Gerecht EU 23 juli 2025, T-84/22, ECLI:EU:T:2025:752

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)

23 juli 2025 ( *1 )

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Sector van de contante valutahandel (Forex) in G10-valuta – Besluit houdende vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst – Uitwisseling van informatie – Overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot de handel in G10-valuta – Mededingingsbeperkende strekking – Eén enkele voortdurende inbreuk – Beginsel van behoorlijk bestuur – Rechten van de verdediging – Geldboeten – Basisbedrag – Vervangende waarde voor de waarde van de verkopen – Artikel 23, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 – Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑84/22,

UBS Group AG, als rechtsopvolger van Credit Suisse Group AG, gevestigd te Zürich (Zwitserland),

UBS AG, als rechtsopvolger van Credit Suisse AG, gevestigd te Zürich,

Credit Suisse Securities (Europe) Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

vertegenwoordigd door R. Wesseling en F. Brouwer, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Boitos, C. Zois en T. Franchoo als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: K. Kowalik-Bańczyk, president, E. Buttigieg (rapporteur) en B. Ricziová, rechters,

griffier: I. Kurme, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 7 maart 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters, UBS Group AG, als rechtsopvolger van Credit Suisse Group AG, UBS AG (hierna: „UBS”), als rechtsopvolger van Credit Suisse AG, en Credit Suisse Securities (Europe) Ltd, nietigverklaring van besluit C(2021) 8612 final van de Commissie van 2 december 2021 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst [zaak AT.40135 – FOREX (Sterling Lads)] (hierna: „bestreden besluit”) en verlaging van de bij dat besluit aan Credit Suisse Group, Credit Suisse en Credit Suisse Securities (Europe) (hierna samen: „Credit Suisse”) hoofdelijk opgelegde geldboete.

I. Voorgeschiedenis van het geding

A. Procedure die tot het bestreden besluit heeft geleid

2 De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een op 27 september 2013 door UBS ingediend verzoek tot verlening van een marker op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17; hierna: „mededeling inzake medewerking”). In dat verzoek heeft UBS de Europese Commissie in kennis gesteld van het bestaan van een vermeende inbreuk in de sector van de contante valutahandel in G10-valuta.

3 Naar aanleiding van dat verzoek heeft UBS mondelinge verklaringen afgelegd en schriftelijk bewijsmateriaal overgelegd. Op 2 juli 2014 heeft de Commissie UBS overeenkomstig punt 8, onder a), van de mededeling inzake medewerking voorwaardelijke immuniteit tegen een geldboete verleend.

4 Op respectievelijk 11 oktober 2013, 14 oktober 2013 en 17 juli 2015 hebben Barclays plc, Barclays Execution Services Limited en Barclays Bank PLC (hierna samen: „Barclays”), HSBC Holdings plc en HSBC Bank plc (hierna samen: „HSBC”), en NatWest Group plc en NatWest Markets Plc (hierna samen: „RBS”) verzoeken tot vermindering van geldboeten ingediend op grond van de mededeling inzake medewerking. Naar aanleiding van die verzoeken hebben zij mondelinge verklaringen afgelegd en schriftelijk bewijsmateriaal overgelegd.

5 Op 25 juli 2014, 1 maart en 29 april 2016 heeft de Commissie Credit Suisse en alle in de punten 3 en 4 hierboven genoemde ondernemingen verzoeken om inlichtingen toegezonden.

6 Op 27 oktober 2016 heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 11, lid 6, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), een inbreukprocedure ingeleid tegen Credit Suisse en alle in de punten 3 en 4 hierboven genoemde ondernemingen, waarbij zij werden verzocht hun belangstelling kenbaar te maken voor deelname aan een schikkingsprocedure overeenkomstig artikel 10 bis van haar verordening (EG) nr. 773/2004 van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18), zoals gewijzigd.

7 Credit Suisse en alle in de punten 3 en 4 hierboven genoemde ondernemingen hebben besloten deel te nemen aan een schikkingsprocedure en aan bijeenkomsten met de Commissie op 9 november 2016 en 7 februari 2018. Op 19 februari 2018 heeft Credit Suisse de Commissie meegedeeld dat zij haar deelname aan die procedure beëindigde. De Commissie is daarom overeenkomstig punt 19 van haar mededeling betreffende schikkingsprocedures met het oog op de vaststelling van beschikkingen op grond van de artikelen 7 en 23 van verordening nr. 1/2003 in kartelzaken (PB 2008, C 167, blz. 1) voor Credit Suisse teruggekeerd naar de gewone procedure.

8 Op 24 juli 2018 heeft de Commissie Credit Suisse een mededeling van punten van bezwaar in de gewone procedure doen toekomen. Nadat Credit Suisse inzage in het dossier had gekregen, heeft zij haar schriftelijke opmerkingen in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar ingediend en tijdens de hoorzitting van 7 december 2018 haar standpunt uiteengezet.

9 Op 18 maart 2021 heeft de Commissie Credit Suisse een aanvullende mededeling van punten van bezwaar doen toekomen.

10 Na inzage te hebben gekregen in het dossier heeft Credit Suisse binnen de gestelde termijn haar schriftelijke opmerkingen in antwoord op de aanvullende mededeling van punten van bezwaar ingediend. De tweede hoorzitting vond plaats op 8 juni 2021.

11 Op 25 juni 2021 heeft Credit Suisse gereageerd op het verzoek om inlichtingen dat tijdens de tweede hoorzitting werd gedaan.

12 Op 2 december 2021 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld, dat uitsluitend tot Credit Suisse was gericht.

13 Op dezelfde dag heeft de Commissie besluit C(2021) 8613 final vastgesteld inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst [zaak AT.40135 – FOREX (Sterling Lads)] (hierna: „schikkingsbesluit”), dat was gericht tot de partijen die hadden ingestemd met deelname aan de schikkingsprocedure en een schikkingsvoorstel hadden ingediend, namelijk Barclays, HSBC, RBS en UBS.

B. Bestreden besluit

1. Betrokken producten en sector

14 Het gedrag waarop het bestreden besluit betrekking heeft, betreft de sector van de contante valutahandel in G10-valuta, namelijk de euro (EUR), de Australische dollar (AUD), de Canadese dollar (CAD), de Zwitserse frank (CHF), de Deense kroon (DKK), het Britse pond (GBP), de yen (JPY), de Noorse kroon (NOK), de Nieuw-Zeelandse dollar (NZD), de Zweedse kroon (SEK) en de Amerikaanse dollar (USD).

15 De handelsactiviteit voor het in punt 14 hierboven genoemde type transacties werd in het bestreden besluit gedefinieerd als een overeenkomst tussen twee partijen om twee valuta om te wisselen, namelijk om een bepaald bedrag (het „nominale bedrag”) van een valuta te kopen tegen het equivalent daarvan in een andere valuta tegen de waarde op het moment van de overeenkomst („wisselkoers”). De wisselkoers van een valuta wordt genoteerd ten opzichte van het bedrag van een andere valuta waartegen zij kan worden omgewisseld. Valuta worden dus altijd in paren verhandeld en hebben bijgevolg elk een relatieve waarde. Wisselkoersen variëren op basis van informatie over hun fundamentele waarde. Op korte termijn worden ze voornamelijk bepaald door de orderstromen van traders, terwijl de fundamentele factoren van de markt de wisselkoersen op langere termijn bepalen.

16 Aangezien elektronische handelsactiviteiten (in de zin van transacties die automatisch worden gereserveerd of uitgevoerd door elektronische handelsplatforms voor eigen rekening van de betrokken bank of door computeralgoritmen) buiten het toepassingsgebied van de analyse vallen, heeft het bestreden besluit in casu alleen betrekking op de activiteit van „voice trading”.

17 Contante valutatransacties worden op de onderhandse markt afgesloten, zodat ze gedecentraliseerd blijven met een hoge liquiditeit en een constante handel. Deze transacties worden doorgaans geïnitieerd wanneer een financiële instelling wordt benaderd door een eindklant, met name financiële instellingen, die als geïnformeerde klanten worden beschouwd omdat zij, gezien de omvang van hun transacties, een sterke prikkel hebben om informatie te vergaren die van invloed kan zijn op de ontwikkeling van de wisselkoersen. Deze financiële instellingen richten speciale verkoopdesks op die kunnen dienen als interface tussen de eindklanten en de traders die door de makelaars worden ingezet om in valuta te handelen. Eindklanten kunnen ook rechtstreeks contact opnemen met de traders.

18 De banken waarvan de traders bij de in casu betrokken transacties betrokken waren, treden op als market makers op de contante valutamarkt en staan klaar om op elk moment transacties met hun klanten te sluiten om de liquiditeit van de markt te waarborgen.

19 De soorten transacties die door klanten worden geïnitieerd, hebben met name betrekking op: – onmiddellijke orders (waarmee onmiddellijk een transactie kan worden aangegaan voor een bepaald bedrag in een valuta op basis van de geldende marktkoers en waarbij de afwikkeling doorgaans plaatsvindt binnen twee dagen na het sluiten van de transactie); – voorwaardelijke orders (waarvan de afwikkeling slechts plaatsvindt als aan bepaalde marktvoorwaarden is voldaan, bijvoorbeeld als de waarde van een valuta een bepaald niveau bereikt); – orders die bij de „fixing” moeten worden uitgevoerd en die in casu alleen betrekking hadden op de referentiekoersen WM/Reuters Closing Spot Rates en de referentiekoersen van de Europese Centrale Bank (ECB) (waarvan de afwikkeling bij een bepaalde referentiekoers plaatsvindt).

20 Traders bieden doorgaans two-way prices aan (een aankoopprijs of biedprijs en een verkoopprijs of laatprijs), afhankelijk van de omvang van de transactie en de verhandelde valuta. De inkomsten uit valutatransacties zijn afhankelijk van het volume van de verhandelde valuta en het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs van eenzelfde valuta (hierna: „bid-ask spread”). De bid-ask spread is de vergoeding die de trader ontvangt voor het feit dat de dienst onmiddellijk wordt geleverd en voor het risico dat hij vervolgens draagt door een nominaal bedrag van een bepaalde valuta in zijn portefeuille te hebben.

21 Na een transactie waarbij een valuta tegen een andere wordt gekocht, bevindt een trader zich namelijk in een „long-positie”, in die zin dat hij een positief nominaal bedrag van een valuta in zijn portefeuille heeft, totdat hij deze positie „sluit”, dat wil zeggen dat hij deze valuta weer verkoopt. Na een transactie waarbij een valuta tegen een andere wordt verkocht, bevindt de trader zich in een „short-positie”, in die zin dat hij een negatief nominaal bedrag van een valuta in zijn portefeuille heeft, totdat hij deze positie „sluit”, dat wil zeggen dat hij deze valuta koopt. Een „risicopositie” blijft dus open totdat een tegentransactie plaatsvindt. Deze posities brengen echter, als gevolg van de snelle schommelingen van de wisselkoersen op de markt, risico’s mee voor traders, zodat traders op deze markt voor de uitdaging staan om het risico van die posities op deskundige wijze te beheren.

22 Traders bepalen hun strategie en met name de vaststelling van de bid-ask spreads, of zelfs de prijzen, op basis van onder meer hun portefeuille en de informatie waarover zij beschikken. Uit de stukken in het dossier blijkt dat market makers de prijzen actief moeten aanpassen aan de portefeuilles door de prijzen en niet alleen de bid-ask spreads te wijzigen, met als doel een hoge omloopsnelheid van de portefeuille te realiseren en geen significante posities op een bepaald aspect van de markt op te bouwen. Voorts is de toegang tot marktinformatie van belang voor de besluitvorming van traders. De ontwikkeling van de wisselkoersen wordt namelijk op lange termijn beïnvloed door macro-economische variabelen en op korte termijn door de orderstromen van klanten, of met andere woorden door micro-economische variabelen. Wat deze laatste variabelen betreft, zijn de partijen het er ook over eens dat orders van geïnformeerde klanten, namelijk andere financiële instellingen, traders aangeven in welke richting de markt waarschijnlijk zal bewegen, waardoor traders die over deze informatie beschikken, worden aangemoedigd om in dezelfde richting te handelen als de geïnformeerde klant. Informatie over de orderstromen van klanten is in principe vertrouwelijk.

