Gerecht EU 25 oktober 2011, T-348/08, ECLI:EU:T:2011:621

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑348/08

Aragonesas Industrias y Energía SAU

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van natriumchloraat – Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Beroep tot nietigverklaring – Verdeling van markt – Vaststelling van prijzen – Samenstel van aanwijzingen – Datum van bewijs – Verklaringen van concurrenten – Bekentenis – Duur van inbreuk – Geldboeten – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Rechterlijke toetsing – Grenzen

(Art. 81, lid 1, EG en 230 EG; EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1)

2. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Grondrechten – Vermoeden van onschuld – Mededingingsprocedure – Toepasselijkheid

(Art. 6, lid 2, EU; art. 81, lid 1, EG; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47; EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1)

3. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Wijze van bewijslevering – Bundel aanwijzingen

(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1)

4. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Bewijs van inbreuk – Ontbreken van schriftelijk bewijsmateriaal – Invloed

(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1)

5. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijs van inbreuk en duur daarvan ten laste van Commissie

(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1; mededeling 2002/C 45/03 van de Commissie)

6. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Rechterlijke toetsing – Bepaling van door Commissie in aanmerking genomen bewijs

(Art. 81, lid 1, EG; EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1; verordening nr. 1/2003 van de Raad)

7. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Bewijs van inbreuk – Beoordeling van bewijswaarde van verschillende bewijzen – Bekentenis van onderneming aangaande haar deelneming aan onrechtmatige bijeenkomsten

(Art. 81, lid 1, EG)

8. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Berekeningsmethode vastgesteld in richtsnoeren van Commissie – Berekening van basisbedrag van geldboete – Inaanmerkingneming van kenmerken van inbreuk in haar geheel

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie, punt 22)

9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Onderneming die passieve rol vervulde of meeloopster was

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie)

10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Beoordelingsmarge van Commissie – Verhoging van algemeen niveau van geldboeten – Toelaatbaarheid

(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23)

11. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Gedrag dat afwijkt van in kader van mededingingsregeling overeengekomen gedrag – Beoordeling

(Art. 81 EG en 82 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 3)

12. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Rechterlijke toetsing – Vaststelling van onrechtmatigheid – Noodzaak voor Gerecht zich over herziening van beschikking uit te spreken in uitoefening van zijn volledige rechtsmacht

(Art. 261 VWEU)

1. Wat de levering van het bewijs van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG betreft, dient de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en rechtens genoegzaam het bewijs te leveren van de feiten die een inbreuk vormen.

Bovendien is de Unierechter in het kader van een op grond van artikel 230 EG ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts bevoegd om de rechtmatigheid van de bestreden handeling te toetsen.

Zo bestaat de rol van de rechter bij een beroep tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie waarin een inbreuk op de mededingingsregels wordt vastgesteld en waarin aan de adressaten ervan geldboeten worden opgelegd, uit het beoordelen of de bewijzen en overige elementen waar de Commissie zich in haar beschikking op beroept, voldoende zijn om de verweten inbreuk te bewijzen.

(cf. punten 90‑92)

2. Het voordeel van de bij de rechter bestaande twijfel moet worden gegund aan de onderneming waaraan de beschikking van de Commissie waarin een inbreuk op de mededingingsregels werd vastgesteld, was gericht. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie een dergelijke inbreuk rechtens genoegzaam heeft aangetoond wanneer daarover bij hem nog twijfel bestaat, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking waarbij een boete is opgelegd.

In dit laatste geval dient rekening te worden gehouden met het vermoeden van onschuld, zoals dat met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag betreffende de rechten van de mens, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die, volgens de rechtspraak van het Hof – die overigens is bevestigd in de preambule van de Europese Akte, in artikel 6, lid 2, EU en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – in de rechtsorde van de Unie worden beschermd. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken alsmede op de aard en de zwaarte van de daaraan verbonden sancties, is het vermoeden van onschuld met name van toepassing op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden.

(cf. punten 93‑94)

3. Op mededingingsgebied dient de Commissie zich te baseren op nauwkeurige en concordante bewijzen die de vaste overtuiging kunnen dragen dat een inbreuk heeft plaatsgehad.

Niettemin hoeft niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het volstaat dat het door deze instelling aangevoerde samenstel van aanwijzingen, in zijn geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet.

Gelet op de algemene bekendheid van het verbod op mededingingsverstorende overeenkomsten kan van de Commissie bovendien niet worden verlangd dat zij stukken overlegt waaruit met zoveel woorden overleg tussen de betrokken marktdeelnemers blijkt. De fragmentarische en schaarse bewijzen waarover de Commissie eventueel beschikt, moeten in elk geval kunnen worden vervolledigd via deductie, zodat de relevante omstandigheden kunnen worden gereconstrueerd. Een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst kan dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij ontbreken van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden.

(cf. punten 95‑97)

4. Met betrekking tot de bewijsmiddelen die kunnen worden gebruikt om een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 van de Overeenkomst over de Europese Economische Ruimte (EER) aan te tonen, primeert in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering.

Bijgevolg is een eventueel ontbreken van schriftelijk bewijs alleen relevant in het kader van de toetsing van de bewijskracht van het door de Commissie aangevoerde samenstel van bewijzen in zijn geheel beschouwd. Het leidt er evenwel op zich niet toe dat de betrokken onderneming de beweringen van de Commissie ter discussie kan stellen door een andere uitlegging van de feiten in het betrokken geval voor te leggen. Dat is enkel het geval indien uit de door de Commissie aangevoerde bewijzen niet ondubbelzinnig blijkt dat sprake is van een inbreuk, zonder dat daarvoor enige interpretatie hoeft te worden verricht.

Overigens verbiedt geen enkele bepaling en geen enkel algemeen beginsel van Unierecht de Commissie zich tegenover een onderneming te beroepen op verklaringen van andere beschuldigde ondernemingen, ook wanneer die verklaringen tegenover de Commissie zijn afgelegd in het kader van een verzoek om toepassing van de mededeling inzake immuniteit voor geldboeten of vermindering van het bedrag daarvan in zaken betreffende mededingingsregelingen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met haar taak van toezicht op de juiste toepassing van deze bepalingen.

De verklaring van een onderneming die wordt beschuldigd van deelneming aan een kartel, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan echter niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien die niet door andere bewijzen wordt gestaafd, al kan de vereiste mate van bevestiging op grond van de betrouwbaarheid van de desbetreffende verklaringen minder zijn. Het vereiste dat de verklaring van een onderneming moet worden gestaafd, moet ook worden geëerbiedigd indien bedoelde verklaring wordt bestreden door een andere vervolgde onderneming.

(cf. punten 98‑101, 206)

5. Op mededingingsgebied kan een bijzonder grote bewijskracht worden toegekend aan verklaringen die, ten eerste, betrouwbaar zijn, ten tweede, namens een onderneming zijn gegeven, ten derde, zijn afgelegd door een persoon die beroepshalve in het belang van deze vennootschap diende te handelen, ten vierde, ingaan tegen de belangen van de persoon die de verklaring aflegt, ten vijfde, van een directe getuige van de beschreven omstandigheden afkomstig zijn, en ten zesde, schriftelijk en na weloverwogen en rijp beraad zijn afgelegd.

Hoewel een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is, aangezien deze deelnemers geneigd kunnen zijn om het belang van hun eigen bijdrage te bagatelliseren en dat van de anderen te overtrekken, neemt dit niet weg dat wanneer in kartelzaken om toepassing van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van het bedrag daarvan wordt verzocht teneinde kwijtschelding of verlaging van de geldboete te verkrijgen, dit er niet noodzakelijkerwijs toe aanzet om bewijzen wat de deelneming van de andere leden van het geïncrimineerde kartel betreft, vertekend weer te geven. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt uit de mededeling inzake medewerking te trekken, in gevaar brengen. In dit verband zijn de mogelijke gevolgen van het overleggen van vertekende gegevens aan de Commissie des te ernstiger daar de betwiste verklaring van een onderneming moet worden gestaafd door ander bewijs. Daardoor wordt immers het risico groter dat de onjuistheid van verklaringen aan het licht wordt gebracht, zowel door de Commissie als door de andere ondernemingen die van deelneming aan de inbreuk worden beschuldigd.

(cf. punten 104‑106)

6. De administratieve procedure uit hoofde van verordening nr. 1/2003, die zich voor de Commissie afspeelt, is onderverdeeld in twee onderscheiden en achtereenvolgende fasen met elk een eigen innerlijke logica, te weten de vooronderzoeksfase en de fase op tegenspraak. De vooronderzoeksfase, waarin de Commissie gebruik maakt van haar onderzoeksbevoegdheden op grond van verordening nr. 1/2003, en die duurt tot de mededeling van de punten van bezwaar, moet de Commissie in staat stellen, alle relevante bewijzen te verzamelen die al dan niet het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels bevestigen en een eerste standpunt in te nemen over de richting die – en het uiteindelijke gevolg dat – aan de procedure zal worden gegeven. De fase op tegenspraak daarentegen, die vanaf de mededeling van de punten van bezwaar tot de vaststelling van de definitieve beschikking duurt, moet de Commissie in staat stellen een definitieve beslissing te nemen over de verweten inbreuk.

In het kader van de beoordeling van de bewijzen en overige gegevens die de Commissie inroept om aan te tonen dat de mededingingsregels zijn overtreden mag het onderzoek ten behoeve van de vaststelling door het Gerecht van bovengenoemd bewijs slechts het gedeelte van de motivering van de beschikking van de Commissie betreffen waarin deze de fase op tegenspraak van de administratieve procedure beschrijft. De Commissie kan immers pas, nadat zij in het kader van de fase op tegenspraak de opmerkingen van de betrokken onderneming op de eerste standpuntbepaling van de Commissie aan het einde van de vooronderzoeksfase, zoals weergegeven in de mededeling van de punten van bezwaar, heeft ontvangen, beslissen of zij die eerste standpuntbepaling handhaaft en zich op die manier definitief uitspreken over de verweten inbreuk.

Wanneer de Commissie, nadat zij de opmerkingen van een onderneming over de mededeling van de punten van bezwaar heeft ontvangen, bij haar beoordeling van het bewijs waar zij aan het einde van de vooronderzoeksfase over beschikte om zich te kunnen uitspreken over de deelneming van die onderneming aan een inbreuk, zelf de bewijskracht van dat bewijs in twijfel trekt, dient het Gerecht rekening te houden met die beoordeling door de Commissie.

(cf. punten 109‑110, 113)

7. Wat de bekentenis door een onderneming van haar deelneming aan een met de mededingingsregels strijdige bijeenkomst betreft, kan een expliciete of impliciete erkenning ten aanzien van de feiten of het recht door die onderneming gedurende de administratieve procedure voor de Commissie, aanvullend bewijs vormen voor de beoordeling van de gegrondheid van een beroep in rechte.

Bijgevolg dient, om een dergelijke bekentenis als betrouwbaar bewijs in aanmerking te kunnen nemen, bij de beoordeling van de gegrondheid van een beroep in rechte te worden nagegaan of de bewoordingen van die bekentenis ander door de Commissie aangevoerd bewijs aanvullen.

(cf. punten 217‑218)

8. Ofschoon in eerste instantie de zwaarte van een inbreuk op de mededingingsregels wordt beoordeeld naargelang van de kenmerken van de inbreuk zoals de aard ervan, het gecumuleerde marktaandeel van alle betrokken partijen, de geografische reikwijdte van de inbreuk en de vraag of de inbreuk daadwerkelijk is geïmplementeerd, wordt die beoordeling in tweede instantie aangepast, afhankelijk van verzwarende of verzachtende omstandigheden voor elk van de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.

