de andere deelnemers aan het kartel op een markt inhoudt. Enkel wanneer de Commissie de individuele uitgangsbedragen van de andere betrokken partijen op basis van een omzet exclusief accijns zou hebben berekend, zou sprake kunnen zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel.
(cf. punten 304, 306)
23. De inachtneming van een redelijke termijn bij de afwikkeling van administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid vormt een algemeen beginsel van Unierecht, waarvan de Unierechter de eerbiediging verzekert.
Voor de toepassing van dit beginsel moet onderscheid worden gemaakt tussen de twee fasen van de administratieve procedure, de onderzoeksfase vóór de mededeling van punten van bezwaar en de fase van het verdere verloop van de procedure. De eerste periode, die duurt tot de mededeling van punten van bezwaar, begint op de datum waarop de Commissie krachtens de bevoegdheden die de wetgever haar heeft verleend, maatregelen neemt die impliceren dat een onderneming een inbreuk wordt verweten, en die de Commissie in staat moeten stellen een standpunt in te nemen over de richting die de procedure zal nemen. De tweede periode loopt van de mededeling van punten van bezwaar tot de vaststelling van de definitieve beschikking. Zij moet de Commissie in staat stellen zich definitief uit te spreken over de verweten inbreuk.
Een lengte van 65 maanden voor de eerste fase van de procedure moet, bij gebreke van aanvullende gegevens van of rechtvaardiging door de Commissie betreffende de onderzoekshandelingen die in deze periode zouden hebben plaatsgevonden, worden aangemerkt als buitensporig lang. De vaststelling van een schending van het beginsel van de redelijke termijn kan echter enkel leiden tot nietigverklaring van een beschikking houdende vaststelling van een inbreuk, indien de lengte van de procedure de uitkomst van de procedure heeft beïnvloed.
(cf. punten 316-318, 320, 322, 325)
24. Het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaalde hoogte heeft opgelegd, kan haar niet de mogelijkheid ontnemen om deze hoogte binnen de in verordening nr. 1/2003 gestelde grenzen op te trekken indien dit noodzakelijk is ter uitvoering van het mededingingsbeleid. Voor een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels moet de Commissie de hoogte van de geldboeten juist op elk moment aan de eisen van dit beleid kunnen aanpassen.
(cf. punt 335)
25. Een onregelmatigheid in de procedure kan weliswaar niet leiden tot nietigverklaring van een beschikking die de Commissie ten aanzien van een onderneming wegens inbreuk op de mededingingsregels heeft vastgesteld, maar kan wel een verlaging van de geldboete rechtvaardigen. De overschrijding van de redelijke termijn kan ten grondslag liggen aan een besluit van de Commissie om een geldboete uit billijkheidsoverwegingen te verminderen, aangezien de mogelijkheid om een dergelijke vermindering toe te kennen een van haar prerogatieven is.
(cf. punten 337-338)
ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid)
16 juni 2011 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Nederlandse biermarkt – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Bewijs van inbreuk – Toegang tot dossier – Geldboeten – Gelijkheidsbeginsel – Redelijke termijn”
In zaak T‑235/07,
Bavaria NV, gevestigd te Lieshout (Nederland), aanvankelijk vertegenwoordigd door O. Brouwer, D. Mes en A. Stoffer, vervolgens door O. Brouwer, A. Stoffer en P. Schepens, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Bouquet, S. Noë en A. Nijenhuis, vervolgens door A. Bouquet en S. Noë, als gemachtigden, bijgestaan door M. Slotboom, advocaat,
verweerster,
betreffende, primair, een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2007) 1697 van de Commissie van 18 april 2007 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] (Zaak COMP/B‑2/37.766 – Nederlandse biermarkt) en, subsidiair, een verzoek tot vermindering van de aan verzoekster opgelegde geldboete,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: V. Vadapalas (rapporteur), waarnemend voor de president van de Zesde kamer, A. Dittrich en L. Truchot, rechters,
griffier: J. Plingers, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 maart 2010,
het navolgende
Arrest
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
1 Verzoekster, Bavaria NV, produceert en verhandelt bier en frisdrank.
2 Zij is één van de vier grootste spelers op de Nederlandse biermarkt. De andere drie zijn (i) de Heineken-groep (hierna: „Heineken”), met aan het hoofd Heineken NV en waar de dochteronderneming Heineken Nederland BV verantwoordelijk is voor de productie; (ii) de InBev-groep (hierna: „InBev”), vóór 2004 bekend onder de naam Interbrew, met aan het hoofd InBev NV en waar de dochteronderneming InBev Nederland NV verantwoordelijk is voor de productie, en (iii) de Grolsch-groep (hierna: „Grolsch”), met aan het hoofd Koninklijke Grolsch NV.
3 Verzoekster en de drie andere voornaamste brouwers op die markt verkopen hun bier via twee verkoopkanalen aan de eindverbruiker, te weten enerzijds het circuit van de horeca-etablissementen, dat wil zeggen hotels, restaurants en cafés, waar de consumptie ter plaatse geschiedt, en anderzijds het circuit van de foodsector van supermarkten en slijterijen, waar bier wordt gekocht voor thuisverbruik. Laatstgenoemde sector omvat tevens het segment van het privatelabelbier. In dat segment zijn van de vier betrokken brouwers enkel InBev en Bavaria actief.
4 De vier genoemde brouwers zijn lid van het Centraal Brouwerij Kantoor (hierna: „CBK”). Het CBK is een overkoepelende organisatie die volgens haar statuten de belangen van haar leden behartigt en bestaat uit een algemene vergadering en verscheidene commissies, zoals de commissie horeca-aangelegenheden en de financiële commissie, die is opgevolgd door het dagelijks bestuur. Het secretariaat van het CBK stelt voor de vergaderingen binnen het CBK de officiële uitnodigingen en verslagen op, die doorlopend worden genummerd en aan de leden worden toegezonden.
Administratieve procedure
5 Bij brieven van 28 januari 2000 en van 3, 25 en 29 februari 2000 heeft InBev een serie verklaringen overgelegd betreffende informatie over mededingingsbeperkende praktijken op de Nederlandse biermarkt. Die verklaringen werden overgelegd in het kader van een onderzoek dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen met name in 1999 heeft verricht naar kartelpraktijken en mogelijk misbruik van een machtspositie op de Belgische biermarkt. Samen met die verklaringen heeft InBev een verzoek om clementie ingediend op grond van de mededeling van de Commissie betreffende het niet-opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling betreffende medewerking”).
6 Op 22 en 23 maart 2000 heeft de Commissie naar aanleiding van de verklaringen van InBev inspecties uitgevoerd bij verzoekster en de andere betrokken ondernemingen. Daarenboven heeft verzoekster tussen 2001 en 2005 andere verzoeken om aanvullende inlichtingen ontvangen.
7 Op 30 augustus 2005 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar toegezonden aan verzoekster en de andere betrokken ondernemingen. Bij brief van 24 november 2005 heeft verzoekster haar schriftelijke opmerkingen ten aanzien van deze mededeling ingediend. Geen van de betrokken partijen heeft om een hoorzitting verzocht.
8 Bij brieven van 7 maart en 8 mei 2006 heeft de Commissie aanvullende documenten ter kennis van verzoekster gebracht. Het ging daarbij onder meer om aan InBev gerichte verzoeken om inlichtingen en de antwoorden daarop, alsook om een interne nota van Heineken.
9 Op 18 april 2007 heeft de Commissie beschikking C(2007) 1697 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] (Zaak COMP/B‑2/37.766 – Nederlandse biermarkt; hierna: „bestreden beschikking”) gegeven, waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 20 mei 2008 (PB C 122, blz. 1). Deze is bij brief van 24 april 2007 aan verzoekster betekend.
Bestreden beschikking
Betrokken inbreuk
10 Volgens artikel 1 van de bestreden beschikking waren verzoekster en de ondernemingen InBev NV, InBev Nederland, Heineken NV, Heineken Nederland en Koninklijke Grolsch in de periode van 27 februari 1996 tot en met 3 november 1999 betrokken bij één enkele en voortgezette inbreuk op artikel 81, lid 1, EG, bestaande in een samenstel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met als doel de mededinging op de gemeenschappelijke markt te beperken.
11 De inbreuk bestond, ten eerste, in de coördinatie van prijzen en prijsverhogingen voor bier in Nederland, zowel in het horeca‑ als in het thuisverbruiksegment, met inbegrip van privatelabelbier, ten tweede, in de incidentele coördinatie van andere commerciële voorwaarden voor individuele afnemers in het horecasegment in Nederland, zoals leningen aan horecaondernemingen, en, ten derde, in de incidentele afstemming bij de toewijzing van afnemers, zowel in het horeca‑ als in het thuisverbruiksegment in Nederland (artikel 1 en punten 257 en 258 van de bestreden beschikking).
