Gerecht EU 29 september 2021, T-344/18, ECLI:EU:T:2021:637
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)
29 september 2021 ( *1 )
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt voor elektrolytische condensatoren van aluminium en elektrolytische condensatoren van tantaal – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Onderlinge afstemming van de prijzen in de volledige EER – Geldboeten – Gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten – Punt 26 van de mededeling inzake medewerking van 2006 – Vermindering van de geldboete – Punt 37 van de richtsnoeren van 2006 voor de berekening van geldboeten – Plafond van 10 % van de omzet – Volledige rechtsmacht”
In zaak T‑344/18,
Rubycon Corp., gevestigd te Ina (Japan),
Rubycon Holdings Co. Ltd, gevestigd te Ina,
vertegenwoordigd door J. Rivas Andrés en A. Federle, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Ernst, L. Wildpanner en F. van Schaik als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, ten eerste, nietigverklaring van besluit C(2018) 1768 final van de Commissie van 21 maart 2018 inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak AT.40136 – Condensatoren), voor zover dit betrekking heeft op verzoeksters, en, ten tweede, vermindering van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. J. Costeira (rapporteur), president, D. Gratsias, M. Kancheva, B. Berke en T. Perišin, rechters,
griffier: E. Artemiou, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 oktober 2020,
het navolgende
Arrest ( 1 )
I. Voorgeschiedenis van het geding
A. Verzoeksters en betrokken sector
1 Verzoeksters, Rubycon Corp. (hierna: „eerste verzoekster”) en Rubycon Holdings Co. Ltd (hierna: „tweede verzoekster”), zijn in Japan gevestigde vennootschappen. Eerste verzoekster vervaardigt en verkoopt elektrolytische condensatoren van aluminium. Sinds 1 februari 2007 bezit tweede verzoekster 100 % van het kapitaal van eerste verzoekster.
2 De betrokken inbreuk heeft betrekking op elektrolytische condensatoren van aluminium en elektrolytische condensatoren van tantaal. Condensatoren zijn elektrische componenten die energie elektrostatisch opslaan in een elektrisch veld. Elektrolytische condensatoren worden gebruikt in bijna alle elektronische producten, zoals pc’s, tablets, telefoons, airconditioners, koelkasten, wasmachines, automobielproducten en industriële apparaten. De klantenkring is derhalve zeer divers. Elektrolytische condensatoren, en meer in het bijzonder elektrolytische condensatoren van aluminium en elektrolytische condensatoren van tantaal, zijn producten waarvan de prijs een belangrijke mededingingsfactor vormt.
B. Administratieve procedure
3 Op 4 oktober 2013 hebben Panasonic en haar dochterondernemingen bij de Europese Commissie een verzoek tot verlening van een marker ingediend op grond van de punten 14 en 15 van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2006”), waarbij zij informatie verstrekten over het bestaan van een vermoede inbreuk in de sector van elektrolytische condensatoren.
4 Op 28 maart 2014 heeft de Commissie krachtens artikel 18 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) verschillende ondernemingen die actief zijn in de sector van elektrolytische condensatoren, waaronder verzoeksters, om inlichtingen verzocht.
5 Op 26 mei 2014 hebben verzoeksters bij de Commissie een verzoek ingediend dat strekte tot vermindering van de geldboete op grond van de mededeling inzake medewerking van 2006.
6 Op 4 november 2015 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld die zij onder meer tot verzoeksters heeft gericht. Verzoeksters hebben niet geantwoord op de mededeling van punten van bezwaar.
7 De adressaten van de mededeling van punten van bezwaar, waaronder verzoeksters, zijn door de Commissie gehoord tijdens de hoorzitting die van 12 tot 14 september 2016 heeft plaatsgevonden.
C. Bestreden besluit
8 Op 21 maart 2018 heeft de Commissie besluit C(2018) 1768 final inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak AT.40136 – Condensatoren) (hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld.
1. Inbreuk
9 Bij het bestreden besluit heeft de Commissie vastgesteld dat er sprake was van één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) in de sector van elektrolytische condensatoren, waaraan negen ondernemingen of groepen ondernemingen – te weten Elna, Hitachi AIC, Holy Stone, Matsuo, NEC Tokin, Nichicon, Nippon Chemi-Con, Sanyo (waarmee Sanyo en Panasonic samen worden aangeduid) en verzoeksters – hadden deelgenomen (hierna samen: „deelnemers aan de mededingingsregeling”) (overweging 1 en artikel 1 van het bestreden besluit).
10 De Commissie heeft in essentie opgemerkt dat de betrokken inbreuk tussen 26 juni 1998 en 23 april 2012 op het gehele grondgebied van de EER had plaatsgevonden en bestond in overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die tot doel hadden het prijsbeleid met betrekking tot de levering van elektrolytische condensatoren van aluminium en elektrolytische condensatoren van tantaal onderling af te stemmen (overweging 1 van het bestreden besluit).
11 De mededingingsregeling werd in hoofdzaak georganiseerd door middel van multilaterale bijeenkomsten, die over het algemeen in Japan werden gehouden, elke maand of om de maand op het niveau van de seniorsalesfunctionarissen en om de zes maanden op het niveau van de managers, waaronder de voorzitters (overwegingen 63, 68 en 738 van het bestreden besluit).
12 De multilaterale bijeenkomsten werden eerst, tussen 1998 en 2003, onder de naam „kring voor (de) elektrolytische condensator(en)” of „conferentie over elektrolytische condensatoren” (hierna: „ECC-bijeenkomsten”) georganiseerd. Vervolgens, tussen 2003 en 2005, werden zij onder de naam „aluminium-tantaalconferentie”, „groep voor aluminium- of tantaalcondensatoren” of „ATC-bijeenkomsten” georganiseerd. Ten slotte, tussen 2005 en 2012, werden zij onder de naam „marktanalysegroep” of „marketinggroep” (hierna: „MK-bijeenkomsten”) georganiseerd. Naast en ter aanvulling van de MK-bijeenkomsten werden tussen 2006 en 2008 bijeenkomsten inzake „kostenstijging” of „toename condensatoren” (hierna: „CUP-bijeenkomsten”) gehouden (overweging 69 van het bestreden besluit).
13 Naast die multilaterale bijeenkomsten hadden de deelnemers aan de mededingingsregeling naar behoefte ook bilaterale en trilaterale contacten ad hoc (overwegingen 63, 75 en 739 van het bestreden besluit) (hierna samen: „mededingingsbeperkende contacten”).
14 In het kader van de mededingingsbeperkende contacten wisselden de deelnemers aan de mededingingsregeling in essentie informatie uit over aangerekende en toekomstige prijzen, toekomstige prijsverlagingen en de bandbreedte daarvan, en vraag- en aanbodcijfers, ook voor de toekomst, en hebben zij in sommige gevallen prijsafspraken gemaakt, die werden toegepast en nageleefd (overwegingen 62, 715, 732 en 741 van het bestreden besluit).
15 De Commissie heeft de gedragingen van de deelnemers aan de mededingingsregeling aangemerkt als een vorm van overeenkomst en/of van onderling afgestemde feitelijke gedragingen die een gemeenschappelijk doel had, te weten prijsconcurrentie voorkomen en toekomstige gedragingen met betrekking tot de verkoop van elektrolytische condensatoren onderling afstemmen en daarmee de onzekerheid in de markt verminderen (overwegingen 726 en 731 van het bestreden besluit).
16 De Commissie is tot de slotsom gekomen dat die gedragingen één enkel mededingingsbeperkend doel hadden (overweging 743 van het bestreden besluit).
2. Aansprakelijkheid van verzoeksters
17 De Commissie heeft eerste verzoekster aansprakelijk gehouden wegens haar rechtstreekse deelname aan de mededingingsregeling van 26 juni 1998 tot 23 april 2012 [overweging 961 en artikel 1, onder h), van het bestreden besluit].
18 Voorts heeft de Commissie tweede verzoekster aansprakelijk geacht in haar hoedanigheid van moedermaatschappij, die het volledige aandelenkapitaal van eerste verzoekster in handen had, voor de periode van 1 februari 2007 tot 23 april 2012 [overwegingen 962 en 963 en artikel 1, onder h), van het bestreden besluit].
3. Aan verzoeksters opgelegde geldboeten
19 Bij artikel 2, onder k) en l), van het bestreden besluit is, ten eerste, aan eerste verzoekster een geldboete van 27718000 EUR „hoofdelijk” met tweede verzoekster opgelegd en, ten tweede, aan eerste verzoekster een geldboete van 706000 EUR.