Bijgevolg is de eerste stap van de methode van de Commissie om de hoogte van de geldboete vast te stellen bedoeld om voor elk van de betrokken ondernemingen het basisbedrag van de geldboete te bepalen, waarbij op de waarde van de in geding zijnde verkopen door elke betrokken onderneming van producten of diensten op de desbetreffende markt een eerste vermenigvuldigingsfactor wordt toegepast, die de zwaarte van de inbreuk weerspiegelt, en zelfs een tweede, waarmee wordt beoogd om hen ervan te weerhouden om zich opnieuw met dergelijke onrechtmatige gedragingen bezig te houden. Zoals blijkt uit de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die worden opgelegd uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003, wordt elk van beide vermenigvuldigingsfactoren bepaald op basis van factoren die kenmerkend zijn voor de inbreuk in zijn geheel, en wel doordat deze alle mededingingsverstorende gedragingen van alle deelnemers eraan omvat.

Bijgevolg is er geen reden om bij de bepaling van de hoogte van die twee vermenigvuldigingsfactoren rekening te houden met specifieke kenmerken van de inbreuk zoals deze door elk van de deelnemers individueel werd gepleegd. Deze vaststelling wordt bovendien bevestigd door het doel van de tweede stap van de methode om de hoogte van de geldboeten vast te stellen, waarmee immers juist wordt beoogd rekening te houden met verzwarende of verzachtende omstandigheden die kenmerkend zijn voor het mededingingsverstorende gedrag van elke deelnemer aan de in geding zijnde inbreuk afzonderlijk.

Dientengevolge hebben de factoren die in punt 22 van de richtsnoeren worden opgesomd om zowel de vermenigvuldigingsfactor „zwaarte van de inbreuk” (punt 21 van de richtsnoeren) als de vermenigvuldigingsfactor „entreeheffing” (punt 25 van de richtsnoeren) te bepalen, alle tot doel, de inbreuk op de mededingingsregels van de Unie in zijn geheel beschouwd te beoordelen. Inzonderheid kan uit de richtsnoeren niet worden opgemaakt dat de Commissie in het stadium van de eerste fase van de methode om de hoogte van de geldboete vast te stellen, rekening dient te houden met gegevens die specifiek gelden voor één deelnemer aan een inbreuk op de mededingingsregels, zoals het feit dat een onderneming niet vaak deelneemt aan mededingingsverstorende contacten of geen uitvoering geeft aan gesloten overeenkomsten. Met die gegevens wordt door de Commissie immers pas in de tweede fase van vorenbedoelde methode rekening gehouden, als verzwarende of verzachtende omstandigheden voor elk van de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.

(cf. punten 264‑267, 273)

9. De punten 28 en 29 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die worden opgelegd uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 voorzien in een aanpassing van het basisbedrag van de geldboete op basis van bepaalde verzwarende en verzachtende omstandigheden die specifiek zijn voor elke betrokken onderneming. Inzonderheid bevat punt 29 van de richtsnoeren een niet-limitatieve lijst met verzachtende omstandigheden die onder bepaalde omstandigheden kunnen leiden tot een verlaging van het basisbedrag van de geldboete. Weliswaar wordt op deze lijst niet langer de passieve rol van een onderneming genoemd als voorbeeld van een verzachtende omstandigheid die in aanmerking kan worden genomen, maar aangezien de lijst onder punt 29 van de richtsnoeren een niet-limitatieve opsomming bevat, kan een dergelijke aanname niet principieel worden uitgesloten als omstandigheid die tot vermindering van het basisbedrag van de geldboete kan leiden.

De passieve rol van een onderneming bij het plegen van de inbreuk houdt in dat de onderneming zich „op de achtergrond” houdt, dat wil zeggen niet actief deelneemt aan de uitwerking van de mededingingsverstorende overeenkomst of overeenkomsten.

Als indicatie voor de passieve rol van een onderneming in een mededingingsregeling kan onder meer in aanmerking worden genomen dat de onderneming de bijeenkomsten veel onregelmatiger heeft bijgewoond dan de gewone leden van de mededingingsregeling, dat zij pas later is toegetreden tot de markt waarop de inbreuk betrekking had, ongeacht de duur van haar deelneming aan de inbreuk, of dat vertegenwoordigers van andere ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, uitdrukkelijke verklaringen in die zin hebben afgelegd.

(cf. punten 279‑281, 284‑285)

10. De Commissie beschikt bij de bepaling van het bedrag van de geldboeten over een beoordelingsbevoegdheid om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven. Bijgevolg staat het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, niet eraan in de weg dat zij dit niveau binnen de in verordening nr. 1/2003 gestelde grenzen verhoogt indien dit noodzakelijk is ter uitvoering van het mededingingsbeleid. Integendeel, voor een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels moet de Commissie het niveau van de geldboeten op elk moment aan de eisen van dit beleid kunnen aanpassen.

(cf. punt 293)

11. Het feit dat een onderneming waarvan is aangetoond dat zij met haar concurrenten heeft samengespannen op het gebied van de prijzen, zich op de markt niet overeenkomstig de met haar concurrenten overeengekomen wijze heeft gedragen, vormt niet noodzakelijkerwijs een omstandigheid die bij de vaststelling van de op te leggen geldboete als verzachtende omstandigheid in aanmerking moet worden genomen. Een onderneming die in weerwil van de onderlinge afstemming met haar concurrenten een min of meer onafhankelijk beleid voert op de markt, kan immers gewoonweg proberen zich de mededingingsregeling ten nutte te maken.

(cf. punt 297)

12. Het feit dat bij onderzoek van de middelen die door een onderneming zijn opgeworpen tegen de rechtsgeldigheid van een beschikking van de Commissie waarbij een geldboete is opgelegd wegens schending van de mededingingsregels van de Unie een onrechtmatigheid aan het licht is gekomen, ontslaat het Gerecht er niet van te onderzoeken of het op basis van die onrechtmatigheid en gebruik makend van zijn volledige rechtsmacht de bestreden beschikking moet herzien.

(cf. punt 306)

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

25 oktober 2011 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van natriumchloraat – Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst wordt vastgesteld – Beroep tot nietigverklaring – Verdeling van markt – Vaststelling van prijzen – Samenstel van aanwijzingen – Datum van bewijs – Verklaringen van concurrenten – Bekentenis – Duur van inbreuk – Geldboeten – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden”

In zaak T‑348/08,

Aragonesas Industrias y Energía, SAU, gevestigd te Barcelona (Spanje), vertegenwoordigd door I. S. Forrester, QC, en K. Struckmann, P. Lindfelt en J. Garcia-Nieto Esteva, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan, J. Bourke en R. Sauer als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek, primair, tot nietigverklaring van beschikking C(2008) 2626 def. van de Commissie van 11 juni 2008 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/38.695 – Natriumchloraat), voor zover deze beschikking Aragonesas Industrias y Energía betreft en, subsidiair, een verzoek tot nietigverklaring of aanzienlijke verlaging van de geldboete die bij genoemde beschikking aan deze laatste is opgelegd,

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, K. Jürimäe (rapporteur) en S. Soldevila Fragoso, rechters,

griffier: C. Kristensen, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 september 2010,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1 Verzoekster, Aragonesas Industrias y Energía, SAU, is een vennootschap naar Spaans recht. Zij werd opgericht in 1992 en behoorde toen tot de divisie chemische producten van de Uralita-groep, die verantwoordelijk was voor de natriumchloraatactiviteiten en die onder leiding stond van Uralita SA (hierna: „Uralita”). Tot in 1994 had Uralita 100 % van de aandelen van verzoekster in bezit. In december 1994 heeft Uralita een holding opgericht, genaamd Energia e Industrias Aragonesas EIA, SA (hierna: „EIA”), waaraan alle chemische activiteiten werden overgedragen. Verzoekster werd hierdoor een volle dochteronderneming van EIA. Aanvankelijk had Uralita 98,84 % van het aandelenkapitaal van EIA in bezit, daarna, van 1 januari 1995 tot en met 31 december 2000 bezat Uralita een deelneming in het kapitaal van EIA van 49,44 % tot 50,71 %.

2 Natriumchloraat is een sterk oxiderende stof die wordt verkregen door elektrolyse van een waterige oplossing van natriumchloride in een diafragmaloze cel. Natriumchloraat kan in kristalvorm of als een oplossing worden vervaardigd. Het wordt hoofdzakelijk toegepast bij de vervaardiging van chloordioxide, dat op zijn beurt dient voor het bleken van chemische pulp in de pulp- en papierindustrie. Daarnaast wordt het, op veel kleinere schaal, gebruikt voor de zuivering van drinkwater, het bleken van textiel, als herbicide en voor de raffinage van uranium. [punt 2 van beschikking C(2008) 2626 def. van de Commissie van 11 juni 2008 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/38.695 – Natriumchloraat) (hierna: „bestreden beschikking”)].

3 Op 28 maart 2003 hebben vertegenwoordigers van de in Zweden gevestigde onderneming EKA Chemicals AB (hierna: „EKA”) een verzoek ingediend om immuniteit tegen geldboeten, subsidiair vermindering van geldboeten, uit hoofde van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking”), met betrekking tot het bestaan van een kartel in de natriumchloraatindustrie. Het verzoek van EKA werd onderbouwd met schriftelijk bewijsmateriaal en mondelinge verklaringen van haar vertegenwoordigers op 31 maart 2003 (hierna: „verklaringen van EKA uit 2003”).

4 De Commissie heeft EKA bij beschikking van 30 september 2003 voorwaardelijke immuniteit tegen geldboeten verleend overeenkomstig punt 15 van de mededeling inzake medewerking.

5 Op 10 september 2004 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 18, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002, betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), verzoeken om inlichtingen gezonden aan Finnish Chemicals Oy (hierna: „FC”), een in Finland gevestigde onderneming, aan Arkema France SA, in Frankrijk gevestigd en in de bestreden beschikking aangeduid met de firmanaam „Atochem” (hierna: „Arkema France”) en, ten slotte, aan verzoekster.

6 Op 24 september 2004 is L., werknemer van Arkema France [hierna: „L. (Arkema France)”], door de Commissie gehoord (hierna: „verklaringen van Arkema France”).

7 Op 18 oktober 2004 heeft Arkema France in haar antwoord op het verzoek om inlichtingen van de Commissie een verzoek ingediend om immuniteit of om vermindering van geldboeten uit hoofde van de mededeling inzake medewerking.

8 Op 29 oktober 2004 heeft FC tijdens een bijeenkomst in de gebouwen van de Commissie bij deze een verzoek ingediend om vermindering van geldboeten uit hoofde van de mededeling inzake medewerking en aan de Commissie mondeling inlichtingen verschaft met betrekking tot het onderzoek inzake natriumchloraat. Bij brief van 2 november 2004 heeft zij haar verzoek om vermindering van geldboeten bevestigd en tegelijkertijd schriftelijk bewijsmateriaal met betrekking tot haar deelneming aan de door de Commissie gestelde inbreuk verstrekt.

9 Op 4 november 2004 heeft een bijeenkomst van de Commissie met de vertegenwoordigers van EKA plaatsgevonden. Op 11 november 2004 heeft EKA aanvullende inlichtingen over recente ontwikkelingen op de markt voor natriumchloraat overhandigd.

10 Op 3 en 9 december 2004 heeft verzoekster geantwoord op de verzoeken om inlichtingen van de Commissie van 10 september 2004.

11 Op 6 juli 2006 heeft EKA een nieuwe mondelinge verklaring afgelegd voor de Commissie, welke verklaring is gevolgd door gesprekken op 19 en 20 juli 2006 met twee van haar medewerkers. Op 29 augustus 2006 heeft EKA nieuwe mondelinge verklaringen afgelegd tijdens een bijeenkomst in de kantoren van de Commissie (hierna: „verklaringen van EKA uit 2006”).

12 Tussen 13 november 2006 en 11 april 2008 heeft de Commissie verzoeken om inlichtingen overeenkomstig artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003 gericht aan verschillende ondernemingen en met name op 13 november 2006, 8 februari en 12 maart 2007 en 11 april 2008 aan verzoekster.

13 Op 27 juli 2007 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld die met name was gericht tot EKA, FC, Arkema France, verzoekster en Uralita.