12 Volgens de bestreden beschikking vonden de mededingingsbeperkende gedragingen plaats tijdens een reeks van regelmatige, multilaterale, niet-officiële bijeenkomsten van de vier grootste spelers op de Nederlandse biermarkt, alsmede tijdens aanvullende bilaterale bijeenkomsten waaraan diezelfde brouwers, in wisselende combinaties, deelnamen. Die ontmoetingen vonden volgens de bestreden beschikking plaats in het geheim en met opzet, waarbij de deelnemers beseften dat zij niet geoorloofd waren (punten 257‑260 van de bestreden beschikking).
13 Zo vond, om te beginnen, tussen 27 februari 1996 en 3 november 1999 een reeks multilaterale bijeenkomsten plaats, die „het Catherijne-overleg” of „de Agendacommissie” werden genoemd. De bestreden beschikking stelt dat die bijeenkomsten, die op het horecasegment waren toegespitst, maar ook betrekking konden hebben op het thuisverbruiksegment, met name als doel hadden de prijzen en de prijsverhogingen voor bier te coördineren, de beperking van kortingen en de toewijzing van afnemers te bespreken alsook overleg te plegen over bepaalde andere commerciële voorwaarden. Ook de prijzen van privatelabelbier kwamen tijdens deze bijeenkomsten aan bod (punten 85, 90, 98, 115‑127 en 247‑252 van de bestreden beschikking).
14 Wat voorts de bilaterale contacten tussen de brouwers betreft, geeft de bestreden beschikking aan dat InBev en verzoekster op 12 mei 1997 bijeenkwamen en hebben gesproken over het verhogen van de prijzen van privatelabelbier (punt 104 van de bestreden beschikking). Bovendien hebben Heineken en verzoekster elkaar volgens de Commissie in 1998 ontmoet om te overleggen over beperkingen op horecaondernemingen (punt 189 van de bestreden beschikking). De Commissie wijst erop dat er in juli 1999 ook bilaterale contacten waren tussen Heineken en Grolsch naar aanleiding van compensaties die werden toegekend aan afnemers in het thuisverbruiksegment die tijdelijke kortingen verleenden (punten 212 en 213 van de bestreden beschikking).
15 Ten slotte vonden volgens de bestreden beschikking in 1997 bilaterale contacten en informatie-uitwisselingen tussen InBev en verzoekster plaats, waarbij algemene besprekingen werden gevoerd over de bierprijs alsook meer specifieke besprekingen over privatelabelbier. Bij de bilaterale contacten over privatelabelbier in juni en juli 1998, in de vorm van informatie-uitwisselingen, zouden ook Belgische brouwers betrokken zijn geweest (punten 105, 222‑229 en 232‑236 van de bestreden beschikking).
Aan verzoekster opgelegde geldboete
16 Bij artikel 3, sub c, van de bestreden beschikking is aan verzoekster een geldboete van 22 850 000 EUR opgelegd.
17 Voor de berekening van die geldboete heeft de Commissie artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) toegepast, alsook de methode uit de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [EGKS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”) (punten 436 en 442 van de bestreden beschikking). Overeenkomstig deze methode is de aan verzoekster opgelegde geldboete vastgesteld op basis van de ernst en de duur van de inbreuk (punt 437 van de bestreden beschikking).
18 Meer bepaald is de inbreuk als „zeer zwaar” aangemerkt, aangezien zij hoofdzakelijk erin bestond prijzen, prijsverhogingen en andere commerciële voorwaarden regelmatig te coördineren en afnemers toe te wijzen (punt 440 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft tevens rekening gehouden met het feit dat er bij de mededingingsbeperkende gedragingen sprake was van geheimhouding en opzet alsook met het feit dat deze inbreuk het volledige grondgebied van Nederland betrof en betrekking had op de gehele biermarkt, dat wil zeggen zowel op het horeca‑ als het thuisverbruiksegment (punten 453 en 455 van de bestreden beschikking). Daarnaast heeft de Commissie gepreciseerd dat de daadwerkelijke impact van de mededingingsbeperkende gedragingen op de Nederlandse markt in casu niet in aanmerking is genomen, aangezien het niet mogelijk was deze te meten (punt 452 van de bestreden beschikking).
19 Bovendien heeft de Commissie op verzoekster een gedifferentieerde behandeling toegepast teneinde rekening te houden met haar daadwerkelijke economische vermogen en haar individuele gewicht in de vastgestelde inbreukmakende gedragingen. In dit verband heeft de Commissie gekeken naar de bieromzet van verzoekster in Nederland in 1998, dat wil zeggen het laatste volledige kalenderjaar van de inbreuk. Op basis daarvan werd verzoekster ingedeeld in de derde en laatste categorie, en werd het uitgangsbedrag vastgesteld op 17 miljoen EUR (punten 462 en 464 van de bestreden beschikking).
20 Voorts is dat uitgangsbedrag verhoogd met 35 %, aangezien verzoekster aan de inbreuk heeft deelgenomen van 27 februari 1996 tot en met 3 november 1999, dat wil zeggen gedurende een periode van 3 jaar en 8 maanden (punten 465 en 469 van de bestreden beschikking). Bijgevolg is het basisbedrag op 22 950 000 EUR vastgesteld (punt 470 van de bestreden beschikking).
21 Ten slotte heeft de Commissie de geldboete met 100 000 EUR verminderd, aangezien zij heeft erkend dat in casu de duur van de administratieve procedure onredelijk lang was geweest (punten 495‑499 van de bestreden beschikking).
Procesverloop en conclusies van partijen
22 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 juli 2007, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
23 Bij beschikking van 10 februari 2010 heeft het Gerecht de zaak overeenkomstig de artikelen 14, lid 1, en 51, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering toegewezen aan de Zesde kamer (uitgebreid).
24 In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang van 12 februari 2010, heeft het Gerecht een aantal schriftelijke vragen gesteld aan de Commissie. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn hierop geantwoord.
25 Partijen zijn ter terechtzitting van 24 maart 2010 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
26 Aangezien de rechter-rapporteur na de afsluiting van de mondelinge procedure was verhinderd zitting te nemen, is de zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur en hebben, overeenkomstig artikel 32 van het Reglement voor de procesvoering, slechts de drie ondertekenende rechters aan de beraadslaging deelgenomen.
27 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beschikking geheel dan wel gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover deze haar betreft;
– subsidiair, de aan verzoekster opgelegde geldboete te verminderen;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
28 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
29 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan: ten eerste schending van het beginsel van behoorlijk bestuur; ten tweede schending van artikel 81 EG, het vermoeden van onschuld, het legaliteitsbeginsel en het motiveringsvereiste; ten derde onjuiste rechtsopvatting en feitelijke onjuistheid bij de vaststelling van de duur van de inbreuk; ten vierde schending van artikel 23 van verordening nr. 1/2003, de richtsnoeren en het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete; ten vijfde schending van het beginsel van de redelijke termijn, en ten zesde schending van wezenlijke vormvoorschriften, het beginsel van behoorlijk bestuur en de rechten van de verdediging, bestaande in de weigering toegang te verlenen tot de antwoorden van de andere betrokken partijen op de mededeling van punten van bezwaar en tot een document dat deel uitmaakt van het dossier.
30 Het Gerecht is van oordeel dat eerst moet worden stilgestaan bij het tweede en het derde middel, die in wezen strekken tot betwisting van de inbreuk, vervolgens bij het eerste en het zesde middel betreffende vermeende procedurefouten, en ten slotte bij het vierde en het vijfde middel, die respectievelijk betrekking hebben op de vaststelling van de hoogte van de geldboete en de duur van de administratieve procedure.
Tweede middel: schending van artikel 81 EG, het vermoeden van onschuld, het legaliteitsbeginsel en het motiveringsvereiste
Argumenten van partijen
31 Verzoekster voert in wezen aan dat de Commissie de begrippen „overeenkomst”, „onderling afgestemde feitelijke gedraging” en „één enkele, voortgezette inbreuk” onjuist heeft uitgelegd en toegepast, en dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en een onjuiste beoordeling van de feiten bij de vaststelling van de inbreuk wat zowel het horecasegment als het thuisverbruiksegment, met inbegrip van privatelabelbier, betreft.