23 Daarnaast kunnen traders ook bereid zijn om open risicoposities in hun handelsportefeuille voor eigen rekening aan te gaan, te behouden of uit te breiden. Handelen voor eigen rekening vindt plaats wanneer traders voornamelijk handelen met het eigen geld van banken in plaats van voor rekening van hun klanten, en trachten een concurrentievoordeel op de markt te benutten door open risicoposities op te bouwen waarmee ze extra rendement kunnen behalen.

24 Ten slotte, wanneer traders geen orders van eindklanten ontvangen in het kader van hun hoedanigheid van market maker, handelen zij doorgaans onderling op de zogenaamde „interdealer”-markt, namelijk een structuur van de contante valutamarkt die uitsluitend is voorbehouden aan financiële instellingen („dealers”), met het oog op het aanpassen van hun eigen portefeuilleposities of het innemen van een positie voor hun eigen handelsactiviteiten. In dat geval zijn de traders elkaars tegenpartijen. Zij kunnen rechtstreeks (bilateraal) communiceren, doorgaans via een elektronisch systeem. De prijzen worden aangegeven op basis van een definitief bod, waarbij de keuze wordt gelaten tussen het eenvoudigweg accepteren of weigeren van het bod. Zij kunnen ook communiceren via een systeem van makelaars die de beste bid-ask spreads op schermen weergeven en de informatie op hun platforms beschikbaar stellen.

2. Aan Credit Suisse verweten gedragingen

25 In het bestreden besluit heeft de Commissie melding gemaakt van drie gedragingen die hebben plaatsgevonden in een multilaterale privé-chatroom, namelijk Sterling Lads (hierna: „betrokken chatroom”), tussen vijf ondernemingen die actief zijn in de bank- en financiële sector, namelijk Barclays, Credit Suisse, HSBC, RBS en UBS. Die gedragingen hadden volgens de bewoordingen van het bestreden besluit ten eerste betrekking op een impliciete afspraak, ten tweede op informatie-uitwisselingen en ten derde op incidentele coördinatie. Volgens het bestreden besluit vonden de gesprekken in die chatroom met betrekking tot die gedragingen plaats van 25 mei 2011 tot en met 12 juli 2012 en nam Credit Suisse deel aan de gesprekken in die chatroom van 7 februari tot en met 12 juli 2012 (hierna: „relevante periode”).

26 In de eerste plaats, wat de impliciete afspraak betreft, was de Commissie van mening dat deelname aan de betrokken chatroom inhield dat de traders zich moesten gedragen binnen een kring van vertrouwen, wederzijdse verwachtingen en voordelen en dus een reeks ongeschreven regels moesten naleven die in wezen kunnen worden samengevat als volgt: i) de traders kwamen in de betrokken chatroom bijeen om gedurende de dag informatie uit te wisselen; ii) de in die chatroom uitgewisselde informatie werd door de ontvangers niet aan andere concurrerende traders bekendgemaakt; iii) de uitgewisselde informatie kon ten voordele van de deelnemende traders worden gebruikt, en iv) die informatie mocht niet worden gebruikt tegen de personen die deze hadden gedeeld. De Commissie was van mening dat dat gedrag een overeenkomst vormde, die zij als een „beperking naar strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU aanmerkte omdat de overeenkomst in wezen rationele verwachtingen vooraf inhield om de onzekerheden die inherent zijn aan de betrokken markt weg te nemen ten voordele van alle traders, en derhalve voldoende schadelijk was voor de mededinging.

27 In de tweede plaats heeft de Commissie met betrekking tot de informatie-uitwisselingen melding gemaakt van talrijke contacten tussen de traders van de betrokken banken. Volgens de Commissie hielden die contacten herhaaldelijk en op grote schaal de uitwisseling in van actuele of toekomstgerichte commercieel gevoelige informatie over hun handelsactiviteiten, waardoor de betrokken banken bij het nemen van hun marktbeslissingen op de hoogte waren van de posities, voornemens en beperkingen van hun concurrenten, wat hen hielp bij hun latere beslissingen.

28 In die context was de Commissie van mening dat het algemene doel van de informatie-uitwisselingen was om twee essentiële mededingingsparameters in de contante handel op de betrokken markt, namelijk de prijs en het deskundige risicobeheer, te beïnvloeden, en zo de onzekerheden die inherent zijn aan die markt weg te nemen. Aldus hebben de deelnemende traders de risico’s van autonome mededinging op die parameters willens en wetens vervangen door praktische onderlinge samenwerking, ten nadele van andere marktdeelnemers, waardoor zij de mededinging in voldoende mate hebben geschaad. De Commissie heeft die informatie-uitwisselingen dan ook aangemerkt als overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die mededingingsbeperkend „naar strekking” zijn in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.

29 In de derde plaats was de Commissie van mening dat, wat de incidentele coördinatie betreft, de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie de traders die aan de betrokken chatroom deelnamen, in staat heeft gesteld situaties te identificeren waarin zij de belangen van de anderen zouden kunnen schaden, waardoor zij hun acties incidenteel konden coördineren in de vorm van een „standing down”. Dat gedrag verminderde het risico dat de traders niet het gewenste resultaat zouden behalen en voorkwam dat zij tegelijkertijd in tegengestelde richtingen zouden handelen. De Commissie was van mening dat dat gedrag een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging vormde, die zij heeft aangemerkt als een „beperking naar strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU omdat dat gedrag de normale onzekerheden die inherent zijn aan de betrokken markt kon verminderen, aangezien de bij de feiten betrokken ondernemingen situaties konden identificeren waarin een van hen voordeel kon halen wanneer de andere ondernemingen niet handelden om haar handelsstrategie niet te verstoren, en derhalve voldoende schadelijk was voor de mededinging.

30 In de vierde plaats heeft de Commissie ook vastgesteld dat de drie genoemde beperkingen van de mededinging samen één enkele voortdurende inbreuk vormden, aangezien zij een gemeenschappelijk doel nastreefden, namelijk het verminderen van de normale onzekerheden die inherent zijn aan de markt voor contante valutatransacties teneinde het risico te beperken en de aan de betrokken chatroom deelnemende ondernemingen (hierna: „deelnemende ondernemingen”) te ondersteunen bij hun beslissingen inzake prijsstelling en risicobeheer, opdat zij niet autonoom met elkaar zouden concurreren. De Commissie was van mening dat de verschillende hierboven genoemde gedragingen deel uitmaakten van een „totaalplan”, aangezien zij volgens dezelfde modus operandi via de betrokken chatroom werden uitgevoerd, wat de continuïteit van de deelnemers ervan meebracht.

31 De Commissie was van mening dat Credit Suisse blijk had gegeven van het voornemen om bij te dragen aan het gemeenschappelijke doel om de mededinging op de markt voor contante valutatransacties in G10-valuta te beperken. Voorts heeft zij vastgesteld dat Credit Suisse op de hoogte was van de impliciete afspraak en de informatie-uitwisselingen, met uitzondering van de incidentele coördinatie die vóór de relevante periode had plaatsgevonden. De Commissie is vervolgens tot de conclusie gekomen dat Credit Suisse aansprakelijk was voor de informatie-uitwisselingen die deel uitmaakten van de enkele voortdurende inbreuk, maar heeft haar aansprakelijkheid voor de impliciete afspraak en voor de incidentele coördinatie afgewezen.

32 De Commissie is in artikel 1 van het bestreden besluit dan ook tot de conclusie gekomen dat Credit Suisse inbreuk had gemaakt op artikel 101, lid 1, VWEU door tijdens de relevante periode deel te nemen aan de uitwisseling van „actuele of toekomstgerichte commercieel gevoelige informatie die neerkomt op overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen (die deel uitmaken van één enkele voortdurende inbreuk) die ertoe strekten de mededinging te beperken en/of te vervalsen in de sector van de contante valutahandel in G10-valuta en zich over de gehele EER uitstrekten”.

3. Geldboete

33 De Commissie heeft aangegeven het bedrag van de aan Credit Suisse opgelegde geldboete te hebben bepaald overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren voor de berekening van geldboeten”).

a) Basisbedrag van de geldboete

34 Wat de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete betreft, heeft de Commissie, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de contante valutasector en met name met het feit dat de contante valutahandel in G10-valuta geen verkopen in de gebruikelijke zin van het woord genereert, de waarde van de verkopen van de ondernemingen die aan de betrokken inbreuk hebben deelgenomen, berekend aan de hand van een „vervangende waarde voor de waarde van de verkopen” (hierna: „vervangende waarde”).

35 Vervolgens heeft de Commissie rekening gehouden met een ernstfactor van 16 %, aangezien de inbreuk door de aard ervan tot de ernstigste beperkingen behoorde, en met de duur van die inbreuk door middel van een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 0,42 jaar.

36 Ten slotte heeft de Commissie, na een extra bedrag van 16 % van de waarde van de verkopen toe te voegen om deelname aan dergelijke praktijken te ontmoedigen, ongeacht de duur van de inbreuk, het basisbedrag van de geldboete vastgesteld op 86765000 EUR.

b) Eindbedrag van de geldboete

37 Wat de vaststelling van het eindbedrag van de geldboete betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat Credit Suisse alleen aansprakelijk was voor de uitwisseling van informatie die deel uitmaakte van de enkele voortdurende inbreuk, en heeft zij 4 % van het totale basisbedrag van de geldboete in mindering gebracht wegens verzachtende omstandigheden, omdat zij niet aansprakelijk was voor de impliciete afspraak, noch voor de incidentele coördinatie, waarbij voor elk van die omstandigheden 2 % in mindering werd gebracht.

38 Derhalve heeft de Commissie Credit Suisse in artikel 2, onder a), van het bestreden besluit een geldboete van 83294000 EUR opgelegd.

II. Conclusies van partijen

39 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – subsidiair, artikel 1 van het bestreden besluit gedeeltelijk nietig te verklaren en de in artikel 2 opgelegde geldboete te verlagen; – hoe dan ook het bedrag van de in artikel 2 van het bestreden besluit opgelegde geldboete te verlagen; – de Commissie te verwijzen in de kosten of, subsidiair, in een passend gedeelte van hun kosten.

40 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep in zijn geheel te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

41 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vijf middelen aan. De eerste drie middelen, ontleend aan schending van artikel 101 VWEU en aan schending van de motiveringsplicht, en het vijfde middel, ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van de rechten van verdediging, zijn in wezen gericht op betwisting van de vaststelling van de Commissie in artikel 1 van het bestreden besluit dat Credit Suisse artikel 101 VWEU heeft geschonden. Het vierde middel, ontleend aan schending van artikel 23 van verordening nr. 1/2003, de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, de beginselen van evenredigheid en gelijke behandeling en de motiveringsplicht, strekt ertoe de door de Commissie aan Credit Suisse opgelegde geldboete in artikel 2 van het bestreden besluit te betwisten.

A. Artikel 1 van het bestreden besluit

1. Eerste middel: schending van artikel 101 VWEU en ontoereikende motivering met betrekking tot de kwalificatie van de online informatie-uitwisselingen als mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen

42 Met hun eerste middel voeren verzoeksters in wezen aan dat de informatie-uitwisselingen tussen de traders in de betrokken chatroom geen mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen vormen, noch afzonderlijk, noch in samenhang met de impliciete afspraak. Dit eerste middel bestaat uit twee onderdelen.

43 In het kader van het eerste onderdeel van hun eerste middel voeren verzoeksters aan dat de Commissie niet heeft bewezen dat er een impliciete afspraak bestond en dat de online informatie-uitwisselingen bijgevolg een mededingingsbeperkende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging vormen.

