Gerecht EU 18 november 2020, T-814/17, ECLI:EU:T:2020:545

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid)

18 november 2020 ( *1 )

„Mededinging – Misbruik van machtspositie – Markt voor goederenvervoer per spoor – Besluit waarbij een inbreuk op artikel 102 VWEU wordt vastgesteld – Toegang van derde ondernemingen tot de door de nationale spoorwegonderneming van Litouwen beheerde infrastructuur – Ontmanteling van een gedeelte van een spoorlijn – Begrip ‚misbruik’ – Daadwerkelijke of waarschijnlijke uitsluiting van een concurrent – Berekening van het bedrag van geldboeten – Richtsnoeren voor de berekening van het bedrag van geldboeten van 2006 – Corrigerende maatregelen – Evenredigheid – Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑814/17,

Lietuvos geležinkeliai AB, gevestigd te Vilnius (Litouwen), vertegenwoordigd door W. Deselaers, K. Apel en P. Kirst, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Cleenewerck de Crayencour, A. Dawes, H. Leupold en G. Meessen als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Orlen Lietuva AB, gevestigd te Mažeikiai (Litouwen), vertegenwoordigd door C. Thomas en C. Conte, advocaten,

interveniënte,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot, primair, nietigverklaring van besluit C(2017) 6544 final van de Commissie van 2 oktober 2017 inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU (zaak AT.39813 – Baltic Rail) en, subsidiair, verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, H. Kanninen, N. Półtorak (rapporteur), O. Porchia en M. Stancu, rechters,

griffier: E. Artemiou, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 februari 2020,

het navolgende

Arrest

I. Voorgeschiedenis van het geding

A. Feitelijke achtergrond

1 Lietuvos geležinkeliai AB (hierna: „verzoekster” of „LG”) is de nationale spoorwegonderneming van Litouwen, waarvan de zetel is gevestigd te Vilnius (Litouwen). LG is een publieke onderneming waarvan de Litouwse Staat enig aandeelhouder is. Als verticaal geïntegreerde onderneming is LG zowel beheerder van de spoorweginfrastructuur, die evenwel eigendom blijft van de Litouwse Staat, als aanbieder van spoorweg-, goederen- en reizigersvervoersdiensten in Litouwen.

2 Orlen Lietuva AB (hierna: „interveniënte” of „Orlen”) is een te Juodeikiai in het district Mažeikiai (Litouwen) gevestigde onderneming die is gespecialiseerd in de raffinage van ruwe aardolie en de distributie van geraffineerde aardolieproducten. Orlen is een volle dochteronderneming van de Poolse vennootschap PKN Orlen SA.

3 In het kader van haar activiteiten exploiteert Orlen verschillende installaties in Litouwen, waaronder een belangrijke raffinaderij (hierna: „raffinaderij”) te Bugeniai, in het district Mažeikiai, in het noordwesten van Litouwen, nabij de grens met Letland. Deze raffinaderij is de enige installatie van dit type in de drie Baltische staten. Eind jaren 2000 werd 90 % van de productie van geraffineerde aardolieproducten afkomstig uit deze raffinaderij over het spoor vervoerd, waardoor Orlen een van de belangrijkste klanten van verzoekster was.

4 In die tijd produceerde Orlen in de raffinaderij jaarlijks ongeveer 8 miljoen ton geraffineerde aardolieproducten. Driekwart van deze productie was bestemd voor uitvoer, hoofdzakelijk over zee naar West-Europese landen. Aldus werd 4,5 tot 5,5 miljoen ton geraffineerde aardolieproducten in Litouwen per spoor vervoerd naar de haventerminal van Klaipėda (Litouwen).

5 De rest van de uitgevoerde productie, namelijk ongeveer 1 à 1,5 miljoen ton, werd, eveneens per trein, naar of via Letland vervoerd en was hoofdzakelijk bestemd voor verbruik op de Letse en de Estse binnenlandse markt. Voor ongeveer 60 % van deze per trein naar of via Letland vervoerde productie werd de spoorlijn „Bugeniai-Mažeikiai-Rengė” gebruikt, een route waarvan 34 km op Litouws grondgebied lag en die van de raffinaderij, dicht bij het spoorwegknooppunt van Mažeikiai, naar Rengė in Letland liep (hierna: „korte route naar Letland”). De rest van deze per trein naar of via Letland vervoerde productie kwam over de spoorlijn „Bugeniai-Kužiai-Joniškis-Meitene”, een langere route, waarvan 152 km op Litouws grondgebied lag (hierna: „lange route naar Letland”).

6 Om haar producten via de korte route naar Letland te vervoeren, maakte Orlen gebruik van verzoeksters diensten voor het Litouwse gedeelte van de route, namelijk van de raffinaderij naar de Letse grens. LG had toen voor het vervoer over dit Litouwse gedeelte van de route een onderaannemingsovereenkomst gesloten met Latvijas dzelzceļš, de nationale spoorwegonderneming van Letland (hierna: „LDZ”). Aangezien LDZ niet over de nodige wettelijke vergunningen beschikte om haar activiteiten op Litouws grondgebied onafhankelijk uit te oefenen, trad zij op als onderaannemer van verzoekster. Voorbij de grens vervoerde LDZ de producten van Orlen verder op Lets grondgebied krachtens verschillende overeenkomsten.

7 De handelsbetrekkingen tussen Orlen en verzoekster op het gebied van haar vervoersdiensten op het Litouwse spoorwegnet, met inbegrip van de vervoersdiensten via de korte route naar Letland, werden tot september 2008 beheerst door een in 1999 ondertekende overeenkomst (hierna: „overeenkomst van 1999”).

8 Naast een regeling van de door verzoekster toegepaste tarieven voor de vervoersdiensten, bevatte de overeenkomst van 1999 met name een specifieke verbintenis van verzoekster om de vracht van Orlen via de korte route naar Letland te vervoeren. Artikel 6.1 van deze overeenkomst stond Orlen namelijk toe „de route Bugeniai-Rengė (ongeveer 34 km) te gebruiken voor vrachtvervoer naar Letland, Estland of het Gemenebest van Onafhankelijke Staten” voor de gehele duur van de overeenkomst, namelijk tot 2024.

9 Begin 2008 is tussen verzoekster en Orlen een handelsgeschil ontstaan over de tarieven die Orlen voor het vervoer van haar aardolieproducten had betaald.

10 Wegens het handelsgeschil met verzoekster over de tarieven, heeft Orlen de mogelijkheid overwogen om rechtstreeks met LDZ een overeenkomst te sluiten voor de vrachtvervoersdiensten per spoor via de korte route naar Letland, en om haar exportactiviteiten over zee vanuit Klaipėda in Litouwen naar de haventerminals van Riga en Ventspils in Letland te verplaatsen.

11 Daartoe heeft Orlen op 4 april 2008 het Letse ministerie van Transport en Communicatie op de hoogte gebracht van haar plannen om haar activiteiten van export over zee over te brengen naar de Letse haventerminal van Ventspils, dankzij de spoorwegvervoersdiensten van LDZ, en heeft zij voorgesteld om hierover voor overleg een bijeenkomst te organiseren met het ministerie. Orlen heeft ook geïnformeerd naar de tarieven die zij voor de spoorwegvervoersdiensten van LDZ kon verwachten. In zijn antwoord van 7 mei 2008 heeft het ministerie Orlen meegedeeld dat het niet zou interfereren met de commerciële beslissingen van LDZ, maar dat het niettemin grote belangstelling had voor de ontwikkeling van vrachtvervoer in Letland.

12 Op 12 juni 2008 hebben verzoekster en Orlen vergaderd over onder meer deze plannen van Orlen om de exportactiviteiten te verplaatsen. Daarenboven heeft verzoekster op 17 juli 2008 een arbitrale procedure ingeleid tegen Orlen, aangezien Orlen in het voorjaar van 2008 eenzijdig had besloten een lager tarief toe te passen dan verzoekster had gevraagd en te wachten met de betaling van het verschil.

13 Op 28 juli 2008 heeft LG Orlen ervan in kennis gesteld dat de overeenkomst van 1999 met ingang van 1 september 2008 werd opgezegd. Tijdens de administratieve procedure bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft Orlen benadrukt dat LG had aangekondigd de overeenkomst van 1999 met ingang van 1 september 2008 op te zeggen drie dagen nadat zij LDZ formeel een offerte had gevraagd ter vervanging van verzoeksters diensten voor het vervoer van ongeveer 4,5 tot 5 miljoen ton geraffineerde aardolieproducten vanaf de raffinaderij via de korte route naar Letland naar de haventerminals op Lets grondgebied. Orlen heeft ook gesuggereerd dat verzoekster mogelijk rechtstreeks door LDZ in kennis was gesteld van de offerteaanvraag.

14 Nadat was vastgesteld dat de spoorlijn over enkele tientallen meters was vervormd (hierna: „vervorming”), heeft LG, hoofdzakelijk om veiligheidsredenen, op 2 september 2008 het verkeer opgeschort op een 19 km lang deel van de korte route naar Letland, tussen Mažeikiai en de grens met Letland (hierna: „spoorlijn”).

15 Op 3 september 2008 heeft verzoekster een inspectiecommissie ingesteld, bestaande uit leden van het management van haar plaatselijke dochteronderneming, om de redenen voor de vervorming te onderzoeken. De inspectiecommissie heeft twee rapporten ingediend, namelijk het onderzoeksrapport van 5 september 2008 en het technisch rapport van 5 september 2008 (hierna samen: „rapporten van 5 september 2008”).

16 Volgens het onderzoeksrapport van 5 september 2008 was de vervorming veroorzaakt door de fysieke slijtage van een groot aantal bestanddelen van de spoorlijnstructuur. Het onderzoeksrapport van 5 september 2008 heeft ook bevestigd dat het verkeer verder moest worden stilgelegd „totdat alle renovatie- en reparatiewerkzaamheden [zouden] zijn voltooid”.

17 De opmerkingen in het onderzoeksrapport van 5 september 2008 zijn bevestigd in het technisch rapport van 5 september 2008, waarin, net als in het eerste rapport, uitsluitend werd verwezen naar de plaats van de vervorming en als oorzaak daarvan diverse problemen met betrekking tot de spoorlijnstructuur werden aangewezen. In het technisch rapport van 5 september 2008 werd geconcludeerd dat het spoorwegongeval dat had plaatsgevonden in de vorm van een vervorming op de spoorlijn als incident moest worden aangemerkt en dat het te wijten was aan de fysieke slijtage van de hogere onderdelen van de spoorlijnstructuur.

18 Op 29 september 2008, na een vergadering op 22 september 2008, heeft LDZ Orlen een offerte bezorgd voor het vervoer van haar aardolieproducten. Volgens Orlen was deze offerte „concreet en aantrekkelijk”.

19 Op 3 oktober 2008 is LG gestart met de volledige ontmanteling van de spoorlijn, welke eind oktober 2008 geheel was voltooid.

20 Op 17 oktober 2008 heeft Orlen LDZ een brief gestuurd ter bevestiging van haar voornemen om ongeveer 4,5 miljoen ton aardolieproducten van de raffinaderij naar de Letse haventerminals te vervoeren, waarna op 20 februari 2009 een ontmoeting heeft plaatsgevonden en in het voorjaar van 2009 nadere besprekingen zijn gevoerd.

21 In januari 2009 hebben verzoekster en Orlen een nieuwe algemene vervoersovereenkomst gesloten voor een periode van vijftien jaar, tot 1 januari 2024 (hierna: „overeenkomst van 2009”). Deze overeenkomst is in de plaats gekomen van een interim-overeenkomst die op 1 oktober 2008 was ondertekend.

22 De overeenkomst van 2009 berustte op het standaardprijsbeleid van verzoekster inzake tarifering, waarbij voor elke spoorlijn in Litouwen een basistarief was vastgesteld. Daarnaast voorzag de overeenkomst van 2009 in een systeem van kortingen op die tarieven [vertrouwelijk] ( 1 ).

23 [vertrouwelijk]

24 De onderhandelingen tussen Orlen en LDZ zijn voortgezet tot eind juni 2009, toen LDZ een aanvraag heeft ingediend voor een vergunning om op het Litouwse gedeelte van de korte route naar Letland te opereren.

25 Op 10 november 2009 heeft de arbitrage-instantie verklaard dat de eenzijdige opzegging door verzoekster van de overeenkomst van 1999 onrechtmatig was en dat deze overeenkomst moest worden geacht van kracht te zijn geweest tot 1 oktober 2008, de datum waarop Orlen en verzoekster een voorlopige vervoersovereenkomst hadden gesloten.