32 De Commissie betwist verzoeksters argumenten.
Beoordeling door het Gerecht
33 Volgens artikel 81, lid 1, EG zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
34 Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T‑7/89, Jurispr. blz. II‑1711, punt 256, en 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T‑9/99, Jurispr. blz. II‑1487, punt 199).
35 Aangenomen kan worden dat een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG is gesloten wanneer er een wilsovereenstemming bestaat over het beginsel zelf van de mededingingsbeperking, zelfs indien over de specifieke elementen van de voorgenomen beperking nog onderhandelingen worden gevoerd (zie in die zin arrest HFB e.a./Commissie, punt 34 supra, punten 151‑157 en 206).
36 De onderling afgestemde feitelijke gedraging is een vorm van coördinatie tussen ondernemingen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking (arresten Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 115, en Hüls/Commissie, C‑199/92 P, Jurispr. blz. I‑4287, punt 158).
37 Dienaangaande staat artikel 81, lid 1, EG in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent wordt beïnvloed, hetzij die concurrent op de hoogte wordt gebracht van het marktgedrag dat de betrokken ondernemer zelf vertoont of heeft voorgenomen, wanneer dat contact tot doel of ten gevolge heeft de mededinging te beperken (zie in die zin arrest Commissie/Anic Partecipazioni, punt 36 supra, punten 116 en 117).
38 Er zij aan herinnerd dat wat de bewijsvoering met betrekking tot een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG betreft, de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken moet bewijzen en de elementen dient te leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk bewijzen (arrest Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 58, en arrest Commissie/Anic Partecipazioni, punt 36 supra, punt 86).
39 De Commissie moet dus, om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren (zie in die zin arrest Gerecht van 6 juli 2000, Volkswagen/Commissie, T‑62/98, Jurispr. blz. II‑2707, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Beklemtoond moet evenwel worden dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde bundel aanwijzingen, in zijn geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punten 179 en 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Gelet op de algemene bekendheid van het verbod op mededingingsbeperkende overeenkomsten, kan van de Commissie niet worden geëist dat zij stukken overlegt waaruit met zoveel woorden blijkt dat de betrokken marktdeelnemers overleg hebben gepleegd. De fragmentarische en schaarse bewijzen waarover de Commissie eventueel beschikt, moeten in elk geval kunnen worden vervolledigd via deductie, zodat de relevante omstandigheden kunnen worden gereconstrueerd. Het bestaan van een mededingingsbeperkende gedraging of overeenkomst kan dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punten 55‑57).
42 Wanneer de Commissie schriftelijke bewijzen heeft aangevoerd tot staving van haar stelling dat sprake is van een mededingingsbeperkende praktijk of overeenkomst, dienen partijen die die vaststelling voor het Gerecht betwisten niet louter een plausibel alternatief te bieden voor de stelling van de Commissie, maar dienen zij te stellen dat de bewijzen van de inbreuk in de bestreden beschikking ontoereikend zijn (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 40 supra, punt 187).
43 Wat de omvang van de rechterlijke toetsing betreft, is het vaste rechtspraak dat het Gerecht, wanneer bij hem een beroep tot nietigverklaring van een beschikking inzake een procedure op grond van artikel 81, lid 1, EG aanhangig is, in het algemeen een volledig onderzoek moet instellen naar de vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 1, is voldaan (zie arrest Gerecht van 26 oktober 2000, Bayer/Commissie, T‑41/96, Jurispr. blz. II‑3383, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Twijfel bij de rechter dient in het voordeel te spelen van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. Dit is in overeenstemming met het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat als algemeen beginsel van Unierecht met name van toepassing is op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot de oplegging van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (arrest Hüls/Commissie, punt 36 supra, punten 149 en 150, en arrest Gerecht van 27 september 2006, Dresdner Bank e.a./Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/02 OP, T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T‑61/02 OP, Jurispr. blz. II‑3567, punten 60 en 61).
45 Tegen de achtergrond van die overwegingen moet worden onderzocht of de Commissie in casu rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat het gedrag van verzoekster een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG oplevert.
– Verklaring van InBev
46 Om te beginnen zij opgemerkt dat de Commissie zich grotendeels baseert op de verklaring die InBev in het kader van haar clementieverzoek heeft verstrekt (zie met name de punten 40‑62 van de bestreden beschikking) bij brieven van 28 januari en 3, 25 en 29 februari 2000, aangevuld met de bijgevoegde verklaringen van vijf directeuren van InBev (punten 34 en 40 van de bestreden beschikking; hierna, gezamenlijk: „verklaring van InBev”).
47 Uit de bestreden beschikking blijkt dat de verklaring van InBev vermeldt dat „er tussen de brouwerijen verschillende vormen van overleg op de Nederlandse biermarkt” bestonden, en daarbij een onderscheid maakt tussen de officiële bijeenkomsten van de algemene vergadering van het CBK, de informele bijeenkomsten van de financiële commissie van het CBK en parallelle „andere bijeenkomsten”, die bekendstonden onder de benaming „Catherijne-overleg”, waarvan de samenstelling varieerde en waarvan InBev verklaart geen schriftelijke sporen te hebben gevonden. De „andere bijeenkomsten” konden met name worden onderverdeeld in: „(i) bijeenkomsten van de directeuren Horeca van de vier belangrijkste brouwerijen (Heineken, Interbrew, Grolsch en Bavaria) [...]; (ii) gezamenlijke bijeenkomsten van de directeuren Horeca en Thuisverbruik (twee in 1998) en (iii) bijeenkomsten van de directeuren Thuisverbruik (één in 1999 [...])” (punten 41‑46 van de bestreden beschikking).
48 De financiële commissie had, volgens de verklaring van InBev, „een officiële agenda maar was ook het discussieforum over prijszetting voor het thuisverbruik‑ en horecasegment. Van deze discussies werden geen verslagen gemaakt” (punt 43 van de bestreden beschikking).
49 Volgens diezelfde verklaring hadden de thema’s die werden besproken op de „andere bijeenkomsten” betrekking op het horecasegment, het thuisverbruiksegment en het privatelabelbiersegment (punt 47 van de bestreden beschikking).
50 Wat, ten eerste, het horecasegment betreft, werden twee hoofdonderwerpen besproken: „[e]r was een fundamenteel akkoord in verband met het vastleggen van maximumvolumekortingen voor de horecasector [...]. Een ander onderwerp van overleg waren horeca-investeringen. De idee was om de status quo in de sector te handhaven en om overnames van afnemers van andere brouwers te voorkomen” (punt 48 van de bestreden beschikking).
51 Een directeur van InBev verklaart dat hij de exacte inhoud van de afspraak niet kende. Een andere directeur omschrijft deze als „een afspraak over de staffels (kortingen in de horeca) die vrij complex en vaag [was] en waaraan wij nooit hebben meegewerkt”. Hij merkt op: „[h]et overleg [bestond] erin dat de horecadirecteuren om de twee maanden bijeenkwamen. Daar besprak men de gekende inbreuken op de ‚regel’ (alhoewel deze vaag was; er werden marktexcessen besproken)” (punt 48 van de bestreden beschikking).
52 Wat, ten tweede, het thuisverbruiksegment betreft, hadden de besprekingen volgens de verklaringen van InBev zowel betrekking op het algemene prijsniveau als op het specifieke onderwerp van privatelabelbier.
53 Aangaande het algemene prijsniveau, verklaart een van de directeuren van InBev: „het [was] gebruikelijk dat een brouwerij niet zonder voorafgaande mededeling aan collega-brouwers de bierprijs ging verhogen. [...] Het initiatief ging altijd uit van een van de grote brouwerijen, meestal Heineken. De andere brouwerijen konden dan nog tijdig hun standpunt bepalen. Men volgde elkaar dan wel in grote lijnen maar ieder had en hield zijn eigen prijzenpolitiek” (punt 51 van de bestreden beschikking).
54 Wat privatelabelbier betreft, merkt InBev op dat er sinds 1987 discussies waren over prijzen tussen Nederlandse spelers in het segment (Bavaria en Oranjeboom; Oranjeboom is later overgenomen door Interbrew). Zij voegt hieraan toe: „beide partijen [beseften], nadat dit ook onderling was uitgesproken, dat beide geen inbraak bij hun respectievelijke afnemers van private labels met verlies van volume zouden accepteren” (punt 52 van de bestreden beschikking).