44 In het kader van het tweede onderdeel van hun eerste middel voeren zij aan dat de Commissie niet het vereiste bewijs heeft geleverd om aan te tonen dat de online informatie-uitwisselingen zelfstandige overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen vormen.

a) Inleidende opmerkingen

45 In herinnering moet worden gebracht dat de criteria coördinatie en samenwerking, die voorwaarden zijn om te kunnen spreken van onderling afgestemde feitelijke gedragingen, dienen te worden begrepen in het licht van de grondgedachte van de mededingingsvoorschriften van het VWEU dat iedere ondernemer autonoom moet bepalen welk beleid hij op de interne markt zal voeren (zie arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Deze eis van autonomie ontneemt de ondernemer weliswaar niet het recht om zijn beleid op een intelligente manier aan het vastgestelde of verwachte gedrag van zijn concurrenten aan te passen, maar staat onverbiddelijk in de weg aan ieder al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent wordt beïnvloed of waardoor deze wordt geïnformeerd over beslissingen of afwegingen met betrekking tot het eigen marktgedrag, wanneer dit contact tot doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die – gelet op de aard van de producten of verleende diensten, de grootte van de ondernemingen, hun aantal en de omvang van de betrokken markt – niet met de normale voorwaarden op die markt overeenkomen (zie arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 Aldus heeft het Hof geoordeeld dat de uitwisseling van informatie tussen concurrenten in strijd kan zijn met de mededingingsregels wanneer zij de onzekerheid over de werking van de betrokken markt vermindert of wegneemt en als gevolg daarvan de mededinging tussen ondernemingen beperkt (zie arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

b) Eerste onderdeel van het eerste middel: de Commissie heeft niet bewezen dat er een impliciete afspraak bestond en dat de online informatie-uitwisselingen bijgevolg een mededingingsbeperkende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging vormen

48 Verzoeksters voeren drie grieven aan. Met hun eerste grief stellen zij dat het bestreden besluit berust op de premisse dat de impliciete afspraak een voorwaarde is om de informatie-uitwisselingen aan te merken als mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. Met hun tweede grief betogen zij dat de Commissie niet heeft aangetoond dat er op grond van die afspraak informatie is uitgewisseld in de betrokken chatroom. Ter ondersteuning van deze grief betwisten zij de uitlegging die de Commissie heeft gegeven aan het bewijsmateriaal uit de periode in kwestie, namelijk de online gesprekken tussen de traders, en voeren zij aan dat noch die gesprekken, noch de transactievoorstellen, noch de daarmee samenhangende aanwijzingen het bestaan van die afspraak bewijzen. In een derde grief voeren zij aan dat de Commissie de impliciete afspraak niet aan rechterlijke toetsing kan onttrekken op grond dat Credit Suisse niet aansprakelijk is gesteld voor die afspraak, aangezien die afspraak een essentieel onderdeel vormt van de zaak van de Commissie tegen Credit Suisse.

49 Wat de eerste grief van verzoeksters betreft, moet worden opgemerkt dat uit een globale lezing van het bestreden besluit, en met name uit de overwegingen 337 tot en met 341, 344, 345, 347 tot en met 349, gelezen in samenhang met de overwegingen 394 tot en met 405 en 411 tot en met 417, blijkt dat de Commissie is overgegaan tot afzonderlijke juridische kwalificaties van enerzijds de impliciete afspraak als een mededingingsbeperkende overeenkomst en anderzijds de informatie-uitwisselingen als mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen. In de overwegingen 487, 489 en 491 tot en met 499 van dat besluit heeft de Commissie die twee gedragingen ook gekwalificeerd als afzonderlijke bestanddelen van de enkele voortdurende inbreuk (zie punten 26‑31 hierboven). Vervolgens moet eraan worden herinnerd dat Credit Suisse alleen aansprakelijk is gesteld voor de inbreuk die bestaat in het gedrag met betrekking tot de informatie-uitwisselingen.

50 Ook moet worden opgemerkt dat, hoewel de informatie-uitwisselingen met betrekking tot Credit Suisse plaatsvonden in een online chatroom, dat verband met dat aspect van de impliciete afspraak niet kan worden gelijkgesteld met het bestaan van een voorwaarde, waarop verzoeksters zich beroepen, die van invloed zou zijn op de afzonderlijke juridische kwalificaties van de impliciete afspraak en de informatie-uitwisselingen.

51 Meer in het bijzonder blijkt uit de overwegingen 337 tot en met 341 van het bestreden besluit dat de door de Commissie in dat besluit gegeven juridische kwalificatie van de informatie-uitwisselingen als mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, niet berust op de regels van de impliciete afspraak, noch op de stilzwijgende aanvaarding van dergelijke regels door de traders die aan die informatie-uitwisselingen hebben deelgenomen (hierna: „betrokken traders”). In tegenstelling tot wat verzoeksters betogen, kan het bestreden besluit dus niet worden uitgelegd als zou de impliciete afspraak een voorwaarde zijn voor de kwalificatie van de informatie-uitwisselingen.

52 Die conclusie kan niet worden weerlegd door de inhoud van de overwegingen 346 en 369 tot en met 371 van het bestreden besluit, die door verzoeksters ter ondersteuning van hun betoog worden aangehaald.

53 In dat verband moet ten eerste, wat overweging 346 van het bestreden besluit betreft, die betrekking heeft op de kwalificatie van de impliciete afspraak, worden vastgesteld dat die afspraak weliswaar in wezen bepaalt dat de informatie-uitwisselingen de traders die aan de betrokken chatroom deelnamen, in staat stelden eventuele afwijkingen van de regels te controleren, maar dat er geen melding wordt gemaakt van de juridische kwalificatie die in dat besluit wordt gehanteerd met betrekking tot de informatie-uitwisselingen.

54 Ten tweede blijkt uit de overwegingen 369 tot en met 371 van het bestreden besluit, waarmee uitsluitend wordt beoogd te reageren op de door Credit Suisse tijdens de administratieve procedure aangevoerde argumenten, dat de Commissie het bestaan van die afspraak heeft gebaseerd op indirect bewijs, namelijk de informatie-uitwisselingen, aangezien de impliciete afspraak een „logische premisse” van die uitwisselingen vormt. De verwijzing naar de „logische premisse” moet dus eenvoudigweg worden opgevat als zijnde gebruikt om het bestaan van die afspraak in casu aan te tonen. Het feit dat het bestaan van de impliciete afspraak kan worden afgeleid uit de informatie-uitwisselingen, moet dan ook worden opgevat als een bewijs van het bestaan ervan, onverminderd de afzonderlijke juridische kwalificaties van de informatie-uitwisselingen en de impliciete afspraak.

55 In tegenstelling tot wat verzoeksters betogen, was de Commissie overigens niet verplicht om in het bestreden besluit uit te leggen waarom Credit Suisse op een andere wijze informatie zou hebben uitgewisseld dan de andere bij de verweten feiten betrokken banken, ten opzichte van de overwegingen in het schikkingsbesluit.

56 In dat verband dient te worden opgemerkt dat de schikkingsprocedure en de gewone administratieve procedure twee verschillende procedures zijn. Bij de vaststelling van het besluit ten aanzien van Credit Suisse na afloop van de gewone administratieve procedure was de Commissie uitsluitend gebonden door de mededeling van punten van bezwaar en was zij verplicht om, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, alle relevante omstandigheden in aanmerking te nemen, waaronder alle door Credit Suisse in het kader van de uitoefening van haar recht om te worden gehoord aangevoerde inlichtingen en argumenten, zodat zij verplicht was het dossier in het licht van die elementen opnieuw te onderzoeken (zie in die zin arrest van 20 mei 2015, Timab Industries en CFPR/Commissie, T‑456/10, EU:T:2015:296, punten 90, 96 en 107).

57 Wat de vaststelling betreft van het bestreden besluit ten aanzien van Credit Suisse na afloop van de gewone administratieve procedure, moet worden opgemerkt dat uit de mededeling van punten van bezwaar, aangevuld met de aanvullende mededeling van punten van bezwaar, blijkt dat de Commissie de impliciete afspraak en de informatie-uitwisselingen afzonderlijk als mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen heeft aangemerkt en dat Credit Suisse hiertegen tijdens de administratieve procedure geen bezwaar heeft gemaakt. De Commissie was dan ook niet verplicht het dossier opnieuw te onderzoeken wat die juridische kwalificaties betreft.

58 Uit het voorgaande volgt dat, gelet op de afzonderlijke juridische kwalificaties van enerzijds de informatie-uitwisselingen en anderzijds de impliciete afspraak, waarvoor Credit Suisse niet aansprakelijk is gesteld (zie punt 32 hierboven), niet hoeft te worden ingegaan op de tweede en derde grief van het eerste onderdeel van het eerste middel, die berusten op de onjuiste premisse dat de impliciete afspraak in het bestreden besluit een voorwaarde is voor de kwalificatie van de informatie-uitwisselingen als mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.

59 Het eerste onderdeel van het eerste middel moet derhalve worden afgewezen.

60 Aangezien verzoeksters in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel aanvoeren dat de informatie-uitwisselingen niet mededingingsbeperkend zijn en losstaan van de impliciete afspraak, waarvan de analyse een onderzoek van de inhoud en de uitlegging van die uitwisselingen vereist, kan het feit dat verzoeksters in het kader van hun betoog op basis van de impliciete afspraak, ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het eerste middel, kritiek uiten op de reikwijdte en uitlegging van het bewijsmateriaal uit de periode in kwestie, echter niet vooruitlopen op de analyse ervan door het Gerecht in het kader van het tweede onderdeel van dat middel om de gegrondheid te bepalen van hun betwisting van de kwalificatie van de informatie-uitwisselingen als zelfstandige overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen.

c) Tweede onderdeel van het eerste middel: er is geen bewijs dat de online informatie-uitwisselingen zelfstandige overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen vormden

61 Dit onderdeel valt in wezen uiteen in drie grieven. Met hun eerste grief bekritiseren verzoeksters de uitlegging door de Commissie van bepaalde bewijzen uit de periode in kwestie, namelijk bepaalde online gesprekken, waarop zij zich heeft gebaseerd om tot de conclusie te komen dat de online informatie-uitwisselingen overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen vormden, waarbij zij met name aanvoeren dat die gesprekken geen commercieel gevoelige informatie bevatten. Met hun tweede grief betogen verzoeksters dat de online informatie-uitwisselingen niet als mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen kunnen worden aangemerkt, door in wezen te stellen dat het vermeende commercieel gevoelige karakter van die informatie en de vermindering van de onzekerheid onder concurrenten die daaruit zou kunnen voortvloeien, niet voldoende zijn voor een dergelijke kwalificatie. Met hun derde grief betogen zij dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast door tot de conclusie te komen dat de door Credit Suisse gegeven legitieme verklaring voor de betrokken informatie-uitwisselingen niet relevant was.

62 In het bestreden besluit heeft de Commissie de inhoud van meer dan honderd gesprekken weergegeven en uitgelegd. De in dat besluit geanalyseerde informatie-uitwisselingen werden op basis van de besproken onderwerpen in vier categorieën onderverdeeld, namelijk i) de bid-ask spreads (overwegingen 245‑251), ii) de orders van klanten (overwegingen 183‑228), iii) de open risicoposities (overwegingen 234‑238) en iv) de actuele of geplande handelsactiviteiten (overwegingen 258‑285). De Commissie was in wezen van mening dat al die uitwisselingen betrekking hadden op actuele of toekomstgerichte commercieel gevoelige informatie over de handelsactiviteiten van de betrokken traders, waardoor de betrokken banken op de hoogte waren van de posities, voornemens en beperkingen van hun concurrenten, wat hen hielp bij hun latere beslissingen. Op basis van die analyse is de Commissie in de overwegingen 337 tot en met 341 van het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat die informatie-uitwisselingen een mededingingsbeperkende onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden.

63 De eerste twee grieven moeten gezamenlijk worden behandeld.

1) Eerste grief: onjuiste uitlegging van bepaalde bewijzen uit de periode in kwestie door de Commissie, en tweede grief, waarmee wordt gesteld dat de online informatie-uitwisselingen geen mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen vormen

i) Ontvankelijkheid van bepaalde argumenten en bewijsstukken van verzoeksters

64 De Commissie betwist de ontvankelijkheid van, ten eerste, het betoog van verzoeksters betreffende de onjuiste uitlegging van bepaalde informatie-uitwisselingen en van bijlage A.8 bij het verzoekschrift, waarop dat betoog is gebaseerd, alsmede van, ten tweede, het betoog dat de informatie-uitwisselingen geen inbreuk vormen en van bijlage A.9 bij het verzoekschrift en bijlagen C.2 en C.3 bij de repliek, waarop dat betoog is gebaseerd.