26 Volgens Orlen werden de besprekingen met LDZ medio 2010 onderbroken toen zij uiteindelijk meende dat verzoekster niet voornemens was de spoorlijn op korte termijn te repareren. Op dat ogenblik heeft LDZ haar vergunningsaanvraag ingetrokken om op het Litouwse gedeelte van de korte route naar Letland te opereren.

B. Administratieve procedure

27 Op 14 juli 2010 heeft Orlen bij de Commissie een formele klacht ingediend op grond van artikel 7 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1).

28 In haar klacht heeft Orlen in essentie uiteengezet dat LG, na een handelsconflict met haar, de spoorlijn had verwijderd, waardoor de korte route naar Letland niet langer beschikbaar was en zij was gedwongen om het gedeelte van haar productie dat per trein naar of door Letland moest worden vervoerd, langs de enige beschikbare route te leiden, te weten de lange route naar Letland.

29 Meer in het bijzonder heeft Orlen uiteengezet dat het betreffende handelsconflict betrekking had op de door LG toegepaste tarieven voor het vrachtvervoer per spoor en dat zij wegens dit conflict was beginnen te onderzoeken of het mogelijk was om voor het vervoer van haar geraffineerde aardolieproducten via de korte route naar Letland uitsluitend gebruik te maken van de diensten van LDZ en dankzij deze route haar export over zee vanaf de haventerminal van Klaipėda te verplaatsen naar de haventerminals van Riga en Ventspils. LG zou daarvan kennis hebben gehad. Orlen heeft aldus betoogd dat de door verzoekster genomen maatregelen, te weten de opschorting van het verkeer en vervolgens de verwijdering van de spoorlijn, niet objectief gerechtvaardigd waren en enkel bedoeld waren om haar te beletten haar uitvoer over zee te verplaatsen naar de Letse haventerminals met gebruikmaking van de spoorwegvervoersdiensten van LDZ.

30 Van 8 tot en met 10 maart 2011 heeft de Commissie, bijgestaan door de nationale mededingingsautoriteiten van de Republiek Letland en de Republiek Litouwen, krachtens artikel 20 van verordening nr. 1/2003 inspecties verricht in de gebouwen van verzoekster in Vilnius en in die van LDZ in Riga. Tijdens deze inspecties heeft de Commissie met name stukken in beslag genomen die volgens haar bewezen dat verzoekster zich bewust was van de potentiële mededinging van LDZ en van het risico dat Orlen haar uitvoer over zee naar de Letse haventerminals zou verplaatsen.

31 Op 6 maart 2013 heeft de Commissie besloten tegen LG een procedure in te leiden in de zin van artikel 2 van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18).

32 Op 5 januari 2015 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar aan verzoekster gericht. In deze mededeling van punten van bezwaar kwam de Commissie tot de voorlopige conclusie dat verzoekster mogelijk inbreuk had gemaakt op artikel 102 VWEU.

33 Op 25 maart 2015 heeft Orlen opmerkingen gemaakt over een niet-vertrouwelijke versie van de mededeling van punten van bezwaar.

34 Op 8 april 2015 heeft verzoekster geantwoord op de mededeling van punten van bezwaar en opmerkingen gemaakt over de opmerkingen van Orlen. Op 27 mei 2015 vond vervolgens een hoorzitting plaats.

35 Op 23 oktober 2015 heeft de Commissie een letter of facts toegezonden aan verzoekster, waarop zij op 2 december 2015 heeft geantwoord. Op 29 februari 2016 heeft verzoekster opnieuw opmerkingen ingediend bij de Commissie.

36 Op 2 oktober 2017 heeft de Commissie besluit C(2017) 6544 final inzake een procedure op grond van artikel 102 VWEU (zaak AT.39813 – Baltic Rail) (hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld, waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2017, C 383, blz. 7).

C. Bestreden besluit

37 In het bestreden besluit heeft de Commissie in wezen geconcludeerd dat verzoekster misbruik had gemaakt van haar machtspositie als beheerder van de spoorweginfrastructuur in Litouwen door de spoorlijn te verwijderen en zo te verhinderen dat LDZ toegang had tot de Litouwse markt. De Commissie heeft LG een geldboete opgelegd en haar gelast de inbreuk te beëindigen.

1. Afbakening van de relevante markten en machtspositie van verzoekster op deze markten

38 In het bestreden besluit onderscheidt de Commissie twee relevante markten, namelijk: – de upstreammarkt voor het beheer van spoorweginfrastructuur; – de downstreammarkt voor de levering van diensten op het gebied van vervoer van aardolieproducten per spoor.

39 Als de relevante geografische markt voor het beheer van spoorweginfrastructuur wordt uitgegaan van de Litouwse nationale markt. De relevante geografische markt voor het vervoer van aardolieproducten per spoor was volgens de Commissie, op basis van de benadering „punt van vertrek – punt van bestemming” (de zogenoemde „V&B-benadering”), de markt voor het goederenvervoer per spoor vanaf de raffinaderij naar de drie haventerminals van Klaipėda, Riga en Ventspils.

40 De Commissie heeft vastgesteld dat verzoekster krachtens de nationale wetgeving een wettelijk monopolie had op de upstreammarkt voor het beheer van spoorweginfrastructuur in Litouwen. In dit verband bepaalde artikel 5, lid 1, van de Lietuvos Respublikos geležinkelių transporto kodekso patvirtinimo, įsigaliojimo ir taikymo įstatymas (wetboek spoorwegvervoer van de Republiek Litouwen) van 22 april 2004 (Žin., 2004, nr. IX-2152; hierna: „wetboek spoorwegvervoer”) dat de openbare spoorweginfrastructuur eigendom was van de Litouwse Staat en dat het beheer ervan was toevertrouwd aan verzoekster.

41 De Commissie heeft ook vastgesteld dat LG, met uitzondering van zeer kleine hoeveelheden die werden vervoerd door LDZ, de enige onderneming was die actief was op de downstreammarkt voor de levering van diensten op het gebied van het vervoer van aardolieproducten per spoor, waardoor zij op die markt een machtspositie had.

2. Misbruik

42 De Commissie heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat verzoekster door de spoorlijn te verwijderen misbruik had gemaakt van haar machtspositie als beheerder van de spoorweginfrastructuur in Litouwen. Dit kon leiden tot mededingingsverstorende uitsluiting op de markt voor de levering van diensten op het gebied van vervoer van aardolieproducten per spoor tussen de raffinaderij en de naburige haventerminals doordat drempels voor toetreding tot de markt werden opgeworpen zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestond. In het bijzonder heeft de Commissie zich in de overwegingen 182 tot en met 201 van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat LG, door de spoorlijn in haar geheel te verwijderen, andere middelen had gebruikt dan die welke bij een normale mededinging gebruikelijk zijn. In dit verband heeft de Commissie opgemerkt dat, ten eerste, LG op de hoogte was van de plannen van Orlen om op Letse haventerminals over te schakelen met gebruikmaking van de diensten van LDZ, ten tweede, LG de spoorlijn in allerijl had verwijderd zonder dat de financiering was geregeld en de normale voorbereidende stappen voor de heraanleg ervan waren genomen, ten derde, de verwijdering van de spoorlijn in strijd was met de gangbare praktijk in de sector, ten vierde, LG zich bewust was van het risico alle vervoer van producten van Orlen te verliezen in geval van heraanleg van de spoorlijn en, ten vijfde, LG zich had ingespannen om de Litouwse regering ervan te overtuigen de spoorlijn niet opnieuw aan te leggen.

43 De Commissie heeft opgemerkt dat de spoorlijn deel uitmaakte van de kortste en goedkoopste route van de raffinaderij naar een Letse haventerminal. Wegens de nabijheid van Letland en de logistieke basis van LDZ bood deze route LDZ volgens de Commissie een zeer gunstige optie om toegang te verkrijgen tot de Litouwse markt.

44 Wat betreft de mededingingsverstorende gevolgen van het gedrag van verzoekster, heeft de Commissie, na een analyse in de overwegingen 202 tot en met 324 van het bestreden besluit, gemeend dat de verwijdering van de spoorlijn had kunnen verhinderen dat LDZ toetrad tot de markt of minstens haar toegang tot de markt aanzienlijk had bemoeilijkt, terwijl LDZ volgens de Commissie vóór de verwijdering van de spoorlijn over een geloofwaardige mogelijkheid beschikte om de voor uitvoer over zee bestemde aardolieproducten van Orlen van de raffinaderij naar de Letse haventerminals te vervoeren via de korte route naar Letland. Na de verwijdering van de spoorlijn moest alle spoorvervoer van de raffinaderij naar een Letse haventerminal via een veel langere route op het grondgebied van Litouwen lopen. In het bijzonder was de Commissie van mening dat de enige optie die LDZ na de verwijdering van de spoorlijn nog had om met verzoekster te concurreren, erin bestond te proberen te opereren op de route naar Klaipėda of op de lange route naar Letland. LDZ had daardoor ver van haar logistieke basis in Letland moeten opereren en was afhankelijk geweest van de diensten voor infrastructuurbeheer van haar concurrent, LG. Derhalve was de Commissie van mening dat, ex ante beschouwd, LDZ werd geconfronteerd met aanzienlijke commerciële risico’s die zij minder geneigd was te nemen.

45 De Commissie heeft in de overwegingen 325 tot en met 357 van het bestreden besluit ook gemeend dat verzoekster geen enkele objectieve rechtvaardiging voor de verwijdering van de spoorlijn had gegeven, aangezien de aangevoerde verklaringen niet met elkaar strookten, soms tegenstrijdig waren en weinig overtuigend waren.

3. Geldboete en bevel

46 Op grond van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren van 2006”), heeft de Commissie verzoekster, gezien de ernst en de duur van de inbreuk, een geldboete van 27873000 EUR opgelegd.

47 De Commissie was ook van mening dat verschillende structurele of gedragscorrigerende maatregelen mogelijk waren om de concurrentiesituatie van vóór de verwijdering van de spoorlijn te herstellen of de nadelen voor potentiële concurrenten op de alternatieve routes naar de haventerminals weg te nemen. Daartoe heeft zij LG gelast een einde te maken aan de inbreuk en binnen drie maanden na de datum van bekendmaking van het bestreden besluit een voorstel voor daartoe strekkende maatregelen bij haar in te dienen.

4. Dispositief van het bestreden besluit

48 Het dispositief van het bestreden besluit luidt: „Artikel 1 [LG] heeft inbreuk gemaakt op artikel 102 VWEU door de spoorlijn tussen Mažeikiai in Litouwen en de Letse grens te verwijderen. De inbreuk is aangevangen op 3 oktober 2008 en duurt voort op de datum van vaststelling van dit besluit. Artikel 2 Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk krijgt [LG] een geldboete van 27873000 [EUR] opgelegd. [...] Artikel 3 [LG] maakt een einde aan de in artikel 1 bedoelde inbreuk en dient binnen drie maanden bij de Commissie een voorstel voor daartoe strekkende maatregelen in. Dit voorstel is voldoende gedetailleerd om de Commissie in staat te stellen een eerste beoordeling te maken om te bepalen of de voorgestelde maatregelen waarborgen dat het besluit daadwerkelijk zal worden nageleefd. [LG] onthoudt zich van herhaling van enige gedraging die soortgelijke doelstellingen of gevolgen heeft als de in artikel 1 bedoelde gedraging [...]”

II. Procedure en conclusies van partijen

49 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 december 2017, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

50 Bij ter griffie van het Gerecht op 5 april 2018 ingeschreven akte heeft Orlen verzocht in de onderhavige procedure te worden toegelaten ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie.

51 Op verzoek van de Commissie is de termijn voor de indiening van een verzoek om vertrouwelijke behandeling verlengd en vastgesteld op 4 juni 2018.

52 Bij brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 1 en 4 juni 2018, hebben de Commissie en verzoekster verzocht om vertrouwelijke behandeling ten aanzien van interveniënte van bepaalde gegevens uit het verzoekschrift en het verweerschrift alsmede uit bepaalde bijlagen daarbij. Verzoekster en de Commissie hebben niet-vertrouwelijke gemeenschappelijke versies van het verzoekschrift en het verweerschrift neergelegd.

53 Bij brief van 15 juni 2018 heeft verzoekster verzocht om vertrouwelijke behandeling ten aanzien van interveniënte van bepaalde gegevens uit de repliek en de bijlage erbij.

54 Bij beschikking van de president van de Derde kamer van het Gerecht van 13 juli 2018 is Orlen toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie. De beslissing over de gegrondheid van de verzoeken om vertrouwelijke behandeling is aangehouden, en door de hoofdpartijen voorbereide niet-vertrouwelijke versies van de verschillende processtukken zijn aan Orlen overgelegd.

55 Bij brief van 31 juli 2018 heeft de Commissie verzocht om bepaalde gegevens uit de repliek vertrouwelijk te behandelen ten aanzien van interveniënte. Diezelfde dag hebben verzoekster en de Commissie een niet-vertrouwelijke gemeenschappelijke versie van de repliek ingediend.

56 Bij brief van 5 augustus 2018 heeft interveniënte de vertrouwelijkheid betwist van bepaalde weggelakte passages in de niet-vertrouwelijke versie van bepaalde processtukken, namelijk de bijlagen A 14 en A 26.

57 Bij brief van 30 augustus 2018 heeft verzoekster verzocht om vertrouwelijke behandeling ten aanzien van interveniënte van bepaalde gegevens uit de dupliek. De hoofdpartijen hebben een niet-vertrouwelijke gemeenschappelijke versie van de dupliek ter griffie neergelegd.

58 Op 15 september 2018 heeft interveniënte haar memorie in interventie neergelegd.

59 Bij brief van 22 september 2018 heeft interveniënte laten weten dat zij geen bezwaar had tegen de verzoeken om vertrouwelijke behandeling van de hoofdpartijen met betrekking tot bepaalde gegevens uit de repliek en de dupliek.

60 Op 24 september 2018 heeft het Gerecht (Derde kamer) in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering, verzoekster en interveniënte schriftelijke vragen gesteld. Zij hebben die vragen binnen de gestelde termijn beantwoord.

61 Op 13 december 2018 heeft het Gerecht (Derde kamer) in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, verzoekster en interveniënte schriftelijke vragen gesteld.

62 Op 21 december 2018 heeft interveniënte de vragen van het Gerecht beantwoord en haar bezwaren met betrekking tot bijlage A.26 ingetrokken, terwijl verzoekster op 7 januari 2019 haar verzoek om vertrouwelijke behandeling van bijlage A.14 heeft ingetrokken. Derhalve is er geen enkel bezwaar meer tegen de door verzoekster ingediende verzoeken om vertrouwelijke behandeling.

63 Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering is de rechter-rapporteur toegevoegd aan de Eerste kamer, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

64 Op voorstel van de Eerste kamer heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 28 van zijn Reglement voor de procesvoering besloten om de zaak naar een uitgebreide kamer te verwijzen.

65 Op 28 november 2019 heeft het Gerecht (Eerste kamer – uitgebreid), op voorstel van de rechter-rapporteur, besloten tot opening van de mondelinge behandeling en heeft het in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, partijen een aantal schriftelijke vragen gesteld en verzocht een stuk over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan deze verzoeken voldaan.

66 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 5 februari 2020.

67 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – subsidiair, het bedrag van de haar uit hoofde van artikel 2 van het bestreden besluit opgelegde geldboete te verlagen; – de Commissie in de kosten te verwijzen.

68 De Commissie en interveniënte verzoeken het Gerecht: – het beroep in zijn geheel te verwerpen; – verzoekster in de kosten te verwijzen.

III. In rechte

A. Primaire vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit

69 Verzoekster voert vijf middelen aan ter ondersteuning van haar primaire vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit. In wezen is het eerste middel ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten en kennelijke juridische fouten bij de toepassing van artikel 102 VWEU wat de onrechtmatigheid van het gedrag van verzoekster betreft, het tweede aan beoordelingsfouten en juridische fouten bij de toepassing van artikel 102 VWEU wat de beoordeling van de betrokken praktijk betreft, het derde aan schending van artikel 296 VWEU en artikel 2 van verordening nr. 1/2003 wegens onvoldoende bewijs en een gebrekkige motivering, het vierde, uitsluitend wat het eerste onderdeel betreft, aan fouten bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete, en het vijfde aan fouten bij de oplegging van een corrigerende maatregel.

1. Eerste middel: beoordelingsfouten en juridische fouten bij de toepassing van artikel 102 VWEU wat de onrechtmatigheid van het gedrag van verzoekster betreft

70 Ter ondersteuning van haar eerste middel betwist verzoekster in wezen het juridische criterium aan de hand waarvan de Commissie in het bestreden besluit haar gedrag als misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU heeft gekwalificeerd. Volgens verzoekster had de Commissie de onderhavige zaak moeten beoordelen in het licht van de vaste rechtspraak inzake de weigering van toegang tot essentiële infrastructuur, die een veel hogere drempel vaststelt om een praktijk als misbruik te kwalificeren dan die welke in het bestreden besluit is toegepast.

71 Om te beginnen stelt verzoekster dat het niet de verwijdering van de spoorlijn is die mededingingsverstorende gevolgen heeft. In werkelijkheid heeft de opschorting van het verkeer een maand eerder deze gevolgen gehad. Zelfs indien de spoorlijn op 3 oktober 2008 niet was verwijderd en ongeacht het feit dat zij na de opschorting van het verkeer op 2 september 2008 niet is gerepareerd, had LDZ de spoorlijn volgens verzoekster hoe dan ook niet kunnen gebruiken. Volgens verzoekster komt de rechtsvraag dan ook neer op de vraag of zij in de omstandigheden van de onderhavige zaak op grond van artikel 102 VWEU verplicht was de spoorlijn te repareren. Zonder een dergelijke verplichting is de vraag of er al dan niet objectieve rechtvaardigingen bestaan voor de verwijdering van de spoorlijn, niet aan de orde.

72 Vervolgens voert verzoekster in wezen aan dat zij krachtens artikel 102 VWEU slechts kan worden verplicht om infrastructuur waartoe een concurrent om toegang kan verzoeken, te repareren of daarin te investeren, indien de spoorlijn essentiële infrastructuur is, dat wil zeggen indien deze spoorlijn onontbeerlijk is om LDZ haar activiteiten op de relevante downstreammarkt te kunnen laten uitoefenen, en indien het feit dat verzoekster de spoorlijn niet heeft gerepareerd, elke mededinging op de downstreammarkt uitsluit. Volgens verzoekster is in casu echter niet aan deze twee voorwaarden voldaan. In het bijzonder is de toegang tot de spoorlijn niet onontbeerlijk om LDZ op de relevante downstreammarkt te laten concurreren.

73 Meer in het algemeen stelt verzoekster dat het feit dat een alternatief vanuit het oogpunt van een concurrent minder voordelig kan zijn, niet tot gevolg heeft dat een infrastructuur „essentieel” of „onontbeerlijk” wordt. Verzoeksters vrijheid van ondernemerschap en eigendomsrechten zouden aldus op ongerechtvaardigde wijze worden beperkt indien zij krachtens artikel 102 VWEU aanzienlijke bedragen zou moeten investeren in niet-essentiële, volledig vervallen en niet-operationele infrastructuur, uitsluitend om één enkele concurrent in staat te stellen tot de markt toe te treden door hem een interessantere route ter beschikking te stellen om één enkele klant, en voor een klein deel van diens productie, te bedienen.

74 Ten slotte merkt verzoekster op dat de Commissie vóór de mededeling van punten van bezwaar zelf voornemens was het juridische criterium toe te passen dat is gebaseerd op de rechtspraak inzake essentiële infrastructuur. Tijdens een bijeenkomst met verzoekster op 25 maart 2013, hebben de diensten van de Commissie namelijk uiteengezet dat de schadetheorie was gebaseerd op de premisse dat de verwijdering van de spoorlijn een weigering vormde om LDZ essentiële infrastructuurdiensten te leveren.

75 De Commissie en interveniënte betwisten dit betoog.

76 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 102 VWEU een onderneming met een machtspositie verbiedt onder meer praktijken toe te passen die leiden tot de uitsluiting van haar even efficiënte concurrenten, en aldus haar machtspositie te versterken met behulp van andere middelen dan die welke berusten op een mededinging op basis van verdienste (zie arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 136 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77 Volgens vaste rechtspraak rust op de onderneming met een machtspositie een bijzondere verantwoordelijkheid om door haar gedrag geen afbreuk te doen aan een daadwerkelijke en onvervalste mededinging op de interne markt (zie arrest van 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punt 135 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 In dit verband is geoordeeld dat het door artikel 102 VWEU verboden misbruik van een machtspositie een objectief begrip is dat betrekking heeft op gedragingen van een onderneming met een machtspositie die, op een markt waar de mededinging juist door de aanwezigheid van deze onderneming reeds is verzwakt, de instandhouding of de ontwikkeling van de nog op deze markt aanwezige mededinging verhinderen door het gebruik van andere middelen dan die welke bij een normale, op ondernemersprestaties berustende mededinging tussen goederen of diensten gebruikelijk zijn (zie arresten van 19 april 2012, Tomra Systems e.a./Commissie, C‑549/10 P, EU:C:2012:221, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 september 2009, Clearstream/Commissie, T‑301/04, EU:T:2009:317, punt 140 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79 Artikel 102 VWEU ziet niet alleen op praktijken die de consument rechtstreeks kunnen benadelen, maar tevens op praktijken die hem kunnen benadelen door de mededinging te verstoren (zie arrest van 27 maart 2012, Post Danmark, C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 29 maart 2012, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, T‑336/07, EU:T:2012:172, punt 171).

80 Het gaat niet noodzakelijkerwijs om het concrete gevolg van het als misbruik aangemerkte gedrag. Voor de vaststelling van schending van artikel 102 VWEU dient te worden aangetoond dat de als misbruik aangemerkte gedraging van de onderneming met een machtspositie erop gericht is de mededinging te beperken, met andere woorden dat de gedraging een beperking van de mededinging tot gevolg kan hebben (arrest van 19 april 2012, Tomra Systems e.a./Commissie, C‑549/10 P, EU:C:2012:221, punt 68; zie ook arresten van 9 september 2009, Clearstream/Commissie, T‑301/04, EU:T:2009:317, punt 144 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 maart 2012, Telefónica en Telefónica de España/Commissie, T‑336/07, EU:T:2012:172, punt 268 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien staat het feit dat de als misbruik aangemerkte gedraging van een onderneming met een machtspositie nadelige gevolgen heeft op een andere markt dan de gedomineerde markt, niet in de weg aan de toepassing van artikel 102 VWEU (zie in die zin arrest van 14 november 1996, Tetra Pak/Commissie, C‑333/94 P, EU:C:1996:436, punt 25).

81 De door verzoekster ter ondersteuning van haar eerste middel aangevoerde argumenten dienen in het licht van deze beginselen te worden geanalyseerd.

82 In casu moet worden gepreciseerd dat verzoeksters betoog in het kader van het eerste middel uitsluitend betrekking heeft op het juridische criterium aan de hand waarvan de Commissie haar gedrag als misbruik van een machtspositie heeft gekwalificeerd.

83 In de overwegingen 177 en 178 van het bestreden besluit heeft de Commissie gemeend dat verzoekster, door de spoorlijn zonder objectieve rechtvaardiging te verwijderen, misbruik had gemaakt van haar machtspositie op de Litouwse markt voor het beheer van spoorweginfrastructuur. In het bijzonder was de Commissie van mening dat de verwijdering van de spoorlijn in de betrokken juridische en feitelijke omstandigheden geen praktijk was in overeenstemming met de bij een normale mededinging gebruikelijke praktijken. Volgens de Commissie heeft dat potentieel mededingingsverstorende gevolgen gehad op de markt voor levering van diensten op het gebied van vervoer van aardolieproducten per spoor tussen de raffinaderij en de haventerminals van Klaipėda, Riga en Ventspils, omdat daardoor drempels voor toetreding tot die markt zijn gecreëerd.

84 Hieruit volgt dat in casu de door het bestreden besluit als misbruik aangemerkte gedraging bestaat in de verwijdering van de spoorlijn als zodanig, ongeacht het feit dat het verkeer op deze spoorlijn op 2 september 2008 was opgeschort en deze spoorlijn niet is gerepareerd.

85 Aangezien verzoekster met haar betoog betwist dat de verwijdering van de spoorlijn als zodanig kan worden aangemerkt als potentieel misbruik, zij er in dit verband allereerst aan herinnerd dat de lijst van misbruikpraktijken van artikel 102 VWEU niet uitputtend is, zodat deze bepaling geen uitputtende opsomming geeft van de wijzen waarop in strijd met het in het Unierecht neergelegde verbod misbruik van een machtspositie kan worden gepleegd (zie arrest van 17 februari 2011, TeliaSonera Sverige, C‑52/09, EU:C:2011:83, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve kan in beginsel elke gedraging van een onderneming met een machtspositie die de mededinging op een markt kan beperken, als misbruik worden aangemerkt. Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat de verwijdering van de spoorlijn op zichzelf, los van de opschorting van het verkeer en het ontbreken van reparatie, als potentieel misbruik kan worden aangemerkt.

86 Derhalve moet worden nagegaan of in casu de Commissie in het bestreden besluit aan de hand van het juiste juridische criterium heeft vastgesteld dat de betrokken praktijk, namelijk de verwijdering van de spoorlijn, misbruik van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU opleverde.

87 Om te beginnen zij erop gewezen dat de rechtspraak inzake essentiële infrastructuur in wezen betrekking heeft op omstandigheden waarin een – met name op het eigendomsrecht gebaseerde – weigering van een onderneming met een machtspositie om een levering te verrichten, misbruik van een machtspositie kan vormen. Deze rechtspraak heeft dus met name betrekking op situaties waarin de vrije uitoefening van een exclusief recht, dat een beloning vormt voor een investering of een creatie, in het belang van een onvervalste mededinging op de interne markt kan worden beperkt (zie arrest van 1 juli 2010, AstraZeneca/Commissie, T‑321/05, EU:T:2010:266, punt 679 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88 Meer bepaald is deze beperking, die uiteindelijk leidt tot de oplegging van een leveringsverplichting, toegestaan op voorwaarde dat sprake is van de drie uitzonderlijke omstandigheden die het Hof met name heeft gepreciseerd in het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569).

89 In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), heeft het Hof geoordeeld dat de weigering door een onderneming met een machtspositie om toegang tot een dienst te verlenen, misbruik in de zin van artikel 102 VWEU kan opleveren, indien deze weigering elke mededinging op de markt door de verzoeker van de dienst kan uitsluiten, niet objectief kan worden gerechtvaardigd, en de dienst op zich onontbeerlijk is voor de uitoefening van de werkzaamheid van deze verzoeker (arrest van 26 november 1998, Bronner, C‑7/97, EU:C:1998:569, punt 41; zie ook arrest van 9 september 2009, Clearstream/Commissie, T‑301/04, EU:T:2009:317, punt 147 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

90 De in het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), vermelde uitzonderlijke omstandigheden zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat de verplichting voor een onderneming met een machtspositie om toegang tot haar infrastructuur te verlenen, uiteindelijk de mededinging niet belemmert, omdat de aanvankelijke prikkel voor deze onderneming om een dergelijke infrastructuur te bouwen, afneemt. De prikkel voor een dominante onderneming om in infrastructuur te investeren zou immers afnemen, indien haar concurrenten desgevraagd van de voordelen ervan zouden kunnen profiteren (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Bronner, C‑7/97, EU:C:1998:264, punt 57).

91 Een dergelijk vereiste van bescherming van de prikkel voor de onderneming met een machtspositie om te investeren in de bouw van essentiële infrastructuur geldt echter niet meer wanneer de toepasselijke regelgeving de onderneming met een machtspositie al een leveringsverplichting oplegt of wanneer de door de onderneming op de markt verworven machtspositie voortvloeit uit een oud staatsmonopolie.

92 In de rechtspraak is dus erkend dat de in het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), genoemde uitzonderlijke omstandigheden waren geformuleerd en toegepast in het kader van zaken waar het draaide om de vraag of op basis van artikel 102 VWEU van de onderneming met een machtspositie kan worden verlangd dat zij andere ondernemingen toegang tot een product of een dienst verleent wanneer daartoe geen wettelijke verplichting bestaat (arrest van 13 december 2018, Slovak Telekom/Commissie, T‑851/14, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2018:929, punt 118). Wanneer er een wettelijke leveringsverplichting bestaat, heeft de wetgever de noodzakelijke afweging van de economische prikkels, waarvan de bescherming de toepassing van de in het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), uiteengezette uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigt, immers reeds gemaakt op het ogenblik dat een dergelijke verplichting is opgelegd.

93 In de rechtspraak is ook erkend dat wanneer een machtspositie is ontstaan als gevolg van een oud wettelijk monopolie, deze omstandigheid in aanmerking moest worden genomen in het kader van de toepassing van artikel 102 VWEU (zie in die zin arrest van 27 maart 2012, Post Danmark, C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit geldt a fortiori wanneer de onderneming met een wettelijk monopolie niet heeft geïnvesteerd in de bouw van de infrastructuur, aangezien deze met overheidsmiddelen is gebouwd en ontwikkeld.

94 In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat verzoekster een uit een wettelijk monopolie voortvloeiende machtspositie heeft op de markt voor het beheer van spoorweginfrastructuur. Voorts heeft verzoekster niet geïnvesteerd in het Litouwse spoorwegnet, dat eigendom is van de Litouwse Staat en met overheidsmiddelen is gebouwd en ontwikkeld.

95 In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat verzoekster geen recht bezit op de vrije uitoefening van een exclusief eigendomsrecht, dat een beloning vormt voor een investering of een creatie. In haar hoedanigheid van beheerder van de Litouwse spoorweginfrastructuur heeft zij krachtens zowel het Unierecht als het nationale recht de taak toegang tot de openbare spoorweginfrastructuur te verlenen, de goede technische staat van die infrastructuur en een veilig en ononderbroken spoorwegverkeer te verzekeren, en bij verstoring van het spoorwegverkeer alle nodige maatregelen te nemen om de normale toestand te herstellen.

96 Opgemerkt zij immers dat artikel 10 van richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap (PB 1991, L 237, blz. 25), in de Unie gevestigde spoorwegondernemingen onder billijke voorwaarden toegang tot de spoorweginfrastructuur verleende met het oog op de exploitatie van dergelijke diensten in alle lidstaten. Daarnaast verleende artikel 5 van richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PB 2001, L 75, blz. 29), spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende basis recht op het minimumtoegangspakket en op de toegang via het spoor tot voorzieningen, als omschreven in bijlage II van deze richtlijn. Zoals in overweging 131 van het bestreden besluit is opgemerkt, definiëren de regels inzake de toewijzing van infrastructuurcapaciteit van de openbare spoorwegen op nationaal niveau de categorieën infrastructuurdiensten die overeenkomen met de lijst van diensten in bijlage II bij richtlijn 2001/14. In het bijzonder moeten volgens lid 57 van die regels het „minimumtoegangspakket” en de toegang tot de spoorweginfrastructuur op een niet-discriminerende basis worden verstrekt.

97 Zoals blijkt uit overweging 122 van het bestreden besluit, bepaalde artikel 29, lid 1, van richtlijn 2001/14 dat „[b]ij verstoring van het treinverkeer ten gevolge van een technisch defect of een ongeval [...] de infrastructuurbeheerder alle nodige stappen [moest] zetten om de normale toestand te herstellen”. Overeenkomstig artikel 8, lid 1, punt 4, van de Lietuvos Respublikos geležinkelių transporto sektoriaus reformos įstatymas (wet op de hervorming van het spoorvervoer van de Republiek Litouwen) van 27 april 2004 (Žin., 2004, nr. 61‑2182), die van kracht was tot 8 oktober 2011, was verzoekster verplicht de goede technische staat van de openbare spoorweginfrastructuur en een veilig en ononderbroken spoorwegverkeer te verzekeren. Bovendien bepaalt lid 69 van de regels inzake de toewijzing van infrastructuurcapaciteit van de openbare spoorwegen, die op 19 mei 2004 zijn vastgesteld bij besluit nr. 611 van de regering van de Republiek Litouwen, zoals gewijzigd bij besluit nr. 167 van 15 februari 2006, dat de infrastructuurbeheerder bij verstoring van het treinverkeer ten gevolge van een spoorwegongeval, alle nodige maatregelen moet nemen om de normale toestand te herstellen.

98 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat, anders dan verzoekster stelt, de betreffende gedraging, te weten de verwijdering van de gehele spoorlijn, gelet op de relevante regelgeving, niet kan worden onderzocht in het licht van de vaste rechtspraak inzake de weigering van toegang tot essentiële infrastructuur, maar moet worden beschouwd als een gedraging die de toetreding tot de markt kan verhinderen door de toegang ertoe te bemoeilijken, en aldus tot uitsluiting van de mededinging kan leiden. Hieruit volgt dat de vraag of verzoekster krachtens artikel 102 VWEU verplicht was om de spoorlijn te repareren, niet relevant is voor de onderhavige zaak.

99 Derhalve heeft de Commissie geen fout gemaakt door niet te beoordelen of de litigieuze gedraging voldeed aan de in punt 41 van het arrest van 26 november 1998, Bronner (C‑7/97, EU:C:1998:569), gestelde voorwaarden inzake de onontbeerlijkheid van de dienst waartoe de toegang was geweigerd, en inzake de uitsluiting van elke mededinging. Behoudens een eventuele objectieve rechtvaardiging, volstond immers het bewijs dat het ging om een gedraging die de mededinging kon beperken en met name de toetreding tot de markt kon belemmeren (zie in die zin arrest van 6 december 2012, AstraZeneca/Commissie, C‑457/10 P, EU:C:2012:770, punten 149 en 153).

100 In antwoord op het betoog van de Commissie tracht verzoekster deze conclusie op losse schroeven te zetten door te stellen dat zij krachtens artikel 102 VWEU niet verplicht was om haar middelen in nieuwe infrastructuur te investeren, aangezien de spoorlijn volledig vervallen was en niet meer kon worden gebruikt. In het bijzonder betoogt verzoekster dat geen enkele bepaling van nationaal recht haar een absolute verplichting oplegde om haar zeer beperkte middelen te investeren in nieuwe infrastructuur ter vervanging van een volledig vervallen spoorlijn, terwijl andere routes op het spoorwegnet beschikbaar waren.

101 Dienaangaande zij opgemerkt dat dit betoog is gebaseerd op de premisse dat de Commissie, in plaats van te onderzoeken of de verwijdering van de spoorlijn misbruik opleverde, in het licht van de rechtspraak over essentiële infrastructuur had moeten onderzoeken of het niet-repareren daarvan als misbruik kon worden aangemerkt. Uit de analyse in de punten 98 en 99 hierboven blijkt dat deze premisse onjuist is.

102 Wat betreft het argument dat de Commissie zelf vóór de mededeling van punten van bezwaar voornemens was het juridische criterium op basis van de rechtspraak inzake toegang tot essentiële infrastructuur toe te passen, aangezien de diensten van de Commissie op een bijeenkomst met verzoekster op 25 maart 2013 zouden hebben uiteengezet dat de schadetheorie in de onderhavige zaak was gebaseerd op de premisse dat de verwijdering van de spoorlijn een weigering vormde om LDZ toegang te verlenen tot essentiële infrastructuurdiensten, volstaat het op te merken dat het feit dat het proces-verbaal van een bijeenkomst met de vertegenwoordigers van de diensten van de Commissie vóór de mededeling van punten van bezwaar, dat uitsluitend was opgesteld door de raadsman van verzoekster en niet was goedgekeurd door de Commissie, vermeldt dat de door haar eerder in aanmerking genomen „schadetheorie” een weigering zou kunnen zijn geweest om LDZ essentiële diensten te leveren, de Commissie niet kan binden in haar beoordeling in het bestreden besluit. Voorts blijkt uitdrukkelijk uit het betreffende proces-verbaal dat de tijdens de vergadering geuite meningen slechts voorlopige standpunten waren en dat de Commissie ook andere schadetheorieën in overweging kon nemen. In het bijzonder blijkt uit de tweede paragraaf van de afdeling „Schadetheorie” van dat proces-verbaal dat de verwijdering van de spoorlijn volgens de Commissie ook als een mededingingsbeperking naar strekking kon worden beschouwd, aangezien zij de mededinging bij de levering van spoorwegvervoersdiensten zou kunnen hebben belemmerd.

103 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de Commissie niet verplicht was te beoordelen of verzoeksters gedraging verenigbaar was met artikel 102 VWEU in het licht van de vaste rechtspraak inzake de weigering om toegang tot essentiële infrastructuur te verlenen.

104 Derhalve moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.

2. Tweede middel: beoordelingsfouten en juridische fouten bij de toepassing van artikel 102 VWEU wat de beoordeling van de betrokken praktijk betreft

105 Met haar tweede middel voert verzoekster in wezen schending van artikel 102 VWEU aan, alsmede kennelijke beoordelingsfouten wat betreft de beoordeling van de betrokken praktijk, aangezien volgens haar, in de juridische en feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval, de verwijdering van de spoorlijn, die niet-essentiële en vervallen infrastructuur was, geen misbruik van een machtspositie opleverde. Zelfs al had de verwijdering van dergelijke infrastructuur in zeer uitzonderlijke omstandigheden misbruik kunnen opleveren, hoewel niet was voldaan aan de in de rechtspraak gestelde en in het kader van het eerste middel gememoreerde voorwaarden, de Commissie heeft volgens verzoekster in het bijzonder niet rechtens genoegzaam aangetoond dat in casu met betrekking tot de spoorlijn sprake was van dergelijke zeer uitzonderlijke omstandigheden.

106 Verzoekster splitst het tweede middel in vier onderdelen.

107 Vooraf zij eraan herinnerd dat de wettigheidstoetsing van artikel 263 VWEU betrekking heeft op alle aspecten van de in procedures op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU vastgestelde besluiten van de Commissie, welke door het Gerecht grondig, zowel juridisch als feitelijk, worden getoetst op basis van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen en rekening houdende met alle door haar aangedragen informatie (zie arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie, C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

a) Eerste onderdeel van het tweede middel: fouten bij de door de Commissie geuite „twijfels” over het bestaan van de defecten aan de spoorlijn

108 Met het eerste onderdeel van het tweede middel verwijt verzoekster de Commissie het recht onjuist te hebben toegepast en tegelijkertijd een onjuiste beoordeling te hebben gemaakt, omdat de geuite twijfels over het bestaan en het belang van de defecten aan de spoorlijn voor de verkeersveiligheid ongegrond zijn. In het bijzonder verwijt verzoekster de Commissie te hebben verklaard dat de verwijdering van de spoorlijn „niet gerechtvaardigd” was en dat de technische uitleg die zij had gegeven over de spoorlijn en de defecten eraan „weinig overtuigend” was. Zij voert ook aan dat de „twijfels” over het bestaan en het belang van de defecten aan de spoorlijn in werkelijkheid waren ingegeven door de omstandigheid dat de Commissie vermoedde dat zij veiligheidsproblemen had gebruikt als voorwendsel om haar gedrag te verhullen.

109 Ter ondersteuning van dit eerste onderdeel formuleert verzoekster vier grieven.

1) Eerste grief van het eerste onderdeel: twijfels over de vervorming van de spoorlijn

110 Met haar eerste grief voert verzoekster aan dat de door de Commissie geuite twijfels met betrekking tot de vervorming volstrekt ongegrond zijn. Verzoekster betoogt dat de twijfels van de Commissie over het bestaan van de vervorming zijn ingegeven door vermoedens die verband houden met de omstandigheid dat zij veiligheidsproblemen heeft aangevoerd om haar gedrag te rechtvaardigen. In dit verband stelt zij dat de vervorming namelijk al snel is gemeld door meerdere werknemers die mede zorgden voor de controle van de spoorlijn of daarvoor verantwoordelijk waren, en dat deze werknemers in hun rapporten allemaal een consistente beschrijving van de vervorming hebben gegeven. Volgens verzoekster is er dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat zij allen hebben kunnen „samenspannen” om een onbestaande vervorming „te verzinnen”.

111 De Commissie en interveniënte betwisten deze grief.

112 In casu volstaat de vaststelling dat, zoals verzoekster zelf erkent, de Commissie in overweging 181 van het bestreden besluit heeft aangegeven dat zij, ondanks haar twijfels over het bestaan van de vervorming, haar analyse had gebaseerd op de veronderstelling dat deze zich had voorgedaan zoals verzoekster had uiteengezet. In het bijzonder was de Commissie van mening dat er onvoldoende bewijs was om verzoeksters stellingen betreffende het ontstaan en de omvang van de vervorming te ontkrachten, hetgeen zij ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht opnieuw heeft bevestigd. Bovendien heeft de Commissie, net als verzoekster, erkend dat de vervorming in verschillende door LG overgelegde schriftelijke stukken was geregistreerd. Uit overweging 179 van het bestreden besluit blijkt ook dat de Commissie de omstandigheden waarin de vervorming is ontstaan niet heeft onderzocht om aan te tonen dat verzoekster te kwader trouw had gehandeld door de vervorming zonder meer te verzinnen, maar enkel omdat interveniënte had aangevoerd dat de vervorming zich niet op de door verzoekster beschreven wijze had kunnen voordoen, hetgeen verzoekster heftig heeft betwist.

113 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat verzoeksters betoog inzake vermeende twijfels van de Commissie omtrent het bestaan van de vervorming van de spoorlijn moet worden afgewezen.

2) Tweede grief van het eerste onderdeel: onjuiste beoordeling van de bewering dat de verwijdering van de spoorlijn uitsluitend het gevolg was van de vervorming

114 Met haar tweede grief betwist verzoekster de bewering in overweging 329 van het bestreden besluit dat zij aanvankelijk, in haar antwoord op het eerste verzoek om inlichtingen van 6 januari 2012, heeft aangevoerd dat de verwijdering van de gehele spoorlijn uitsluitend het gevolg was van de vervorming. Dienaangaande betoogt zij dat zij in haar antwoord heeft verwezen naar de gedetailleerde beschrijving van de procedure die tot de sluiting en de verwijdering van de spoorlijn had geleid. Volgens verzoekster heeft zij dus zowel in haar antwoord op het eerste verzoek om inlichtingen als in haar opmerkingen over de mededeling van punten van bezwaar dezelfde argumenten aangevoerd, namelijk dat de vervorming voor haar weliswaar aanleiding was om de spoorlijn in haar geheel te beoordelen, maar de algemene staat van de spoorlijn, en niet de enkele vervorming, de verwijdering ervan had gerechtvaardigd.

115 De Commissie en interveniënte betwisten deze grief.

116 In casu moet worden opgemerkt dat, zoals is vastgesteld in overweging 329 van het bestreden besluit, verzoekster in haar antwoord op het eerste verzoek om inlichtingen heeft verklaard dat „[d]e sluiting en de daaropvolgende verwijdering van het Litouwse gedeelte van de [spoorlijn] het gevolg [waren] van het incident dat zich op 2 september 2008 op de spoorlijn [had] voorgedaan”. Vlak na deze zin heeft verzoekster echter verwezen naar „de gedetailleerde beschrijving van de procedure die tot de sluiting en de verwijdering [van de spoorlijn had] geleid”.

117 Gesteld al dat de bewering, in het bestreden besluit, dat verzoekster aanvankelijk had aangevoerd dat de verwijdering van de spoorlijn het gevolg was van de vervorming niet juist is weergegeven, zoals zij stelt, dient te worden vastgesteld dat deze omstandigheid niet relevant is, aangezien de Commissie haar analyse in het bestreden besluit niet op deze bewering heeft gebaseerd, maar op verzoeksters betoog in antwoord op de mededeling van punten van bezwaar. De litigieuze bewering is namelijk enkel gebruikt om uit te sluiten dat de vervorming op zich de verwijdering van de gehele spoorlijn had kunnen rechtvaardigen.

118 Bijgevolg moet verzoeksters grief worden afgewezen.

3) Derde grief van het eerste onderdeel: onjuiste beoordeling van de verschillen tussen de rapporten van 5 september 2008 en de brieven van 4 en 5 september 2008

119 Met haar derde grief betoogt verzoekster dat de vermeende, niet-verklaarde, door de Commissie in overweging 334 van het bestreden besluit opgemerkte verschillen tussen de rapporten van 5 september 2008 enerzijds en de twee brieven van de plaatselijke directeur van een bijkantoor van verzoekster (hierna: „plaatselijke directeur”) van 4 en 5 september 2008 anderzijds, in die zin dat de rapporten vermeldden dat een plaatselijke reparatie van de vervorming voldoende was, terwijl de brieven van de plaatselijke directeur wezen op de noodzaak van uitgebreidere werkzaamheden aan de spoorlijn, te wijten zijn aan het feit dat de opdracht van de vier leden van de inspectiecommissie beperkt was tot de analyse van de vervorming en dat zij uitsluitend de plaats van de vervorming hebben onderzocht, en niet de gehele spoorlijn. De opdracht van de plaatselijke directeur, aan wie de leden van de inspectiecommissie hun rapporten hebben overgelegd, was daarentegen niet beperkt. Hij was namelijk de meest ervaren werknemer, aangezien hij verantwoordelijk was voor de infrastructuur en de verkeersveiligheid in zijn regio, en hoofdzakelijk verantwoordelijk was voor de beoordeling van de betekenis van het incident voor de veiligheid van de gehele spoorlijn. Op basis van zijn ervaring met de spoorlijn en gelet op het feit dat een zo ernstig incident als de vervorming, die desastreuze gevolgen had kunnen hebben voor het milieu (olieverontreiniging) en zich ook op een ander gedeelte van de spoorlijn had kunnen voordoen, niet had kunnen worden voorkomen door alle eerder genomen maatregelen – met name de kleine reparaties en de verlaging van de snelheid tot 25 km/u – is hij tot de conclusie gekomen dat de gehele spoorlijn moest worden gerenoveerd, dat wil zeggen opnieuw aangelegd, om het verkeer in alle veiligheid opnieuw op te starten. Voorts benadrukt verzoekster dat zij wel degelijk op de hoogte was van de snelheidsbeperking op de spoorlijn, zodat de Commissie geen enkele conclusie kon trekken uit de omstandigheid dat de plaatselijke directeur in zijn brieven van 4 en 5 september 2008 niet uitdrukkelijk had vermeld dat de vervorming niet was verhinderd door de beperking van de maximumsnelheid.

120 De Commissie en interveniënte betwisten deze grief.

121 In dit verband zij eraan herinnerd dat verzoekster op 3 september 2008 een inspectiecommissie heeft ingesteld, bestaande uit leden van het management van haar plaatselijke dochteronderneming, om de oorzaken van de vervorming te onderzoeken. De inspectiecommissie heeft alleen de plaats van de vervorming bezocht en geïnspecteerd. Haar conclusies hadden dus uitsluitend betrekking op de staat van de spoorlijn op die plaats. De inspectiecommissie heeft twee rapporten ingediend, namelijk het onderzoeksrapport van 5 september 2008 en het technisch rapport van 5 september 2008.

122 Volgens het onderzoeksrapport van 5 september 2008 is de vervorming veroorzaakt door de fysieke slijtage van een groot aantal bestanddelen van de spoorlijnstructuur. Dit onderzoeksrapport heeft ook bevestigd dat het verkeer opgeschort moest blijven „totdat alle renovatie- en reparatiewerkzaamheden [zouden] zijn voltooid”.

123 De opmerkingen in het onderzoeksrapport van 5 september 2008 zijn bevestigd in het technisch rapport van 5 september 2008, waarin, net als in het onderzoeksrapport, uitsluitend wordt verwezen naar de plaats van de vervorming en als oorzaak van de vervorming diverse problemen met betrekking tot de spoorlijnstructuur worden aangewezen. In het technisch rapport van 5 september 2008 is geconcludeerd dat het spoorwegongeval dat had plaatsgevonden in de vorm van een vervorming op de spoorlijn als incident moest worden aangemerkt en dat het te wijten was aan de fysieke slijtage van de bovenste onderdelen van de spoorlijnstructuur.

124 Op 4 september 2008, één dag voordat de inspectiecommissie de rapporten van 5 september 2008 heeft overgelegd, had de plaatselijke directeur een brief verzonden naar de directie spoorweginfrastructuur van LG. In die brief constateerde de plaatselijke directeur hetzelfde als in de rapporten van 5 september 2008 was geconstateerd, maar kwam tot de conclusie dat „een gedeeltelijke reparatie van de spoorweg het probleem niet [zou] oplossen” en verzocht om toestemming en financiering voor de uitvoering van een project voor de reparatie van de gehele spoorlijn.

125 De plaatselijke directeur heeft zijn conclusies herhaald in een tweede brief van 5 september 2008, waarin hij de kosten van de werkzaamheden op 38 miljoen Litouwse litas (LTL), of ongeveer 11,2 miljoen EUR, raamde.

126 Ten eerste zij dus opgemerkt dat uit de inhoud van de brieven van 4 en 5 september 2008 van de plaatselijke directeur niet duidelijk blijkt dat, zoals verzoekster betoogt, zijn mandaat ruimer was dan de plaats van de vervorming, waardoor hij de staat van de gehele spoorlijn moest beoordelen, terwijl de op 3 september 2008 ingestelde inspectiecommissie haar onderzoek had beperkt tot de plaats van de vervorming. In de brief van 4 september 2008 heeft de auteur immers enkel vermeld dat tijdens een regelmatige inspectie was gewezen op een vervorming aan de achttiende kilometer van de spoorlijn, vervolgens de resultaten van de inspectie betreffende de oorzaak van de vervorming opgesomd en de brief afgesloten met de verklaring dat „een gedeeltelijke reparatie het probleem niet [zou] oplossen”. Hij heeft tevens verzocht om toestemming en financiering voor de uitvoering van een project voor de reparatie van de gehele spoorlijn. Ook de brief van 5 september 2008 is een beknopte brief waarin de plaatselijke directeur de datum en het tijdstip van de vervorming heeft aangegeven en hij van mening was dat over de gehele spoorlijn werkzaamheden nodig waren om het verkeer op die spoorlijn te hervatten. Ook raamde hij de kosten van de werkzaamheden op 38 miljoen LTL en verzocht de geadresseerde om steun bij de toewijzing van middelen voor de uitvoering van deze werkzaamheden.

127 Ten tweede moet, zoals de Commissie opmerkt, worden vastgesteld dat de leden van de op 3 september 2008 ingestelde inspectiecommissie, die de rapporten van 5 september 2008 hebben opgesteld en een plaatselijke reparatie van de vervorming hebben aanbevolen, leden waren van het hogere management van hetzelfde bijkantoor van LG als de plaatselijke directeur en, net als die directeur, de geschiedenis van de spoorlijn moesten kennen.

128 Ten derde moet, zoals is vastgesteld in overweging 332 van het bestreden besluit, worden opgemerkt dat bij vergelijking van de rapporten van 5 september 2008 met de brief van de plaatselijke directeur van 4 september 2008, zoals samengevat in tabel nr. 2 in overweging 46 van het bestreden besluit, blijkt dat de drie documenten melding maken van dezelfde problemen met de spoorlijnstructuur. Bijgevolg valt moeilijk in te zien waarom in de rapporten van 5 september 2008 reparaties op de plaats van de vervorming waren aanbevolen, terwijl in de brieven van 4 en 5 september 2008 werd gepleit voor uitgebreide reparatiewerkzaamheden aan de gehele spoorweg.

129 Ten vierde moet worden aangenomen dat verzoekster niet op goede gronden kan stellen dat de plaatselijke directeur had geconcludeerd dat de spoorlijn moest worden verwijderd en volledig opnieuw moest worden aangelegd op basis van zijn ervaring met de spoorlijn en het feit dat de eerder genomen maatregelen, met name de snelheidsbeperkingen, niet hadden verhinderd dat zich een vervorming had voorgedaan. De brieven van de plaatselijke directeur van 4 en 5 september 2008 maken namelijk geen melding van een vermeende mislukking van de eerdere maatregelen, zoals de snelheidsbeperking. In het bijzonder is in de brief van de plaatselijke directeur van 4 september 2008 zonder nadere verduidelijking enkel vastgesteld dat „een gedeeltelijke reparatie het probleem niet [zou] oplossen”. Bovendien kan de omstandigheid dat de snelheidsbeperking op de spoorlijn binnen LG algemeen bekend was, mocht zij al bewezen zijn, niet verhelpen dat niet wordt vermeld dat eerdere maatregelen waren mislukt, en kan zij in geen geval de inconsistenties tussen de rapporten van 5 september 2008 en de brieven van de plaatselijke directeur rechtvaardigen.

130 Hieruit volgt dat de door verzoekster aangevoerde redenen voor de verschillen tussen de rapporten van 5 september 2008 en de brieven van de plaatselijke directeur van 4 en 5 september 2008 niet volstaan om de door de Commissie in het bestreden besluit vastgestelde inconsistenties te ontkrachten.

131 Deze grief van verzoekster moet dan ook worden afgewezen.

4) Vierde grief van het eerste onderdeel: de Commissie heeft ten onrechte de argumenten betreffende de systemische problemen met de spoorwegbedding afgewezen

132 Met haar vierde grief betoogt verzoekster dat de door haar aangevoerde argumenten met betrekking tot de systemische problemen met de spoorwegbedding niet inconsistent of weinig overtuigend waren, zoals de Commissie in het bestreden besluit heeft gemeend. Volgens haar zijn deze argumenten te verklaren door de bijzondere omstandigheid dat een deskundige op het gebied van spoorwegbeddingen en ballast pas laat, op 11 september 2008, de spoorlijn heeft kunnen analyseren. De op 10 september 2018 ingestelde buitengewone commissie, die de spoorlijn heeft onderzocht, heeft met name vastgesteld dat de staat van de ballast aanzienlijk was verslechterd, dat sprake was van vier „geulen” waaruit „gebreken aan het ballastbed” bleken, en dat een beddingbreedte niet voldeed aan de technische voorschriften. Op basis van deze vaststellingen heeft de buitengewone commissie geconcludeerd dat de vervorming moest zijn veroorzaakt door systemische problemen met het bevestigingssysteem en de spoorwegbedding. Volgens verzoekster hield deze conclusie niet in dat de ballast moest worden afgegraven. Deze volstrekt zichtbare gebreken betreffende met name de staat en de vorm van de ballast, die sterke aanwijzingen waren dat de bedding in het algemeen in slechte staat verkeerde, waren op zich namelijk voldoende voor de deskundigen om tot hun conclusies te komen.

133 Volgens verzoekster was de spoorlijn bovendien in een zeer slechte algemene staat en was het door het ontstaan van de vervorming voor de buitengewone commissie duidelijk dat de tot dan toe vastgestelde gerichte maatregelen (kleine reparaties aan de spoorlijnstructuur en snelheidsbeperkingen) niet zouden volstaan om de ernstige veiligheidsproblemen op te lossen. Op basis van de duidelijke technische conclusies van de deskundige in spoorwegbeddingen en ballast alsmede die van de buitengewone commissie in haar geheel bestond er vanuit het oogpunt van verzoekster dus geen andere oplossing dan de gehele spoorlijn opnieuw aan te leggen om andere gevaarlijke incidenten of zelfs ongevallen te voorkomen. Volgens verzoekster vormde deze nieuwe algemene en gedetailleerde beoordeling van de spoorlijn in haar geheel dan ook de grondslag voor de beslissing om de spoorlijn te verwijderen.

134 De Commissie en interveniënte betwisten deze grief.

135 In casu zij eraan herinnerd dat de Commissie in overweging 336 van het bestreden besluit heeft opgemerkt dat verzoekster in haar correspondentie met de minister van Transport en Communicatie en haar opmerkingen tijdens de administratieve procedure vaak had gesteld dat de voornaamste reden voor de verwijdering van de gehele spoorlijn een systemisch probleem was met de spoorwegbedding, namelijk een verslechterde staat van de ballast waardoor die spoorwegbedding was versmald, hetgeen alleen kon worden gerepareerd door de verwijdering van de spoorlijnstructuur. In overweging 337 van het bestreden besluit heeft de Commissie echter benadrukt dat de staat van de spoorlijn minstens sinds een eerder rapport van 3 september 2004 bekend was en dat er niettemin geen enkel systemisch probleem met de spoorwegbedding was gemeld tot het buitengewone inspectierapport van 12 september 2008, hoewel de spoorlijn tussen die twee data regelmatig was gecontroleerd.

136 Voorts heeft de Commissie in overweging 338 van het bestreden besluit gepreciseerd dat verzoekster in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar had verklaard dat, anders dan de inspectiecommissie die de rapporten van 5 september 2008 had opgesteld en geen enkel probleem met de spoorwegbedding had vastgesteld, de op 10 september 2008 opgerichte buitengewone inspectiecommissie deskundigen in spoorwegbeddingen en ballast onder haar leden telde, die van mening waren dat „de ballast moest worden afgegraven om het ballastbed te analyseren, aangezien de slechte staat van het ballastbed niet zichtbaar was”.

137 Uit overweging 339 van het bestreden besluit blijkt echter dat verzoekster, in antwoord op het verzoek van de Commissie om nadere inlichtingen over deze nieuwe uitleg, heeft verklaard dat de buitengewone inspectiecommissie geen ballast van de spoorlijn had afgegraven.

138 Bovendien blijkt uit overweging 340 van het bestreden besluit dat verzoekster in haar antwoord op de letter of facts haar uitleg opnieuw heeft gewijzigd. Zij heeft daarin namelijk gesteld dat de buitengewone inspectiecommissie voornamelijk tot doel had de spoorlijn visueel te beoordelen teneinde zichtbare gebreken op te sporen. Volgens verzoekster kon pas na de opsporing van deze visuele gebreken een bijzondere analyse worden verricht. In dezelfde overweging van het bestreden besluit wordt er evenwel op gewezen dat geen van deze gebreken in het buitengewone inspectierapport van 12 september 2008 was vermeld en dat de beslissing om de spoorlijn te verwijderen was genomen voordat de inspectiecommissie enige bijzondere analyse had verricht die een afgraving van de ballast zou hebben omvat.

139 In de eerste plaats moet dus worden vastgesteld dat het inspectierapport van de buitengewone commissie van 12 september 2008 twee verschillende afdelingen bevatte, waarvan de ene betrekking had op de hoofdkenmerken van de spoorlijn en de andere op de gebreken die als gevolg van de vervorming langs deze spoorlijn waren vastgesteld. In dit inspectierapport is de mate waarin de staat van de ballast was verslechterd niet vermeld bij de gebreken die langs de spoorlijn waren vastgesteld, maar wel in het gedeelte over de hoofdkenmerken van de spoorlijn, naast andere gegevens, zoals met name het type rails, het type spoorbielzen en de verkeersintensiteit. Hieruit volgt dat de verslechterde staat van de ballast, zoals vermeld in het inspectierapport van de buitengewone commissie van 12 september 2008, namelijk in het gedeelte over de vaste en objectieve kenmerken van de spoorlijn, niet relevant is als verklaring voor de noodzaak om de gehele spoorlijn te verwijderen.

140 Bovendien bestond het enige in het betreffende rapport vermelde gebrek aan de spoorwegbedding uit vier „geulen”, die wezen op „gebreken aan de bedding” en een beddingbreedte die niet voldeed aan de technische voorschriften. Zoals de Commissie opmerkt, legt verzoekster evenwel niet uit waarom de spoorlijn door het ontstaan van vier geulen in haar geheel moest worden verwijderd.

141 Wat in de tweede plaats het argument betreft dat de ballast niet hoefde te worden afgegraven voor de conclusie van de buitengewone commissie dat er problemen waren met de bedding, moet worden opgemerkt dat een dergelijk argument, gesteld dat het wordt bewezen, in tegenspraak is met het door verzoekster in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar aangevoerde argument dat de slechte staat van het ballastbed niet zichtbaar was en dat de ballast moest worden afgegraven om het bed te onderzoeken. Deze tegenstrijdigheid bevestigt verzoeksters moeilijkheden om de verwijdering van de spoorlijn op consistente wijze te rechtvaardigen.

142 In de derde en laatste plaats moet worden vastgesteld dat de door verzoekster ter ondersteuning van de vierde grief aangevoerde argumenten niet volstaan als verklaring voor de andere inconsistenties waarop de Commissie in het bestreden besluit, met name in overweging 340, heeft gewezen.

143 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Commissie geen beoordelingsfout heeft gemaakt door te concluderen dat verzoeksters argumenten betreffende de systemische problemen met de spoorwegbedding inconsistent of weinig overtuigend waren.

144 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat zij op basis van de zeer slechte algemene staat van de spoorlijn, in combinatie met de nieuwe diepgaande algemene evaluatie ervan in haar geheel door de buitengewone commissie na de vaststelling van de vervorming, tot het standpunt was gekomen dat een heraanleg van de gehele spoorlijn noodzakelijk was om het verkeer veilig te hervatten. Een dergelijk argument is namelijk niet relevant om af te doen aan de twijfels die de Commissie op basis van de door verzoekster overgelegde stukken heeft geuit met betrekking tot de systemische problemen met de spoorwegbedding. Aangezien dit argument in het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel is herhaald, zal het hoe dan ook in het kader daarvan worden onderzocht.

145 Derhalve dient verzoeksters grief te worden afgewezen.

146 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat geen van de door verzoekster ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het tweede middel aangevoerde grieven kan afdoen aan de conclusie van de Commissie in het bestreden besluit dat de verklaringen over het bestaan en het belang van de gebreken aan de spoorlijn voor de verkeersveiligheid onderling onverenigbaar, tegenstrijdig en weinig overtuigend waren.

147 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

b) Tweede onderdeel van het tweede middel: onjuiste beoordeling, voor zover de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat de verwijdering van de spoorlijn „uiterst ongebruikelijk” was

148 Om te beginnen herinnert verzoekster eraan dat zij, op basis van de technische conclusies na de inspectie door de buitengewone commissie, over twee opties beschikte, namelijk, ten eerste, gerichte initiële reparaties, gevolgd door een volledige heraanleg van de gehele spoorlijn binnen een termijn van vijf jaar (hierna: „optie 1”), of, ten tweede, een volledige en onmiddellijke heraanleg van de spoorlijn (hierna: „optie 2”). Vervolgens stelt zij dat, in de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak, de onmiddellijke uitvoering van optie 2 niet „uiterst ongebruikelijk” was, zodat deze omstandigheid niet kon worden gebruikt als essentieel bestanddeel van misbruik.

149 In dit verband voert verzoekster ten eerste aan dat het de spoorlijn is die „uiterst ongebruikelijk” was, aangezien zij ten tijde van de feiten bijna 140 jaar oud was en er sinds 1972 geen enkele grootschalige renovatie had plaatsgevonden. Over de gehele spoorlijn waren verschillende gebreken vastgesteld, maar er waren enkel kleine reparaties uitgevoerd, die waren gecombineerd met snelheidsbeperkingen van het treinverkeer tot 25 km/u. Dergelijke maatregelen, die lang niet in overeenstemming zijn met wat in de sector in Europa gebruikelijk is, zijn volgens verzoekster de uiting van haar zeer moeilijke financiële situatie en die van haar enige aandeelhouder, de Litouwse Staat.

150 Ten tweede betoogt verzoekster dat na het ontstaan van de vervorming en de diepgaande evaluatie van de staat van de gehele spoorlijn door de buitengewone commissie duidelijk was geworden dat een nieuwe, gedeeltelijke en goedkope reparatie de veiligheidsproblemen met de spoorlijn niet zou hebben opgelost. Om die reden heeft verzoekster op 19 september 2008 beslist dat de heraanleg van de spoorlijn (in het kader van optie 1 of optie 2) de enige manier was om de verkeersveiligheid te waarborgen.

151 Ten derde voert verzoekster aan dat van de twee opties waartussen zij heeft moeten kiezen, optie 2 de enige relevante en economisch redelijke oplossing was. Volgens haar zouden de initiële reparaties de verschillende problemen niet echt hebben opgelost, aangezien zelfs bij optie 1 de gehele spoorlijn binnen een termijn van vijf jaar opnieuw moest worden aangelegd. Daarnaast was optie 1 uiteindelijk duurder dan optie 2. Ook moest bij optie 1 heel wat dubbel werk worden verricht, anders dan bij optie 2, waarbij de werkzaamheden in één keer werden uitgevoerd. Bovendien moesten alle voor de initiële reparaties gebruikte materialen bij de latere heraanleg opnieuw worden vervangen.

152 Ten vierde betoogt verzoekster dat, aangezien optie 2 de enige relevante en economisch redelijke oplossing was, zij geen enkele reden had om de uitvoering ervan te vertragen. LDZ heeft overigens zelf uitgelegd dat een spoorlijn doorgaans werd verwijderd wanneer er geen enkele reden was om aan te nemen dat zij opnieuw zou worden gebruikt. LDZ heeft ook bevestigd dat de verwijdering van een spoorlijn een gebruikelijke praktijk was, die noodzakelijk was als de bestaande rails door andere moesten worden vervangen of als renovatiewerkzaamheden zoals de renovatie van de bedding en de ballast nodig waren, die technisch niet konden worden gerealiseerd zolang de rails niet waren verwijderd. Daarnaast voert verzoekster aan dat zij had besloten bepaalde materialen van de spoorlijn te hergebruiken voor de reparatie van andere spoorlijnen. Volgens verzoekster zouden deze materialen tijdens de winter beschadigd zijn geraakt indien zij ze in oktober 2008 niet snel had verwijderd om ze veilig op te slaan. Ten slotte stelt verzoekster dat zij, door de spoorlijn snel te verwijderen en tegelijkertijd middelen aan te vragen voor de heraanleg ervan, voldoende heeft aangetoond aan Orlen, die voortdurend druk op haar uitoefende, dat zij vastbesloten was de spoorlijn opnieuw aan te leggen overeenkomstig de contractuele verplichtingen die op haar rustten.

153 Ten vijfde voert verzoekster aan dat zij ten tijde van de ontmanteling van de spoorlijn, te weten op 3 oktober 2008, redelijkerwijs verwachtte de nodige middelen te verkrijgen voor de heraanleg van de spoorlijn, omdat zij nog niet de gevolgen ondervond van de financiële crisis die werd veroorzaakt door het faillissement van de bank Lehman Brothers in september 2008. In het bijzonder stelt verzoekster dat zij ten tijde van de feiten niet kon voorspellen dat de situatie zo ongunstig zou evolueren dat zij vanaf eind 2008 de uitvoering van haar voornaamste renovatieprojecten, waarvan een betrekking had op de spoorlijn, zou moeten stopzetten. Daarnaast benadrukt verzoekster dat er ten tijde van de feiten nog middelen van de Unie beschikbaar waren voor grote investeringen in spoorweginfrastructuur in de periode 2007‑2013 en dat zij er met recht van was uitgegaan dat zij daarop aanspraak kon maken voor de financiering van de heraanleg van de spoorlijn. De stelling in het bestreden besluit dat zij in de brief van 2 oktober 2008 aan het ministerie van Transport en Communicatie niet echt had geprobeerd om financiering te verkrijgen voor de renovatie van de spoorlijn, is derhalve ongegrond.

154 In haar opmerkingen over de memorie in interventie preciseert verzoekster dat zij niet over voldoende middelen beschikte om alle grote renovatiewerkzaamheden aan haar spoorwegnet uit te voeren en dat zij moest bepalen hoe haar zeer beperkte middelen het best konden worden gebruikt. Op het moment van de verwijdering van de spoorlijn waren er middelen van de Unie beschikbaar en was het enkel nog de vraag hoe een deel van deze middelen aan de spoorlijn zou worden toegewezen. Het incident heeft de analyse van de prioriteiten echter volledig gewijzigd. Volgens verzoekster zouden bovendien alleen al haar eigen middelen, gelet op de nettowinst in 2008, hebben volstaan en waren deze beschikbaar om de heraanleg van de spoorlijn volledig te financieren ingeval financiering door de Unie of de staat zou zijn uitgebleven.

155 De Commissie en interveniënte betwisten dit betoog.

156 Vastgesteld moet worden dat verzoekster met haar betoog de beoordelingen van de Commissie in de overwegingen 184 tot en met 198 van het bestreden besluit betwist, volgens welke, in wezen, ten eerste de spoorlijn in allerijl is verwijderd zonder dat enige voorbereidende stap voor de heraanleg ervan was ondernomen (overwegingen 184‑193 van het bestreden besluit), en ten tweede de verwijdering in strijd was met de gebruikelijke praktijk in de spoorwegsector (overwegingen 194‑198 van het bestreden besluit).

157 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat de Commissie zich in overweging 184 van het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster de spoorlijn in allerijl had verwijderd zonder dat zij de nodige middelen had bijeengebracht en de normale voorbereidende stappen had ondernomen voor de heraanleg ervan. Uit overweging 185 van het bestreden besluit blijkt dat verzoekster in antwoord op het verzoek om inlichtingen van de Commissie heeft toegelicht dat „[h]et Litouwse gedeelte van [de spoorlijn was] verwijderd [...] om werkzaamheden voor de heraanleg ervan uit te voeren en dit zo snel mogelijk opnieuw open te stellen voor het verkeer, omdat de spoorlijn belangrijk was voor Orlen, een van haar grootste klanten”. Verzoekster preciseert ook „onder voortdurende druk van Orlen te hebben gehandeld om de heraanleg van deze spoorlijn te versnellen en bijgevolg alle mogelijke inspanningen te hebben geleverd om zo snel mogelijk de noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren”.

158 In de tweede plaats heeft de Commissie in overweging 186 van het bestreden besluit opgemerkt dat verzoekster destijds van mening was dat zij niet over voldoende middelen beschikte om de spoorlijn te renoveren, en dat het duidelijk was dat een lange administratieve procedure moest worden doorlopen voordat middelen konden worden verkregen voor een project van die omvang. Volgens de destijds door de Litouwse Staat vastgestelde regeling werden de grote infrastructuurwerkzaamheden namelijk gefinancierd met middelen van de Unie, terwijl verzoeksters beperkte middelen slechts voor het lopend onderhoud van de infrastructuur mochten worden gebruikt. Een verzoek om financiering door de Unie moest worden onderbouwd met voorbereidende maatregelen, met inbegrip van een haalbaarheidsstudie die in casu twee jaar heeft geduurd. Het definitieve besluit om structuurfondsen van de Unie te bestemmen voor een project, moest worden genomen door het ministerie van Transport en Communicatie. Derhalve bestond er geen enkele garantie dat financiering zou worden verkregen, zodat de verwijdering van de spoorlijn geenszins spoedeisend was. Ten slotte heeft de Commissie in overweging 187 van het bestreden besluit eveneens opgemerkt dat door de verwijdering van de gehele spoorlijn niet veel tijd kon worden gewonnen wanneer de echte heraanleg had kunnen beginnen nadat alle voorafgaande administratieve fasen waren voltooid.

159 Voorts blijkt uit overweging 188 van het bestreden besluit dat de Commissie verzoekster heeft gevraagd om haar uit te leggen hoe de verwijdering van de spoorlijn in oktober 2008 de heraanleg ervan had kunnen versnellen, aangezien nog een lange en onzekere procedure moest worden doorlopen om de nodige middelen aan te vragen. Blijkens dezelfde overweging heeft verzoekster in haar antwoord in wezen haar stelling herhaald dat de verwijdering van de spoorlijn een noodzakelijke stap was voor de heraanleg ervan en bedoeld was om de resterende werkzaamheden in een korter tijdsbestek te kunnen uitvoeren. Zij voegde daaraan toe dat het geen lange, maar eerder een eenvoudige procedure was, dat „[w]anneer zij de financieringsaanvraag [had] ingediend, [zij] redelijkerwijs mocht verwachten dat de middelen voor dit project zouden worden toegekend” en dat „[d]it vertrouwen [was] versterkt door de omstandigheid dat haar [was] gevraagd een haalbaarheidsstudie voor het project over te leggen”. Volgens overweging 189 van het bestreden besluit heeft verzoekster in haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar haar argument herhaald dat zij de spoorlijn had verwijderd met als enige bedoeling deze zo snel mogelijk te repareren. Zij heeft aangevoerd dat de verwijdering van de spoorlijn geen buitengewone maatregel was, maar veeleer een noodzakelijke maatregel voordat de korte route volledig kon worden gerepareerd en het verkeer kon worden hervat.

160 In de derde plaats heeft de Commissie in overweging 190 van het bestreden besluit opgemerkt dat verzoekster op 2 oktober 2008 in een korte brief aan de minister van Transport en Communicatie had verzocht om financiering, waarbij zij 620 miljoen LTL (ongeveer 179,71 miljoen EUR) had gevraagd voor de renovatie van acht verschillende spoorlijnen, waaronder de aan de orde zijnde spoorlijn, zonder dat over die spoorlijn specifieke opmerkingen waren gemaakt. Daarnaast heeft de Commissie benadrukt dat de normale goedkeuringsprocedure naar verwachting lang zou duren en dat de uitkomst ervan onzeker was. Toch is verzoekster de volgende dag, op 3 oktober 2008, begonnen met het verwijderen van de spoorlijn, zonder zelfs maar het antwoord van de minister van Transport en Communicatie af te wachten. Uit overweging 191 van het bestreden besluit blijkt dat het ministerie van Transport en Communicatie in zijn antwoord, dat zij heeft ontvangen op 28 oktober 2008, heeft vermeld dat, aangezien deze projecten in het verleden niet waren goedgekeurd, niet in financiering was voorzien. Daarnaast heeft het ministerie van Transport en Communicatie verzoekster eraan herinnerd dat de fondsen van de Unie nog beschikbaar waren en haar verzocht om financieringsprojecten op te geven. Aangezien de slagingskansen van het verzoek om financiering echter afhingen van de resultaten van een haalbaarheidsstudie en het besluit van het ministerie van Transport en Communicatie, kon verzoekster volgens de Commissie redelijkerwijs niet verwachten dat de fondsen van de Unie in voorkomend geval binnen een korte termijn zouden worden toegekend.

161 In de vierde plaats heeft de Commissie zich in overweging 192 van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat ook uit het latere optreden van verzoekster bleek dat zij niet had getracht de spoorlijn opnieuw aan te leggen. In dit verband heeft zij met name erop gewezen dat verzoekster nota’s voor de Litouwse regering had voorbereid om te pleiten tegen de heraanleg van de spoorlijn en dat zij enkel had aanbevolen om de renovatie van de spoorlijn aan de lijst van financieringsprioriteiten toe te voegen omdat de regering haar daarom had verzocht.

162 Voorts heeft de Commissie in de overwegingen 194 en volgende van het bestreden besluit nader uiteengezet waarom zij van mening was dat de verwijdering van de spoorlijn „uiterst ongebruikelijk” was en in strijd met de „gangbare praktijk” in de spoorwegsector. De Commissie heeft namelijk ten eerste opgemerkt dat, ook al was het verkeer op meerdere spoorlijnen in Litouwen opgeschort, verzoekster geen ander voorbeeld had kunnen geven van een spoorlijn die was verwijderd voordat de renovatiewerkzaamheden konden worden aangevat.

163 Ten tweede heeft de Commissie in herinnering gebracht dat zij verzoeken om inlichtingen had gezonden aan de spoorweginfrastructuurbeheerders in de twee andere Baltische staten, Estland en Letland. De Estse spoorweginfrastructuurbeheerder heeft slechts één voorbeeld kunnen geven waarin een lang spoorwegtraject was verwijderd. In dat geval was de spoorlijn verwijderd omdat de route op zich was gesloten, opgegeven en vervangen door een andere. De Estse spoorweginfrastructuurbeheerder heeft er ook op gewezen dat de werkzaamheden waarvoor spoorlijnen moeten worden verwijderd, niet tegelijkertijd aan een gehele spoorlijn, maar gespreid worden uitgevoerd, waardoor het verkeer gedurende maximaal twaalf uur is onderbroken. Grote reparatiewerkzaamheden, met inbegrip van de verwijdering van een spoorlijn, mogen pas starten wanneer de administratieve procedure tot goedkeuring ervan is afgerond. LDZ, de Letse spoorweginfrastructuurbeheerder, heeft meegedeeld dat een spoorlijn over het algemeen pas werd verwijderd nadat zij gedurende meerdere jaren niet was gebruikt en alleen indien er geen reden was om aan te nemen dat zij opnieuw in gebruik zou worden genomen. In de twee door LDZ gegeven voorbeelden waren de spoorlijnen na tien en dertien jaar sluiting verwijderd. Bovendien wordt de verwijdering van een spoorlijn in Letland voor reparatiewerkzaamheden stap voor stap uitgevoerd. Dergelijke werkzaamheden starten niet voordat de administratieve procedure is afgerond en de financiering is verzekerd.

164 Wat in de eerste plaats het feit betreft dat de spoorlijn in allerijl was verwijderd, zonder dat enige voorbereidende stappen voor de heraanleg ervan waren genomen, merkt het Gerecht in casu ten eerste op dat uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het tweede middel blijkt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de spoorlijn zich na het ontstaan van de vervorming en de diepgaande evaluatie van de staat van de gehele spoorlijn in een zodanige staat bevond dat het gerechtvaardigd was om deze onmiddellijk volledig te verwijderen. Daarentegen moet worden vastgesteld dat in het inspectierapport van 12 september 2008 van de buitengewone commissie, die de spoorlijn in haar geheel heeft onderzocht, geen gebreken zijn vastgesteld aan de gehele spoorlijn, maar enkel, zoals de Commissie op basis van de door verzoekster verstrekte informatie heeft opgemerkt, aan 1,6 km van de spoorlijn. Bovendien was in een brief van 18 september 2008 van de directie spoorweginfrastructuur van LG aan de strategische planningsraad van LG, die was opgesteld op basis van het inspectierapport van de buitengewone commissie van 12 september 2008, gepreciseerd dat slechts 1,6 km spoorlijn onmiddellijk moest worden heraangelegd. Zoals in overweging 348 van het bestreden besluit terecht is vastgesteld, kunnen problemen op 1,6 km van de 19 km lange spoorlijn niet rechtvaardigen dat deze volledig en onmiddellijk is verwijderd. In deze brief van 18 september 2008 werd inderdaad ook gepreciseerd dat de bevestigingen van de rails moesten worden vervangen over de 19 km van de spoorlijn, dat de spoorwegbedding moest worden gerepareerd, dat de communicatiekabels over de gehele lengte van de spoorlijn moesten worden vervangen en dat de spoorlijn, om de verkeersveiligheid te garanderen, binnen een termijn van vijf jaar volledig zou moeten worden gerepareerd. De brief vermeldde echter niet dat de spoorlijn voor een dergelijke reparatie volledig en onmiddellijk moest worden verwijderd.

165 Ten tweede dient te worden opgemerkt dat verzoekster niet genoegzaam de stelling staaft dat de gebreken die het incident van 2 september 2008 hebben veroorzaakt, op vele andere plaatsen op de gehele spoorlijn waren vastgesteld. Deze stelling is namelijk gebaseerd op een rapport van het centrum voor vooruitgang van de wetenschap en organisatie van de bouw van Warschau (Polen) (rapport-Wacetob), waarvan de Commissie in de overwegingen 349 tot en met 356 van het bestreden besluit aanneemt, zonder daarin te worden weersproken door verzoekster, dat dit geen bewijskracht heeft en verzoeksters betoog niet kan onderbouwen. Daarnaast is de vaststelling in de brief van de plaatselijke directeur van 4 september 2008 dat een nieuwe „goedkope gedeeltelijke reparatie” de veiligheidsproblemen op de spoorlijn niet zou oplossen, blijkens de punten 126 tot en met 130 hierboven terecht niet coherent geacht met de rapporten van 5 september 2008, volgens welke het verkeer, in wezen, veilig had kunnen worden hervat door een plaatselijke reparatie.

166 Derhalve moet worden vastgesteld dat op basis van het argument dat in wezen is ontleend aan de noodzaak om de spoorlijn te ontmantelen wegens bezorgdheid over de veiligheid van het spoorwegverkeer, niet kan worden vastgesteld dat de Commissie een onjuiste beoordeling heeft gemaakt.

167 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument dat optie 2 de enige relevante en economisch redelijke optie was, zodat verzoekster geen enkele reden had om te wachten met de uitvoering van haar besluit.

168 Zelfs al was, zoals verzoekster betoogt, optie 2 de enige relevante en economisch redelijke optie, dan impliceerde deze optie namelijk niet noodzakelijkerwijs dat de spoorlijn in allerijl werd verwijderd. In dit verband zij opgemerkt dat, zoals de Commissie in overweging 187 van het bestreden besluit benadrukt, door de onmiddellijke verwijdering van de spoorlijn geen tijd kon worden gewonnen wanneer de werkzaamheden voor de heraanleg ervan pas konden beginnen na voltooiing van alle voorafgaande administratieve fasen, waaronder met name de verkrijging van de nodige financiering. Aangezien verzoekster nog niet over de nodige financiering beschikte om met de werkzaamheden voor de heraanleg van de spoorlijn te beginnen, had zij dus geen enkele reden om de spoorlijn in allerijl te verwijderen. Zij kan bijgevolg niet stellen dat er geen enkele reden was om te wachten met de tenuitvoerlegging van haar besluit betreffende de uitvoering van optie 2 of zelfs met de verwijdering van de spoorlijn.

169 Ten derde kan ook de vermeende druk van Orlen op verzoekster niet rechtvaardigen dat de spoorlijn in allerijl is verwijderd. Dienaangaande zij opgemerkt dat dit argument wordt tegengesproken door het feit dat verzoekster ervoor heeft gekozen om Orlen niet vooraf in kennis te stellen van haar plannen om de spoorlijn te verwijderen. Een dergelijk verzuim is niet gerechtvaardigd gelet op de aard van de aangevangen werkzaamheden, temeer daar Orlen de enige klant was die de spoorlijn gebruikte. Aan deze vaststelling kan bovendien niet worden afgedaan door verzoeksters opmerkingen over de memorie in interventie dat de handelingen van haar directie in 2008 niet geheim waren. Zoals uit overweging 55 van het bestreden besluit blijkt, is Orlen op 5 september 2008 door de treinstations immers enkel in kennis gesteld van de „tijdelijke sluiting” van de spoorlijn. Zij is niet in kennis gesteld van de verwijdering van de spoorlijn. Uit de uiteenzetting van partijen ter terechtzitting blijkt met name dat het telegram met het bericht over de „tijdelijke opschorting van het verkeer” op de spoorlijn totdat de werkzaamheden voor de heraanleg en reparatiewerkzaamheden zouden zijn uitgevoerd, door de directie spoorweginfrastructuur van verzoekster is verstuurd om de stations en LDZ op de hoogte te brengen van de opschorting van het verkeer, maar dat dit document nooit naar Orlen is verstuurd.

170 Ten vierde kan de overhaaste verwijdering van de spoorlijn evenmin worden gerechtvaardigd door de vermeende noodzaak om de geschikte materialen van de spoorlijn terug te winnen teneinde te voorkomen dat zij tijdens de winter beschadigd raakten. In dit verband is het immers voldoende om, met de Commissie, op te merken dat dit argument niet is onderbouwd.

171 Ten vijfde moet het argument dat verzoekster ten tijde van de verwijdering van de spoorlijn redelijkerwijs verwachtte dat zij de nodige middelen voor de heraanleg van de spoorlijn zou verkrijgen, om verschillende redenen worden afgewezen.

172 Om te beginnen zij opgemerkt dat verzoekster zelf in haar opmerkingen in antwoord op de memorie in interventie erkent dat zij niet over voldoende middelen beschikte om alle grote renovatiewerkzaamheden aan haar spoorwegnet uit te voeren.

173 Vervolgens heeft verzoekster in antwoord op een verzoek om inlichtingen van de Commissie, die wenste te vernemen of verzoekster voornemens was geweest om vóór 2 september 2008 grote renovatiewerkzaamheden aan de spoorlijn uit te voeren, benadrukt dat de spoorlijn geen deel uitmaakte van de prioritaire spoorlijnen en dat de Litouwse Staat over het algemeen niet voldoende middelen uit de algemene begroting toekende om de spoorweginfrastructuur te moderniseren. Daaraan heeft zij toegevoegd dat de structuurfondsen van de Unie en haar eigen middelen niet toereikend waren om de prioritaire nationale spoorlijnen te moderniseren. Bijgevolg was verzoekster zich ervan bewust dat zij na de verwijdering van de spoorlijn niet over eigen middelen zou beschikken om de spoorlijn opnieuw aan te leggen en dat het moeilijk zou zijn om de voor de heraanleg ervan benodigde middelen van de staat of de Unie te verkrijgen.

174 Wat in het bijzonder de staatsmiddelen betreft, staat vast dat verzoekster, zoals in overweging 190 van het bestreden besluit is opgemerkt, op 2 oktober 2008 om financiering heeft verzocht in een korte brief aan de minister van Transport en Communicatie, met daarin een verzoek om 620 miljoen LTL (ongeveer 179,71 miljoen EUR) voor de renovatie van acht verschillende spoorlijnen, waaronder de aan de orde zijnde spoorlijn, waarover geen specifieke opmerkingen zijn gemaakt. Zoals eveneens is vastgesteld in overweging 190 van het bestreden besluit, zou de normale goedkeuringsprocedure naar verwachting lang duren en was de uitkomst ervan onzeker. Ondanks deze overwegingen is verzoekster de volgende dag, op 3 oktober 2008, begonnen met het verwijderen van de spoorlijn, zonder zelfs het antwoord van de minister van Transport en Communicatie af te wachten, dat zij op 28 oktober 2008 heeft ontvangen en waarin stond dat, aangezien deze projecten in het verleden niet waren goedgekeurd, niet in financiering was voorzien.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in