55 Over de betrokkenheid van Heineken en Grolsch binnen dat segment, verklaart InBev: „[d]e Nederlandse markt wordt gekenmerkt door een significante kloof tussen prijzen voor privatelabelbier (‚B-merken’) en [andere merken (‚A-merken’)]. Heineken, dat niet actief is in het privatelabelsegment, heeft altijd prijsstijgingen voor A-merken geweigerd zolang de prijs voor privatelabelbier niet omhoogging. Op deze manier zette [Heineken] indirect druk op in het bijzonder privatelabelproducenten zoals Bavaria en Interbrew” (punt 53 van de bestreden beschikking).
56 InBev voert aan dat de prijzen van private labels ook tussen de vier brouwers gezamenlijk werden besproken, en dus ook in aanwezigheid van Grolsch in het kader van het algemenere thema van de onderlinge prijsverschillen van de biermerken. InBev stelt: „Heineken en Grolsch hebben hierdoor jarenlang hun prijzen niet verhoogd, waardoor de prijzen van de andere brouwerijen [voor] hun merken en de private labels ook niet werden verhoogd. De laatste jaren hebben Bavaria en Interbrew hun prijzen verhoogd, gevolgd door Grolsch” (punt 54 van de bestreden beschikking). Verder wordt gesteld: „[h]et informele overleg is 3 à 4 jaar geleden geïntegreerd binnen het bestaande Horeca Catherijne overleg, waarbij ook vertegenwoordigers van het CBK aanwezig waren. Na enkele meetings is besloten deze meetings wederom te splitsen in een gescheiden thuismarkt‑ en horecameeting” (punt 54 van de bestreden beschikking).
57 Bovendien verklaart InBev dat het behalen van een zeker marktaandeel door de Belgische brouwer Martens sinds 1996‑1997 heeft geleid tot „een afstemming tussen Belgische en Nederlandse brouwers [die] actief [zijn] in de privatelabelmarkt. Twee bijeenkomsten werden gehouden in [een] hotel in Breda gedurende 1998. [...] Besproken is om te komen tot het respecteren van elkanders volumes van private labels bij afnemers in Nederland en België” (punt 55 van de bestreden beschikking).
58 Volgens de verklaringen van de directeuren van InBev werden de „andere bijeenkomsten” gehouden om elkaar gerust te stellen wat betreft „beperkte agressiviteit” op de markt (punt 46 van de bestreden beschikking).
59 In haar antwoord op het verzoek om inlichtingen, van 19 december 2001, stelt InBev: „agenda’s van voorbije jaren en gespreksnotities van informele bijeenkomsten [werden] eind november 1998 [...] vernietigd. Rond deze periode begon het bestaan van overleg tussen Nederlandse brouwers in de markt bekend te geraken en ontstond de vrees voor een inspectie van de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Ook in het daaropvolgende jaar werden nog agenda’s vernietigd” (punt 61 van de bestreden beschikking).
60 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat geen enkele bepaling en geen enkel algemeen beginsel van Unierecht de Commissie verbiedt zich tegenover een onderneming te beroepen op de verklaringen van andere beschuldigde ondernemingen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 EG en 82 EG onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met de haar door het EG-Verdrag opgedragen taak van toezicht op de juiste toepassing van deze bepalingen (zie arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 40 supra, punt 192 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 In het onderhavige geval betwist verzoekster niet de aanwijzingen in de verklaring van InBev waaruit blijkt dat er bijeenkomsten hebben plaatsgevonden van vertegenwoordigers van Nederlandse bierproducenten. Zij betwist evenmin dat zij bij het merendeel van die overeenkomsten vertegenwoordigd is geweest en dat bij die gelegenheden is gediscussieerd over het prijsniveau in de Nederlandse markt en over de toepassing van kortingen voor afnemers in het horecasegment.
62 Derhalve heeft de Commissie terecht vastgesteld dat de in de verklaring van InBev ter sprake gebrachte bijeenkomsten hebben plaatsgevonden en dat vertegenwoordigers van verzoekster op zijn minst aan een aantal ervan daadwerkelijk hebben deelgenomen.
63 Verzoekster betwist evenwel dat de tijdens de betrokken bijeenkomsten gevoerde besprekingen hebben geleid tot een overeenkomst of tot onderling afgestemd feitelijk gedrag van mededingingsbeperkende aard. Zij stelt dat die bijeenkomsten betrekking hadden op legale onderwerpen en dat, voor zover de situatie op de markt werd besproken, dat niet is gebeurd met een mededingingsbeperkend doel. Dienaangaande betwist verzoekster de betrouwbaarheid van de verklaring van InBev en voert zij aan dat deze vaag, inconsistent en innerlijk tegenstrijdig is.
64 In het bijzonder merkt verzoekster met betrekking tot het tegenstrijdige karakter van de verklaring van InBev op dat de verklaring een aantal ontlastende getuigenissen bevat.
65 Enerzijds betreft het de volgende passages uit de aanvullende verklaring van InBev van 3 februari 2000: „,Er werd vooral gepraat, om elkaar de indruk te geven dat we het rustig houden op de markt. Zelden of nooit werd concreet gepraat over staffels en verkooppunten. Eigenlijk hield iedereen iedereen voor de gek.’ De laatste jaren verloren deze bijeenkomsten meer en meer aan inhoud en werd de afstemming vager.” (punt 46 van de bestreden beschikking).
66 Anderzijds verwijst verzoekster naar bepaalde passages uit de verklaringen van de managers van InBev, met name naar: „Voor de food sector bestonden er geen afspraken”; „De prijsverhogingen werden echter niet in afspraak doorgevoerd”; „Ik heb geen kennis van afspraken in de ,private label’‑sector”; „De vergadering had weinig om het lijf. Het was meer een gezellige bijeenkomst, zonder speciale agenda. Er werden algemene commentaren gemaakt over kortingen. Ik had de indruk dat er al jarenlang een soort systeem bestaat over een staffel of norm voor de kortingen, maar dit werd nooit speciaal vermeld. Men praatte er slechts over bedragen van kortingen in zeer algemene termen wat de aanleiding vormde om bepaalde incidenten aan te kaarten”; „Er waren geen prijsafspraken waaraan [Interbrew] heeft deelgenomen”; „Er is verder geen overleg geweest. Wij hebben volledig zelfstandig gehandeld en bij de prijsverhogingen in 1999 over alle bieren hebben wij de A-merken verhoogd (nadat Bavaria en Grolsch dat gedaan hadden een paar maanden daarvoor) en zijn we door onze klanten fors gecounterd op de private labels. [...] Wij hebben dus ,perfect legaal’ gehandeld”.
67 Volgens verzoekster zijn de genoemde verklaringen niet verenigbaar met de conclusies van de Commissie betreffende het bestaan van een inbreuk op artikel 81 EG. Uit deze verklaringen blijkt dat de in het thuisverbruiksegment doorgevoerde prijsverhogingen niet waren afgesproken en evenmin gecoördineerd, dat Interbrew volledig onafhankelijk haar verkoopprijzen bepaalde, dat de Nederlandse brouwers elkaar steeds fel hebben beconcurreerd en dat tussen de brouwers geen enkele overeenkomst over kortingen in het horecasegment bestond.
68 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de conclusies die verzoekster trekt op basis van bepaalde elementen uit de verklaring van InBev die wijzen op de algemene aard van de besprekingen, het ontbreken van een overeenkomst voor bepaalde segmenten en het feit dat die besprekingen geen invloed hadden op het gedrag van de brouwers op de markt, op zichzelf niet kunnen afdoen aan de vaststelling van de Commissie dat sprake is van een inbreuk.
69 Wat de gestelde aard van die verklaring betreft, zij er immers aan herinnerd dat de Commissie vaak verplicht is het bestaan van de inbreuk in moeilijke omstandigheden te bewijzen, doordat meerdere jaren kunnen zijn verstreken sinds de inbreuk is gepleegd en verschillende van de ondernemingen waartegen een onderzoek is ingesteld, niet actief met haar hebben meegewerkt. De Commissie dient weliswaar noodzakelijkerwijs aan te tonen dat een ongeoorloofde marktverdelingsovereenkomst is gesloten, maar het zou te ver gaan om daarenboven ook nog te eisen dat zij bewijst via welk specifiek mechanisme dat doel diende te worden bereikt. Het zou immers al te gemakkelijk zijn voor een onderneming die zich aan een inbreuk schuldig heeft gemaakt, om zich aan elke sanctie te onttrekken indien zij zich kon beroepen op de vaagheid van de informatie die met betrekking tot de werking van een ongeoorloofde overeenkomst is verstrekt, hoewel het bestaan van de overeenkomst en het mededingingsbeperkende doel ervan genoegzaam zijn aangetoond. In een dergelijk geval kunnen de ondernemingen zich nuttig verweren wanneer zij de gelegenheid krijgen een verklaring te geven voor alle door de Commissie tegen hen aangevoerde bewijzen (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 40 supra, punt 203; zie in die zin tevens arrest Hof van 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, C‑403/04 P en C‑405/04 P, Jurispr. blz. I‑729, punt 50).