4. Berekening van de geldboeten
20 Voor de berekening van de geldboeten heeft de Commissie de methode toegepast die wordt uiteengezet in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van [verordening nr. 1/2003] worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”) (overweging 980 van het bestreden besluit).
21 In de eerste plaats heeft de Commissie bij de vaststelling van het basisbedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten, overeenkomstig punt 13 van de richtsnoeren van 2006 rekening gehouden met de waarde van de verkopen in het laatste volledige jaar waarin zij aan de inbreuk hebben deelgenomen (overweging 989 van het bestreden besluit).
22 De Commissie heeft de waarde van de verkopen berekend op basis van de verkopen van elektrolytische condensatoren van aluminium en elektrolytische condensatoren van tantaal die aan klanten in de EER zijn gefactureerd (overweging 990 van het bestreden besluit).
23 Voorts heeft de Commissie de relevante waarde van de verkopen voor de twee productcategorieën, namelijk elektrolytische condensatoren van aluminium en elektrolytische condensatoren van tantaal, afzonderlijk berekend en daarop verschillende vermenigvuldigingsfactoren toegepast naargelang van de duur (overweging 991 van het bestreden besluit).
24 De Commissie heeft het deel van de waarde van de verkopen dat in aanmerking moest worden genomen in verband met de zwaarte van de inbreuk, vastgesteld op 16 %. In dit verband heeft zij zich op het standpunt gesteld dat horizontale „regelingen” tot onderlinge afstemming van de prijzen naar hun aard tot de zwaarste inbreuken op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst behoorden en dat de mededingingsregeling zich uitstrekte tot het gehele grondgebied van de EER (overwegingen 1001-1003 van het bestreden besluit).
25 Verder heeft de Commissie krachtens punt 25 van de richtsnoeren van 2006 een extra bedrag van 16 % toegevoegd om ervoor te zorgen dat de opgelegde geldboete voldoende afschrikkende werking had (overweging 1009 van het bestreden besluit).
26 Wat voorts de vermenigvuldigingsfactor in verband met de duur van de inbreuk betreft, heeft de Commissie krachtens punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 aan eerste verzoekster gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten in verband met de duur van de inbreuk verleend, welke immuniteit overeenkomt met de inbreukperiode van 26 juni 1998 tot 28 augustus 2003, op grond dat eerste verzoekster beslissend bewijsmateriaal had verschaft om additionele feiten aan te tonen waardoor de duur van de inbreuk voor die periode is toegenomen (zie overweging 1087 van het bestreden besluit).
27 Aldus heeft de Commissie voor eerste verzoekster een vermenigvuldigingsfactor van 8,65 vastgesteld, die overeenkomt met de periode van 29 augustus 2003 tot 23 april 2012 en geen rekening houdt met de periode van 26 juni 1998 tot 28 augustus 2003 (zie punt 26 hierboven). Wat tweede verzoekster betreft, heeft de Commissie een vermenigvuldigingsfactor van 5,22 vastgesteld, die overeenkomt met de periode van 1 februari 2007 tot 23 april 2012 (overweging 1007, tabel 1, en voetnoot 1658 van het bestreden besluit).
28 De Commissie heeft derhalve het basisbedrag van de geldboete voor eerste verzoekster vastgesteld op 61434000 EUR en dat voor tweede verzoekster op 39598000 EUR (overweging 1010 van het bestreden besluit).
29 Wat in de tweede plaats de aanpassingen van het basisbedrag van de geldboeten betreft, heeft de Commissie om te beginnen geweigerd om verzoeksters een aanvullende boetevermindering toe te kennen op grond van punt 37 van de richtsnoeren van 2006 (overwegingen 1052 en 1053 van het bestreden besluit).
30 Voorts is de Commissie voor verzoeksters niet van verzwarende of verzachtende omstandigheden uitgegaan (overweging 1054 van het bestreden besluit).
31 Vervolgens heeft de Commissie het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoelde plafond toegepast van 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald (overwegingen 1057 en 1058 van het bestreden besluit).
32 Ten slotte heeft de Commissie verzoeksters na toepassing van dat plafond van 10 %, krachtens punt 26, eerste alinea, tweede streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2006 een vermindering toegekend van 30 % van de geldboete die hun anders zou zijn opgelegd, aangezien zij van mening was dat verzoeksters als tweede onderneming bewijsmateriaal met significante toegevoegde waarde hadden overgelegd (punten 1082 en 1083 van het bestreden besluit).
33 Bovendien heeft de Commissie geweigerd om verzoeksters krachtens punt 26, derde alinea, gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten in verband met de zwaarte van de inbreuk toe te kennen op grond dat zij aan de hand van de door hen overgelegde bewijzen geen additionele feiten had kunnen aantonen waardoor de zwaarte van de inbreuk zou zijn toegenomen (overwegingen 1093-1096 van het bestreden besluit).
34 Derhalve heeft de Commissie het totaalbedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten vastgesteld op 28424000 EUR (overweging 1139 van het bestreden besluit). [omissis]
II. Procedure en conclusies van partijen
36 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 juni 2018, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
37 Op 27 september 2018 is het verweerschrift van de Commissie ter griffie van het Gerecht neergelegd.
38 De repliek en de dupliek zijn respectievelijk op 21 november 2018 en 29 januari 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegd.
39 Op voorstel van de Tweede kamer heeft het Gerecht de zaak overeenkomstig artikel 28 van zijn Reglement voor de procesvoering naar een uitgebreide kamer verwezen.
40 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Negende kamer (uitgebreid), aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.
41 Het Gerecht (Negende kamer – uitgebreid) heeft op voorstel van de rechter-rapporteur besloten om tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie van de procesgang partijen schriftelijke vragen gesteld en hun verzocht deze ter terechtzitting te beantwoorden.
42 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de schriftelijke en mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 21 oktober 2020.
43 Na het overlijden van rechter Berke op 1 augustus 2021 hebben de drie rechters die het onderhavige arrest hebben ondertekend de beraadslagingen voortgezet overeenkomstig artikel 22 en artikel 24, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
44 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover dit op hen betrekking heeft en, in het bijzonder, artikel 1, onder h), artikel 2, onder k) en l), en artikel 4 van het bestreden besluit nietig te verklaren; – het bedrag van de hun opgelegde geldboeten te verminderen; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
45 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
[omissis]
B. Ten gronde
53 Verzoeksters voeren twee middelen aan tot staving van zowel hun vorderingen tot nietigverklaring van de hun opgelegde geldboeten als hun vorderingen tot vermindering van die geldboeten. Het eerste middel betreft de weigering van de Commissie om verzoeksters op grond van het door hen overgelegde bewijsmateriaal betreffende additionele feiten waardoor de zwaarte van de inbreuk is toegenomen, gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten te verlenen. Het tweede middel betreft de weigering van de Commissie om af te wijken van de algemene methode van de richtsnoeren van 2006 en een vermindering van de geldboete op grond van punt 37 van die richtsnoeren toe te kennen.
1. Middelen inzake nietigverklaring van het bestreden besluit
[omissis]
a) Eerste middel: weigering van de Commissie om verzoeksters op grond van het door hen overgelegde bewijsmateriaal betreffende additionele feiten waardoor de zwaarte van de inbreuk toeneemt, gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten te verlenen
59 In het kader van het eerste middel betogen verzoeksters in essentie dat de Commissie ten onrechte heeft geweigerd hun op grond van punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten toe te kennen, aangezien de Commissie aan de hand van het door hen verschafte bewijsmateriaal met betrekking tot de ECC- en CUP-bijeenkomsten de Commissie in staat heeft gesteld de zwaarte van de inbreuk te doen toenemen. [omissis]
2) Tweede onderdeel van het eerste middel: onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006
[omissis]
i) Eerste grief: onjuiste rechtsopvatting doordat de Commissie verzoeksters aansprakelijk heeft geacht voor hun deelname aan de ECC-bijeenkomsten en de CUP-bijeenkomsten
78 Volgens verzoeksters heeft de Commissie het door hen overgelegde bewijsmateriaal betreffende de CUP-bijeenkomsten en de ECC-bijeenkomsten ten onrechte gebruikt om hen aansprakelijk te stellen voor alle bestanddelen van de inbreuk, daaronder begrepen die bijeenkomsten. Verzoeksters stellen dat zij immers als eersten bewijsmateriaal hebben overgelegd betreffende de CUP-bijeenkomsten, waarvan het bestaan tot op dat tijdstip bij de Commissie onbekend was. Voorts betogen verzoeksters dat zij als enigen bewijsmateriaal met betrekking tot de ECC-bijeenkomsten hebben overgelegd.
