Gerecht EU 28 maart 2019, T-433/16, ECLI:EU:T:2019:201

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)

28 maart 2019 ( *1 )

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Europese markt van staalgrit voor staalstralen – Besluit houdende vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst – Prijscoördinatie in de hele EER – In de tijd gespreide ‚hybride’ procedure – Vermoeden van onschuld – Beginsel van onpartijdigheid – Handvest van de grondrechten – Bewijs van de inbreuk – Eén enkele voortdurende inbreuk – Mededingingsbeperkende strekking – Duur van de inbreuk – Geldboete – Uitzonderlijke aanpassing van het basisbedrag – Motiveringsplicht – Evenredigheid – Gelijke behandeling – Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑433/16,

Pometon SpA, gevestigd te Maerne di Martellago (Italië), vertegenwoordigd door E. Fabrizi, V. Veneziano en A. Molinaro, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Rossi en B. Mongin als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2016) 3121 final van de Commissie van 25 mei 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39792 – Staalgrit voor staalstralen),

wijst

HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen, president, V. Kreuschitz, I. S. Forrester, N. Półtorak en E. Perillo (rapporteur), rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 31 mei 2018,

het navolgende

Arrest

I. Voorgeschiedenis van het geding

1 Verzoekster, Pometon SpA, is een Italiaanse onderneming die gespecialiseerd is in metaalbewerking. Zij was tot 16 mei 2007 actief op de markt van staalgrit voor staalstralen. Op die datum heeft zij haar bedrijfsactiviteit in deze sector verkocht aan een van haar concurrenten, de Franse onderneming Winoa SA, en is die activiteit overgedragen aan de vennootschap Pometon Abrasives Srl, die eigendom is van de groep Winoa.

2 Staalgrit voor staalstralen (hierna: „staalgrit”) bestaat uit losse staaldeeltjes, in ronde of hoekige vorm. De voornaamste toepassingen zijn te vinden in de staal‑ en automobielindustrie, de metaalnijverheid, de petrochemie en de steenhouwerij. Het wordt vervaardigd van residuen van staalschroot.

3 Bij besluit C(2016) 3121 final van 25 mei 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak AT.39792 – Staalgrit voor staalstralen; hierna: „bestreden besluit”) heeft de Europese Commissie vastgesteld dat verzoekster tijdens de periode van 3 oktober 2003 tot en met 16 mei 2007 ofwel rechtstreeks ofwel via haar vertegenwoordigers of de vertegenwoordigers van twee van haar dochterondernemingen, Pometon España SA en Pometon Deutschland GmbH, had deelgenomen aan een mededingingsregeling bestaande in overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met vier andere ondernemingen, namelijk de Amerikaanse groep Ervin Industries Inc. (hierna: „Ervin”), de Franse onderneming Winoa SA (hierna: „Winoa”) alsook de Duitse ondernemingen MTS GmbH en Würth GmbH, die in hoofdzaak tot doel hadden de prijzen van staalgrit in de hele Europese Economische Ruimte (hierna: „EER”) te coördineren. Verzoekster en deze twee dochterondernemingen worden hierna gezamenlijk „Pometon” genoemd.

A. Onderzoeksfase en inleiding van de procedure

4 Op 13 april 2010 heeft Ervin verzocht om immuniteit tegen geldboeten op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17).

5 Na dit verzoek heeft Ervin mondelinge verklaringen afgelegd en schriftelijke bewijsstukken overgelegd. Op 31 mei 2010 heeft de Commissie haar voorwaardelijke immuniteit verleend op grond van punt 8, onder a), van bovengenoemde mededeling.

6 Van 15 tot en met 17 juni 2010 heeft de Commissie onaangekondigde inspecties verricht in de bedrijfsruimten van verschillende staalgritproducenten, waaronder Pometon. Later heeft zij verschillende verzoeken om inlichtingen verstuurd naar de ondernemingen die volgens haar deelnamen aan de mededingingsregeling.

7 Op 16 januari 2013 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2 van haar verordening (EG) nr. 773/2004 van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18) de onderzoeksprocedure van artikel 11, lid 6, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) ingeleid tegen Pometon en de vier andere deelnemers aan de mededingingsregeling (Ervin, Winoa, MTS en Würth). Zij heeft een termijn vastgesteld waarbinnen zij schriftelijk konden aangeven dat zij bereid waren schikkingsgesprekken te voeren overeenkomstig artikel 10 bis, lid 1, van verordening nr. 773/2004.

B. Schikkingsprocedure en keuze van Pometon om zich uit deze procedure terug te trekken

8 De vijf partijen bij de gestelde mededingingsregeling hebben zich bereid verklaard deel te nemen aan schikkingsgesprekken. Van februari tot en met december 2013 hebben aldus drie ronden van bilaterale bijeenkomsten plaatsgevonden tussen de Commissie en de partijen bij de mededingingsregeling, waarbij de grieven en het bewijsmateriaal zijn uiteengezet. De Commissie heeft elke partij bij de mededingingsregeling meegedeeld binnen welke bandbreedte aan elk van hen een geldboete kon worden opgelegd.

9 In januari 2014 hebben de betrokken ondernemingen hun schikkingsvoorstellen binnen de gestelde termijn ingediend, met uitzondering van verzoekster, die heeft besloten zich uit deze procedure terug te trekken. Bijgevolg heeft verzoekster op 10 februari 2014 de Commissie de cd‑rom terugbezorgd die haar op 21 februari 2013 in het kader van de schikkingsprocedure was toegezonden.

10 Op 13 februari 2014 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar gericht aan elk van de vier andere partijen bij de gestelde mededingingsregeling en op 2 april 2014 heeft zij schikkingsbesluit C(2014) 2074 final jegens hen vastgesteld op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 (hierna: „schikkingsbesluit”).

C. Vaststelling van het bestreden besluit volgens de gewone procedure en de inhoud van dit besluit

11 Op 3 december 2014 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar gericht aan verzoekster, die daarop heeft geantwoord op 16 februari 2015, nadat zij toegang had gekregen tot het dossier. Vervolgens heeft verzoekster op 17 april 2015 deelgenomen aan een hoorzitting.

12 Op 25 mei 2016 heeft de Commissie op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 het bestreden besluit vastgesteld. Het dispositief van dit besluit luidt als volgt: „Artikel 1 Pometon SpA heeft artikel 101, lid 1, van het Verdrag en artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst geschonden door deel te nemen aan één enkele voortdurende inbreuk met betrekking tot de prijzen in de sector van staalgrit voor staalstralen, waarbij deze inbreuk bestond in een coördinatie van haar prijsgedrag en de hele EER bestreek. De inbreuk duurde van 3 oktober 2003 tot en met 16 mei 2007. Artikel 2 Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk bedraagt de aan Pometon SpA opgelegde geldboete: 6197000 EUR [...].”

13 Uit het bestreden besluit als geheel volgt in wezen dat Pometon en de andere kartelleden een eenvormige berekeningswijze hadden ingevoerd (eerste onderdeel van het kartel), waarmee zij een gecoördineerde prijstoeslag voor staalgrit konden vaststellen op basis van de schrootprijsindexen (hierna: „schroottoeslag”; zie punten 132 en 136 hierna). Tegelijk waren zij overeengekomen (tweede onderdeel van het kartel) hun gedrag te coördineren met betrekking tot de verkoopprijzen van staalgrit ten aanzien van individuele afnemers door in het bijzonder zich ertoe te verbinden elkaar niet te beconcurreren door de prijzen te verlagen (overwegingen 32, 33, 37 en 57 van het bestreden besluit; zie punt 73 hierna).

14 Betreffende de kwalificatie van de aan de orde zijnde inbreuk was de Commissie van mening dat het ging om één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 EER-Overeenkomst. Niet alleen hadden alle mededingingsbeperkende afspraken van de deelnemers betrekking op de prijscoördinatie en dezelfde producten, maar bovendien waren zij ook op dezelfde manier gemaakt gedurende de hele periode van de inbreuk, van 3 oktober 2003 tot en met 16 mei 2007, de datum waarop verzoekster haar activiteit in de staalgritsector heeft verkocht aan Winoa. Ten slotte waren het in hoofdzaak dezelfde ondernemingen die aan de inbreuk deelnamen en dezelfde personen die voor hun rekening handelden (overwegingen 107 en 166 van het bestreden besluit).

15 Uiteindelijk had een dergelijk kartel volgens de Commissie tot doel de mededinging te beperken, hetgeen belangrijke gevolgen had voor de handel in het betreffende product tussen de lidstaten en de partijen bij de EER-Overeenkomst (overwegingen 142 en 154 van het bestreden besluit).

16 Wat betreft de duur van verzoeksters deelname aan de inbreuk, heeft de Commissie het begin van die deelname vastgesteld op 3 oktober 2003 en is zij, op grond van het feit dat Pometon niet formeel afstand had genomen van het kartel, ervan uitgegaan dat haar karteldeelname was blijven duren tot en met 16 mei 2007, de datum waarop verzoekster haar activiteit in de staalgritsector heeft verkocht aan Winoa (overwegingen 160 en 166 van het bestreden besluit; zie ook punt 1 hierboven).

17 Op basis van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna „richtsnoeren voor de berekening van geldboeten”), heeft de Commissie het basisbedrag van de geldboete van Pometon vastgesteld op 16 % van de omzet van verzoekster op de markten van de EER-landen in 2006, het laatste volledige jaar waarin Pometon aan de betreffende inbreuk had deelgenomen, alvorens haar staalgritactiviteit aan haar Franse concurrent te verkopen.

18 Dit percentage stemt overeen met een basistarief van 15 %, dat met 1 % is verhoogd om rekening te houden met het feit dat de inbreuk zich geografisch uitstrekte over de gehele EER (overwegingen 214‑216 van het bestreden besluit). Het variabele gedeelte van het basisbedrag van de geldboete is vervolgens overeenkomstig punt 25 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten verhoogd met een extra vast bedrag van 16 % om ondernemingen te ontraden prijscoördinatieafspraken te maken (overweging 220 van het bestreden besluit).

19 Voorts is het aldus berekende basisbedrag van de geldboete niet verhoogd wegens verzwarende omstandigheden. Integendeel, Pometon kreeg een vermindering van dit bedrag met 10 % wegens verzachtende omstandigheden, omdat zij in mindere mate dan de andere ondernemingen aan het tweede onderdeel van het kartel had deelgenomen (overweging 225 van het bestreden besluit).

20 Overeenkomstig punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, op grond waarvan de Commissie kan afwijken van de methode in deze richtsnoeren wanneer de „bijzondere kenmerken van een gegeven zaak” dat kunnen rechtvaardigen, heeft deze instelling ten slotte het aangepaste basisbedrag van de geldboete verminderd met 60 % (overwegingen 228‑231 van het bestreden besluit).

21 Zoals volgt uit artikel 2 van het bestreden besluit, bedroeg het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete na deze berekening uiteindelijk 6197000 EUR (zie punt 12 hierboven).

II. Procedure en conclusies van partijen

22 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 augustus 2016, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

23 Op 21 februari 2017 zijn de partijen in kennis gesteld van de sluiting van de schriftelijke behandeling. Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 maart 2017, heeft verzoekster een met redenen omkleed verzoek tot vaststelling van een terechtzitting ingediend overeenkomstig artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

24 Bij besluit van 21 maart 2018 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering de zaak naar een uitgebreide kamer verwezen.

25 Bij beschikking van 22 maart 2018 heeft het Gerecht verzoeksters subsidiaire verzoek om vaststelling van een maatregel van instructie ingewilligd en de Commissie op grond van artikel 91, onder b), artikel 92, lid 1, en artikel 103, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering gelast om een kopie van de integrale versie van het schikkingsbesluit en een kopie van de in de documenten ID 5, ID 10, ID 136 en ID 643 van het administratief dossier vervatte verklaringen van de clementieverzoeker over te leggen en de in dat besluit in aanmerking genomen totale omzet mee te delen die de adressaten van het schikkingsbesluit in 2009 hadden behaald.

26 Bij beschikking van 4 mei 2018, Pometon/Commissie (T‑433/16), heeft het Gerecht op de verzoeken om vertrouwelijke behandeling van de door de Commissie in uitvoering van die beschikking van 22 maart 2018 overgelegde documenten beslist dat de documenten ID 5, ID 10, ID 136 en ID 643 met de transcriptie van de mondelinge verklaringen van de clementieverzoeker door de advocaten van verzoekster ter griffie van het Gerecht konden worden ingezien. Het heeft voorts het verzoek afgewezen om vertrouwelijke behandeling van de respectieve omzet in 2009 van de vier adressaten van het schikkingsbesluit en de gegevens in tabellen nr. 1 (overweging 90), nr. 3 (overweging 100) en nr. 4 (overweging 103) van dat besluit.

27 Bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht ten eerste verzoekster verzocht om haar schriftelijke opmerkingen in te dienen over de gevolgen van de hierboven in punt 26 bedoelde niet-vertrouwelijke gegevens voor het vijfde middel, dat betrekking heeft op de aanpassing van het basisbedrag van de geldboete op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten. Verzoekster heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan. Ten tweede heeft het Gerecht partijen verzocht ter terechtzitting mondeling een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden.

28 Voorts heeft de Commissie ter terechtzitting verzocht om een document te mogen neerleggen bestaande in een tabel met de gegevens over de vijf ondernemingen die bij het betreffende kartel betrokken waren, waarop zij zich had gebaseerd om vast te stellen in welke mate het basisbedrag van de geldboete voor elk van die ondernemingen zou worden aangepast op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten. Zij heeft verzocht om vertrouwelijke behandeling van die gegevens ten aanzien van het grote publiek.

29 Het Gerecht heeft besloten dit document aan het dossier toe te voegen, onder voorbehoud van de beoordeling van de ontvankelijkheid ervan, en heeft verzoekster overeenkomstig artikel 85, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering tot 2 juli 2018 de tijd gegeven om haar opmerkingen over dit document in te dienen. Nadat verzoekster haar opmerkingen had ingediend op 2 juli 2018, is de mondelinge behandeling op die datum gesloten.

30 Bij beschikking van 8 november 2018 heeft de president van de Derde kamer de mondelinge behandeling heropend. De Commissie is verzocht haar opmerkingen in te dienen over een nieuw gegeven in de opmerkingen van verzoekster van 2 juli 2018 en zij heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan. Bij besluit van 17 januari 2019 heeft de president van de Derde kamer de mondelinge behandeling gesloten.

31 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – subsidiair, het bestreden besluit nietig te verklaren of te herzien, voor zover de Commissie stelt dat zij tot en met 16 mei 2007 aan de inbreuk heeft deelgenomen en haar een geldboete oplegt ondanks de verjaring; – nog meer subsidiair, de geldboete in te trekken of het bedrag ervan te verminderen; – de Commissie te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die zij eventueel vóór de uitspraak van het te wijzen arrest heeft gedragen en van alle andere eventueel door haar gemaakte kosten tot uitvoering van dit besluit; – de maatregelen tot organisatie van de procesgang of, subsidiair, de instructiemaatregelen vast te stellen; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

32 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – het verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang of instructiemaatregelen af te wijzen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

33 Verzoekster voert vier middelen aan ter ondersteuning van haar eerste twee vorderingen. Ten eerste schendt het bestreden besluit het beginsel van procedurele onpartijdigheid, het beginsel van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, doordat de Commissie reeds in het schikkingsbesluit bepaalde vermeende gedragingen van verzoekster in aanmerking had genomen, wat bepalend was voor de beschuldigingen die vervolgens tegen haar zijn geuit in het bestreden besluit.

34 Ten tweede voert verzoekster schending aan van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende en tegenstrijdige motivering, alsook schending van de rechten van de verdediging en de regels inzake de bewijslast, doordat de Commissie, zonder bewijs, haar ten laste heeft gelegd dat zij betrokken was bij een mededingingsregeling waaraan zij in werkelijkheid niet heeft deelgenomen.

35 Ten derde schendt het bestreden besluit artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, doordat de Commissie ervan uit is gegaan dat het kartel een mededingingsbeperkende strekking had.

36 Ten vierde betwist verzoekster de duur van haar deelname aan het kartel en voert zij verjaring aan.

37 Ter ondersteuning van de derde vordering, die strekt tot intrekking of herziening van het bedrag van de geldboete, voert verzoekster ten slotte aan dat de Commissie bij de uitzonderlijke aanpassing van het basisbedrag van de geldboete op grond van punt 37 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten haar motiveringsplicht niet is nagekomen en het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden.

A. Eerste middel: niet-nakoming van de verplichting tot onpartijdigheid, schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, doordat de Commissie in het schikkingsbesluit bepaalde vermeende gedragingen van verzoekster in aanmerking had genomen, wat bepalend was voor de beoordelingen in het bestreden besluit

1. Argumenten van partijen

38 Verzoekster merkt op dat, hoewel zij geen adressaat van het schikkingsbesluit was, zij in punt 4 van dit besluit (beschrijving van de gebeurtenissen) meermaals wordt vermeld als onderneming die in wezen actief aan het kartel heeft deelgenomen. Zij wijst meer in het bijzonder op de volgende passages van het schikkingsbesluit, waarin de Commissie uitdrukkelijk heeft verwezen naar haar gedrag: „26. Ervin, Winoa, Pometon, MTS en Würth zijn herhaaldelijk bilaterale en multilaterale contacten aangegaan, waarbij zij de voornaamste prijscomponenten van hun verkoopactiviteiten voor staalgrit in de EER hebben besproken, namelijk de ‚schroottoeslag’ en de energietoeslag. Zij hebben ook onderzocht (hoofdzakelijk door middel van bilaterale contacten) welke parameters inzake concurrentie onderling konden worden toegepast ten aanzien van individuele afnemers. In deze algemene context had het gedrag van de partijen betrekking op de EER. [...] 28. In oktober 2003 zijn Winoa, Ervin en Pometon bijeengekomen [...] om overeenstemming te bereiken over een eenvormig model voor de berekening van een gemeenschappelijke ‚schroottoeslag’, die al deze ondernemingen zouden toepassen [...]. 29. MTS en Würth [...] hebben niet deelgenomen aan de eerste fasen van het proces, wanneer de overeenkomst tussen Winoa, Ervin en Pometon werd gesloten. [...] 31. De contacten met Pometon zijn voortgezet tot en met 16 mei 2007, de datum waarop Pometon haar staalgritactiviteit heeft verkocht aan Winoa en de markt heeft verlaten. [...] 38. Uit de bewijzen blijkt dat de contacten tussen Winoa, Ervin en Pometon zich vanaf oktober 2003 tot een gedragspatroon hebben ontwikkeld.”

39 Verzoekster meent dat die verwijzingen niet noodzakelijk of zelfs maar nuttig waren. Ten eerste voert zij aan dat de gegevens in overweging 31 van het schikkingsbesluit, die in wezen erop neerkomen dat zij heeft deelgenomen aan het kartel tot en met 16 mei 2007, de datum waarop zij haar activiteit aan Winoa heeft verkocht en de markt heeft verlaten, niet voorkwamen in de schikkingsvoorstellen van de vier andere betrokken ondernemingen. Ten tweede kan het definitieve besluit in een schikkingsprocedure hoe dan ook alleen betrekking hebben op de gedragingen van de bij de schikking betrokken ondernemingen en de jegens hen uitgesproken sancties.

40 Deze analyse wordt overigens bevestigd wanneer het schikkingsbesluit wordt vergeleken met besluit C(2014) 4227 final van de Commissie van 25 juni 2014 in de zaak AT.39965 – Champignons, dat ook een schikkingsprocedure betreft. Volgens verzoekster bevatte dat besluit in de omschrijving van de relevante gebeurtenissen geen enkele verwijzing naar de onderneming die geen schikking had willen treffen.

41 Bijgevolg blijkt uit de verwijzingen in het schikkingsbesluit naar vermeende gedragingen van verzoekster op ondubbelzinnige wijze dat de Commissie reeds een oordeel had geveld over haar schuld nog voordat verzoekster de mogelijkheid kreeg om zich te verdedigen. Het bestreden besluit schendt bijgevolg het beginsel van procedurele onpartijdigheid, het beginsel van het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging van verzoekster.

42 Bovendien betwist verzoekster het betoog van de Commissie dat is gebaseerd op de uitlegging die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) geeft van artikel 6, lid 2, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden betreffende het vermoeden van onschuld.

43 Met betrekking tot die bepaling voert zij met name aan dat, anders dan de Commissie betoogt (zie punt 51 hierna), het EHRM in zijn arrest van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310), heeft geoordeeld dat, wanneer het in een strafprocedure waarbij meerdere personen betrokken zijn die niet tegelijkertijd kunnen worden berecht, voor de beoordeling van de schuld van de verdachten noodzakelijk is dat in een eerste uitspraak wordt vermeld dat een verdachte heeft deelgenomen aan de inbreuk, die vervolgens zal worden berecht in een tweede, latere strafprocedure, de bevoegde rechtbank moet vermijden meer informatie te verstrekken dan nodig is voor de beoordeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachten die in dat proces worden berecht (EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:2014:0227JUD001710310, punten 64 en 65).

44 Volgens verzoekster dient datzelfde criterium ook te gelden wanneer de Commissie, zoals in casu, nadat zij een inbreukprocedure heeft ingeleid ten aanzien van vijf ondernemingen die ervan worden verdacht te hebben deelgenomen aan een kartel, eerst een schikkingsbesluit vaststelt jegens vier ervan en vervolgens jegens de vijfde onderneming, die zich ondertussen uit de schikkingsprocedure heeft teruggetrokken, een inbreukbesluit vaststelt na een gewone procedure te hebben gevoerd op grond van de algemene bepalingen van verordening nr. 773/2004.

45 Betreffende het betoog van de Commissie dat verzoeksters naam bij vergissing is vermeld in de publicatie van de voorlopige versie van het schikkingsbesluit, preciseert verzoekster dat de schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld in casu voortvloeit uit het feit dat, los van de regels voor de publicatie van het schikkingsbesluit, in dat besluit concrete beschuldigingen zijn geuit aan het adres van Pometon over haar deelname aan het betreffende kartel. Het feit dat verzoeksters naam in de op 6 januari 2015 gepubliceerde versie van het schikkingsbesluit is vervangen door de uitdrukking „een andere onderneming” kan derhalve de schending van dat beginsel in het bestreden besluit niet ongedaan maken.

46 De Commissie betwist dit betoog.

47 Allereerst zijn de door verzoekster gelaakte verwijzingen uitsluitend erop gericht de aansprakelijkheid van de vier andere ondernemingen van het kartel aan te tonen en hebben zij voorts geen enkele invloed op de plicht van de Commissie om de contradictoire procedure ten aanzien van verzoekster te voltooien na haar terugtrekking uit de schikkingsprocedure.

48 Voorts stelt de Commissie dat alle andere oplossingen op procedureel gebied en op het gebied van de materiële bestraffing leiden tot een soort van „immuniteit tegen geldboeten” voor de ondernemingen die zich terugtrekken uit een schikkingsprocedure die zij aanvankelijk hadden aanvaard.

49 De Commissie preciseert nog dat de opeenvolging van deze twee procedures weliswaar een complexe procedure vormt, die ook wel „hybride” wordt genoemd, omdat zij wordt geregeld door verschillende wettelijke bepalingen, waarbij de schikkingsprocedure specifiek wordt geregeld door artikel 10 bis van verordening nr. 773/2004, terwijl de latere contradictoire procedure door andere bepalingen van diezelfde verordening wordt geregeld, waarvan verzoekster de wettigheid overigens nooit in twijfel heeft getrokken, maar zelfs in het kader van een hybride procedure mag de positie van een onderneming die geen schikking heeft gesloten, haar geen procedureel voordeel verlenen waardoor zij van de toepasselijke regels kan afwijken.

50 Vervolgens betoogt de Commissie dat zij hoe dan ook het beginsel van het vermoeden van onschuld en met name de vereisten die het EHRM heeft gesteld in het arrest van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310), ten aanzien van verzoekster heeft geëerbiedigd. Dienaangaande verduidelijkt de Commissie dat zij uit voorzorg in voetnoot 4 van het schikkingsbesluit en in de overwegingen 27 en 28 van het bestreden besluit uitdrukkelijk heeft vermeld dat uit de beschrijving van de gebeurtenissen in het schikkingsbesluit geen conclusies konden worden getrokken over de schuld van Pometon met betrekking tot haar deelneming aan dit kartel, omdat deze onderneming later nog het voorwerp zou uitmaken van een contradictoire procedure tot vaststelling van een inbreuk.

51 Kortom, om uit te maken of in casu het beginsel van het vermoeden van onschuld is geschonden, moet volgens de Commissie worden nagegaan of de rechten van verdediging van Pometon zijn geëerbiedigd. Volgens haar waren deze rechten in casu gewaarborgd gedurende de volledige gewone procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid.

2. Beoordeling door het Gerecht

a) Rechtskader van het onderhavige geschil wat betreft de belangrijkste aspecten van het schikkingsbesluit van de Commissie

52 Alvorens het onderhavige middel te onderzoeken, moet kort worden gepreciseerd dat verzoekster de schending van haar rechten van verdediging uitsluitend aanvoert voor zover de Commissie een aantal van haar gedragingen heeft vermeld in het schikkingsbesluit, waarvan zij evenwel geen adressaat is. Derhalve verwijt zij de Commissie geenszins dat zij tijdens de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het bestreden besluit, niet alle procedurele waarborgen in verband met haar rechten van verdediging heeft geëerbiedigd, zoals die welke met name in de algemene bepalingen van verordening nr. 773/2004 zijn voorgeschreven.

53 Nu het voorwerp van het onderhavige middel aldus is gepreciseerd, moet om te beginnen worden opgemerkt dat de partijen het met name oneens zijn over de draagwijdte van artikel 41, lid 1, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), in het bijzonder, wat deze laatste bepaling betreft, in het licht van de lezing die elk van hen geeft van het arrest van het EHRM van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310), dat betrekking heeft op de eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld in het kader van een complexe strafprocedure waarbij meerdere personen zijn betrokken die niet gezamenlijk kunnen worden berecht (zie punten 43 en 50 hierboven). Deze twee artikelen van het Handvest luiden als volgt: „Artikel 41 1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld. [...] Artikel 48 1. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. 2. Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.”

54 Dienaangaande moet ten eerste worden herinnerd aan de vaste rechtspraak dat de Commissie in de uitoefening van haar bevoegdheden op het gebied van de bestraffing van de inbreuken op het mededingingsrecht weliswaar niet kan worden aangemerkt als een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en met name als een overheidsinstantie met strafrechtelijke functies, maar dat dit niet wegneemt dat zij de grondrechten van de Europese Unie, waaronder het in artikel 41 van het Handvest neergelegde recht op behoorlijk bestuur, moet eerbiedigen tijdens de administratieve procedure. In het bijzonder regelt artikel 41, en niet artikel 47 van het Handvest, dat betrekking heeft op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, de administratieve procedure inzake mededingingsregelingen voor de Commissie (arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 154).

55 Ten tweede volgt uit de rechtspraak dat het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat door zijn oorsprong eigen is aan het strafrecht en dat thans door artikel 48, lid 1, van het Handvest in het Unierecht is verankerd, mutatis mutandis ook van toepassing is op de administratieve procedure betreffende de eerbiediging van de Europese mededingingsregels, gelet op de aard van de betreffende inbreuken alsook op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties (arrest van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, EU:C:1999:358, punt 150; zie ook in die zin arresten van 21 januari 2016, Eturas e.a., C‑74/14, EU:C:2016:42, punten 38‑40, en 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punten 93 en 94).

56 In het huidige kader van de Unierechtelijke regels inzake bestraffing van inbreuken op de mededingingsregels is de eerbiediging van de grondrechten en procedurele rechten waarover een onderneming die door de Commissie wordt beschuldigd van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU, moet kunnen beschikken, dus gewaarborgd door de plicht van deze instelling om in elke fase van een procedure inzake toepassing van de mededingingsregels volledig onpartijdig te handelen (artikel 41 van het Handvest), hetgeen ook de verplichting inhoudt tot eerbiediging van het vermoeden van onschuld van de ondernemingen waartegen het onderzoek is ingeleid (artikel 48 van het Handvest), alsook door het recht van elke adressaat van een door deze instelling krachtens artikel 101, lid 1, VWEU vastgestelde dwingende handeling om zich voor zijn verweer tot de Unierechter te wenden, eerst het Gerecht in eerste aanleg en vervolgens in voorkomend geval het Hof in het kader van een hogere voorziening.

57 Nu deze algemene premissen zijn verduidelijkt, moet in verband met de in casu relevante procedureregels eraan worden herinnerd dat artikel 2 van verordening nr. 773/2004 bepaalt dat wanneer de Commissie besluit een procedure tegen bepaalde ondernemingen in te leiden om een onderzoek in te stellen naar „gevallen van vermoedelijke inbreuk” (zie artikel 105 VWEU), zij „een mededeling van punten van bezwaar [toezendt of] een verzoek aan de partijen hun belangstelling te laten blijken om schikkingsgesprekken te voeren”.

58 Vanuit dat tweede perspectief bepaalt artikel 10 bis, lid 1, van deze verordening dat „[n]a de inleiding van de procedure [...] de Commissie een termijn [kan] vaststellen waarbinnen de partijen schriftelijk kunnen aangeven dat zij bereid zijn schikkingsgesprekken te voeren, met als doel om eventueel verklaringen met het oog op een schikking in te dienen”.

59 Dienaangaande verduidelijkt punt 11 van de mededeling van de Commissie betreffende schikkingsprocedures met het oog op de vaststelling van beschikkingen op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 in kartelzaken (PB 2008, C 167, blz. 1; hierna: „mededeling betreffende schikkingsprocedures”) dat de schriftelijke verklaringen van de ondernemingen die hun belangstelling hebben laten blijken om schikkingsgesprekken te voeren, „niet [inhouden] dat de partijen toegeven dat zij betrokken waren bij of aansprakelijk zijn voor een inbreuk”.

60 Om meer in concreto vooruitgang in de beoogde onderhandelingen mogelijk te maken, bepaalt lid 2 van artikel 10 bis van verordening nr. 773/2004: „Partijen die aan schikkingsgesprekken deelnemen, kunnen door de Commissie in kennis worden gesteld van: a) de bezwaren die zij voornemens is jegens hen aan te voeren; b) het bewijsmateriaal waarvan wordt gebruikgemaakt om de beoogde bezwaren vast te stellen; c) niet-vertrouwelijke versies van ieder specifiek, toegankelijk document dat op dat tijdstip in het dossier van de zaak is opgenomen; d) de bandbreedte van mogelijke geldboeten.”

61 In casu blijkt uit het dossier dat elk van de vijf bij het vermeende staalgritkartel betrokken ondernemingen, ook Pometon, na haar schriftelijke verklaring alle in artikel 10 bis, lid 2, van verordening nr. 773/2004 voorgeschreven informatie heeft ontvangen (zie punten 8 en 60 hierboven).

62 Tegen deze juridische en feitelijke achtergrond moet het onderhavige middel ten gronde worden beoordeeld.

b) Draagwijdte van de verplichting tot onpartijdigheid van de Commissie en van het beginsel van het vermoeden van onschuld, met name in het specifieke geval van een in de tijd gespreide hybride procedure

63 Om in de eerste plaats te beoordelen of de Commissie haar plicht tot onpartijdigheid ten aanzien van Pometon is nagekomen, met name in het kader van de schikkingsprocedure waaruit deze laatste zich heeft teruggetrokken, moet worden opgemerkt dat het door de Commissie jegens de vier andere bij het kartel betrokken ondernemingen vastgestelde schikkingsbesluit ongetwijfeld een einde heeft gemaakt aan de inbreuk waarvan zij door deze instelling waren beschuldigd en bijgevolg ook aan het betreffende kartel en zijn negatieve gevolgen op de betreffende markt, omdat vier van de vijf betrokken ondernemingen hadden toegegeven hun staalgritprijzen op elkaar te hebben afgestemd en zich bereid hadden verklaard deze praktijk onmiddellijk te beëindigen.

64 Dit schikkingsbesluit heeft daarentegen geen einde gemaakt aan het optreden van de Commissie voor zover het gaat om de op 16 januari 2013 tegen Pometon ingeleide inbreukprocedure (zie punt 7 hierboven), aangezien Pometon zich had teruggetrokken uit de schikkingsprocedure waarvoor zij aanvankelijk een zekere belangstelling had laten blijken, en het onderzoek van haar zaak bijgevolg op tegenspraak moest worden voortgezet in het kader van een aldus hybride geworden inbreukprocedure. Zoals in voetnoot 4 van het schikkingsbesluit wordt gepreciseerd, liep immers na de terugtrekking van Pometon uit de schikkingsprocedure „[nog] de administratieve procedure op grond van artikel 7 van verordening nr. 1/2003 tegen [Pometon]”.

65 In deze context is de door verzoekster voorgestelde lezing dat de verwijzingen naar bepaalde van haar gedragingen in het schikkingsbesluit haar recht op het vermoeden van onschuld hebben geschonden, waardoor de onpartijdigheid van de Commissie jegens haar wordt ondermijnd, objectief in strijd met het feit dat de Commissie, met name in voetnoot 4 van het schikkingsbesluit, de schuld van Pometon in dit stadium van de procedure uitdrukkelijk heeft uitgesloten, juist omdat het onderzoek van haar dossier op tegenspraak moest worden voortgezet op grond van een specifieke akte van beschuldiging, namelijk de mededeling van punten van bezwaar die de Commissie op 3 december 2014 daadwerkelijk zou aannemen.

66 In het bijzonder kan de verwijzing naar het gedrag van Pometon in overweging 38 van het schikkingsbesluit niet afdoen aan deze vaststelling. Daarin stelt de Commissie dat uit de bewijzen waarover zij beschikt, „blijkt dat de contacten tussen Winoa, Ervin [de clementieverzoeker] en Pometon zich vanaf oktober 2003 tot een gedragspatroon hebben ontwikkeld” (zie punt 38 hierboven).

67 Allereerst bevatten deze bewoordingen geen enkele juridische kwalificatie van de betreffende feiten, noch maken zij het mogelijk objectief vast te stellen dat de Commissie in het stadium van het schikkingsbesluit reeds de schuld van Pometon had aangetoond, aangezien zij in dit inleidende deel van dit schikkingsbesluit evenmin de schuld had bewezen van de vier andere partijen bij het kartel, die de enige adressaten van dit besluit zijn.

68 Vervolgens kan de omstandigheid dat dit schikkingsbesluit in het volgende punt betreffende de juridische kwalificatie van de aan deze vier andere ondernemingen verweten feiten (Legal Assessment) vermeldt dat deze ondernemingen hun deelneming aan de inbreuk en derhalve hun schuld hebben erkend, de verwijzingen naar sommige gedragingen van verzoekster in de beschrijving van de gebeurtenissen niet automatisch de facto en de jure veranderen in een soort van „verkapt verdict” van de Commissie, dat ook betrekking heeft op de schuld van Pometon.

69 Bij de opstelling van een schikkingsbesluit dat, zoals in casu, is vastgesteld in het kader van een hybride geworden procedure, moeten de uiteenzetting van de feiten met betrekking tot het kartel in zijn geheel en de juridische kwalificatie van de feiten die specifiek worden toegerekend aan de ondernemingen die hun schuld hebben erkend, zo helder en duidelijk mogelijk van elkaar gescheiden blijven, juist om in het kader van hetzelfde administratieve dossier, in casu dat van het staalgritkartel (zie punt 3 hierboven), de definitieve rechtspositie van de ondernemingen die hebben geschikt, niet gelijk te stellen met die van de onderneming die gebruik heeft gemaakt van haar recht om zich uit de schikkingsprocedure terug te trekken en waarvoor de administratieve procedure nog loopt (zie punt 64 hierboven).

70 Om die reden moet de Commissie zich in de eerste plaats laten leiden door de fundamentele verplichting tot onpartijdigheid, die elke instelling van de Unie moet eerbiedigen op grond van artikel 41 van het Handvest, zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in zijn arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie (C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 154), wanneer zij een schikkingsbesluit opstelt in de specifieke context van een hybride geworden procedure ten aanzien van een onderneming die zich uit die procedure heeft teruggetrokken (zie punt 54 hierboven).

71 Het is immers niet zo dat de onderneming die uiteindelijk heeft beslist om af te zien van de schikking, daardoor haar recht om op onpartijdige wijze te worden behandeld, of haar recht op het vermoeden van onschuld ten aanzien van de betreffende inbreuk heeft verloren, ook al zal formeel pas een akte van beschuldiging tegen haar worden uitgebracht bij de vaststelling van de mededeling van punten van bezwaar die de contradictoire procedure inleidt, waarvan verzoekster in casu op 3 december 2014 kennis is gegeven.

72 De in artikel 41 van het Handvest neergelegde verplichting tot onpartijdigheid impliceert dat de Commissie in het kader van een hybride geworden procedure het schikkingsbesluit opstelt en motiveert, en daarbij alle noodzakelijke redactionele voorzorgsmaatregelen neemt zodat dit besluit, hoewel het niet gericht is aan de onderneming die zich heeft teruggetrokken uit de schikkingsprocedure, geen afbreuk doet aan het geheel van procedurele waarborgen die deze onderneming moet genieten in het kader van de latere contradictoire procedure. De Commissie moet weliswaar via deze redactionele voorzorgsmaatregelen in de mate van het mogelijke vermijden de niet-schikkende onderneming in het schikkingsbesluit te vernoemen, maar deze maatregelen kunnen niet leiden tot een verbod op iedere – rechtstreekse of indirecte – vermelding van deze onderneming.

73 Het oordeel van het EHRM in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310; zie punt 53 hierboven), kan immers verzoeksters stelling niet rechtvaardigen dat de Commissie op grond van haar verplichting tot onpartijdigheid en het beginsel van eerbiediging van het vermoeden van onschuld, zoals die van toepassing zijn op een administratieve procedure tot vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU, had moeten vermijden te verwijzen naar bepaalde van haar gedragingen.

74 In het arrest van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310), heeft het EHRM erkend dat in het geval van een complexe strafprocedure met meerdere medeverdachten, aparte en in de tijd gespreide processen in overeenstemming zijn met het strafrechtelijke vermoeden van onschuld, op voorwaarde althans dat de betrokken rechterlijke instantie enige voorzichtigheid aan de dag legt bij de opstelling van de eerste van de twee strafrechtelijke beslissingen, die juist nodig zijn en juist in de tijd worden gespreid om de procedure ten aanzien van een groot aantal medeverdachten beter te voeren.

75 Dat heeft de Commissie in casu jegens verzoekster mutatis mutandis gedaan bij de opstelling van het schikkingsbesluit dat aan de vier andere bij hetzelfde kartel betrokken ondernemingen is gericht, zoals volgt uit de vaststellingen in de punten 63 tot en met 68 hierboven.

76 Bij de lezing van het schikkingsbesluit kan het eventueel belangstellende publiek uit de verwijzingen naar bepaalde gedragingen van Pometon in het voorlopige schikkingsbesluit (zie punt 45 hierboven) niet objectief afleiden dat die onderneming definitief schuldig is bevonden, omdat dit besluit op ondubbelzinnige wijze benadrukt dat het uitsluitend is bestemd voor de vier andere ondernemingen die een schikking hebben willen sluiten voor hun inbreuk, en dat het dossier over Pometon later zal worden behandeld in een afzonderlijke procedure op tegenspraak.

77 Op basis van de voorgaande overwegingen hoeft dan volledigheidshalve alleen nog te worden onderzocht of de verwijzingen naar de naam en bepaalde gedragingen van verzoekster in de „beschrijving van de gebeurtenissen” van het schikkingsbesluit daadwerkelijk konden worden beschouwd als noodzakelijk voor een zo volledig mogelijke beschrijving van de feiten die aan het betreffende kartel ten grondslag liggen.

78 In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat, wanneer meerdere partijen bij hetzelfde kartel betrokken zijn, een dergelijk onderzoek niet alleen moet worden verricht in het licht van de feitelijke en juridische context waarin de vier ondernemingen waaraan het schikkingsbesluit is gericht, zich bevinden, maar ook in het ruimere kader van een onderzoeksprocedure die hybride is geworden en derhalve onvermijdelijk ook de situatie van verzoekster moet omvatten als partij bij de vermeende inbreuk, ten aanzien waarvan de Commissie immers op 16 januari 2013 het besluit tot inleiding van het onderzoek naar het kartel inzake staalgrit heeft vastgesteld (zie punt 7 hierboven).

79 Gelet op de continuïteit van het optreden van de Commissie tussen de schikkingsprocedure die in casu ten aanzien van de vier andere ondernemingen is doorgevoerd, en de gewone procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het bestreden besluit tegen verzoekster (zie punt 64 hierboven), kunnen de litigieuze verwijzingen naar bepaalde gedragingen van verzoekster in het schikkingsbesluit objectief nuttig blijken voor de beschrijving van de oorsprong van het kartel in zijn geheel.

80 Om te beoordelen of de Commissie in casu haar verplichting tot onpartijdigheid is nagekomen tijdens de hele hybride procedure, moet worden uitgegaan van de uitleggingscriteria die het EHRM heeft ontwikkeld in het arrest van 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland (CE:ECHR:2014:0227JUD001710310), zoals de partijen overigens doen. Deze criteria kunnen hier uiteraard slechts mutatis mutandis in aanmerking worden genomen, omdat deze parameters in de zaak Karaman betrekking hadden op een in tijd gespreide procedure die van uitsluitend strafrechtelijke aard was (zie punt 74 hierboven), hetgeen niet het geval is voor de hybride administratieve procedure die in casu is gevoerd.

81 Wat ten eerste de door de Commissie in het schikkingsbesluit getroffen voorzorgsmaatregelen betreft, moet nogmaals worden opgemerkt dat de door verzoekster betwiste verwijzingen, die uitsluitend voorkomen in punt 4 van het schikkingsbesluit, met als opschrift „Beschrijving van de gebeurtenissen”, geen enkele juridische kwalificatie van het gedrag van deze onderneming bevatten.

82 Voorts wijst de Commissie in punt 2 van het schikkingsbesluit, meer bepaald in punt 2.25, meteen na de opsomming in punt 1 van de vier ondernemingen tot wie het schikkingsbesluit is gericht, verzoekster uitdrukkelijk aan als onderneming die het voorwerp uitmaakt van de onderzoeksprocedure die is ingeleid tegen de leden van het betreffende kartel, en niet als partij bij de schikkingsprocedure. Om elk risico op dubbelzinnigheid te mijden, merkt de Commissie overigens opnieuw op dat verzoekster geen adressaat is van dit besluit.

83 Zoals reeds is opgemerkt in de punten 64 en 65 hierboven, preciseert de Commissie in voetnoot 4 van het schikkingsbesluit dat zij zich baseert op de feiten die de vier schikkende ondernemingen hebben toegegeven en dat de verwijzingen naar het gedrag van Pometon alleen ertoe strekken de aansprakelijkheid van deze vier ondernemingen voor de inbreuk vast te stellen, aangezien de procedure tegen Pometon nog moet worden voortgezet.

84 Hieruit volgt dat de Commissie op basis van deze verwijzingen naar Pometon objectief gezien niet ervan kan worden verdacht, reeds in het stadium van het schikkingsbesluit dat tot de vier andere bij het betreffende kartel betrokken ondernemingen is gericht, bewust te zijn vooruitgelopen op de vraag naar de schuld en de aansprakelijkheid van deze onderneming in het kader van dit kartel.

85 Wat ten tweede de vraag betreft of de verwijzingen in het schikkingsbesluit naar verzoeksters gedrag noodzakelijk waren om de aansprakelijkheid van de adressaten van dit besluit vast te stellen, moet om te beginnen de vergelijking van de hand worden gewezen die verzoekster heeft gemaakt met het schikkingsbesluit van de Commissie in de zaak die heeft geleid tot haar besluit C(2014) 4227 final, waarin een van de aan het kartel deelnemende ondernemingen ook van een schikking had afgezien (zie punt 40 hierboven).

86 De omstandigheden in deze twee zaken zijn immers niet dezelfde. In elk geval maakt verzoekster niet aannemelijk dat het kartel dat in casu aan de orde is gelijkt op het kartel in die zaak.

87 Vervolgens zij eraan herinnerd dat de bewoordingen van overweging 38 van het schikkingsbesluit, volgens welke uit de verwijzingen naar verzoeksters situatie in de voorgaande overwegingen „blijkt dat de contacten tussen Winoa, Ervin en Pometon zich vanaf oktober 2003” – het begin van de inbreuk – „tot een gedragspatroon hebben ontwikkeld”, niet betekenen dat de Commissie in dit stadium van de motivering van het schikkingsbesluit reeds alle feitelijke en juridische omstandigheden had vastgesteld die bewijzen dat Pometon zich, net zoals de vier andere ondernemingen die hun schuld hadden toegegeven, schuldig had gemaakt aan deelneming aan de betreffende inbreuk (zie punten 66 en 67 hierboven).

88 Wat voorts overweging 37 van het schikkingsbesluit betreft, dat betrekking heeft op de geografische reikwijdte van de mededingingsregeling, die voor de vijf betrokken ondernemingen de hele EER bestrijkt, moet worden opgemerkt dat het noodzakelijk was de territoriale reikwijdte van het kartel in zijn geheel te preciseren, aangezien de Commissie heeft aangenomen dat er één enkele voortdurende inbreuk bestond (zie punt 259 hierna).

89 Ten slotte dient te worden opgemerkt dat overweging 31 van het schikkingsbesluit, die luidt dat „[d]e contacten met Pometon zijn voortgezet tot en met 16 mei 2007, de datum waarop Pometon haar staalgritactiviteit heeft verkocht aan Winoa en de markt heeft verlaten”, niet ertoe strekt te concluderen dat verzoekster aansprakelijk is voor de betreffende inbreuk, maar wel te preciseren hoe het kartel, waaraan de vier adressaten van het schikkingsbesluit – zoals ze zelf hebben toegegeven – hebben deelgenomen, in de tijd is geëvolueerd, juist omdat Winoa op die datum de activiteit van Pometon heeft gekocht (overwegingen 32‑35 van het schikkingsbesluit).

90 Verzoekster kan dus, gelet op de in casu toepasselijke bepalingen, die hierboven in de punten 57 tot en met 60 in herinnering zijn gebracht en waarvan verzoekster de wettigheid niet heeft betwist, de Commissie niet met succes verwijten dat zij, door in het schikkingsbesluit bepaalde van haar gedragingen te vermelden die in verband staan met die van de vier andere betrokken ondernemingen, haar fundamentele plicht tot onpartijdigheid bij de latere behandeling van haar nog aanhangige dossier over staalgrit niet is nagekomen, noch dat zij het vermoeden van onschuld van verzoekster als onderneming die ervoor heeft gekozen de schikkingsprocedure niet te volgen – terwijl de vier andere concurrerende ondernemingen daarmee wel hadden ingestemd – heeft geschonden.

91 Verzoekster betoogt niettemin dat de schending van het vermoeden van onschuld in casu voortvloeit uit het feit dat de twee procedures inzake het staalgritkartel waarbij zij betrokken was, namelijk de schikkingsprocedure en de daaropvolgende contradictoire procedure, niet tegelijkertijd hebben plaatsgevonden, zodat de Commissie in het schikkingsbesluit alle verwijzingen naar haar specifieke situatie had moeten weglaten (zie punten 7, 10 en 11 hierboven).

92 Het spreekt inderdaad vanzelf dat in casu het feit dat vier van de vijf bij het betreffende kartel betrokken ondernemingen hun schuld hebben toegegeven, een omstandigheid is die onvermijdelijk een sterke invloed kan hebben op de feiten in verband met de deelneming van de vijfde onderneming die ervan wordt verdacht bij datzelfde kartel betrokken te zijn geweest, namelijk Pometon.

93 Wanneer echter een onderneming vrij kiest voor de hybride procedure in plaats van bij de Commissie een verklaring met het oog op een schikking in te dienen, kan zij niet op grond van het beginsel van het vermoeden van onschuld verlangen dat de Commissie, als autoriteit belast met de naleving van de mededingingsregels, bepaalde feiten in het schikkingsbesluit die de andere – schikkende – ondernemingen hebben toegegeven en die relevant zijn om het bestaan van dit kartel in zijn geheel te beoordelen, ook al verwijzen zij naar gedragingen van verzoekster, die de schikkingsprocedure niet heeft gevolgd, volledig buiten beschouwing laat.

94 Het argument van de Commissie dat de stelling van verzoekster nagenoeg erop neerkomt dat de ondernemingen die zich uit een schikkingsprocedure terugtrekken, een soort van „immuniteit tegen geldboeten” genieten, kan evenmin worden aanvaard.

95 De dienaangaande door verzoekster aangevoerde rechtsvraag is immers niet erop gericht de bevoegdheid van de Commissie te betwisten om haar een geldboete op te leggen, maar betreft de nakoming van haar plicht tot onpartijdigheid bij de behandeling van haar dossier over staalgrit en bijgevolg ook de eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld in het kader van een in de tijd gespreide hybride procedure.

96 Het recht van een onderneming om zich uit een schikkingsprocedure terug te trekken impliceert echter niet dat zij ook aanspraak kan maken op een onweerlegbaar vermoeden van onschuld, dat wil zeggen een vermoeden dat niet kan worden weerlegd door het bewijs van het tegendeel, dat in casu juist in het kader van een contradictoire procedure ten aanzien van de betrokken onderneming door de Commissie moet worden geleverd.

97 Hoewel een dergelijke procedure hybride is en in de tijd is gespreid, stelt zij dus niettemin de Commissie in staat haar controlerende en bestraffende taak naar behoren te vervullen voor alle gedragingen die de mededinging binnen de eenheidsmarkt kunnen verhinderen, beperken of vervalsen (artikel 101, lid 1, VWEU), en stelt zij tegelijk de betrokken ondernemingen in staat om ten volle hun rechten van verdediging uit te oefenen in het kader van een rechtstreekse confrontatie op tegenspraak met de Commissie.

98 Verzoekster stelt overigens niet dat een dergelijke spreiding in de tijd bij de toepassing van deze twee procedures als zodanig in strijd is met de relevante bepalingen van de toepasselijke verordeningen ter zake, noch met die van artikel 41 van het Handvest over de verplichting tot onpartijdigheid van de instellingen van de Unie. Zij is daarentegen van mening dat in casu een dergelijk tijdsverloop tussen het schikkingsbesluit en het bestreden besluit in strijd is met het vermoeden van onschuld dat zij moet genieten totdat haar schuld in rechte is komen vast te staan.

99 In dit verband moet evenwel worden opgemerkt dat het besluit om een contradictoire procedure in te leiden jegens een onderneming die zich heeft teruggetrokken uit een schikkingsprocedure, de Commissie niet ertoe dwingt de vaststelling van „passende” maatregelen „om [...] een eind te maken” aan het betreffende kartel, te vertragen of op te schorten (artikel 105 VWEU), met name de vaststelling van maatregelen met betrekking tot de andere ondernemingen die hun aansprakelijkheid hebben toegegeven en daartoe een definitieve verklaring met het oog op een schikking hebben ingediend. De vaststelling van een schikkingsbesluit, wanneer alle omstandigheden rechtens dit toestaan, beantwoordt in feite aan het algemene en hogere belang van bescherming van de mededinging ten voordele van de consumenten. Zoals ook in overweging 3 van verordening (EG) nr. 2015/1348 van de Commissie van 3 augustus 2015 tot wijziging van verordening nr. 773/2004 (PB 2015, L 208, blz. 3) wordt verklaard, „[wegen de] belangen van consumenten dat geheime kartels worden opgespoord en bestraft, [...] immers zwaarder dan het belang dat aan ondernemingen die de Commissie in staat hebben gesteld deze praktijken op te sporen en te verbieden, boeten worden opgelegd [...]”.

100 Zo verplicht ten eerste geen enkele in casu toepasselijke bepaling van het Unierecht de Commissie om het schikkingsbesluit op hetzelfde ogenblik vast te stellen als het inbreuk‑ en sanctiebesluit tegen een onderneming die zich uit de schikkingsprocedure heeft teruggetrokken of die zelfs vanaf het begin heeft geweigerd om aan een dergelijke procedure deel te nemen. In deze context volgt een mogelijk tijdsverschil uitdrukkelijk uit punt 19 van de mededeling betreffende schikkingsprocedures, dat het volgende preciseert: „Ingeval de partijen geen verklaring met het oog op een schikking indienen, verloopt de procedure die resulteert in de eindbeschikking ten aanzien van hen volgens de algemene bepalingen, en met name artikel 10, lid 2, artikel 12, lid 1 en artikel 15, lid 1, van verordening (EG) nr. 773/2004 – in plaats van volgens de bepalingen betreffende de schikkingsprocedure.”

101 Ten tweede kan de Commissie dus, zelfs in de bijzondere context van een in de tijd gespreide hybride procedure, krachtens de ter zake toepasselijke bepalingen van het Unierecht haar taak vervullen om op doeltreffende wijze toezicht te houden en kartels te bestraffen, op voorwaarde althans dat zij ten volle haar plicht tot onpartijdigheid nakomt en het vermoeden van onschuld eerbiedigt ten aanzien van de partij die van de schikking heeft afgezien en ervoor heeft gekozen haar dossier door deze instelling te laten behandelen in het kader van een specifieke contradictoire procedure.

102 Tijdens een dergelijke contradictoire procedure kan de betrokken onderneming immers, door zich met name te beroepen op alle haar door het Unierecht toegekende prerogatieven die verbonden zijn aan de rechten van de verdediging, alle door de Commissie tegen haar aangevoerde bewijzen à charge betwisten en tegelijkertijd alle argumenten aanvoeren die nuttig zijn voor haar verdediging.

103 Om al deze redenen moet worden vastgesteld dat de litigieuze verklaringen betreffende verzoekster in het schikkingsbesluit zowel door de redactionele voorzorgsmaatregelen van de Commissie bij de vaststelling van dit besluit als door de wezenlijke inhoud ervan niet kunnen worden beschouwd als een aanwijzing dat deze instelling zich partijdig heeft opgesteld jegens verzoekster en dus het vermoeden van haar onschuld in het bestreden besluit heeft geschonden.

104 Om al deze redenen moet het eerste middel worden afgewezen.

B. Tweede middel: schending van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, ontoereikende en tegenstrijdige motivering en schending van de rechten van de verdediging en de regels inzake de bewijslast, doordat de Commissie verzoekster heeft verweten aan het kartel te hebben deelgenomen

105 Dit middel bestaat uit drie onderdelen. In het kader van de eerste twee onderdelen betwist verzoekster haar deelneming aan de vermeende mededelingsregeling met betrekking tot de berekeningswijze van de schroottoeslag (eerste onderdeel van de mededelingsregeling) en de coördinatie ten opzichte van de individuele afnemers (tweede onderdeel van de mededelingsregeling). In het kader van het derde onderdeel van dit middel betoogt zij dat zij niet heeft deelgenomen aan een enkele voortdurende inbreuk. Ter ondersteuning van deze drie onderdelen voert verzoekster in wezen aan dat de bewijzen waarop de Commissie zich in het bestreden besluit baseert, ontoereikend zijn, omdat zij onnauwkeurig, incoherent en tegenstrijdig zijn.

106 Voordat elk van de drie onderdelen van het onderhavige middel wordt onderzocht, moet vooraf worden herinnerd aan de regels betreffende de bewijslast en de bewijsvoering.

1. Voorafgaande opmerkingen betreffende de bewijslast en de bewijsvoering

107 Artikel 2 van verordening nr. 1/2003 bepaalt uitdrukkelijk dat „de partij of autoriteit die beweert dat een inbreuk op artikel [101, lid 1, of artikel 102 VWEU] is gepleegd, de bewijslast van die inbreuk [dient] te dragen”. Derhalve staat het aan de Commissie om de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk rechtens genoegzaam aan te tonen (zie in die zin arrest van 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

108 Overeenkomstig het beginsel van het vermoeden van onschuld dient het bestaan van twijfel bij de rechter, wanneer hij dient te beoordelen of de Commissie de schuld van een onderneming inzake een inbreuk op artikel 101 VWEU rechtens genoegzaam heeft bewezen, dus in het voordeel te spelen van de onderneming die adressaat is van het besluit waarbij een dergelijke inbreuk is vastgesteld (zie in die zin arrest van 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

109 Derhalve is het in deze context noodzakelijk dat de Commissie een geheel van nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen aandraagt op grond waarvan kan worden aangenomen dat de betreffende inbreuk en sanctie wettig zijn vastgesteld, namelijk met eerbiediging van de toepasselijke rechtsregels en met name de rechten van de verdediging. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, kan hier aanspraak op maken. Niettemin hoeft niet elk door de Commissie aangedragen bewijs noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het volstaat dat het door deze instelling aangevoerde samenstel van aanwijzingen, in zijn geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie in die zin arresten van 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 52, en 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punten 96 en 97).

110 Aangezien het verbod om aan mededingingsverstorende gedragingen en overeenkomsten deel te nemen en de sancties die overtreders kunnen worden opgelegd, algemeen bekend zijn, is het namelijk gebruikelijk dat de kartelactiviteiten almaar vaker clandestien worden verricht, dat de bijeenkomsten tussen de vertegenwoordigers van de ondernemingen in het geheim worden gehouden, meestal in een derde staat, en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt, juist om te voorkomen dat het kartel wordt opgespoord en terecht strenge sancties te ontlopen.

111 Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden onrechtmatig overleg tussen de betrokken marktdeelnemers blijkt, zoals verslagen van een bijeenkomst, zullen deze stukken dus doorgaans slechts fragmentarisch en schaars zijn, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, gevoegde zakenC‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punten 55 en 56, en 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 50).

112 In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arresten van 17 september 2015, Total Marketing Services/Commissie, C‑634/13 P, EU:C:2015:614, punt 26, en 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 51).

113 Aangezien het steeds moeilijker wordt om deze mededingingsverstorende gedragingen te doorgronden, kan de Commissie met name rekening houden met vastgestelde feiten die buiten de inbreukperiode hebben plaatsgevonden, indien deze deel uitmaken van de verzameling aanwijzingen die zij aanvoert om de inbreuk aan te tonen. Zij kan zich aldus beroepen op feitelijke omstandigheden die dateren van vóór een mededingingsverstorende gedraging, om de inhoud van een objectief bewijselement te bevestigen (zie in die zin arrest van 2 februari 2012, Denki Kagaku Kogyo en Denka Chemicals/Commissie, T‑83/08, niet gepubliceerd, EU:T:2012:48, punt 188), of zelfs op omstandigheden die na deze gedraging hebben plaatsgevonden (arrest van 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie, T‑655/11, EU:T:2015:383, punt 178).

114 Indien de Commissie zich in het kader van de vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht op schriftelijk bewijs baseert, moeten de betrokken ondernemingen niet slechts een aannemelijk alternatief voor de opvatting van de Commissie bieden, maar bovendien aantonen dat de bewijzen waarop zij zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd om de vermeende inbreuk vast te stellen, ontoereikend zijn (zie arrest van 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie, T‑655/11, EU:T:2015:383, punt 181 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

115 Wat de bewijsmiddelen betreft die kunnen worden aangevoerd om een inbreuk op artikel 101 VWEU te bewijzen, primeert in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering, waaruit ten eerste volgt dat, wanneer bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen, de ontvankelijkheid ervan niet voor het Gerecht kan worden betwist en ten tweede dat het enige relevante criterium ter beoordeling van de bewijskracht van het rechtmatig aangevoerde bewijs de geloofwaardigheid ervan is (arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, C‑239/11 P, gevoegde zaken C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punt 128).

116 Volgens de algemeen toepasselijke bewijsregels hangt de geloofwaardigheid en derhalve de bewijswaarde van een document af van de oorsprong ervan, de omstandigheden waarin het is opgesteld en degene tot wie het gericht is alsook van de vraag of de inhoud ervan zinnig en betrouwbaar is.

117 Aldus moet groot belang worden gehecht aan het feit dat een document in rechtstreeks verband met de feiten of door een rechtstreekse getuige van die feiten is opgesteld. Dat is in het bijzonder het geval voor documenten die rechtstreeks verband houden met bijeenkomsten waarop de planning of de uitvoering van het kartel is besproken en die duidelijk zijn opgesteld zonder dat daarbij ooit de gedachte opkwam dat zij in handen van derden zouden komen (zie in die zin arresten van 27 september 2012, Shell Petroleum e.a./Commissie, T‑343/06, EU:T:2012:478, punt 207, en 15 december 2016, Philips en Philips France/Commissie, T‑762/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:738, punt 109).

118 Vanuit die optiek kunnen de verklaringen van andere beschuldigde ondernemingen significant zijn om het bestaan van een kartel vast te stellen. In het bijzonder hebben de verklaringen in het kader van een verzoek tot toepassing van de clementieregeling van de Commissie (zie overweging 3 van verordening nr. 2015/1348, aangehaald in punt 99 hierboven) een grote bewijskracht (zie in die zin arresten van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, gevoegde zakenT‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, EU:T:2004:221, punten 205, 211 en 212, en 20 mei 2015, Timab Industries en CFPR/Commissie, T‑456/10, EU:T:2015:296, punt 115). Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van een clementieverzoeker, waardoor hij het risico loopt geen profijt uit deze medewerking te halen (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, gevoegde zaken C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punt 138).

119 De verklaring van een onderneming die van deelname aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan echter niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat door hen een inbreuk is gepleegd, tenzij zij door ander bewijs wordt gestaafd, al kan de mate waarin nader bewijs vereist is, geringer zijn naargelang van de geloofwaardigheid van deze verklaringen (arresten van 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie, gevoegde zaken C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:866, punt 135, en 26 januari 2017, Commissie/Keramag Keramische Werke e.a., C‑613/13 P, EU:C:2017:49, punt 28).

120 Om het door de Commissie aangevoerde bewijs van de inbreuk in aanmerking te kunnen nemen, is uiteindelijk niet vereist dat elk door deze instelling overgelegd element noodzakelijkerwijs nauwkeurig is en op zich een zelfstandig bewijs van de inbreuk vormt, maar volstaat het dat het accusatoire kader in zijn geheel en de verzameling van de door de Commissie aangedragen aanwijzingen en elementen, in hun geheel beschouwd, beantwoorden aan de fundamentele vereisten inzake het bewijs van de schuld, zodat de Unierechter die vervolgens eventueel wordt aangezocht om het inbreukbesluit te toetsen, kan oordelen dat deze schuld in rechte is komen vast te staan (zie punt 109 hierboven).

2. Eerste onderdeel van het tweede middel: verzoekster heeft niet deelgenomen aan het eerste onderdeel van het kartel, dat betrekking had op de berekeningswijze van de „schroottoeslag”

a) Argumenten van partijen

121 Verzoekster stelt dat de conclusie van de Commissie dat zij heeft deelgenomen aan de mededingingsregeling met betrekking tot de berekeningswijze van de schroottoeslag, onjuist is en op geen enkel bewijs berust. Zij voert aan dat de schroottoeslag niet automatisch kon worden toegepast, maar dat daarvoor regelmatig informatie tussen de betrokken ondernemingen moest worden uitgewisseld en bijeenkomsten en diverse contacten moesten plaatsvinden, die de essentie zelf van het kartel vormden.

122 Dienaangaande stelt verzoekster in de eerste plaats dat het niet voldoende was dat elke producent de prijsindexen van schroot raadpleegde, namelijk de CAEF 225-index voor Italië en de Eurofer-index voor de andere EER-landen, en vervolgens autonoom het bedrag van de schroottoeslag berekende aan de hand van de voorheen afgesproken formule. Uit de vaststellingen van de Commissie in het bestreden besluit (overwegingen 40, 121, 124 en 125) volgt daarentegen dat de producenten voor de berekening van de schroottoeslag de informatie moesten ontvangen die Winoa elke maand per e‑mail aan alle kartelleden moest verzenden (hierna: „spreadsheet”) of anders de website van Winoa moesten raadplegen, waarop Winoa vanaf mei 2004 de informatie over de schroottoeslag publiceerde, welke publicatie zij ook ter kennis bracht van de andere partijen.

123 Verzoekster heeft naar eigen zeggen sowieso van Winoa nooit de spreadsheets, noch de kennisgeving van de publicatie betreffende de schroottoeslag op haar website ontvangen. Zij betwist bovendien dat een dergelijke publicatie de verzending van de spreadsheets kon vervangen (overweging 127 van het bestreden besluit).

124 Wat in de tweede plaats de deelname aan sommige bijeenkomsten betreft, voert verzoekster aan dat zij slechts twee van de 27 bijeenkomsten van de andere betrokken ondernemingen heeft bijgewoond die in de periode tot 16 mei 2007 hebben plaatsgevonden, de eerste op 28 september 2004 en de tweede op 9 juni 2005 (overweging 69 van het bestreden besluit).

125 In het bijzonder heeft geen enkele bijeenkomst plaatsgevonden op 16 mei 2007. De in de overwegingen 52 tot en met 56 van het bestreden besluit vermelde ontmoeting in Milaan (Italië) heeft in werkelijkheid plaatsgevonden op 17 mei 2017, te weten de dag na de datum waarop verzoekster haar activiteit in de staalgritsector had verkocht aan Winoa en aldus deze markt definitief had verlaten (overwegingen 11, 129 en 166 van het bestreden besluit).

126 Wat in de derde plaats de andere contacten betreft, betoogt verzoekster dat uit de in het bestreden besluit aangevoerde documenten (overwegingen 48‑55) niet blijkt dat haar contacten met de andere deelnemers aan het kartel konden bewijzen dat zij in 2004 en daarna de in oktober 2003 overeengekomen schroottoeslag is blijven toepassen.

127 De Commissie heeft de feiten dus verdraaid en niet bewezen dat verzoekster betrokken was bij heimelijke contacten.

128 De Commissie is het met deze argumenten niet eens.

b) Beoordeling door het Gerecht

1) Aanvankelijke rol van verzoekster bij de invoering van de schroottoeslag in 2003

129 Verzoekster trekt niet in twijfel dat zij aanvankelijk, vanaf 3 oktober 2003, aansprakelijk was voor het eerste onderdeel van het kartel. Zij heeft deze aansprakelijkheid overigens evenmin betwist in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar van 3 december 2004 (overwegingen 114 en 160 van het bestreden besluit). Het staat dus vast dat verzoekster niet alleen de overeenkomst over de berekeningswijze van de schroottoeslag met Winoa en Ervin heeft gesloten op de bijeenkomst van de vertegenwoordigers van deze drie ondernemingen die op 3 oktober 2003 in een restaurant aan het Gardameer (Italië) heeft plaatsgevonden, maar in 2003 ook een belangrijke rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van deze bijeenkomst en bij de keuze van het nieuwe eenvormige berekeningssysteem.

130 Bovendien blijkt uit de dossierstukken dat verzoekster na de sluiting van de overeenkomst van 3 oktober 2003 betrokken was bij de coördinatie en de effectieve uitvoering van het nieuwe systeem voor de berekening van de schroottoeslag. Deze betrokkenheid blijkt namelijk uit een reeks e‑mails die zij in oktober 2003 met Winoa heeft uitgewisseld (overwegingen 42‑45 van het bestreden besluit) en die zij niet heeft betwist, alsook uit de e‑mail van 1 december 2003 van de „general manager” van Pometon Deutschland aan de algemeen directeur van verzoekster (overweging 46). Dit document in het bijzonder toont duidelijk aan dat verzoekster haar Duitse dochteronderneming heeft verzocht de schroottoeslag toe te passen, een instructie die volledig in overeenstemming is met de strategie van het betreffende kartel. Ten slotte blijkt uit de interne e‑mail van Winoa van 9 december 2003 dat de invoering van deze toeslag door de Spaanse dochterondernemingen van Winoa en verzoekster ook onderling is afgestemd tussen deze ondernemingen (overweging 47 van het bestreden besluit).

131 Deze feiten worden evenmin betwist.

2) Automatische toepassing van de schroottoeslag na 1 februari 2004

132 De eenvormige formule voor de berekening van de schroottoeslag, zoals die was overeengekomen op de bijeenkomst van 3 oktober 2003 en volgens de Commissie door alle kartelleden was toegepast vanaf februari 2004, is beschreven in overweging 37 van het bestreden besluit.

133 Deze formule was voor de hele EER, behalve de Italiaanse markt, gebaseerd op de Eurofer-index van de schrootprijs. Deze index werd tot 2 maart 2016 maandelijks gepubliceerd op de website van Eurofer, de Europese vereniging van ijzer‑ en staalproducenten. Hij werd berekend aan de hand van de gemiddelde prijs in euro per ton op basis van de vraag‑ en aanbodprijzen van de belangrijkste marktdeelnemers uit Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk (overweging 7 van het bestreden besluit).

134 Voor Italië, waar de schrootprijzen aanzienlijk hoger lagen dan in de meeste andere Europese landen, was deze formule gebaseerd op de CAEF 225-index, te weten een nationale index opgesteld door de kamer van koophandel van Milaan en gepubliceerd op de website van Assofermet, de Italiaanse vereniging van ondernemingen die actief zijn in de sector van staalproducten.

135 Anders dan de Eurofer-index, was de CAEF 225-index geen maandelijkse waarde, te weten één enkele indicator, maar wel een bandbreedte van minimum‑ en maximumprijzen, die Assofermet tweewekelijks publiceerde (overwegingen 37 en 126 van het bestreden besluit).

136 Op basis van deze gegevens werd de schroottoeslag volgens de bepalingen van de overeenkomst berekend door aftrekking van het cijfer 68 van de Eurofer-index en het cijfer 62 van de CAEF 225-index als „compensatie”. Om de voor de afnemers toepasselijke basisprijs van staalgrit te verkrijgen, werd het aldus berekende bedrag opgeteld bij de andere kosten, met name de effectieve aankoopprijs van het schroot.

137 Verzoekster betwist deze berekeningswijze niet in haar memories, maar stelt dat de betrokken producenten de schroottoeslag niet automatisch, enkel op basis van deze twee indexen, konden toepassen.

138 Om deze toeslag toe te passen, moest elke producent volgens verzoekster elke maand de spreadsheet ontvangen, namelijk de maandelijkse e‑mail over de schroottoeslag die Winoa tot medio 2007 verstuurde naar de kartelleden, of vanaf mei 2004 de op de website van Winoa gepubliceerde informatie over de schroottoeslag raadplegen.

139 In antwoord op een vraag van het Gerecht heeft verzoekster ter terechtzitting betoogd dat het in het bijzonder in Italië heel moeilijk was om zonder de gegevens van de spreadsheets de schroottoeslag toe te passen, want de CAEF 225-index bestond in een bandbreedte die om de twee weken werd gepubliceerd. Dit komt in concreto neer op vier indicatoren per maand (zie punt 135 hierboven). Ter terechtzitting heeft verzoekster dienaangaande ook gepreciseerd dat Winoa deze vier indicatoren verwerkte tot één bedrag in de spreadsheets, die overigens niet alleen dat ene bedrag maar ook het werkelijke bedrag van de schroottoeslag vermeldden.

140 Volgens verzoekster is de stelling van de Commissie dat zij aan dit eerste onderdeel van de mededingingsregeling heeft deelgenomen dus onjuist en is er daarvoor geen enkel toereikend bewijs, aangezien zij nooit de maandelijkse spreadsheets heeft ontvangen, die volgens haar noodzakelijk waren om dat onderdeel van de mededingingsregeling uit te voeren, en zelfs niet de e‑mail van Winoa waarin de andere kartelleden op de hoogte werden gebracht van het feit dat de informatie over de schroottoeslag vanaf mei 2004 op haar website werd gepubliceerd en de link naar die website werd vermeld (zie punt 122 hierboven).

141 Deze argumenten van verzoekster, waarmee zij in wezen betoogt dat het in de praktijk onhaalbaar of zelfs onmogelijk was om de overeenkomst over de schroottoeslag automatisch toe te passen, met name in Italië, kunnen niet worden aanvaard.

142 Wat allereerst de toepassing van de overeenkomst over de schroottoeslag in Italië betreft, moet worden opgemerkt dat, aangezien verzoekster niet betwist dat zij heeft meegewerkt aan de ontwikkeling en de invoering van deze overeenkomst, het onwaarschijnlijk is dat Pometon, die in wezen een van de architecten van het kartel is geweest, bij de effectieve uitvoering van dit mededingingsverstorende actieplan redelijkerwijs kon afzien van de toepassing van deze toeslag, zonder dat dit enige reactie van haar kartelpartners uitlokte, op de enkele grond dat zij over onvoldoende informatie van Winoa beschikte. Deze toeslag was immers bedacht door Pometon en overeengekomen met de andere betrokken ondernemingen, juist om automatisch en zelfstandig door elke kartelpartij te worden toegepast, ook op de Italiaanse markt, waarop in de eerste plaats Pometon actief is.

143 In dat verband blijkt uitdrukkelijk uit de door de Commissie overgelegde bewijsstukken, zoals de e‑mail van 5 september 2003 van de algemeen directeur van verzoekster aan Winoa, dat het systeem van de schroottoeslag de facto was bestemd om automatisch te worden toegepast en dat de indexen waarop dit systeem was gebaseerd, overigens juist om die reden waren gekozen. Dit bevestigt dat de toezending van maandelijkse informatie aan de kartelleden niet absoluut noodzakelijk was voor de toepassing van de schroottoeslag.

144 Wat vervolgens de berekening zelf van de schroottoeslag in Italië betreft, kan evenmin verzoeksters argument worden aanvaard dat zij het bedrag van die toeslag bijna onmogelijk kon berekenen, omdat zij de door Winoa opgestelde spreadsheet niet had ontvangen (zie punt 139 hierboven). Uit de door verzoekster ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht aangevoerde interne e‑mails van Winoa van 31 mei 2007 blijkt immers overduidelijk dat de werknemers van Winoa alleen maar de door de kamer van koophandel van Milaan twee keer per maand vastgestelde bandbreedte bij deze instelling hoefden op te vragen en het gemiddelde van deze vier bedragen hoefden uit te rekenen om te bepalen welk niveau van de CAEF 225-index in aanmerking moest worden genomen bij de berekening van deze toeslag. Onbetwist is dat deze werkwijze niet is veranderd sinds de overeenkomst van 3 oktober 2003 over het nieuwe systeem voor de berekening van de betreffende schroottoeslag (zie punt 129 hierboven). Bijgevolg is er geen enkele reden om aan te nemen dat de andere kartelpartijen niet in staat waren om in voorkomend geval deze berekening uit te voeren.

145 Ten slotte blijkt uit de door de Commissie in overweging 125 van het bestreden besluit aangevoerde en door de partijen overgelegde documenten dat Winoa reeds vóór de invoering van het nieuwe systeem voor de berekening van de schroottoeslag verzoekster elke maand een spreadsheet bezorgde met de oude index waarop de schroottoeslag was gebaseerd, alsook het bedrag van deze toeslag. Dat blijkt namelijk uit de door de algemeen directeur van verzoekster aan Winoa toegezonden fax van 14 februari 2003 en uit een aantal van deze bij het dossier van de Commissie gevoegde spreadsheets. Gelet op de betrokkenheid van verzoekster bij de invoering van het nieuwe systeem (zie punten 129 en 130 hierboven) is het weinig waarschijnlijk dat Winoa verzoekster vanaf 1 februari 2004 geen spreadsheets meer zou hebben verzonden, terwijl was overeengekomen dat zij de kartelleden maandelijks over de schroottoeslag zou inlichten (overweging 38 van het bestreden besluit).

146 Kortom, uit al het hierboven in de punten 141 tot en met 144 onderzochte bewijsmateriaal volgt dat de automatische toepassing van het eerste onderdeel van de mededingingsregeling niet in twijfel kan worden getrokken op de enkele grond dat de invoering van de berekeningswijze van de schroottoeslag gepaard ging met de invoering van een systeem waarbij maandelijks informatie werd verstrekt door Winoa of waarbij deze zelfs de coördinatie op zich nam.

147 Om al deze redenen heeft de Commissie rechtens genoegzaam bewezen dat de schroottoeslag hoe dan ook automatisch van toepassing was, waardoor verzoeksters stelling dat schriftelijk bewijs ontbreekt dat Winoa Pometon spreadsheets heeft toegezonden tijdens de periode van haar deelname aan de inbreuk, geen twijfels kan doen rijzen over het feit dat deze onderneming na 1 februari 2004 bij het eerste onderdeel van het kartel betrokken was.

3) Contacten tussen verzoekster en de andere deelnemers aan het kartel vanaf 2004

148 Gelet op de automatische toepassing van de schroottoeslag kan verzoeksters betoog dat Pometon aan bijeenkomsten diende deel te nemen en andere contacten diende te onderhouden om vanaf 2004 het eerste onderdeel van de mededingingsregeling te kunnen uitvoeren, evenmin slagen.

149 Wat ten eerste de bijeenkomsten betreft, betwist verzoekster de stelling van de Commissie in overweging 111 van het bestreden besluit dat „[t]ijdens de periode na de invoering van het eenvormige model voor een ‚schroottoeslag’ in het najaar van 2003, en tot de herziening van de ‚schroottoeslag’ in de zomer van 2007 de contacten minder intens waren”, en voert zij aan dat zij volgens de Commissie slechts aanwezig was op 2 van de 27 bijeenkomsten die in de betreffende periode hebben plaatsgevonden.

150 Zelfs indien de andere kartelleden of sommigen onder hen daadwerkelijk met een zekere regelmaat zijn bijeengekomen om de toepassing van de schroottoeslag op te volgen, kan, gelet op de automatische toepassing van het systeem, uit de niet-deelname van verzoekster aan dergelijke bijeenkomsten niet worden afgeleid dat zij dit systeem niet langer toepaste.

151 Wat ten tweede de andere contacten betreft, kunnen verzoeksters argumenten evenmin twijfel doen rijzen over de bewijswaarde van de elementen die de Commissie in dat verband aanvoert om haar vaststellingen over de deelname van Pometon aan het eerste onderdeel van de mededingingsregeling te ondersteunen.

152 Allereerst merkt de Commissie terecht op dat de interne e‑mail van Winoa van 24 maart 2004 over een gesprek met de algemeen directeur van Pometon España, waarnaar in overweging 48 van het bestreden besluit wordt verwezen, juist tot doel had de uitvoering van de schroottoeslag op te volgen, hetgeen aldus de deelname van Pometon aan het eerste onderdeel bevestigt. De door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat deze bespreking meer bepaald betrekking had op de naleving door Pometon van de overeenkomst over de schroottoeslag ten opzichte van een van haar afnemers in Spanje, de onderneming Acerinox, kan niets afdoen aan deze vaststelling.

153 Vervolgens hadden de in overweging 50 van het bestreden besluit aangevoerde e‑mails tussen Würth en Pometon van 16 tot en met 18 november 2005 betrekking op de uitbreiding van de toepassing van het gelaakte systeem van schroottoeslag tot leveringen van staalgrit tussen de kartelleden, zoals de Commissie opmerkt.

154 Anders dan verzoekster stelt, verwijzen deze e‑mails duidelijk naar dit systeem. In het bijzonder in zijn e‑mail van 17 november 2005 schreef de algemeen directeur van verzoekster aan Würth dat, om de verkoopprijs van staalgrit van Pometon aan Würth vast te stellen in 2006, „[d]e oplossing zou zijn de maandelijkse schroottoeslag toe te passen zoals thans het geval is op de markten”. Hij verwees aldus uitdrukkelijk naar het feit dat dit systeem door de kartelleden, ook door Pometon, werd toegepast op de betreffende markten, en hij pleitte ervoor het uit te breiden tot de leveringen tussen producenten.

155 Ten slotte blijkt het bestaan van mededingingsbeperkende contacten tussen Pometon en de andere kartelleden ook uit de interne e‑mail van Ervin van 20 maart 2007, waarnaar wordt verwezen in overweging 52 van het bestreden besluit en waarin staat dat vertegenwoordigers van Winoa en Pometon de auteur van deze e‑mail hadden verzocht deel te nemen aan een bijeenkomst in Milaan op „16/17 mei” 2007 om de toepassing van de schroottoeslag te bespreken (zie punt 301 hierna).

156 Ten derde kunnen de verwijzingen in het bestreden besluit (overwegingen 69, 95, 107, 108, 110, 113 en 143) naar de deelname van verzoekster aan bijeenkomsten of andere contacten tussen de kartelleden niet aldus worden uitgelegd dat de Commissie zelf van mening was dat dergelijke contacten noodzakelijk waren om het eerste onderdeel van de mededingingsregeling uit te voeren. Dat wordt tegengesproken door de bewijzen waaruit blijkt dat het systeem van de schroottoeslag automatisch werd toegepast.

157 Allereerst hebben de hierboven in punt 156 vermelde verwijzingen waarop verzoekster zich beroept niet uitsluitend betrekking op contacten over de toepassing van het eerste onderdeel van de mededingingsregeling vanaf 2004. Voorts bevestigen deze verwijzingen, voor zover zij betrekking hebben op het eerste onderdeel van deze regeling, geenszins dat dergelijke contacten noodzakelijk waren voor de toepassing van de schroottoeslag, maar vormen zij nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen die de bevindingen van de Commissie met betrekking tot de aansprakelijkheid van verzoekster voor dit eerste onderdeel van de mededingingsregeling ondersteunen.

158 In het bijzonder moet de conclusie van de Commissie in overweging 95 van het bestreden besluit dat „Pometon heeft deelgenomen aan mededingingsverstorende heimelijke afspraken over de prijzen van staalgrit door deel te nemen aan verschillende bijeenkomsten en andere contacten met haar concurrenten”, gelet op de eraan voorafgaande vaststellingen, aldus worden uitgelegd dat zij ook betrekking heeft op de voorbereidende contacten in 2003 voor de bijeenkomst van 3 oktober 2003. Bovendien betreft deze conclusie niet alleen de schroottoeslag, maar beide onderdelen van de mededingingsregeling. Hetzelfde geldt voor de overwegingen 107, 108, 110, 113 en 143 van het bestreden besluit. Ten slotte worden de bijeenkomsten van 28 september 2004 en 9 juni 2005 in overweging 69 van dit besluit slechts vermeld in verband met de uitvoering van het tweede onderdeel van de mededingingsregeling door verzoekster in Duitsland (zie punten 215‑218 hierna).

159 Wat het eerste onderdeel van de mededingingsregeling betreft, heeft de Commissie dus bewezen dat na de beginfase waarin het nieuwe systeem van schroottoeslag werd ingevoerd, een aantal heimelijke contacten tussen Pometon en andere kartelpartijen hebben plaatsgevonden (zie punten 153‑156 hierboven), die niet noodzakelijk waren om dit systeem te kunnen toepassen, maar erop waren gericht de toepassing ervan op te volgen.

4) Conclusie betreffende het bewijs van de deelname van verzoekster aan het eerste onderdeel van de mededingingsregeling

160 In het licht van alle voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat op grond van de door verzoekster aangedragen elementen niet kan worden geoordeeld dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft bewezen dat zij individueel aansprakelijk is voor het eerste onderdeel van de mededingingsregeling, gelet op ten eerste de automatische toepassing van de schroottoeslag (zie punt 148 hierboven) en ten tweede de door de Commissie aangevoerde beperkte maar belangrijke contacten van verzoekster met de andere kartelpartners (zie punt 160 hierboven), die aantonen dat zij niet alleen de aanzet heeft gegeven tot de invoering van dit systeem, hetgeen zij niet betwist, maar ook aan de opvolging van de toepassing ervan heeft meegewerkt. Gelet op deze vaststellingen staat onomstotelijk vast dat verzoekster aan het eerste onderdeel van de mededingingsregeling heeft deelgenomen. Hiermee wordt niet vooruitgelopen op de beoordeling van de duur van die deelname, die immers door verzoekster wordt betwist in het kader van het vierde middel van het onderhavige beroep (zie punten 289‑315 hierna).

3. Tweede onderdeel van het tweede middel: verzoekster heeft niet deelgenomen aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling bestaande in coördinatie ten opzichte van individuele afnemers

a) Argumenten van partijen

161 Verzoekster is van mening dat de reconstructie van de feiten die ten grondslag liggen aan de mededingingsregeling waarop het bestreden besluit betrekking heeft, incoherent is en in tegenspraak met de door de Commissie zelf aangedragen bewijzen, met name de verklaringen van de clementieverzoeker, die heeft opgemerkt dat er regelmatig bijeenkomsten waren, niet alleen in Duitsland maar ook in Italië, waar volgens zijn tweede verklaring „de concurrenten [...] drie tot vier keer per jaar [bijeenkwamen]”.

162 Dienaangaande merkt verzoekster in de eerste plaats op dat Pometon in geen van de verklaringen van de clementieverzoeker wordt vermeld als een van de ondernemingen die hebben deelgenomen aan het algemene systeem van coördinatie ten opzichte van individuele afnemers. Deze verklaringen maken daarentegen melding van frequente heimelijke contacten tussen de andere kartelleden, met name over het marktoptreden in de voornaamste verkoopregio’s van staalgrit in Europa, namelijk Duitsland, Italië, Spanje, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

163 De clementieverzoeker vermeldt Pometon maar eenmaal met betrekking tot de Duitse markt en deze vermelding heeft in werkelijkheid betrekking op gedragingen die zijn toe te schrijven aan Pometon Abrasives, een onderneming van de groep Winoa, of op gedragingen die niet zijn bevestigd door schriftelijke bewijzen (overweging 132 van het bestreden besluit). Voorts heeft de clementieverzoeker met betrekking tot de Italiaanse markt verklaard dat verzoekster heeft deelgenomen aan twee bijeenkomsten, op 6 juni en 4 oktober 2007, terwijl zij op die data haar activiteiten in de staalgritsector reeds had overgedragen aan Winoa.

164 Wat in de tweede plaats meer in het bijzonder de Spaanse markt betreft, benadrukt verzoekster dat de contacten die Pometon en Winoa „tot 5 april 2004” hebben onderhouden en waarnaar de Commissie verwijst in overweging 64 van het bestreden besluit, louter bilateraal waren en slechts gedurende zes maanden plaats hebben gevonden, tussen oktober 2003 en april 2004. De interne e‑mail van Winoa van 15 juli 2005, waarnaar wordt verwezen in overweging 67 van het bestreden besluit, toont aan dat er helemaal geen overeenstemming was over de verdeling van afnemers.

165 De documenten van het dossier bevestigen voorts dat er tussen Pometon en Winoa geen enkele coördinatie ten opzichte van individuele afnemers heeft plaatsgevonden. Dat blijkt uit de notulen van een bijeenkomst van 18 mei 2004, die bij een interne e‑mail van Winoa zijn gevoegd en waarin melding wordt gemaakt van „moeilijkheden om voor een aantal afnemers [de schroottoeslag] toe te passen wegens de concurrentie van Ilarduya en Pometon op de vaste prijs”, en uit de interne e‑mail van Winoa van 15 juli 2005, die is aangehaald in de overwegingen 67 en 131 van het bestreden besluit. Op deze e‑mail is hoe dan ook geen bijeenkomst met Pometon gevolgd.

166 Wat in de derde plaats de Franse en de Belgische markt betreft, merkt verzoekster op dat de Commissie in overweging 63 van het bestreden besluit verwijst naar een interne e‑mail van Winoa van 19 januari 2004 over een bespreking tussen MTS en Winoa, waarin Winoa Pometon ervan verdacht een Franse afnemer een lagere prijs te hebben aangeboden. Anders dan de Commissie beweert, bewijst dit document dat Pometon door Winoa werd beschouwd als een agressieve concurrent. Dit strookt overigens met de verklaringen van de clementieverzoeker, die Pometon geenszins vermeldt wanneer hij het heeft over de „contacten van de concurrenten betreffende Frankrijk en de Benelux”.

167 Wat in de vierde plaats de Duitse markt betreft, herinnert verzoekster eraan dat Duitsland volgens overweging 164 van het bestreden besluit het enige land was waar de contacten op gestructureerde wijze waren georganiseerd. In de periode waarin Pometon nog actief was op de staalgritmarkt (te weten tot en met 16 mei 2007) hebben veertien multilaterale en tien bilaterale bijeenkomsten plaatsgevonden. Hooguit voor één multilaterale en één bilaterale vergadering staat vast dat Pometon aanwezig was. Voorts betwist verzoekster de bewijswaarde van de tweede verklaring van de clementieverzoeker, die is aangehaald in overweging 68 van het bestreden besluit. De door deze clementieverzoeker overgelegde kostendeclaraties hebben namelijk geen betrekking op haar. Het ontvangstbewijs van hotel NodingerHof, waar de bijeenkomst van 16 november 2006 heeft plaatsgevonden, toont aan dat er op deze vergadering geen vertegenwoordigers van Pometon aanwezig waren, aangezien op dit ontvangstbewijs niet hun namen zijn vermeld, maar alleen die van de andere deelnemers. Ten slotte wordt de onbetrouwbaarheid van die verklaringen met betrekking tot de vermeende deelname van Pometon aan de bijeenkomsten met de andere concurrenten bevestigd door het feit dat verzoekster volgens die verklaringen heeft deelgenomen aan een bijeenkomst van 13 november 2017, terwijl Pometon de markt reeds zes maanden had verlaten.

168 Bovendien betwist verzoekster de schriftelijke bewijzen die de Commissie heeft aangevoerd om haar deelname aan de bijeenkomsten van 28 september 2004 en 9 juni 2005 te staven. Zij stelt met name dat er geen enkel schriftelijk bewijs bestaat van de op die bijeenkomsten besproken thema’s en dat de clementieverzoeker er zelfs geen summiere beschrijving van geeft.

169 Wat in de vijfde plaats de Italiaanse markt betreft, merkt verzoekster om te beginnen op dat zij volgens de Commissie aan geen enkele bijeenkomst met haar concurrenten heeft deelgenomen (zie punt 161 hierboven in fine). Vervolgens betoogt zij dat op basis van de vijf in de overwegingen 75 tot en met 79 van het bestreden besluit aangehaalde documenten, waarop de Commissie zich baseert, niet „met voldoende redelijke zekerheid kan worden besloten” dat zij heeft deelgenomen aan de coördinatie ten aanzien van de individuele afnemers.

170 Wat in het bijzonder het vijfde document betreft (overweging 79 van het bestreden besluit), dat e‑mails bevat die in mei 2008 zijn verstuurd tussen een werknemer van Pometon Abrasives, T., en een werknemer van MTS, stelt verzoekster dat de e‑mail van 28 mei 2008 van T. aan deze werknemer van MTS, waarin is vermeld dat, „[z]oals u perfect weet, [...] het beleid van [Pometon Abrasives] niet erin [bestaat] de prijzen te verlagen, maar integendeel ze te verhogen”, betrekking had op het beleid van deze onderneming nadat zij door Winoa was gekocht, en niet op dat van verzoekster.

171 De Commissie betwist dit gehele betoog. Zij verduidelijkt dat zij zelf heeft erkend dat de rol van Pometon in het tweede kartelonderdeel gering was en dat zij daarom het bedrag van de haar opgelegde geldboete met 10 % heeft verminderd wegens verzachtende omstandigheden.

172 De contacten die zijn bewezen waren echter belangrijk, ook al zou verzoekster slechts sporadisch heimelijke bilaterale contacten hebben gehad, die alleen betrekking hadden op sommige landen. Deze contacten tonen aan dat het kartel heeft bestaan en dat Pometon eraan heeft deelgenomen.

b) Beoordeling door het Gerecht

173 Het tweede onderdeel van het kartel betreft de coördinatie van de commerciële voorwaarden die de deelnemers ten aanzien van sommige individuele afnemers hanteerden om de prijsconcurrentie ten opzichte van deze afnemers te beperken. In wezen is de Commissie van mening dat de kartelleden – voornamelijk op bilaterale basis – de concurrentieparameters betreffende de aan hun respectieve afnemers in rekening te brengen verkoopprijzen van staalgrit bespraken, terwijl de kwaliteit, de diensten en de andere commerciële voorwaarden aan de mededinging onderworpen bleven.

174 Zo stelt de Commissie in overweging 57 van het bestreden besluit het volgende vast: „Uit de bewijzen in het dossier, in het bijzonder een aantal controledocumenten alsook andere door de clementieverzoeker overgelegde documenten, blijkt dat Pometon ook haar gedrag ten opzichte van de individuele afnemers heeft afgestemd op dat van de andere deelnemers aan de inbreuk. Naast de coördinatie van de schroottoeslag (zie bijvoorbeeld de overwegingen 35, 45, 52, 61 en 77) kwamen de deelnemers in beginsel overeen geen vaste afnemers van elkaar af te snoepen, althans niet door middel van prijsdalingen, de prijzen, met inbegrip van prijsverhogingen, te coördineren en toeslagen toe te passen wanneer de afnemers meerdere bevoorradingsbronnen hadden (overwegingen 76, 78 en 79). Hoewel de vorm en intensiteit van dit gedrag van lidstaat tot lidstaat verschilden, gold hetzelfde algemene beginsel: geen prijsconcurrentie ten opzichte van individuele afnemers aangaan.”

1) Voorafgaande opmerkingen over de strekking van het tweede onderdeel van het tweede middel

175 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de Commissie in het bestreden besluit (overwegingen 58 en 59) toegeeft dat er tussen Ervin en Winoa frequentere contacten waren om hun gedrag ten aanzien van individuele afnemers te coördineren, en dat verzoekster maar sporadisch heeft deelgenomen aan dergelijke contacten, voornamelijk wanneer een van de deelnemers zich niet hield aan dit tweede onderdeel van de mededingingsregeling of daarvan werd verdacht.

176 De Commissie is echter van mening (overwegingen 225 en 226 van het bestreden besluit) dat deze omstandigheid niet uitsluit dat Pometon heeft deelgenomen aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling en daarvoor aansprakelijk is, zij het dat haar geringere deelname aan dit onderdeel van deze regeling in aanmerking kan worden genomen als een verzachtende omstandigheid. Daarom heeft de Commissie het bedrag van de geldboete van verzoekster met 10 % verminderd, net zoals zij dat overigens in het schikkingsbesluit (overweging 103) had gedaan ten aanzien van MTS en Würth, die ook in mindere mate dan Winoa en Ervin aan het tweede onderdeel van de mededingingsregeling hebben meegewerkt.

177 Verzoekster betwist evenwel elke aansprakelijkheid voor dit tweede onderdeel van de mededingingsregeling.

178 Dienaangaande zij om te beginnen eraan herinnerd dat de rechtspraak een onderscheid maakt tussen de vaststelling dat een onderneming aansprakelijk is voor één enkele voortdurende inbreuk, in zijn geheel beschouwd, zelfs al heeft zij slechts aan een deel van de heimelijke gedragingen deelgenomen, en de omvang van haar individuele aansprakelijkheid voor de inbreuk wegens haar eigen gedragingen, dit met het oog op de berekening van het bedrag van de geldboete, die alleen kan worden opgelegd overeenkomstig het beginsel dat sancties individueel zijn.

179 Een onderneming die doelbewust aan één enkele voortdurende inbreuk heeft deelgenomen door haar eigen gedragingen, kan immers eveneens aansprakelijk worden gesteld voor gedragingen van andere ondernemingen in het kader van datzelfde kartel voor de hele duur van haar deelneming aan de inbreuk (zie punten 243‑249 hierna).

180 De omstandigheid dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij bepaalde onderdelen waaraan zij heeft deelgenomen, is dus niet relevant voor de vaststelling dat zij een inbreuk op de mededingingsregels heeft gepleegd, daar die elementen slechts in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling van de mate waarin zij aan de betreffende inbreuk heeft deelgenomen en in voorkomend geval bij de bepaling van de geldboete (arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, gevoegde zakenC‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 86, en 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 45).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in