70 Wat vervolgens de stelling betreft dat de verklaring van InBev tegenstrijdig is, omdat zij aanwijzingen bevat dat het litigieuze gedrag geen invloed op de markt heeft gehad, zij eraan herinnerd dat uit de tekst zelf van artikel 81 EG volgt dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen verboden zijn, ongeacht of zij al dan niet gevolgen hebben voor de markt, wanneer zij een mededingingsbeperkend doel hebben (arrest Hüls/Commissie, punt 36 supra, punten 163‑166, en arrest Hof van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C‑8/08, Jurispr. blz. I‑4529, punt 29).
71 Wanneer de Commissie heeft vastgesteld dat sprake is van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen met een mededingingsbeperkend doel, kunnen aanwijzingen dat de heimelijke afspraken niet zijn toegepast of geen gevolgen hebben gehad voor de markt dus geen tegenbewijs leveren van die vaststelling.
72 Aangaande de gestelde aanwijzingen met betrekking tot het ontbreken van een overeenkomst in het thuisverbruiksegment en in het horecasegment, moet worden opgemerkt dat de door verzoekster aangevoerde passages, gelezen in hun context, geenszins tot gevolg hebben dat het bestaan van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging binnen die betrokken segmenten zou zijn uitgesloten.
73 Wat het thuisverbruiksegment (detailhandel) betreft, wordt de verklaring van een van de directeuren van InBev dat „[e]r geen afspraken bestonden voor [die] sector” namelijk gevolgd door een concrete beschrijving van het door de brouwers toegepaste prijsafstemmingsmechanisme. De relevante passage luidt als volgt (punt 51 van de bestreden beschikking):
„Voor de food-sector bestonden er geen afspraken. Met betrekking tot de bierprijsverhogingen was het gebruikelijk dat een brouwerij niet zonder voorafgaande mededeling aan collega-brouwers de bierprijs ging verhogen. Na de mededeling van een der partijen volgde wel discussie over het effect ervan op de markt, doch de bierprijsverhoging kwam er wel. Het initiatief ging altijd uit van een van de grote brouwerijen, meestal Heineken. De andere brouwerijen konden dan nog tijdig hun standpunt bepalen. Men volgde elkaar dan wel in grote lijnen maar ieder had en hield zijn eigen prijzenpolitiek”.
74 Binnen die context kan het loutere feit dat de directeur van InBev melding heeft gemaakt van het ontbreken van een „afspraak” geen geldig argument vormen, aangezien het aan de Commissie en, in voorkomend geval, het Gerecht staat om de in de verklaringen van de leidinggevenden van de betrokken ondernemingen beschreven gedragingen juridisch te kwalificeren.
75 Wat het gestelde ontbreken van een afspraak en van de naleving van een afspraak in het horecasegment betreft, moet worden vastgesteld dat de in de punten 65 en 66 supra geciteerde passages uit de aanvullende verklaring van InBev van 3 februari 2000 en uit de verklaringen van de managers van InBev niet uitsluiten dat een afspraak bestond over kortingen aan afnemers in dat segment. Waar deze passages duidelijk maken dat de discussies algemeen waren en staffels en specifieke verkooppunten zelden aan bod kwamen, betreffen zij de diepgang van de discussies, maar sluiten zij niet uit dat een overeenkomst in de zin van artikel 81 EG bestond. Zij zijn dus niet in tegenspraak met de vermelding in de verklaring van InBev dat „[e]r een fundamenteel akkoord [was] in verband met het vastleggen van maximumvolumekortingen voor de horecasector” (punt 48 van de bestreden beschikking).
76 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters betoog dat de verklaring van InBev vaag en tegenstrijdig is, en dus het betoog dat de Commissie selectief gebruik heeft gemaakt van die verklaring, niet gegrond is.
77 Wat tot slot de algemene beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van InBev betreft, is het Gerecht van oordeel dat, anders dan verzoekster stelt, de Commissie aan de verklaring van InBev terecht een zeer hoge bewijswaarde heeft kunnen toekennen, aangezien het hier een in naam van de onderneming zelf gegeven antwoord betreft, waarvan de geloofwaardigheid groter is dan die van een eventueel door een lid van zijn personeel gegeven antwoord, ongeacht de ervaring of persoonlijke mening van dat lid. Ook is van belang dat de verklaring van InBev het resultaat is van een door de onderneming uitgevoerd intern onderzoek en dat zij aan de Commissie is overgelegd door een advocaat, die de professionele verplichting had om in het belang van deze onderneming te handelen. Hij kon dus niet lichtzinnig het bestaan van een inbreuk erkennen zonder de gevolgen daarvan af te wegen (zie in die zin arrest Gerecht van 20 maart 2002, LR AF 1998/Commissie, T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punt 45, en arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 40 supra, punt 206).
78 Bovendien volgt uit de rechtspraak dat, hoewel een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is, omdat deze deelnemers geneigd kunnen zijn om het belang van hun eigen bijdrage aan de inbreuk te bagatelliseren en dat van de anderen te overtrekken, het feit dat wordt verzocht om toepassing van de mededeling betreffende medewerking teneinde een vermindering van de geldboete te verkrijgen, er immers niet noodzakelijkerwijs een aanzet voor vormt om bewijzen vertekend weer te geven ten aanzien van de andere deelnemers aan de verweten mededingingsregeling. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker, en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt te hebben bij de mededeling inzake medewerking in gevaar brengen (arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, Jurispr. blz. II‑4441, punt 70).
79 Het is juist dat de verklaring van een onderneming die van deelneming aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, niet kan worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien zij niet door andere bewijzen wordt gestaafd (zie in die zin arrest Gerecht van 14 mei 1998, Enso-Gutzeit/Commissie, T‑337/94, Jurispr. blz. II‑1571, punt 91, en arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 40 supra, punt 219).
80 De verklaring van InBev alleen kan dus niet volstaan om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, maar moet door andere bewijzen worden gestaafd.
81 Gezien haar betrouwbaarheid behoeft de verklaring van InBev evenwel een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig was geweest. Mocht aldus worden vastgesteld dat het bestaan en bepaalde specifieke aspecten van de in de verklaring van InBev genoemde, in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde activiteiten steun vinden in een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen, dan kan die verklaring op zich volstaan als bewijs van andere aspecten van de bestreden beschikking. Bovendien volstaat het dat een stuk, voor zover het niet in kennelijke tegenspraak is met de verklaring van InBev over het bestaan of de wezenlijke inhoud van de gewraakte praktijken, wezenlijke onderdelen van de door die verklaring beschreven praktijken bevestigt, opdat het enige waarde zou hebben als element ter ondersteuning van deze verklaringen in het kader van de reeks belastende bewijzen (zie in die zin reeds aangehaald arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 40 supra, punt 220 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82 Gelet op het voorgaande, moeten verzoeksters argumenten met betrekking tot de andere door de Commissie in de bestreden beschikking tot staving van de aan de verklaring van InBev ontleende bewijzen worden onderzocht.
– Andere bewijzen
83 In de bestreden beschikking wijst de Commissie erop dat de verklaring van InBev wordt gestaafd door een reeks interne documenten, afkomstig van verzoekster en de drie andere Nederlandse brouwers, handgeschreven notities van bijeenkomsten, kostendeclaraties en kopieën van agenda’s, verkregen na onderzoek en verzoeken om inlichtingen.
84 In punt 67 van de bestreden beschikking wijst de Commissie op handgeschreven aantekeningen van een commercieel directeur van Grolsch betreffende de bijeenkomst van 27 februari 1996, waarvan het doel werd aangeduid met de vermelding „CBK cie HOR cath”. Die aantekeningen bevatten de volgende passage: „Borgstellingen/financieringen: fin[ancieren] voor [...] meer dan behoeften op concrete punten. Dan [...] milj[oen]”.
85 Volgens de Commissie volgt uit die passage dat de vier betrokken brouwers in het kader van een „Catherijnebijeenkomst” de financiële voorwaarden hebben besproken die werden of zouden worden toegepast op bepaalde horeca-afnemers (punt 72 van de bestreden beschikking) en meer in het bijzonder op de etablissementen die werden beheerd door een eigenaar van meerdere horecazaken in Nederland.