79 De Commissie betwist deze argumenten.
80 In casu moet worden vastgesteld dat de Commissie, ten eerste, eerste verzoekster aansprakelijk heeft gesteld wegens haar rechtstreekse deelname aan de mededingingsregeling van 26 juni 1998 tot 23 april 2012 en tweede verzoekster aansprakelijk heeft geacht in haar hoedanigheid van moedermaatschappij van eerste verzoekster voor de periode van 1 februari 2007 tot 23 april 2012 (zie de punten 17 en 18 hierboven).
81 Ten tweede heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat verzoeksters als enigen bewijsmateriaal hadden overgelegd over de mededingingsbeperkende contacten die van 1998 tot 2004 hadden plaatsgevonden, met uitzondering van een contact dat in de loop van 2003 had plaatsgevonden, en dat dit bewijsmateriaal haar in staat had gesteld de duur van de inbreuk te doen toenemen voor de periode van 26 juni 1998 tot 28 augustus 2003 (overweging 1080 en voetnoten 1708 en 1709 van het bestreden besluit).
82 Voorts was de Commissie van mening dat verzoeksters als eersten bewijsmateriaal met betrekking tot de CUP-bijeenkomsten hadden overgelegd (overwegingen 1080 en 1096 en voetnoot 1710 van het bestreden besluit) en dat zij op basis van dat bewijsmateriaal een ander functioneel aspect van de mededingingsregeling had ontdekt, namelijk het bestaan, de aard en de inhoud van de CUP-bijeenkomsten, die tussen 2006 en 2008 waren georganiseerd (overweging 1080 en voetnoot 1710 van het bestreden besluit).
83 Op grond van die overwegingen heeft de Commissie, ten eerste, eerste verzoekster op grond van punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten toegekend voor de inbreukperiode van 26 juni 1998 tot 28 augustus 2003. Hoewel de Commissie eerste verzoekster aansprakelijk heeft gesteld wegens haar rechtstreekse deelname aan de mededingingsregeling in de periode van 26 juni 1998 tot 23 april 2012, heeft zij bij de vaststelling van de vermenigvuldigingsfactor voor de duur van de deelname aan de inbreuk namelijk geen rekening gehouden met de periode van 26 juni 1998 tot 28 augustus 2003 (zie de punten 17 en 26 hierboven).
84 Aldus heeft de Commissie het standpunt ingenomen dat de periode die overeenkomt met die gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten, die was toegekend met betrekking tot de duur van de inbreuk, de periode omvatte waarin alle ECC-bijeenkomsten hebben plaatsgevonden, met uitzondering van de bijeenkomst van 7 november 2003 (zie de overwegingen 78 en 80 en voetnoot 128 van het bestreden besluit en de punten 12 en 26 hierboven).
85 Ten tweede was de Commissie van mening dat het door verzoeksters overgelegde bewijsmateriaal betreffende de ECC-bijeenkomsten en de CUP-bijeenkomsten haar niet in staat had gesteld additionele feiten aan te tonen waardoor de zwaarte van de inbreuk zou zijn toegenomen. Bijgevolg heeft de Commissie geweigerd om verzoeksters op grond van punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten in verband met de zwaarte van de inbreuk toe te kennen (zie punt 33 hierboven).
86 Voorts heeft de Commissie zich op basis van al het door verzoeksters overgelegde bewijsmateriaal op het standpunt gesteld dat zij moesten worden beschouwd als de tweede onderneming die bewijsmateriaal met een significante toegevoegde waarde had verstrekt (punten 1082 en 1083 van het bestreden besluit). Bijgevolg heeft de Commissie verzoeksters overeenkomstig punt 26, eerste alinea, tweede streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2006 een vermindering toegekend van 30 % van de geldboete die hun anders zou zijn opgelegd (zie punt 32 hierboven).
87 In die context moet worden opgemerkt dat de Commissie, anders dan verzoeksters stellen, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door hen aansprakelijk te stellen voor de inbreuk in de in punt 80 hierboven genoemde bewoordingen.
88 De gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten waarin punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 voorziet, betreft immers alleen het bedrag van de geldboete. Zoals in punt 75 hierboven in herinnering is gebracht, vloeit uit het feit dat is voldaan aan de voorwaarden om voor die gedeeltelijke immuniteit in aanmerking te komen, alleen voort dat de Commissie zich niet op het betrokken bewijsmateriaal kan baseren om de zwaarte of de duur van de inbreuk van de verzoeker om clementie vast te stellen. Anders gezegd, in dat geval houdt de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete geen rekening met die feiten.
89 De gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten waarin punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 voorziet, heeft dus geen invloed op de mate waarin ondernemingen die dergelijke immuniteit genieten voor de inbreuk aansprakelijk worden gesteld. [omissis]
91 De eerste grief van het tweede onderdeel van het eerste middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting voor zover de Commissie verzoeksters aansprakelijk heeft gesteld voor hun deelname aan de ECC-bijeenkomsten en de CUP-bijeenkomsten, moet dus worden afgewezen.
ii) Tweede grief: onjuiste rechtsopvatting doordat de Commissie tot de conclusie is gekomen dat het door verzoeksters overgelegde bewijsmateriaal geen invloed had op de zwaarte van de inbreuk
92 Verzoeksters betwisten de conclusie van de Commissie in de punten 1094 en 1096 van het bestreden besluit dat het door hen overgelegde bewijsmateriaal met betrekking tot de ECC-bijeenkomsten en de CUP-bijeenkomsten geen invloed had op de zwaarte van de inbreuk. Volgens verzoeksters kon op basis van dat bewijsmateriaal worden aangetoond dat de inbreuk ook betrekking had op prijsafspraken en dus niet beperkt was tot de uitwisseling van informatie over prijzen en vraag- en aanbodcijfers. Zij stellen dat dit bewijsmateriaal voorts aantoont dat er een rapporteringsmechanisme en een toezichtsmechanisme waren opgezet om de naleving van de prijsafspraken door de ondernemingen te waarborgen. Bijgevolg was dat bewijsmateriaal beslissend voor de toename van de zwaarte van de inbreuk. Ter ondersteuning van hun standpunt beroepen verzoeksters zich op de arresten van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie (C‑603/13 P, EU:C:2016:38), en 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie (T‑109/02, T‑118/02, T‑122/02, T‑125/02, T‑126/02, T‑128/02, T‑129/02, T‑132/02 en T‑136/02, EU:T:2007:115).
93 De Commissie betwist deze argumenten.
94 Zoals in de punten 73 en 74 hierboven in herinnering is gebracht, is voor de toekenning van de gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten waarin punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 voorziet, vereist dat aan verschillende voorwaarden is voldaan, te weten dat de betrokken onderneming als eerste beslissend bewijsmateriaal in de zin van punt 25 van die mededeling heeft verschaft, dat dit bewijsmateriaal het mogelijk maakt om feiten aan te tonen bovenop die welke de Commissie kan aantonen, en dat door die additionele feiten de zwaarte of de duur van de inbreuk toeneemt.
95 Daaruit vloeit voort dat het voor de toepassing van punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 niet voldoende is dat bewijsmateriaal beslissend is in de zin van punt 25 van die mededeling, maar dat dit bewijsmateriaal de Commissie ook in staat moet stellen om additionele feiten aan te tonen waardoor de zwaarte of de duur van de inbreuk toeneemt (arrest van 29 februari 2016, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑267/12, niet gepubliceerd, EU:T:2016:110, punt 405).
96 In casu heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat eerste verzoekster als enige bewijsmateriaal met betrekking tot de ECC-bijeenkomsten had overgelegd en dat verzoeksters als eersten bewijsmateriaal met betrekking tot de CUP-bijeenkomsten hadden overgelegd. De Commissie was van mening dat het door eerste verzoekster overgelegde bewijsmateriaal met betrekking tot de ECC-bijeenkomsten haar in staat had gesteld de duur van de inbreuk te doen toenemen, en heeft eerste verzoekster derhalve gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten verleend voor de periode van 26 juni 1998 tot 28 augustus 2003 (zie de punten 80-84 hierboven).
97 De Commissie was evenwel van mening dat dit bewijsmateriaal, met name het bewijsmateriaal met betrekking tot de CUP-bijeenkomsten, haar niet in staat had gesteld additionele feiten aan te tonen waardoor de zwaarte van de inbreuk zou zijn toegenomen (punten 1094 en 1096 van het bestreden besluit). Bijgevolg heeft zij geweigerd om verzoeksters gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten in verband met de zwaarte van de inbreuk toe te kennen (zie punt 85 hierboven).