65 Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat, volgens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Volgens vaste rechtspraak moet deze uiteenzetting zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verweerder zijn verdediging kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep (arrest van 7 maart 2017, United Parcel Service/Commissie, T‑194/13, EU:T:2017:144, punt 191).

66 Ook moet eraan worden herinnerd dat het voor de ontvankelijkheid van een beroep bij het Gerecht noodzakelijk is dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop de verzoekende partij zich baseert, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. Ofschoon het verzoekschrift op specifieke punten kan worden onderbouwd en aangevuld met verwijzingen naar bepaalde passages in bijgevoegde stukken, kan een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die bij het verzoekschrift gevoegd, geen alternatief zijn voor de vermelding van de essentiële bestanddelen van het juridische betoog, die volgens de in punt 65 hierboven genoemde bepalingen in het verzoekschrift moeten staan (zie arrest van 7 maart 2017, United Parcel Service/Commissie, T‑194/13, EU:T:2017:144, punt 192 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Zo kunnen de bijlagen slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij middelen of argumenten staven of aanvullen die de verzoekende partij in haar processtukken uitdrukkelijk heeft aangevoerd, en voor zover precies kan worden vastgesteld welke elementen van deze bijlagen deze middelen of argumenten staven of aanvullen (zie arrest van 9 september 2015, Samsung SDI e.a./Commissie, T‑84/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:611, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, aangezien de bijlagen slechts als bewijsmiddel dienen (zie arrest van 17 september 2007, Microsoft/Commissie, T‑201/04, EU:T:2007:289, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68 Wat in de eerste plaats de ontvankelijkheid betreft, die in wezen door de Commissie wordt betwist, van het betoog van verzoeksters betreffende de onjuiste uitlegging van bepaalde in het bestreden besluit geanalyseerde informatie-uitwisselingen, moet worden vastgesteld dat verzoeksters, zoals uit het verzoekschrift blijkt, ter ondersteuning van hun argument dat „[de Commissie] het jargon van de transacties en de werking van de contante valutamarkt nog steeds verkeerd begrijpt”, verwijzen naar bijlage A.8 bij het verzoekschrift, een deskundigenrapport van een voormalig voorzitter van de interbancaire afdeling van het Global FX Committee, en drie voorbeelden uit dat rapport aanhalen om hun argument te illustreren.

69 In hun repliek op de argumenten van de Commissie inzake de niet-ontvankelijkheid herhalen verzoeksters het hierboven genoemde argument en voegen zij daaraan toe dat bijlage A.8 ook aantoont dat „het bestaan van een mededingingsbeperkend totaalplan of een doelstelling om de mededinging te beperken niet gemakkelijk of rechtstreeks uit het bewijsmateriaal kan worden afgeleid” en dat de Commissie op basis van haar uitlegging alleen „het bestaan van een impliciete afspraak” had afgeleid. Zij stellen, eveneens in hun repliek, dat het feit dat de Commissie niet in staat is om onderscheid te maken tussen geplaatste orders en toekomstige orders „een factor is waarmee rekening moet worden gehouden, omdat dit twijfel doet rijzen over de zorgvuldigheid en [de] degelijkheid van haar onderzoek”. Ten slotte wijzen verzoeksters op het belang en de specifieke aard van hun betoog door te verwijzen naar de punten 18, 69 en 78 van het verzoekschrift. Deze hebben betrekking op het vermeende mededingingsbevorderende karakter van de informatie-uitwisselingen, zoals dat in de clementieverzoeken zou zijn erkend (punt 18), op de verkeerde uitlegging of het verkeerde begrip door de Commissie van het jargon van de transacties en de werking van de contante valutamarkt (punt 69) en, in wezen, op de vier regels van de impliciete afspraak (punt 78).

70 Ter terechtzitting hebben verzoeksters, in antwoord op de vraag van het Gerecht, hun standpunt gehandhaafd dat hun betoog duidelijk en specifiek in hun processtukken is uiteengezet.

71 In dat verband moet worden vastgesteld dat verzoeksters, zoals uiteengezet in de punten 68 en 69 hierboven, een betoog voeren dat zich beperkt tot algemene en niet-onderbouwde beweringen die vaak in één of twee zinnen worden geformuleerd en die zelfs alleen het voorwerp vormen van een algemene verwijzing naar bijlage A.8, zonder op een coherente en begrijpelijke wijze aan te geven welke gevolgen dat betoog – en nog minder het deskundigenrapport waarop het is gebaseerd – zou hebben voor de gegrondheid van de conclusies van de Commissie in het bestreden besluit. In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat dat betoog niet voldoet aan de in de punten 65 tot en met 67 hierboven genoemde vereisten.

72 Bijgevolg moet het betoog van verzoeksters met betrekking tot bijlage A.8, dat in wezen betrekking heeft op de onjuiste uitlegging van bepaalde in het bestreden besluit geanalyseerde informatie-uitwisselingen, niet-ontvankelijk worden verklaard, en moet die bijlage, gelet op de algemene verwijzing ernaar, buiten beschouwing worden gelaten.

73 In de tweede plaats moet met betrekking tot de ontvankelijkheid van het betoog dat de informatie-uitwisselingen niet mededingingsbeperkend zijn, dat is gebaseerd op een verwijzing naar bijlage A.9 bij het verzoekschrift en bijlagen C.2 en C.3 bij de repliek, worden vastgesteld dat dat betoog, in tegenstelling tot wat de Commissie aanvoert, als voldoende duidelijk en nauwkeurig moet worden beschouwd. Uit hun aan het Gerecht overgelegde schriftelijke stukken blijkt namelijk duidelijk, zij het slechts in summiere vorm, dat verzoeksters – door de informatie-uitwisselingen in te delen in i) algemene gesprekken die niet als „commercieel gevoelig” voor de contante valutamarkt kunnen worden beschouwd, ii) (meer) specifieke of toekomstgerichte gesprekken die betrekking zouden hebben op relatief kleine handelsvolumen en geen relevante informatie zouden hebben kunnen verschaffen over de verwachte ontwikkeling van de wisselkoersen en iii) gesprekken die betrekking zouden hebben op grotere handelsvolumen, maar die slechts één hypothetisch mededingingsbeperkend doel zouden kunnen hebben, namelijk dat een trader die die informatie heeft ontvangen, deze zou kunnen gebruiken om te proberen winst te maken vóór de trader die die informatie heeft gedeeld – de conclusie van de Commissie betwisten dat de online informatie-uitwisselingen mededingingsbeperkend zijn gelet op hun inhoud, hun doel of hun vermogen om de mededinging te „vervalsen”. Derhalve moet worden geoordeeld dat dat betoog van verzoeksters in overeenstemming is met de in de punten 65 en 66 hierboven genoemde vereisten van de rechtspraak en dus ontvankelijk is.

74 Bovendien zullen, gelet op de in punt 67 hierboven aangehaalde rechtspraak, de bijlagen A.9, C.2 en C.3 slechts in aanmerking worden genomen voor zover zij de door verzoeksters in hun schriftelijke stukken uitdrukkelijk aangevoerde betoog onderbouwen of aanvullen.

ii) Mededingingsbeperkend karakter van de door verzoeksters specifiek betwiste gesprekken

75 Verzoeksters betwisten in het bijzonder de uitlegging die de Commissie heeft gegeven aan de gesprekken die zij in de eerste categorie hebben ingedeeld (zie punt 73 hierboven), namelijk de gesprekken van 14 juni, 5 augustus en 4 oktober 2011, 7 februari en 1 juni 2012, 14 mei 2012, 11 april 2012, 13 april 2012, 9 mei 2012, 5 juni 2012, 25 april 2012, 10 februari 2012 en 25 april, 19 juni en 3 en 4 juli 2012, met als argument dat de tijdens die gesprekken uitgewisselde informatie „marktinformatie” is en geen commercieel gevoelige informatie, en dat die informatie niet mededingingsbeperkend is.

76 Om te bepalen of de Commissie op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de traders mededingingsbeperkende commercieel gevoelige informatie hebben uitgewisseld, moet de aard van die uitwisselingen worden beoordeeld. Meer in het bijzonder moet worden onderzocht of die uitwisselingen betrekking hadden op niet-openbare informatie waarvan de traders geen kennis konden hebben, in voorkomend geval geaggregeerd en geanonimiseerd, en moet met name worden onderzocht hoe nauwkeurig die uitwisseling was en wat het doel ervan was.

– Gesprekken van 14 juni, 5 augustus en 4 oktober 2011 en 7 februari en 1 juni 2012

77 De in de overwegingen 107, 111, 122, 139, 150 en 504 van het bestreden besluit genoemde gesprekken van 14 juni, 5 augustus en 4 oktober 2011 en 7 februari en 1 juni 2012, waarvan de uitlegging door de Commissie door verzoeksters wordt betwist, werden door de Commissie niet als commercieel gevoelig beschouwd.

78 Wat in de eerste plaats de in de overwegingen 107, 111, 122, 139 en 150 van het bestreden besluit genoemde gesprekken van 14 juni, 5 augustus en 4 oktober 2011 en 7 februari en 1 juni 2012 betreft, moet worden vastgesteld dat de Commissie van mening was dat die gesprekken in wezen aantoonden dat de toegang tot de betrokken chatroom was gebaseerd op wederzijds vertrouwen tussen de deelnemende traders en dat die traders handelden in een gesloten kring die tot doel had hun eigen belangen te behartigen. Volgens de Commissie bleek uit de uitwisselingen in de overwegingen 139 en 150 van dat besluit ook dat de trader van Credit Suisse die aan de betrokken chatroom deelnam voordat hij in dienst trad bij Credit Suisse, zich als werknemer van Credit Suisse opnieuw bij die chatroom had aangesloten met volledige kennis van de werking ervan en van wat zijn deelname inhield.

79 Wat in de tweede plaats het in overweging 504 van het bestreden besluit genoemde gesprek van 5 augustus 2011 betreft, was de Commissie van mening dat daaruit bleek dat de trader van Credit Suisse, zonder actief aan de uitwisselingen deel te nemen, op de hoogte was van die uitwisselingen.

80 Het argument van verzoeksters dat de in punt 77 hierboven genoemde gesprekken ten onrechte als commercieel gevoelig zijn aangemerkt, is derhalve ongegrond en moet worden afgewezen.

– Gesprek van 14 mei 2012

81 Wat het in overweging 209 van het bestreden besluit weergegeven gesprek van 14 mei 2012 betreft, gelezen in samenhang met de overwegingen 196 tot en met 202 en 337 tot en met 341, was de Commissie van mening dat de traders tijdens dat gesprek informatie hadden uitgewisseld over hun posities, buiten het kader van mogelijke transacties tussen hen, en over speculaties over de koers van het valutapaar GBP/USD. Zij is daarbij tot de conclusie gekomen dat die informatie, die betrekking had op orders van klanten, commercieel gevoelig was en kon bijdragen tot het mededingingsbeperkende karakter van alle informatie-uitwisselingen die in de betrokken chatroom hadden plaatsgevonden.

82 Verzoeksters betwisten de uitlegging van dat gesprek door de Commissie en voeren aan dat het gesprek betrekking heeft op algemene informatie, geen informatie bevat over toekomstige orders of posities van de traders en dus overeenkomt met de uitwisseling van „marktinformatie”. Zij voegen daaraan toe dat de verwijzingen naar „rhs light” en „LHS samlls cable” geen betrekking hebben op bedragen, prijzen of klanten en dus geanonimiseerd zijn. Zij komen tot de conclusie dat uit dat gesprek niet kan worden afgeleid dat de in de betrokken chatroom uitgewisselde informatie mededingingsbeperkend is.

83 De Commissie betwist de door verzoeksters gegeven interpretatie van het betrokken gesprek.

84 Opgemerkt moet worden dat, zoals blijkt uit het uittreksel van het betrokken gesprek, de trader van Credit Suisse die dag aanwezig was in de betrokken chatroom en dat hij om 14 h 50 min 48 s aan de andere deelnemers heeft meegedeeld dat hij orders had om een kleine hoeveelheid van een onbepaald valutapaar te verkopen bij de „fixing” („rhs lights”). Om 14 h 52 min 57 s heeft een trader hem de vraag gesteld of het om een valutapaar GBP/USD („[c]able??”) ging en om 14 h 55 min 51 s heeft hij de informatie gedeeld over de orders van klanten die hij had, namelijk de verkooporders voor een kleine hoeveelheid van een valutapaar GBP/USD die bij de „fixing” („LHS samlls cable”) moesten worden uitgevoerd. Tijdens hetzelfde gesprek heeft een andere trader zijn mening gegeven over de stijging van de waarde van het valutapaar GBP/USD („feels like its just being put higher wsith sof eur/gbp and eur/usd running into some bids...”), waarbij hij aangaf dat hij geen orders had voor dat valutapaar.