86 In punt 76 van de bestreden beschikking haalt de Commissie de handgeschreven aantekeningen aan van een directeur Horeca van Bavaria betreffende de bijeenkomst van 19 juni 1996. Die aantekeningen luiden als volgt:
„- prijzen aanpassen
thuisverbruik hoog – laag
overleg Bavaria – Interbrew
[...] en [...] -> probleem [...]
Martens
Schultenbrau!! 89 ct
- fustprijs verhoging alleen
argumenten
alleen integraal Hein + Grolsch
Friesland US Heit
Interbrew \
| samen omhoog
Bavaria /
-> [...] ook
onderkant meer omhoog dan bovenkant
- lucht in
- afspraken
slijterskorting saneren 7,5 per fust Heineken
vertegenwoordigers aanscherpen t.a.v. eventuele afspraken
Interbrew \
| lucht mag gebruikt worden
Grolsch / ”.
87 Volgens de Commissie blijkt uit die aantekeningen dat de aanwezige brouwers gedetailleerd prijzen van zowel privatelabelbier als fustbier hebben besproken en dat de door Interbrew en Bavaria geproduceerde lager geprijsde bieren meer moesten stijgen dan de door Heineken en Grolsch geproduceerde hoger geprijsde (punt 85 van de bestreden beschikking).
88 In punt 89 van de bestreden beschikking citeert de Commissie uit een brief die de managing director van Interbrew Nederland op 25 maart 1997 aan het hoofdkantoor van InBev in België zond:
„Er bestaat nu consensus tussen de grote brouwerijen om nog vóór 1998 een prijsverhoging voor bier door te voeren. Daardoor kunnen de brouwerijen een buffer aanleggen voor de nodige extra promotiebudgetten in de toekomst. De A-merkspelers proberen de prijsverhoging te differentiëren tussen de A-merken (plus 2 NLG/hl) en B-merken (plus 4 NLG/hl). Dit lijkt mij heel onrealistisch – we moeten allemaal voor de volle 4 NLG gaan. Ik zou onze ‚doordrinkbare’ speciaalbieren (DAS, Hoegaarden, Leffe) van de prijsverhoging uitzonderen. De onderhandelingen zijn begonnen.”
89 Op grond van die brief concludeerde de Commissie dat na prijsonderhandelingen tussen de voornaamste brouwers vóór 1998 een prijsverhoging was gepland. Bovendien bevestigde diezelfde brief dat er een onderscheid bestaat tussen duurdere en goedkopere bierproducenten en ‑merken (punt 90 van de bestreden beschikking).
90 In punt 92 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar handgeschreven aantekeningen van een lid van de raad van bestuur van Bavaria betreffende een bijeenkomst van 1 mei 1997. Zij citeert hieruit de volgende passages:
„Catherijne Club 1/5 – ’97
,interne’ wisselingen in concernverband
moeten ook voldoen aan de ,staffel’
[...], ,Den Haag’
Monster Z.H. [Zuid-Holland] overbieding”.
91 Volgens de Commissie bevestigen die aantekeningen dat de brouwers spraken over de toepassing van een staffel op de commerciële voorwaarden voor individuele horecaondernemingen wanneer zij overstapten van het ene concern naar het andere en ook wanneer zij overstapten binnen eenzelfde concern (punt 99 van de bestreden beschikking).
92 In punt 100 van de bestreden beschikking constateert de Commissie dat de genoemde aantekeningen ook de namen „Heineken/Amstel/Brand/Grolsch” bevatten op de eerste regel en de namen „Interbrew/Bavaria” op de tweede regel, en dat die twee regels met elkaar verbonden zijn door een accolade met daarachter de woorden „geen prijsverhogingen”. De Commissie leidt hieruit af dat het onderscheid tussen de A-merken van Heineken en Grolsch en de B-merken van Interbrew en Bavaria de kern vormden van het overleg tussen de brouwers over de hoogte van de bierprijzen (punt 103 van de bestreden beschikking).
93 In punt 117 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar de handgeschreven aantekeningen van een lid van de raad van bestuur van Bavaria betreffende de bijeenkomst van 17 december 1997. Zij citeert hieruit de volgende passage:
„2) Prijssituatie: maart/april
ééntrapsraket/tweetrapsraket
a) Heineken verwacht weinig rumoer!! Heineken 18.59
b) bij verhoging: zeer bespreekbaar; van harte; er komt support.”
94 De Commissie leidt hieruit af dat de op de bijeenkomst van 17 december 1997 aanwezige brouwers, met name Bavaria, Grolsch en Heineken, prijsverhogingen bespraken, alsmede mogelijke reacties daarop (punt 127 van de bestreden beschikking).
95 In punt 129 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een passage uit de handgeschreven aantekeningen van een directeur Horeca van Bavaria betreffende de bijeenkomst van 12 maart 1998:
„- Vanaf 1 januari weinig gebeurd.
- A-merken geen paniek t.a.v. de prijs Hein
9.95 afprijzen van 11,49 heeft weinig zin. Int
9.75 9.36 Bavaria
2x 4.95 4.75 }→
Privaat labels
prijzen aan de onderkant van de markt.
[...] midden maart Bavaria iets
onder Amstel (17) Bavaria (15)
van 9.75 naar 10.75 gebeurt er
niets dan Grolsch en Hein
verhogingen pocket brouwerij
→ afspraak [...] en Dick maken
Het moet ,aanwijsbaar’ via Nielsen anders
gebeurt er niets”.
96 Volgens de Commissie volgt hieruit dat de op de bijeenkomst van 12 maart 1998 aanwezige brouwers de aan de Nederlandse supermarkten verleende kortingen hebben besproken (punt 137 van de bestreden beschikking) en dat de door Bavaria toegepaste prijsverhogingen aanwijsbaar moesten zijn in AC Nielsens elektronische kassagegevens van de supermarkten (punt 133 van de bestreden beschikking).
97 In punt 138 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een tweede passage uit de eerdergenoemde handgeschreven notities:
„Bav rente 4 %? 6 1/2
tenzij
reclame vergoeding meerekenen”.
98 Volgens de Commissie bewijst die passage dat de vier brouwerijen de hoogte van de rentepercentages voor leningen aan horecaondernemingen bespraken (punt 142 van de bestreden beschikking).
99 In punt 143 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een derde passage uit de eerdergenoemde handgeschreven notities:
„Voetbalvelden Theaters Schouwburgen
Studentenverenigingen
[...]
Grolsch
Boven/buiten de staffel
130
[...] (125) 124,5”.
100 Volgens de Commissie volgt hieruit dat de brouwers een specifieke discussie hadden over specifieke horeca-afnemers in verband met een „staffel”, hetgeen de verklaring van InBev bevestigt dat er een overeenkomst bestond die bekendstond onder de naam „staffel” (punt 147 van de bestreden beschikking).
101 In punt 156 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een passage uit de handgeschreven notities van een lid van de raad van bestuur van Bavaria betreffende de bijeenkomst van 3 juli 1998.
„[...] Heineken verhoogd.
[...] >> Heineken fustbier”.
102 De Commissie leidt uit die passage af dat de brouwers zowel de prijzen voor afnemers in het thuisverbruiksegment als de prijzen voor een bepaalde horeca-afnemer hebben besproken (punten 162‑164 van de bestreden beschikking).
103 In punt 165 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een andere passage uit de handgeschreven notities:
„Café [...] 1800 [...]
[...] 400 [...]
60 per hl
650.000,- V.B.K.”.
104 Volgens de Commissie volgt uit die passage dat de brouwers een specifieke korting en/of een specifieke vooruitbetaalde korting die was toegepast of zou worden toegepast op specifieke horecaondernemingen hebben besproken (punt 171 van de bestreden beschikking).
105 In punt 174 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een document van 30 juni 1998 en een prijslijst van Heineken die per 1 juni 1998 nieuwe prijzen aankondigt voor flesbier en tapbier (kelderbier en fustbier), welke documenten in de kamer van een hoofd Verkoop Thuisverbruik van Grolsch werden aangetroffen. Die documenten bevatten de vermelding „agenda c[ommiss]ie CBK”. Volgens de Commissie staven die documenten de verklaring van InBev dat op de betrokken bijeenkomsten zowel de thuisverbruikprijzen als de concurrentie op de horecamarkt werden besproken (punt 175 van de bestreden beschikking).