98 Dienaangaande blijkt uit het bestreden besluit dat de Commissie van mening was dat de partijen tijdens de gehele duur van de mededingingsregeling informatie over prijzen en vraag- en aanbodcijfers hadden uitgewisseld en dat de ondernemingen tijdens bepaalde ECC- en CUP-bijeenkomsten inderdaad prijsafspraken hadden gemaakt. Volgens de Commissie maakten echter zowel de onderling afgestemde feitelijke gedragingen als de prijsafspraken, als uitingsvormen van de heimelijke gedragingen in de onderhavige zaak, deel uit van dezelfde ernstige inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU. Het feit dat de partijen niet alleen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen, maar ook aan prijsafspraken hebben deelgenomen, had dus geen enkele invloed op de zwaarte van de inbreuk. Voorts verschilden de ECC-bijeenkomsten en de CUP-bijeenkomsten volgens de Commissie niet wezenlijk van de andere in punt 12 hierboven genoemde multilaterale bijeenkomsten, die deel uitmaakten van dezelfde enkele voortdurende inbreuk waarop het bestreden besluit betrekking heeft (zie de overwegingen 72, 1094 en 1096 van het bestreden besluit).
99 Wat met name de CUP-bijeenkomsten betreft, was de Commissie van mening dat, gezien de periode waarin die bijeenkomsten plaatsvonden en gelet op de aard ervan en op het feit dat zij gelijktijdig met de MK-bijeenkomsten werden gehouden, de bekendmaking door verzoeksters van het bestaan van deze CUP-bijeenkomsten er niet toe had geleid dat de duur of de zwaarte van de inbreuk toenamen (zie overweging 1096 van het bestreden besluit).
100 Ook met betrekking tot het toezicht dat in het kader van de CUP-bijeenkomsten werd uitgeoefend, heeft de Commissie het standpunt ingenomen dat dit toezicht geen specifiek kenmerk van de mededingingsregeling was dat de zwaarte van de inbreuk kon beïnvloeden, met name gelet op het feit dat de ondernemingen in het algemeen en buiten de CUP-bijeenkomsten om toezicht hielden op elkaars gedragingen (zie overweging 716 van het bestreden besluit).
101 De Commissie is derhalve tot de slotsom gekomen dat noch de ECC-bijeenkomsten noch de CUP-bijeenkomsten van een andere aard waren dan de andere uitingsvormen van de heimelijke gedragingen in de onderhavige zaak, die alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen en/of prijsafspraken vormden die deel uitmaakten van dezelfde ernstige inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU. Wat in het bijzonder de CUP-bijeenkomsten betreft, heeft de Commissie vastgesteld dat de inbreuk zelfs zonder die bijeenkomsten even lang had geduurd en een even zware inbreuk op de mededingingsregels vormde.
102 Het betoog van verzoeksters doet niet af aan die vaststellingen.
103 In dit verband zij eraan herinnerd dat het wezenlijke element van het begrip „overeenkomst” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, zoals uitgelegd in de rechtspraak, het bestaan is van een wilsovereenstemming tussen ten minste twee partijen, ongeacht de vorm die daaraan wordt gegeven, voor zover hij de getrouwe weergave van die wilsovereenstemming is (zie arrest van 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie, T‑655/11, EU:T:2015:383, punt 413 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
104 Voorts is de onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van diezelfde bepaling een vorm van coördinatie tussen ondernemingen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke onderlinge samenwerking (zie arrest van 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie, T‑655/11, EU:T:2015:383, punt 414 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105 Volgens vaste rechtspraak omvatten de begrippen „overeenkomst” en „onderling afgestemde feitelijke gedraging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU samenspanningsvormen van dezelfde aard die alleen verschillen in de intensiteit en in de vorm waarin zij zich manifesteren (zie arrest van 5 december 2013, Solvay Solexis/Commissie, C‑449/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:802, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, EU:C:1999:356, punt 132).
106 De begrippen „overeenkomst” en „onderling afgestemde feitelijke gedraging” hebben dus ten dele verschillende bestanddelen, doch sluiten elkaar niet uit. De Commissie is derhalve niet verplicht elk van de vastgestelde gedragingen als overeenkomst of als onderling afgestemde feitelijke gedraging te kwalificeren, maar kan terecht sommige van die gedragingen als „overeenkomst” en andere als „onderling afgestemde feitelijke gedraging” kwalificeren (zie in die zin arresten van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, EU:C:1999:356, punt 132, en 16 juni 2015, FSL e.a./Commissie, T‑655/11, EU:T:2015:383, punt 453).
107 Aldus moet de dubbele kwalificatie van de inbreuk als overeenkomst „en/of” onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden gezien als de aanduiding van een complex geheel van feitelijke bestanddelen, waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, dat voor dit soort complexe inbreuken niet in een specifieke kwalificatie voorziet (zie in die zin arrest van 17 mei 2013, MRI/Commissie, T‑154/09, EU:T:2013:260, punt 165 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
108 Dat is in casu het geval. In het bestreden besluit heeft de Commissie immers vastgesteld dat er sprake was van één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, die bestond in overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die tot doel hadden het prijsbeleid in de sector van elektrolytische condensatoren van aluminium en elektrolytische condensatoren van tantaal te coördineren (zie de punten 9 en 10 hierboven).
109 In het bijzonder blijkt uit de overwegingen 704 tot en met 743 van het bestreden besluit dat de Commissie van mening was dat, aangezien de betrokken inbreuk complex en van lange duur was, zij niet werd geacht de gedragingen als overeenkomst of als onderling afgestemde feitelijke gedragingen aan te merken. In dit verband heeft de Commissie allereerst het standpunt ingenomen dat de in de punten 12 en 13 hierboven genoemde mededingingsbeperkende contacten allemaal hetzelfde mededingingsbeperkende doel hadden, namelijk de coördinatie van het prijsbeleid. Vervolgens heeft de Commissie erop gewezen dat de gedragingen van de ondernemingen tegelijkertijd betrekking hadden op de uitwisseling van informatie over de prijzen, de uitwisseling van informatie over vraag- en aanbodcijfers en het maken van prijsafspraken, waarvan de toepassing werd gewaarborgd met een toezichtsmechanisme. Voorts was de Commissie van mening dat dit toezichtsmechanisme geen specifiek kenmerk van de mededingingsregeling was, aangezien de ondernemingen, ongeacht het bestaan van een dergelijk mechanisme, in het algemeen toezicht uitoefenden op elkaars gedragingen. Ten slotte heeft de Commissie vastgesteld dat die gedragingen de vorm hadden van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen en een algemeen plan volgden met één enkel mededingingsbeperkend doel.
110 Het is zeker juist dat de Commissie de ECC-bijeenkomsten en de CUP-bijeenkomsten in het bestreden besluit aanmerkt als voorbeelden van multilaterale bijeenkomsten waarop de ondernemingen prijsafspraken hebben gemaakt, waarvan de toepassing werd gewaarborgd door een toezichtsmechanisme [overweging 715, onder c), van het bestreden besluit].
111 Dat neemt echter niet weg dat de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat alle in punt 12 hierboven beschreven multilaterale bijeenkomsten gemeenschappelijke kenmerken hadden en dat het voorwerp van de besprekingen op die multilaterale bijeenkomsten gedurende de gehele inbreukperiode hetzelfde of grotendeels hetzelfde was gebleven (overwegingen 70-72 en 741 van het bestreden besluit). Verder was zij van mening dat het toezichtsmechanisme geen specifiek kenmerk van de mededingingsregeling was, aangezien de ondernemingen algemeen toezicht op elkaar uitoefenden buiten dat mechanisme om (overweging 716 van het bestreden besluit).
112 In het licht van de in de punten 105 tot en met 107 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak moet dan ook worden opgemerkt dat de Commissie in het kader van de onderhavige complexe inbreuk, waarbij verschillende ondernemingen waren betrokken die gedurende meerdere jaren een gemeenschappelijk doel nastreefden, namelijk de coördinatie van het prijsbeleid, niet verplicht was elk van de inbreukmakende gedragingen nauwkeurig te kwalificeren als „overeenkomst” of „onderling afgestemde feitelijke gedraging”. Hoe dan ook vallen beide vormen van inbreuk onder artikel 101 VWEU.
113 Daaruit vloeit voort dat in casu geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de beweerde hogere zwaarte van de „overeenkomsten” ten opzichte van de lagere zwaarte van de „onderling afgestemde feitelijke gedragingen”. In een context als de onderhavige, waarin de inbreukmakende gedragingen zonder onderscheid als overeenkomsten „en/of” onderling afgestemde feitelijke gedragingen zijn gekwalificeerd en elk van die gedragingen bevestigt dat er sprake is van een complexe, enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU, kan een nauwkeurige kwalificatie van die gedragingen als overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen immers niet leiden tot de vaststelling dat elke gedraging een andere zwaarte heeft.