85 Zoals blijkt uit het transcript van het betrokken gesprek, hebben de traders niet-openbare informatie uitgewisseld met betrekking tot specifieke orders die zij hadden, waarbij zij het type order (verkooporder die bij de „fixing” moest worden uitgevoerd), het desbetreffende valutapaar (GBP/USD) en de hoeveelheid hebben gespecificeerd. Dat gesprek bevat dus realtime commentaar op de activiteiten van de traders, wat heeft geleid tot een uitwisseling van commercieel gevoelige informatie.

86 Zelfs indien de uitgewisselde informatie, zoals verzoeksters betogen, geanonimiseerd is, belet dit niet dat zij als commercieel gevoelige informatie wordt aangemerkt, aangezien die informatie, gezien haar inhoud en nauwkeurigheid en het feit dat zij niet toegankelijk is voor de concurrenten die niet in de betrokken chatroom aanwezig zijn, haar ontvangers een commercieel voordeel verschaft.

87 Dergelijke informatie kan voor traders die gespecialiseerd zijn in dit domein informatie verschaffen over de marktbewegingen met betrekking tot het valutapaar GBP/USD voorafgaand aan de „fixing”, aangezien kleinere verkooporders die bij de „fixing” moeten worden uitgevoerd, in mindere mate een significante invloed kunnen hebben op de wisselkoersbewegingen. Door die informatie te verstrekken, kunnen de traders hun handelsstrategieën dienovereenkomstig aanpassen en de onzekerheden die inherent zijn aan de contante valutamarkt verminderen.

88 Derhalve was de Commissie terecht van mening dat het gesprek van 14 mei 2012 betrekking had op commercieel gevoelige informatie die kon bijdragen tot het mededingingsbeperkende karakter van de informatie-uitwisselingen die in de betrokken chatroom hadden plaatsgevonden.

– Gesprek van 11 april 2012

89 Wat het in overweging 223 van het bestreden besluit weergegeven gesprek van 11 april 2012 betreft, gelezen in samenhang met de overwegingen 214 tot en met 221 en 337 tot en met 341, was de Commissie van mening dat dat gesprek betrekking had op een onmiddellijke order van een specifieke klant en dat de bekendmaking van die commercieel gevoelige informatie bepaalde onzekerheden wegnam die inherent zijn aan de contante valutamarkt, waardoor de traders die aan de betrokken chatroom deelnamen, beter konden anticiperen op marktbewegingen en hun strategieën konden aanpassen om te profiteren van de bekendgemaakte informatie en de daaruit voortvloeiende grotere markttransparantie, en dat dat gesprek derhalve kon bijdragen tot het mededingingsbeperkende karakter van de betrokken informatie-uitwisselingen.

90 Verzoeksters voeren aan dat het gesprek van 11 april 2012 betrekking heeft op algemene informatie die geen toekomstige orders of posities van de traders bevat. Zij voegen daaraan toe dat de opmerking „lost some X” in dat gesprek geen bedragen of prijzen vermeldt en dat verschillende klanten de ronde deden op de markten, waardoor er geen specifieke informatie over een klant uit kon worden afgeleid. Zij betogen dat dat gesprek betrekking heeft op marktinformatie zonder mededingingsbeperkende strekking.

91 De Commissie betwist de door verzoeksters gegeven interpretatie van het betrokken gesprek.

92 In dit verband moet worden opgemerkt dat het in overweging 223 van het bestreden besluit opgenomen uittreksel van het gesprek van 11 april 2012 bevestigt dat een trader van UBS om 6 h 50 min 23 s de traders die aan de betrokken chatroom deelnamen, heeft meegedeeld dat hij zojuist een transactie had gesloten waarbij hij euro’s tegen Britse ponden had verkocht („lost some X”, namelijk een valutapaar EUR/GBP), en dat hij om 6 h 50 min 23 s verduidelijkte dat die transactie betrekking had op een tegenpartij die gewoonlijk van de ene trader naar de andere ging („usual geezer who does the rounds”). Enkele deelnemers aan die chatroom, waaronder de trader van Credit Suisse, bedankten hem voor die informatie („ta”).

93 Dat gesprek moet worden beschouwd als een uitwisseling van precieze, actuele en vertrouwelijke informatie, aangezien het de andere traders die aan de betrokken chatroom deelnamen, informatie verschafte over het type order (onmiddellijk), het tijdstip (actueel) van de uitvoering ervan en het betrokken valutapaar (EUR/GBP), alsmede een verwijzing naar een type klant bij de zojuist gesloten transactie.

94 Wat die laatste verwijzing naar een type klant betreft, kan de stelling van verzoeksters dat daaruit geen specifieke informatie over een klant kon worden afgeleid, niet worden gevolgd. De verwijzing van de trader van UBS naar een tegenpartij die „van de ene trader naar de andere ging” moet in de context van die uitwisseling namelijk worden opgevat als voldoende specifiek om door diezelfde traders, die professionals op dit gebied zijn, te worden geïdentificeerd, zodat zij rekening konden houden met de aard van de betrokken klant, met name of deze al dan niet geïnformeerd was. Een dergelijke conclusie dringt zich op, gelet op de precisering dat het om een gebruikelijke tegenpartij („usual geezer”) ging en op het feit dat geen van de traders die hem voor die informatie hebben bedankt, om nadere informatie over de verwijzing naar die klant heeft gevraagd. Zoals de Commissie in overweging 40, onder b), van het bestreden besluit, in samenhang met voetnoot 381, heeft opgemerkt, zonder dat dit door verzoeksters wordt betwist, moet worden aangenomen dat het verstrekken van informatie aan andere traders over de betrokken klant, namelijk of het al dan niet om een geïnformeerde klant gaat, de ontvangers van die informatie in staat kan stellen te anticiperen op een mogelijke marktbeweging.

95 In die omstandigheden kan de tijdens het betrokken gesprek uitgewisselde informatie niet als algemeen worden beschouwd louter omdat daarin geen verhandelde bedragen of wisselkoersniveaus werden vermeld en zij geen betrekking had op toekomstige orders. In dat verband volstaat het erop te wijzen dat „marktinformatie” in wezen bestaat uit algemene en geanonimiseerde opmerkingen over de marktsituatie, en dat de informatie zoals die tijdens het betrokken gesprek werd verstrekt, daar duidelijk van afweek.

96 Bijgevolg moet worden aangenomen dat de betrokken uitgewisselde informatie commercieel gevoelig, actueel en precies was en bepaalde aan de contante valutamarkt inherente onzekerheden kon wegnemen. De informatie stelde de traders die deelnamen aan de betrokken chatroom dus in staat om beter te anticiperen op de marktbewegingen voor het valutapaar EUR/GBP en hun strategieën aan te passen om te profiteren van de bekendgemaakte informatie, en kon daarmee bijdragen tot het mededingingsbeperkende karakter van de betrokken informatie-uitwisselingen.

97 Derhalve heeft de Commissie op goede gronden aangenomen dat het gesprek van 11 april 2012 betrekking had op commercieel gevoelige informatie die kon bijdragen tot het mededingingsbeperkende karakter van de informatie-uitwisselingen die in de betrokken chatroom hadden plaatsgevonden.

– Gesprek van 13 april 2012

98 Wat het in overweging 224 van het bestreden besluit genoemde gesprek van 13 april 2012 betreft, gelezen in samenhang met de overwegingen 214 tot en met 221 en 337 tot en met 341, was de Commissie van mening dat dat gesprek betrekking had op actuele of toekomstgerichte commercieel gevoelige informatie in verband met onmiddellijke orders van klanten, aangezien in de betrokken chatroom het volume of de richting van een specifieke, niet-geaggregeerde order of het type klant werd meegedeeld, waardoor bepaalde onzekerheden die inherent zijn aan de handel op de contante valutamarkt werden weggenomen en de transparantie van de ontwikkeling van de wisselkoers van het betrokken valutapaar werd vergroot. De Commissie heeft daaruit afgeleid dat dat gesprek bijdroeg tot het mededingingsbeperkende karakter van de betrokken informatie-uitwisselingen.

99 Verzoeksters voeren aan dat de informatie-uitwisseling die tijdens het gesprek van 13 april 2012 heeft plaatsgevonden, betrekking heeft op „marktinformatie”, aangezien die uitwisseling geen betrekking heeft op toekomstige orders of posities van de traders. Zo is de uitdrukking „lose more cable” die door de trader van Credit Suisse werd gebruikt, geanonimiseerd en heeft zij betrekking op bedragen bij benadering, zonder vermelding van prijzen of informatie over klanten. Volgens verzoeksters is de term „corp” een algemene term voor een onderneming, op basis waarvan het niet mogelijk is een klant te identificeren.

100 De Commissie betwist de door verzoeksters gegeven interpretatie van het betrokken gesprek.

101 In dat verband moet worden opgemerkt dat het in overweging 224 van het bestreden besluit weergegeven uittreksel van het gesprek van 13 april 2012 bevestigt dat om 9 h 56 min 42 s de trader van Credit Suisse aan een andere trader in betrokken chatroom informatie heeft verstrekt over zijn actuele verkooptransactie van 40 miljoen in een valutapaar GBP/USD met een grote onderneming („lose more cable 40 odd corp”), waarvoor die andere trader hem heeft bedankt („tks ratty”).

102 Uit het betrokken gesprek blijkt dus duidelijk dat er precieze, actuele en niet openbaar beschikbare informatie is uitgewisseld, die alleen bekend was bij de partijen bij de transactie, namelijk de trader en zijn klant. De door de trader van Credit Suisse verstrekte informatie over de transactie vermeldde namelijk het specifieke bedrag (40 miljoen), het betrokken valutapaar (GBP/USD), de richting van die transactie (verkoop) en een verwijzing naar een type klant (grote onderneming).

103 In dat verband kan het argument van verzoeksters dat de term „corp”, waarnaar de trader van Credit Suisse tijdens het betrokken gesprek verwees, niet toelaat om de specifieke identiteit van een betrokken klant af te leiden, niet worden aanvaard. Die term geeft namelijk wel het type klant aan, te weten een grote onderneming. Opgemerkt moet worden dat informatie over de orderstromen van bepaalde grote ondernemingen en internationale ondernemingen als informatief kan worden beschouwd, omdat zij de traders die over die informatie beschikken in staat stelt te anticiperen op de koersbewegingen voor een bepaald valutapaar, waardoor bepaalde aan de contante valutamarkt inherente onzekerheden worden weggenomen en de transparantie op die markt wordt vergroot, wat alleen ten goede komt aan de ontvangers van die informatie.

104 Bovendien wordt het nut van de aanduiding van een type klant, in dit geval „corp”, bevestigd door andere uitwisselingen die in het bestreden besluit worden aangehaald (zie met name de overwegingen 278‑280 van dat besluit), waaruit blijkt dat die aanduiding werd gewaardeerd door de traders die aan de betrokken chatroom deelnamen.

105 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de informatie die de traders tijdens het gesprek van 13 april 2012 hebben uitgewisseld, niet als „marktinformatie” kan worden beschouwd louter omdat zij geen betrekking heeft op toekomstige orders.

106 Derhalve heeft de Commissie op goede gronden aangenomen dat het gesprek van 13 april 2012 betrekking had op commercieel gevoelige informatie die kon bijdragen tot het mededingingsbeperkende karakter van de informatie-uitwisselingen die in de betrokken chatroom hadden plaatsgevonden.