106 In punt 179 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een interne notitie van Heineken van 14 oktober 1998 aan het managementteam van Heineken, waarin staat te lezen dat „in [de cijfers van] Nielsen de in het CBK toegezegde prijsverhoging van Bavaria niet duidelijk [is]”. Volgens de Commissie versterkt deze notitie de conclusie dat Bavaria tijdens de bijeenkomst van 12 maart 1998 haar voornemen had aangekondigd om haar prijzen in het thuisverbruiksegment als eerste te verhogen, dat de andere brouwers later moesten volgen en dat de verhogingen van Bavaria „aanwijsbaar” moesten zijn in de cijfers van Nielsen (punt 180 van de bestreden beschikking).
107 In punt 184 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een e-mail die een directeur Thuisverbruik en Marketing bij de van Heineken deel uitmakende Brand Bierbrouwerij BV zond aan een manager bij de horeca-afdeling van Heineken Nederland over zijn gesprek met een lid van de raad van bestuur van Bavaria:
„Tijdens het Food Congres in Noordwijk op 9 september [1998] sprak [een lid van de raad van bestuur van Bavaria] mij aan m.b.t. [...] en de Heineken-reactie hierop. Het kwam er in het kort op neer dat Heineken volgens hem veel eerder om de tafel had kunnen zitten met de primair verantwoordelijken in de Nederlandse horecamarkt van Heineken en Bavaria. Dan hadden de [hectoliters] op een andere manier gecompenseerd kunnen worden. Bovendien voegde hij er nog aan toe dat Bavaria op termijn misschien nog andere prospects in de horeca op het oog heeft die er over denken om vrijwillig (met de nadruk op vrijwillig, net als [...] volgens hem) op Bavaria over te stappen. [voornaam van een horecamanager bij Heineken Nederland], dit past natuurlijk allemaal in de bekende retoriek van de heren [...]. Toch wilde ik je dit niet onthouden. Veel succes met je gesprek.”
108 Volgens de Commissie bevestigt deze e-mail de verklaring van InBev dat de brouwers niet alleen overlegden over beperkingen op kortingen, maar ook over beperkingen op het veranderen van brouwer door verkooppunten, en dit niet alleen tijdens multilaterale, maar ook tijdens bilaterale ontmoetingen (punt 189 van de bestreden beschikking).
109 In punt 193 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar de handgeschreven aantekeningen van een bestuursvoorzitter van Grolsche Bierbrouwerij Nederland op de uitnodiging voor de bijeenkomst van 8 januari 1999:
„-Afzet 98
-Bier prijs →
- Pinolen krat | acties/cat II
-kratten | onderkant
| fust
| NMA”.
110 Daaruit volgt volgens de Commissie dat de discussies over de prijs van het bier op vier punten waren toegespitst: ten eerste de prijsverlagingsacties in de thuisverbruikmarkt; ten tweede de prijs van het goedkopere merk‑ en privatelabelbier; ten derde de prijs van fustbier, de belangrijkste grootverpakking in het horecasegment van de Nederlandse biermarkt, en ten vierde de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) (punt 194 van de bestreden beschikking).
111 In de punten 197 en 199 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar het overzicht van de te bespreken onderwerpen op de bijeenkomst van 8 januari 1999, waarop een vertegenwoordiger van Grolsch de afkorting „B P” had genoteerd, die door de Commissie wordt geïnterpreteerd als „bierprijs” of „bodemprijs”, alsmede „P[rivate] L[abel] 50 ct. hoger”. De Commissie leidt uit die aantekeningen af dat de brouwers de prijzen voor fustbier gedetailleerd bespraken (punt 203 van de bestreden beschikking).
112 In de punten 212 en 213 van de bestreden beschikking beroept de Commissie zich op een document dat een verwijzing naar drie contacten op directieniveau tussen Heineken en Grolsch rond 5 juli 1999 bevat, waarin sprake is van een „prijzenoorlog” tussen de twee brouwers. De Commissie leidt daaruit af dat Heineken rechtstreeks contact heeft opgenomen met Grolsch over tijdelijke kortingen, anderhalve maand vóór de door een winkelketen toegepaste tijdelijke kortingen, waaraan Grolsch had geweigerd compensatie te geven, daadwerkelijk werden doorgevoerd (punt 213 van de bestreden beschikking).
113 In punt 224 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een aantal in haar administratieve dossier opgenomen documenten waaruit duidelijk wordt welke onderwerpen werden besproken tijdens de bilaterale bijeenkomsten tussen Bavaria en InBev van 8 maart 1995, de tweede helft van maart 1997, 12 mei 1997, 19 juni 1997 en 8 september 1997. Daaruit citeert zij de volgende passages:
– bijeenkomst van 8 maart 1995: „zowel [Bavaria] als [Interbrew Nederland] [hebben] in Nederland grote last van [...]” (voetnoot nr. 491 van de bestreden beschikking);
– bijeenkomst van 12 mei 1997: behandelde onderwerpen waren „prijsverhogingen” en „private label als zwaard van Damocles [...] morele druk van Grolsch en vooral Heineken om prijzen private label te verhogen” (voetnoot nr. 493 van de bestreden beschikking);
– bijeenkomst van 19 juni 1997: daarbij ging het over „gedrag in het privatelabelsegment en daarmee verbonden de houding van Interbrew tegenover Martens Pils (als een ,ongenode gast’ beschouwd in Nederlands bierland)” (voetnoot nr. 494 van de bestreden beschikking);
– bijeenkomst van 8 september 1997: daarbij ging het over „de toestand op de Nederlandse privatelabelbiermarkt en het feit dat Bavaria een klant van Interbrew had overgenomen [...] scherp aanbod aan [klant] [...] Bavaria verstoort status quo [...]” (voetnoot nr. 495 van de bestreden beschikking).
114 Voor de Commissie zijn deze documenten het bewijs dat het bilaterale overleg tussen Bavaria en InBev een „gewapende vrede” of een „niet-aanvalspact” met betrekking tot privatelabelbier bestendigde (punt 223 van de bestreden beschikking).
115 In punt 227 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar de brief van 26 september 1997, van een exportmanager van Interbrew Nederland aan een exportmanager van het Interbrew-hoofdkantoor, die verband hield met „bierverkopen Duitsland/huismerken en private labels”:
„Ik sprak onlangs met onze belangrijkste concurrent in Nederland op dit gebied, van wie ik weet dat zij een bijeenkomst hadden met [...] over het al dan niet doorgaan met het volume Tip-bier voor 1998. Ik checkte bij hem het prijsniveau waarop zij gaan werken, en hij bevestigde mij precies dezelfde prijs, min een bijdrage voor [...], en zij bevestigen dat zij het volume van ongeveer 200 000 hl tegen die prijs gaan accepteren.”
116 Volgens de Commissie blijkt hieruit dat Interbrew van Bavaria gedetailleerde prijs‑ en volume-informatie vroeg en kreeg over een mogelijke levering door Bavaria van privatelabelbier aan een Duitse distributieketen. Volgens de Commissie bevestigt dit de verklaring van InBev dat Interbrew en Bavaria informatie uitwisselden over het prijspeil voor afnemers van privatelabelbier. De Commissie stelt voorts dat dit feit door InBev in een brief van 21 februari 2006 is erkend (punt 228 van de bestreden beschikking).
117 In punt 234 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar de volgende verklaring van de brouwerij Haacht over de vergadering van 14 of 15 juni 1998 tussen Bavaria, Interbrew Nederland en de Belgische brouwers Interbrew België, Alken-Maes, Haacht en Martens:
„Tijdens deze vergadering is aan de Nederlandse brouwerijen uitgelegd waaruit de informatie-uitwisseling tussen de Belgische participanten bestond. De Nederlandse brouwerijen stemden er mee in om gegevens m.b.t. volumes, soort van verpakking, contractduur en eventuele vervaldagen en klanten uit te wisselen. Wat de prijzen betreft, waren de deelnemers het principieel eens dat deze niet zouden uitgewisseld worden.
De aanwezigen op de vergadering oordeelden dat een neutrale partij de uitwisseling van gegevens diende te centraliseren. Deze vraag kwam er omdat de partijen die aanwezig waren op de Nederlandse markt onderling geen vertrouwen hadden in de andere partijen. Haacht werd gevraagd de gegevens te centraliseren aangezien zij niet actief was op de Nederlandse markt.”
118 Volgens de Commissie bevestigt dit getuigenis op dit punt de verklaring van InBev (punt 235 van de bestreden beschikking).
119 In punt 236 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar de handgeschreven aantekeningen van de hiervóór genoemde bijeenkomst van 14 of 15 juni 1998, welke in de kamer van de secretaresse van een bestuursvoorzitter van Bavaria werden aangetroffen:
„Martens → concreet met Nederland nooit iets geworden
→ onderkant – markt – prijsbreker
|→ offertes worden gemaakt
Interbrew Nederland – Martens -> offerte gemaakt bij een grote private label
[...]
7,68 [omcirkeld]
Martens – ,prijsverval België’
Nu NL → [...]
Interbrew-België heeft de kat de bel aangebonden met P[rivate] L[abel]
alleen voor [...]
Pilsener [...]
/ \ / \
meermalig éénmalig
[...] – ,is beslist’ |→ naar Interbrew
CAT I+II”.
120 Volgens de Commissie bevestigen deze aantekeningen dat Interbrew België het initiatief heeft genomen voor een bijeenkomst over privatelabelbier waarop werd beslist dat het contract met een inkooporganisatie voor detailhandelaren „naar Interbrew Nederland zou gaan” (punt 237 van de bestreden beschikking).
121 Met betrekking tot deze bijeenkomst beroept de Commissie zich ook op de volgende verklaring van een manager Thuisverbruik van InBev, die InBev in antwoord op een verzoek om inlichtingen op 21 februari 2006 heeft overgelegd (punt 238 van de bestreden beschikking):
„Op een bepaald moment [...] heeft de heer [...] van [...] mij geconfronteerd met een lage prijs die hem was geoffreerd door Martens. Hij meldde mij dat hij een prijs van 0,32 NLG per flesje gekregen had. Dit komt overeen met de prijs van 7,68 NLG per krat van 24 flesjes die genoemd wordt in de nota’s van de heer [manager bij Bavaria]. In het kader van deze besprekingen, die liepen van april tot begin juni 1998, heb ik hen gesuggereerd om naar categorie II over te stappen en daardoor een accijnsvoordeel te genereren. Uiteindelijk hebben wij begin juni 1998 een overeenkomst gesloten met [...] voor de levering van een nieuw [...] categorie II-bier [...]. Dankzij het accijnsvoordeel dat volgde uit de overstap naar een categorie II-bier waren wij in staat om een nettoprijs van 6,36 NLG inclusief 0,84 NLG accijnsvoordeel te bieden waarmee wij de offerte van Martens konden pareren.
[...]
Op het ogenblik van de meeting van 14 of 15 juni 1998 [...] was Interbrew met [...] overeengekomen de levering van categorie I [...]‑ [en] categorie II-bier [...]. Ik heb tijdens deze vergadering de besprekingen en de overeenkomst met [...] om twee redenen opgebracht. Ten eerste wilde ik Martens confronteren met hun offerte aan [...], vermits hij voordien steeds ontkend had dat hij offertes had uitstaan in Nederland. Ten tweede wilde ik aan de andere deelnemers meedelen dat zij geen offertes meer moesten neerleggen bij [...], gezien de overeenkomst die tussen Interbrew en [...] was bereikt [...]. Het bestaan [van deze overeenkomst met (...)] blijkt uit de fax van 24 juni 1998. Regel n van [het document in punt 236 van de bestreden beschikking] reflecteert mijn mededeling dat het contract voor de leveringen van categorie I‑ en categorie II-bier aan [...] naar Interbrew was gegaan.”
122 In punt 240 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een verklaring van de Belgische brouwer Haacht over de tweede Nederlands-Belgische bijeenkomst van 7 juli 1998:
„Dit was de laatste vergadering die tussen partijen werd georganiseerd. De verzamelde informatie over de Nederlandse markt werd door Haacht op de vergadering uitgedeeld.
Verder werd van gedachten gewisseld over enige andere minder belangrijke aspecten, doch de persoon die Haacht vertegenwoordigde had in deze discussie geen inbreng. In ieder geval werd over die onderwerpen geen informatie van enige betekenis uitgewisseld. De indruk was dat de vergadering niets concreets opleverde.”
123 Volgens de Commissie bevestigde de verklaring van een manager Thuisverbruik van Interbrew de verklaring van Haacht dat dit de laatste Nederlands-Belgische bijeenkomst was. Volgens de Commissie berust de beslissing die bijeenkomsten niet voort te zetten op een specifiek motief, namelijk de vrees dat de Nederlandse mededingingsautoriteit bij een of meerdere brouwerijen een inval zou doen, wat steun vindt in de verklaring van InBev (punt 241 van de bestreden beschikking).
124 In punt 248 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een interne verklaring van Heineken dat „[d]e extreem lage prijsaanbiedingen die thans door de Belgische brouwerij Martens [...] worden gedaan, [...] het beleid [doorkruisen] om de onderkant van de markt op een hoger prijsniveau te krijgen”.
125 Ten slotte verwijst de Commissie in punt 249 van de bestreden beschikking naar de tijdens haar inspectiebezoek op 23 maart 2000 afgelegde en door een algemeen directeur van Grolsche Bierbrouwerij Nederland, later voorzitter van de raad van bestuur bij Koninklijke Grolsch, ondertekende verklaring:
„Dat het gevonden document [...] genaamd ,Prijsscenario’s uitgaande van een nettoverhoging groothandelsprijzen van 2,00 NLG per [hectoliter]’, waarop de aantekening staat ,CBK-Fie altijd meenemen’, door hem werd meegenomen naar vergaderingen van de financiële commissie van het CBK. Dat het gevonden document door hem werd gebruikt om Interbrew en Bavaria (de producenten van privatelabelbier in Nederland) te wijzen op de naar zijn mening onverantwoorde prijsstelling van privatelabelbier (minder dan 10 gulden per krat).”
126 In hetzelfde punt van de bestreden beschikking verwijst de Commissie ook naar de volgende verklaring van een algemeen directeur van Heineken Nederland:
„Ik ben wel eens aanwezig geweest bij een CBK-vergadering waarbij door anderen werd gesproken over de prijsstelling van private labels. Dergelijke opmerkingen zullen vanuit een oogpunt van zorg zijn gemaakt. Ik heb daar niet op gereageerd omdat Heineken principieel niet betrokken is bij de productie van private labels.”
127 De Commissie leidt uit de geciteerde passages in de punten 248 en 249 van de bestreden beschikking af dat de producenten van privatelabelbier (Interbrew en Bavaria) hun prijszettingsstrategie hadden onthuld aan Heineken en Grolsch, die niet in dat segment actief zijn (punt 248 van de bestreden beschikking). Zij concludeert daaruit dat het bilaterale overleg tussen Interbrew en Bavaria met als doel de prijzen voor privatelabelbier te verhogen, deel uitmaakte van de algemene discussies van de vier brouwers (punt 252 van de bestreden beschikking).
128 Vastgesteld moet worden dat de hiervóór genoemde indicaties de verklaring van InBev bevestigen en de vaststelling wettigen dat vertegenwoordigers van Heineken, Grolsch, Interbrew en Bavaria regelmatig samenkwamen in het kader van een reeks van informele bijeenkomsten die bekendstonden onder de naam „Catherijne-overleg” of „agendacommissie” en waarvan de samenstelling wisselde (verklaring van InBev waarnaar in punt 45 van de bestreden beschikking wordt verwezen; ander bewijsmateriaal wordt in de punten 65‑222 van de bestreden beschikking onderzocht). De 18 in de bestreden beschikking vermelde bijeenkomsten, die deel uitmaken van die reeks, vonden plaats op 27 februari 1996, 19 juni 1996, 8 oktober 1996, 8 januari 1997, 1 mei 1997, 2 september 1997, 16 december 1997, 17 december 1997, 12 maart 1998, 9 april 1998, 3 juli 1998, 15 december 1998, 8 januari 1999, 4 maart 1999, 10 mei 1999, 11 augustus 1999, 19 augustus 1999 en 3 november 1999.
129 Wat de inhoud van de in het kader van die bijeenkomsten gevoerde gesprekken betreft, bevestigen de hiervóór genoemde indicaties de verklaring van InBev en bewijzen zij de volgende punten:
– in het thuisverbruiksegment:
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- HvJ EU 5 september 2019, C-447/17, ECLI:EU:C:2019:672
- Gerecht EU 10 november 2017, T-180/15, ECLI:EU:T:2017:795
- Gerecht EU 16 juni 2015, T-655/11, ECLI:EU:T:2015:383
- Gerecht EU 24 september 2019, T-105/17, ECLI:EU:T:2019:675
- Gerecht EU 18 november 2020, T-814/17, ECLI:EU:T:2020:545
- Gerecht EU 9 november 2022, T-655/19, ECLI:EU:T:2022:689