114 Integendeel, een nauwkeurige kwalificatie van elke inbreukmakende gedraging die deel uitmaakt van de mededingingsregeling als overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging kan geen invloed hebben op de zwaarte van de inbreuk, aangezien beide vormen van inbreuk in artikel 101, lid 1, VWEU worden genoemd en daarin niet is voorzien in een specifieke kwalificatie voor een complex soort inbreuk, zoals de betrokken inbreuk.
115 Verder moet worden opgemerkt dat de arresten van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie (C‑603/13 P, EU:C:2016:38), en 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie (T‑109/02, T‑118/02, T‑122/02, T‑125/02, T‑126/02, T‑128/02, T‑129/02, T‑132/02, en T‑136/02, EU:T:2007:115), waarop verzoeksters zich beroepen, geen enkele steun bieden voor hun standpunt. Anders dan in de onderhavige zaak, hadden de zaken die tot die twee arresten hebben geleid betrekking op situaties van geringere deelname of zelfs niet-deelname aan bepaalde onderdelen van de mededingingsregeling, zoals het compensatiestelsel of het toezichtsmechanisme (zie arresten van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie, C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punten 28, 29, 78, 86 en 93, en 26 april 2007, Bolloré e.a./Commissie, T‑109/02, T‑118/02, T‑122/02, T‑125/02, T‑126/02, T‑128/02, T‑129/02, T‑132/02, en T‑136/02, EU:T:2007:115, punten 418, 439, 563 en 566). Evenmin is er in de onderhavige zaak, anders dan in die zaken, sprake van een toezichtsmechanisme of een ander autonoom mechanisme als afzonderlijk onderdeel van de inbreuk waarop het bestreden besluit betrekking heeft.
116 In casu blijkt uit het bestreden besluit ten eerste dat de Commissie het deel van de waarde van de verkopen dat wordt bepaald door de zwaarte van de inbreuk, heeft vastgesteld op 16 %. Dienaangaande heeft de Commissie rekening gehouden met de aard van de inbreuk, namelijk het feit dat het ging om horizontale „regelingen” tot onderlinge afstemming van de prijzen, die tot de zwaarste inbreuken op artikel 101 VWEU behoren. Voorts heeft zij rekening gehouden met de geografische reikwijdte van de inbreuk, waarbij zij aangaf dat die de gehele EER bestreek (zie punt 24 hierboven).
117 Ten tweede was de Commissie van mening dat het tijdens de CUP-bijeenkomsten besproken toezichtsmechanisme geen specifiek kenmerk van de mededingingsregeling was, aangezien de ondernemingen algemeen toezicht op elkaar uitoefenden buiten dat mechanisme om (zie punt 111 hierboven).
118 Anders dan in de zaken die hebben geleid tot de in punt 115 hierboven aangehaalde arresten, heeft de in casu aan de orde zijnde inbreuk dus geen andere bestanddelen die losstaan van het geheel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot coördinatie van het prijsbeleid waaruit de onderhavige inbreuk bestaat. Met name maakten de CUP-bijeenkomsten deel uit van dat geheel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen en vertoonden zij geen bijzonderheden die een specifieke weerslag op de zwaarte van de inbreuk konden hebben (zie de punten 98 en 99 hierboven).
119 Gelet op een en ander moet worden opgemerkt dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat verzoeksters geen bewijsmateriaal hadden overgelegd op basis waarvan additionele feiten konden worden aangetoond waardoor de zwaarte van de inbreuk toenam.
120 De tweede grief van het tweede onderdeel van het eerste middel moet dus worden afgewezen. [omissis]
3) Derde onderdeel van het eerste middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
131 In het kader van het derde onderdeel van het eerste middel betogen verzoeksters dat de Commissie hun een vermindering van het basisbedrag van de geldboete met ten minste 3 % had moeten toekennen, hetgeen overeenkomt met de vermindering die zij heeft toegekend aan andere ondernemingen waarvan de deelname aan bepaalde groepen bijeenkomsten niet was aangetoond, te weten Sanyo, NEC Tokin (Nec Corp. en Tokin Corp.), Matsuo en Nichicon. Door dit niet te doen, heeft de Commissie de deelnemers aan de mededingingsregeling die feiten van de inbreuk met betrekking tot bepaalde groepen van bijeenkomsten hebben verzwegen, gunstiger behandeld dan verzoeksters, die het bestaan van een van die groepen van bijeenkomsten bekend hebben gemaakt.
132 De Commissie betwist deze argumenten. [omissis]
134 In casu berust het argument van verzoeksters op een onjuiste vergelijking tussen de notie van gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten zoals bedoeld in punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006, en de verzachtende omstandigheden die de Commissie in aanmerking moet nemen, zoals die welke zijn genoemd in punt 29 van de richtsnoeren van 2006.
135 In de eerste plaats is de situatie van verzoeksters immers feitelijk niet vergelijkbaar met die van de door hen genoemde andere deelnemers aan de mededingingsregeling.
136 Wat ten eerste de deelname aan de CUP-bijeenkomsten en de MK-bijeenkomsten betreft, moet worden vastgesteld dat de Commissie van mening was dat eerste verzoekster daaraan had deelgenomen (zie de overwegingen 88 en 95 van het bestreden besluit), hetgeen verzoeksters overigens niet betwisten.
137 De Commissie heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat niet was aangetoond dat Sanyo, NEC Tokin en Matsuo aan de CUP-bijeenkomsten hadden deelgenomen en dat er geen bewijs was dat zij van die bijeenkomsten op de hoogte waren (overwegingen 754, 759 en 764 van het bestreden besluit). Evenzo was de Commissie van mening dat niet was aangetoond dat Nichicon aan de MK-bijeenkomsten had deelgenomen en dat er geen bewijs was dat Nichicon van die bijeenkomsten op de hoogte was (overweging 761 van het bestreden besluit).
138 Wat ten tweede de medewerking aan het onderzoek van de Commissie betreft, moet worden vastgesteld dat verzoeksters, anders dan Sanyo, NEC Tokin, Matsuo en Nichicon, bewijsmateriaal hebben overgelegd op basis waarvan de Commissie het bestaan, de aard en de inhoud van de CUP-bijeenkomsten heeft kunnen vaststellen (zie punt 82 hierboven).
139 De feitelijke situatie van verzoeksters en die van Sanyo, NEC Tokin, Matsuo en Nichicon zijn dus wezenlijk verschillend.
140 In de tweede plaats zijn beide situaties uit juridisch oogpunt niet vergelijkbaar. Enerzijds moest de Commissie beoordelen of het feit dat Sanyo, NEC Tokin, Matsuo en Nichicon niet hadden deelgenomen aan bepaalde mededingingsbeperkende contacten, in aanmerking moest worden genomen als verzachtende omstandigheid in de zin van punt 29 van de richtsnoeren van 2006. Anderzijds diende de Commissie in het kader van de mededeling inzake medewerking van 2006 te beoordelen of de medewerking van verzoeksters aan haar onderzoek ertoe moest leiden dat hun gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten werd verleend.
141 In dit verband zij eraan herinnerd dat de betrokkene in het geval van inbreuken die binnen de werkingssfeer van de mededeling inzake medewerking van 2006 vallen, de Commissie in beginsel niet op goede gronden kan verwijten dat zij de omvang van zijn medewerking buiten het rechtskader van die mededeling om niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen (zie arrest van 29 februari 2016, EGL e.a./Commissie, T‑251/12, niet gepubliceerd, EU:T:2016:114, punt 190 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
142 Derhalve kan de door verzoeksters verleende medewerking niet worden beschouwd als medewerking buiten de mededeling inzake medewerking van 2006 om, met name niet als verzachtende omstandigheid in de zin van punt 29 van de richtsnoeren van 2006. In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens het vierde streepje van dat punt het feit dat de betrokken onderneming daadwerkelijk haar medewerking verleent buiten de mededeling betreffende de vermindering van geldboeten om en los van haar wettelijke verplichting om medewerking te verlenen, kan worden beschouwd als een verzachtende omstandigheid die tot een verlaging van het basisbedrag van de geldboete kan leiden.
143 Voorts zijn, anders dan uit het betoog van verzoeksters blijkt, de voorwaarden die de toepassing van verzachtende omstandigheden kunnen rechtvaardigen, geenszins vergelijkbaar met die welke voor de toepassing van de gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten gelden, met name wat de beoordeling van de zwaarte van de betrokken feiten betreft.