14 Verzoekster heeft binnen de gestelde termijn haar commentaar op de mededeling van de punten van bezwaar aan de Commissie gezonden. Verzoekster heeft enerzijds toegang gekregen tot het dossier van de Commissie in de vorm van een door deze toegezonden dvd die de openbare documenten bevatte, en anderzijds tot het proces-verbaal van de mondelinge verklaringen die de verzoekers om toepassing van de mededeling inzake medewerking, tijdens de onderzoeksprocedure bij de Commissie hadden afgelegd.

15 Op 20 november 2007 heeft een aantal van de betrokken ondernemingen, waaronder Uralita maar niet verzoekster, gebruikgemaakt van het recht om door de Commissie mondeling te worden gehoord.

16 De Commissie heeft op 11 juni 2008 de bestreden beschikking vastgesteld en deze op 16 juni 2008 aan verzoekster betekend.

17 In punt 69 van de bestreden beschikking brengt de Commissie in wezen naar voren dat EKA, FC, Arkema France en verzoekster hebben deelgenomen aan vergaderingen en contacten hebben gehad met het doel om de markten door de toewijzing van verkoopvolumes onderling te verdelen en om de prijzen van natriumchloraat op de markt binnen de Europese Economische Ruimte (hierna: „EER”) vast te stellen. In dit verband stelde de Commissie een lijst op van 72 mededingingsverstorende contacten, die hetzij in de vorm van bijeenkomsten, hetzij in de vorm van telefoongesprekken hadden plaatsgevonden (hierna: „72 mededingingsverstorende contacten”). Die lijst is als bijlage I bij de bestreden beschikking gevoegd. Bovendien is als bijlage II bij de bestreden beschikking een lijst met in die beschikking aangehaalde personen gevoegd. Onder de hier vermelde namen zijn die van S. en W., werknemers van EKA [hierna: „S. (EKA)” en „W. (EKA)”], van A. en S. [hierna: „S. (FC)”], werknemers van FC, van L. (Arkema France) en van A., werknemer van verzoekster [hierna: „A (Aragonesas)”]. Ook vermeldt de Commissie in punt 69 van de bestreden beschikking dat de bewuste mededingingsverstorende praktijken plaatsvonden vanaf 21 september 1994 voor wat EKA en FC betreft, vanaf 17 mei 1995 voor wat Arkema France betreft, en vanaf 16 december 1996 voor wat verzoekster betreft. Zij zouden voor wat EKA, FC, Arkema France en verzoekster betreft in ieder geval tot en met 9 februari 2000 hebben voortgeduurd.

18 In de punten 70 en 71 van de bestreden beschikking verduidelijkt de Commissie dat de naleving van de in het kader van het kartel genomen besluiten vooral werd getoetst tijdens bilaterale bijeenkomsten en telefoongesprekken, waarin partijen commercieel gevoelige informatie uitwisselden over de onderhandelingen met klanten en dan met name over de verkochte hoeveelheden en de gehanteerde prijzen. Zij voegt hieraan toe dat de strategie van de deelnemers aan het kartel gericht was op stabilisatie van de markt voor natriumchloraat met als uiteindelijke doel om de verkoopvolumes van natriumchloraat onderling te verdelen, om de prijspolitiek jegens de klanten te coördineren en om op die manier de marges te maximaliseren.

19 Bovendien beschrijft de Commissie in de punten 73 tot en met 78 van de bestreden beschikking in grote lijnen de grondbeginselen en de werking van het kartel. Zij maakt, wat dit aangaat, melding van talrijke contacten tussen de belangrijkste producenten van natriumchloraat met als belangrijkste doel om te onderhandelen over de onderlinge verdeling van de verkoopvolumes op de bewuste geografische markten en over de vaststelling van de vraagprijzen voor de overeenkomsten met de klanten. Volgens de Commissie was de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie een belangrijk aspect van de collusie, aangezien de deelnemers hierna het gedrag van hun concurrenten op de markt konden voorzien. Wat de werking van het kartel betreft, stelt de Commissie dat de producenten van natriumchloraat veelvuldig contact met elkaar hadden in de vorm van bilaterale of multilaterale bijeenkomsten of telefoongesprekken, zonder dat er evenwel sprake was van een vastgesteld schema. Maar zij verduidelijkt dat de besprekingen op het hoogste leidinggevende niveau tijdens multilaterale bijeenkomsten – vaak in de marge van de vergaderingen van de werkgroep natriumchloraat van de European Chemical Industry Council (hierna: „CEFIC”) – werden gevoerd. Ten slotte merkt de Commissie ten aanzien van het tijdpad van de onderhandelingen op, dat de contacten tussen de concurrenten gewoonlijk tegen het einde van elk jaar (van oktober tot en met december) intensiever werden; die periode viel samen met de jaarlijkse onderhandelingen tussen de producenten van natriumchloraat en hun klanten over de overeenkomsten voor het komende jaar. De Commissie vermeldt evenwel dat die besprekingen tijdens de onderzochte periode vaak in het begin van het nieuwe jaar, met name in de maanden januari en februari, werden voortgezet.

20 Wat het onrechtmatige gedrag van verzoekster betreft, blijkt uit de punten 350 en 356 van de bestreden beschikking dat de Commissie zich voor de beoordeling van de deelneming door verzoekster aan de onrechtmatige overeenkomsten enerzijds baseert op de verzoeken tot immuniteit of tot vermindering van geldboeten, en anderzijds op de schriftelijke bewijzen uit die periode die volgens de Commissie bewijzen dat verzoekster gesprekken voerde met andere deelnemers aan het kartel, en ten slotte op het feit dat verzoekster heeft bekend op 28 januari 1998 in Brussel te hebben deelgenomen aan een onrechtmatige bijeenkomst in de marge van een officiële vergadering van CEFIC (hierna: „onrechtmatige bijeenkomst van 28 januari 1998”).

21 Wat meer in het bijzonder de bewijselementen uit de periode van de inbreuk betreft, wijst de Commissie in de punten 349 en 350 van de bestreden beschikking op het volgende:

„349 In de aantekeningen van [S. (FC)] wordt driemaal verwezen naar een telefonisch onderhoud met [verzoekster]. Ten eerste bevestigde [S. (FC)] op 16 december 1996 in een gesprek met [S. (EKA)] dat [FC] zich zou houden aan de voor Spanje en Portugal afgesproken prijzen, waarbij hij melding maakt van gesprekken met [verzoekster]: ‚[VERTROUWELIJK](1)’ (accentuering toegevoegd, zie punt 130). Uit de aantekening ‚[VERTROUWELIJK]’ blijkt dat [S. (FC)] tevoren een persoonlijk gesprek over prijzen met [verzoekster] had gevoerd, hetgeen aansloot bij de afspraken tussen de deelnemers aan het kartel. Ten tweede wordt in de aantekeningen van [S. (FC)] gewag gemaakt van een telefoongesprek met [S. (EKA)]: ‚[VERTROUWELIJK]’ (accentuering toegevoegd, zie punt 219). Deze aantekening bewijst dat [Arkema France] rechtstreeks met [verzoekster] over de prijzen heeft gesproken en dat dit ook deel uitmaakte van de algemene afstemming over de prijzen. Ten derde verduidelijken de aantekeningen van [S. (FC)] naar aanleiding van een telefoongesprek van 9 december 1999: ‚[VERTROUWELIJK]’ (accentuering toegevoegd, zie punt 258). Uit deze aantekening blijkt dat [S. (FC)] noteerde wat [L. (Arkema France)] hem aan de telefoon had verteld dan wel dat hij laatstgenoemde verslag deed van zijn eigen gesprek met [verzoekster]. [Of verzoekster] zich heeft onderhouden met de een of met de ander, is van weinig belang, aangezien uit de inhoud van de aantekeningen blijkt dat het bewuste gesprek onrechtmatig was.

350 Uit die verwijzingen blijkt duidelijk dat er sprake was van rechtstreekse telefonische contacten met [verzoekster] en dat deze een directe bijdrage heeft geleverd aan de algemene prijsafspraken. Bovendien heeft [verzoekster] toegegeven te hebben deelgenomen aan [de onrechtmatige bijeenkomst van 28 januari 1998], tijdens welke de concurrenten onrechtmatige gesprekken hebben gevoerd (zie de punten 182 en 184). Op basis van de tijdens deze zaak afgelegde mondelinge verklaringen en van de bewijselementen uit de desbetreffende periode die duidelijk maken dat er sprake was van mededingingsverstorend gedrag van de zijde van [verzoekster], komt de Commissie derhalve tot de conclusie dat [verzoekster] aan de gehele inbreuk heeft deelgenomen. In die omstandigheden staat het aan [verzoekster] om bewijzen aan te leveren dat haar gedrag in overeenstemming is met concurrentieel gedrag.”

22 In punt 352 van de bestreden beschikking wijst de Commissie op het volgende:

„In de overige gevallen waar in de [bestreden] beschikking wordt verwezen naar [verzoekster], aanvaardt de Commissie het argument van de onderneming dat de inlichtingen mogelijk van derden afkomstig zijn en niet van haarzelf. Het dossier van de Commissie bevat onvoldoende bewijselementen om met zekerheid te kunnen stellen dat de bewuste inlichtingen rechtstreeks van [verzoekster] afkomstig zijn. Hiermee zal rekening worden gehouden bij het bepalen van de duur van de inbreuk waarvoor [verzoekster] zich zal moeten verantwoorden.”

23 Inzake de duur van de inbreuk, en in het bijzonder de begin- en einddatum van verzoeksters deelneming aan de inbreuk, zet de Commissie in de punten 487 tot en met 489 van de bestreden beschikking als volgt uiteen en concludeert zij:

„487 EKA en [FC] hebben vanaf [...] aan mededingingsverstorende overeenkomsten deelgenomen en [verzoekster] op zijn minst vanaf 16 december 1996 (zie punt 130). [...].

488 Wat het einde van de inbreuk betreft, vond voor zover de Commissie weet, de laatste mededingingsverstorende vergadering – waaraan EKA, Atochem en [verzoekster] deelnamen – plaats op 9 februari 2000. Tijdens deze vergadering nam EKA openlijk afstand van het kartel met de aankondiging dat zij afzag van deelname aan elk volgend gesprek met de concurrenten. Dit was een duidelijke boodschap van een van de deelnemers om niet langer deel te nemen aan het kartel, en het was voor zover de Commissie weet, het laatste relevante contact tussen de producenten van natriumchloraat (zie ook punt 283). Terwijl EKA, Atochem en [verzoekster] rechtstreeks deelnamen aan de vergadering van 9 februari 2000, wijst niets in het dossier van de Commissie erop dat [FC] vóór die datum openlijk afstand van het kartel had genomen (geen van de partijen heeft zich trouwens op een dergelijke distantiëring beroepen). De Commissie beschouwt bijgevolg 9 februari 2000 als de datum waarop het kartel voor alle betrokken ondernemingen, te weten EKA, [FC], Atochem en [verzoekster], eindigde.

489 Hieruit volgt dat de totale duur van de in de [bestreden] beschikking beschreven inbreuk voor [verzoekster] en Uralita [...] 3 jaar en 1 maand bedraagt.”

24 In de punten 444 en 455 tot en met 468 van de bestreden beschikking stelt de Commissie zich enerzijds op het standpunt dat Uralita een beslissende invloed op de strategische koers en het algemene commerciële beleid van verzoekster heeft uitgeoefend, en anderzijds dat de aansprakelijkheid van EIA als enig aandeelhouder van verzoekster, als gevolg van de overname van EIA door Uralita, is overgegaan op Uralita. Bijgevolg beschouwt de Commissie verzoekster en Uralita in de punten 469 en 487 tot en met 489 van de bestreden beschikking als hoofdelijk aansprakelijk voor de inbreuk die eerstgenoemde van 16 december 1996 tot en met 9 februari 2000 pleegde (hierna: „betrokken inbreuk”), dus over een totale duur van drie jaar en een maand.

25 Wat de bepaling van de hoogte van de op te leggen geldboeten betreft, blijkt uit punt 498 van de bestreden beschikking dat de Commissie zich heeft gebaseerd op de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die worden opgelegd uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening (EG) nr. 1/2003 (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren uit 2006”). Bovendien blijkt in het onderhavige geval uit punt 509 van de bestreden beschikking dat de Commissie voor de berekening van de waarde van de omzet, de verkooptransacties van natriumchloraat in aanmerking heeft genomen die elke onderneming in de EER gedurende het boekjaar dat overeenkomt met het laatste volledige jaar van de inbreuk en dat eindigde op 31 december 1999, heeft verricht.

26 Wat de bepaling van de hoogte van het basisbedrag van de geldboeten betreft, blijkt uit de punten 509 tot en met 524 van de bestreden beschikking dat de Commissie op de eerste plaats ten aanzien van de zwaarte van de betrokken inbreuk heeft vastgesteld dat deze buitengewoon ernstig was, aangezien zij berustte op overeenkomsten over de verdeling van de markten en de vaststelling van prijzen (punt 512 van de bestreden beschikking), dat de aan het kartel deelnemende ondernemingen in 1999 binnen de EER samen een marktaandeel hadden van 90 % (punt 513 van de bestreden beschikking), vervolgens dat die inbreuk gevolgen had op een wezenlijk gedeelte van het grondgebied van de EER (punt 514 van de bestreden beschikking), en ten slotte dat de overeenkomsten, ook al leverden zij niet altijd de gewenste resultaten op, algemeen werden toegepast (punt 515 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft derhalve het deel van de omzet van elke betrokken onderneming dat gebruikt werd om het basisbedrag te bepalen, vastgesteld op 19 %.

27 Op de tweede plaats heeft de Commissie de vermenigvuldigingsfactor voor de duur van de inbreuk uit hoofde van het bepaalde in punt 24 van de richtsnoeren uit 2006 vastgesteld op 3,5.

28 Op de derde plaats heeft de Commissie in punt 523 van de bestreden beschikking op basis van het bepaalde in punt 25 van de richtsnoeren uit 2006, en met de bedoeling om de betrokken ondernemingen af te schrikken van medewerking aan horizontale prijsafspraken die vergelijkbaar zijn met de overeenkomsten waar de bestreden beschikking op doelt, besloten om het basisbedrag van de geldboete, rekening houdend met de in punt 512 tot en met 515 van de bestreden beschikking onderzochte factoren, te verhogen met een aanvullend bedrag van 19 %.

29 De Commissie concludeert in artikel 1, sub g en h, van de bestreden beschikking dat verzoekster en Uralita inbreuk hebben gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door van 16 december 1996 tot en met 9 februari 2000 deel te nemen aan een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen met de bedoeling om onderling verkoopvolumes te verdelen, de prijzen vast te stellen, commercieel gevoelige informatie over prijzen en verkoopvolumes uit te wisselen en controle uit te oefenen op de uitvoering van de mededingingsverstorende afspraken met betrekking tot natriumchloraat op de EER-markt.

30 In artikel 2, sub f, van de bestreden beschikking heeft de Commissie aan verzoekster en Uralita een hoofdelijke boete opgelegd ten bedrage van 9 900 000 EUR.

31 In artikel 3 van de bestreden beschikking gelast de Commissie de in artikel 1 van de bestreden beschikking genoemde ondernemingen enerzijds om onmiddellijk een einde te maken aan de geconstateerde inbreuk, voor zover zij dat nog niet hebben gedaan, en anderzijds om zich voortaan te onthouden van iedere in artikel 1 van de bestreden beschikking beschreven handeling of gedraging, alsook van iedere handeling of gedraging die eenzelfde of gelijkaardige doelstelling of gevolg heeft.

32 In artikel 4 van de bestreden beschikking worden de geadresseerden van de bestreden beschikking opgesomd, waaronder verzoekster.

Procesverloop en conclusies van partijen

33 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 augustus 2008, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

34 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer) beslist over te gaan tot de mondelinge behandeling. Het Gerecht heeft partijen ook bepaalde vragen gesteld en de Commissie verzocht bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn op genoemde vragen en verzoeken geantwoord.

35 Bij brief van 3 september 2010 heeft de Commissie opmerkingen over het rapport ter terechtzitting in de zaak T‑348/08 ingediend.

36 Tijdens de terechtzitting heeft het Gerecht partijen een kopie van de bladzijden 1159 en 1160 van het dossier van de Commissie overhandigd. Partijen hebben bevestigd dat die kopie, afgezien van de toevoeging door het Gerecht van een handgeschreven nummering van de gedachtestreepjes op deze twee bladzijden, volstrekt gelijk was aan het origineel op genoemde bladzijden in het dossier van de Commissie.

37 De mondelinge behandeling is gesloten op 10 september 2010.

38 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

– primair, de bestreden beschikking nietig te verklaren voor zover deze op haar betrekking heeft;

– subsidiair, de artikelen 1 en 2 van de bestreden beschikking zodanig te wijzigen dat de geldboete die haar is opgelegd, wordt geschrapt of aanzienlijk wordt verlaagd;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

39 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

A – Het verzoek om de bestreden beschikking nietig te verklaren

40 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan. Het eerste middel betreft een onjuiste rechtsopvatting en beoordeling, voor zover de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster aan de bewuste inbreuk heeft deelgenomen. Het tweede middel betreft een onjuiste rechtsopvatting en beoordeling door de Commissie bij de berekening van de hoogte van de geldboete die verzoekster is opgelegd.

1. Het eerste middel: onjuiste rechtsopvatting en beoordeling voor zover de Commissie verzoeksters deelneming aan de inbreuk tussen 16 december 1996 en 9 februari 2000 in aanmerking heeft genomen

41 Als eerste middel voert verzoekster aan dat de bewijselementen die de Commissie in de bestreden beschikking in aanmerking heeft genomen, niet rechtens genoegzaam bewijzen dat zij aan de bewuste inbreuk heeft deelgenomen. Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. De Commissie heeft – ten eerste – niet aangetoond dat verzoekster tussen 16 december 1996 en 9 februari 2000 rechtstreeks aan de bewuste inbreuk heeft deelgenomen en – ten tweede – dat zij heeft deelgenomen aan één enkele en voortdurende inbreuk die het gehele grondgebied van de Europese Economische Ruimte bestreek.

a) Argumenten van partijen

42 Volgens verzoekster berust het samenstel van aanwijzingen waar de Commissie zich op beroept om haar verantwoordelijk te stellen voor de in geding zijnde inbreuk, op de volgende drie typen bewijsmiddelen. Het eerste is gebaseerd op het feit dat verzoekster heeft erkend te hebben deelgenomen aan de onrechtmatige bijeenkomst van 28 januari 1998 met EKA, FC en Arkema France. Het tweede betreft de handgeschreven aantekeningen van S. (FC) [hierna: „aantekeningen van S. (FC)”]. Het derde bestaat uit de verklaringen van EKA uit 2003 en uit 2006. Maar geen van die drie bewijselementen kan – hetzij op zichzelf beschouwd hetzij gezamenlijk – buiten redelijke twijfel bewijzen dat zij heeft deelgenomen aan een onrechtmatig kartel.

43 Op de eerste plaats bestrijdt verzoekster niet, wat de onrechtmatige bijeenkomst van 28 januari 1998 betreft, hieraan te hebben deelgenomen. Het betrof volgens haar een heel informele samenkomst in de wandelgangen van een hotel. Maar zij wijst er nogmaals op dat de kopstukken binnen het kartel – zoals ook uit de aantekeningen van S. (FC) blijkt, die op bladzijde 1159 in het dossier van de Commissie zijn opgenomen – de werknemer van verzoekster korte tijd nadat de groep zich had gevormd, verzochten om weg te gaan. Bijgevolg houdt verzoekster staande dat zij niet vanwege haar aanwezigheid gedurende een deel van één enkele bijeenkomst op een totaal van 72 door de Commissie vastgestelde mededingingsverstorende contacten tussen de deelnemers aan het kartel, verantwoordelijk kan worden gehouden voor deelneming aan de zeer complexe en frequente overeenkomsten tussen de overige geadresseerden van de bestreden beschikking.

44 Wat, op de tweede plaats, de uit de periode van de inbreuk stammende bewijzen uit de aantekeningen van S. (FC) betreft, deze bestonden slechts uit drie indirecte verwijzingen naar verzoekster die aangehaald worden in punt 349 van de bestreden beschikking. Enerzijds blijkt immers zowel uit dat punt als uit punt 352 van de beschikking dat die drie verwijzingen uit de aantekeningen van S. (FC) de enige uit de periode van de toedracht stammende bewijsmiddelen zijn die belastend zijn voor verzoekster. Anderzijds blijkt uit de formulering van punt 352 van de bestreden beschikking dat de Commissie zelf van mening was dat het niet mogelijk was om onomstotelijk aan te tonen dat de overige inlichtingen in de aantekeningen van S. (FC) met betrekking tot verzoekster rechtstreeks van haar afkomstig waren.

45 Verzoekster merkt verder op dat de overige in de verzoeken om toepassing van de mededeling inzake medewerking voorkomende verklaringen, die de Commissie in haar schriftelijke uiteenzettingen een hogere waarde probeert toe te kennen dan de drie verwijzingen die genoemd worden in punt 349 van de bestreden beschikking, anders kunnen worden uitgelegd dan zoals door de Commissie geopperd, en niet de conclusie toelaten dat verzoekster zou hebben deelgenomen aan één enkele en voortdurende inbreuk. Ten slotte beroept de Commissie zich ook op andere bewijselementen die enerzijds niet zijn aangevoerd in de bestreden beschikking en die anderzijds geen schuld van verzoekster aantonen, hetgeen verklaart waarom ze niet zijn vermeld in de bestreden beschikking. Verzoekster houdt, om preciezer te zijn, staande dat de Commissie in haar verweerschrift stelt dat de beschikking niet alleen is gebaseerd op de drie verwijzingen in punt 349 van de bestreden beschikking, maar ook op andere verwijzingen die haar betreffen in de aantekeningen van S. (FC). Verzoekster is van mening dat dit erop neerkomt dat elke verwijzing naar haar als een rechtstreekse beschuldiging tegen haar moet worden aangemerkt. Welnu, hoewel de Commissie zich tot staving van haar grieven tegen verzoekster beroept op de „heldere formulering van de [bestreden] beschikking” wat die andere verwijzingen in de aantekeningen van S. (FC) aangaat, is verzoekster juist van mening dat die verwijzingen ofwel ontlastende bewijselementen zijn, ofwel niet bewijzen dat zij aan de in geding zijnde inbreuk heeft deelgenomen.

46 Ten slotte is verzoekster van mening dat de Commissie, anders dan is gesteld in punt 352 van de bestreden beschikking, waarin het heet dat, voor zover de andere inlichtingen uit de aantekeningen van S. (FC) van derden kunnen stammen en niet van verzoekster zelf, „hiermee rekening zal worden gehouden bij het bepalen van de duur van de inbreuk waarvoor [verzoekster] zich zal moeten verantwoorden”, haar berekening van de duur van verzoeksters deelneming aan de in geding zijnde inbreuk niet heeft aangepast in vergelijking met de berekening in de mededeling van de punten van bezwaar. Zij leidt hieruit af dat de in de bestreden beschikking in aanmerking genomen duur de tijdsduur van haar vermeende deelneming aan de in geding zijnde inbreuk niet correct weergeeft en dat hierop van de zijde van de Commissie geen aanpassingen of tegemoetkomingen hebben plaatsgevonden om recht te doen aan het povere karakter van de bewijselementen.

47 Wat de eerste verwijzing naar verzoekster betreft, die vermeld wordt in punt 349 van de bestreden beschikking, deze heeft betrekking op een telefoongesprek op 16 december 1996 tussen S. (FC) en S. (EKA), in de loop waarvan eerstgenoemde een telefoongesprek ter sprake zou hebben gebracht dat hij met verzoekster over de prijzen in Spanje zou hebben gevoerd. Verzoekster houdt staande dat deze eerste verwijzing niet buiten redelijke twijfel bewijst dat zij heeft deelgenomen aan een kartel. Enerzijds heeft de betrokken werknemer ontkend dat hij buiten het kader van de officiële algemene vergaderingen van CEFIC contact met S. (FC) heeft gehad. Anderzijds geeft deze verwijzing slechts de inhoud van een gesprek met EKA over verzoekster weer. Ten slotte wijzen de overige bewijselementen er niet op dat verzoekster gedurende de onderhandelingsperiode die voorafging aan de ondertekening van de overeenkomsten over natriumchloraat voor het eerste kwartaal van 1997, heeft deelgenomen aan een overeenkomst over de prijzen. Had verzoekster in die periode deelgenomen aan een kartel, dan zouden de aantekeningen van S. (FC) er vaker en niet alleen op indirecte wijze gewag van hebben gemaakt.

48 De tweede verwijzing naar verzoekster heeft betrekking op een telefoongesprek dat plaatsvond op 4 december 1998 tussen S. (FC) en S. (EKA), in de loop waarvan laatstgenoemde een onderhoud met Arkema France over de prijzen in Portugal ter sprake zou hebben gebracht. Uit dat laatste gesprek zou blijken dat Arkema France aan S. (EKA) zou hebben verteld zich tot een werknemer van verzoekster te hebben gewend. Verzoekster is van mening dat dit uittreksel niet erop wijst dat zij heeft deelgenomen aan het kartel, maar juist eerder suggereert dat aan verzoekster is gevraagd om haar prijzen niet te verlagen. Overigens wijst verzoekster erop dat in het verzoek van Arkema France om toepassing van de mededeling inzake medewerking [gedaan tijdens het verhoor van L. (Arkema France) op 24 september 2004] geen enkele keer verzoeksters naam wordt genoemd in het kader van de besprekingen die plaatsvonden van medio 1998 tot mei 2000. Bovendien gaf dit uittreksel een verklaring weer van Arkema France, een directe concurrent van FC. Derhalve spreekt verzoekster het vermoeden uit dat Arkema France, toen zij met S. (EKA) sprak, er mogelijk als agressieve concurrent van FC belang bij had, hem te doen geloven dat de prijs niet zou zakken en dat FC het prijsniveau van het vorige jaar moest handhaven. Ten slotte verklaart verzoekster dat zij gedurende het jaar 1998 haar verkoopprijzen voor natriumchloraat in Portugal heeft verlaagd. De tweede verwijzing is derhalve niet alleen geen bewijs voor de deelneming van verzoekster aan besprekingen gedurende de bewuste periode, maar zij vormt bovendien een ontlastend element aangezien deze een aanwijzing ervoor geeft dat zij haar gedrag niet heeft afgestemd op het gedrag van de deelnemers aan het kartel.

49 De derde verwijzing naar verzoekster heeft betrekking op een telefoongesprek dat S. (FC) en L. (Arkema France) op 9 december 1999 voerden, in de loop waarvan een van beide gesprekspartners zou hebben gezegd dat hij met verzoekster had gesproken. Verzoekster stelt evenwel dat het feit dat iemand met haar heeft gesproken, op zich nog niet impliceert dat zij zich onrechtmatig heeft gedragen. Aangezien zij werd gezien als een onderneming die weigerde om samen te werken, was het immers denkbaar dat de andere deelnemers aan het kartel het nodig vonden om met haar te spreken om te proberen haar „weer in het gareel te brengen”. Bovendien wijst verzoekster er nogmaals op dat deze derde verwijzing in tegenspraak is met de door L. (Arkema France) tijdens zijn verhoor afgelegde verklaringen, waarin hij verzoekster niet meer vermeldt als een van de deelnemers aan het kartel tussen medio 1998 en mei 2000.

50 Wat, op de derde plaats, de verklaringen van EKA uit 2003 en uit 2006 betreft, wijst verzoekster er nogmaals op dat deze volgens de Commissie „de betrokkenheid van [verzoekster] ten aanzien van de Spaanse, de Franse en de Portugese klanten” verklaren. FC en Arkema France hebben echter geen enkele beschuldiging van die aard geuit.

51 Wat, ten eerste, de verklaringen van EKA uit 2003 betreft, blijkt daaruit dat EKA, FC en Arkema France de belangrijkste deelnemers aan het kartel waren. Verzoekster zou in mindere mate aan de overeenkomsten hebben deelgenomen. Bovendien heeft de Commissie in punt 358 van de bestreden beschikking en in de hierop betrekking hebbende voetnoot 391 specifiek de verklaringen van EKA uit 2003 op het oog. Om die reden citeert en becommentarieert verzoekster drie passages uit die verklaringen die respectievelijk betrekking hebben op Spanje, op Frankrijk en op Portugal. Deze drie passages zijn de belangrijkste passages in de verklaring van EKA waarin haar aantijging wordt uiteengezet dat verzoekster in overeenstemming met haar positie en belangen op de markt voor de Spaanse, de Franse en de Portugese klanten zou hebben deelgenomen aan het kartel.

52 Wat de eerste passage betreft, over Spanje, hieruit blijkt dat EKA in het bijzonder heeft verklaard dat „[VERTROUWELIJK]”. Dienaangaande houdt verzoekster staande dat het normaal zou zijn dat zij, indien zij marktaandeel zou verliezen in Spanje, probeert klanten te werven op naburige markten zoals Frankrijk of Portugal. Dat is heel normaal gedrag op een markt waar de regels van de concurrentie gelden. Er is derhalve een andere uitlegging, en wel een uitlegging die in overeenstemming is met normaal marktgedrag, mogelijk dan de door de Commissie geopperde.

53 Uit de tweede passage, die Frankrijk betreft, blijkt dat EKA in het bijzonder heeft verklaard dat „[VERTROUWELIJK]”. Verzoekster stelt dat de Commissie zich op deze verklaring baseert om het bestaan van bilaterale overeenkomsten over omzetvolumes in Frankrijk te suggereren tussen Arkema France en andere producenten, niet zijnde EKA. Verzoekster voert aan dat deze verklaring van EKA slechts op een gerucht is gebaseerd, aangezien EKA beweert dat verzoekster aan overeenkomsten zou hebben deelgenomen waar EKA zelf niet bij betrokken was. De inlichtingen in die verklaring zouden derhalve slechts van derde partijen, zoals Arkema France, afkomstig kunnen zijn. Maar verzoekster wijst erop dat Arkema France in haar verzoek om toepassing van de mededeling inzake medewerking geen enkele specifieke overeenkomst met verzoekster vermeldt. De verklaring van een derde die beweert dat er sprake was van een overeenkomst die „lijkt” te zijn gesloten door andere producenten kan niet de overtuiging van het bestaan van een dergelijke overeenkomst dragen. Bijgevolg is deze passage in de verklaring van EKA niet voldoende duidelijk om verzoekster te betrekken bij het plegen van de in geding zijnde inbreuk.

54 Wat de derde passage, over Portugal, betreft, hieruit blijkt dat EKA in het bijzonder heeft verklaard dat „[VERTROUWELIJK]”. Verzoekster verklaart niet te begrijpen in hoeverre deze verklaring een bewijs tegen haar zou kunnen vormen, nu deze slechts handelt over EKA, Arkema France en FC voor wat betreft een overeenkomst over volumes.

55 Wat, ten tweede, de verklaringen van EKA uit 2006 betreft, deze zijn na een verzoek van de Commissie opgesteld. Verzoekster volhardt evenwel - in weerwil van het verweer van de Commissie - in haar verklaring dat in de verklaringen uit 2006 enkele vergissingen worden gecorrigeerd en zelfs enkele beweringen worden weersproken die in oudere verklaringen van EKA stonden, in het bijzonder in die uit 2003. Zo heeft EKA in haar verklaringen uit 2006 aangegeven dat verzoekster bij slechts één bijeenkomst aanwezig was geweest en niet bij vijf. Bovendien verklaart EKA niet langer dat verzoekster en Arkema France hun marktaandelen in Frankrijk in het kader van een aparte overeenkomst onderling hadden verdeeld. Overigens merkt verzoekster op dat de nieuwe verklaring van EKA, wat de Spaanse markt betreft, haar opvatting ondersteunt dat de door de Commissie naar voren gebrachte gedragingen heel vanzelfsprekend waren. Ook bevatten de verklaringen van EKA uit 2006 geen enkele specifieke vermelding van verzoekster meer met betrekking tot de Spaanse, de Franse en de Portugese markt. Verzoekster stelt dat EKA weliswaar heeft verklaard dat verzoekster partij was bij de overeenkomsten, maar over dit onderwerp geen enkele specifieke aanwijzing heeft verstrekt. Zij merkt bovendien op dat, terwijl verzoekster in de verklaringen van EKA ten onrechte ervan wordt beschuldigd dat zij heeft deelgenomen aan vijf bijeenkomsten, de Commissie er heel verstandig van heeft afgezien om deze in de bestreden beschikking in aanmerking te nemen. De enige plek waar haar naam wordt vermeld, vormt een ontlastend element voor verzoekster aangezien hier wordt aangegeven dat EKA en FC hadden besloten om hun prijzen niet te verhogen voor het geval dat verzoekster, Arkema France en „[VERTROUWELIJK]” hen niet zouden volgen.

56 Verzoekster trekt hieruit de conclusie dat het gebrek aan samenhang tussen de verklaringen van EKA uit 2003 en 2006 de twijfel over de juistheid en de bewijskracht ervan doen toenemen. Bijgevolg kan het Gerecht hierop niet de stellige overtuiging baseren dat door verzoekster een inbreuk is gepleegd. Bovendien wordt in die verklaringen geen enkele melding gemaakt van bijeenkomsten of telefoongesprekken met verzoekster. Zij zijn derhalve onvoldoende om verzoekster verantwoordelijk te stellen voor een inbreuk van artikel 81 EG.

57 Op de vierde plaats stelt verzoekster bovendien dat de Commissie ten onrechte 9 februari 2000 heeft gekozen als einddatum van haar vermeende deelneming aan het kartel. De in de bestreden beschikking opgenomen bewijselementen tonen immers slechts aan dat verzoekster bij de officiële vergadering van CEFIC op 9 februari 2000 aanwezig was, hetgeen zij niet bestrijdt. De Commissie heeft daarentegen niet bewezen dat verzoekster heeft deelgenomen aan een onrechtmatige bijeenkomst die zou hebben plaatsgevonden in de marge van de vergadering van CEFIC op 9 februari 2000 (hierna: „onrechtmatige bijeenkomst van 9 februari 2000”). Zo is verzoekster ten eerste van mening dat de verklaring van S. (EKA) dat EKA afzag van deelname aan elk volgend gesprek met de concurrenten, gedaan tijdens de onrechtmatige bijeenkomst van 9 februari 2000, niet genoegzaam aantoont dat zijzelf bij die bijeenkomst aanwezig was. Ten tweede stelt zij enerzijds dat noch Arkema France noch FC gewag heeft gemaakt van een dergelijke verklaring en anderzijds dat haar werknemer heeft bevestigd die verklaring niet te hebben gehoord. Ten derde kunnen de besprekingen van 20, 21 en 24 januari 2000, waar de Commissie naar verwijst in punt 283 van de bestreden beschikking, niet worden beschouwd als bewijzen die verzoekster belasten of die het bewijs kunnen leveren van haar deelname aan de onrechtmatige bijeenkomst van 9 februari 2000. Ten vierde merkt verzoekster op dat uit bijlage I bij de bestreden beschikking blijkt dat zij niet staat vermeld als deelnemer aan de onrechtmatige bijeenkomst van 9 februari 2000 en dat die niet-vermelding niet het gevolg kan zijn van een simpele schrijffout.

58 Tot besluit van het eerste onderdeel van het eerste middel stelt verzoekster dat de in de bestreden beschikking jegens haar ingebrachte bewijzen niet voldoende nauwkeurig en met elkaar in overeenstemming zijn om tot de stellige overtuiging te leiden dat zij aan de in geding zijnde inbreuk heeft deelgenomen.

59 Ten eerste had de Commissie haar in die omstandigheden, nu er in dit geval twijfel bestaat over de deelneming van verzoekster aan de in geding zijnde inbreuk, rekening houdend met het beginsel dat de aangeklaagde het voordeel van de twijfel geniet, niet verantwoordelijk mogen stellen voor deelneming aan genoemde inbreuk.

60 Ten tweede merkt verzoekster op dat de bevoegdheden waarover de Commissie beschikt om het bestaan van inbreuken tegen het bepaalde in artikel 81 EG vast te stellen, thans zijn versterkt. Zo kent verordening nr. 1/2003 haar nieuwe en krachtiger bevoegdheden toe. Bovendien stellen de nieuwe clementieregelingen haar in staat om belangrijke schriftelijke bewijsmiddelen te vergaren. Daar komt nog bij dat de Commissie door de technische vooruitgang op ICT-gebied in staat is om geavanceerde elektronische onderzoeken te verrichten. Ten slotte betoogt verzoekster dat de Commissie het in dit geval niet noodzakelijk vond om een diepgaand onderzoek te verrichten en om in dat verband een onderzoek ter plaatse in te stellen in de gebouwen van haar of in die van de andere ondernemingen aan wie de bestreden beschikking was gericht.

61 Gelet op bovengenoemde versterkte bevoegdheden rust op de Commissie de verplichting om wat het bewijs betreft een hoog kwaliteitsniveau in acht te nemen. Nu de Commissie in dit geval niet voldoet aan een dergelijk kwaliteitsniveau, had zij verzoekster het voordeel van de blijvende twijfel moeten gunnen, net zoals zij dat heeft gedaan ten aanzien van andere kleine producenten die in een vergelijkbare situatie als verzoekster verkeerden. Bijgevolg had de Commissie haar niet verantwoordelijk mogen stellen voor deelneming aan de in geding zijnde inbreuk en haar evenmin een geldboete op mogen leggen. In ieder geval brengt verzoekster naar voren, dat – hoewel de omvang van de door de drie belangrijkste producenten uitgewisselde informatie over [VERTROUWELIJK] vergelijkbaar was met de over verzoekster uitgewisselde informatie – de Commissie heeft besloten om alleen haar een geldboete op te leggen. Verzoekster trekt hieruit de conclusie dat de Commissie het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden.

62 De Commissie betwist de gegrondheid van verzoeksters argumenten.

63 Zij houdt staande dat de in de bestreden beschikking opgenomen bewijzen aantonen dat verzoekster heeft deelgenomen aan de in geding zijnde inbreuk. Zij herinnert eraan dat genoemde bewijzen van drieërlei aard zijn, te weten enerzijds verzoekster belastende verklaringen van deelnemers aan het kartel, anderzijds uitgebreide, uit de tijd van de toedracht stammende aantekeningen van S. (FC), en ten slotte de bekentenis van verzoekster dat zij heeft deelgenomen aan de onrechtmatige bijeenkomst van 28 januari 1998, welke bekentenis gestaafd wordt door andere bewijzen met betrekking tot die bijeenkomst.

64 Wat op de eerste plaats de verklaringen van deelnemers aan het kartel betreft, merkt de Commissie op dat deze korte tijd na de beëindiging van het kartel zijn afgelegd en dat deze in hoge mate met elkaar en met de aantekeningen van S. (FC) uit de desbetreffende periode overeenkomen. Zij voegt hieraan toe dat ondernemingen die hebben verzocht om toepassing van de mededeling inzake samenwerking, anders dan verzoekster beweert, niet noodzakelijkerwijs geneigd zullen zijn om verminkte bewijselementen met betrekking tot de andere deelnemers aan het gelaakte kartel over te leggen.

65 Wat op de tweede plaats de uit de desbetreffende periode stammende aantekeningen van S. (FC) betreft, bestrijdt de Commissie de bewering van verzoekster als zouden voor wat punt 349 van de bestreden beschikking betreft slechts drie passages uit de aantekeningen van S. (FC) in aanmerking zijn genomen om verzoekster aan te klagen, zodat elke andere verwijzing kon worden genegeerd. De Commissie merkt op dat zij zich immers, behalve op de drie passages waar verzoekster zich op concentreert, herhaaldelijk op andere verwijzingen naar verzoekster in de aantekeningen van S. (FC) baseert, en in dat verband haalt zij als voorbeelden de punten 150, 220, 229, 256, 305, 319 en 347 van de bestreden beschikking aan. De Commissie merkt op dat verzoekster zich in repliek in haar kritiek op de bewijselementen in wezen beperkt tot de passage in de aantekeningen van S. (FC) die vermeld staat in punt 150, waarbij zij de passage op verminkte wijze en uit haar verband gerukt weergeeft. Verzoekster erkent weliswaar, wat de zes overige punten betreft, dat deze rechtstreeks belastend zijn, maar beweert dat de bestreden beschikking haar niet noemt in de feitelijke vaststellingen met betrekking tot het jaar 1997. Die laatste bewering is onjuist en de Commissie kon in het verweerschrift terecht concluderen dat er in 1997 geregeld telefonisch contact was tussen verzoekster en deelnemers aan het kartel.

66 Punt 349 van de bestreden beschikking weerlegt de argumenten waarmee verzoekster wil aantonen dat zij niet deelnam aan het kartel en moet niet worden verward met de punten, zoals bijvoorbeeld de punten 305 en 319, waarin de Commissie uitvoerig haar argumenten die verzoekster belasten, uiteenzet. Bovendien heeft de Commissie deze drie, in punt 349 aangehaalde verwijzingen benadrukt, aangezien het enerzijds bijzonder overtuigende en dus wezenlijke bewijselementen zijn waarmee kan worden aangetoond dat verzoekster heeft deelgenomen aan de in geding zijnde inbreuk, te weten één enkele en voortdurende inbreuk van Europese omvang, en aangezien verzoekster anderzijds de verklaringen niet heeft bestreden en ten slotte aangezien die bewijzen uit de periode van de toedracht zeer belastend zijn voor verzoekster, ook al zijn het niet alle bewijzen die de Commissie heeft vergaard.

67 Wat op de derde plaats punt 352 van de bestreden beschikking betreft, verklaart de Commissie hier uitdrukkelijk een onderscheid te hebben gemaakt tussen de verschillende passages in de aantekeningen van S. (FC), afhankelijk van hun bewijskracht om in het bijzonder de duur van de deelneming door verzoekster aan de in geding zijnde inbreuk vast te stellen. Welnu, de Commissie heeft er in bovengenoemd punt 352 op gewezen dat zij, indien zij zich zou hebben beperkt tot de andere dan de in punt 349 bedoelde verwijzingen naar verzoekster, moeilijkheden zou hebben gehad met het op overtuigende wijze aantonen van de collusie. Om die reden heeft zij derhalve besloten om ze niet in aanmerking te nemen om de duur van de deelneming door verzoekster aan het kartel uit te breiden. Maar ook als die andere verwijzingen naar verzoekster op zichzelf niet overtuigend blijken te zijn, dan maken ze op zijn minst deel uit van een reeks coïncidenties en aanwijzingen waarop de Commissie haar analyse met betrekking tot de deelneming door verzoekster aan het kartel mocht baseren.

68 In dupliek stelt de Commissie, nog steeds betreffende punt 352 van de bestreden beschikking, dat verzoekster voorbijgaat aan de punten 305 en 319 van de bestreden beslissing, waarin expliciet de andere passages in de aantekeningen van S. (FC) als voor haar belastende bewijselementen worden genoemd. Ook laat zij de punten 357 en 358 van de bestreden beschikking buiten beschouwing, waarin wordt vastgesteld dat de Commissie haar punten van bezwaar tegen verzoekster baseert op de aantekeningen van S. (FC) in hun geheel genomen, en zich niet beperkt tot de drie in punt 349 van die beschikking bedoelde verwijzingen. Volgens de Commissie blijkt uit de rechtspraak dat het feit dat een inlichting indirect is verstrekt of van ondergeschikt belang is, niets afdoet aan de mogelijkheid deze als bewijselement te gebruiken. De uit de tijd van de inbreuk stammende bewijzen, bestaande uit de aantekeningen van S. (FC), vertonen samenhang met de overige bewijselementen in het dossier die verzoekster belasten, en zijn ook in ruime mate door partijen, met inbegrip van verzoekster, erkend.

69 Ten slotte bevat punt 352 helemaal geen belofte om de duur van de deelneming door verzoekster aan het in geding zijnde kartel te wijzigen ten opzichte van de in de mededeling van de punten van bezwaar in aanmerking genomen duur. Overigens zijn de in de bestreden beschikking gebruikte bewijselementen, in tegenstelling tot de beweringen van verzoekster, dezelfde als de in de mededeling van de punten van bezwaar gebruikte.

70 Op de vierde plaats vestigt de Commissie primo aandacht op het feit dat de bestreden beschikking is gebaseerd op algemene bewijzen die EKA, Arkema France en FC hebben verschaft en die categorisch verzoeksters deelneming aan het kartel alsmede de kenmerken van dat kartel aantonen.

71 Secundo somt de Commissie een aantal specifieke bewijzen op waaruit de contacten tussen verzoekster en de overige deelnemers aan het kartel blijken.

72 Ten eerste blijkt uit de aantekeningen van S. (FC) over zijn telefonisch onderhoud op 16 december 1996 met S. (EKA) dat hij eerder gesproken had met verzoekster. De Commissie wijst erop dat verzoekster dit bewijs niet heeft weersproken in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar. Bovendien bestrijdt zij de argumenten die verzoekster nu tegen dit bewijs inbrengt.

73 Ten tweede is de Commissie wat de bewijzen met betrekking tot het kalenderjaar 1997 betreft, van mening dat de op 10 en 14 januari 1997 gedagtekende passages in de uit die tijd stammende aantekeningen van S. (FC) de irritatie van verzoekster illustreren over de pogingen van FC om zich een groter deel van de markt in Spanje en Portugal toe te eigenen. Ook blijkt uit een aantekening van S. (FC) van 14 oktober 1997 over een bilaterale ontmoeting op die dag van EKA en FC in Turku (Finland) (hierna: „bijeenkomst in Turku van 14 oktober 1997”), dat FC en EKA moeite hadden om in het bijzonder verzoekster duidelijk te maken dat een prijsstijging van 1,5 % noodzakelijk was om de inflatie te compenseren. Ook blijkt naar aanleiding van die bijeenkomst in Turku van 14 oktober 1997 uit een verklaring van EKA, dat met het oog op de groei van de verkopen van FC in Spanje het risico van represaillemaatregelen door de Spaanse producenten bestond, en dat EKA en FC waren overeengekomen om hun prijzen niet te verhogen voor het geval dat met name verzoekster hen niet zou volgen.

74 Ten derde herinnert de Commissie eraan, wat de onrechtmatige bijeenkomst van 28 januari 1998 betreft, dat verzoekster heeft toegegeven bij die bijeenkomst aanwezig te zijn geweest. Uit de aantekeningen van S. (FC) blijkt dat partijen over de markt voor natriumchloraat in verschillende landen hebben gesproken alsmede over de marktaandelen en de prijzen. Eerst heeft de Commissie in haar schriftelijke uiteenzettingen gesteld dat niets in het dossier erop wees dat verzoeksters deelneming aan die vergadering een nieuw of bijzonder gegeven was. Maar later heeft de Commissie in haar opmerkingen over het rapport ter terechtzitting expliciet erkend dat verzoeksters deelneming aan die vergadering een nieuw gegeven was. Maar de Commissie is van mening dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij vanuit een ander oogpunt aan die vergadering heeft deelgenomen dan de overige deelnemers aan het kartel noch dat zij zich publiekelijk ervan had gedistantieerd. De bewering van verzoekster met betrekking tot het informele karakter van de bijeenkomst wordt enerzijds weersproken door het feit dat deze verscheidene weken van tevoren was gepland, en anderzijds door de gedetailleerde aantekeningen van S. (FC). Anders dan verzoekster verkeerd heeft begrepen, blijkt uit punt 183 van de bestreden beschikking dat partijen uitputtend (en niet uitsluitend) over België, Spanje, Frankrijk en Portugal hebben gesproken. Uit de aantekeningen van S. (FC) blijkt niet dat de kopstukken binnen het kartel aan verzoekster hebben gevraagd om weg te gaan. De aantekeningen van S. (FC) tonen juist aan dat de analyse van de Spaanse, de Franse en de Portugese markt werd onderbroken door besprekingen over andere markten gedurende het grootste deel van de vergadering, zodat het waarschijnlijk is dat verzoekster gedurende de gehele bijeenkomst aanwezig is geweest. Tot slot verklaart de Commissie dat zij zich in bijlage I bij de bestreden beschikking noodzakelijkerwijs heeft beperkt tot de contacten waarvan zij de werkelijke datum wist, en dat er dus ook andere contacten zijn geweest waar verzoekster bij betrokken was en die gestaafd worden door bewijzen maar waarvan de precieze datum niet is vermeld.

75 Ten vierde hebben L. (Arkema France) en S. (FC) in oktober en november 1998 meerdere telefoongesprekken met elkaar gevoerd over het marktaandeel van verzoekster in Portugal.

76 Ten vijfde is de Commissie wat het telefoongesprek tussen S. (FC) en S. (EKA) op 4 december 1998 betreft van mening dat verzoekster niet uitlegt hoe dergelijke contacten konden plaatsvinden in een normale zakelijke praktijk, en dat zij afgezien daarvan toegaf dat haar was gevraagd om de prijzen niet te verlagen, hetgeen een mededingingsverstorend verzoek is waaraan zij heeft voldaan. In tegenstelling tot wat verzoekster beweert, blijkt niet uit de verklaring van L. (Arkema France) dat verzoekster aan het einde van de eerste periode, die van oktober 1994 tot medio 1998 duurde, uit het kartel is gestapt, vergeleken met een vermeende tweede periode van medio 1998 tot mei 2000, temeer daar deze uitlegging door overvloedig bewijsmateriaal wordt weerlegd.

77 Ten zesde wijst de Commissie erop dat verzoekster alleen de prijsverlagingen in Portugal in de jaren 1999 en 2000 noemt, maar dat zij vergeet te vermelden dat de prijzen van 1993 tot en met 1997 waren gestegen en gelijk waren gebleven in 1998. Bovendien kan de prijsverlaging in 1999 worden verklaard door de prijzenoorlog die in Portugal was uitgebroken als gevolg van een conflict over een klant. Ondanks de afzwakking van het kartel in 1999 bleef het opnieuw actief en, zoals blijkt uit de aantekeningen van S. (FC) over zijn telefoongesprekken op 16 juni en 6, 9 en 22 december 1999 met L. (Arkema France), bleef verzoekster eraan deelnemen. Volgens deze drie notities was er rechtstreeks contact met verzoekster, en in tegenstelling tot hetgeen verzoekster beweert, wijst niets erop dat zij niet meewerkte en dat de overige deelnemers haar weer in het gareel probeerden te brengen.

78 Ten zevende voegt de Commissie hieraan toe dat uit de aantekeningen van S. (FC) over zijn telefonisch overleg op 22 december 1999 met L. (Arkema France) blijkt, dat verzoekster eind december 1999 nog deelnam aan onrechtmatige contacten met haar concurrenten. Ook blijkt uit de aantekeningen van S. (FC) over de in januari 2000 gevoerde telefoongesprekken, zoals samengevat in de bestreden beschikking, dat de deelnemers aan het kartel hun posities op elkaar bleven afstemmen.

79 Ten achtste verduidelijkt de Commissie ten slotte dat het feit dat verzoekster in bijlage I bij de bestreden beschikking niet als een van de deelnemers aan de onrechtmatige bijeenkomst van 9 februari 2000 wordt genoemd, het gevolg is van een schrijffout, aangezien zij in de punten 283 en 488 van de bestreden beschikking heeft geconcludeerd dat verzoekster bij die bijeenkomst aanwezig was. Dat verzoekster de verklaring die EKS in de marge van de officiële vergadering van CEFIC aflegde af te zien van deelname aan elk volgend gesprek met de concurrenten, niet heeft gehoord, is niet van belang aangezien het kartel op die dag ophield te bestaan. Overigens vormt het feit dat zij meedeelt die verklaring niet te hebben gehoord een belangrijke aanwijzing voor haar deelneming aan de ongeoorloofde bijeenkomst van 9 februari 2000.

80 Tertio betwist de Commissie de gegrondheid van de argumenten van verzoekster met betrekking tot de mondelinge verklaringen van EKA.

81 Ten eerste verwijst de Commissie in punt 349 in algemene zin naar de verklaringen van EKA uit 2003 en niet naar de drie passages die verzoekster in haar eigen belang in haar verzoekschrift noemde.

82 Wat de eerste passage betreft die verzoekster noemt en die betrekking heeft op de Spaanse markt, komt het door verzoekster als normaal beschreven gedrag op de Franse markt in geval van verlies van marktaandeel in Spanje, niet overeen met normaal gedrag op de markt, maar is dat een dreigement in het kader van de mededingingsverstorende overeenkomsten, hetgeen duidelijk een algemene overeenkomst over de verdeling van de markt veronderstelt. Bovendien herinnert de Commissie eraan dat volgens de rechtspraak enerzijds het feit dat een onderneming niet stipt de afspraken naleeft die in het kader van een kartel zijn overeengekomen, die onderneming niet ontslaat van haar aansprakelijkheid tenzij zij publiekelijk afstand heeft genomen van die afspraken, en anderzijds het feit dat zij bewust de overige deelnemers aan het kartel heeft kunnen misleiden, haar toch niet vrijpleit van het begaan van een inbreuk.

83 Wat de tweede passage betreft die verzoekster noemt en die betrekking heeft op de Franse markt, stelt verzoekster ten onrechte dat de verklaring van EKA gebaseerd is op een door haarzelf verspreid gerucht. De genoemde passage toont immers in haar geheel beschouwd aan, dat EKA op de hoogte was van het bestaan van een aparte bilaterale overeenkomst op de Franse markt.

84 De derde passage die verzoekster noemt en die betrekking heeft op de Portugese markt, wordt niet genoemd in de bestreden beschikking; de passage is voor verzoekster niet belastend en pleit haar evenmin vrij.

85 Ten tweede rectificeren de verklaringen van EKA uit 2006 – in tegenstelling tot hetgeen verzoekster beweert – niet die uit 2003. De bedoeling ervan was om enkele eerdere verklaringen gedetailleerd te bevestigen. Ze stemmen alle overeen met die uit 2003, die meer inlichtingen bevatten. De Commissie stelt vast dat uit de verklaringen van EKA uit 2006 blijkt dat EKA opnieuw verzoekster noemt als een van de deelnemers aan het kartel, dat zij gedetailleerd beschrijft hoe de deelnemende partijen prijsdoelstellingen bepaalden en de markt verdeelden, dat zij te kennen geeft dat verzoekster al deelnam ruim vóór de in de bestreden beschikking als start van haar deelneming genoemde datum, en dat zij bevestigt dat verzoekster op de Franse markt represaillemaatregelen trof als reactie op de gedragingen van FC. De verklaringen van EKA uit 2006 bevatten derhalve geen ontlastende elementen waarop verzoekster zich zou kunnen beroepen.

86 Quarto bestrijdt de Commissie dat zij door verzoekster een geldboete op te leggen het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden. De situatie van verzoekster is immers niet vergelijkbaar met die van de andere kleine producenten van natriumchloraat. In het bijzonder heeft zij enerzijds erkend te hebben deelgenomen aan een bijeenkomst van het kartel, hebben anderzijds de overige deelnemers aan het kartel haar, in tegenstelling tot de overige kleine producenten, genoemd als deelnemer aan het kartel, en konden ten slotte dankzij de uit de periode van de inbreuk stammende aantekeningen van S. (FC) tegen haar feiten worden ingebracht, hetgeen niet geldt voor de andere kleine ondernemingen. In ieder geval blijkt uit de rechtspraak dat niet op basis van de omstandigheid dat de Commissie geen inbreuk heeft vastgesteld tegen een marktdeelnemer die zich in een met die van een verzoekster vergelijkbare situatie bevindt, de vaststelling van de deelname van de desbetreffende verzoekster aan de haar tenlastegelegde inbreuk, gegeven het feit dat deze op correcte wijze is bewezen, terzijde kan worden geschoven.

87 De Commissie is van mening dat aldus op basis van het samenstel van aangevoerde aanwijzingen bewezen kan worden dat verzoekster heeft deelgenomen aan de in geding zijnde inbreuk en dat het eerste onderdeel van het eerste middel dient te worden verworpen.

b) Beoordeling door het Gerecht

88 Uit de schriftelijke uiteenzettingen van partijen blijkt dat zij enerzijds van mening verschillen over de vraag welke bewijselementen de Commissie in de bestreden beschikking aanvoert teneinde de deelneming door verzoekster aan de in geding zijnde inbreuk aan te tonen, en anderzijds over de bewijskracht van die bewijselementen voor de vaststelling van die deelneming.

89 Ten eerste is het aangewezen om een aantal algemene overwegingen met betrekking tot het bewijs in herinnering te brengen, ten tweede om de bewijselementen te benoemen die in de bestreden beschikking worden aangevoerd om de deelneming van verzoekster aan de in geding zijnde inbreuk aan te tonen, ten derde om de bewijskracht van die elementen vast te stellen, en ten vierde om op basis van die vaststelling een uitspraak te doen over de precieze aard en samenhang van het samenstel van aanwijzingen waarop de Commissie zich beroept om de deelneming van verzoekster aan de in geding zijnde inbreuk aan te tonen.

Algemene overwegingen met betrekking tot het bewijs

90 Wat de levering van het bewijs van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG betreft, dient eraan te worden herinnerd dat de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken dient te bewijzen en de elementen dient te leveren die rechtens genoegzaam het bestaan bewijzen van de feiten die een inbreuk vormen (arresten Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 58, en 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 86).

91 Bovendien is de Unierechter in het kader van een op grond van artikel 230 EG ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts bevoegd om de rechtmatigheid van de bestreden handeling te toetsen (arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punt 174).

92 Zo bestaat de rol van de rechter bij een beroep tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie waarin het bestaan van een inbreuk tegen de mededingingsregels wordt vastgesteld en waarin aan de adressaten ervan geldboeten worden opgelegd, uit het beoordelen of de bewijzen en overige elementen waar de Commissie zich in haar beschikking op beroept, voldoende zijn om het bestaan van de verweten inbreuk te bewijzen (zie in die zin arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, het zogenoemde „PVC II-arrest”, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 891).

93 Bovendien moet het voordeel van de bij de rechter bestaande twijfel worden gegund aan de onderneming waaraan de beschikking waarin de inbreuk werd vastgesteld, was gericht (zie in die zin arrest Hof van 14 februari 1978, United Brands/Commissie, 27/76, Jurispr. blz. 207, punt 265). De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft aangetoond, wanneer daarover bij hem nog twijfel bestaat, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking waarbij een boete is opgelegd (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 91 supra, punt 177).

94 In dit laatste geval dient immers rekening te worden gehouden met het vermoeden van onschuld, zoals dat met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, op 4 november 1950 ondertekend te Rome, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die volgens de rechtspraak van het Hof – die overigens is bevestigd in de preambule van de Europese Akte, in artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 47 van het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB C 364, blz. 1) – in de rechtsorde van de Unie worden beschermd. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken alsmede op de aard en de zwaarte van de daaraan verbonden sancties, is het vermoeden van onschuld met name van toepassing op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (zie in die zin EHRM, arresten Öztürk van 21 februari 1984, série A nr. 73, en Lutz van 25 augustus 1987, série A nr. 123-A, en arresten Hof van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, Jurispr. blz. I‑4287, punten 149 en 150, en Montecatini/Commissie, C‑235/92 P, Jurispr. blz. I‑4539, punten 175 en 176).

95 Bijgevolg dient de Commissie zich te baseren op nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de inbreuk heeft plaatsgehad (zie in die zin arresten Hof van 28 maart 1984, CRAM en Rheinzink/Commissie, 29/83 en 30/83, Jurispr. blz. 1679, punt 20, en 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85–C‑129/85, Jurispr. blz. I‑1307, punt 127, en arresten Gerecht van 10 maart 1992, SIV e.a./Commissie, T‑68/89, T‑77/89 en T‑78/89, Jurispr. blz. II‑1403, punten 193‑195, 198‑202, 205‑210, 220‑232, 249, 250 en 322‑328, en 6 juli 2000, Volkswagen/Commissie, T‑62/98, Jurispr. blz. II‑2707, punten 43 en 72).

96 Niettemin dient te worden beklemtoond dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het volstaat dat het door deze instelling aangevoerde samenstel van aanwijzingen, in zijn geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie in die zin het PVC II-arrest, punt 92 supra, punten 768‑778, in het bijzonder punt 777, inzake juist deze vraag in hogere voorziening door het Hof bevestigd in zijn arrest van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punten 513‑523).

97 Gelet op de algemene bekendheid van het verbod op mededingingsverstorende overeenkomsten kan van de Commissie bovendien niet worden verlangd dat zij stukken overlegt waaruit met zoveel woorden overleg tussen de betrokken marktdeelnemers blijkt. De fragmentarische en schaarse bewijselementen waarover de Commissie eventueel beschikt, moeten in elk geval kunnen worden vervolledigd via deductie, zodat de relevante omstandigheden kunnen worden gereconstrueerd. Het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst kan dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij ontbreken van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arresten Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punten 55‑57, en arrest Gerecht van 27 september 2006, Dresdner Bank e.a./Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/02 OP, T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T‑61/02 OP, Jurispr. blz. II‑3567, punten 64 en 65).

98 Met betrekking tot de bewijsmiddelen die kunnen worden gebruikt om een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst aan te tonen, primeert in het Unierecht het beginsel van de vrije bewijslevering (zie naar analogie arrest Gerecht van 8 juli 2004, Dalmine/Commissie, T‑50/00, Jurispr. blz. II‑2395, punt 72).

99 Bijgevolg is een eventuele afwezigheid van schriftelijk bewijs alleen relevant in het kader van de toetsing van de bewijskracht van het door de Commissie aangevoerde samenstel van bewijzen in zijn geheel beschouwd. Die afwezigheid leidt er evenwel op zichzelf niet toe dat de betrokken onderneming met recht de beweringen van de Commissie ter discussie kan stellen door een andere uitlegging van de feiten in het onderhavige geval voor te leggen. Dat is enkel het geval indien uit de door de Commissie aangevoerde bewijzen niet ondubbelzinnig blijkt dat sprake is van een inbreuk, zonder dat daarvoor enige interpretatie hoeft te worden verricht (zie in die zin arrest Gerecht van 12 september 2007, Coats Holdings en Coats/Commissie, T‑36/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 74).

100 Overigens verbiedt geen enkele bepaling en geen enkel algemeen beginsel van Unierecht de Commissie zich tegenover een onderneming te beroepen op verklaringen van andere beschuldigde ondernemingen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met haar taak van toezicht op de juiste toepassing van deze bepalingen (zie naar analogie arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 91 supra, punt 192).

101 De verklaring van een onderneming die wordt beschuldigd van deelneming aan een kartel, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan echter niet worden beschouwd als voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien die niet door andere bewijselementen wordt gestaafd, al kan de vereiste mate van bevestiging op grond van de betrouwbaarheid van de desbetreffende verklaringen minder zijn (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 91 supra, punten 219 en 220).

102 Inzake de bewijskracht van de verschillende bewijselementen is het enige voor de beoordeling van aangevoerde bewijzen relevante criterium de geloofwaardigheid ervan (arrest Dalmine/Commissie, punt 98 supra, punt 72).

103 Volgens de algemene bewijsregels hangt de geloofwaardigheid en dus de bewijskracht van een document af van de oorsprong ervan, van de omstandigheden waarin het is opgesteld, van degene tot wie het is gericht en van de redelijkheid en geloofwaardigheid van de inhoud ervan (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punten 1053 en 1838).

104 Met betrekking tot verklaringen kan overigens een bijzonder grote bewijskracht worden toegekend aan verklaringen die, ten eerste, betrouwbaar zijn, ten tweede, in naam van een onderneming zijn gegeven, ten derde, zijn afgelegd door een persoon die de professionele verplichting had om in het belang van deze vennootschap te handelen, ten vierde, ingaan tegen de belangen van de persoon die de verklaring aflegt, ten vijfde, van een directe getuige van de beschreven omstandigheden afkomstig zijn, en ten zesde, schriftelijk en na weloverwogen en rijp beraad zijn afgelegd (zie in die zin arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 91 supra, punten 205‑210).

105 Hoewel een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is, aangezien deze deelnemers in het onderhavige geval geneigd kunnen zijn om het belang van hun eigen bijdrage te bagatelliseren en dat van de anderen te overtrekken, neemt dit niet weg dat wanneer om toepassing van de mededeling inzake medewerking wordt verzocht teneinde kwijtschelding of verlaging van de geldboete te verkrijgen, dit er niet noodzakelijkerwijs toe aanzet om bewijzen wat de deelneming van de andere leden van het geïncrimineerde kartel betreft, vertekend weer te geven. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt uit de mededeling inzake medewerking te trekken, in gevaar brengen (zie in die zin arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, Jurispr. blz. II‑4441, punt 70).

106 In dit verband moet er opnieuw op worden gewezen dat de mogelijke gevolgen van het overleggen van vertekende gegevens aan de Commissie des te ernstiger zijn daar de betwiste verklaring van een onderneming, zoals uit punt 101 supra blijkt, moet worden gestaafd door andere bewijselementen. Daardoor wordt immers het risico groter dat de onjuistheid van verklaringen aan het licht wordt gebracht, zowel door de Commissie als door de andere ondernemingen die van deelneming aan de inbreuk worden beschuldigd.

107 Deze rechtspraak geldt naar analogie voor artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst.

De in de bestreden beschikking aangevoerde bewijselementen met betrekking tot verzoeksters deelname aan de in geding zijnde inbreuk

– Inleidende opmerkingen

108 In het licht van de in punt 92 supra aangehaalde rechtspraak dient te worden overwogen dat, voor zover het Gerecht als taak heeft om te beoordelen of de bewijzen en andere elementen waarop de Commissie zich in de bestreden beschikking beroept, volstaan als bewijs van de aan verzoekster verweten inbreuk, het Gerecht ook – na een grondig onderzoek van de motivering van de bestreden beschikking – moet vaststellen welke de bewijselementen zijn waar de Commissie van uitgaat om verzoeksters deelneming aan de in geding zijnde inbreuk aan te tonen.

109 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat de administratieve procedure uit hoofde van verordening nr. 1/2003, die zich voor de Commissie afspeelt, onderverdeeld is in twee onderscheiden en achtereenvolgende fasen met elk een eigen innerlijke logica, te weten de vooronderzoeksfase en de fase op tegenspraak. De vooronderzoeksfase, tijdens welke de Commissie gebruikmaakt van haar onderzoeksbevoegdheden op grond van verordening nr. 1/2003, en die duurt tot de mededeling van de punten van bezwaar, moet de Commissie in staat stellen om alle relevante bewijzen te verzamelen die al of niet het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels bevestigen en om een eerste standpunt in te nemen over de richting die – en het uiteindelijke gevolg dat – aan de procedure zal worden gegeven. De fase op tegenspraak daarentegen, die vanaf de mededeling van de punten van bezwaar tot de vaststelling van de definitieve beschikking duurt, moet de Commissie in staat stellen om een definitieve beslissing te nemen over de verweten inbreuk (zie naar analogie arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, punt 96 supra, punt 183, en arrest Hof van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, Jurispr. blz. I‑8725, punt 38).

110 Uit de in punt 109 supra aangehaalde rechtspraak volgt dat het onderzoek ten behoeve van de vaststelling door het Gerecht van bovengenoemde bewijselementen slechts het gedeelte van de motivering van de bestreden beschikking mag betreffen waarin de Commissie de fase op tegenspraak van de administratieve procedure beschrijft. De Commissie kan immers pas, nadat zij in het kader van de fase op tegenspraak de opmerkingen van verzoekster op de eerste standpuntbepaling van de Commissie aan het einde van de vooronderzoeksfase, zoals weergegeven in de mededeling van de punten van bezwaar, heeft ontvangen, beslissen of zij die eerste standpuntbepaling wel of niet handhaaft en zich op die manier definitief uitspreken over de verweten inbreuk.

111 In dit verband dient in het onderhavige geval te worden opgemerkt dat subparagraaf 5.4.1.1 van de bestreden beschikking „Beoordeling door en conclusie van de Commissie” (punten 347‑360 van de bestreden beschikking) onderdeel is van titel 5 „Toepassing van artikel 81 [EG] en van artikel 53 van de EER-Overeenkomst”, waarvan paragraaf 5.3.2, over de aard van de inbreuk, wordt gevolgd door hoofdstuk 5.4 „Argumenten van partijen in reactie op de feiten en de beoordeling die door de Commissie zijn uiteengezet in de mededeling van de punten van bezwaar”. Hoofdstuk 5.4 bevat een paragraaf 5.4.1, waarin de „[Door verzoekster] naar voren gebrachte argumenten” summier worden uiteengezet. Die paragraaf bevat zelf één enkele subparagraaf, namelijk subparagraaf 5.4.1.1: „Beoordeling door en conclusie van de Commissie”. Deze wordt niet gevolgd door subparagraaf 5.4.1.2 maar onmiddellijk door paragraaf 5.4.2 „Door Uralita naar voren gebrachte argumenten”.

112 Bijgevolg hebben de beoordelingen van de Commissie in subparagraaf 5.4.1.1 uitsluitend betrekking op de opmerkingen die verzoekster heeft ingediend als antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar. Bovendien moet worden aangenomen dat de conclusies die in subparagraaf 5.4.1.1 aan het einde van de fase op tegenspraak in de administratieve procedure worden getrokken, de definitieve conclusies van de Commissie met betrekking tot verzoeksters deelneming aan de in geding zijnde inbreuk zijn.

113 Uit de hierboven genoemde overwegingen en uit de in punt 109 supra aangehaalde rechtspraak volgt dat elke directe of zelfs indirecte verwijzing in subparagraaf 5.4.1.1 naar punten die voorafgaan aan de in die subparagraaf genoemde, te weten de punten 347 tot en met 360, de Commissie de mogelijkheid biedt om in dit stadium van het uiteenzetten van de motivering in de bestreden beschikking, namelijk in het stadium van de fase op tegenspraak, terug te grijpen op bewijselementen die eerder in de bestreden beschikking zijn uiteengezet. Indien evenwel in subparagraaf 5.4.1.1 directe of indirecte verwijzingen naar bewijselementen in andere dan de daar opgenomen punten ontbreken, moet ervan worden uitgegaan dat de Commissie aan het einde van de procedure op tegenspraak, waarin zij heeft onderzocht welke feiten aan verzoekster konden worden toegerekend, uiteindelijk heeft besloten om die bewijselementen niet in aanmerking te nemen in het kader van de bewijsvoering met betrekking tot verzoeksters deelneming aan de in geding zijnde inbreuk. Wanneer de Commissie per slot van rekening, nadat zij de opmerkingen van een onderneming over de mededeling van de punten van bezwaar heeft ontvangen, bij haar beoordeling van de bewijselementen waar zij aan het einde van de vooronderzoeksfase over beschikte om zich te kunnen uitspreken over de deelneming van die onderneming aan een inbreuk, zelf de bewijskracht van die bewijselementen in twijfel trekt, dient het Gerecht rekening te houden met die beoordeling door de Commissie.

114 In het licht van die inleidende opmerkingen dienen de elementen te worden vastgesteld die de Commissie in het onderhavige geval aan het einde van de procedure op tegenspraak in aanmerking besloot te nemen teneinde aan te tonen dat verzoekster heeft deelgenomen aan de in geding zijnde inbreuk en die bijgevolg deel uitmaken van het samenstel van aanwijzingen waar de Commissie zich op beroept.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen