Gerecht EU 15 juli 2015, T-389/10, ECLI:EU:T:2015:513
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
15 juli 2015 ( *1 )
„Mededinging — Mededingingsregelingen — Europese markt van spanstaal — Vaststelling van de prijzen, marktverdeling en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie — Besluit waarbij een inbreuk op artikel 101 VWEU wordt vastgesteld — Eén enkele complexe en voortgezette inbreuk — Verjaring — Richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten van 2006 — Toekenning van de aansprakelijkheid voor de inbreuk aan de moedermaatschappij — Evenredigheid — Beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties — Volledige rechtsmacht”
In de zaken T‑389/10 en T‑419/10,
Siderurgica Latina Martin SpA (SLM), gevestigd te Ceprano (Italië), vertegenwoordigd door G. Belotti en F. Covone, advocaten,
verzoekster in zaak T‑389/10,
Ori Martin SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), vertegenwoordigd door P. Ziotti, advocaat,
verzoekster in zaak T‑419/10,
tegen
Europese Commissie, in zaak T‑389/10 aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Gencarelli, V. Bottka en P. Rossi, vervolgens door V. Bottka, P. Rossi en G. Conte als gemachtigden, en in zaak T‑419/10 aanvankelijk vertegenwoordigd door B. Gencarelli, V. Bottka en P. Rossi, vervolgens door V. Bottka, P. Rossi en G. Conte als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek om nietigverklaring en herziening van besluit C(2010) 4387 definitief van de Commissie van 30 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38344 – Spanstaal), gewijzigd bij besluit C(2010) 6676 definitief van de Commissie van 30 september 2010 en bij besluit C(2011) 2269 definitief van de Commissie van 4 april 2011,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen (rapporteur), president, F. Dehousse en A. M. Collins, rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 juni 2014,
het navolgende
Arrest ( 1 )
[omissis]
Procedure en conclusies van partijen
44 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 september 2010, heeft SLM beroep ingesteld in zaak T‑389/10.
45 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 september 2010, heeft Ori Martin beroep ingesteld in zaak T‑419/10.
46 Bij beslissing van 29 oktober 2010 heeft het Gerecht (Eerste kamer) verzoeksters ervan in kennis gesteld dat zij de mogelijkheid hadden om hun middelen en conclusies aan te passen, om rekening te houden met de wijzigingen die bij het eerste wijzigingsbesluit zijn aangebracht. SLM en Ori Martin hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
47 Bij beslissing van 6 juni 2011 heeft het Gerecht de Commissie verzocht om overlegging van het tweede wijzigingsbesluit.
48 Op 22 juni 2011 heeft de Commissie het tweede wijzigingsbesluit meegedeeld.
49 Bij beslissing van 30 juni 2011 heeft het Gerecht (Eerste kamer) verzoeksters ervan in kennis gesteld dat zij de mogelijkheid hadden om hun middelen en conclusies aan te passen, om rekening te houden met de wijzigingen die bij het tweede wijzigingsbesluit zijn aangebracht.
50 SLM en Ori Martin hebben hun opmerkingen over het tweede wijzigingsbesluit, dat tot hen gericht was, in het kader van hun replieken ingediend, die op 13 april 2011 zijn neergelegd.
51 Op 20 oktober 2011 heeft de Commissie het origineel van haar duplieken in de procestaal neergelegd alsook haar zienswijze ten aanzien van de opmerkingen over het tweede wijzigingsbesluit die door SLM en Ori Martin waren ingediend, waarmee de schriftelijke behandeling is afgesloten.
52 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht vanaf 23 september 2013 is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Zesde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaken dan ook zijn toegewezen.
53 Het voorlopige rapport bedoeld in artikel 52, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 is op 8 november 2013 aan de Zesde kamer meegedeeld.
54 In zaak T‑389/10 heeft het Gerecht partijen bij beslissing van 17 december 2013 verzocht om aan een reeks maatregelen tot organisatie van de procesgang te voldoen.
55 Bij brieven van 28 januari en 28 februari 2014 hebben respectievelijk SLM en de Commissie aan deze maatregelen voldaan. De Commissie heeft in haar antwoord evenwel aangegeven dat zij niet volledig kon voldoen aan bepaalde verzoeken om overlegging van documenten, omdat de gevraagde documenten haar waren meegedeeld in het kader van de behandeling van clementieverzoeken. SLM heeft haar zienswijze ten aanzien van die opmerking van de Commissie kenbaar gemaakt.
56 Op 16 mei 2014 heeft het Gerecht in het kader van de maatregelen van instructie krachtens artikel 65 van zijn Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, de Commissie gelast om de documenten over te leggen die zij had geweigerd over te leggen in antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang van 17 december 2013.
57 Op diezelfde dag heeft het Gerecht de Commissie bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang verzocht om bepaalde documenten betreffende het onderzoek of de vervolging van de inbreuk in het stadium van de administratieve procedure over te leggen.
58 De Commissie heeft de gevraagde documenten op 27 mei en 6 juni 2014 overgelegd.
59 In zaak T‑419/10 heeft het Gerecht partijen bij beslissing van 17 december 2013 verzocht om aan een reeks maatregelen tot organisatie van de procesgang te voldoen.
60 Bij brieven van 28 en 30 januari 2014 hebben respectievelijk Ori Martin en de Commissie aan deze maatregelen voldaan.
61 Partijen hebben ter terechtzitting van 30 juni 2014 pleidooi gehouden en geantwoord op de schriftelijke en mondelinge vragen van het Gerecht. Daarnaast zijn partijen overeenkomstig artikel 50, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 gevraagd om hun opmerkingen over een eventuele voeging van de zaken T‑389/10 en T‑419/10 voor het arrest in te dienen.
62 In zaak T‑389/10 verzoekt SLM het Gerecht om: — het bestreden besluit nietig te verklaren; — het bedrag van de geldboete die haar hoofdelijk met Ori Martin is opgelegd, opnieuw te bepalen in het licht van het tweede wijzigingsbesluit; — bij wijze van maatregel van instructie krachtens de artikelen 65, onder c), en 68 en volgende van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 te gelasten dat vertegenwoordigers van Redaelli en ITC worden verhoord of verzocht om getuigenbewijs te leveren in verband met de volgende vraag: „Is het juist dat SLM niet vóór eind 1999 aan de kartelbijeenkomsten heeft deelgenomen?”, en om de Commissie te verzoeken om overlegging van een lijst met daarin de vermelding van het aantal ambtenaren, daaronder begrepen directeuren en afdelingshoofden, dat elkaar tussen begin 2002 en juni 2010 in het dossier heeft opgevolgd; — de Commissie te gelasten om de rente over het reeds betaalde bedrag terug te betalen; — de Commissie te verwijzen in de kosten.
63 De Commissie verzoekt het Gerecht om: — het beroep te verwerpen en de verzoeken om maatregelen van instructie af te wijzen; — SLM te verwijzen in de kosten.
64 In zaak T‑419/10 verzoekt Ori Martin het Gerecht om: — het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover zij daarin aansprakelijk is gehouden voor de gedragingen waarvoor sancties zijn opgelegd; — het bedrag van de haar opgelegde geldboete nietig te verklaren of te verlagen; — de Commissie te verwijzen in de kosten.
65 De Commissie verzoekt het Gerecht om: — het beroep te verwerpen; — Ori Martin te verwijzen in de kosten.
In rechte
66 Na de partijen ter terechtzitting op dit punt te hebben gehoord (punt 61 hierboven), heeft het Gerecht de onderhavige zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 voor het arrest gevoegd.
67 Ter ondersteuning van haar beroep voert SLM meerdere middelen aan.
68 De eerste twee middelen zijn gepresenteerd als middelen die kunnen leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover dit op SLM betrekking heeft. Zij betreffen in de eerste plaats schending van het beginsel van de redelijke termijn en in de tweede plaats schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.
69 De overige middelen zijn gepresenteerd als middelen die kunnen leiden tot een verlaging van de litigieuze geldboete. Deze middelen betreffen in de eerste plaats de onjuiste toepassing van de richtsnoeren van 2006 in plaats van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren van 1998”); in de tweede plaats niet-inachtneming van het wettelijk maximum van 10 % en de motiveringsplicht op dat punt; in de derde plaats niet-inachtneming van de motiveringsplicht bij de bepaling van de ernst en de verhoging wegens afschrikking; in de vierde plaats schending van het evenredigheidsbeginsel; in de vijfde plaats een onjuiste beoordeling van de deelname van SLM aan het kartel; in de zesde plaats het niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden voor SLM; in de zevende plaats het niet in aanmerking nemen van de verklaringen van SLM; in de achtste plaats het niet in aanmerking nemen van het onvermogen van SLM om te betalen, en in de negende plaats verjaring van de inbreuk.
70 Volgend op het tweede wijzigingsbesluit heeft SLM haar middelen aangepast, waarmee zij een nieuw aspect van het geschil aan de orde stelt, namelijk de berekeningsfouten van de Commissie bij de bepaling van het deel van de geldboete waarvoor SLM alleen aansprakelijk is en het deel waarvoor SLM en Ori Martin hoofdelijk aansprakelijk zijn.
71 Uit het antwoord van SLM op de maatregelen tot organisatie van de procesgang blijkt dat niet langer uitspraak hoeft te worden gedaan over de aanvankelijk aangevoerde middelen betreffende de niet-inachtneming van het wettelijke maximum van 10 % en de motiveringsplicht op dit punt – behalve om te bepalen welke gevolgen de in dat verband aangevoerde argumenten hebben op de verdeling van de kosten ten voordele van SLM – en het niet in aanmerking nemen van het onvermogen van SLM om te betalen. Daarvan is akte genomen tijdens de terechtzitting.
72 Ter onderbouwing van haar beroep voert Ori Martin drie middelen aan. Het eerste middel is eraan ontleend dat de inbreuk verjaard is. Het tweede middel betreft schending van meerdere regels op het gebied van de toekenning van de aansprakelijkheid voor een inbreuk aan Ori Martin als de nagenoeg enige eigenaar van SLM. Met het derde middel wordt kritiek geuit op bepaalde aspecten van de berekening van het bedrag van de geldboete en worden twijfels geuit ten aanzien van de toepasbaarheid van de richtsnoeren van 2006 in plaats van de richtsnoeren van 1998.
73 De betogen van SLM en Ori Martin overlappen elkaar op het punt van de verjaring, de mogelijkheid om de richtsnoeren van 2006 in plaats van de richtsnoeren van 1998 toe te passen en bepaalde aspecten van de berekening van het bedrag van de geldboete. Deze betogen zullen tezamen worden onderzocht.
A – Verjaring van de inbreuk
1. Argumenten van partijen
74 SLM en Ori Martin geven te kennen dat de Commissie wegens verjaring niet langer bevoegd is om in de onderhavige zaak geldboeten op te leggen. De verjaringstermijn is ingegaan op 19 september 2002, de datum waarop de inbreuk is beëindigd, en afgelopen op 19 september 2007. Geen van de handelingen die de Commissie na die datum en vóór de mededeling van punten van bezwaar heeft verricht, namelijk haar verzoeken in verband met de omzetcijfers van de ondernemingen, haar standpunten ten aanzien van de clementieverzoeken en een inspectie die op 7 en 8 juni 2006 is verricht in de bedrijfsruimten van een accountant, waren voor de instructie van de zaak of de vervolging van de inbreuk noodzakelijk. De mededeling van punten van bezwaar, die op 30 september 2008 is toegezonden, is daarmee na het verstrijken van de termijn van vijf jaar vanaf de einddatum van de inbreuk als bedoeld in artikel 25 van verordening nr. 1/2003 toegezonden.
75 De Commissie bestrijdt dit betoog.
2. Beoordeling door het Gerecht
76 Volgens artikel 25 van verordening nr. 1/2003 verjaart de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen bij inbreuken op artikel 101 VWEU na vijf jaar. De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.
77 Deze verjaringstermijn wordt gestuit door iedere handeling die door de Commissie ter instructie of vervolging van de inbreuk wordt verricht. De schriftelijke verzoeken om inlichtingen van de Commissie en de aan haar functionarissen verstrekte schriftelijke opdrachten tot inspecties worden genoemd als voorbeelden van handelingen die de verjaring stuiten.
78 In dat verband is in artikel 25 van verordening nr. 1/2003 duidelijk bepaald dat de stuiting van de verjaring intreedt op de dag waarop van de handeling kennis wordt gegeven aan ten minste één onderneming of ondernemersvereniging die aan de inbreuk heeft deelgenomen en dat die stuiting van de verjaring geldt ten aanzien van alle ondernemingen en ondernemersverenigingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen.
79 In de onderhavige zaak moet erop worden gewezen dat de Commissie binnen de termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf 19 september 2002, zijnde de datum waarop de inbreuk is beëindigd, meerdere verzoeken om inlichtingen heeft gericht tot verschillende ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, ter instructie of vervolging van de inbreuk.
80 Bij wijze van door de Commissie genoemde voorbeelden in haar antwoorden op de vragen van het Gerecht op dit punt, blijkt uit het dossier dat zij ITC op 19 april 2006 een verzoek om inlichtingen heeft toegezonden over de rol die een Italiaanse accountant binnen het kartel had gespeeld. Ook is niet betwist dat de Commissie op 7 en 8 juni 2006 een inspectie heeft uitgevoerd, bij welke gelegenheid zij vele documenten in beslag heeft genomen, die in bijlage 5 bij het bestreden besluit zijn opgesomd, op basis waarvan zij een bevestiging heeft gekregen voor belangrijke gegevens betreffende club Italia.
81 Door zo te handelen heeft de Commissie de verjaring geldig vóór 19 september 2007 gestuit ten aanzien van alle ondernemingen die aan de inbreuk deelnamen. Bijgevolg was de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen niet verjaard toen zij op 30 september 2008 de mededeling van punten van bezwaar of op 30 juni 2010 het aanvankelijke besluit vaststelde.
82 De middelen inzake de verjaring zijn dus ongegrond.
B – Toepassing van de richtsnoeren van 2006 in plaats van de richtsnoeren van 1998
1. Argumenten van partijen
83 SLM en Ori Martin verwijten de Commissie dat zij toepassing heeft gegeven aan de richtsnoeren van 2006 om sancties op te leggen voor feiten die vóór de datum van hun bekendmaking zijn gepleegd. Meer bepaald stelt SLM dat de toepassing van een strengere strafwet met terugwerkende kracht in strijd is met het beginsel van de legaliteit van straffen en het verbod van terugwerkende kracht van de strafwet. Met name kan de Commissie niet de regel inzake de toepassing in de tijd die in punt 38 van de richtsnoeren van 2006 voorkomt aan derden tegenwerpen, aangezien deze nieuwe richtlijnen niet met instemming van de andere instellingen of de lidstaten zijn vastgesteld. De toepassing van de richtsnoeren van 2006 op de situatie van SLM voldoet ook aan de kenmerken van een ongelijke behandeling, omdat het merendeel van de ondernemingen die op grond van de richtsnoeren van 2006 zijn bestraft voor vergelijkbare feiten als de aan SLM verweten feiten, een lagere geldboete is opgelegd, in de ordegrootte van 1 tot 5 % van hun omzet. Het bedrag van de geldboete moet door het Gerecht worden herzien met inachtneming van de richtsnoeren van 1998 die ten tijde van de feiten en bij de inleiding van de administratieve procedure van kracht waren.
84 De Commissie bestrijdt dit betoog.
2. Beoordeling door het Gerecht
85 Artikel 7, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met het opschrift „Geen straf zonder wet”, bepaalt het volgende: „Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.”
86 Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarvan artikel 49, lid 1, in het volgende voorziet: „Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, is die van toepassing.”
87 Op dit punt verduidelijkt artikel 53 van het Handvest van de grondrechten dat de hierboven aangehaalde bepaling niet mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden die onder meer zijn erkend in internationale overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, waaronder het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
88 In die context moet erop worden gewezen dat in artikel 15, lid 2, van verordening (EEG) nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [101 VWEU] en [102 VWEU] (PB 1962, 13, blz. 204), het volgende was opgenomen: „2. Wanneer ondernemingen of ondernemersverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) inbreuk maken op artikel [101], lid 1, [VWEU] of artikel [102 VWEU], [...] [...] kan de Commissie bij [besluit] aan deze ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten opleggen van ten minste [EUR] en ten hoogste één miljoen [EUR], of tot een bedrag van ten hoogste tien procent van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, indien bedoeld bedrag hoger is dan één miljoen [EUR]. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt niet alleen rekening gehouden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk.”
89 Deze bepaling is met ingang van 1 mei 2004 ingetrokken bij artikel 43 van verordening nr. 1/2003 en vervangen door artikel 23, leden 2 en 3, van genoemde verordening, dat het volgende bepaalt: „2. De Commissie kan bij [besluit] geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) inbreuk maken op artikel [101 VWEU] of [102 VWEU]; [...] [...] Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. [...] 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden.”
90 Vervolgens heeft de Commissie op 1 september 2006 de richtsnoeren van 2006 bekendgemaakt in het Publicatieblad. In dit document zet zij de methode uiteen die zij wil volgen wanneer zij het bedrag vaststelt van een geldboete die wordt opgelegd aan de ondernemingen die inbreuk op artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU) hebben gemaakt. Punt 38 van de richtsnoeren van 2006 is als volgt verwoord: „Deze richtsnoeren zijn vanaf de datum van bekendmaking in het Publicatieblad, van toepassing op alle zaken ten aanzien waarvan een mededeling van punten van bezwaar wordt vastgesteld, ongeacht of de boete wordt opgelegd uit hoofde van artikel 23, lid 2, van verordening [...] nr. 1/2003 of van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17.”
91 De richtsnoeren van 2006 vervangen dus de richtsnoeren van 1998.
92 In dat verband is het vaste rechtspraak dat de door het bestuur vastgestelde interne gedragsregels die rechtgevolgen voor derden beogen, zoals de marktdeelnemers die mogelijk inbreuken op artikel 101 VWEU plegen, weliswaar niet kunnen worden aangemerkt als een rechtsregel die de administratie hoe dan ook dient na te leven, maar wel een gedragsregel voor de te volgen praktijk vormen, waarvan de administratie in een concreet geval niet mag afwijken zonder opgaaf van redenen die verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling (arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr., EU:C:2005:408, punten 209 en 210).
93 Daaruit volgt dat de richtsnoeren van 2006, die dergelijke gedragsregels vormen, vallen onder het begrip „recht” in de zin van artikel 7, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten (zie in die zin en naar analogie arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 92 supra, EU:C:2005:408, punt 216, en arrest van 18 mei 2006, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, C‑397/03 P, Jurispr., EU:C:2006:328, punt 20).
94 Deze bepalingen kunnen weliswaar niet aldus worden uitgelegd dat zij de geleidelijke verfijning van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid verbieden, maar toch kunnen zij in de weg staan aan de retroactieve toepassing van een nieuwe uitlegging van een bepaling waarbij een inbreuk wordt omschreven (zie in die zin en naar analogie arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 92 supra, EU:C:2005:408, punt 217, en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die in punt 215 van dat arrest is aangehaald).
95 Anders dan de Commissie stelt, volgt hieruit dat de enkele omstandigheid dat de richtsnoeren van 2006 het maximum van 10 % van de omzet van de bestrafte ondernemingen in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 in acht nemen, welke verordening van toepassing was op de feiten die tot het onderhavige geding hebben geleid, niet volstaat voor de vaststelling dat de toepassing van genoemde richtsnoeren van 2006 niet in strijd is met het verbod van terugwerkende kracht van de strafwet.
96 Dit verbod zou immers worden overtreden indien een uitlegging wordt gehanteerd die redelijkerwijs niet kon worden voorzien toen de inbreuk werd gepleegd (arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 92 supra, EU:C:2005:408, punt 218).
97 Uit een en ander volgt dat de richtsnoeren moeten worden beschouwd als een van de Commissie afkomstige uitlegging van het gedrag waartoe zij zich verbindt wanneer zij voornemens is om geldboeten op te leggen en dat uit de rechtspraak volgt dat de wijzigingen die de Commissie in dergelijke uitleggingen aanbrengt, verenigbaar zijn met het verbod van terugwerkende kracht en het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover die wijzigingen kunnen worden geacht redelijk voorzienbaar te zijn geweest.
98 Tevens volgt uit de rechtspraak dat de strekking van het begrip voorzienbaarheid grotendeels afhankelijk is van de inhoud van de betrokken bepaling, de door die bepaling bestreken materie en het aantal en de hoedanigheid van de adressaten ervan. De voorzienbaarheid van de wet belet niet dat de betrokkene deskundig advies moet inwinnen om in een mate die in de gegeven omstandigheden redelijk is, de mogelijke gevolgen van een bepaalde handeling te kunnen beoordelen. Dit is vooral het geval voor beroepsbeoefenaren die gewend zijn bij de uitoefening van hun beroep grote voorzichtigheid aan de dag te moeten leggen, van wie mag worden verwacht dat zij grote zorg besteden aan de beoordeling van het daaraan verbonden risico (zie in die zin arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 92 supra, EU:C:2005:408, punt 219 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
99 Voor een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels moet de Commissie het niveau van de geldboeten echter op elk moment aan de eisen van dit beleid kunnen aanpassen. Daaruit volgt dat de ondernemingen die voorwerp zijn van een administratieve procedure die tot een geldboete kan leiden, er niet gewettigd op kunnen vertrouwen dat de Commissie het niveau van de eerder toegepaste geldboeten niet zal overschrijden of de wijze van berekening van de geldboeten niet zal aanpassen (zie arrest Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, punt 93 supra, EU:C:2006:328, punten 21 en 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100 Derhalve moesten de in de onderhavige zaak betrokken ondernemingen zich ervan bewust zijn dat de Commissie op elk moment kon besluiten het bedrag van de geldboeten te verhogen ten opzichte van haar eerdere praktijk. Dit geldt niet enkel wanneer de Commissie het niveau van de geldboeten verhoogt wanneer zij geldboeten vaststelt in individuele gevallen, maar ook wanneer die verhoging plaatsvindt doordat op concrete gevallen gedragsregels van algemene strekking als de richtsnoeren worden toegepast (zie arrest Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, punt 93 supra, EU:C:2006:328, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
101 Deze ondernemingen mochten er niet van uitgaan dat de Commissie na de vaststelling van de richtsnoeren van 1998 in geen geval nieuwe richtsnoeren op lopende procedures kon toepassen, althans niet zonder het gewettigd vertrouwen van de ondernemingen te schenden. Niettemin moet worden nagegaan of de omstandigheden waarin de richtsnoeren van 2006 in de onderhavige zaak zijn toegepast, voldoen aan de vereisten van de rechtszekerheid en voorzienbaarheid die uit de rechtspraak voortvloeien.
102 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat de richtsnoeren van 2006 volgens punt 38 ervan van toepassing zijn op alle zaken waarin na de datum van bekendmaking in het Publicatieblad een mededeling van punten van bezwaar wordt betekend. Aangezien zij op 1 september 2006 zijn bekendgemaakt en de mededeling van de punten van bezwaar op zijn vroegst op 30 september 2008 is betekend, is het bedrag van de opgelegde geldboete dus berekend volgens de methode in de richtsnoeren van 2006.
103 In de eerste plaats moet SLM’s argument worden afgewezen dat de Commissie niet bevoegd is om de regel over de toepassing in de tijd in punt 38 van de richtsnoeren vast te stellen en aan derden tegen te werpen. Dat deze regel, die ertoe bijdraagt dat het rechtszekerheidsbeginsel in acht wordt genomen door duidelijk en objectief de voorwaarden te omschrijven waaronder de richtsnoeren van 2006 zullen worden toegepast, kan worden tegengeworpen, vloeit voort uit de mogelijkheid die de Commissie volgens de rechtspraak heeft om zichzelf beperkingen op te leggen door precisering van de voorwaarden waaronder zij gebruik zal maken van de beoordelingsmarge die haar is verleend bij verordening nr. 1/2003, die de rechtsgrondslag van het bestreden besluit vormt (zie in die zin arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 92 supra, EU:C:2005:408, punten 211 en 213, en arrest van 2 februari 2012, Denki Kagaku Kogyo en Denka Chemicals/Commissie, T‑83/08, EU:T:2012:48, punt 108).
104 In de tweede plaats moet dus worden onderzocht of de vaststelling van de richtsnoeren van 2006 voldoende voorzienbaar in de zin van de hierboven in de punten 96 tot en met 100 in herinnering gebrachte rechtspraak was.
105 Zoals blijkt uit de punten 5 tot en met 7 ervan, is de belangrijkste vernieuwing van de richtsnoeren van 2006 dat als uitgangspunt voor de berekening van de geldboete een basisbedrag wordt genomen, dat wordt bepaald aan de hand van de waarde van de verkopen van de goederen of diensten die met de inbreuk verband houden en de duur en de ernst van de inbreuk, waaronder een specifiek bedrag om ondernemingen ervan te weerhouden tot ongeoorloofde gedragingen over te gaan. Vastgesteld moet dus worden dat de richtsnoeren van 2006 gebaseerd zijn op de beginselen van de ernst en de duur zoals gedefinieerd in verordening nr. 17 en overgenomen in verordening nr. 1/2003, welke criteria ook reeds in aanmerking werden genomen in de richtsnoeren van 1998 (zie in die zin arrest Denki Kagaku Kogyo en Denka Chemicals/Commissie, punt 103 supra, EU:T:2012:48, punt 114).
106 Dat een bedachtzame marktdeelnemer eventueel niet in staat is om op voorhand met precisie te bepalen wat het niveau van de geldboeten is dat de Commissie in elk specifiek geval zal opleggen, is bovendien niet op zich in strijd met het beginsel van de voorzienbaarheid dat inherent is aan het verbod van terugwerkende kracht van de strafwet. De doelstellingen van bestraffing en afschrikking die met het mededingingsbeleid worden nagestreefd, kunnen immers rechtvaardigen dat wordt voorkomen dat de ondernemingen nauwkeurig de voordelen en de nadelen van hun deelname aan een inbreuk kunnen bepalen. Het volstaat dat de ondernemingen, zo nodig met bijstand van een juridisch adviseur, voldoende nauwkeurig de criteria en ordegrootte van de hun opgelegde geldboete kunnen voorzien. Zoals zojuist is vastgesteld, zijn de criteria die in de richtsnoeren van 2006 in aanmerking zijn genomen een voortvloeisel van die in verordening nr. 17, die reeds in de richtsnoeren van 1998 in aanmerking waren genomen (zie in die zin arresten van 22 mei 2008, Evonik Degussa/Commissie, C‑266/06 P, EU:C:2008:295, punt 55, en Denki Kagaku Kogyo en Denka Chemicals/Commissie, punt 103 supra, EU:T:2012:48, punt 118).
107 De conclusie dient dus te luiden dat de richtsnoeren van 2006 en de nieuwe berekeningsmethode daarin, gesteld dat zij tot een verhoging van de opgelegde geldboeten hebben geleid, door ondernemingen als SLM redelijkerwijs konden worden voorzien toen de betrokken inbreuk werd gepleegd. Derhalve heeft de Commissie het verbod van terugwerkende kracht niet overtreden door in het bestreden besluit de richtsnoeren van 2006 te hanteren voor de berekening van de geldboete die moest worden opgelegd voor een inbreuk die vóór de vaststelling daarvan is gepleegd (zie in die zin arrest Denki Kagaku Kogyo en Denka Chemicals/Commissie, punt 103 supra, EU:T:2012:48, punten 117 en 124).
108 Hieruit volgt dat het middel inzake de toepassing van de richtsnoeren van 2006 in plaats van de richtsnoeren van 1998 moet worden afgewezen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het punt of SLM met recht kan stellen dat die toepassing heeft geleid tot een zwaardere geldboete dan de boete die haar zou zijn opgelegd indien zij op grond van de richtsnoeren van 1998 zou zijn berekend.
109 Zoals eraan is herinnerd in de punten 99 en 100 hierboven, verzetten de door SLM ingeroepen beginselen zich in beginsel immers niet tegen de toepassing van richtsnoeren die in voorkomend geval het niveau van de geldboeten voor inbreuken verhogen, mits het beleid dat daarbij tot uitvoering wordt gebracht redelijkerwijs kon worden voorzien toen de betrokken inbreuken werden gepleegd (zie arresten van 12 december 2007, BASF en UCB/Commissie, T‑101/05 en T‑111/05, Jurispr., EU:T:2007:380, punten 233 en 234 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en Denki Kagaku Kogyo en Denka Chemicals/Commissie, punt 103 supra, EU:T:2012:48, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
110 Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat SLM, die niet meer doet dan nog eens kort weergeven welke factoren de Commissie in het bestreden besluit in haar berekening heeft betrokken, nalaat aan te tonen dat de geldboete die haar overeenkomstig de methodologie in de richtsnoeren van 1998 zou zijn opgelegd, noodzakelijkerwijs lager zou zijn geweest. SLM wijst in de onderhavige zaak immers slechts op enkele verschillen tussen de richtsnoeren van 2006 en de richtsnoeren van 1998 (het aanvullend bedrag, de wijze waarop de duur in aanmerking wordt genomen, welke de verzachtende omstandigheden zijn) zonder aan te geven tot welk resultaat de Commissie had kunnen komen indien zij de richtsnoeren van 1998 had toegepast, waarvan het uitgangspunt voor de berekening ook verschilt van dat in de richtsnoeren van 2006.
111 Om verder te antwoorden op SLM, die ertegen opkomt dat zij ten onrechte het slachtoffer is geworden van een strenge toepassing van de richtsnoeren van 2006, waarbij zij stelt dat die toepassing schending van het beginsel van gelijke behandeling vormt, volstaat het erop te wijzen dat deze kwestie los staat van die van de verenigbaarheid van de toepassing van de richtsnoeren van 2006 met het verbod van terugwerkende kracht. De in dat verband door SLM aangevoerde argumenten zullen hierna worden onderzocht, tezamen met de gelijkluidende argumenten die zij heeft aangevoerd met betrekking tot de factoren die de Commissie in aanmerking heeft genomen toen zij deze richtsnoeren heeft gebruikt om het bedrag van de litigieuze geldboete te bepalen.
112 Het middel inzake de onjuiste toepassing van de richtsnoeren van 2006 in plaats van de richtsnoeren van 1998 is dus ongegrond.
C – Factoren die in aanmerking zijn genomen bij de berekening van het bedrag van de geldboete en de behandeling van het bewijs dat aan de Commissie is overgelegd
113 Meerdere van de door SLM voorgedragen middelen hebben betrekking op de factoren die de Commissie in aanmerking heeft genomen om het bedrag van de geldboete te bepalen. Deze middelen betreffen het „motiveringsgebrek bij de bepaling van de sanctie”; het feit dat na 2000 gebruik is gemaakt van de Europese omzet van SLM om het bedrag van de geldboete vast te stellen; het „motiveringsgebrek bij de bepaling van de ernst voor alle ondernemingen bij de bepaling van het basisbedrag” en het „motiveringsgebrek bij de bepaling van het aanvullend bedrag als bedoeld in punt 25 van de richtsnoeren” alsmede schending van het beginsel ne bis in idem in dat kader; schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling op grond dat bij de sanctie onvoldoende rekening is gehouden met de „beweerde ernst van de inbreuk”, de „gevolgen daarvan”, de „economische context binnen de sector”, de eerdere praktijk van de Commissie, of de „aan SLM en aan de andere betrokken ondernemingen verweten feiten”; een onjuiste beoordeling van de duur van de deelname van SLM aan de inbreuk; het niet in aanmerking nemen van de verzachtende omstandigheden gelegen in haar lage marktaandeel, de medewerking met de Commissie en de „ondergeschikte rol” van SLM bij de inbreuk en het niet in aanmerking nemen van de verklaringen die zij ten behoeve van haar clementieverzoek heeft afgelegd.
114 Om het onderzoek van deze middelen te vergemakkelijken, heeft het Gerecht het voorstel gedaan, dat door SLM is aanvaard, om die te hergroeperen aan de hand van de verschillende stappen die de Commissie heeft gevolgd om het bedrag van de geldboete te bepalen, namelijk de factoren die in aanmerking zijn genomen om het basisbedrag te bepalen (waarde van de verkopen, ernst, duur, aanvullend bedrag) en de factoren die in aanmerking kunnen worden genomen om dit bedrag aan te passen (verzachtende omstandigheden en mededeling inzake medewerking, draagkracht). Ook zal rekening worden gehouden met de overkoepelende grieven van SLM op het punt van de niet-nakoming van de motiveringsplicht of de beginselen van de evenredigheid of de gelijke behandeling.
115 Daarnaast heeft SLM, onder het mom van een middel inzake schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, vier aspecten van het dossier genoemd waaruit zou blijken dat de Commissie op vooringenomen en onbillijke wijze het door SLM overgelegde bewijs terzijde heeft geschoven om voorrang te geven aan andere elementen die zij in haar bezit had. Deze aspecten betreffende de behandeling die is gegeven aan de door SLM tijdens de administratieve procedure overgelegde facturen, het belang dat is gehecht aan de bijeenkomsten van club Italia waarvoor niet is aangegeven dat SLM daarop aanwezig was, de mogelijke weerslag van de datums waarop de vereiste technische certificeringen voor het op de markt brengen van spanstaal in de verschillende lidstaten van de Unie zijn verkregen en de datum waarop de persoon die door de leden van Club Italia met de controles was belast, met zijn taak is begonnen.
116 In dat verband moet erop worden gewezen dat de vier hierboven door SLM genoemde aspecten ook ten behoeve van de middelen inzake de bij de berekening van de geldboete in aanmerking genomen factoren worden vermeld, reden waarom zij tezamen daarmee zullen worden onderzocht.
117 Tezamen genomen, strekken deze argumenten in wezen tot kritiek op het besluit van de Commissie waarbij wordt vastgesteld dat SLM van 10 februari 1997 tot 19 september 2002 heeft deelgenomen aan een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de spanstaalsector, zonder dat rekening wordt gehouden met de inhoud en de duur van de deelname zoals door SLM genoemd en erkend, die stelt dat zij niet vóór eind 1999 heeft deelgenomen en dat haar deelname tot Italië beperkt was, waarbij pas daarna is overwogen om ook in andere gebieden deel te nemen.
118 Ori Martin betoogt ter onderbouwing van haar middel betreffende sommige aspecten van de berekening van het bedrag van de geldboete dat de Commissie meerdere beoordelingsfouten heeft gemaakt bij de toepassing van de richtsnoeren van 2006. Voorts stelt zij schending van artikel 23 van verordening nr. 1/2003, schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, schending van het persoonlijke karakter van straffen en van het legaliteitsbeginsel en schending van de motiveringsplicht. In wezen voert Ori Martin ten behoeve van dit middel drie grieven aan: de eerste is ontleend aan een onjuiste beoordeling van de ernst van de aan SLM verweten inbreuk; de tweede aan de ongeoorloofde toepassing van het aanvullend bedrag bedoeld in punt 25 van de richtsnoeren van 2006 en de derde aan het niet in aanmerking nemen van bepaalde verzachtende omstandigheden.
119 Deze grieven zullen tegelijk met de grieven die SLM ten aanzien van dezelfde vraagstukken aanvoert, worden onderzocht.
120 Er dient op te worden gewezen dat achter de kritiek ten aanzien van het resultaat van de door de Commissie verrichte beoordelingen aan de hand van de methode voor de vaststelling van de geldboete in de richtsnoeren van 2006, in wezen verzoeksters’ argument schuil gaat dat onvoldoende rekening is gehouden met de bijzonderheden van SLM’s deelname aan de inbreuk, die pas in een laat stadium is aangevangen en beperkt van omvang was.
1. Opmerkingen vooraf
a) Inhoud van het bestreden besluit
121 Uit artikel 1 van het bestreden besluit blijkt dat SLM en Ori Martin inbreuk hebben gepleegd op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door van 10 februari 1997 tot 19 september 2002 voor SLM en van 1 januari 1999 tot 19 september 2002 voor Ori Martin, deel te nemen aan een „voortdurende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging in de spanstaalsector in de interne markt en, vanaf 1 januari 1994, in de EER” (hierna: „kartel” of „enkele inbreuk”; welke inbreuk ook complex en voortgezet is in de gebruikelijke zin van deze begrippen).
Bestanddelen van het kartel en kwalificatie van de enkele inbreuk
122 In overweging 122 van het bestreden besluit is het kartel omschreven als „pan-Europese afspraken, te verdelen in een Zürich‑ en een Europese fase, en/of, afhankelijk van de situatie, [...] afspraken op nationaal/regionaal niveau”. De overwegingen 123 tot en met 135 van dit besluit bevatten een kort overzicht van de verschillende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die vervolgens gedetailleerd worden beschreven en getoetst aan artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst.
123 Schematisch weergegeven bestond het kartel uit de volgende regelingen: — club Zürich, zijnde de eerste fase van de pan-Europese overeenkomst. Deze overeenkomst heeft geduurd van 1 januari 1984 tot en met 9 januari 1996 en had betrekking op de vaststelling van quota per land (Duitsland, Oostenrijk, Benelux, Frankrijk, Italië en Spanje), de verdeling van klanten, de prijzen en de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie. De leden ervan waren Tréfileurope, Nedri, WDI, DWK en Redaelli, die ten minste vanaf 1993 en 1995 verscheidene andere Italiaanse ondernemingen vertegenwoordigde, waarbij zich Emesa, in 1992, en Tycsa, in 1993, hebben aangesloten. — club Italia, een nationale regeling die heeft geduurd van 5 december 1995 tot 19 september 2002. Deze overeenkomst had betrekking op de vaststelling van quota voor Italië en de export van dit land naar de rest van Europa. De leden ervan waren de Italiaanse ondernemingen Redaelli, ITC, CB en Itas, waarbij zich Tréfileurope en Tréfileurope Italia (op 3 april 1995); SLM (op 10 februari 1997); Trame (op 4 maart 1997); Tycsa (op 17 december 1996), DWK (op 24 februari 1997) en Austria Draht (op 15 april 1997) hebben gevoegd. — de zuidelijke overeenkomst, een regionale regeling waarover in 1996 is onderhandeld en die toen door de Italiaanse ondernemingen Redaelli, ITC, CB en Itas is overeengekomen met Tycsa en Tréfileurope om de penetratiegraad van elk van de deelnemers in de zuidelijke landen (Spanje, Italië, Frankrijk, België en Luxemburg) vast te stellen en een verbintenis aan te gaan om met de andere noordelijke Europese producenten over de quota te onderhandelen. — club Europa, zijnde de tweede fase van de pan-Europese overeenkomst. Deze overeenkomst is in mei 1997 gesloten door Tréfileurope, Nedri, WDI, DWK, Tycsa en Emesa (de „permanente leden” of de „zes producenten”) en in september 2002 beëindigd. De overeenkomst was bedoeld om de crisis in club Zürich te boven te komen, om opnieuw quota te verdelen (berekend over de periode vierde trimester van 1995-eerste trimester van 1997), klanten te verdelen en de prijzen vast te stellen. De zes producenten kwamen regels voor de onderlinge coördinatie overeen, waaronder de benoeming van coördinatoren die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van de regelingen in de afzonderlijke landen en voor de coördinatie met andere geïnteresseerde ondernemingen die in die landen actief waren of aan dezelfde klanten leverden. Daarnaast zijn hun vertegenwoordigers geregeld op verschillende niveaus bijeengekomen om toe te zien op de naleving van de afspraken. Zij wisselden gevoelige commerciële informatie uit. Wanneer een partij zich niet aan de afspraken had gehouden, gold een passende compensatieregeling. — de onderlinge afstemming betreffende de klant Addtek. In het kader van deze pan-Europese regeling onderhielden de „zes producenten”, nu en dan aangevuld met de Italiaanse producenten en Fundia, eveneens bilaterale (of multilaterale) contacten en namen zij op ad hoc-basis deel aan prijsafspraken en klantentoewijzing wanneer zij daar belang bij hadden. Zo hebben Tréfileurope, Nedri, WDI, Tycsa, Emesa, CB en Fundia onderling afgestemd over de prijzen en volumes voor de klant Addtek. Deze projecten betroffen voornamelijk Finland, Zweden en Noorwegen, maar ook Nederland, Duitsland, de Baltische staten en Midden‑ en Oost-Europa. De onderlinge afstemming betreffende Addtek vond reeds plaats in de club Zürich-fase van de pan-Europese regelingen en heeft tot ten minste eind 2001 voortgeduurd. — besprekingen tussen club Europa en club Italia. In de periode van ten minste september 2000 tot september 2002 kwamen de zes producenten, ITC, CB, Redaelli, Itas en SLM regelmatig bijeen met het doel de Italiaanse ondernemingen als permanente leden te integreren in club Europa. De Italiaanse ondernemingen wilden een verhoging van het Italiaanse quotum in Europa, terwijl club Europa de status quo wilde handhaven. Daartoe werden binnen club Italia diverse bijeenkomsten georganiseerd om een gezamenlijk standpunt te formuleren, zijn binnen club Europa bijeenkomsten gehouden om dit standpunt te bespreken en/of een eigen standpunt te bepalen en zijn tussen de leden van club Europa en de Italiaanse vertegenwoordigers bijeenkomsten georganiseerd om een akkoord te bereiken over het Italiaanse quotum op een gegeven markt. De betrokken ondernemingen wisselden hierbij commercieel gevoelige informatie uit. Ten behoeve van de herverdeling van het Europese quotum teneinde de Italiaanse producenten hierin mee te nemen, kwamen de partijen overeen om een nieuwe referentieperiode te gebruiken (30 juni 2000‑30 juni 2001). Deze ondernemingen hebben ook afgestemd over het globale exportvolume van de Italiaanse ondernemingen in Europa, dat zij onderling per land verdeelden. Tegelijkertijd hebben zij de prijzen besproken, waarbij de leden van club Europa ernaar streefden het mechanisme voor het vaststellen van de prijzen dat de Italiaanse producenten binnen club Italia hanteerden, op geheel Europa toe te passen. — club España: parallel aan de pan-Europese afspraken en club Italia kwamen vijf Spaanse ondernemingen [Trefilerías Quijano, Tycsa, Emesa, Galycas en Proderac (deze laatste vanaf mei 1994)] en twee Portugese ondernemingen (Socitrel vanaf april 1994 en Fapricela vanaf december 1998) voor Spanje en Portugal en voor een periode van ten minste december 1992 tot september 2002 overeen om hun marktaandelen stabiel te houden, quota vast te stellen, klanten toe te wijzen (inclusief overheidsopdrachten voor werken) en prijzen en betalingscondities vast te stellen. Zij wisselden ook gevoelige commerciële informatie uit.
124 Volgens de Commissie vertonen alle regelingen die hierboven zijn omschreven, de kenmerken van één enkele inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (bestreden besluit, overwegingen 135 of 609 of onderdeel 12.2.2).
125 Meer bepaald was de Commissie van mening dat de bovengenoemde regelingen deel uitmaakten van een algemeen plan dat de hoofdlijnen aangaf voor het optreden van de kartelleden in alle geografische gebieden en dat deze ondernemingen „hun individuele commerciële gedrag [beperkten] om een identiek mededingingsverstorend doel en één enkel mededingingsverstorend economisch doel te bereiken, namelijk het vervalsen of uitschakelen van de normale concurrentievoorwaarden voor spanstaal in de EER en om een algemeen evenwicht vast te stellen, met name door quota en prijzen vast te stellen, klanten toe te wijzen en gevoelige commerciële informatie uit te wisselen” (bestreden besluit, overweging 610, zie ook onderdeel 9.3).
126 De Commissie heeft in dat verband het volgende aangegeven: „Het plan, onderschreven door DWK, WDI, Tréfileurope, Nedri, Tycsa, Emesa, Fundia, Austria Draht, Redaelli, CB, ITC, Itas, SLM, Trame, Proderac, Fapricela, Socitrel, Galycas en Trefilerías Quijano (niet alle op hetzelfde ogenblik), werd ontworpen en uitgevoerd over een periode van ten minste achttien jaar, aan de hand van een geheel van heimelijke regelingen, specifieke overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, om hetzelfde gemeenschappelijke doel te bereiken, met name de beperking van de mededinging tussen deze ondernemingen [...] door gebruik te maken van gelijkaardige mechanismen om dit gemeenschappelijk doel te bereiken (zie [onderdeel] 9.3.1). Zelfs wanneer een bepaalde regeling soms niet optimaal werkte, bleven andere regelingen normaal functioneren” (bestreden besluit, overweging 612).
Factoren die jegens SLM in aanmerking zijn genomen
127 De Commissie heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat SLM van 10 februari 1997 tot 19 september 2002 rechtstreeks had deelgenomen aan het kartel en met name aan club Italia en de integratie van de Italiaanse producenten in club Europa (bestreden besluit, overweging 862).
128 De Commissie heeft in dat verband verwezen naar de volgende, in de overwegingen 474 tot en met 478 van het bestreden besluit uiteengezette factoren, in het onderdeel betreffende de individuele deelname van SLM aan club Italia: „(474) Met betrekking tot SLM zijn er veelvuldige aanwijzingen dat [zij] sinds 18 december 1995 op de hoogte was van de Italiaanse regeling, toen beslist werd onder meer SLM in te lichten over de nieuwe prijzen die in 1996 dienden te worden gehanteerd [...]. Op de bijeenkomst van 17 december 1996 [...] werd ook een tabel uitgedeeld met de toewijzing van tonnage per klant en de aanstelling van de hoofdleveranciers voor een aantal klanten op de Italiaanse markt voor 1997. Hoewel de kolommen voor SLM leeg waren, is het feit dat SLM in de tabel reeds in aanmerking werd genomen een aanwijzing, dat besprekingen met de partijen plaats moeten hebben gehad of ten minste beoogd werden. Tijdens de bijeenkomsten van 19 januari 1997 en 27 januari 1997 werd SLM opnieuw besproken. De eerste quotumtoewijzing aan SLM waarvoor concrete bewijzen bestaan, gebeurde op de bijeenkomst van 10 februari 1997, die de Commissie derhalve beschouwt als de begindatum van de betrokkenheid van SLM bij de Italiaanse regeling. In de handgeschreven notities van ITC [...] over die bijeenkomst stond een lijst met volumes die aan bepaalde klanten moesten worden geleverd door SLM enerzijds en Redaelli, CB, Tycsa, ITC[...] anderzijds. De notities van ITC vermelden uitdrukkelijk, dat CB en ITC de verkoopinformatie van SLM verkregen hadden van [een] vertegenwoordiger van SLM. Ook op 7 april 1997 werd SLM besproken. Bovendien is er duidelijk bewijs van de aanwezigheid van SLM op meer dan 100 bijeenkomsten tussen 15 april 1997 en september 2002 die handelden over de Italiaanse markt. Bij afwezigheid van SLM werd die onderneming toch besproken onder de leden van club Italia waaruit blijkt dat zij voortdurend bijdroeg en deelnam aan club Italia. (475) SLM bevestigt zelf dat [zij] aan club Italia heeft deelgenomen van eind 1999 tot 2002, met [twee vertegenwoordigers van SLM] en op directieniveau nam SLM eveneens deel aan enkele bijeenkomsten met Europese producenten in Hotel Villa Malpensa in 2001. Tot slot verklaart SLM dat [zij] op een bijeenkomst in het hoofdkantoor van Redaelli eind 1998 of begin 1999 werd gevraagd aan periodieke bijeenkomsten deel te nemen en productiebeperkingen te bespreken. Eerst zou SLM geweigerd hebben, maar daarna besliste [zij] toch om deel te nemen. (476) SLM betwist de bevindingen van de Commissie met betrekking tot [de] begindatum [van haar deelname aan] het kartel echter, en beweert integendeel dat [zij] enkel zou hebben deelgenomen aan club Italia vanaf het einde van 1999. Ten eerste beweert SLM dat [zij] niet aanwezig was op de bijeenkomst van 10 februari 1997. De Commissie merkt echter op, dat het beschikbare schriftelijke bewijs van de bijeenkomst van 10 februari 1997 (handgeschreven notities van ITC) een gedetailleerde quotumtoewijzing aantonen aan onder meer SLM met betrekking tot bepaalde klanten. Zoals reeds eerder toegelicht, werden de gegevens meegedeeld door [de] vertegenwoordiger van SLM [zelf], waardoor is aangetoond dat SLM [haar] informatie voor de bijeenkomst had meegedeeld. [Haar] beweerde afwezigheid op deze bijeenkomst is daarom niet relevant. (477) Zelfs als SLM op 4 maart 1997 enige aarzeling vertoonde met betrekking tot [haar] toekomstige plaats in het kartel, nam SLM de volgende maand reeds opnieuw deel aan de kartelbijeenkomsten, te weten aan de bijeenkomst van 15 april 1997 waar prijzen voor grondstoffen en verkoopprijzen werden vastgesteld voor Frankrijk, Spanje en Duitsland en waar besprekingen werden gevoerd over verkoop door Redaelli aan een aantal klanten en over aanbiedingen aan klanten door SLM en CB. SLM bleef regelmatig de bijeenkomsten van club Italia bijwonen en besprekingen voeren met andere kartelleden tot de datum van de inspecties door de Commissie. De ‚aarzeling’ van SLM kan daarom niet worden gezien als een onderbreking van [haar] deelname aan het kartel, zoals SLM beweert. (478) Hoewel volgens Redaelli SLM niet vanaf de aanvang meedeed aan de overeenkomst over de verdeling van de Italiaanse markt, wordt de deelname van SLM aan de bijeenkomsten van club Italia bevestigd door ITC, Tréfileurope en CB. SLM was vanaf het begin op de hoogte van de Italiaanse overeenkomst (besluit van de leden om SLM te informeren), maar niettemin is de Commissie op grond van de [...] bewijsstukken [...] van mening dat de permanente deelname van SLM op 10 februari 1997 begon en eindigde op 19 september 2002.”
129 In de overwegingen 649 en 650 van het bestreden besluit, in het onderdeel over de kwalificatie van de inbreuk als één enkele, complexe en voortgezette inbreuk, heeft de Commissie het volgende benadrukt: „(649) Met betrekking tot SLM kan worden gesteld dat [zij] niet alleen deelnam aan club Italia vanaf 10 februari 1997 [...], maar ook aan de expansiebesprekingen van club Europa vanaf 11 september 2000 [...]. SLM betwist [haar] aanwezigheid op de bijeenkomst van 11 september 2000 niet. Echter zelfs vóór die datum was SLM op de hoogte of had [zij] op de hoogte moeten zijn, dat club Italia, waarvan [zij] deel uitmaakte, deel uitmaakte van een groter plan dat ook een pan-Europees niveau kende. Ten eerste beschikt de Commissie over bewijzen, dat SLM in een vroeg stadium van [haar] deelname aan club Italia, bijeen kwam met bedrijven die deelnamen aan de andere clubs, zoals DWK, Tréfileurope (die deelnamen aan de pan-Europese regeling) en Tycsa ([die] deelnam aan de pan-Europese regeling en aan club España), en met hen de Europese marktomstandigheden besprak. Op een bijeenkomst van deze bedrijven op 15 april 1997, bijvoorbeeld, werden de prijzen die in verschillende Europese landen (Frankrijk, Spanje en Duitsland) en de import en export besproken [...]. Verder had SLM op 29 november 1999 [...] een bijeenkomst met Redaelli, Austria Draht, Tréfileurope, Tycsa en DWK waarop niet enkel de prijzen werden besproken die door twee van de aan club España deelnemende bedrijven, namelijk Emesa en Fapricela, werden toegepast in Spanje en Portugal, maar ook Addtek, de grootste klant op de Scandinavische markt waaromheen de ‚Scandinavische club’ was georganiseerd [...]. SLM nam op 18 januari 2000 ook deel aan een bespreking over de situatie en de problemen inherent aan de Europese markt (met Redaelli, ITC, Itas, AFT/Tréfileurope Italia, CB, Nedri, Tycsa en Tréfileurope). Op 21 februari 2000 kwam SLM bijeen met Redaelli, ITC, Itas, Tréfileurope Italia, CB, Tréfileurope, DWK en Tycsa (laatstgenoemde per telefoon) en bespraken zij onder meer het volume in Spanje en een prijsstijging in Duitsland [...]. Op een bijeenkomst van 13 maart 2000 met SLM, Redaelli, ITC, Itas, CB, Tréfileurope Italia, DWK, Tycsa en Trame werd de situatie in Nederland en Zwitserland besproken. Op 15 mei 2000, tijdens een bijeenkomst van SLM, ITC, Itas, Tréfileurope Italia, CB, SLM, Trame en DWK, verklaarde Tréfileurope dat club Europa en club Italia beide in een crisis verkeerden. Op 12 juni 2000, ten slotte, woonde SLM een bijeenkomst bij met Redaelli, ITC, ITAS, Tréfileurope Italia CB, Trame, Tycsa en DWK waarop werd vermeld dat club Europa klaagt over Tycsa [...]. (650) Bijgevolg is het voldoende bewezen, dat SLM [...] ten minste vanaf 29 november 1999 op de hoogte was of redelijkerwijs op de hoogte had moeten zijn van het feit dat het bedrijf, terwijl het deelnam aan club Italia, deel was van een groter stelsel met verscheidene niveaus [met als doel om de spanstaalmarkt te stabiliseren teneinde een prijsdaling te voorkomen].”
130 Bovendien heeft de Commissie in antwoord op de opmerkingen van SLM over haar deelname aan club Italia vóór het einde van 1999 op het volgende gewezen: „(863) SLM betwist [haar] deelname aan het kartel en in het bijzonder aan club Italia tot het einde van 1999. [Haar] deelname aan club Italia vanaf 10 februari 1997 is echter duidelijk vastgesteld op basis van schriftelijk bewijsmateriaal en verscheidene clementieverklaringen van ITC, Tréfileurope en CB [...]. SLM beroept zich er ook op, dat [zij] wel aan bepaalde bijeenkomsten van club Italia deelnam, maar dat [zij] een agressief commercieel beleid heeft gevoerd, dat [zij] nooit met een onwettige overeenkomst akkoord is gegaan, en dat [zij] de gegevens die [zij] eventueel met concurrenten deelde, wel geloofwaardig maar nooit reëel of waar waren. In dit opzicht volstaat het te herhalen, dat elk rechtstreeks of onrechtstreeks contact tussen concurrenten met als doel of effect hetzij de beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij de mededeling aan een dergelijke concurrent van het door henzelf aangenomen of voorgenomen marktgedrag verboden is [...]. De loutere deelname aan bijeenkomsten met een mededingingsverstorende inhoud volstaat derhalve om aansprakelijkheid te veroorzaken. Het is irrelevant, dat SLM de kartelafspraken niet heeft nageleefd. Vals spel maakt immers inherent deel uit van elk kartel [...]. Bovendien geeft SLM zelf toe, dat [haar] deelname aan de bijeenkomst tot doel had, [haar] klantenbestand te vergroten of ten minste te handhaven.”
131 In antwoord op de opmerkingen van SLM over club Europa heeft de Commissie op het volgende gewezen: „(864) SLM betwist voorts, dat [zij] van 11 september 2000 tot de 19 september 2002 deelnam aan de integratie van de Italiaanse producenten in club Europa. In dat opzicht verklaart SLM dat [zij] in een zeer laat stadium en uitsluitend op dringend verzoek van de andere Italiaanse producenten aan slechts negen van de 51 bijeenkomsten van club Europa heeft deelgenomen. SLM beweert ook, dat [zij] geen interesse heeft gehad om aan club Europa deel te nemen, aangezien [zij] niet over de vereiste certificeringen beschikte voor de meeste betrokken landen. Tot slot was [haar] deelname aan de bijeenkomsten van club Europa het resultaat van nalatigheid. (865) SLM heeft over een periode van amper twee jaar (tussen 11 september 2000 en 19 september 2002) op gezette tijden deelgenomen aan negen bijeenkomsten van club Europa [...]. Bovendien werd de aanwezigheid van SLM verwacht bij nog eens twee bijeenkomsten (23 juli 2001 en 25 juli 2001). Bijgevolg wordt het bewezen geacht, dat SLM vanaf de expansieperiode een regelmatige deelnemer aan club Europa was. In die omstandigheden is het niet relevant, waarom SLM de kartelbijeenkomsten bijwoonde of dat [zij] geen certificering had voor enkele of de meeste landen. Ook al beschikte SLM niet over een certificering voor alle in het kartel opgenomen landen, toch kan worden vermoed, dat [haar] deelname aan de bijeenkomsten niet alleen [haar] gedrag heeft beïnvloed in zowel Italië als de andere landen waar [zij] aanwezig was, maar ook [haar] besluitvorming omtrent de landen waarvoor [zij] een certificering zou aanvragen [...]. In elk geval omvatte club Europa Italië en verschillende andere landen waar SLM producten verkocht, zodat SLM zeker belang had bij de besprekingen. Een onderneming kan haar aansprakelijkheid voor deelname aan een kartel niet ontlopen op grond van vermeende nalatigheid. De Commissie concludeert bijgevolg, dat SLM van 11 september 2000 tot 19 september 2002 heeft deelgenomen aan club Europa. (866) In elk geval is ook vastgesteld, dat SLM vanaf 10 februari 1997 aan club Italia deelnam [...]. SLM moet derhalve aansprakelijk worden geacht voor [haar] deelname aan het kartel van 10 februari 1997 tot 19 september 2002.”
Situatie van Ori Martin
132 Na in overweging 866 van het bestreden besluit te hebben aangegeven dat SLM aansprakelijk werd gehouden voor haar deelname aan het kartel van 10 februari 1997 tot 19 september 2002, heeft de Commissie het volgende overwogen ten aanzien van de situatie van Ori Martin: „(867) Sinds 1 januari 1999 berustte de volledige zeggenschap over SLM bij Ori Martin SA ([die] op 31 oktober 2001 2 % overdraagt aan Ori Martin Lux SA). (868) Op grond van de (bijna) volledige eigendom van SLM bij Ori Martin SA van 1 januari 1999 tot 19 september 2002, is de Commissie van mening dat Ori Martin SA beslissende invloed op Siderurgica Latina Martin SpA uitoefende. (869) In [haar] antwoord op de [mededeling van punten van bezwaar] betwist Ori Martin SA de door de Commissie aangehaalde feiten niet, maar [...] beweert [zij] niet hoofdelijk aansprakelijk te kunnen worden gehouden met SLM. [Zij] meent in het bijzonder dat de Commissie niet voldoende heeft aangetoond, dat [zij] een beslissende invloed op SLM uitoefende. [Zij] beweert dat een dergelijk vermoeden het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid schendt en stelt dat de Commissie niet heeft bewezen, dat Ori Martin SA rechtstreeks of zijdelings bij de inbreuk betrokken was. (870) De Commissie kan volgens vaste rechtspraak [...] ervan uitgaan, dat moedermaatschappijen een beslissende invloed uitoefenen op hun volledige dochteronderneming. In geval van een dergelijk vermoeden moet de moedermaatschappij dat vermoeden weerleggen door bewijs aan te voeren, dat de dochteronderneming zelfstandig over haar marktgedrag besliste. Wanneer de moedermaatschappij echter niet voldoende bewijs kan leveren, wordt dat vermoeden bevestigd en is er voldoende grondslag om haar aansprakelijkheid toe te schrijven. (871) Het is derhalve irrelevant om te beweren dat de moedermaatschappij niet rechtstreeks betrokken was bij het mededingingsverstorende gedrag of dat zij er zich naar beweerd niet van bewust was. De aansprakelijkstelling van een moedermaatschappij voor de inbreuk van haar dochterondernemingen vloeit voort uit het feit dat beide entiteiten één enkele onderneming vormen in het kader van de mededingingsregels van de EU en niet uit het bewijs dat de moedermaatschappij aan de inbreuk heeft deelgenomen of zich ervan bewust is geweest. (872) Ten slotte, met betrekking tot het beginsel van de persoonlijke aansprakelijkheid heeft artikel 101 van het VWEU betrekking op ‚ondernemingen’ die verschillende rechtspersonen kunnen omvatten. In deze context wordt het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid niet geschonden, voor zover verschillende rechtspersonen aansprakelijk worden gesteld op grond van omstandigheden die eigen zijn aan hun rol en hun gedrag binnen dezelfde onderneming. Met betrekking tot moedermaatschappijen wordt de aansprakelijkheid bepaald op grond van hun daadwerkelijke toezicht op het commerciële beleid van de dochterondernemingen die materieel bij het feiten zijn betrokken (zie [onderdeel] 13). (873) Ori Martin SA beweert verder, dat [zij] geen beslissende invloed op SLM uitoefende, aangezien laatstgenoemde [haar] activiteit in de spanstaalsector altijd zelfstandig uitvoerde. Dit zou blijken uit het feit, dat SLM niet verplicht was om aan Ori Martin SA te rapporteren. Ori Martin SA was bovendien een financiële holding, die bijgevolg niet besliste over het commerciële beleid van SLM. (874) De Commissie merkt op, dat het loutere feit dat een bedrijf een financiële holding is, niet uitsluit dat het een beslissende invloed op zijn dochterondernemingen uitoefent. Ori Martin SA had er als aandeelhouder ook belang bij om [haar] financiële eigendomsbelang in [haar] dochteronderneming SLM te beschermen. Terwijl Ori Martin SA beweert, dat [zij] niet actief was in de sector die door het kartel wordt gedekt, merkt de Commissie tot slot op dat [haar] dochteronderneming, Ori Martin SpA, wel actief was in de staalsector. Bijgevolg waren de commerciële activiteiten van SLM verwant met de activiteiten van het concern. In die omstandigheden kan Ori Martin SA niet als een loutere holding worden gekwalificeerd en ontloopt [zij] in geen geval aansprakelijkheid. (875) Dit besluit moet derhalve worden gericht tot Siderurgica Latina Martin SpA en Ori Martin SA. Siderurgica Latina Martin SpA moet aansprakelijk worden geacht voor de periode van 10 februari 1997 tot 19 september 2002. Ori Martin SA moet hoofdelijk aansprakelijk worden geacht voor het inbreukgedrag van Siderurgica Latina Martin SpA voor de periode van 1 januari 1999 tot 19 september 2002.”
Berekening van het bedrag van de aan SLM en Ori Martin opgelegde geldboete
133 Het bedrag van de aan SLM en Ori Martin opgelegde geldboete is door de Commissie volgens de methode in de richtsnoeren van 2006 berekend (bestreden besluit, overwegingen 920‑926).
134 Voor de berekening is de Commissie uitgegaan van de volgende elementen: — de in aanmerking genomen waarde van de verkopen is vastgesteld op 15,86 miljoen EUR (eerste wijzigingsbesluit, overweging 5); — het percentage van de waarde van de verkopen van SLM dat in aanmerking is genomen voor de berekening van het basisbedrag is 19 % (bestreden besluit, overweging 953); — de duur van de deelname aan het kartel, van 5 jaar en 7 maanden voor SLM en 3 jaar en 8 maanden voor Ori Martin, leidt tot een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 5,58 voor SLM en 3,66 voor Ori Martin (eerste wijzigingsbesluit, overweging 7); — de Commissie is uitgegaan van een coëfficiënt van 19 % om het aanvullende bedrag te bepalen (bestreden besluit, overweging 962); — het basisbedrag is vastgesteld op 19,8 miljoen EUR (eerste wijzigingsbesluit, overweging 9); — er is noch van een verzwarende noch van een verzachtende omstandigheid uitgegaan; — het bedrag van de geldboete vóór toepassing van de drempel van 10 % van de omzet is vastgesteld op 19,8 miljoen EUR (eerste wijzigingsbesluit, overweging 10); — het verzoek van SLM om op grond van de mededeling inzake medewerking voor een vermindering in aanmerking te komen, is afgewezen (bestreden besluit, overwegingen 1126‑1129); — na toepassing van de drempel van 10 % is het bedrag van de geldboete verlaagd naar 15,956 miljoen EUR, om ervoor te zorgen dat de geldboete waarvoor SLM alleen aansprakelijk is, in overeenstemming is met het maximum van 10 % van de omzet van de vennootschap (tweede wijzigingsbesluit, overwegingen 17 en 19); — het verzoek van SLM om boetevermindering wegens haar draagkracht is op grond van het aanvankelijk in het bestreden besluit vastgestelde bedrag afgewezen (bestreden besluit, overwegingen 1169‑1172); — het uiteindelijke bedrag van de aan SLM opgelegde geldboete is 15,956 miljoen EUR voor haar deelname aan het kartel gedurende de periode 1 januari 1999 tot 19 september 2002, waarvoor Ori Martin hoofdelijk aansprakelijk is verklaard voor een bedrag van 14 miljoen EUR (bestreden besluit, artikelen 1 en 2, en tweede wijzigingsbesluit, overweging 21 en artikel 1, punt 2), waarbij SLM alleen aansprakelijk is voor de betaling van 1,956 miljoen EUR voor haar deelname aan het kartel gedurende de periode 10 februari 1997 tot 31 december 1998 (bestreden besluit, artikelen 1 en 2, en tweede wijzigingsbesluit, artikel 1, punt 2).
b) Relevante beginselen
135 Uit artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten volgt dat de zwaarte van de straf niet onevenredig mag zijn aan het strafbare feit.
136 In dat verband bepalen artikel 101, lid 1, VWEU en artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst uitdrukkelijk dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan‑ of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden of in het beperken of controleren van de productie of de afzet, onverenigbaar zijn met de interne markt. Dergelijke inbreuken worden door de rechtspraak gekwalificeerd als bijzonder zwaar, met name wanneer het om horizontale kartels gaat, aangezien zij rechtstreeks ingrijpen in de belangrijkste mededingingsparameters op de betrokken markt (arrest van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie, T‑141/94, Jurispr., EU:T:1999:48, punt 675).
137 Artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalt dat de Commissie een geldboete mag opleggen aan ondernemingen die aan een dergelijke inbreuk deelnemen, mits de geldboete voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming niet hoger is dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. Volgens artikel 23, lid 3, van genoemde verordening moet bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete zowel met de ernst als met de duur van de inbreuk rekening worden gehouden.
138 Het is in dat verband vaste rechtspraak dat bij de vaststelling van de hoogte van de geldboeten rekening moet worden houden met alle factoren die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de ernst van de reeds vermelde inbreuken, zoals met name de rol die elk der partijen bij de inbreuk heeft gespeeld en het gevaar dat dergelijke inbreuken opleveren voor de doelstellingen van de Unie. Ingeval een inbreuk door meerdere ondernemingen is gepleegd, moet het relatieve gewicht van de deelname van elk van hen worden onderzocht (zie arrest van 8 juli 1999, Hercules Chemicals/Commissie, C‑51/92 P, Jurispr., EU:C:1999:357, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139 Ook dient het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de bestanddelen waaraan zij wel heeft deelgenomen, in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk en, in voorkomend geval, bij de bepaling van de geldboete (arresten van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr., EU:C:1999:356, punt 90, en 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr., EU:C:2004:6, punt 86).
140 In geval van één enkele inbreuk in de zin van een complexe inbreuk, die bestaat uit een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen op onderscheiden markten waarop niet alle overtreders aanwezig zijn of slechts gedeeltelijk wetenschap kunnen hebben van het totaalplan, moeten de sancties worden geïndividualiseerd in die zin dat zij moeten worden gerelateerd aan de gedragingen en eigenschappen van de betrokken ondernemingen (zie naar analogie arrest van 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C‑76/06 P, Jurispr., EU:C:2007:326, punt 44).
141 In die context houdt het evenredigheidsbeginsel in dat de geldboete evenredig moet worden bepaald aan de hand van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij zowel de beoordeling van de objectieve ernst van de inbreuk als zodanig als bij de relatieve ernst van de deelname aan de inbreuk door de onderneming waaraan de sanctie wordt opgelegd (zie in die zin en met betrekking tot het onderscheid tussen de objectieve ernst van de inbreuk, in de zin van de punten 22 en 23 van de richtsnoeren van 2006, en de op basis van de specifieke omstandigheden te beoordelen relatieve ernst van de deelname aan de inbreuk door de onderneming waaraan de sanctie wordt opgelegd in de zin van de punten 27 e.v. van die richtsnoeren, arrest van 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie, T‑43/02, Jurispr., EU:T:2006:270, punten 226‑228 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
142 De Commissie moet er bij de op te leggen sanctie voor schending van de mededingingsregels over kartels dus voor zorgen dat de straffen aan de hand van de inbreuk worden geïndividualiseerd, rekening houdend met de specifieke situatie van elke overtreder (zie in die zin arresten van 15 september 2011, Lucite International en Lucite International UK/Commissie, T‑216/06, EU:T:2011:475, punten 87 en 88, en 14 mei 2014, Donau Chemie/Commissie, T‑406/09, Jurispr., EU:T:2014:254, punt 92). Bijgevolg kan een overtredende onderneming die niet verantwoordelijk is gehouden voor bepaalde onderdelen van één enkele inbreuk, geen rol in de uitvoering van die onderdelen hebben gehad. Wanneer de haar verweten inbreuk van beperkte omvang is, is de schending van het mededingingsrecht noodzakelijkerwijs minder ernstig dan die welke wordt toegerekend aan de overtreders die aan alle bestanddelen van de inbreuk hebben deelgenomen.
143 De individualisering van de straf aan de hand van de inbreuk kan in de praktijk plaatsvinden tijdens de verschillende stappen die voor het bepalen van de geldboeten worden gevolgd, zoals het geval is in het bestreden besluit.
144 In de eerste plaats kan de Commissie de bijzonderheid van de deelname van een onderneming aan de inbreuk erkennen in het stadium van de beoordeling van de objectieve ernst van de enkele inbreuk. In de onderhavige zaak zijn de factoren die zij in dat stadium in aanmerking heeft genomen, de materieel (geval van Fundia die alleen aan de onderlinge afstemming betreffende Addtek heeft deelgenomen) of geografisch (geval van Socitrel, Fapricela en Proderac die alleen hebben deelgenomen aan club España, die slechts gevolgen had in Spanje en Portugal) beperkte deelname aan de enkele inbreuk en het pas in een laat stadium wetenschap hebben van de pan-Europese dimensie ervan (mei 2001 voor de eerder genoemde ondernemingen).
145 In de tweede plaats kan de Commissie de bijzonderheid van de deelname van een onderneming aan de inbreuk erkennen in het stadium van de beoordeling van de verzachtende omstandigheden die in punt 29 van de richtsnoeren van 2006 zijn genoemd, in het kader van de algemene beoordeling van alle relevante omstandigheden (zie punt 27 van de richtsnoeren van 2006). Hoewel geen enkele onderneming het bewijs heeft kunnen leveren dat de inbreuk uit onachtzaamheid is gepleegd, heeft de Commissie erkend dat de rol van Proderac en Trame (Emme) aanzienlijk beperkter was dan die van de overige karteldeelnemers en dat hun dus een boetevermindering (van in casu 5 %) moest worden toegekend.
146 In de derde plaats kan de Commissie de bijzonderheid van de deelname van een onderneming aan een inbreuk erkennen in een later stadium dan dat van de beoordeling van de objectieve ernst van de inbreuk of de door de betrokken ondernemingen aangevoerde verzachtende omstandigheden. Zo is in punt 36 van de richtsnoeren van 2006 aangegeven dat de Commissie in bepaalde gevallen een symbolische boete kan opleggen en dat zij ook, zoals aangegeven in punt 37 van de richtsnoeren, van de algemene methode voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten kan afwijken, gelet op de bijzondere kenmerken van een gegeven situatie.
147 In de onderhavige zaak heeft de Commissie noch in het aanvankelijke stadium van de beoordeling van de ernst van de inbreuk als zodanig, noch in het latere stadium van de bespreking van de verzachtende omstandigheden, noch in enig ander stadium, rekening gehouden met de door verzoeksters gestelde bijzondere situatie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete.
148 Bij gebreke van enige verzachtende of bijzondere omstandigheid heeft de Commissie op verzoeksters dezelfde formule toegepast als die welke is gebruikt voor de bestraffing van de ondernemingen die hebben deelgenomen aan alle bestanddelen van het alomvattende kartel en niet slechts aan enkele van de bestanddelen daarvan. Deze formule is de volgende: 19 % van de waarde van de spanstaalverkopen van de betrokken onderneming in de EER (voor de ernst van de inbreuk als zodanig) vermenigvuldigd met het aantal jaren en maanden van deelname aan de inbreuk (de duur van de individuele deelname van SLM aan de inbreuk of de periode waarvoor Ori Martin wordt vermoed beslissende invloed op SLM uit te oefenen), waarbij 19 % van de waarde van de spanstaalverkopen van de betrokken onderneming in de EER wordt opgeteld als aanvullend bedrag (het aanvullend bedrag).
149 In het geval van verzoeksters is het resultaat van deze formule, zijnde een geldboete van 19,8 miljoen EUR, verlaagd naar 15,956 miljoen EUR om ervoor te zorgen dat het bedrag van de geldboete waarvoor SLM alleen aansprakelijk is, in overeenstemming is met het maximum van 10 % van de omzet van deze vennootschap.
150 In het licht van bovenstaande opmerkingen moeten de grieven van SLM en Ori Martin worden onderzocht dat de Commissie niet naar behoren rekening heeft gehouden met de bijzonderheden van de deelname van SLM aan de inbreuk toen zij het bedrag van de geldboete heeft bepaald.
2. Algemeen motiveringsgebrek en algemene grief inzake partijdigheid
151 Om te beginnen merkt SLM op dat zij niet begrijpt hoe de Commissie tot het bedrag van de geldboete en de verdeling daarvan tussen haar en Ori Martin is gekomen. Een dergelijke niet-inachtneming van de motiveringsplicht zou tot de nietigverklaring en herziening van het bestreden besluit moeten leiden.
152 Het blijkt echter dat de door de Commissie in het bestreden besluit gegeven aanwijzingen, die hierboven in de punten 133 en 134 zijn samengevat, zodanig zijn dat SLM de verschillende voor de boetebepalingen in aanmerking genomen factoren kan begrijpen. Ook blijkt uit het bestreden besluit dat de Commissie daarin de redenen heeft uiteengezet waarom zij tot het oordeel kon komen dat SLM en Ori Martin hoofdelijk aansprakelijk waren voor de betaling van een deel van de geldboete die is opgelegd als sanctie voor de deelname van SLM aan de inbreuk van 1 januari 1999 tot 19 september 2002 (bestreden besluit, overwegingen 867‑875, en punt 132 hierboven).
153 Bovendien verwijt SLM de Commissie dat zij steeds in haar nadeel heeft beslist wanneer de aan haar ter beschikking staande gegevens niet te verenigen waren met de beschuldiging waarvan zij is uitgegaan.
154 Gelet op de aanwijzingen in het bestreden besluit en met name in bijlage 2 en 3 daarbij, waarin de inhoud van de verschillende door de Commissie verzamelde bewijzen ten aanzien van club Zürich/Europa en club Italia is uiteengezet, volstaat het loutere feit dat de Commissie aan een bepaalde uitleg de voorkeur heeft gegeven boven de uitleg die SLM had voorgesteld, niet om te kunnen stellen dat de Commissie zich partijdig of onbillijk heeft gedragen. De partijdigheid kan niet worden afgeleid uit het enkele feit dat de administratieve procedure in een voor SLM ongunstige zin is geëindigd.
155 De door SLM aangevoerde middelen inzake een algemeen motiveringsgebrek en de algemene grief inzake partijdigheid zijn dus ongegrond.
3. Factoren die in aanmerking zijn genomen voor de bepaling van het bedrag van de geldboete (waarde van de verkopen, ernst, duur, aanvullend bedrag)
156 Met betrekking tot de factoren die in aanmerking zijn genomen voor de bepaling van het basisbedrag van de geldboete, moeten de volgende grieven worden onderzocht: de grief van SLM in het kader van haar vierde middel, betreffende de waarde van de verkopen die met de inbreuk verband houden; het vijfde middel van SLM en de eerste en de tweede grief van Ori Martin, inzake de beoordeling van de ernst van de inbreuk en de vaststelling van een aanvullend bedrag; het zesde middel van SLM, dat, hoewel formeel als schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling aangevoerd, ook betrekking heeft op de beoordeling van de ernst van de inbreuk, en het zevende middel van SLM, inzake de beoordeling van de duur van de inbreuk.
a) Waarde van de verkopen die met de inbreuk verband houden
Argumenten van partijen
157 SLM geeft te kennen dat uit overweging 865 van het bestreden besluit blijkt dat zij pas vanaf september 2000 aan club Europa heeft deelgenomen. Voor de daaraan voorafgaande periode hadden de buiten Italië gerealiseerde verkopen dus niet in aanmerking mogen worden genomen voor de bepaling van het bedrag van de geldboete. Het bestreden besluit moet in die zin worden herzien dat slechts rekening wordt gehouden met de waarde van de buiten Italië gerealiseerde verkopen voor de periode waarin SLM aan club Europa heeft deelgenomen.
158 De Commissie voert aan dat SLM tenminste vanaf 1995 en tot september 2002, parallel aan de pan-Europese regelingen heeft deelgenomen aan mededingingsverstorende bijeenkomsten betreffende zowel Italië als de export uit Italië naar de rest van Europa. Het is dus objectief gerechtvaardigd om het basisbedrag te bepalen aan de hand van de waarde van de Europese verkopen van SLM.
Beoordeling door het Gerecht
159 Uit punt 13 van de richtsnoeren van 2006 volgt dat „[de Commissie, o]m het basisbedrag van de op te leggen boete vast te stellen[,] zal [...] uitgaan van de waarde van de op de desbetreffende geografische markt in de EER verkochte goederen of diensten van de onderneming die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk”. In datzelfde punt heeft de Commissie verduidelijkt dat zij „over het algemeen gebruik [zal] maken van de verkopen van de onderneming in het laatste volledige jaar waarin zij aan de inbreuk heeft deelgenomen”. In punt 37 van de richtsnoeren van 2006 is immers bepaald dat „[h]oewel de algemene methode voor de vaststelling van geldboeten in deze richtsnoeren uiteen wordt gezet, [...] de bijzondere kenmerken van een gegeven zaak [...] een afwijking van deze methode [kunnen] rechtvaardigen”.
160 In de onderhavige zaak moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat de Commissie bij de afbakening van het voor de bepaling van de waarde van de verkopen relevante geografische gebied, hoofdzakelijk is afgegaan op het geografische gebied dat door club Zürich en vervolgens club Europa werd bestreken.
161 Zo heeft de Commissie in overweging 932 van het bestreden besluit aangegeven dat „[dit gebied v]an 1984 tot 1995 (de club Zürich-periode) [...] Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, België, Luxemburg, Spanje en Oostenrijk [omvatte], dat dit „[v]anaf 1992 (onder de club España-regelingen) [...] ook Portugal [omvatte]” en dat „[de desbetreffende geografische markt v]an 1996 tot 2002 (de crisisperiode van club Zürich – de voorbereiding van het quotumsysteem van club Europa – de periode van club Europa en de expansieperiode) [...] dezelfde landen als tijdens de periode van club Zürich, met inbegrip van Portugal en bovendien Denemarken, Zweden, Finland en Noorwegen[, bestreek]”.
162 Om er rekening mee te houden dat het geografische gebied in de tijd evolueerde, heeft de Commissie niettemin verduidelijkt dat zij de verkopen die vóór 15 december 1992 in Portugal waren gerealiseerd en de verkopen die vóór 9 januari 1996 in Denemarken, Finland, Zweden en Noorwegen waren gerealiseerd, uitsloot van de in aanmerking te nemen waarde van de verkopen. Om rekening te houden met de toetreding tot de Unie of de inwerkingtreding van de EER-Overeenkomst heeft de Commissie gepreciseerd dat zij de verkopen die vóór 1 januari 1986 in Spanje waren gerealiseerd of de verkopen die vóór 1 januari 1994 in Oostenrijk, Finland, Zweden en Noorwegen waren gerealiseerd, niet in aanmerking zou nemen. Daarnaast heeft de Commissie wat Fundia betreft, waarvan de deelname aan het kartel beperkt was tot de onderlinge afstemming betreffende Addtek, aangegeven dat zij alleen rekening zou houden met de waarde van de verkopen die Fundia bij deze klant heeft gerealiseerd (bestreden besluit, overwegingen 932, 933 en 935).
163 De Commissie heeft in het bestreden besluit dus rekening gehouden met factoren als de ontwikkeling van het kartel in de tijd, de wijziging van de werkingssfeer van de toepasselijke regels of de wijze waarop een onderneming aan de inbreuk heeft deelgenomen, aan de hand waarvan zij twee of meerdere situaties heeft onderscheiden ten behoeve van de bepaling van de in aanmerking te nemen waarde van de verkopen. Een dergelijke werkwijze is des te noodzakelijker wanneer sprake is van één enkele inbreuk, of eigenlijk een complexe inbreuk, van het type als dat waarvoor in het bestreden besluit sancties zijn opgelegd, namelijk een „voortdurende overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging in de spanstaalsector in de interne markt en, vanaf 1 januari 1994, in de EER” gedurende een periode van 1 januari 1984 tot 19 september 2002.
164 In de tweede plaats blijkt uit het dossier dat de waarde van de verkopen die de Commissie als uitgangspunt voor de bepaling van het bedrag van de geldboete heeft gehanteerd, zijnde 15,863 miljoen EUR, overeenstemt met de waarde van de spanstaalverkopen van SLM in 2001 in de verschillende landen waarvoor haar om inlichtingen was gevraagd (dat wil zeggen Duitsland, Frankrijk, Italië, België, Nederland, Luxemburg, Spanje, Portugal, Denemarken, Oostenrijk, Zweden, Finland en Noorwegen).
165 Op geografisch vlak zijn vrijwel alle verkopen van SLM in Italië behaald (ongeveer 96,5 % van het totaal), waarbij de rest in Oostenrijk, Duitsland en Frankrijk is behaald (ongeveer 3,5 % van het totaal).
166 Ook blijkt uit het dossier dat SLM de voor de verhandeling van spanstaal in Europa – buiten Italië – vereiste certificeringen pas vanaf augustus 2000 heeft verkregen voor Duitsland en Frankrijk, vanaf juli 2001 voor Oostenrijk en vanaf januari 2002 voor Nederland. Pas na het einde van de inbreuk, namelijk in juli 2006 voor Spanje en in april 2007 voor België, heeft SLM de voor die landen noodzakelijke certificeringen verkregen.
167 In haar antwoord van 9 september 2009 op een verzoek om inlichtingen van de Commissie heeft SLM ook nader aangegeven dat de verkopen die zij een Oostenrijk heeft verricht vóór de goedkeuring van haar producten in juli 2001, bestemd waren voor „commerciële Oostenrijkse afnemers die deze producten doorverkochten in andere landen dan Oostenrijk”. Uit de aan de Commissie verstrekte inlichtingen blijkt inderdaad dat SLM in 1999 en 2000 enkele verkopen in Oostenrijk heeft gerealiseerd.
168 Zoals SLM te kennen geeft, moet er in de derde plaats op worden gewezen dat de Commissie in de onderhavige zaak heeft geoordeeld dat SLM weliswaar van 10 februari 1997 tot 19 september 2002 aan club Italia heeft deelgenomen en dat zij vanaf 29 november 1999 wist of had moeten weten dat zij door haar deelname aan club Italia onderdeel was van een meeromvattend systeem, maar dat de deelname van SLM aan club Europa pas vanaf 11 september 2000 in aanmerking is genomen (bestreden besluit, overwegingen 650, 865 en 866).
169 Om rekening te houden met de wijze waarop SLM aan de inbreuk heeft deelgenomen, moeten dus twee periodes worden onderscheiden: een eerste periode van 10 februari 1997 tot 10 september 2000, die overeenstemt met de deelname van SLM aan alleen club Italia, en een tweede periode van 11 september 2000 tot 19 september 2002, waarin SLM aan zowel club Italia als club Europa heeft deelgenomen.
170 Voor de tweede periode is het, gelet op het geografische gebied waarop de deelname van SLM aan club Italia en club Europa betrekking had, objectief gerechtvaardigd om het bedrag van de geldboete te bepalen aan de hand van de waarde van de Europese verkopen van SLM. Het blijkt ook SLM in die periode niet alleen verkopen in Italië heeft gerealiseerd, maar ook in Oostenrijk, Duitsland en Frankrijk.
171 Voor de eerste periode moet echter worden nagegaan of op basis van het geografische gebied waarop de deelname van SLM aan club Italia betrekking had, kan worden geoordeeld dat het objectief gerechtvaardigd is om het bedrag van de geldboete te bepalen aan de hand van de waarde van de Europese verkopen van SLM.
172 Deze vraag rijst niet voor de verkopen in Italië, die overeenstemmen met 96,5 % van de waarde van de verkopen van SLM die in aanmerking is genomen voor de bepaling van het bedrag van de geldboete, aangezien deze verkopen in de eerste periode duidelijk voorwerp van club Italia waren.
173 Wat Oostenrijk betreft, dat overeenstemt met ongeveer 2 % van de waarde van de verkopen van SLM die in aanmerking is genomen voor de bepaling van het bedrag van de geldboete, moet erop worden gewezen dat niets dat in de onderhavige zaak is aangevoerd, kan aantonen dat dit land tussen 10 februari 1997 en 10 september 2000 in tegenwoordigheid van SLM voorwerp van gesprek binnen club Italia is geweest. Ter terechtzitting heeft het Gerecht aan de Commissie gevraagd om aan te wijzen welk bewijsmateriaal kan aantonen dat ten tijde van de deelname van SLM aan de inbreuk quota voor de export van Italië naar Oostenrijk of commerciële gevoelige inlichtingen over de afzet van spanstaal in Oostenrijk in tegenwoordigheid van vertegenwoordigers van SLM zijn vermeld, waarop zij heeft geantwoord dat zij niet in staat was om dergelijk bewijsmateriaal over te leggen.
174 In die context kan, om het bedrag van de geldboete rekening houdend met de ernst en de duur van de door SLM gepleegde inbreuk te bepalen, niet voor de hele duur van haar deelname aan het kartel rekening worden gehouden met de waarde van de verkopen in een land dat geen voorwerp van de besprekingen binnen club Italia is geweest. De waarde van de door SLM in Oostenrijk gerealiseerde verkopen kan dus alleen in aanmerking worden genomen voor de duur van de periode waarin SLM aan club Europa heeft deelgenomen.
175 Wat Duitsland en Frankrijk betreft, die overeenstemmen met ongeveer 1,5 % van de waarde van de verkopen van SLM die in aanmerking is genomen voor de bepaling van het bedrag van de geldboete, heeft de Commissie terecht opgemerkt dat club Italia niet alleen een binnenlandse dimensie had, maar ook een buitenlandse dimensie, in die zin dat bij meerdere gelegenheden, al dan niet in tegenwoordigheid van SLM, besprekingen zijn gehouden om de quota voor de export vanuit Italië vast te stellen of commercieel gevoelige informatie uit te wisselen over de situatie in Duitsland of Frankrijk, of in andere landen.
176 Voor de periode van 10 februari 1997 tot 10 september 2000 blijkt dan ook uit hetgeen in bijlage 3 bij het bestreden besluit over de bijeenkomsten van club Italia is weergegeven, dat de besprekingen op 15 april 1997 in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van SLM betrekking hebben gehad op „[het vaststellen van] grondstoffenprijzen en verkoopprijzen [...] in Frankrijk, Spanje en Duitsland (voor het laatstgenoemde geval vanaf september 1997 en januari 1998)”. Ook hebben de deelnemers aan de bijeenkomst van 22 oktober 1997, dit keer zonder aanwezigheid van een vertegenwoordiger van SLM, „informatie uit[gewisseld] over prijzen in Duitsland, België en Nederland”, en die aan de bijeenkomst van 29 november 1999 hebben „de behoeften[,] de Spaanse markt [en] de prijzen die worden gehanteerd in Spanje en Portugal [besproken]”. Tijdens de bijeenkomst van 21 februari 2000, waarop een vertegenwoordiger van SLM aanwezigheid was, is voorts gesproken over „een verhoging van de prijs met ‚+ 40 %’ in Duitsland”.
177 Ook wanneer in de periode van 10 februari 1997 tot 10 september 2000 sporadisch de situatie in Duitsland en Frankrijk is genoemd, blijkt echter ook dat SLM pas vanaf augustus 2000 in die landen verkopen heeft gerealiseerd en dat deze verkopen volgens de gegevens die in dat verband door SLM aan de Commissie zijn verstrekt in haar antwoord van 9 september 2009 op een verzoek om inlichtingen voor Duitsland pas in de loop van 2000 zijn behaald en voor Frankrijk in 2001.
178 In die context kan, om het bedrag van de geldboete aan de hand van de ernst en de duur van de door SLM gepleegde inbreuk te bepalen, niet voor de hele duur van haar deelname aan het kartel rekening worden gehouden met de waarde van de verkopen in landen waarin SLM aanvankelijk niet aanwezig was, met name omdat zij haar producten daar niet op de markt mocht brengen. De waarde van de verkopen die SLM in Duitsland en Frankrijk heeft gerealiseerd kan dus pas vanaf de datum waarop die verkopen zijn aangevangen in aanmerking worden genomen, namelijk in de loop van 2000 voor Duitsland en in elk geval in 2001 voor Frankrijk.
179 De conclusie moet dus luiden dat het, gelet op de complexe aard van de betrokken inbreuk, die uit meerdere bestanddelen bestaat, waaronder club Italia en club Europa, en om rekening te houden met de specifieke wijze van deelname van SLM aan de haar verweten inbreuk, niet objectief gerechtvaardigd is om rekening te houden met alle Europese verkopen van SLM als uitgangspunt om het bedrag van de geldboete aan de hand van de ernst en de duur van de door SLM gepleegde inbreuk te bepalen.
180 De gevolgen van het bovenstaande voor de bepaling van het bedrag van de geldboete zullen hierna worden beoordeeld in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht door het Gerecht.
b) Deel van de waarde van de verkopen dat aan de hand van de ernst van de inbreuk is vastgesteld
Argumenten van partijen
181 SLM en Ori Martin betogen dat de beslissing van de Commissie om het deel van de waarde van de verkopen ten behoeve van de beoordeling van de ernst van de inbreuk op 19 % te bepalen, ontoereikend is gemotiveerd en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen. In de eerste plaats had daarbij rekening dienen te worden gehouden met het feit dat SLM op zijn minst tot september 2000 niet betrokken was bij de Europese dimensie van het kartel. SLM heeft niet deelgenomen aan club Zürich of club España of de zuidelijke overeenkomst of de noordelijke overeenkomst betreffende de Scandinavische markt of de procedures voor de plaatsing van bestellingen van Addtek. Evenmin komt zij voor tussen de permanente leden van club Europa en heeft zij nooit een coördinerende rol binnen het kartel gespeeld. Het niveau van 19 % had alleen mogen worden vastgesteld voor de ondernemingen die het initiatief tot oprichting van het kartel hebben genomen en sterk betrokken waren bij de uitvoering ervan. In de tweede plaats had de Commissie ook rekening moeten houden met de concrete gevolgen van de inbreuk om de ernst daarvan te beoordelen. Naast het feit dat het bedrag van de geldboeten die als sanctie voor de inbreuk zijn opgelegd, veel hoger zijn dan de geldboeten die in het verleden als sancties voor kartels zijn opgelegd en dat het bedrag hoger is dan de omzet van de sector in 2001, is SLM in de derde plaats drieënhalf maal zwaarder bestraft dan Redaelli, die sinds 1984 op Europees en Italiaans niveau aan het kartel heeft deelgenomen; zes maal zwaarder dan Emme, waarvan de deelname aan het kartel naar inhoud en duur vergelijkbaar was met die van de SLM; zeven maal zwaarder dan CB en vier maal zwaarder dan ITC, waarvan de betrokkenheid verder ging dan die van SLM. Het Gerecht zou het bedrag van de geldboete dan ook aanzienlijk moeten verlagen om recht te doen aan de rol die SLM in werkelijkheid binnen het kartel heeft gespeeld, alsook met het feit dat haar deelname aan het kartel geen concrete gevolgen op de markt heeft gehad, en om voor een gelijke behandeling tussen SLM en de andere ondernemingen waaraan een sanctie is opgelegd te zorgen.
182 De Commissie bestrijdt dit betoog.
Beoordeling door het Gerecht
183 Met de verschillende hierboven uiteengezette grieven wordt kritiek geuit op het resultaat van de beoordeling van de ernst van de inbreuk door de Commissie, die zij aan de hand van de methode in de richtsnoeren van 2006 heeft verricht.
184 In dat verband bepalen de punten 19 tot en met 23 van de richtsnoeren van 2006 het volgende: „(19) Voor de vaststelling van het basisbedrag van de boete wordt een deel van de waarde van de verkopen dat wordt bepaald door de ernst van de inbreuk, vermenigvuldigd met het aantal jaren dat de inbreuk geduurd heeft. (20) De ernst van de inbreuk wordt per geval beoordeeld, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante omstandigheden. (21) Het deel van de waarde van de verkopen dat in aanmerking wordt genomen zal doorgaans maximaal 30 % bedragen. (22) Om de precieze hoogte binnen deze bandbreedte te bepalen zal de Commissie met een aantal factoren rekening houden, zoals de aard van de inbreuk, het gecumuleerde marktaandeel van alle betrokken partijen, de geografische reikwijdte van de inbreuk, en de vraag of de inbreuk daadwerkelijk is geïmplementeerd. (23) Horizontale overeenkomsten inzake prijzen, de verdeling van markten en de beperking van de productie, die meestal geheim zijn, behoren naar hun aard tot de ernstigste mededingingsbeperkingen. Zij moeten in het kader van het mededingingsbeleid streng worden bestraft. Het aandeel van de verkopen dat voor dergelijke inbreuken in aanmerking wordt genomen zal derhalve doorgaans hoog zijn.”
185 In overweging 953 van het bestreden besluit is de Commissie tot de conclusie gekomen dat het voor de beoordeling van de ernst van de inbreuk in aanmerking te nemen deel van de waarde van de verkopen van SLM op een schaal tot 30 %, 19 % was.
186 Volgens de aanwijzingen in het bestreden besluit is dit percentage bepaald aan de hand van de vier factoren die in punt 22 van de richtsnoeren van 2006 als voorbeeld zijn genoemd.
187 Wat ten eerste de aard van de inbreuk betreft, heeft de Commissie erop gewezen dat „alle ondernemingen, behalve Fundia, [...] betrokken [waren] bij marktverdeling (vaststelling van quota), klantentoewijzing en horizontale overeenkomsten inzake prijzen” en dat „[d]eze regelingen behoren tot de schadelijkste mededingingsbeperkingen doordat zij de belangrijkste parameters van de mededinging verstoren” (bestreden besluit, overweging 939).
188 Wat ten tweede het gecumuleerde marktaandeel van de ondernemingen waarvoor de inbreuk kon worden bewezen betreft, is de Commissie tot het oordeel gekomen dat dit „wordt geschat op ongeveer 80 %” (bestreden besluit, overweging 946).
189 Wat ten derde de geografische reikwijdte van de inbreuk betreft, heeft de Commissie benadrukt dat deze „evolueerde mettertijd”, dat deze „[v]an 1984 tot 1995 [...] Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, België, Luxemburg, Spanje en Oostenrijk [omvatte]” en „[de inbreuk v]an 1996 tot 2002 [...] dezelfde landen [bestreek] met daarbij Portugal, Denemarken, Zweden, Finland en Noorwegen” (bestreden besluit, overweging 947).
190 Wat ten vierde de tenuitvoerlegging van de inbreuk betreft, heeft de Commissie opgemerkt dat „[die] wel degelijk [is] uitgevoerd, hoewel dit niet steeds volledig succesvol of efficiënt verliep” (bestreden besluit, overweging 950).
191 Aan de hand van deze vaststellingen moeten verzoeksters’ argumenten worden onderzocht.
192 In de eerste plaats geven SLM en Ori Martin te kennen dat de Commissie voor de bepaling van het deel van de waarde van de verkopen rekening had moeten houden met de beperktere aansprakelijkheid van SLM voor de inbreuk in vergelijking met die van andere ondernemingen waarvan de betrokkenheid veel verder ging of veel verder terug in de tijd ging. Daarmee stellen verzoeksters dat de Commissie de redenering waarmee zij rekening heeft gehouden met de bijzonderheden van de deelname van SLM aan de inbreuk, onvoldoende op het individuele geval heeft afgestemd.
193 Het blijkt echter dat de Commissie de sanctie volgens de algemene methode in de richtsnoeren van 2006 niet in het aanvankelijke stadium van de bepaling van het basisbedrag individualiseert, maar in het latere stadium van de aanpassing van dat bedrag, of zelfs in een nog later stadium indien dat nodig blijkt.
194 In het stadium van de bepaling van het basisbedrag moet worden geconstateerd dat de Commissie de ondernemingen die een leidinggevende rol hadden of de verschillende aspecten van de enkele inbreuk hebben gecoördineerd, anders heeft behandeld dan de ondernemingen die daar slechts bij betrokken waren. Ook heeft de Commissie het niet dienstig geacht om een onderscheid te maken tussen de ondernemingen die eerst alleen aan club Italia hebben deelgenomen en de ondernemingen die tegelijkertijd aan club Italia en club Europa hebben deelgenomen, omdat zij van oordeel was dat „de geografische reikwijdte van club Italia grotendeels die van de pan-Europese regelingen overlapt” (bestreden besluit, overweging 949).
195 Verzoeksters stellen in de onderhavige zaak geen van de vier vaststellingen van de Commissie ter rechtvaardiging van haar besluit om het deel van de waarde van de verkopen ter beoordeling van de ernst van de inbreuk op 19 % te bepalen, als zodanig ter discussie. Deze vaststellingen zijn alle objectief gedaan aan de hand van gegevens in het dossier die met het oog daarop in het bestreden besluit zijn vermeld en zij gelden voor de inbreuk in zijn geheel en niet alleen voor SLM in het bijzonder.
196 Overigens kan niet worden gesteld dat de Commissie bij de bepaling van het deel van de waarde van de verkopen dat in aanmerking is genomen bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk, geen rekening heeft gehouden met het feit dat SLM niet aan club Zürich of aan andere aspecten van de inbreuk heeft deelgenomen, aangezien dat deel slechts is gebruikt vanaf het moment waarop SLM die met de inbreuk verband houden en slechts betrekking heeft op de verkopen van SLM waarop de inbreuk betrekking heeft (zie in dat verband punten 159‑180 hierboven).
197 De eerste grief is derhalve ongegrond.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 14 mei 2014, T-406/09, ECLI:EU:T:2014:254
- HvJ EU 11 juli 2013, C-439/11, ECLI:EU:C:2013:513
- HvJ EU 11 juli 2013, C-440/11, ECLI:EU:C:2013:514
- HvJ EU 19 december 2012, C-452/11, ECLI:EU:C:2012:829
- HvJ EU 29 maart 2012, C-505/09, ECLI:EU:C:2012:179
- Gerecht EU 2 februari 2012, T-83/08, ECLI:EU:T:2012:48
- Gerecht EU 25 oktober 2011, T-348/08, ECLI:EU:T:2011:621
- Gerecht EU 5 oktober 2011, T-11/06, ECLI:EU:T:2011:560
- HvJ EU 29 september 2011, C-521/09, ECLI:EU:C:2011:620
- Gerecht EU 15 september 2011, T-216/06, ECLI:EU:T:2011:475
- Gerecht EU 13 juli 2011, T-38/07, ECLI:EU:T:2011:355
- Gerecht EU 13 juli 2011, T-141/07, ECLI:EU:T:2011:363
- Gerecht EU 16 juni 2011, T-240/07, ECLI:EU:T:2011:284
- HvJ EU 20 januari 2011, C-90/09, ECLI:EU:C:2011:21
- HvJ EU 1 juli 2010, C-407/08, ECLI:EU:C:2010:389
- Gerecht EU 19 mei 2010, T-18/05, ECLI:EU:T:2010:202
- HvJ EU 10 september 2009, C-97/08, ECLI:EU:C:2009:536
- HvJ EU 3 september 2009, C-534/07, ECLI:EU:C:2009:505
- Gerecht EU 4 maart 2009, T-445/05, ECLI:EU:T:2009:50
- Gerecht EU 8 oktober 2008, T-69/04, ECLI:EU:T:2008:415
Aangehaald in
- Gerecht EU 14 september 2022, T-604/18, ECLI:EU:T:2022:541
- Gerecht EU 30 maart 2022, T-324/17, ECLI:EU:T:2022:175
- Gerecht EU 30 maart 2022, T-340/17, ECLI:EU:T:2022:181
- HvJ EU 25 maart 2021, C-611/16, ECLI:EU:C:2021:245
- Gerecht EU 18 november 2020, T-814/17, ECLI:EU:T:2020:545
- Gerecht EU 5 oktober 2020, T-249/17, ECLI:EU:T:2020:458
- Gerecht EU 28 maart 2019, T-433/16, ECLI:EU:T:2019:201
- HvJ EU 7 juni 2018, C-463/17, ECLI:EU:C:2018:411
- Gerecht EU 22 september 2021, T-425/18, ECLI:EU:T:2021:607
- Gerecht EU 23 juli 2025, T-84/22, ECLI:EU:T:2025:752
- Gerecht EU 6 november 2024, T-386/21, ECLI:EU:T:2024:776