144 Zoals uit de rechtspraak voortvloeit staat het de Commissie vrij om bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk in de zin van artikel 23 van verordening nr. 1/2003 of bij de aanpassing van het basisbedrag op grond van verzachtende of verzwarende omstandigheden, het relatieve gewicht van de deelname van een onderneming aan een inbreuk en de bijzondere omstandigheden van de zaak in aanmerking te nemen (arrest van 11 juli 2013, Team Relocations e.a./Commissie, C‑444/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:464, punten 104 en 105; zie ook arrest van 26 januari 2017, Laufen Austria/Commissie, C‑637/13 P, EU:C:2017:51, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
145 Uit punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 blijkt daarentegen dat gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten met name wordt verleend wanneer een verzoeker om clementie de Commissie bewijsmateriaal verschaft dat de Commissie vervolgens gebruikt om additionele feiten aan te tonen waardoor de zwaarte van de inbreuk toeneemt, dat wil zeggen de totale zwaarte van de inbreuk.
146 In casu is ten eerste bij de vermindering met 3 % die aan Sanyo, NEC Tokin, Matsuo en Nichicon werd toegekend, rekening gehouden met de relatieve zwaarte van hun deelname aan de inbreuk, en zelfs met het feit dat zij niet aan bepaalde groepen bijeenkomsten hadden deelgenomen.
147 Ten tweede is de weigering om verzoeksters gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten toe te kennen in verband de zwaarte van de inbreuk gebaseerd op het feit dat het bewijsmateriaal betreffende met name de CUP-bijeenkomsten de Commissie niet in staat had gesteld de algemene zwaarte van de inbreuk te doen toenemen (zie de punten 33 en 97 hierboven).
148 Daaruit volgt dat in casu niet is aangetoond dat verzoeksters minder gunstig zijn behandeld, aangezien hun situatie en die van bovengenoemde ondernemingen feitelijk noch rechtens vergelijkbaar zijn.
149 Het derde onderdeel van het eerste middel, en bijgevolg het eerste middel in zijn geheel, moeten dus worden afgewezen.
b) Tweede middel: weigering van de Commissie om af te wijken van de algemene methode van de richtsnoeren van 2006 en om een vermindering van de geldboete op grond van punt 37 van die richtsnoeren toe te kennen
[omissis]
2) Tweede onderdeel van het tweede middel: onjuiste rechtsopvatting en schending van het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties
169 Met het tweede onderdeel van hun tweede middel stellen verzoeksters dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties heeft geschonden doordat zij heeft geweigerd om af te wijken van de in de richtsnoeren van 2006 neergelegde algemene methode en hun een extra vermindering van de geldboete op basis van punt 37 van die richtsnoeren toe te kennen. [omissis]
174 De Commissie brengt hier in essentie tegen in dat zij in casu niet verplicht was om af te wijken van de in de richtsnoeren van 2006 neergelegde algemene methode.
175 Om te beginnen zij opgemerkt dat de richtsnoeren van 2006, zoals in punt 58 hierboven in herinnering is gebracht, een gedragsregel voor de te volgen praktijk vormen waarvan de Commissie in een concreet geval niet mag afwijken zonder redenen te geven die verenigbaar zijn met onder meer het beginsel van gelijke behandeling.
176 Voorts moeten de stappen in herinnering worden gebracht die de Commissie in casu heeft gevolgd voor de berekening van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten. Dienaangaande blijkt uit het dossier allereerst dat het basisbedrag van de aan eerste verzoekster op te leggen geldboete is berekend zonder rekening te houden met de periode van 26 juni 1998 tot 28 augustus 2003, aangezien de Commissie haar voor die periode gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten had toegekend op grond van punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 (zie punt 26 hierboven).
177 Aldus heeft de Commissie na de in de punten 21 tot en met 27 hierboven in herinnering gebrachte stappen het basisbedrag van de aan eerste verzoekster op te leggen geldboete vastgesteld op 61434000 EUR en dat van de aan tweede verzoekster op te leggen geldboete op 39598000 EUR.
178 Vervolgens heeft de Commissie, aangezien het basisbedrag van de aan eerste verzoekster op te leggen geldboete meer bedroeg dan het plafond van 10 % van haar omzet in het voorafgaande boekjaar, die grens toegepast, en bijgevolg is het basisbedrag van de geldboete overeenkomstig artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 verlaagd tot 40606385 EUR (zie punt 31 hierboven).
179 Ten slotte heeft de Commissie op dit basisbedrag van 40606385 EUR een vermindering van 30 % toegepast op grond van punt 26, eerste alinea, tweede streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2006. Het totale bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten bedraagt dus 28424000 EUR (zie de punten 32 en 34 hierboven).
180 De argumenten van verzoeksters moeten tegen de achtergrond van die overwegingen worden onderzocht.
181 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat verzoeksters ten onrechte stellen dat uit de rechtspraak volgt dat de Commissie verplicht is om af te wijken van de algemene methode van de richtsnoeren van 2006 op grond dat het gebruik van de in die richtsnoeren neergelegde methode ertoe leidt dat het plafond van 10 % van de omzet op verschillende deelnemers aan de mededingingsregeling wordt toegepast.
182 Anders dan verzoeksters stellen, vindt hun betoog geen steun in het arrest van 16 juni 2011, Putters International/Commissie (T‑211/08, EU:T:2011:289). In dit verband moet worden geconstateerd dat het Gerecht in punt 75 van dat arrest allereerst inderdaad heeft opgemerkt dat de vermenigvuldiging van het bedrag dat op basis van de waarde van de verkopen wordt vastgesteld met het aantal jaren van deelname aan de inbreuk met zich kon brengen dat in het kader van de richtsnoeren van 2006 de toepassing van het plafond van 10 % als bedoeld in artikel 23 van verordening nr. 1/2003 eerder de regel dan de uitzondering werd voor elke onderneming die hoofdzakelijk op één markt actief was en die langer dan één jaar aan een mededingingsregeling had deelgenomen. Voorts was het Gerecht van oordeel dat in dat geval elke differentiatie in het licht van de ernst van de inbreuk of van verzachtende omstandigheden normaal gezien geen weerslag meer zou kunnen hebben op een geldboete die werd afgetopt om te worden teruggebracht tot 10 %.
183 In punt 75 van het arrest van 16 juni 2011, Putters International/Commissie (T‑211/08, EU:T:2011:289), heeft het Gerecht echter allereerst alleen opgemerkt dat het wegens het ontbreken van differentiatie als gevolg van de nieuwe methode voor de berekening van geldboeten volgens de richtsnoeren van 2006, mogelijkerwijs zijn volledige rechtsmacht moest uitoefenen in concrete gevallen waarin de loutere toepassing van die richtsnoeren geen passende differentiatie mogelijk maakte. Verder heeft het Gerecht, zoals blijkt uit datzelfde punt 75 en uit de punten 81 tot en met 87 van dat arrest, geoordeeld dat de Commissie in die zaak op goede gronden had gesteld dat er geen grond was die de door de verzoekende partij gevraagde vermindering van de geldboete kon rechtvaardigen. Het Gerecht heeft dan ook geoordeeld dat het niet nodig was om zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen.
184 Voorts zij opgemerkt dat in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 juni 2011, Putters International/Commissie (T‑211/08, EU:T:2011:289), de uiteindelijk door de Commissie opgelegde geldboete overeenkwam met de maximale geldboete, namelijk de geldboete die overeenkwam met het plafond van 10 % van de omzet in het voorafgaande boekjaar. Dat is in casu echter niet het geval, aangezien verzoeksters na de toepassing van dat plafond nog een vermindering met 30 % hebben genoten van het bedrag van de geldboete die hun anders zou zijn opgelegd (zie de punten 32, 178 en 179 hierboven).
185 Evenzo biedt het arrest van 13 december 2016, Printeos e.a./Commissie (T‑95/15, EU:T:2016:722), geen steun voor het betoog van verzoeksters. Ten eerste heeft het Gerecht in de punten 50 en volgende van dat arrest alleen onderzocht of de Commissie haar motiveringsplicht was nagekomen. Ten tweede verwijst het Gerecht in punt 51 van dat arrest niet rechtstreeks naar het arrest van 16 juni 2011, Putters International/Commissie (T‑211/08, EU:T:2011:289), maar herhaalt het alleen wat de Commissie dienaangaande in het betrokken bestreden besluit had opgemerkt.
186 Het betoog van verzoeksters kan dus niet zinvol op die arresten worden gebaseerd. In het algemeen vindt dat betoog overigens geen steun in de rechtspraak.
187 Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel zich er niet tegen verzetten dat – als gevolg van de toepassing van de in de richtsnoeren van 2006 bedoelde methode ter berekening van de geldboeten – de geldboete die wordt opgelegd aan een onderneming een groter aandeel van haar totale omzet vertegenwoordigt dan het geval was bij elk van de andere ondernemingen waaraan geldboeten werden opgelegd. Het is immers inherent aan deze berekeningsmethode, die niet gebaseerd is op de totale omzet van alle betrokken ondernemingen, dat tussen deze ondernemingen verschillen ontstaan wat de verhouding tussen hun omzet en de hun opgelegde boete betreft (zie in die zin arrest van 7 september 2016, Pilkington Group e.a./Commissie, C‑101/15 P, EU:C:2016:631, punt 64).
188 Voorts vloeit uit de rechtspraak voort dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten niet verplicht is om, wanneer zij geldboeten oplegt aan verschillende bij eenzelfde inbreuk betrokken ondernemingen, ervoor te zorgen dat de uiteindelijke bedragen van deze geldboeten de verschillen tussen de betrokken ondernemingen op het gebied van totale omzet weerspiegelen (zie arrest van 7 september 2016, Pilkington Group e.a./Commissie, C‑101/15 P, EU:C:2016:631, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
189 Verder heeft het Hof geoordeeld dat de verschillende verhouding tussen de geldboete en de totale omzet bij de betrokken ondernemingen omdat hun activiteit minder gediversifieerd was op zich geen voldoende grond kan zijn voor de Commissie om af te wijken van de berekeningsmethode die zij voor zichzelf heeft vastgelegd. Daardoor zouden bepaalde ondernemingen immers worden bevoordeeld op basis van een criterium dat niets te maken heeft met de ernst en de duur van de inbreuk. Bij de vaststelling van het boetebedrag mag niet door de toepassing van verschillende berekeningsmethoden worden gediscrimineerd tussen de ondernemingen die aan een met artikel 101, lid 1, VWEU strijdige overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging hebben deelgenomen (zie in die zin arrest van 7 september 2016, Pilkington Group e.a./Commissie, C‑101/15 P, EU:C:2016:631, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
190 Uit het voorgaande volgt dat de omstandigheid dat de Commissie verplicht was om het plafond van 10 % van de omzet toe te passen op het basisbedrag van de geldboeten die moesten worden opgelegd aan verzoeksters en andere ondernemingen die zich op slechts één product concentreerden, voor zover dat laatste is aangetoond, de Commissie niet verplichtte om af te wijken van de in de richtsnoeren van 2006 neergelegde methode voor de berekening van geldboeten.
191 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat, anders dan verzoeksters lijken te stellen, de omstandigheid dat eerste verzoekster een onderneming is die zich op slechts één product concentreert, op zich niet rechtvaardigt dat de Commissie afwijkt van de richtsnoeren van 2006 om een vermindering van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten toe te kennen.
192 Allereerst blijkt uit de in punt 189 hierboven genoemde rechtspraak dat het feit dat een aan een mededingingsregeling deelnemende onderneming een beperkt productassortiment heeft, voor de Commissie geen voldoende reden is om af te wijken van de door haarzelf vastgestelde methode voor de berekening van geldboeten. Ten eerste is de methode voor de berekening van geldboeten in elk geval niet gebaseerd op de totale omzet van de ondernemingen, maar integendeel op de waarde van de goederen of diensten die verband houden met de inbreuk. Het is dus inherent aan die methode dat er tussen de ondernemingen verschillen bestaan in de verhouding tussen die omzet en het bedrag van de hun opgelegde geldboeten. Ten tweede is de minder gediversifieerde aard van de activiteiten van bepaalde ondernemingen geen relevant criterium met het oog op de zwaarte en de duur van de inbreuk en kan deze dus geen reden zijn om die ondernemingen te bevoordelen door verschillende berekeningsmethoden toe te passen.
193 Voorts is het feit dat verzoeksters sterk gespecialiseerd zijn en dat hun activiteiten in vergelijking met de andere deelnemers aan de mededingingsregeling niet erg divers zijn, op zich niet voldoende om aan te tonen dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door geen bijzondere criteria toe te passen voor de berekening van de aan verzoeksters opgelegde geldboete. Uit de rechtspraak volgt immers dat het deel van de totale omzet dat afkomstig is uit de verkoop van de producten waarop de inbreuk betrekking heeft, het meest geschikt is om de economische impact van deze inbreuk tot uiting te brengen. Aangezien verzoeksters een bijzonder groot deel, of zelfs nagenoeg hun gehele totale omzet, behalen met de producten waarop de inbreuk betrekking heeft, wijst het feit dat de aan verzoeksters opgelegde geldboete een hoger percentage van de totale omzet vormt dan bij de andere deelnemers aan de mededingingsregeling, alleen op het economische belang van die inbreuk voor verzoeksters. Een dergelijk resultaat is niet in strijd met de beginselen van gelijke behandeling of evenredigheid (zie in die zin arrest van 12 juli 2019, Hitachi-LG Data Storage en Hitachi-LG Data Storage Korea/Commissie, T‑1/16, EU:T:2019:514, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
194 Ten slotte behaalt een onderneming als eerste verzoekster, die een uitermate groot aandeel van haar totale omzet realiseert met het product dat onder de mededingingsregeling valt, hiermee bijgevolg ook een bijzonder hoge winst (zie in die zin arrest van 12 december 2018, Servier e.a./Commissie, T‑691/14, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2018:922, punt 1923).
195 In de derde plaats, voor zover verzoeksters stellen dat de Commissie in het verleden een andere benadering heeft gevolgd bij de berekening van de geldboeten voor ondernemingen die zich op slechts één product concentreerden, die het plafond van 10 % overschreden, volstaat het erop te wijzen dat de Commissie volgens vaste rechtspraak niet is gebonden aan haar eerdere beslissingspraktijk, aangezien deze hoe dan ook niet het rechtskader voor de berekening van het bedrag van de geldboeten vormt (zie arresten van 11 juli 2013, Team Relocations e.a./Commissie, C‑444/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:464, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 7 september 2016, Pilkington Group e.a./Commissie, C‑101/15 P, EU:C:2016:631, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
196 In de vierde plaats moeten de argumenten worden afgewezen waarmee verzoeksters aanvoeren dat de toepassing in casu van het plafond van 10 % van de omzet niet toeliet om verzoeksters te onderscheiden van de andere ondernemingen die zich op slechts één product concentreerden, met name wat de verschillende duur van hun deelname aan de mededingingsregeling betreft, en evenmin toeliet om rekening te houden met de mate van medewerking van verzoeksters, die volgens hen niet tot uiting is gekomen in het uiteindelijke bedrag van de hun opgelegde geldboeten.
197 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie, zoals blijkt uit overweging 990 van het bestreden besluit, voor zowel verzoeksters als Elna en Nippon Chemi-Con verschillende vermenigvuldigingsfactoren naargelang van de duur heeft toegepast (zie punt 27 hierboven en overweging 1007, tabel 1, van het bestreden besluit). Het is inderdaad juist dat die factoren overeenkomstig punt 13 van de richtsnoeren van 2006 zijn toegepast op de waarde van de verkopen die relevant is voor de berekening van het basisbedrag van de geldboeten (zie punt 21 hierboven). Het is eveneens juist dat de Commissie, gelet op het resultaat daarvan, het in artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 bedoelde plafond van 10 % van de omzet heeft moeten toepassen om het basisbedrag van de aan die ondernemingen opgelegde geldboeten tot onder dat plafond te brengen (zie overweging 1058 van het bestreden besluit).
198 Het betoog van verzoeksters dat de toepassing van het plafond van 10 % van de omzet het niet mogelijk heeft gemaakt om verzoeksters te onderscheiden van de andere ondernemingen die zich op slechts één product concentreerden, houdt er echter geen rekening mee dat de relevante criteria voor de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete en het plafond van 10 % van de omzet verschillende doelen nastreven.
199 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens punt 2 van de richtsnoeren van 2006 het basisbedrag wordt bepaald naargelang van de zwaarte en de duur van de inbreuk, terwijl het plafond van 10 % van de omzet een ander doel heeft dan de criteria van de zwaarte en de duur van de inbreuk en daar los van staat.
200 Aldus blijkt uit de rechtspraak dat artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 de Commissie weliswaar een beoordelingsmarge toekent, maar dat het de uitoefening daarvan beperkt door objectieve criteria in te voeren waaraan de Commissie zich moet houden. Zo geldt een absolute en becijferbare bovengrens voor de geldboete die aan een onderneming kan worden opgelegd, zodat de maximumboete die aan de betrokken onderneming kan worden opgelegd vooraf kan worden bepaald (zie arrest van 16 februari 2017, Hansen & Rosenthal en H&R Wax Company Vertrieb/Commissie, C‑90/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:123, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
201 Ten eerste beoogt die grens buitensporige en evenredige geldboeten te vermijden (arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punt 281). Ten tweede heeft zij als doel te vermijden dat geldboeten worden opgelegd waarvan kan worden voorzien dat de ondernemingen ze, gelet op hun omvang, zoals die – zij het approximatief en onvolkomen – wordt aangegeven door hun totale omzet, niet zullen kunnen betalen. Een dergelijke grens heeft als enig mogelijk gevolg dat de geldboete die op grond van de criteria zwaarte en duur van de inbreuk is berekend, wordt verlaagd tot het toegelaten maximum, indien zij dit overschrijdt. De toepassing van die grens impliceert dat de betrokken onderneming niet de volledige geldboete betaalt die bij een beoordeling op grond van die criteria in beginsel verschuldigd zou zijn (zie arrest van 5 oktober 2011, Romana Tabacchi/Commissie, T‑11/06, EU:T:2011:560, punt 257 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
202 Daaruit volgt dat de toepassing van het plafond van 10 % van de omzet, ook al is dit waarschijnlijker voor ondernemingen met een beperkte productenportefeuille, op zich geen invloed kan hebben op de methode voor de berekening van de geldboeten, aangezien deze methode en dat plafond andere en autonome doelstellingen hebben, zoals blijkt uit de punten 199 tot en met 201 hierboven.
203 In de vijfde plaats stellen verzoeksters ten onrechte dat de toepassing van het plafond van 10 % van de omzet in casu niet weergeeft in welke mate zij aan het onderzoek van de Commissie hebben meegewerkt.
204 Om te beginnen zij erop gewezen dat, zoals in punt 124 hierboven in herinnering is gebracht, de clementieregeling van de Commissie niet tot doel heeft ondernemingen die aan geheime mededingingsregelingen deelnemen de mogelijkheid te bieden om aan de financiële gevolgen van hun aansprakelijkheid te ontkomen, maar beoogt de opsporing van dergelijke praktijken te vergemakkelijken en vervolgens, tijdens de administratieve procedure, de Commissie te helpen bij haar inspanningen om de relevante feiten zoveel mogelijk te reconstrueren.
205 De beloning in het kader van de clementieregeling wordt dus niet uit billijkheidsoverwegingen toegekend, maar als tegenprestatie voor de medewerking die het werk van de Commissie heeft vergemakkelijkt (zie arrest van 29 februari 2016, EGL e.a./Commissie, T‑251/12, niet gepubliceerd, EU:T:2016:114, punt 184 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
206 In casu blijkt uit het bestreden besluit dat verzoeksters allereerst voor de periode van 26 juni 1998 tot 28 augustus 2003 op grond van punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006 gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten hebben genoten, vervolgens toepassing hebben verkregen van het in artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 bedoelde plafond van 10 % van de omzet, en ten slotte op grond van punt 26, eerste alinea, tweede streepje, van die mededeling een vermindering hebben gekregen met 30 % van de geldboete die hun anders zou zijn opgelegd (zie de punten 26, 31 en 32 hierboven).
207 Wat evenwel de gedeeltelijke immuniteit tegen geldboeten voor de duur van de inbreuk betreft, zij eraan herinnerd dat het inherent is aan de logica van het clementiebeleid dat die gedeeltelijke immuniteit, als bedoeld in punt 26, derde alinea, van de mededeling inzake medewerking van 2006, nooit resulteert in een vermindering van het uiteindelijke bedrag van de geldboete, maar in een vrijstelling van de toepassing van de vermenigvuldigingsfactor voor de duur, om ervoor te zorgen dat de ondernemingen die om clementie verzoeken geen geldboete opgelegd krijgen voor de duur van de inbreuk waarvoor zij de Commissie informatie hebben verstrekt (zie in die zin en naar analogie arrest van 24 maart 2011, FRA.BO/Commissie, T‑381/06, niet gepubliceerd, EU:T:2011:111, punt 70).
208 Wat voorts de toepassing van het plafond van 10 % van de omzet betreft, dient erop te worden gewezen dat, zoals de Commissie in overweging 1062 van het bestreden besluit heeft opgemerkt, het feit dat een aan een onderneming toegekende vermindering van de geldboete wordt tenietgedaan door de gevolgen van een andere bepaling die ten gunste en ten voordele van die onderneming wordt toegepast – in casu het plafond van 10 % van haar omzet overeenkomstig artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 – de door de Commissie toegepaste methode voor de berekening van de geldboeten niet ter discussie kan stellen.
209 Voorts heeft de Commissie erkend dat verzoeksters de tweede onderneming waren die bewijsmateriaal met significante toegevoegde waarde heeft overgelegd en heeft zij hun een vermindering met 30 % toegekend van de geldboete die hun anders zou zijn opgelegd, hetgeen overeenkomt met het maximumpercentage van de vermindering waarin is voorzien in punt 26, eerste alinea, tweede streepje, van de mededeling inzake medewerking van 2006.
210 Het argument van verzoeksters dat er geen sprake was van differentiatie wat hun medewerking aan het onderzoek van de Commissie betreft, moet dan ook worden afgewezen. Integendeel, uit het voorgaande volgt dat de toepassing van het plafond van 10 % van de omzet en van de verlaging met 30 % wegens medewerking in casu heeft geleid tot een aanzienlijke vermindering van de hun opgelegde geldboete. Het basisbedrag van de geldboete was immers vastgesteld op 61434000 EUR voor eerste verzoekster en op 39598000 EUR voor tweede verzoekster, dat wil zeggen op een totaal van 101032000 EUR, terwijl het uiteindelijke bedrag van de geldboete 28424000 EUR bedraagt (zie de punten 177 en 179 hierboven).
211 Gelet op een en ander is in casu niet aangetoond dat de in de richtsnoeren van 2006 vastgestelde methode voor de berekening van de geldboeten inbreuk maakt op het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling.
212 Wat voorts het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties betreft, zij eraan herinnerd dat dit beginsel vereist dat het bedrag van de hoofdelijk te betalen geldboete overeenkomstig artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 wordt vastgesteld op basis van de zwaarte en de duur van de inbreuk die individueel aan de betrokken onderneming wordt verweten (zie arrest van 19 juni 2014, FLS Plast/Commissie, C‑243/12 P, EU:C:2014:2006, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daaruit vloeit voort dat wanneer de Commissie de externe hoofdelijkheid vaststelt, zij met name het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties dient in acht te nemen (arrest van 10 april 2014, Commissie/Siemens Österreich e.a. en Siemens Transmission & Distribution e.a./Commissie, C‑231/11 P–C‑233/11 P, EU:C:2014:256, punt 52).
213 Met hun betoog betwisten verzoeksters evenwel geenszins de hoofdelijkheid die de Commissie ten onrechte zou hebben toegepast door aan verschillende ondernemingen één enkele geldboete op te leggen.
214 Het tweede onderdeel van het tweede middel, en bijgevolg het tweede middel, moeten dus worden afgewezen. [omissis]
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Rubycon Corp. en Rubycon Holdings Co. Ltd dragen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie.
Costeira Gratsias Kancheva Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 september 2021. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 12 juli 2019, T-1/16, ECLI:EU:T:2019:514
- Gerecht EU 12 december 2018, T-691/14, ECLI:EU:T:2018:922
- HvJ EU 26 januari 2017, C-637/13, ECLI:EU:C:2017:51
- Gerecht EU 13 december 2016, T-95/15, ECLI:EU:T:2016:722
- HvJ EU 7 september 2016, C-101/15, ECLI:EU:C:2016:631
- HvJ EU 21 januari 2016, C-603/13, ECLI:EU:C:2016:38
- Gerecht EU 16 juni 2015, T-655/11, ECLI:EU:T:2015:383
- HvJ EU 19 juni 2014, C-243/12, ECLI:EU:C:2014:2006
- HvJ EU 10 april 2014, C-231/11, ECLI:EU:C:2014:256
- Gerecht EU 5 oktober 2011, T-11/06, ECLI:EU:T:2011:560
- Gerecht EU 16 juni 2011, T-211/08, ECLI:EU:T:2011:289
- Gerecht EU 24 maart 2011, T-381/06, ECLI:EU:T:2011:111
- Gerecht EU 26 april 2007, T-109/02, ECLI:EU:T:2007:115
- HvJ EU 28 juni 2005, C-189/02, ECLI:EU:C:2005:408
- HvJ EU 8 juli 1999, C-49/92, ECLI:EU:C:1999:356