– Gesprek van 9 mei 2012

107 Wat het in overweging 276 van het bestreden besluit genoemde gesprek van 9 mei 2012 betreft, gelezen in samenhang met de overwegingen 252 tot en met 257 en 337 tot en met 341, was de Commissie van mening dat de trader van Barclays tijdens dat gesprek de trader van Credit Suisse vragen had gesteld over (de voltooiing van) zijn handelsstrategie, waarop de trader van Credit Suisse bevestigend had geantwoord en aanvullende details had verstrekt over de verhandelde niveaus. Volgens de Commissie had de trader van Barclays onder normale marktomstandigheden geen reden of mogelijkheid gehad om over informatie te beschikken volgens welke de trader van Credit Suisse onlangs „zijn biedingen had afgerond” („cleared his bids”). De uitwisseling van die commercieel gevoelige informatie heeft de trader van Barclays een concurrentievoordeel opgeleverd, aangezien die van invloed zou kunnen zijn geweest op zijn latere prijsgedrag door hem in staat te stellen zijn biedingen („bids”) aan te passen naar een minder concurrerend niveau, wetende dat de trader van Credit Suisse al zijn biedingen had kunnen uitvoeren.

108 Verzoeksters voeren aan dat het gesprek van 9 mei 2012 betrekking heeft op algemene overwegingen, aangezien de verwijzingen naar de orders geen bedragen, prijzen of informatie over de betrokken klanten bevatten en dus geanonimiseerd zijn. Dat gesprek heeft evenmin betrekking op toekomstige orders of posities van de traders.

109 In antwoord op een vraag van het Gerecht in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang hebben verzoeksters bovendien aangevoerd dat het betrokken gesprek tot doel zou kunnen hebben gehad de mogelijkheid te onderzoeken om een transactie te sluiten tussen de aan dat gesprek deelnemende traders, waarbij zij echter hebben verklaard dat zij die interpretatie niet definitief kunnen bevestigen. Zij herhaalden subsidiair hun standpunt dat het betrokken gesprek tot doel had „marktinformatie” te delen om het inzicht in de markt van diezelfde traders te verbeteren. Hoe dan ook is de uitgewisselde informatie, aangenomen dat die commercieel gevoelig is, algemeen, anoniem, historisch en niet-specifiek en geeft zij geen aanleiding tot mededingingsbeperkend gedrag.

110 De Commissie is van mening dat de tijdens het betrokken gesprek gedeelde informatie commercieel gevoelige informatie is die verder gaat dan „marktinformatie”, aangezien die informatie in wezen betrekking heeft op specifieke en actuele handelsniveaus.

111 In antwoord op een vraag van het Gerecht in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang, heeft de Commissie haar standpunt herhaald dat het betrokken gesprek betrekking had op de uitwisseling van niet-openbare en concrete informatie, die de ontvanger ervan in staat stelde de prijs die hij aan zijn eigen klanten aanbood aan te passen en zelfs te trachten te verhogen, wetende dat het onwaarschijnlijk was dat zijn concurrent na voltooiing van zijn handelsstrategie zou blijven handelen in het betreffende valutapaar. Zij heeft daaraan toegevoegd dat de vermelding door de trader van Credit Suisse van de daling van een wisselkoersniveau geen zin zou hebben gehad indien de trader van Barclays niet had geweten in welk valutapaar de biedingen van de trader van Credit Suisse zojuist waren uitgevoerd.

112 In dat verband moet worden opgemerkt dat de trader van Credit Suisse tijdens het betrokken gesprek weliswaar naar haar aard commercieel gevoelige informatie over zijn handelsactiviteiten heeft verstrekt door de handelsniveaus te vermelden („yeah all filled”; „feels like its dropped 200 pips its only 40”), maar dat uit het hierboven vermelde uittreksel van het gesprek, anders dan de Commissie stelt, niet kan worden afgeleid dat de uitwisseling van die commercieel gevoelige informatie de trader van Barclays een concurrentievoordeel zou hebben opgeleverd, voor zover die uitwisseling zijn latere prijsgedrag zou kunnen hebben beïnvloed door hem in staat te stellen zijn biedingen aan te passen.

113 Ten eerste is de stelling van de Commissie dat de vermelding van de wisselkoersniveaus „geen zin zou hebben gehad indien beide [traders] de uitvoering van hun biedingen in het algemeen hadden besproken, zonder te verwijzen naar een bepaald valutapaar”, gelet op de inhoud van dat gesprek, speculatief van aard. Uit geen enkel gegeven in het gesprek, noch in enig ander gesprek dat in het bestreden besluit wordt aangehaald, kan namelijk worden afgeleid dat de traders de uitvoering van de biedingen tegen de door de trader van Credit Suisse genoemde koersen voor een specifiek valutapaar hebben besproken.

114 Ten tweede kan geen enkel gegeven uit het betrokken gesprek de stelling van de Commissie staven dat de trader die de door de trader van Credit Suisse gedeelde informatie had ontvangen, had kunnen weten dat het onwaarschijnlijk was dat zijn concurrent zou blijven handelen in het betreffende valutapaar. Die stelling is dan ook eveneens speculatief van aard.

115 Dergelijke speculaties voldoen echter niet aan de bewijsvereisten die op de Commissie rusten om het bestaan van de feiten die een inbreuk vormen, rechtens genoegzaam aan te tonen (zie arrest van 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

116 Bij gebrek aan preciezere informatie kan dus niet tot de conclusie worden gekomen dat dat gesprek de onzekerheid op de markt zodanig heeft verminderd of weggenomen dat de ontvanger ervan een concurrentievoordeel heeft verkregen.

117 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat het gesprek van 9 mei 2012 heeft bijgedragen tot het mededingingsbeperkende karakter van het aan Credit Suisse verweten gedrag. Verzoeksters stellen dan ook terecht dat de Commissie dat gesprek niet in aanmerking mocht nemen ten aanzien van Credit Suisse.

– Gesprek van 5 juni 2012

118 Wat het in overweging 281 van het bestreden besluit genoemde gesprek van 5 juni 2012 betreft, gelezen in samenhang met de overwegingen 252 tot en met 257 en 337 tot en met 341, was de Commissie van mening dat dat gesprek betrekking had op commercieel gevoelige informatie, aangezien een trader van UBS informatie had uitgewisseld over een recentelijk uitgevoerde order, waarbij hij specifieke details had verstrekt over het valutapaar, de wisselkoers en het type klant, en waarvan de trader van Credit Suisse zonder dat gesprek geen reden of mogelijkheid had gehad om die te kennen. De kennis van deze informatie zou de trader van Credit Suisse echter een concurrentievoordeel hebben opgeleverd indien hetzelfde type klant hem om een transactie in hetzelfde valutapaar zou vragen, wetende dat de klant had ingestemd met de eerder door de trader van UBS voorgestelde wisselkoers. De informatie-uitwisseling tijdens dat gesprek heeft dus bijgedragen tot het mededingingsbeperkende karakter van de betrokken informatie-uitwisselingen.

119 Verzoeksters betogen in wezen dat de tijdens dat gesprek uitgewisselde informatie betrekking heeft op „marktinformatie”, aangezien de verwijzingen naar de orders van de klanten geanonimiseerd waren en geen bedragen of informatie over de klanten bevatten, maar alleen bij benadering de wisselkoersen vermeldden. Zij voegen daaraan toe dat het niet duidelijk is of de verwijzing naar „rooskies” betrekking heeft op een specifieke klant.

120 De Commissie betwist de door verzoeksters gegeven interpretatie van het betrokken gesprek.

121 In dat verband moet worden opgemerkt dat het uittreksel van het betrokken gesprek bevestigt dat om 8 h 38 min 40 s een trader van UBS aan de trader van Credit Suisse vroeg of hij verkooporders had ontvangen („are you seeing much eurusd selling Ratty”), waarbij hij om 8 h 44 min 28 s verduidelijkte dat een bepaald type klant zojuist Britse ponden had gekocht tegen Amerikaanse dollars tegen een specifieke wisselkoers („rooskies buying cable at 2530”). In zijn antwoord om 9 h 06 min 14 s gaf de trader van Credit Suisse aan dat hij geen orders had ontvangen („sry mate no”) en om 9 h 06 min 24 s dat hij een daling van een de wisselkoersniveau van dat valutapaar had waargenomen („nothing just seen it melt 100 pips”). Om 9 h 06 min 44 s bedankte de trader van UBS hem voor die informatie („tks bro”).

122 Wat de interpretatie van de inhoud van het betrokken gesprek betreft, moet worden vastgesteld dat, zoals blijkt uit punt 121 hierboven, de uitgewisselde informatie betrekking had op precieze, actuele en vertrouwelijke informatie die alleen bekend was bij de partijen bij de transactie, namelijk de trader en zijn klant, aangezien die informatie betrekking had op het type orders, de hoeveelheid daarvan, het betrokken valutapaar, het wisselkoersniveau van het betrokken valutapaar en een type klant bij de transactie.

123 Geen van de argumenten van verzoeksters kan bovenstaande conclusie weerleggen.

124 Wat ten eerste de verwijzing naar de „rooskies” betreft, waarvan niet zeker zou zijn of die betrekking heeft op een specifieke klant, moet worden aangenomen dat die verwijzing, die tijdens het betrokken gesprek werd gemaakt, moet worden opgevat als een verwijzing naar een specifiek type klant gelet op de dankbetuiging van de trader van UBS voor die informatie en op het feit dat die verwijzing geen aanleiding gaf tot aanvullende vragen van de andere traders. Bovendien wordt die conclusie bevestigd door de algemene context van de in het bestreden besluit aangehaalde uitwisselingen, waaruit blijkt dat de verwijzing naar dat type klanten („rooskies” of „roosky”) (zie overwegingen 263 en 272 van het bestreden besluit) altijd door andere traders werd gewaardeerd, waardoor kan worden aangenomen dat die verwijzing in hun ogen gemakkelijk herkenbaar was als een verwijzing naar een concreet type klant, namelijk een al dan niet geïnformeerde klant, waardoor de traders, die professionals op dit gebied zijn, konden anticiperen op een mogelijke marktbeweging en zich konden sterken in hun strategische beslissingen.

125 Wat ten tweede de wisselkoersniveaus betreft, die volgens verzoeksters in het betrokken gesprek bij benadering werden aangegeven, moet worden vastgesteld dat de lezing van dat gesprek, en meer in het bijzonder van het gedeelte dat betrekking heeft op het valutapaar GBP/USD, zoals uiteengezet in punt 121 hierboven, zich duidelijk verzet tegen de door verzoeksters gesuggereerde interpretatie, aangezien het genoemde cijfer zeer precies is.

126 In die omstandigheden kan de tijdens het betrokken gesprek uitgewisselde informatie niet als algemeen of als „marktinformatie” worden beschouwd louter omdat zij geen betrekking had op toekomstige orders. Derhalve was de Commissie terecht van mening dat het gesprek van 5 juni 2012 betrekking had op commercieel gevoelige informatie die kon bijdragen tot het mededingingsbeperkende karakter van de informatie-uitwisselingen die in de betrokken chatroom hadden plaatsgevonden.

– Gesprek van 25 april 2012

127 Wat het in overweging 195 van het bestreden besluit genoemde gesprek van 25 april 2012 betreft, gelezen in samenhang met de overwegingen 176 tot en met 182 en 337 tot en met 341, was de Commissie van mening dat de trader van Credit Suisse tijdens dat gesprek geen informatie had verstrekt. Hij was echter aanwezig in de betrokken chatroom op het moment dat dat gesprek over commercieel gevoelige informatie plaatsvond, of had toegang tot dat gesprek toen hij later inlogde. De commercieel gevoelige informatie over voorwaardelijke orders die die dag in de betrokken chatroom werd uitgewisseld, kon het vertrouwen van de trader van Credit Suisse in een mogelijke ontwikkeling van de marktprijs voor een valutapaar GBP/AUD versterken, hetgeen hem in staat stelde beter geïnformeerde beslissingen te nemen met betrekking tot zijn handelsstrategie en aldus te profiteren van die vertrouwelijke informatie, en was derhalve mededingingsbeperkend.

128 Verzoeksters voeren aan dat het betrokken gesprek betrekking heeft op „marktinformatie”, aangezien het geen informatie bevat over toekomstige orders of posities van de traders. Het merendeel van de gedeelde informatie bevat namelijk speculaties over toekomstige bewegingen. Zij voegen daaraan toe dat de verwijzing naar „hypo” niet betrekking heeft op een klant, maar op een tegenpartij die op elektronische platforms wordt aangetroffen en die met verschillende tegenpartijen op de markt handelt, en dat de verwijzing naar „russia selling eur” betrekking kan hebben op een algemeen bekende activiteit van de centrale bank van de Russische Federatie.

129 Verzoeksters voeren in hun verzoekschrift en vervolgens in hun repliek in wezen ook aan dat de Commissie onvoldoende redenen heeft gegeven waarom dat gesprek en andere gesprekken die in de punten 137 tot en met 162 hierna worden geanalyseerd, haar stellingen over het commercieel gevoelige en mededingingsbeperkende karakter ervan zouden staven, en dat het niet aan hen en evenmin aan het Gerecht is om bij gebrek aan een nauwkeurige tijdsaanduiding vast te stellen op welk deel van een uittreksel van een gesprek de Commissie zich baseert.

130 De Commissie betwist de door verzoeksters gegeven interpretatie van het betrokken gesprek.

131 Voor zover de in punt 129 hierboven samengevatte stelling van verzoeksters kan worden opgevat als een verwijt aan de Commissie dat zij het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, moet in dit verband worden vastgesteld dat overweging 195 van dat besluit – hoewel beknopt geformuleerd – duidelijk en ondubbelzinnig de redenering van de Commissie weergeeft met betrekking tot het commercieel gevoelige en mededingingsbeperkende karakter van het gesprek van 25 april 2012, waarvan een uittreksel is weergegeven in overweging 191 van het bestreden besluit. Uit overweging 195 van dat besluit blijkt namelijk dat dat gesprek ten aanzien van Credit Suisse in aanmerking is genomen omdat het haar trader in staat heeft gesteld zijn vertrouwen in de mogelijke ontwikkeling van de marktprijs voor de valutaparen GBP/AUD en GBP/NZD te versterken, hetgeen hem in staat stelde beter geïnformeerde beslissingen te nemen met betrekking tot zijn handelsstrategie.

132 Bovendien moet worden opgemerkt dat een lezing van het transcript van een ander uittreksel van het gesprek van 25 april 2012, dat door verzoeksters bij het Gerecht is ingediend, bevestigt dat de traders informatie hebben uitgewisseld over hun huidige „lopende kooporders”, waarbij zij de betrokken valutaparen met de triggerlevels voor de uitvoering ervan hebben gespecificeerd, zoals blijkt uit de vraag van een trader van UBS (om 8 h 42 min 19 s: „what’s the trigger point for all these gbp/aud and gbp/nzd longs to puke”) en uit de antwoorden van de traders van HSBC en RBS (respectievelijk om 8 h 42 min 36 s: „looking at 1.6040 as a bit of a lvi” en om 8 h 42 min 56 s: „1,5500 gpaud...”).

133 De tijdens het betrokken gesprek gedeelde informatie kan, in tegenstelling tot wat verzoeksters stellen, niet worden beschouwd als „marktinformatie”, aangezien die informatie duidelijk verder gaat dan opmerkingen over de algemene marktsituatie.

134 Uit het betrokken gesprek blijkt namelijk duidelijk dat er zeer precieze, actuele en vertrouwelijke informatie werd uitgewisseld, aangezien de gedeelde informatie betrekking had op de soorten orders van klanten, hun richting, hun triggerlevels en de betrokken valutaparen, die alleen bekend was bij de partijen bij de transactie, namelijk de trader en zijn klant. Dat gesprek bevat dus realtime commentaar op de activiteiten van de traders, wat heeft geleid tot een uitwisseling van commercieel gevoelige informatie die de transparantie tussen de traders vergroot en de onzekerheid op de markt vermindert, uitsluitend in hun eigen voordeel.

135 Die conclusie wordt niet weerlegd door louter de bewering van verzoeksters dat bepaalde tijdens het betrokken gesprek verstrekte informatie betrekking heeft op speculaties over de ontwikkeling van toekomstige bewegingen. Afgezien van het algemene karakter van dat argument, maakt het feit dat bepaalde verstrekte informatie niet als commercieel gevoelig wordt beschouwd, het gesprek in haar geheel namelijk niet algemeen van aard. Bovendien moet worden opgemerkt dat het feit dat niet bekend is waarop de verwijzingen „hypo” of „russia selling eur” betrekking hebben, evenmin een algemeen karakter aan die uitwisseling verleent, aangezien het voldoende is dat een dergelijke verwijzing het mogelijk maakt om te specificeren of een beoogde klant al dan niet een geïnformeerde klant is (zie punt 94 hierboven), hetgeen verzoeksters niet betwisten.

136 Derhalve heeft de Commissie op goede gronden aangenomen dat het gesprek van 25 april 2012 betrekking had op commercieel gevoelige informatie die kon bijdragen tot het mededingingsbeperkende karakter van de informatie-uitwisselingen die in de betrokken chatroom hadden plaatsgevonden.

– Gesprek van 10 februari 2012

137 Wat het in overweging 228 van het bestreden besluit genoemde gesprek van 10 februari 2012 betreft, gelezen in samenhang met de overwegingen 214 tot en met 221 en 337 tot en met 341, was de Commissie van mening dat de trader van Credit Suisse tijdens dat gesprek geen informatie had verstrekt. Hij was echter aanwezig in de betrokken chatroom op het moment dat dat gesprek plaatsvond, of had later toegang tot dat gesprek. Volgens de Commissie kon de commercieel gevoelige informatie over onmiddellijke orders die die dag in de betrokken chatroom werd uitgewisseld, het vertrouwen van de trader van Credit Suisse in een mogelijke ontwikkeling van de marktprijs versterken, hetgeen hem in staat stelde beter geïnformeerde beslissingen te nemen met betrekking tot zijn handelsstrategie.

138 Verzoeksters voeren aan dat de betrokken informatie-uitwisseling betrekking heeft op „marktinformatie”, aangezien die uitwisseling geen informatie bevat over toekomstige orders of posities van de traders. Volgens hen hebben de traders tijdens die uitwisseling gespeculeerd over de toekomstige handel van een specifieke tegenpartij („JP”), zonder daar enige zekerheid over te hebben. Zij voegen daaraan toe dat de verwijzing naar „corp” een algemene en geanonimiseerde term voor een onderneming is, zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat het om een specifieke klant gaat.

139 De Commissie betwist de door verzoeksters gegeven interpretatie van de inhoud van de betrokken uitwisseling.

140 In dat verband moet vooraf worden opgemerkt dat overweging 228 van het bestreden besluit geen transcript van het betrokken gesprek bevat. In die overweging heeft de Commissie gepreciseerd dat het ging om een uitwisseling van informatie over een tegenpartij die een specifieke transactie wilde verkrijgen en probeerde een verkooporder te sluiten („exchange of information regarding JPMorgan (,JP’) getting a specific trade and still trying to sell”). Dat gesprek werd ten aanzien van Credit Suisse in aanmerking genomen omdat het haar trader in staat heeft gesteld zijn vertrouwen in de mogelijke ontwikkeling van de marktprijs te versterken, hetgeen hem in staat stelde beter geïnformeerde beslissingen te nemen met betrekking tot zijn handelsstrategie.

141 Evenwel moet worden vastgesteld dat uit een lezing van het door verzoeksters overgelegde uittreksel van de uitwisseling van 10 februari 2012 blijkt dat een trader van UBS om 10 h 12 min 14 s aangaf dat een specifieke tegenpartij zojuist een transactie had verkregen („JP had the trade”). Om 10 h 12 min 46 s bedankte een trader van HSBC hem voor die informatie en vroeg hij om aanvullende informatie om te weten of het voordelig was om een valutapaar GBP/USD te verkopen („thx”, „cable worth a sell?”), waarop een trader van UBS tussen 10 h 13 min 35 s en 10 h 14 min 08 s bevestigend antwoordde en bovendien aangaf dat die specifieke tegenpartij een onmiddellijke order had voor een valutapaar EUR/GBP en het wisselkoersniveau daarvan („yep”, „eurgbp held here at 57‑60 pops draghi”, „but i thik that plmub in JP is still rying to sell X”). Ten slotte, om 10 h 15 min 32 s, deelde een trader van Barclays de andere traders in de betrokken chatroom mee dat hij zojuist 100 miljoen euro had verkocht aan een grote onderneming („sold ton eur for a corp”).

142 Zo blijkt uit het gesprek van 10 februari 2012 dat er precieze, actuele en vertrouwelijke informatie werd uitgewisseld, aangezien aan de concurrenten die in de betrokken chatroom aanwezig waren, de orders van klanten werden bekendgemaakt die door de andere deelnemers waren gesloten of net waren gesloten, met vermelding van de betrokken valutaparen, hun wisselkoersniveaus en een specifieke tegenpartij voor die orders. Dat gesprek, dat dus realtime commentaar bevat op de activiteiten en posities van de traders, heeft geleid tot een uitwisseling van commercieel gevoelige informatie.

143 Bovendien blijkt uit het uittreksel van het hierboven genoemde gesprek duidelijk dat de traders van gedachten hebben gewisseld over de mogelijkheid om Britse ponden tegen Amerikaanse dollars te verkopen. Een dergelijke uitwisseling van informatie, die inherent verband houdt met het bepalen van de handelsstrategie, is echter in strijd met de autonomie waarvan een marktdeelnemer volgens de in punt 45 hierboven aangehaalde rechtspraak blijk moet geven op de markt wanneer hij het beleid bepaalt dat hij op die markt wil voeren.

144 In dat verband kunnen verzoeksters niet worden gevolgd wanneer zij stellen dat de verwijzing naar een zogenaamd geanonimiseerde en generieke „corp” niet specifiek op een klant betrekking zou hebben. Ongeacht of die verwijzing naar een specifieke klant verwijst, kan worden volstaan met de opmerking, zoals in punt 94 hierboven is aangegeven, dat een type klant, namelijk een al dan niet geïnformeerde klant, zoals in dit geval een grote onderneming, voldoende is om traders, die professionals op dit gebied zijn, in staat te stellen te anticiperen op een mogelijke marktbeweging en hen te sterken in hun strategische beslissingen.

145 Derhalve heeft de Commissie op goede gronden aangenomen dat het gesprek van 10 februari 2012 betrekking had op commercieel gevoelige informatie die kon bijdragen tot het mededingingsbeperkende karakter van de informatie-uitwisselingen die in de betrokken chatroom hadden plaatsgevonden.

– Gesprekken van 25 april, 19 juni en 3 en 4 juli 2012

146 Wat de in overweging 285 van het bestreden besluit genoemde gesprekken van 25 april, 19 juni en 3 en 4 juli 2012 betreft, gelezen in samenhang met de overwegingen 337 tot en met 341, was de Commissie van mening dat de trader van Credit Suisse, die tijdens die uitwisselingen geen informatie heeft verstrekt, aanwezig was in de betrokken chatroom en dus toegang had tot die uitwisselingen. De Commissie heeft zich in wezen op het standpunt gesteld dat het grote aantal uitwisselingen van commercieel gevoelige informatie het vertrouwen van die trader in de mogelijke koersontwikkeling van de besproken valutaparen had versterkt, hetgeen hem in staat stelde beter geïnformeerde beslissingen te nemen met betrekking tot zijn handelsstrategie. Meer in het bijzonder hebben de traders informatie uitgewisseld over handelsactiviteiten voor valuta, met name EUR/JPY en USD/JPY (uitwisseling van 25 april 2012), GBP/USD (uitwisseling van 19 juni 2012), EUR, USD/JPY en GBP/USD (uitwisseling van 3 juli 2012), EUR en GBP/USD (uitwisseling van 4 juli 2012).

147 Verzoeksters voeren aan dat de hierboven genoemde uitwisselingen betrekking hebben op algemene marktinformatie. Die informatie is geanonimiseerd en heeft geen betrekking op toekomstige orders of posities van traders en klanten. De uitwisselingen van 19 juni en 3 en 4 juli 2012 hebben geen betrekking op verhandelde volumen of hun prijzen. Zij voegen daaraan toe dat de in die uitwisselingen gebruikte termen, zoals „lev” (uitwisselingen van 25 april en 19 juni 2012) of „models” (uitwisseling van 4 juli 2012), eveneens geanonimiseerd en algemeen zijn. Zij zijn van mening dat het niet duidelijk is dat de termen „m/e”, „rm’, „rusky”, „Russia”, „roosides” (uitwisseling van 19 juni 2012), „rusky” (uitwisseling van 3 juli 2012), „models”, „range guy” en „desert” (uitwisseling van 4 juli 2012) verwijzen naar specifieke klanten. Ten slotte zou de uitdrukking „51.3 is the nod” (uitwisseling van 4 juli 2012) een verwijzing zijn naar economische gegevens in plaats van naar een marktprijs.

148 De Commissie betwist de door verzoeksters gegeven interpretatie van de betrokken uitwisselingen.

149 Ten eerste moet met betrekking tot het gesprek van 25 april 2012 worden opgemerkt dat uit het door verzoeksters overgelegde uittreksel daarvan blijkt dat de traders precieze en actuele informatie hebben uitgewisseld over hun recente handelsactiviteiten, en met name over de verhandelde bedragen en hun wisselkoersniveaus (een trader van RBS om 9 h 56 min 44 s: „i lost a coupel of ton around 40 earlier” en een trader van Barclays om 10 h 05 min 44 s: „lost ton”), de klanten en een betrokken valutapaar (een trader van UBS om 10 h 03 min 25 s: „lev buys usdjpy – gt track record” en een trader van HSBC om 10 h 04 min 54 s: „anyone get paid there in euro”). Bovendien bespraken enkele traders de te volgen strategieën op de markt en stelden zij onder meer voor om geen transacties uit te voeren waarbij de ene valuta tegen de andere werd gekocht (de trader van RBS om 9 h 57 min 11 s: „but def not right time to be long yet”, de trader van Barclays om 9 h 57 min 24 tot 26 s: „nope” en „agree”) of om een bepaalde valuta te kopen (een trader van Barclays om 10 h 13 min 50 s: „get eur now”).

150 In tegenstelling tot wat verzoeksters aanvoeren, is dergelijke informatie commercieel gevoelig en kan zij de transparantie op de markt vergroten ten gunste van uitsluitend de traders die aan de betrokken chatroom deelnemen en hen sterken in hun strategische beslissingen. De uitwisseling van die informatie is dus, door haar aard zelf, in strijd met het vereiste van autonomie, waarvan een marktdeelnemer volgens de in punt 45 hierboven aangehaalde rechtspraak blijk moet geven op de markt wanneer hij het beleid bepaalt dat hij op die markt wil voeren.

151 In dat verband kan het argument van verzoeksters dat de term „lev” geen conclusie toelaat over de specifieke identiteit van een klant, niet worden aanvaard. Zelfs als dat het geval zou zijn, geeft die term namelijk aan of het al dan niet om een geïnformeerde klant gaat, in het bijzonder een alternatief beleggingsfonds (een fonds dat gebruikmaakt van hefboomwerking), hetgeen de traders die over die informatie beschikken, in staat stelt te anticiperen op de koersbeweging voor een bepaald valutapaar (zie punt 94 hierboven). Bovendien wordt het nut van de vermelding van een type klant, in dit geval „lev”, bevestigd door andere in de overwegingen 264 en 268 van het bestreden besluit aangehaalde uitwisselingen, waaruit blijkt dat die vermelding door de traders die aan de betrokken chatroom deelnamen, werd gewaardeerd.

152 Derhalve moet de conclusie van de Commissie inzake de mededingingsbeperkende strekking van de op 25 april 2012 tussen de traders uitgewisselde informatie worden onderschreven.

153 Ten tweede moet met betrekking tot het gesprek van 19 juni 2012 worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit het door verzoeksters overgelegde uittreksel daarvan, de traders informatie hebben uitgewisseld over hun handelsactiviteiten, met name over het type klanten en de wisselkoersniveaus voor specifieke valutaparen (een trader van UBS om 6 h 42 min 12 s: „m/e sniffing in eurusd”, om 6 h 42 min 20 s: „passes here on teh 15th price”, een andere trader van UBS om 7 h 14 min 24 s: „got cable fromrm high 80s, lively last time he dealt”, een trader van HSBC om 7 h 15 min 02 s: „Russia gave me a fex clips off highs too”, en een trader van Barclays om 8 h 09 min 53 s: „lev guys selling eur”)

154 De tijdens het betrokken gesprek verstrekte informatie heeft dus betrekking op actuele en toekomstige transacties en vermeldt precies welke valutaparen en typen klanten daarbij betrokken zijn. Dergelijke informatie, die in beginsel alleen bekend is bij de trader en zijn klant, is commercieel gevoelig van aard.

155 Anders dan verzoeksters aanvoeren, doet het feit dat de uit het betrokken gesprek voortvloeiende verwijzingen naar klanten het niet mogelijk maken om specifieke klanten aan te wijzen, geen afbreuk aan het commercieel gevoelige karakter van dat gesprek. Een type klant is namelijk voldoende relevant om te bepalen of de met die klant gesloten transactie informatie verschaft over de marktbewegingen, hetgeen de traders die over die informatie beschikken een voordeel oplevert ten opzichte van hun concurrenten die niet aan de betrokken chatroom deelnemen. Bovendien wordt de relevantie van de mededeling van het type klant in kwestie bevestigd door de dankbetuiging van de trader van Credit Suisse na ontvangst van die informatie (om 6 h 42 min 25 s: „ta”).

156 Derhalve moet worden geoordeeld dat de tijdens het gesprek van 19 juni 2012 verstrekte informatie, gelet op de commercieel gevoelige aard, de nauwkeurigheid en de actualiteit ervan, niet kan worden beschouwd als louter algemene marktinformatie.

157 Ten derde blijkt uit het uittreksel van het gesprek van 3 juli 2012 dat de traders elkaar informatie hebben verstrekt over de orderstromen van klanten met betrekking tot valutaparen en een bepaald type klanten („rusky sells euros”, „seeing few usdjpy sellers”, „rusky sold cable”). De uitgewisselde informatie bevat weliswaar geen gegevens over de verhandelde bedragen of specifieke wisselkoersniveaus, maar dat feit alleen kan de rest van de uitgewisselde informatie geen algemeen karakter verlenen. De bekendmaking van informatie over orders, in dit geval verkoop- en aankooporders, over een bepaald valutapaar en over het type klant moet immers als commercieel gevoelig worden beschouwd. Bovendien geven verzoeksters geen andere verklaring voor het nut van het delen van dergelijke vertrouwelijke informatie in de betrokken chatroom, waarmee de verklaring die de Commissie in het bestreden besluit heeft gegeven, namelijk het voordeel dat de traders die die informatie hebben ontvangen, daaruit zouden hebben kunnen halen voor hun handelsstrategieën, in twijfel zou kunnen worden getrokken.

158 In die omstandigheden moet de conclusie van de Commissie dat het gesprek tussen de traders op 3 juli 2012 mededingingsbeperkend was, worden onderschreven.

159 Ten vierde blijkt uit het uittreksel van de uitwisseling van 4 juli 2012 dat om 8 h 46 min 30 s een trader van Barclays aan de andere deelnemers van de betrokken chatroom informatie meedeelde over het feit dat een bepaald type klant euro’s kocht („range guy buys eur”) en dat om 8 h 46 min 44 s een trader van UBS op zijn beurt informatie verstrekte over een aankoop van GBP/USD door een ander type klant („desert buys cable”). De trader van Credit Suisse bedankte hen enkele minuten later voor die informatie („ta”). Om 10 h 12 min 00 s vroeg de trader van Barclays aan de andere traders in de betrokken chatroom of zij op de hoogte waren van de verkoop van euro’s („anyone seeing this eur selling”). Om 10 h 25 min 39 s gaf dezelfde trader aan dat hij op de hoogte was van een type klant dat nog euro’s verkocht. Om 13 h 08 min 19 tot 21 s deelde een trader van UBS informatie mee over een type klant dat Britse ponden verkocht tegen Amerikaanse dollars („models in selling on the toy here”, „betty”), waarop de trader van Barclays antwoordde dat hij bevestigde hetzelfde te hebben geconstateerd („same”).

160 In dat verband moet worden opgemerkt dat de gedeelde informatie weliswaar geen betrekking heeft op de volumen of de wisselkoersniveaus die op die transacties van toepassing zijn, maar dat dergelijke vertrouwelijke informatie, anders dan verzoeksters betogen, niet als algemeen en geanonimiseerd kan worden beschouwd. Die informatie geeft de traders die deelnemen aan de betrokken chatroom namelijk inlichtingen over de specifieke valutahandelstransacties die met die traders zijn aangegaan door eveneens specifieke typen klanten – met betrekking tot de vraag of zij al dan niet geïnformeerd zijn – en die in beginsel alleen bekend zijn bij de traders die bij dergelijke transacties betrokken zijn.

161 Bovendien blijkt uit de vraag van de trader van Barclays dat het delen van die informatie tussen de traders die deelnamen aan de betrokken chatroom nuttig was om hun een voordeel te verschaffen ten opzichte van de andere marktdeelnemers die geen toegang hadden tot die informatie. In die omstandigheden kon het ter beschikking stellen van die informatie aan de traders, zoals de Commissie heeft gesteld, die professionals op dit gebied in staat stellen hun vertrouwen in de mogelijke koersontwikkeling van de besproken valutaparen te versterken, hetgeen hen in staat stelde beter geïnformeerde beslissingen te nemen met betrekking tot hun handelsstrategieën.

162 Derhalve heeft de Commissie op goede gronden aangenomen dat de gesprekken van 25 april, 19 juni en 3 en 4 juli 2012 betrekking hadden op commercieel gevoelige informatie die kon bijdragen tot het mededingingsbeperkende karakter van de informatie-uitwisselingen die in de betrokken chatroom hadden plaatsgevonden.

– Conclusies met betrekking tot de door verzoeksters specifiek betwiste gesprekken

163 Uit al het voorgaande volgt dat verzoeksters’ argumenten betreffende het ontbreken van een mededingingsbeperkend karakter van de informatie-uitwisselingen en het gebrek aan bewijzen uit de periode in kwestie om dat karakter aan te tonen, voor zover die argumenten gericht waren tegen de specifieke gesprekken die onder de in punt 73 hierboven genoemde eerste categorie vallen, moeten worden verworpen, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de informatie-uitwisseling van 9 mei 2012, aangezien die, anders dan de Commissie in het bestreden besluit heeft vastgesteld, het mededingingsbeperkende karakter van de aan Credit Suisse verweten informatie-uitwisselingen niet kan bevestigen. Wat die laatste uitwisseling betreft, moet hierna worden bepaald of die fout van de Commissie van invloed is op de gegrondheid van de conclusies met betrekking tot de aan Credit Suisse verweten inbreuk en de als gevolg daarvan opgelegde geldboete.

iii) Mededingingsbeperkend karakter van de niet specifiek betwiste gesprekken

164 Verzoeksters betwisten op algemene wijze het mededingingsbeperkende karakter van de gesprekken die zij hebben ingedeeld in de in punt 73 hierboven genoemde tweede en derde categorie. Zij betogen dat de in de overwegingen 126 tot en met 129, 142, 147, 183, 185 tot en met 195, 208, 210, 225 tot en met 228, 234 tot en met 238, 245 tot en met 250, 258 tot en met 275, 277 tot en met 280, 282 tot en met 285, 291 tot en met 295 en 473 van het bestreden besluit geanalyseerde gesprekken geen informatie hebben opgeleverd over de verwachte ontwikkeling van de wisselkoersen, gelet op de relatief geringe betrokken volumen. Voorts konden de in de overwegingen 113 tot en met 121, 184, 195, 204 tot en met 207, 211 tot en met 213 en 228 van het bestreden besluit geanalyseerde gesprekken slechts één mededingingsbeperkend doel hebben gehad, namelijk de trader die de informatie had onthuld „voor te zijn”.

165 Wat allereerst de in de overwegingen 126 tot en met 129, 142, 147 en 291 tot en met 295 van het bestreden besluit genoemde gesprekken betreft, die onder de in punt 73 hierboven genoemde tweede categorie vallen, en de in de overwegingen 113 tot en met 121 van het bestreden besluit genoemde gesprekken, die onder de in punt 73 hierboven genoemde derde categorie vallen, deze vallen niet onder het mededingingsbeperkende gedrag dat de Commissie in de overwegingen 337 tot en met 341 van dat besluit heeft vastgesteld.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken