Gerecht EU 14 mei 2014, T-406/09, ECLI:EU:T:2014:254

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)

14 mei 2014 ( *1 )

„Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt voor calciumcarbide en magnesium bestemd voor de staal- en gasindustrie in de EER, met uitzondering van Ierland, Spanje, Portugal en het Verenigd Koninkrijk — Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG — Vaststelling van prijzen en verdeling van de markt — Geldboeten — Artikel 23 van verordening (EG) nr. 1/2003 — Richtsnoeren voor de berekening van het bedrag van geldboeten van 2006 — Verzachtende omstandigheden — Medewerking tijdens de administratieve procedure — Motiveringsplicht — Gelijke behandeling — Evenredigheid — Vermogen om te betalen”

In zaak T‑406/09,

Donau Chemie AG, gevestigd te Wenen (Oostenrijk), vertegenwoordigd door S. Polster, W. Brugger en M. Brodey, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door N. von Lingen en M. Kellerbauer als gemachtigden, bijgestaan door T. Eilmansberger, hoogleraar, en vervolgens door N. von Lingen en M. Kellerbauer,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van artikel 2 van beschikking C(2009) 5791 definitief van de Commissie van 22 juli 2009 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/39.396 – Op calciumcarbide en magnesium gebaseerde reagentia bestemd voor de staal- en gasindustrie) voor zover deze betrekking heeft op verzoekster, en subsidiair, een verzoek tot verlaging van het bedrag van de geldboete die verzoekster bij die beschikking is opgelegd,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: O. Czúcz, president, I. Labucka en D. Gratsias (rapporteur), rechters,

griffier: K. Andová, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 oktober 2013,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1 Bij haar beschikking C(2009) 5791 definitief van 22 juli 2009 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/39.396 – Calciumcarbide en op magnesium gebaseerde reagentia bestemd voor de staal- en gasindustrie) (hierna: „bestreden beschikking”) heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld dat grootste leveranciers van calciumcarbide en magnesium bestemd voor de staal- en gasindustrie inbreuk hadden gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) door van 7 april 2004 tot 16 januari 2007 deel te nemen aan één enkele voortdurende inbreuk bestaande in verdeling van markten, vaststelling van quota, verdeling van de klanten, vaststelling van de prijzen en uitwisseling van gevoelige handelsinformatie over de prijzen, de klanten en de verkoophoeveelheden in de EER met uitzondering van Ierland, Spanje, Portugal en het Verenigd Koninkrijk.

2 De procedure is ingeleid ten vervolge op een door Akzo Nobel NV op 20 november 2006 ingediend verzoek om immuniteit in de zin van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „mededeling inzake medewerking van 2002”).

3 Verzoekster, Donau Chemie AG, heeft op 25 januari 2007 een verzoek tot vermindering van het bedrag van haar geldboete (punt 342 van de bestreden beschikking) in de zin van de mededeling inzake medewerking van 2002 ingediend (hierna: „clementieverzoek van verzoekster”).

4 Bij de bestreden beschikking (artikel 1, sub c) heeft de Commissie geoordeeld dat verzoekster van 7 april 2004 tot en met 16 januari 2007 aan de inbreuk had deelgenomen. Uit de punten 57, 64 tot en met 92, 114 en 214 van de bestreden beschikking blijkt in het bijzonder dat volgens de Commissie verzoekster tijdens bovengenoemde periode via leden van haar bestuur of van haar personeel betrokken is geweest bij de delen van de overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot calciumcarbidepoeder en calciumcarbidegranulaat. Zij heeft daarentegen geoordeeld dat verzoekster niet betrokken was bij de overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot magnesium.

5 Bij artikel 2, sub c, van de bestreden beschikking heeft de Commissie verzoekster voor bovengenoemde inbreuk een geldboete van 5 miljoen EUR opgelegd.

6 Voor het bepalen van het bedrag van de aan verzoekster en de andere geadresseerden van de bestreden beschikking opgelegde geldboete heeft de Commissie de methode toegepast die is beschreven in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren”).

7 Deze methode bestaat uit twee stappen. In de eerste plaats stelt de Commissie voor elke onderneming of ondernemersvereniging een basisbedrag vast, uitgaande van de waarde van de door de betrokken onderneming op de desbetreffende geografische markt verkochte goederen of diensten die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk. Voor de vaststelling van het basisbedrag wordt een deel van de waarde van de verkoop dat wordt bepaald door de zwaarte van de inbreuk, vermenigvuldigd met het aantal jaren dat de inbreuk heeft geduurd. Overeenkomstig punt 25 van de richtsnoeren zal de Commissie bovendien, onafhankelijk van de duur van de deelname van een onderneming aan de inbreuk, aan het basisbedrag een bedrag van 15 tot 25 % van de waarde van de verkoop, het zogenoemde „toetredingsrecht”, toevoegen om de ondernemingen ervan te weerhouden deel te nemen aan horizontale overeenkomsten inzake vaststelling van prijzen, marktverdeling en productiebeperking. In de tweede plaats kan de Commissie het tijdens de eerste stap vastgestelde basisbedrag vermeerderen of verminderen om rekening te houden met verzwarende of verzachtende omstandigheden.

8 In het onderhavige geval heeft de Commissie het deel van de waarde van de met de inbreuk verband houdende verkoop waarmee zowel voor het basisbedrag voor de geldboete als voor het toetredingsrecht rekening diende te worden gehouden, bepaald op 17 % (punten 301 en 306 van de bestreden beschikking). Voorts blijkt uit de tabel in punt 288 van de bestreden beschikking dat de Commissie heeft geoordeeld dat de waarde van verzoeksters verkoop van calciumcarbidepoeder en calciumcarbidegranulaat waarmee voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening diende te worden gehouden, voor elk van die twee producten, tussen 5 en 10 miljoen EUR bedroeg.

9 Bovendien blijkt uit de punten 55 tot en met 91 respectievelijk 92 tot en met 112 van de bestreden beschikking dat verzoekster aan het op calciumcarbidepoeder betrekking hebbende deel van de mededingingsregeling heeft deelgenomen van 22 april 2004 tot 16 januari 2007 (te weten twee jaar, acht maanden en 24 dagen) en aan het op calciumcarbidegranulaat betrekking hebbende deel van de mededingingsregeling van 7 april 2004 tot 16 januari 2007 (twee jaar, negen maanden en negen dagen). Uit de tabel in punt 304 van de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie op basis daarvan heeft geoordeeld dat het (op 17 % bepaalde) deel van de waarde van verzoeksters verkoop van calciumcarbidepoeder met 2,5 moest worden vermenigvuldigd voor het bepalen van het gedeelte van het basisbedrag voor de geldboete dat betrekking heeft op dat product. Uit dezelfde tabel blijkt dat de Commissie voor calciumcarbidegranulaat een vermenigvuldigingscoëfficiënt 3 heeft gekozen.

10 Volgens de tabel in punt 308 van de bestreden beschikking was het basisbedrag voor de aan verzoekster op te leggen geldboete aldus 7,7 miljoen EUR. Om de in de punten 342 tot en met 346 van de bestreden beschikking genoemde redenen heeft de Commissie echter beslist om verzoekster voor haar medewerking tijdens de administratieve procedure in de zin van de mededeling inzake medewerking van 2002 (zie punt 3 hierboven) een vermindering van het basisbedrag voor de geldboete met 35 % toe te kennen.

11 Verder heeft de Commissie in de punten 362 tot en met 378 van de bestreden beschikking de door verschillende deelnemers aan de mededingingsregeling geformuleerde verzoeken om vermindering van de geldboete op grond van punt 35 van de richtsnoeren onderzocht. De Commissie heeft verzoeksters daartoe strekkende verzoek afgewezen (punten 373 en 374 van de bestreden beschikking). Zij heeft een andere deelnemer aan de mededingingsregeling, Almamet GmbH, daarentegen een vermindering van het bedrag van de geldboete met 20 % toegekend (punt 372 van de bestreden beschikking).

12 Op basis van de in de punten 9 en 10 hierboven samengevatte overwegingen heeft de Commissie het bedrag van de in de bestreden beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete bepaald op 5 miljoen EUR.

Procesverloop en conclusies van partijen

13 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 oktober 2009, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

14 Bij een wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de aanvankelijk aangewezen rechter-rapporteur toegevoegd aan de Derde kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen. Wegens de gedeeltelijke vervanging van de leden van het Gerecht is de onderhavige zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur, die lid is van dezelfde kamer.

15 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van een in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalde maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het de Commissie verzocht bepaalde documenten over te leggen. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

16 Partijen hebben ter terechtzitting van 16 oktober 2013 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

17 Ter terechtzitting heeft verzoekster verzocht om uittreksels van de verklaring die zij in het kader van haar clementieverzoek aan de Commissie had voorgelegd, te mogen neerleggen. De Commissie heeft zich tegen neerlegging daarvan verzet. Het Gerecht heeft verzoeksters aanbod afgewezen om de in de punten 212 tot en met 214 hieronder genoemde redenen.

18 Verzoekster verzoekt het Gerecht: — artikel 2 van de bestreden beschikking nietig te verklaren, voor zover dit op haar betrekking heeft; — subsidiair, het bedrag van de haar in de bestreden beschikking opgelegde geldboete te verlagen; — de Commissie te verwijzen in de kosten.

19 De Commissie verzoekt het Gerecht: — het beroep te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

20 Verzoekster heeft gepreciseerd dat haar beroep alleen ziet op de vaststelling van het bedrag van de haar opgelegde geldboete. Zij stelt dienaangaande dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de haar opgelegde geldboete verschillende inbreuken op het recht van de Unie, op de richtsnoeren en op de mededeling inzake medewerking van 2002 heeft gemaakt. Zij voert aan dat de Commissie is voorbijgegaan aan de wezenlijke omstandigheden die in het concrete geval in haar voordeel speelden, en bovendien de gehanteerde criteria zowel rechtens als feitelijk onjuist heeft opgevat en toegepast, wat volgens haar een schending van het recht van de Unie oplevert. De Commissie zou bovendien haar beoordelingsmarge onrechtmatig hebben overschreden.

21 Ofschoon verzoekster haar betoog niet formeel in middelen heeft onderverdeeld, blijkt uit het beroepschrift dat zij, zakelijk weergegeven, vijf middelen aanvoert. Deze betreffen, ten eerste, onjuiste vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete, ten tweede, onrechtmatig voorbijgaan aan voor verzoekster verzachtende omstandigheden, ten derde, schending van de mededeling inzake medewerking van 2002, ten vierde, schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het evenredigheidbeginsel, en ten vijfde, de omstandigheid dat de Commissie onrechtmatig heeft nagelaten haar een vermindering van het bedrag van de geldboete toe te kennen wegens haar onvermogen om te betalen en wegens de bijzondere kenmerken van de zaak. Deze middelen worden hieronder achtereenvolgend onderzocht. Bovendien heeft verzoekster aan het einde van het beroepschrift een hoofdstuk gewijd aan schending van wezenlijke vormvoorschriften op grond dat de bestreden beschikking op verschillende punten ontoereikend is gemotiveerd. In dat deel van het beroepschrift wordt echter geen autonoom middel aangevoerd, maar wordt eraan herinnerd dat in het kader van de vijf bovengenoemde middelen verschillende grieven inzake ontoereikende motivering van de bestreden beschikking zijn geformuleerd. Deze grieven zullen dus samen met de rest van het betoog betreffende elk van die vijf middelen worden onderzocht.

Eerste middel: onjuiste vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete

22 Verzoekster voert aan dat het basisbedrag voor de haar opgelegde geldboete, dat in punt 308 van de bestreden beschikking op 7,7 miljoen EUR is bepaald, te hoog is. Haar betoog dienaangaande bestaat uit zes onderdelen, te weten ten eerste onjuiste beoordeling van het gecumuleerde marktaandeel van de deelnemers aan de mededingingsregeling als gevolg van een fout bij de afbakening van de betrokken markten, ten tweede de omstandigheid dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de inbreuk geen weerslag heeft gehad op de markt, ten derde onjuiste beoordeling van het economische belang van de betrokken markt, ten vierde onjuiste beoordeling van het relatieve gewicht van verzoeksters deelname aan de inbreuk, ten vijfde de omstandigheid dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat verzoekster slechts aan bepaalde delen van de inbreuk heeft deelgenomen, en ten zesde een onjuiste rechtsopvatting en niet-nakoming van de motiveringsplicht met betrekking tot de vaststelling van het toetredingsrecht.

Inleidende opmerkingen

23 Zoals in punt 7 hierboven is opgemerkt, wordt volgens de in de richtsnoeren uiteengezette methode die in het onderhavige geval door de Commissie is toegepast, voor de vaststelling van het basisbedrag voor de aan een deelnemer aan een inbreuk op te leggen geldboete een deel van de waarde van de in verband met die inbreuk verrichte verkoop vermenigvuldigd met het aantal jaren dat de inbreuk heeft geduurd (punt 19 van de richtsnoeren).

24 Volgens punt 21 van de richtsnoeren „[zal het] deel van de waarde van de verkopen dat in aanmerking wordt genomen [...] doorgaans maximaal 30 % bedragen”. Punt 22 bepaalt dienaangaande dat „[o]m de precieze hoogte binnen deze bandbreedte te bepalen [...] de Commissie met een aantal factoren rekening [zal] houden, zoals de aard van de inbreuk, het gecumuleerde marktaandeel van alle betrokken partijen, de geografische reikwijdte van de inbreuk, en de vraag of de inbreuk daadwerkelijk is geïmplementeerd”. Volgens punt 23 „[behoren] [h]orizontale overeenkomsten [...] inzake prijzen, de verdeling van markten en de beperking van de productie, die meestal geheim zijn, [...] naar hun aard tot de ernstigste mededingingsbeperkingen[,] [moeten] [z]ij [...] in het kader van het mededingingsbeleid streng worden bestraft[, en zal] [h]et aandeel van de verkopen dat voor dergelijke inbreuken in aanmerking wordt genomen [...] derhalve doorgaans hoog zijn”.

25 Het toetredingsrecht bedoeld in punt 25 van de richtsnoeren (zie punt 7 hierboven) komt bovenop het aldus vastgestelde bedrag en de som van beide vormt het basisbedrag voor de geldboete. Zoals gezegd, bedroeg het percentage dat de Commissie in het onderhavige geval zowel voor de toepassing van de punten 19 tot en met 24 als voor de toepassing van punt 25 van de richtsnoeren had gekozen, 17 % voor alle deelnemers aan de mededingingsregeling.

26 Om te beginnen staat vast dat in het onderhavige geval het door de Commissie gekozen percentage van 17 % ongeveer in de helft van de bandbreedte ligt, ofschoon de aard van de inbreuk volgens de bewoordingen van punt 23 de richtsnoeren een tegen de bovengrens van die brandbreedte (die tot 30 % gaat) aanleunend percentage zou hebben gerechtvaardigd. Voor de vaststelling van het toetredingsrecht ligt dat percentage zelfs zeer dicht bij de benedengrens (15 %) van de in punt 25 van de richtsnoeren bepaalde bandbreedte. Hiermee dient rekening te worden gehouden bij het onderzoek van de verschillende onderdelen van het door verzoekster in het kader van dit middel gevoerde betoog.

Eerste onderdeel: onjuiste beoordeling van het gecumuleerde marktaandeel van de deelnemers aan de mededingingsregeling als gevolg van een fout bij de afbakening van de betrokken markten

27 Verzoekster verwijt de Commissie enerzijds, wat de vormvoorschriften betreft, de bestreden beschikking niet of ontoereikend te hebben gemotiveerd, en anderzijds, wat de grond van de zaak betreft, onjuiste opvattingen ter zake van het recht en van de feiten bij de vaststelling van het gecumuleerde marktaandeel van de deelnemers aan de mededingingsregeling. Volgens haar zou de Commissie, indien zij de markten waarop de mededingingsregeling betrekking had, correct had beoordeeld, tot de slotsom zijn gekomen dat de litigieuze inbreuk minder zwaar was, en een minder hoog basisbedrag voor de geldboete hebben vastgesteld.

28 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat de motiveringsplicht van artikel 253 EG een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de litigieuze handeling betreft (arresten Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 67; 22 maart 2001, Frankrijk/Commissie, C-17/99, Jurispr. blz. I-2481, punt 35, en 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C-521/09 P, Jurispr. blz. I-8947, punt 146).

29 Verder blijkt uit de rechtspraak dat de door artikel 253 EG geëiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en dat de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting moet komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechterlijke instantie haar toezicht kan uitoefenen. Het is niet noodzakelijk, dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest Commissie/Sytraval en Brink’s France, aangehaald in punt 28 hierboven, punt 63 en aangehaalde rechtspraak; arrest Gerecht van 4 juli 2006, Hoek Loos/Commissie, T-304/02, Jurispr. blz. II-1887, punt 58).

30 Bovendien eist de motiveringsplicht van artikel 253 EG dat de redenering waarop een beschikking is gebaseerd, duidelijk en ondubbelzinnig is. Zo moet de motivering van een handeling logisch zijn en mag zij geen interne tegenstrijdigheden bevatten die een goed begrip van de aan die handeling ten grondslag liggende redenen in de weg zou staan (zie arrest Elf Aquitaine/Commissie, aangehaald in punt 28 hierboven, punt 151).

31 Verzoekster voert in de eerste plaats aan dat de bestreden beschikking een gebrek aan motivering vertoont waar in punt 297 ervan wordt gezegd dat „in de betrokken geografische sector het gecumuleerde marktaandeel van de ondernemingen waarvoor de inbreuk is aangetoond, [...] minder dan 80 % bedraagt”. Volgens verzoekster heeft een dergelijke vaststelling geen enkele zin, daar zij op alle mogelijke marktaandelen tot 80 % kan slaan.

32 Dit argument faalt. In dit verband moet rekening worden gehouden met voetnoot nr. 620, waarnaar punt 297 van de bestreden beschikking verwijst. Die voetnoot luidt als volgt: „De raming is gebaseerd op de door de partijen meegedeelde omzet [zie punt 288 en vooral voetnoot [nr.] 604] en op de gegevens die voor de tabel in punt (46) zijn gebruikt.”

33 Punt 46 van de bestreden beschikking bevat immers een tabel met het marktaandeel dat elke aan de mededingingsregeling deelnemende onderneming in 2006 had voor elk van de drie producten waarop de mededingingsregeling betrekking had. Deze tabel vermeldt ook, in een afzonderlijke lijn, het gecumuleerde marktaandeel van de „anderen”, dat wil zeggen de op diezelfde markten werkzame ondernemingen die niet aan de mededingingsregeling hadden deelgenomen. Uit deze tabel blijkt dat de gecumuleerde verkoop van de aan de mededingingsregeling deelnemende ondernemingen in 2006 80 tot 85 % van de totale verkoop van calciumcarbidepoeder in de betrokken geografische sector, 65 tot 70 % van de totale verkoop van calciumcarbidegranulaat en 70 % van de verkoop van magnesiumgranulaat bedroeg. De omzet in Euro van elke aan de mededingingsregeling deelnemende onderneming in dezelfde periode, zoals vastgesteld op basis van de gegevens die de betrokken ondernemingen zelf hebben verstrekt, wordt bovendien vermeld in een tabel in punt 288 van de bestreden beschikking.

34 In die context geplaatst kan de uitdrukking „minder dan 80 %” in punt 297 van de bestreden beschikking dus gemakkelijk aldus worden begrepen dat het gecumuleerde marktaandeel van de deelnemers aan de mededingingsregeling vrij dicht bij dat percentage ligt, zonder het echter te overschrijden, zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd. De bestreden beschikking is dienaangaande dus rechtens genoegzaam gemotiveerd.

35 In de tweede plaats verwijt verzoekster de Commissie dat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd ter zake van de afbakening van de productmarkten waarop de mededingingsregeling betrekking had. Verzoekster betoogt dienaangaande dat de Commissie in de punten 3 en volgende van de bestreden beschikking heeft verklaard dat magnesiumpoeder en magnesiumgranulaat niet voor dezelfde toepassingen worden gebruikt, en in de punten 40 en volgende dat die producten ook uit het oogpunt van de vraag verschillen. Verder wordt in de tabel van de marktaandelen in punt 46 van de bestreden beschikking onderscheid gemaakt tussen calciumcarbidepoeder en calciumcarbidegranulaat. Ofschoon deze vermeldingen suggereren dat de twee laatstgenoemde producten tot twee verschillende markten behoren, leiden de in de punten 182 en 183 van de bestreden beschikking verstrekte gegevens over de soortgelijke eigenschappen van die producten en over de evolutie van de prijs en de kostenstructuur ervan tot de slotsom dat de Commissie heeft aangenomen dat deze tot dezelfde markt behoren. Verder wijzen, wat de verhouding tussen calciumcarbidepoeder en magnesiumgranulaat betreft, de in punt 184 van de bestreden beschikking voorkomende vermeldingen, hoewel zij wat dubbelzinnig zijn, erop dat de Commissie heeft geoordeeld dat deze twee producten tot een en dezelfde markt behoren. In die context zou de vaststelling in punt 177 van de bestreden beschikking dat „de gebeurtenissen die het voorwerp van de onderhavige beschikking zijn, hebben plaatsgevonden op twee markten die als verschillende markten kunnen worden aangemerkt, en betrekking hebben op drie producten”, gewoonweg onbegrijpelijk zijn. Kortom, verzoekster is van mening dat de vaststellingen die de Commissie in de bestreden beschikking heeft gedaan over de markten waarop de mededingingsregeling betrekking heeft, niet-concludent, tegenstrijdig en onbegrijpelijk zijn, en dat de bestreden beschikking daardoor ontoereikend is gemotiveerd en onrechtmatig is.

36 Dit betoog, dat berust op de lezing van enkele uit de context gelichte fragmenten van de bestreden beschikking, faalt eveneens.

37 In de punten 3 tot en met 5 en 7 van de bestreden beschikking heeft de Commissie met betrekking tot de producten waarop de mededingingsregeling betrekking heeft, het volgende opgemerkt: „(3) Calciumcarbide (CaC2) is een chemische verbinding die in een carbide-oven door middel van reductie op hoge temperatuur wordt geproduceerd. Het komt voor in de vorm van grijswitte brokken, die volgens de specifieke eisen van de klant worden vergruisd, gezeefd, gemalen en verpakt [...]. Calciumcarbide heeft verschillende toepassingen. (4) In de gasindustrie wordt calciumcarbide in de vorm van kleine blokjes (granulaat) gebruikt voor de productie van acetyleen. Lassen en snijden met acetyleen zijn vrij eenvoudige procedés. Dit is echter nog steeds wereldwijd de techniek die het meest wordt gebruikt voor het verbinden van materialen. In de beschikking wordt met het begrip calciumcarbidegranulaat naar die toepassing verwezen. (5) Calciumcarbidepoeder wordt in de staalindustrie gebruikt om zuurstof (desoxidatie) en zwavel (ontzwaveling) uit staal te verwijderen. Voor de ontzwaveling van staal wordt calciumcarbide gemengd met kleine hoeveelheden van andere werkzame stoffen zoals koolstofpoeder, smeltmiddel en magnesium, die de eigenschappen ervan te verbeteren. [...] In de beschikking wordt met het begrip calciumcarbidepoeder naar deze toepassing verwezen. [...] (7) Voor de ontzwaveling in de staalindustrie staat calciumcarbide in concurrentie met reagentia op basis van magnesium. Magnesium is duurder, maar heeft een geringer volume en werkt sneller. [...] In de beschikking wordt met het begrip magnesiumgranulaat verwezen naar het gebruik van reagentia op basis van magnesium voor de ontzwaveling in de staalindustrie.”

38 Met betrekking tot het verzoek voor de drie producten waarop de mededingingsregeling betrekking heeft, heeft de Commissie in de punten 40 tot en met 43 van de bestreden beschikking de volgende toelichtingen verstrekt: „(40) De vraag naar calciumcarbide kwam van ondernemingen uit de staalindustrie (afnemers van calciumcarbidepoeder) en van ondernemingen uit de gasindustrie (afnemers van calciumcarbidegranulaat). In beide gevallen ging het om een klein aantal afnemers. Iedere afnemer beschikte echter over meerdere fabrieken in de EER. (41) De afnemers kochten het calciumcarbidepoeder doorgaans van verschillende aanbieders. In gebieden met slechts één producent (bijvoorbeeld Noord-Europa) betrokken de afnemers het product in de eerste plaats bij de aanbieders op de binnenlandse markt. (42) De markt voor de gasindustrie was stabieler, omdat een gasfabriek om technische redenen in de regel slechts één leverancier van calciumcarbide heeft. [...] (43) De vraag naar calciumcarbide is als gevolg van economische en technische ontwikkelingen gedaald. [...] Ook door de stijging van de kostprijs van cokes en elektriciteit werd magnesium een aantrekkelijker alternatief. Een aantal klanten volgde dan ook de tendens en stapte van calciumcarbidepoeder gewoon over op magnesiumgranulaat. Bovendien had de consolidering binnen de Europese staal- en gasindustrie tot gevolg dat de marktmacht van de afnemers groter werd.”

39 In de punten 168 tot en met 194 van de bestreden beschikking, en dus ook in de door verzoekster in haar betoog genoemde punten 177 en 182 tot en met 184, gaat het over de vraag of de in die beschikking vastgestelde overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen één enkele voortdurende inbreuk vormen. Zoals in punt 1 hierboven is gezegd, heeft de Commissie deze vraag bevestigend beantwoord.

40 De punten 181 tot en met 184 van de bestreden beschikking luiden als volgt: „(181) Uit het oogpunt van de vraag kunnen afnemers uit de staalindustrie magnesiumgranulaat als alternatief voor calciumcarbide gebruiken. [...] Beide producten zijn ontzwavelingsreagentia voor de staalindustrie en voor de aanbieders van producten op basis van calciumcarbide was het dan ook logisch de kartelafspraken tot producten op basis van magnesium uit te breiden voor de ondernemingen beide reagentia verkochten, en aldus ook voor magnesiumgranulaat te profiteren van de afspraken over calciumcarbide. (182) Calciumcarbidegranulaat kan misschien anders worden aangewend dan calciumcarbidepoeder (gasindustrie/staalindustrie), maar uit het oogpunt van de aanbieders vertonen die producten veel overeenkomsten. [...] Alleen de veredeling verschilt. Het niet-behandelde product is hetzelfde [...] en wordt tegen dezelfde prijs verkocht ongeacht het gebruik dat ervan zal worden gemaakt. Bijgevolg komt de ontwikkeling van de prijs van het product in de vorm van granulaat in zeker opzicht overeen met die van het product in poedervorm, wat uiteindelijk tot gelijkschakeling van de prijs van de twee producten moet leiden. [...] Vooral wegens de identieke kostprijs van het niet-behandelde product en de sterke overeenstemming van de prijzen op de markt was het voor de ondernemingen logisch om ook voor calciumcarbidegranulaat te profteren van de afspraken over calciumcarbidepoeder. (183) Bovendien hadden de afspraken/onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot calciumcarbidepoeder voor de staalindustrie gevolgen voor het handelsgedrag van de betrokken ondernemingen met betrekking calciumcarbidegranulaat voor de gasmarkt en omgekeerd. Op bilaterale bijeenkomsten en tijdens telefoongesprekken spraken de aanbieders niet alleen voor de staalmarkt maar ook de gasmarkt over de hoeveelheden, klanten en prijzen. [...] (184) De overeenkomsten/onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot calciumcarbidepoeder voor de staalindustrie hadden ook invloed op het handelsgedrag van de betrokken ondernemingen met betrekking magnesiumgranulaat en omgekeerd. [...] Bij de beslissing over een realistische verhoging van de prijs voor calciumcarbidepoeder werd kennelijk rekening gehouden met de concurrentiedruk van [de] vervangingsproduct[en] magnesium en kalk. [...]”

41 Anders dan verzoekster stelt, zijn de in punten 37, 38 en 40 hierboven aangehaalde punten van de bestreden beschikking duidelijk en niet onderling tegenstrijdig. Uit de in de punten 3 tot en met 5, 40, 41 en 182 van de bestreden beschikking verstrekte uitleg blijkt immers dat calciumcarbidepoeder en calciumcarbidegranulaat twee verschillende aanbiedingsvormen van een – uit het oogpunt van de chemische samenstelling en het productieprocedé – zelfde product zijn. Zoals de Commissie in punt 182 van de bestreden beschikking heeft opgemerkt, vormt alleen de veredeling van de (in punt 3 van de bestreden beschikking vermelde brokken calciumcarbide) het verschil tussen de twee in de bestreden beschikking genoemde types van calciumcarbide. Die twee types van het product voorzien in de behoeften van twee verschillende bedrijfstakken. Voor de gasindustrie worden de brokken calciumcarbide in kubusvormige korrels verdeeld (zie punt 4 van de bestreden beschikking), terwijl zij voor de staalindustrie tot poeder worden gemalen (punt 5). Aangezien het gaat om de verhandeling van in wezen een en hetzelfde product in twee verschillende aanbiedingsvormen, is de overweging in punt 182 van de bestreden beschikking, dat de prijs van het product in elk van deze twee aanbiedingsvormen op dezelfde wijze evolueerde, volstrekt logisch en begrijpelijk.

42 Uit de punten 7, 43 en 184 van de bestreden beschikking blijkt duidelijk dat magnesiumgranulaat uit chemisch oogpunt een totaal ander product is, dat echter calciumcarbidepoeder kan vervangen en dus voor dezelfde gebruikers (te weten de staalindustrie) is bestemd.

43 Wanneer de in punt 177 van de bestreden beschikking geformuleerde stelling, dat de in de beschikking aan de orde zijnde gedragingen „hebben plaatsgevonden op twee markten die als verschillende markten kunnen worden aangemerkt”, in deze context wordt geplaatst, kan zij slechts aldus worden begrepen dat de betrokken markten die van de reagentia voor de gasindustrie (calciumcarbidegranulaat) en die van de reagentia voor de staalindustrie (calciumcarbidepoeder en magnesiumgranulaat) zijn. Die slotsom wordt trouwens bevestigd door de titel van de bestreden beschikking (zie punt 1 hierboven). Dit neemt niet weg dat de Commissie in de tabellen in de punten 46 en 288 van de bestreden beschikking de verkoop van elke van deze drie producten afzonderlijk heeft vermeld, ook al behoorden twee van die producten tot dezelfde markt.

44 Bijgevolg is de bestreden beschikking niet ontoereikend gemotiveerd ter zake van de afbakening van de productmarkten waarop de mededingingsregeling betrekking heeft.

45 In de derde plaats verwijt verzoekster de Commissie onjuiste afbakening van de betrokken markten. Dit zou tot gevolg hebben gehad dat de in de bestreden beschikking genoemde marktaandelen onjuist zijn en dat de in punt 22 van de richtsnoeren genoemde factoren voor de berekening van het basisbedrag van geldboete niet correct kunnen worden beoordeeld.

46 In dit verband verwijt verzoekster de Commissie dat zij ten onrechte heeft aangenomen dat de betrokken markt die van calciumcarbide is, zonder onderscheid te maken tussen calciumcarbidegranulaat en calciumcarbidepoeder. Dit argument moet echter worden afgewezen omdat het op een onjuiste premisse is gebaseerd. Uit de punten 41 tot en met 43 hierboven blijkt immers dat de Commissie in de bestreden beschikking wel degelijk onderscheid heeft gemaakt tussen de markt van de reagentia voor de gasindustrie (calciumcarbidegranulaat) en die van de reagentia voor de staalindustrie (waaronder calciumcarbidepoeder valt).

47 Verzoekster voert ook aan dat de markt waaronder calciumcarbidepoeder valt, ook magnesiumgranulaat en kalk omvat. Dit laatste zou door de klanten ook worden beschouwd als een product dat calciumcarbidepoeder en magnesiumgranulaat kan vervangen, omdat het dezelfde kenmerken heeft als deze twee producten en tegen nagenoeg dezelfde prijs wordt verkocht.

48 Verzoekster herinnert eraan dat zij dit argument al in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar had aangevoerd, en dat het is onderzocht en afgewezen in punt 298 van de bestreden beschikking, dat luidt als volgt: „In haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar voert Donau Chemie aan dat voor de ontzwaveling in de staalindustrie kalk een alternatief voor calciumcarbide en magnesium is. [...] De relevante markt is dus groter en het gemeenschappelijke marktaandeel van de deelnemers aan het kartel is dus kleiner. Van oudsher wordt voor de ontzwaveling kalk toegevoegd aan de reagentia op basis van magnesium en/of calciumcarbide. Als afzonderlijk product wordt het in Europa echter doorgaans niet als alternatief voor reagentia op basis van magnesium of calciumcarbide gebruikt, omdat de ontzwaveling daarmee veel trager verloopt. [...] Niets wijst erop dat de kartelafspraken ook betrekking hadden op de kalkmarkt. Ook wanneer voor de productmarkt rekening was gehouden met kalk, zouden de daaruit voortvloeiende marktaandelen in het onderhavige geval geen invloed hebben gehad op de manier waarop de Commissie deze factor meeweegt om in deze beschikking de zwaarte van de inbreuk te bepalen.”

49 Opgemerkt zij dat verzoekster in het beroepschrift geen specifiek betoog heeft gevoerd ten bewijze dat bovengenoemde overwegingen van de bestreden beschikking onjuist zijn. In repliek heeft zij gesteld dat de punten 298 en 184 van de bestreden beschikking met elkaar in tegenspraak zijn. Terwijl in punt 298 wordt gezegd dat kalk niet in de plaats van calciumcarbidepoeder kan worden gebruikt, zou kalk in punt 184 uitdrukkelijk als vervangingsproduct worden aangemerkt. Dit argument faalt echter.

50 In punt 184 van de bestreden beschikking wordt inderdaad gezegd dat „met de concurrentiedruk van [de] vervangingsproduct[en] magnesium en kalk”„rekening [werd] gehouden”„[b]ij de beslissing over een realistische verhoging van de prijs voor calciumcarbidepoeder”. Deze verklaring is echter niet in tegenspraak met de uitleg in punt 298 van de bestreden beschikking, dat kalk in Europa eigenlijk doorgaans niet als alternatief voor calciumcarbidepoeder en magnesiumgranulaat wordt gebruikt. Kalk kon immers niettemin „concurrentiedruk” uitoefenen in die zin dat een zeer sterke stijging van de prijs van calciumcarbidepoeder voor de staalproducenten een grond had kunnen zijn om hun praktijk te wijzigen en voortaan kalk als reagens voor ontzwaveling te gebruiken.

51 Verder heeft verzoekster in repliek ook melding gemaakt van de „recente ontwikkelingen” op de markt van reagentia voor ontzwaveling in de staalindustrie. Zij heeft aangevoerd dat de totale behoefte aan calciumcarbidepoeder voor ontzwaveling van 140000 ton in 2000 was gedaald tot 90000 ton. Bij wijze van voorbeeld noemt zij een aantal staalfabrieken in Europa, die aan verschillende ondernemingen toebehoren, waar calciumcarbidepoeder is vervangen door kalk.

52 In punt 43 van de bestreden beschikking (aangehaald in punt 38 hierboven) heeft de Commissie weliswaar zelf toegegeven dat de vraag naar calciumcarbide gestaag daalt, doch dit neemt niet weg dat verzoekster geen enkel bewijs heeft aangedragen voor haar stelling dat die daling te wijten is aan de vervanging van calciumcarbide door kalk. Zij heeft evenmin bewijzen aangedragen voor haar stelling betreffende de vervanging van calciumcarbidepoeder door kalk in verschillende fabrieken in Europa. In die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de Commissie in haar beschikking een fout heeft gemaakt door voor het bepalen van het gecumuleerde marktaandeel van de deelnemers aan de mededingingsregeling geen rekening te houden met de verkoop van kalk.

53 Verzoekster voert ook aan dat de markt voor calciumcarbidegranulaat ook de markt voor petrochemisch acetyleen omvat. Zij legt uit dat, zoals in punt 4 van de bestreden beschikking is gezegd, calciumcarbidegranulaat in de gasindustrie wordt gebruikt voor de productie van acetyleen, dat wordt gebruikt bij het lassen. De Commissie zou echter geen rekening hebben gehouden met het feit dat hiervoor ook petrochemisch acetyleen kan worden gebruikt. Petrochemisch acetyleen zou dezelfde functionaliteit en dezelfde prijsstructuur hebben als uit calciumcarbidegranulaat verkregen acetyleen en de twee producten zouden onderling vervangbaar zijn. Dit zou blijken uit het feit dat een van verzoeksters klanten onlangs de productie en het bottelen van acetyleen uit calciumcarbide heeft stopgezet en voortaan petrochemisch acetyleen koopt.

54 Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, wordt verzoeksters stelling over de onderlinge vervangbaarheid van acetyleen uit calciumcarbide en petrochemisch acetyleen, net als haar stelling over de kalk, door geen enkele bewijs gestaafd. Deze stellingen volstaan dus niet om de Commissie een vergissing bij de afbakening van de markten waarop de mededingingsregeling betrekking heeft, en bij de vaststelling van het gecumuleerde marktaandeel van de deelnemers aan die mededingingsregeling te verwijten.

55 Verder dient erop te worden gewezen dat verzoekster alleen verklaart dat, indien de Commissie de betrokken markten correct had afgebakend, het gecumuleerde marktaandeel „veel kleiner” zou zijn geweest dan het in de bestreden beschikking vastgestelde gecumuleerde marktaandeel. Daardoor zou de inbreuk minder zwaar zijn geweest en de vaststelling van een lager basisbedrag voor de geldboete hebben gerechtvaardigd.

56 Dit is echter een vaag en algemeen betoog dat niet volstaat om tot de slotsom te komen dat fouten zijn gemaakt bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in de bestreden beschikking. Verzoekster heeft immers niet aangegeven wie de grootste leveranciers waren van kalk en petrochemisch acetyleen voor de staalindustrie respectievelijk de gasindustrie in de geografische sector waarop de mededingingsregeling betrekking had, en evenmin hoe groot hun verkoop was. Zij heeft evenmin een – zij het grove – berekening verstrekt van het marktaandeel van de deelnemers aan de mededingingsregeling en de andere ondernemingen op de volgens haar eigen opvatting afgebakende markten. Zonder dergelijke gegevens is verzoeksters stelling, dat bij een correcte afbakening van de betrokken markten van een veel minder zware inbreuk zou zijn uitgegaan, niet meer dan een bewering en zij kan dan ook niet slagen.

57 Bijgevolg is de bestreden beschikking niet onvolkomen of ontoereikend gemotiveerd ter zake van het gecumuleerde marktaandeel van de deelnemers aan de mededingingsregeling of ter zake van de afbakening van de markten waarop die mededingingsregeling betrekking had. Bovendien heeft verzoekster niet aangetoond dat de Commissie ter zake blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting van het recht of van de feiten, zodat aan de Commissie niet kan worden verweten dat zij rechtsregels heeft overtreden bij het bepalen van de zwaarte van de inbreuk en bij de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete.

58 In elk geval heeft het Gerecht krachtens artikel 31 van verordening (EG) nr. 1/2003 van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) volledige rechtsmacht ter zake van geldboeten voor inbreuken op de mededingingsregels en kan het zijn beoordeling dus in de plaats stellen van die van de Commissie en bijgevolg het bedrag van de opgelegde geldboete of van de dwangsom intrekken, verlagen of vermeerderen (arrest Hof van 8 december 2011, KME Germany e.a./Commissie, C-389/10 P, Jurispr. blz. I-13125, punt 130).

59 Bij de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht is het Gerecht niet gebonden aan de richtsnoeren, die niet vooruitlopen op de beoordeling van de geldboete door de Unierechter (arresten Gerecht van 27 juli 2005, Brasserie nationale e.a./Commissie, T-49/02-T-51/02, Jurispr. blz. II-3033, punt 169, en 12 december 2007, BASF en UCB/Commissie, T-101/05 en T-111/05, Jurispr. blz. II-4949, punt 213). Ofschoon de Commissie bij de toepassing van regels die zij zichzelf heeft opgelegd, zoals de richtsnoeren, het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen moet eerbiedigen, is dit beginsel immers niet even verbindend voor de rechterlijke instanties van de Unie wanneer deze niet krachtens hun volledige rechtsmacht een specifieke methode voor berekening van de geldboeten willen toepassen, maar per geval de hun voorgelegde situaties onderzoeken met inachtneming van alle omstandigheden, rechtens en feitelijk, van deze situaties (arrest Hof van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie, C‑70/12 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 53).

60 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt echter ook dat de uitoefening van volledige rechtsmacht er niet toe mag leiden dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten ondernemingen die aan een met de mededingingsregels van de Unie strijdige overeenkomst hebben deelgenomen, ongelijk worden behandeld. Indien het Gerecht specifiek met betrekking tot een van die ondernemingen wil afwijken van de berekeningsmethode van de Commissie die het niet in twijfel heeft getrokken, moet het dit in zijn arrest motiveren (arrest Quinn Barlo e.a./Commissie, aangehaald in punt 59 hierboven, punt 46).

61 In het onderhavige geval is er geen enkele grond om af te wijken van de door de Commissie in de richtsnoeren beschreven methode voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete. Bijgevolg kan het Gerecht met toepassing van die methode krachtens zijn volledige rechtsmacht zijn eigen beoordeling van de zwaarte van de litigieuze inbreuk in de plaats stellen van die van de Commissie en in voorkomend geval het percentage wijzigen dat deze laatste voor de toepassing van de punten 19 en 25 van de richtsnoeren heeft gehanteerd.

62 Inbreuken zoals de vaststelling van de prijzen en de verdeling van de markten, elementen die in de onderhavige zaak aanwezig zijn, zijn in de rechtspraak echter steeds als „op zich zware” inbreuken aangemerkt (arresten Hof van 2 oktober 2003, Corus UK/Commissie, C-199/99 P, Jurispr. blz. I-11177, punt 80, en 12 november 2009, Carbone-Lorraine/Commissie, C‑554/08 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 44; zie ook arrest Gerecht van 18 juni 2008, Hoechst/Commissie, T-410/03, Jurispr. blz. II-881, punt 325 en aangehaalde rechtspraak).

63 Zelfs al ware, zoals verzoekster stelt, het gecumuleerde marktaandeel van de ondernemingen die aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, aanzienlijk lager dan dat waarvan de Commissie in de bestreden beschikking is uitgegaan, is in die omstandigheden het percentage van 17 % van de waarde van de met de inbreuk verband houdende verkoop, dat de Commissie voor de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete en van het toetredingsrecht heeft gehanteerd, mede gelet op de algemene opmerking in punt 26 hierboven, in geen geval hoger dan in het onderhavige geval passend is. Het Gerecht dient in het kader van zijn volledige rechtsmacht dan ook geen lager percentage te hanteren.

64 Ten slotte faalt verzoeksters argument dat de bestreden beschikking onvolkomen of ontoereikend is gemotiveerd omdat de Commissie in punt 298 van die beschikking geen begrijpelijke reden heeft gegeven waarom een andere afbakening van de markt waarop de inbreuk betrekking had, geen enkele invloed zou hebben gehad op de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk. Dit argument van verzoekster ziet immers op een overweging ten overvloede, daar de slotsom dat voor de vaststelling van het gecumuleerde marktaandeel van de deelnemers aan de mededingingsregeling geen rekening diende te worden gehouden met de verkoop van kalk, rechtens genoegzaam was gebaseerd op de stelling dat kalk in Europa doorgaans niet in de plaats van calciumcarbidepoeder en magnesiumgranulaat werd gebruikt, een stelling die verzoekster niet op losse schroeven heeft weten te zetten. Bovendien kan uit de overweging in het vorige punt ook worden afgeleid dat dit argument van verzoekster, zelfs indien het gegrond zou zijn, geen rechtvaardigingsgrond kan vormen voor een vermindering van het percentage van de met de inbreuk verband houdende verkoop dat in de bestreden beschikking voor de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete (daaronder begrepen het toetredingsrecht) is gehanteerd.

65 Gelet op een en ander, moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

Tweede onderdeel: de omstandigheid dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de inbreuk geen weerslag heeft gehad op de markt

66 Verzoekster verwijt de Commissie onjuiste opvatting van het criterium dat bij de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete rekening moet worden gehouden met de implementatie van de inbreuk en met de gevolgen die de inbreuk voor de markt heeft gehad. In haar betoog verwijst zij naar punt 22 van de richtsnoeren, waarin „de vraag of de inbreuk daadwerkelijk is geïmplementeerd” wordt genoemd onder de criteria die moeten worden gehanteerd bij het bepalen van het deel van de verkoop dat voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete moet worden gebruikt. Verder voert zij aan dat uit het arrest van het Gerecht van 5 april 2006, Degussa/Commissie (T-279/02, Jurispr. blz. II-897, punt 247) en uit de beschikkingspraktijk van de Commissie blijkt dat het antwoord op de vraag of een inbreuk concrete gevolgen heeft gehad voor de markt, relevant is voor de beoordeling van de zwaarte van die inbreuk.

67 Volgens verzoekster blijkt uit het arrest Degussa/Commissie, aangehaald in punt 66 hierboven (punt 231) dat de concrete gevolgen van een mededingingsregeling voor de markt afdoende bewezen moeten worden geacht indien de Commissie in staat is concrete en geloofwaardige aanwijzingen te verstrekken waaruit met redelijke waarschijnlijkheid blijkt dat de mededingingsregeling een weerslag heeft gehad op de markt. In zijn arrest van 12 september 2007, Prym en Prym Consumer/Commissie (T‑30/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) zou het Gerecht overigens hebben geëist dat de Commissie meer dan het loutere bewijs van de implementatie van de mededingingsregeling aandraagt om aan te tonen dat deze mededingingsregeling daadwerkelijk een weerslag heeft gehad op de markt.

68 Volgens verzoekster is het in het onderhavige geval waar dat de litigieuze inbreuken, althans ten dele, zijn geïmplementeerd. Tijdens de administratieve procedure zou zij echter hebben aangetoond dat de klanten geen schade hebben geleden door de implementatie van de inbreuk en dit om verschillende redenen: zij zouden niet afhankelijk zijn geweest van levering door de ondernemingen die aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen; zij zouden tijdens de inbreukperiode recordwinsten hebben gemaakt; er zou vaak „zijn geknoeid” bij de implementatie van de inbreuk, en ten slotte zou de marktmacht van de klanten zo groot zijn geweest dat prijsverhogingen onmogelijk waren. In het bijzonder zouden de punten van de bestreden beschikking waarnaar in punt 300 en in voetnoot nr. 624 van die beschikking wordt verwezen, hooguit aantonen dat de mededingingsregeling ten dele is geïmplementeerd, maar in elk geval niet dat zij een weerslag heeft gehad op de markt.

69 Aangaande dit betoog van verzoekster dient allereerst te worden gepreciseerd dat er wel degelijk een verschil is tussen het criterium van de implementatie van de inbreuk en dat van de concrete weerslag van de inbreuk op de markt. Bij een inbreuk die, zoals in het onderhavige geval, bestaat in verdeling van markten, vaststelling van quota, verdeling van de klanten, vaststelling van de prijzen en uitwisseling van gevoelige handelsinformatie moet worden geoordeeld dat aan het eerste criterium is voldaan wanneer is aangetoond dat de deelnemers aan een mededingingsregeling hun afspraken in hun commerciële praktijk hebben geïmplementeerd, dat wil zeggen wanneer de leden van het kartel maatregelen hebben getroffen om de overeengekomen prijzen toe te passen, bijvoorbeeld door deze bij de klanten aan te kondigen, door hun medewerkers op te dragen deze als onderhandelingsbasis te gebruiken en door toe te zien op de toepassing daarvan door hun concurrenten en door hun eigen verkoopdiensten (arrest Gerecht van 14 december 2006, Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, T-259/02-T-264/02 en T-271/02, Jurispr. blz. II-5169, punt 285). Verzoekster geeft toe dat de Commissie in de bestreden beschikking terecht heeft vastgesteld dat met betrekking tot de litigieuze inbreuk aan dit criterium was voldaan.

70 Voor het criterium dat de inbreuk een concrete weerslag moet hebben gehad op de markt, moet worden geantwoord op de vraag of de geïmplementeerde inbreuk daadwerkelijke invloed heeft gehad op de mededinging op de betrokken markt. De implementatie van de inbreuk is weliswaar een relevante factor die, gelet op de bijzondere omstandigheden van het concrete geval, kan volstaan voor de slotsom dat de betrokken inbreuk een concrete weerslag heeft gehad op de markt (zie in die zin arresten Gerecht van 25 oktober 2005, Groupe Danone/Commissie, T-38/02, Jurispr. blz. II-4407, punt 148, en Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punten 283‑288), doch dit neemt niet weg dat implementatie van een overeenkomst niet noodzakelijk impliceert dat deze daadwerkelijke gevolgen sorteert (arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 67 hierboven, punt 110; zie in die zin ook arrest Gerecht van 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie, T-43/02, Jurispr. blz. II-3435, punt 157). Het criterium van implementatie van de inbreuk verschilt dus wel degelijk van het criterium van concrete weerslag van de inbreuk op markt, en er is geen vermoeden dat wanneer is voldaan aan het eerste criterium, ook automatisch is voldaan aan het tweede.

71 Vaststaat dat punt 22 van de richtsnoeren uitdrukkelijk ziet op het eerste van die twee criteria als een van de factoren waarmee de Commissie rekening zal houden bij haar beslissing of het deel van de waarde van de met de inbreuk verband houdende verkoop dat in aanmerking wordt genomen voor de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete, tegen de benedengrens van de bandbreedte dient aan te leunen dan wel tegen de bovengrens, die volgens punt 21 van die richtsnoeren 30 % kan bedragen. In de richtsnoeren wordt daarentegen niet bepaald dat voor de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete rekening moet worden gehouden met de concrete weerslag die de inbreuk op de markt heeft gehad. Punt 5 van die richtsnoeren, volgens hetwelk „[d]e duur van de inbreuk [...] noodzakelijkerwijs van invloed is op de mogelijke gevolgen van de inbreuk voor de markt”, kan niet tot een andere slotsom leiden, omdat het, zoals de Commissie terecht aanvoert, alleen beoogt te rechtvaardigen waarom het overeenkomstig de punten 19 tot en met 23 van de richtsnoeren genomen deel van de waarde van de verkoop overeenkomstig punt 24 van de richtsnoeren wordt vermenigvuldigd met het aantal jaren dat aan de inbreuk is deelgenomen.

72 Hieruit volgt dat aan de Commissie niet kan worden verweten dat zij de richtsnoeren heeft geschonden doordat zij in de bestreden beschikking niet heeft onderzocht of de litigieuze inbreuk een concrete weerslag heeft gehad op de markt, en voor de vaststelling van het basisbedrag van geldboete geen rekening heeft gehouden met een dergelijk onderzoek.

73 In dit verband herinnert de Commissie er terecht aan dat in punt 1 A, eerste alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren van 1998”), uitdrukkelijk werd bepaald dat zij bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk de concrete weerslag van de inbreuk op de markt diende te onderzoeken wanneer die meetbaar was. De door verzoekster in haar betoog genoemde rechtspraak heeft betrekking op gevallen waarin de richtsnoeren van 1998 waren toegepast (arresten Degussa/Commissie, aangehaald in punt 66 hierboven, punt 214, en Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 67 hierboven, punt 108).

74 Dienaangaande zij opgemerkt dat de Commissie weliswaar niet mag afwijken van de regels die zij zichzelf heeft opgelegd, tenzij zij daarvoor gronden geeft die verenigbaar zijn met het beginsel van gelijke behandeling, maar daarentegen wel vrij is om deze regels te wijzigen of te vervangen. In een geval dat binnen de werkingssfeer van de nieuwe regels valt, zoals het geval is met de litigieuze inbreuk, die ratione temporis onder de richtsnoeren valt, zoals blijkt uit punt 38 van deze richtsnoeren, kan aan de Commissie niet worden verweten dat zij voor het bepalen van de zwaarte van de inbreuk geen toepassing heeft gemaakt van een criterium waarin deze nieuwe regels niet voorzagen, om de enkele reden dat de oude regels daarin wel voorzagen (zie in die zin arrest Gerecht van 12 december 2012, Novácke chemické závody/Commissie, T‑352/09, punt 93).

75 Verzoekster voert echter aan dat de Commissie voor het bepalen van de zwaarte van de inbreuk een volledige juridische en economische beoordeling van alle relevante omstandigheden moest verrichten en in het kader daarvan ook de concrete gevolgen van de litigieuze inbreuk op de betrokken markten had moeten onderzoeken en zich daarop had moeten baseren voor de vaststelling van het basisbedrag van geldboete.

76 In dit verband is het vaste rechtspraak dat de zwaarte van de inbreuken moet worden bepaald met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld (zie arrest Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punt 238 en aangehaalde rechtspraak). Het feit dat de Commissie in de richtsnoeren haar aanpak van de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk nader heeft bepaald, staat aldus niet eraan in de weg dat zij deze zwaarte globaal beoordeelt aan de hand van alle relevante omstandigheden, waaronder factoren die in de richtsnoeren niet uitdrukkelijk worden genoemd (arrest Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punt 237).

77 Hieruit volgt dat het feit dat in de richtsnoeren niet uitdrukkelijk wordt voorgeschreven dat voor het bepalen van de zwaarte van inbreuk met het oog op de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete de concrete weerslag van de inbreuk op de markt moet worden onderzocht, de Commissie niet belette dit in het onderhavige geval toch te onderzoeken.

78 Het volstaat echter niet dat een verzoeker ter ondersteuning van de betwisting van het bedrag van de geldboete die hem wegens schending van de mededingingsregels is opgelegd, aanvoert dat de Commissie ter beoordeling van de zwaarte van de inbreuk ook de een of andere factor had moeten onderzoeken die in de richtsnoeren niet wordt genoemd. Hij moet ook aantonen hoe dat onderzoek het oordeel van Commissie over de zwaarte van de inbreuk zou hebben gewijzigd en een grond voor het opleggen van een lagere geldboete zou hebben opgeleverd.

79 Vaststaat dat verzoekster in het onderhavige geval een dergelijk bewijs niet heeft geleverd. Haar kort en algemeen betoog dienaangaande (zie punt 68 hierboven) bestaat slechts uit beweringen. Verzoekster heeft geen nadere precisering gegeven van de argumenten waarmee zij tijdens de administratieve procedure zou hebben aangetoond dat de klanten op de markten waarop de mededingingsregeling betrekking had, geen schade hadden geleden door de gebleken implementatie van de inbreuk, en zij heeft evenmin enig bewijs daarvan aan het dossier toegevoegd.

80 Bovendien sluiten de niet onderbouwde stellingen van verzoekster niet uit dat de litigieuze mededingingsregeling een concrete weerslag heeft gehad op de markt. Dat de winsten van de klanten van de deelnemers aan de mededingingsregeling tijdens de periode waarop de mededingingsregeling betrekking had, recordhoogten bereikten, sluit immers niet uit dat deze mededingingsregeling de door deze klanten betaalde prijzen ongunstig heeft beïnvloed. Integendeel, het feit dat deze klanten om andere, met de algemene conjunctuur verband houdende redenen, tijdens de inbreukperiode veel winst maakten, kan ertoe hebben geleid dat zij veeleer onverschillig stonden tegenover de prijs die zij betaalden voor de reagentia waarop de mededingingsregeling betrekking had, en geen gebruik maakten van hun marktmacht en van de omstandigheid dat zij niet afhankelijk waren van de leden van het kartel, om betere prijzen af te dwingen. Wat verzoeksters verwijzing naar de vele gevallen van„knoeierij” betreft, dient eraan te worden herinnerd dat in weerwil van eventuele knoeierij, die bij dit soort inbreuken geenszins ongebruikelijk is, verzoekster zelf toegeeft dat de litigieuze inbreuk op de wezenlijke punten is geïmplementeerd.

81 Verder dient eraan te worden herinnerd dat volgens de in punt 62 hierboven aangehaalde rechtspraak, de weerslag van een tegen de mededinging gerichte praktijk geen beslissend criterium is voor de beoordeling of het bedrag van de geldboete passend is. De bedoeling van een praktijk kan belangrijker zijn dan de gevolgen ervan, vooral wanneer het, zoals in het onderhavige geval, gaat om op zich zware inbreuken zoals de vaststelling van de prijzen en de verdeling van de markten.

82 Uit een en ander volgt dat het door verzoekster in het kader van het onderhavige onderdeel van het middel gevoerde betoog niet aantoont dat de Commissie een fout heeft gemaakt bij de beoordeling van de zwaarte van de litigieuze inbreuk. Om dezelfde redenen en mede gelet op de algemene opmerking in punt 26 hierboven dient met het oog op een eventuele uitoefening van volledige rechtsmacht door het Gerecht te worden geoordeeld dat dit betoog van verzoekster niet de slotsom wettigt dat het door de Commissie volgens de in de richtsnoeren beschreven methode vastgestelde basisbedrag voor de aan verzoekster op te leggen geldboete hoger is dan in het onderhavige geval passend is.

83 Bijgevolg moet ook het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

Derde onderdeel: onjuiste beoordeling van het economische belang van de betrokken markt

84 Verzoekster beroept zich op een beschikking van de Commissie in een andere zaak van inbreuk op de mededingingsregels, waarin de Commissie het bedrag van de geldboete had verminderd op grond dat de inbreuk betrekking had op een tamelijk kleine markt. Zij stelt aan de hand van cijfers over de totale waarde van de transacties op de markten waarop de litigieuze inbreuk betrekking heeft, en op andere markten uit de sector chemische producten, dat het in het onderhavige geval om economisch onbeduidende markten gaat. Zij verwijt de Commissie, dit aspect ten onrechte niet in aanmerking te hebben genomen om het bedrag van de geldboete te verminderen.

85 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens de in de richtsnoeren beschreven methode voor de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete (zie punt 7 hierboven) dit bedrag bestaat uit een percentage van de waarde van de met de inbreuk verband houdende verkoop, vermenigvuldigd met het aantal jaren dat aan de inbreuk is deelgenomen, en vermeerderd met het toetredingsrecht, dat zelf bestaat uit een percentage van de waarde van de betrokken verkoop.

86 Hieruit volgt dat, zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd, de methode die in het onderhavige geval voor de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete is toegepast, nagenoeg automatisch rekening houdt met het meer of minder grote economische belang van de markt waarop de inbreuk betrekking heeft, ten opzichte van andere markten, aangezien het economische belang noodzakelijkerwijs tot uiting komt in de omvang van de met de inbreuk verband houdende verkoop en bijgevolg in een groter of kleiner basisbedrag voor de geldboete. In die omstandigheden lijkt het niet nodig om in een geval waarin deze methode is toegepast, het bedrag van de geldboete verder te verminderen om rekening te houden met de gestelde geringere omvang van de markt waarop de inbreuk betrekking had, zelfs los van de vraag of inaanmerkingneming van deze factor gerechtvaardigd of passend is.

87 De door verzoekster aangevoerde eerdere beschikking is de beschikking van de Commissie van 9 december 2004 inzake een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 [EER] (zaak COMP/E-37.533 — Cholinechloride) (PB 2005, L 199, blz. 22). Aangezien deze beschikking van 2004 dateert, zijn de bedragen van de bij die beschikking opgelegde geldboeten vastgesteld volgens een andere methode dan die van de richtsnoeren, die van 2006 dateren. Bijgevolg kan in die beschikking geen enkele nuttige aanwijzing worden gevonden voor het antwoord op de vraag of de in het onderhavige geval aan verzoekster opgelegde geldboete rechtmatig en passend is. In elk geval dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de eerdere beschikkingspraktijk van de Commissie niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken fungeert (arresten Hof van 21 september 2006, JCB Service/Commissie, C-167/04 P, Jurispr. blz. I-8935, punt 205, en 24 september 2009, Erste Group Bank e.a./Commissie, C-125/07 P, C-133/07 P, C-135/07 P en C-137/07 P, Jurispr. blz. I-8681, punt 233).

88 Verder dient erop te worden gewezen dat, zoals de Commissie terecht in herinnering heeft gebracht, het Gerecht in zijn arrest van 8 juli 2004, Mannesmannröhren-Werke/Commissie (T-44/00, Jurispr. blz. II-2223, punt 229), uitdrukkelijk afwijzend heeft beslist op de stelling dat de geldboeten rechtstreeks op basis van de omvang van de getroffen markt moeten vastgesteld. Het Gerecht heeft erop gewezen dat deze omvang slechts één van de relevante factoren is en dat, volgens de relevante bepalingen zoals die in de rechtspraak zijn uitgelegd, de geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels aan een onderneming wordt opgelegd, evenredig moet zijn aan de inbreuk in haar geheel beschouwd, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de zwaarte van de inbreuk, en dat bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk rekening dient te worden gehouden met een groot aantal factoren, zoals uit de in punt 76 hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt.

89 Ter ondersteuning van haar stelling heeft verzoekster ook het arrest Groupe Danone/Commissie, aangehaald in punt 70 hierboven (punt 191) aangevoerd. Daarin wordt overwogen dat de absolute waarde van de betrokken verkoop ook een relevante aanwijzing voor de zwaarte van de inbreuk is, omdat zij een getrouwe afspiegeling is van het economische belang van de transacties die de inbreuk aan de gewone mededinging wil onttrekken. Deze overweging biedt niet alleen geen enkele steun voor het betoog dat verzoekster in het kader van het onderhavige onderdeel van het middel voert, maar bevestigt bovendien dat de in de richtsnoeren beschreven methode voor de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete op basis van de waarde van de met de inbreuk verband houdende verkoop passend is.

90 Gelet op een en ander dient te worden geoordeeld dat aan de Commissie niet kan worden verweten dat zij in het onderhavige geval het bedrag van de aan verzoekster op te leggen geldboete, zoals dat volgens de in de richtsnoeren beschreven methode is berekend, niet heeft verminderd om rekening te houden met het gestelde geringe economische belang van de markten waarop de litigieuze inbreuk betrekking had. Gelet op de volledige rechtsmacht waarover het Gerecht ter zake van geldboeten beschikt, dient bovendien te worden geoordeeld dat niets in het door verzoekster in het kader van het onderhavige onderdeel van het middel gevoerde betoogt de slotsom wettigt dat het in de bestreden beschikking vastgestelde bedrag van de geldboete hoger is dan in het onderhavige geval passend is. Bijgevolg dient ook het derde onderdeel van dit middel te worden afgewezen.

Vierde onderdeel: onjuiste beoordeling van het relatieve gewicht van verzoeksters deelname aan de inbreuk

91 Verzoekster herinnert eraan dat wanneer een inbreuk door meer dan één onderneming is begaan, het relatieve gewicht van de deelname van elke onderneming moet worden onderzocht. In het onderhavige geval zouden verschillende elementen, waarvan de Commissie kennis heeft, aantonen dat zij slechts in geringe mate aan de inbreuk heeft deelgenomen. Ten eerste zou de inbreuk op initiatief van een andere onderneming, namelijk Almamet, zijn begonnen en voorgezet. Verzoekster zou weliswaar aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, maar geen leidster zijn geweest. Ten tweede zou zij, in termen van de voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete in aanmerking genomen omzet waarop de mededingingsregeling betrekking had, het kleinste lid van het kartel zijn. Bovendien zou zij door de andere leden van het kartel zijn gedwongen, magnesium te betrekken van een andere onderneming die aan de mededingingsregeling deelnam, namelijk Ecka. Bijgevolg zou verzoekster slechts een onbeduidende deelneemster aan de mededingingsregeling zijn, waarop de andere deelnemers tijdens de bijeenkomsten economische druk uitoefenden. Ten derde wijst verzoekster er tot slot op dat zij, uit het oogpunt van haar totale grootte, een veel kleinere onderneming is dan de meeste andere leden van het kartel. Volgens haar hadden al deze elementen in de bestreden beschikking in aanmerking moeten worden genomen om het gewicht van haar deelname aan de inbreuk milder te beoordelen en bijgevolg het voor haar vastgestelde basisbedrag voor de geldboete te verminderen.

92 Met betrekking tot dit betoog dient om te beginnen te worden gewezen op de vaste rechtspraak volgens welke, zoals verzoekster aanvoert, wanneer een inbreuk door meer dan één onderneming is begaan, bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten het relatieve gewicht van de deelname van elk van hen moet worden onderzocht, wat in het bijzonder impliceert dat moet worden vastgesteld welke rol elk van hen tijdens de duur van haar deelname aan de inbreuk heeft gespeeld. Dit is het logische gevolg van het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties, volgens hetwelk aan een onderneming slechts een sanctie kan worden opgelegd voor feiten die haar individueel ten laste worden gelegd, een beginsel dat geldt in elke administratieve procedure die tot sancties op grond van de mededingingsregels van de Unie kan leiden (zie arrest Groupe Danone/Commissie, aangehaald in punt 70 hierboven, punten 277 en 278 en aangehaalde rechtspraak).

93 Zoals de Commissie correct opmerkt, is het echter juist om deze beginselen in acht te nemen dat de punten 28 en 29 van de richtsnoeren voorzien in aanpassing van het basisbedrag voor de geldboete naargelang van de verzwarende of verzachtende omstandigheden die voor de betrokken onderneming gelden. Verder is er niets laakbaars aan de door de Commissie in de richtsnoeren gekozen methode om voor de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete voor alle deelnemers aan de inbreuk uit te gaan van een zelfde percentage van de met de inbreuk verband houdende verkoop, en het aldus vastgestelde basisbedrag vervolgens voor iedere deelnemer te vermeerderen of te verminderen naargelang van de voor hem geldende verzwarende of verzachtende omstandigheden, zodat dit basisbedrag het relatieve gewicht van zijn deelname aan de mededingingsregeling weerspiegelt (zie in die zin arresten Gerecht van 8 oktober 2008, Carbone‑Lorraine/Commissie, T-73/04, Jurispr. blz. II-2661, punt 100, en arrest Novácke chemické závody/Commissie, aangehaald in punt 74 hierboven, punt 58).

94 Onderzocht dient echter te worden of de door verzoekster in haar betoog ter ondersteuning van het onderhavige onderdeel van dit middel aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen dat haar een lagere geldboete wordt opgelegd dan die welke haar in de bestreden beschikking is opgelegd. Uiteindelijk is het van weinig belang of een dergelijke vermindering van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete had moeten voortvloeien uit een vermindering van het voor haar vastgestelde basisbedrag voor de geldboete, dan wel uit de erkenning dat er voor haar verzachtende omstandigheden golden.

95 Wat in de eerste plaats de gestelde leidinggevende rol van Almamet betreft, dient erop te worden gewezen dat volgens punt 28, laatste streepje, van de richtsnoeren het feit dat een onderneming een leidinggevende rol speelde of tot de inbreuk heeft aangezet, een verzwarende omstandigheid vormt die een verhoging van het basisbedrag voor de geldboete kan rechtvaardigen. Met andere woorden, indien de betrokken stelling van verzoekster gegrond blijkt te zijn, zou zij eerder een verhoging van het basisbedrag voor de geldboete voor Almamet dan een verlaging van dat bedrag voor verzoekster rechtvaardigen. Deze vaststelling volstaat echter niet om meteen te oordelen dat verzoeksters grief geen hout snijdt. Afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval kan het meest geschikte middel voor het verhelpen van ongelijke behandeling van verschillende deelnemers aan een inbreuk als gevolg van het feit dat de zwaarte van de inbreuk van de enen te licht is ingeschat ten opzichte van die van de anderen, immers bestaan in vermindering van het bedrag van de aan deze laatsten opgelegde geldboete (zie in die zin arrest Novácke chemické závody/Commissie, aangehaald in punt 74 hierboven, punten 55 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96 Zonder dat hoeft te worden geantwoord op de vraag of de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak op verzoeksters situatie kan worden toegepast, moet die grief in elk geval ongegrond worden verklaard.

97 Ter ondersteuning van haar stelling dat Almamet een drijvende kracht achter de mededingingsregeling was, voert verzoekster immers alleen aan dat nagenoeg alle bijeenkomsten van het kartel door deze onderneming waren georganiseerd. Zij verwijst dienaangaande naar de punten 64 en 67 van de bestreden beschikking, volgens welke de eerste twee bijeenkomsten van het kartel in de lokalen van Almamet hebben plaatsgevonden en door een verantwoordelijke van deze laatste waren georganiseerd.

98 Allereerst dient te worden vastgesteld dat uit die twee punten van de bestreden beschikking weliswaar blijkt dat de bijeenkomsten van 22 april 2004 en 7 september 2004 over calciumcarbidepoeder in de lokalen van Almamet hebben plaatsgevonden, maar dat het onjuist is te stellen dat alle bijeenkomsten van het kartel door laatstgenoemde onderneming zijn georganiseerd.

99 Uit punt 69 van de bestreden beschikking blijkt dat de deelnemers, waaronder verzoekster, tijdens de bijeenkomst van 7 september 2004 hebben besloten om regelmatig soortgelijke bijeenkomsten te organiseren en om beurt de organisatie ervan te verzorgen. Vervolgens wordt in de punten 70 tot en met 89 van de bestreden beschikking verwezen naar negen andere bijeenkomsten over calciumcarbidepoeder, die door verschillende deelnemers aan de mededingingsregeling zijn georganiseerd. In punt 78 van de bestreden beschikking wordt gezegd dat verzoekster zelf de zevende bijeenkomst – die op 22 november 2005 te Wenen (Oostenrijk) heeft plaatsgevonden – heeft georganiseerd, en deze heeft dit niet betwist. Bovendien wordt in punt 90 van de bestreden beschikking gezegd dat op de elfde en laatste bijeenkomst over dat product is besloten dat verzoekster een nieuwe bijeenkomst zou organiseren, die op 9 januari 2007 te Wenen zou plaatsvinden (maar die volgens punt 91 van die beschikking later is geannuleerd). Verzoekster had daar reeds een hotel voor gereserveerd.

100 Met betrekking tot calciumcarbidegranulaat heeft de Commissie in punt 98 van de bestreden beschikking opgemerkt dat de eerste bijeenkomst op 7 april 2004 heeft plaatsgevonden in een hotel in Slovenië en was georganiseerd door TDR‑Metalurgija d.d. Verzoekster en Novácke chemické závody a.s. waren de enige andere ondernemingen die aan die bijeenkomst hebben deelgenomen. In punt 99 van de bestreden beschikking heeft de Commissie verwezen naar twee andere bijeenkomsten van deze drie producenten van dit product te Bratislava (Slowakije). Zij voegt hier echter aan toe dat calciumcarbidegranulaat eveneens ter sprake is gekomen op de bijeenkomsten over calciumcarbidepoeder of op de bijzondere bijeenkomsten die in het verlengde van deze bijeenkomsten hebben plaatsgevonden (zie punten 101 en 108 van de bestreden beschikking).

101 Met betrekking tot de bijeenkomsten in het kader van de mededingingsregeling voor magnesium, waaraan verzoekster niet heeft deelgenomen, heeft de Commissie in punt 115 van de bestreden beschikking opgemerkt dat de drie ondernemingen die aan deze bijeenkomsten deelnamen, waaronder Almamet, om beurt de organisatie ervan verzorgden en de kosten ervan droegen.

102 Met betrekking tot het argument dat Almamet een leidinggevende rol heeft gespeeld of tot de inbreuk heeft aangezet omdat zij de eerste twee bijeenkomsten heeft georganiseerd, dient eraan te worden herinnerd dat het Gerecht een dergelijk argument al heeft behandeld en afgewezen in zijn arrest Novácke chemické závody/Commissie, aangehaald in punt 74 hierboven (punten 77‑79), betreffende een beroep dat een andere deelnemer aan die mededingingsregeling tegen de bestreden beschikking had ingesteld.

103 Het Gerecht heeft vastgesteld dat uit punt 54 van de bestreden beschikking bleek dat de overeenkomst inzake calciumcarbidepoeder volgens de Commissie haar oorsprong vond in het feit dat de prijs van dit product sinds het begin van de 21e eeuw daalde, terwijl de productiekosten stegen en de vraag verminderde. Volgens punt 104 van de bestreden beschikking ontstond een vergelijkbaar gevoel op de markt voor calciumcarbidegranulaat. In dit laatste punt wordt een „personeelslid van Akzo Nobel” aangehaald volgens wie alle leveranciers van het betrokken product van mening waren dat „de prijzen dienden te worden verhoogd”. Wat magnesium betreft, dat eveneens voor de staalindustrie is bestemd en verwisselbaar is met calciumcarbidepoeder, heeft de Commissie in punt 113 van de bestreden beschikking erkend dat de vraag naar dit product toenam, maar zij heeft hieraan toegevoegd dat „de leveranciers zich ook bewust waren van het feit dat de macht van hun klanten op de markt groeide” en bovendien onder steeds sterkere druk kwamen te staan doordat nieuwe, Chinese concurrenten de markt betraden.

104 Het Gerecht heeft geoordeeld dat het in een dergelijke context van weinig belang is wie het initiatief heeft genomen om de eerste bijeenkomst te organiseren, aangezien dit initiatief slechts het gemeenschappelijke gevoel van meerdere producenten van het betrokken product tot uitdrukking bracht. Het heeft dan ook afwijzend beslist op het argument dat de Commissie ten onrechte had nagelaten om het feit dat bepaalde andere deelnemers, waaronder Almamet, een leidinggevende rol speelden of tot de inbreuk hadden aangezet, voor die deelnemers als verzwarende omstandigheid in aanmerking te nemen.

105 Op grond van deze overwegingen, die door verzoeksters betoog geenszins op losse schroeven worden gezet, kan de overeenkomstige grief die verzoekster in de onderhavige zaak heeft geformuleerd, eveneens ongegrond worden verklaard.

106 In de tweede plaats is met het door verzoekster gestelde feit dat zij in termen van omzet met de producten waarop de mededingingsregeling betrekking had, het kleinste lid van het kartel was, voldoende rekening gehouden in het kader van de in de richtsnoeren beschreven methode voor de berekening van het basisbedrag, volgens welke dat bedrag moet worden berekend op basis van de waarde van de met de inbreuk verband houdende verkoop. Een lagere omzet op de betrokken markt leidt daarbij uiteraard tot de vaststelling van een lager basisbedrag.

107 Met betrekking tot het argument dat verzoekster een „onbeduidende deelneemster” aan de mededingingsregeling was, dient erop te worden gewezen dat het feit dat een onderneming een „louter passieve rol vervulde of slechts meeloopster was” bij de totstandbrenging van de inbreuk, uitdrukkelijk als verzachtende omstandigheid werd genoemd in punt 3, eerste streepje, van de richtsnoeren van 1998, maar niet is overgenomen in de niet-uitputtende lijst van verzachtende omstandigheden in punt 29 van de richtsnoeren.

108 Verzoekster voldeed in elk geval niet aan de voorwaarden voor een dergelijke verzachtende omstandigheid, zelfs indien deze onder vigeur van de richtsnoeren had kunnen worden aangenomen. Zoals het Gerecht in zijn arrest van 9 juli 2003, Cheil Jedang/Commissie (T-220/00, Jurispr. blz. II-2473, punten 167 en 168), heeft geoordeeld, houdt een dergelijke passieve rol of meeloperrol bij de totstandkoming van de inbreuk in dat de betrokken onderneming zich „op de achtergrond” heeft gehouden, dat wil zeggen niet actief heeft deelgenomen aan de uitwerking van de tegen de mededinging gerichte overeenkomst of overeenkomsten. Als indicatie voor de passieve rol van een onderneming in een mededingingsregeling kunnen onder meer in aanmerking worden genomen het feit dat deze de bijeenkomsten veel minder regelmatig heeft bijgewoond dan de gewone kartelleden, het feit dat zij pas later actief is geworden op de markt waarop de inbreuk betrekking had, ongeacht de duur van haar deelname hieraan, of het feit dat vertegenwoordigers van andere ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, een uitdrukkelijke verklaring in die zin hebben afgelegd.

109 In het onderhavige geval heeft verzoekster echter deelgenomen aan alle kartelbijeenkomsten over de twee producten die zij verkocht, te weten calciumcarbidepoeder en calciumcarbidegranulaat (zie punten 64‑88 respectievelijk 98 en 99 van de bestreden beschikking). Zij heeft zelfs één bijeenkomst georganiseerd en aanvaard om een andere bijeenkomst te organiseren (zie punt 99 hierboven). Verder blijkt uit de bestreden beschikking dat de bijdrage van verzoekster aan de bijeenkomsten waarop zij aanwezig was, vergelijkbaar was met die van de andere deelnemers. Uit bovengenoemde punten van de bestreden beschikking blijkt immers dat de deelnemers aan de verschillende bijeenkomsten informatie over hun verkoophoeveelheden verstrekten en dat vervolgens de marktverdelingstabel werd bijgewerkt. Bovendien werden de toe te passen prijzen besproken en werd af en toe besloten om de prijzen te verhogen (zie bijvoorbeeld punten 67 en 68 van de bestreden beschikking). Verder blijkt uit punt 83 van de bestreden beschikking dat een lid van het kartel dat niet aan de bijeenkomst van 25 april 2006 kon deelnemen, zijn cijfers vooraf aan verzoekster had meegedeeld om deze op die bijeenkomst aan de andere leden van het kartel voor te leggen. Bijgevolg is er geen enkele grond om aan te nemen dat verzoekster een passieve of „onbeduidende” rol speelde bij de inbreuk of meer algemeen dat haar rol verschilde van die van de andere deelnemers.

110 Wat ten slotte verzoeksters stelling betreft dat zij door de andere leden van het kartel was „gedwongen”, magnesium te betrekken van een andere deelnemer aan de inbreuk, legt verzoekster niet uit hoe en met welke middelen de andere leden van het kartel haar een dergelijke verplichting hadden kunnen opleggen, en tast deze stelling, zelfs indien zij juist zou zijn, het relatieve gewicht van verzoeksters deelname aan de inbreuk ook niet aan. Bovendien heeft de Commissie terecht eraan herinnerd dat het Gerecht al heeft geoordeeld dat een onderneming die onder druk wordt gezet om lid te worden van een kartel, dit aan de bevoegde autoriteiten kan meedelen in de plaats van tot het kartel toe te treden, en zich bijgevolg niet op deze druk kan beroepen om verlaging van het bedrag van de haar opgelegde geldboete te verkrijgen (arrest Gerecht van 29 april 2004, Tokai Carbon e.a./Commissie, T-236/01, T-239/01, T-244/01-T-246/01, T-251/01 en T-252/01, Jurispr. blz. II-1181, punt 344).

111 In de derde plaats kan verzoeksters argument, dat zij qua totale grootte een veel kleinere onderneming is dan de meeste andere leden van het kartel, evenmin slagen. Enerzijds dient erop te worden gewezen dat in punt 30 van de richtsnoeren wordt bepaald dat de Commissie er in het bijzonder voor zal zorgen dat de geldboeten een voldoende afschrikkende werking hebben, en dat zij hiertoe de boete kan verhogen die zij oplegt aan ondernemingen die een bijzonder hoge omzet hebben boven het volume van hun verkoop buiten die waarop de inbreuk betrekking heeft. Anderzijds kan de Commissie volgens punt 35 van de richtsnoeren in uitzonderlijke omstandigheden op verzoek in een bijzondere sociale en economische context rekening houden met het onvermogen van een onderneming om te betalen. De richtsnoeren voorzien aldus, onder welbepaalde voorwaarden, in de mogelijkheid om bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de grote totale grootte van een onderneming die aan een inbreuk op de mededingingsregels heeft deelgenomen, of omgekeerd met het beperkte vermogen om te betalen van een onderneming in een dergelijke situatie.

112 Een onderneming kan daarnaast echter geen vermindering van het bedrag van de haar opgelegde geldboete claimen op de enkele grond dat zij veel kleiner is dan andere deelnemers aan dezelfde inbreuk. In zijn arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P-C-208/02 P en C-213/02 P, Jurispr. blz. I-5425, punt 312), heeft het Hof immers geoordeeld dat de Commissie, wanneer zij geldboeten oplegt aan verschillende bij een zelfde inbreuk betrokken ondernemingen, bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten op basis van de zwaarte en de duur van de betrokken inbreuk niet verplicht is ervoor te zorgen dat het definitieve bedrag van de geldboeten waarop haar berekening uitkomt, elk verschil tussen de betrokken ondernemingen op het gebied van hun totale omzet weerspiegelt.

113 Aangezien verzoekster, om verlaging van het basisbedrag voor de haar opgelegde geldboete te verkrijgen uitsluitend heeft aangevoerd dat zij veel kleiner was dan andere deelnemers aan dezelfde mededingingsregeling, dient dit argument en bijgevolg het vierde onderdeel van het middel in zijn geheel te worden afgewezen. Om dezelfde redenen en mede gelet op de algemene opmerking in punt 26 hierboven dient met het oog op een eventuele uitoefening van volledige rechtsmacht door het Gerecht bovendien te worden geoordeeld dat dit betoog van verzoekster niet de slotsom wettigt dat het door de Commissie volgens de in de richtsnoeren beschreven methode vastgestelde basisbedrag voor de aan verzoekster opgelegde geldboete hoger dan in het onderhavige geval passend is.

Vijfde onderdeel: de omstandigheid dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat verzoekster slechts aan bepaalde onderdelen van de inbreuk heeft deelgenomen

114 Verzoekster herinnert eraan dat de Commissie in de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat de betrokken overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen één enkele voortdurende inbreuk vormden. Verzoekster zou echter slechts voor twee van de drie betrokken producten, namelijk calciumcarbidepoeder en calciumcarbidegranulaat, aan de inbreuk hebben deelgenomen, zoals de Commissie zelf zou hebben toegegeven. Volgens de rechtspraak zou bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening moeten worden gehouden met deze gedeeltelijke deelname en de Commissie zou dit in het onderhavige geval niet hebben gedaan. Volgens verzoekster had de Commissie in haar geval het basisbedrag voor de geldboete moeten verminderen om rekening te houden met het feit dat verzoekster slechts voor twee van de drie betrokken producten aan de inbreuk had deelgenomen. Bovendien zou het onrechtmatig zijn, voor alle ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, een zelfde basisbedrag vast te stellen, omdat het basisbedrag voor de geldboete dat aan iedere deelnemer aan de inbreuk wordt opgelegd, de verschillen in omvang van de deelname van ieder van hen aan de inbreuk, en bijgevolg de zwaarte van de hun toe te rekenen inbreuk, moet weerspiegelen.

115 Al is het juist dat het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een mededingingsregeling heeft deelgenomen, niet relevant is voor de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gemaakt, dient daarmee rekening te worden gehouden bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en in voorkomend geval bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P, Jurispr. blz. I-123, punt 86).

116 Vaststaat echter dat de in de richtsnoeren uiteengezette en in punt 7 hierboven samengevatte methode voor de vaststelling van de geldboete volledig voldoet aan de eisen van deze rechtspraak. Zoals de Commissie in punt 296 van de bestreden beschikking in wezen heeft opgemerkt, is het basisbedrag voor de geldboete vastgesteld op basis van de door de betrokken onderneming verrichte verkoop die verband houdt met de inbreuk, hetgeen betekent dat alleen rekening is gehouden met de verkoop van producten waarvoor de betrokken onderneming aan de inbreuk heeft deelgenomen. Concreet is voor verzoekster alleen rekening gehouden met haar verkoop van calciumcarbidepoeder en calciumcarbidegranulaat, zoals in punt 288 van de bestreden beschikking is verklaard.

117 Verder is het onjuist dat voor alle ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, hetzelfde basisbedrag is vastgesteld, zoals verzoekster verklaart. Dat bedrag is voor elke onderneming vastgesteld op basis van de met de inbreuk verband houdende verkoop van deze onderneming. Bijgevolg is voor iedere deelnemer aan de inbreuk een verschillend basisbedrag vastgesteld. Punt 308 van de bestreden beschikking, dat een tabel bevat van het basisbedrag voor de geldboete voor elke onderneming die aan de litigieuze inbreuk heeft deelgenomen, bevestigt trouwens dat dit in casu wel degelijk het geval is geweest.

118 Het vijfde onderdeel van dit middel is dus ongegrond en moet worden afgewezen. Verder dient, mede gelet op de algemene opmerking in punt 26 hierboven, met het oog op een eventuele uitoefening van volledige rechtsmacht door het Gerecht bovendien te worden geoordeeld dat dit betoog van verzoekster niet de slotsom wettigt dat het door de Commissie volgens de in de richtsnoeren beschreven methode vastgestelde basisbedrag voor de aan verzoekster opgelegde geldboete hoger is dan in het onderhavige geval passend is.

Zesde onderdeel: onjuiste rechtsopvatting en niet-nakoming van de motiveringsplicht met betrekking tot de vaststelling van het toetredingsrecht

119 Verzoekster voert in de eerste plaats aan dat de Commissie de motiveringsplicht niet is nagekomen doordat zij niet voldoende redenen heeft aangegeven waarom voor de vaststelling van het toetredingsrecht het percentage 17 % is genomen. Zij is van mening dat de Commissie de motiveringsplicht, zoals die in de rechtspraak is omschreven, niet is nagekomen doordat zij stereotiepe formuleringen heeft gebruikt en niets heeft gezegd over de beslissende grond voor de vaststelling van het toetredingsrecht, namelijk de in punt 25 van de richtsnoeren genoemde afschrikkende werking, en over de redenen waarom zij het voor het verkrijgen van de beoogde afschrikkende werking noodzakelijke percentage op 17 % heeft bepaald.

120 De omvang van de uit artikel 253 EG voortvloeiende motiveringsplicht is in de punten 28 tot en met 30 hierboven in herinnering gebracht. Wat in het bijzonder de omvang van de motiveringsplicht met betrekking tot de berekening van het bedrag van een wegens schending van de mededingingsregels opgelegde geldboete betreft, is het vaste rechtspraak dat aan de eisen van het wezenlijke vormvoorschrift van motivering wordt voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking de factoren aangeeft op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft beoordeeld, alsook de factoren die zij hierbij overeenkomstig de in haar eigen richtsnoeren neergelegde indicatieve regels in aanmerking heeft genomen (zie arrest Gerecht van 6 december 2005, Brouwerij Haacht/Commissie, T-48/02, Jurispr. blz. II-5259, punt 46 en aangehaalde rechtspraak).

121 In het onderhavige geval heeft de Commissie in de punten 291 en volgende van de bestreden beschikking onder het opschrift „Vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete” uiteengezet met welke factoren zij rekening heeft gehouden voor de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete voor iedere deelnemer aan de inbreuk, het toetredingsrecht daaronder begrepen. In de punten 292 tot en met 296 van de bestreden beschikking heeft zij in het bijzonder de zwaarte van de inbreuk geanalyseerd en met name geoordeeld (punt 294) dat een inbreuk zoals die welke in het onderhavige geval aan de orde is, „naar de aard ervan een van de zwaarste mededingingsbeperkingen is”. In de punten 297 en 298 van de bestreden beschikking heeft zij verwezen naar het gecumuleerde marktaandeel van de deelnemers aan de inbreuk (zie ook de punten 28‑34 hierboven). Ten slotte heeft zij in de punten 299 en 300 van de bestreden beschikking verwezen naar de in punt 1 hierboven vermelde geografische omvang van de mededingingsregeling en naar het feit dat de inbreuk opleverende overeenkomsten „in de regel werden geïmplementeerd en dat daarop toezicht werd gehouden”.

122 Na deze uiteenzetting heeft de Commissie in punt 301 van de bestreden beschikking daaruit de consequenties getrokken voor het bepalen van het percentage dat voor de vaststelling van het basisbedrag voor de geldboete moet worden gehanteerd. Met betrekking tot het voor de vaststelling van het toetredingsrecht te hanteren percentage heeft zij in punt 306 van de bestreden beschikking opgemerkt: „Gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak dient met inachtneming van de hierboven uiteengezette criteria inzake de aard en de geografische omvang van de inbreuk een bedrag gelijk aan 17 % van de jaaromzet te worden toegevoegd.”

123 Anders dan verzoekster betoogt, heeft de Commissie in de bestreden beschikking dus een toereikende motivering gegeven voor haar keuze om het toetredingsrecht op 17 % te bepalen. Zij heeft het niet bij „stereotype formuleringen” gehouden, maar heeft verwezen naar haar eerdere uiteenzetting van de zwaarte van de inbreuk (punten 292‑296), volgens welke het ging om een inbreuk die naar de aard ervan tot de zwaarste inbreuken behoort, en naar haar uiteenzetting over de geografische omvang van de inbreuk. De gehanteerde criteria zijn dus voldoende nauwkeurig aangegeven en bijgevolg moet de grief inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht worden afgewezen.

124 In de tweede plaats voert verzoekster aan dat de Commissie, om een correcte beoordeling te verrichten, rekening had moeten houden met de argumenten die zij tijdens de administratieve procedure had aangevoerd, en op grond daarvan een lager toetredingsrecht had moeten vaststellen of zelfs had moeten afzien van toevoeging van een toetredingsrecht aan het basisbedrag voor de geldboete die haar zou worden opgelegd. In dit verband maakt verzoekster melding van een intern programma van sensibilisering voor inbreuken op het mededingingsrecht en van de crisissituatie waarin zij zich tijdens de inbreukperiode bevond. Zij beklemtoont bovendien dat zij de enige bij de inbreuk betrokken onderneming was die haar spijt voor deze deelname heeft betuigd.

125 Met betrekking tot dit betoog dient allereerst te worden opgemerkt, dat volgens de bewoordingen van punt 25 van de richtsnoeren de Commissie het toetredingsrecht „[toe]voegt [...] aan het basisbedrag”. Met andere woorden, anders dan verzoekster suggereert, kon de Commissie niet beslissen of zij het toetredingsrecht al dan niet zou toevoegen aan het basisbedrag voor de geldboete die zij haar ging opleggen. De in de richtsnoeren uiteengezette methode, waaraan de Commissie is gebonden, schrijft voor dat dit bedrag aan het basisbedrag wordt toegevoegd.

126 Verder blijkt uit de punten 324 respectievelijk 329 van de bestreden beschikking dat de Commissie verzoeksters verklaringen inzake een intern programma van sensibilisering en inzake de economische crisissituatie waarin verzoekster zich tijdens de inbreukperiode bevond, in aanmerking heeft genomen bij het onderzoek naar eventuele verzachtende omstandigheden voor iedere deelnemer aan de mededingingsregeling.

127 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het in punt 25 van de richtsnoeren bedoelde toetredingsrecht deel uitmaakt van het basisbedrag voor de geldboete, dat, zoals blijkt uit punt 19 van die richtsnoeren, de zwaarte van de inbreuk moet weerspiegelen en niet het relatieve gewicht van de deelname van elk van de betrokken ondernemingen aan de inbreuk. Volgens de rechtspraak moet deze laatste kwestie worden onderzocht in het kader van de eventuele toepassing van verzwarende of verzachtende omstandigheden. Bijgevolg kan de Commissie het in punt 25 van de richtsnoeren bedoelde percentage van de waarde van de verkoop, overigens net als het in punt 21 van de richtsnoeren bedoelde percentage, voor alle deelnemers aan de mededingingsregeling op hetzelfde niveau vaststellen (zie arrest Novácke chemické závody/Commissie, aangehaald in punt 74 hierboven, punt 58 en aangehaalde rechtspraak).

128 Bijgevolg kan aan de Commissie niet worden verweten dat zij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of dat zij haar eigen richtsnoeren heeft geschonden door voor de vaststelling van het toetredingsrecht voor verzoekster niet uit te gaan van een percentage van minder dan 17 % van de waarde van de verkoop op grond van de in punt 124 hierboven samengevatte bijzondere omstandigheden waarin verzoekster zich bevond. Deze bijzondere omstandigheden dienden te worden onderzocht in het kader van het onderzoek naar eventuele verzachtende omstandigheden voor verzoekster en, zoals in punt 126 hierboven is gezegd, zijn twee van die omstandigheden in dat verband in de bestreden beschikking ter sprake gekomen.

129 Het is juist dat de Commissie voor verzoekster geen enkele verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen. De vraag of deze beoordeling onjuist is omdat bovengenoemde verklaringen van verzoekster de aanvaarding van dergelijke omstandigheden rechtvaardigden, moet echter worden behandeld in het kader van het tweede middel, waarin verzoekster de Commissie op die grond verwijt dat zij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In het kader van haar betoog ter ondersteuning van dat middel herhaalt verzoekster overigens die verklaringen en breidt zij deze uit.

130 In de derde plaats verwijt verzoekster de Commissie dat deze het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door „voor alle ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, hetzelfde [toetredingsrecht]” vast te stellen. Enerzijds voert zij aan dat de noodzaak van afschrikking groter is voor ondernemingen die in het verleden al herhaaldelijk aan mededingingsregelingen hebben deelgenomen, wat het geval zou zijn met bepaalde deelnemers aan de betrokken mededingingsregeling, te weten Akzo Nobel en Degussa AG. Zijzelf zou in verleden nog nooit een beschikking van de Commissie wegens schending van artikel 81 EG hebben ontvangen. Met name om die reden had de Commissie op grond van het beginsel van gelijke behandeling en van het evenredigheidsbeginsel voor haar een veel lager toetredingsrecht moeten vaststellen dan voor Akzo Nobel en Degussa. Anderzijds stelt zij dat voor de vaststelling van het toetredingsrecht ook rekening moet worden gehouden met de relatieve grootte van de verschillende bij de inbreuk betrokken ondernemingen. In de rechtspraak zou met name worden aanvaard dat de totale omzet van een onderneming relevant is voor de vaststelling van de financiële draagkracht van de leden van een kartel. De grootte en de totale omzet van verzoekster zouden echter slechts een fractie zijn van die van de andere ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, in het bijzonder van die van Akzo Nobel en Degussa. De Commissie zou bij de vaststelling van het toetredingsrecht geen rekening hebben gehouden met dat belangrijke verschil. Een correcte beoordeling zou ertoe hebben geleid dat voor verzoekster een percentage van veel minder dan 17 % zou zijn vastgesteld.

131 Deze argumenten falen eveneens. Allereerst dient te worden gepreciseerd dat, anders dan verzoekster aanvoert, de Commissie niet voor elke deelnemer aan de mededingingsregeling hetzelfde toetredingsrecht heeft vastgesteld. Wel heeft zij voor alle deelnemers hetzelfde voor de berekening van het recht te hanteren percentage (17 %) vastgesteld. Aangezien het bedrag van dit „toetredingsrecht” bestaat in een percentage van de waarde van de met de inbreuk verband houdende verkoop die iedere deelnemer aan de mededingingsregeling heeft gerealiseerd, verschilt het voor ieder van hen naargelang van de verschillende waarde van hun verkoop (arrest Novácke chemické závody/Commissie, aangehaald in punt 74 hierboven, punt 58).

132 Wat vervolgens de omstandigheid betreft dat Akzo Nobel en Degussa recidivisten zijn, dient erop te worden gewezen dat de in punt 127 hierboven uiteengezette omstandigheden ook rechtvaardigen dat de verzwarende omstandigheden, zoals recidive, voor een of andere deelnemer aan een inbreuk in aanmerking worden genomen in een stadium van de vaststelling van het bedrag van de geldboete na de vaststelling van het basisbedrag, waarvan het toetredingsrecht deel uitmaakt. Zoals in punt 7 hierboven is opgemerkt, voorzien de richtsnoeren van de Commissie met name ook in een verhoging van het basisbedrag om rekening te houden met verzwarende omstandigheden. Recidive is een van de verzwarende omstandigheden die in punt 28, eerste streepje, van de richtsnoeren bij wijze van voorbeeld worden genoemd.

133 Zoals uit de punten 309 en 310 van de bestreden beschikking blijkt, heeft de Commissie in het onderhavige geval inderdaad recidive als verzwarende omstandigheid voor Akzo Nobel en Degussa aangenomen en, om daarmee rekening te houden, het basisbedrag voor de geldboete voor deze ondernemingen met 100 % respectievelijk 50 % vermeerderd.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in