Gerecht EU 6 november 2024, T-386/21, ECLI:EU:T:2024:776

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid)

6 november 2024 ( *1 )

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Sector van in Amerikaanse dollar uitgedrukte supranationale obligaties, staatsobligaties en agentschapsobligaties – Besluit tot vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst – Coördinatie van de prijzen en handelsactiviteiten op het gebied van obligaties – Uitwisseling van commercieel gevoelige informatie – Eén enkele voortdurende inbreuk – Mededingingsbeperkende strekking – Berekening van de geldboete – Basisbedrag – Vervangende waarde voor de waarde van de verkopen – Beroep tot nietigverklaring – Volledige rechtsmacht”

In de zaken T‑386/21 en T‑406/21,

Crédit agricole SA, gevestigd te Montrouge (Frankrijk),

Crédit agricole Corporate and Investment Bank, gevestigd te Montrouge,

vertegenwoordigd door D. Beard, barrister, C. Hutton, C. Peacock en J. Parkinson, solicitors,

verzoeksters in zaak T‑386/21,

UBS Group AG, rechtsopvolgster van Credit Suisse Group AG, gevestigd te Zürich (Zwitserland),

Credit Suisse Securities (Europe) Ltd, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),

vertegenwoordigd door R. Wesseling, F. ten Have en F. Brouwer, advocaten,

verzoeksters in zaak T‑406/21,

tegen

Europese Commissie, in zaak T‑386/21 vertegenwoordigd door T. Franchoo, M. Farley en B. Cullen als gemachtigden, en in zaak T‑406/21 vertegenwoordigd door A. Boitos, M. Farley, T. Franchoo en C. Vang als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: J. Svenningsen (rapporteur), president, V. Tomljenović, C. Mac Eochaidh, J. Martín y Pérez de Nanclares en M. Stancu, rechters,

griffier: I. Kurme, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzittingen op 15 en 16 juni 2023,

het navolgende

Arrest

1 Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters in zaak T‑386/21, Crédit agricole SA en Crédit agricole Corporate and Investment Bank (hierna samen: „Crédit agricole”), ten eerste nietigverklaring van besluit C(2021) 2871 final van de Commissie van 28 april 2021 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak AT.40346 – SSA-obligaties) (hierna: „bestreden besluit”) voor zover het op hen betrekking heeft, en ten tweede verlaging van de geldboete die hun in dat besluit is opgelegd.

2 Het hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoeksters in zaak T‑406/21, UBS Group AG, rechtsopvolgster van Credit Suisse Group AG, en Credit Suisse Securities (Europe) Ltd (hierna samen: „Credit Suisse”), in essentie nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover het op hen betrekking heeft.

I. Voorgeschiedenis van het geding

A. SSAO-sector

3 De betrokken gedragingen hebben betrekking op in Amerikaanse dollar uitgedrukte supranationale obligaties (supra-sovereign bonds), staatsobligaties (sovereign bonds) en agentschapsobligaties [agency (sub-sovereign) bonds] (hierna: „SSAO”). SSAO’s vormen schuldbewijzen die de emittent ervan in staat stellen om fondsen te werven ter financiering van bepaalde uitgaven of investeringen.

4 De emittent van SSAO’s kan aldus een obligatie uitgeven om van een belegger (de houder) geld (het nominale bedrag) te lenen voor een vaste termijn, die kort (bijvoorbeeld 2 jaar) of lang (bijvoorbeeld 10 of 30 jaar) kan zijn, en tegen een vooraf vastgestelde vaste of variabele rentevoet. De houder van de obligatie ontvangt van de emittent met regelmatige tussenpozen de rente (de coupon) en op de overeengekomen vervaldatum terugbetaling van het nominale bedrag.

5 SSAO’s worden gecategoriseerd aan de hand van de identiteit van de emittent ervan. Supranationale obligaties worden uitgegeven door supranationale instellingen zoals de Europese Investeringsbank (EIB) of de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (IBRD). Staatsobligaties worden uitgegeven door centrale overheden en kunnen worden uitgedrukt in hun nationale valuta en worden onderworpen aan hun nationale recht, of worden uitgedrukt in een andere valuta dan hun nationale valuta en worden onderworpen aan een ander recht dan hun nationale recht. Ten slotte worden agentschapsobligaties uitgegeven door subnationale lichamen of door instellingen die impliciet of expliciet worden ondersteund door overheidsinstanties, zoals de Caisse d’amortissement de la dette sociale (CADES, fonds voor de afbetaling van sociale schuld, Frankrijk) of de Kreditanstalt für Wiederaufbau (KfW, kredietinstelling voor wederopbouw, Duitsland). Deze obligaties kunnen ofwel in de nationale valuta ofwel in vreemde valuta worden uitgegeven.

6 SSAO’s worden voor het eerst door of voor rekening van de emittent te koop aangeboden op de primaire markt. Vervolgens worden zij „onderhands” (over‑the‑counter) uitgewisseld tussen beleggers op de secundaire markt, zonder centrale beurs.

7 De in het bestreden besluit verweten gedragingen betreffen niet de primaire markt, maar uitsluitend latere transacties op de secundaire markt.

8 De werking van deze laatste markt, die is beschreven in de punten 10 tot en met 64 van het bestreden besluit, wordt hieronder ten behoeve van het onderhavige arrest kort uiteengezet.

1. Prijs van een SSAO op de secundaire markt

a) Prijsvorming op de secundaire markt

9 Na de uitgifte van de obligatie op de primaire markt wordt deze vervolgens op de secundaire markt verhandeld tussen beleggers. Tussen het moment van uitgifte en de vervaldatum van die obligatie evolueert de prijs ervan en kan deze afwijken van de uitgifteprijs aan de hand van verschillende factoren, zoals veranderingen in de economische omstandigheden (zoals de algemene ontwikkeling van rentevoeten op de markten) of factoren die eigen zijn aan de emittent (zoals het vermeende risico, de liquiditeit of de beschikbaarheid van recentere emissies).

10 Een obligatie wordt doorgaans verhandeld op basis van het rendement tot de vervaldatum (yield), uitgedrukt als percentage van het nominale bedrag. Dit rendement is het rendement dat een belegger kan behalen als hij de betrokken obligatie vandaag tegen een bepaalde prijs koopt en tot de vervaldatum aanhoudt, en hangt dus af van de coupon en van de eventuele winst die wordt behaald bij een eerste aankoop onder het nominale bedrag of het eventuele verlies bij een eerste aankoop boven het nominale bedrag.

11 Op de secundaire markt wordt de prijs van een obligatie in het algemeen bepaald aan de hand van het rendement en beïnvloed door verschillende factoren, zoals het beschikbare volume en de prijs alsmede de beschikbaarheid van vergelijkbare obligaties. Een wijziging van de marktrentevoet of van de rating van de emittent kan eveneens van invloed zijn op de prijs waartegen een obligatie op de markt wordt verhandeld.

b) Door market makers voorgestelde bidirectionele prijzen

12 Een „market maker” is een instelling of een particulier die op algemene wijze en continu in plaats van transactie per transactie op de markt financiële producten koopt of verkoopt, tegen prijzen die hij zelf bepaalt.

13 De rol van een market maker is om een doorlopende notering te verstrekken voor obligaties, door bidirectionele prijzen te noteren – namelijk een „biedkoers” (bid price) en een „laatkoers” (ask price) – ongeacht de marktstatus, teneinde de handel in deze obligaties te vergemakkelijken. Door hoeveelheden obligaties beschikbaar te stellen en deze continu te noteren, bevorderen market makers de liquiditeit van de markt, dat wil zeggen de mogelijkheid voor beleggers om snel obligaties aan te kopen of te verkopen.

14 Hoewel er op de SSAO-markt geen officiële market makers zijn, kiezen sommige financiële instellingen – zoals verzoeksters in de onderhavige zaak – ervoor om de functie van market maker op zich te nemen, in die zin dat zij bidirectionele prijzen noteren.

15 Wanneer banken actief zijn op de secundaire markt, trachten zij inkomsten te genereren door het verschil tussen de biedkoers en de laatkoers op te vangen. Het verschil tussen deze koersen wordt de „spread” genoemd, die de opbrengst voor de bank vormt wanneer een transactie van aankoop en doorverkoop in haar geheel wordt beschouwd (hierna: „volledige aankoop- en doorverkooptransactie”). In het kader van een dergelijke transactie is de „mid-prijs” (of „mid”), die het mediaanpunt tussen de biedkoers en de laatkoers vertegenwoordigt en wordt uitgedrukt in centen (tot twee cijfers na de komma), een belangrijk referentiepunt, aangezien kennis daarvan traders en beleggers in het algemeen in staat stelt om de bied‑ en laatkoersen te deduceren. De mid-prijzen worden niet weergegeven op de schermen van brokers noch meegedeeld aan beleggers en andere tegenpartijen.

16 Ten slotte baseren traders hun prijstelling en andere strategische beslissingen op verschillende informatiebronnen. De werkelijk door een bank gehanteerde bied‑ en laatkoers kan aldus worden beïnvloed door de identiteit van de andere partij (bijvoorbeeld een voor de bank belangrijke investeerder) of door de omvang van de aan‑ of verkooptransactie.

2. Onderhandelingsposities en handelsrisico

17 Na de aankoop van een obligatie bevindt een trader zich in een „long position”, wat betekent dat hij de obligatie in zijn portefeuille houdt tot hij deze positie „sluit”, dat wil zeggen de obligatie doorverkoopt, indien mogelijk tegen een hogere prijs dan die waartegen hij de obligatie heeft gekocht. De trader kan besluiten om de long position gedurende een bepaalde periode aan te houden, hetgeen een risico (of een „blootstelling”) inhoudt. Als de waarde van de obligatie daalt, houdt de trader in zijn portefeuille een obligatie die minder waard is dan de prijs waartegen hij deze heeft aangeworven.

18 Omgekeerd kan een trader zich na de verkoop van een obligatie in een „short position” bevinden indien hij een obligatie heeft verkocht die hij niet in zijn bezit had, meestal wanneer hij een groter volume obligaties heeft verkocht dan hij in zijn bezit had. Hij moet deze obligatie dan van een andere trader verkrijgen teneinde zijn positie te sluiten. Een dergelijke short position houdt een potentiële winst in indien de aankoopprijs voor het verkrijgen van de betrokken obligatie lager is dan de door de trader verkregen verkoopprijs, maar kan tot verlies leiden indien die aankoopprijs hoger is dan die verkoopprijs. Een trader kan met name besluiten een short position in te nemen wanneer hij verwacht dat de prijs van de obligatie zal dalen (en hij dus een winst kan maken die gelijk is aan het verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs) of om te voldoen aan een verzoek van een belangrijke klant.

19 Een trader kan dus met betrekking tot een bepaalde obligatie een long position of een short position innemen. Een trader kan besluiten deze positie te behouden, afhankelijk van de „risicolimieten” (risk limits) die zijn werkgever oplegt. Als alternatief kan de trader obligaties kopen of doorverkopen aan eindbeleggers of via een broker om zijn blootstelling te beperken of te compenseren. Een dergelijke wijze van risicobeperking is een vorm van „spreiding” (hedging) van het risico, die kan worden verricht door de koop of verkoop van ofwel dezelfde obligaties ofwel andere zeer liquide obligaties, zoals obligaties van de Amerikaanse schatkist met een vergelijkbare coupon of looptijd.

3. Uitwisselingen tussen de banken via brokers

20 Brokers zijn financiële tussenpersonen die transacties tussen banken faciliteren en die over het algemeen worden vergoed door middel van een commissie, bestaande uit een percentage van de aan‑ of verkooptransactie.

21 Brokers beheren elektronische platforms waarop de biedingen en aanbiedingen van banken in realtime worden weergegeven. Dergelijke platforms vermelden de naam, de coupon en de vervaldatum van een obligatie, het volume (dat wil zeggen het nominale bedrag, gewoonlijk uitgedrukt in miljoenen van een valuta) van de biedingen of aanbiedingen, en soms het rendementsverschil ten opzichte van een referentieobligatie. De op een gegeven moment getoonde bied‑ en laatkoersen zijn de best beschikbare koersen, dat wil zeggen de meest concurrerende koersen op dat moment.

22 De trader van een bank die op een platform van een broker een aanbod tot aankoop („bid”) of verkoop („ask” of „offer”) ziet, kan respectievelijk besluiten tot een „hit” op het aanbod tot aankoop (en aldus obligaties verkopen) of tot een „lift” van het aanbod tot verkoop (en aldus obligaties kopen), in welk geval hij de transactie aanvaardt tegen de op het platform vermelde voorwaarden. Op de belangrijkste brokerplatforms is, wanneer een dergelijke transactie plaatsvindt, de voor die transactie geaccepteerde bied‑ of laatkoers zichtbaar voor alle traders, maar wordt de identiteit van de tegenpartijen niet bekendgemaakt.

23 Een trader die geïnteresseerd is in een aanbod op een brokerplatform kan zich tot de broker wenden om meer informatie te verkrijgen, bijvoorbeeld over de beschikbaarheid van aanvullende volumes. Traders voeren vaak doorlopende online discussies (chats) met verschillende brokers via Bloomberg of andere instant messaging platforms.

24 Indien de trader geïnteresseerd is, vindt er buiten het platform een korte onderhandeling plaats (telefonisch of online), waarbij de broker optreedt als tussenpersoon tussen beide partijen om overeenstemming te bereiken over de uiteindelijke prijs en het uiteindelijke volume van de transactie.

25 Brokers maken de identiteit van de bij een specifieke transactie betrokken traders niet bekend, hetgeen de anonimiteit van traders waarborgt en hen belet informatie te verkrijgen over de positie of de intenties van een trader en deze informatie in hun voordeel te gebruiken. Het gebruik van een broker waarborgt ook een betrouwbare uitvoering van transacties. Het wordt algemeen erkend dat de voordelen voor traders van het inschakelen van een broker zwaarder wegen dan de brokerskosten.

B. Procedure die tot het bestreden besluit heeft geleid

26 Na een op 4 augustus 2015 ingediend verzoek heeft de Europese Commissie op 4 december 2015 Deutsche Bank AG voorwaardelijke immuniteit verleend op grond van punt 8, onder a), van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17). Deze bank is blijven meewerken en heeft de Commissie gedurende het gehele onderzoek aanvullende informatie en bewijsstukken betreffende de litigieuze inbreuk verstrekt.

27 Op 4 december 2015, 6 september 2016, 15 maart 2017 en 12 november 2019 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 18, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) verzoeken om inlichtingen gericht tot Bank of America Corporation en Merrill Lynch International (hierna samen: „BofA”), Crédit agricole, Credit Suisse en andere banken.

28 Tussen 21 en 24 november 2016 heeft de Commissie aangekondigde inspecties uitgevoerd in de gebouwen van BofA en Credit Suisse in Londen (Verenigd Koninkrijk).

29 Op 20 en 21 december 2018 heeft de Commissie ten eerste, overeenkomstig artikel 2, lid 1, en artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18), de procedure voor de vaststelling van een besluit op grond van hoofdstuk III van verordening nr. 1/2003 ingeleid, en ten tweede een mededeling van punten van bezwaar gericht tot Deutsche Bank, Credit Suisse, Crédit agricole en BofA (hierna: „mededeling van punten van bezwaar”).

30 Alle adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben toegang gekregen tot het onderzoeksdossier van de Commissie. Zij hebben allen overeenkomstig artikel 10, lid 2, van verordening nr. 773/2004 schriftelijke opmerkingen over deze mededeling ingediend. Ook hebben zij hun argumenten naar voren gebracht tijdens een hoorzitting, die plaatsvond tussen 10 en 11 juli 2019.

31 Op 6 november 2020 heeft de Commissie aan elk van de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar een brief gestuurd met nadere toelichting over de door de Commissie voorgestelde methode voor het bepalen van de vervangende waarde voor de waarde van de verkopen (proxy for the value of sales) met het oog op de berekening van het bedrag van hun geldboete (hierna: „brief inzake de geldboeten”). In antwoord op deze brief hebben Deutsche Bank op 4 december 2020 en Crédit agricole, Credit Suisse en BofA op 8 januari 2021 hun opmerkingen ingediend.

C. Bestreden besluit

1. Vaststelling van de litigieuze inbreuk

32 In het bestreden besluit heeft de Commissie verwezen naar talrijke gesprekken tussen de traders van de betrokken banken via permanente of niet‑permanente chatrooms alsmede via bilaterale gesprekken langs elektronische of telefonische weg, die plaatsvonden tussen 19 januari 2010 en 24 maart 2015 (overwegingen 90‑92 van het bestreden besluit).

33 In deze context was de Commissie van oordeel dat het algemene doel van de samenwerking tussen de betrokken traders erin bestond om een concurrentievoordeel ten opzichte van hun klanten en concurrenten te verkrijgen, door hun prijzen en handelsactiviteiten te coördineren en door gevoelige commerciële marktinformatie uit te wisselen over hun handelsactiviteiten, hun prijzen en hun onderhandelings‑ en prijsstellingsstrategieën in de SSAO-sector (overwegingen 102 en 638 van het betreden besluit).

34 De Commissie heeft hieruit afgeleid dat de betrokken banken bewust een praktische onderlinge samenwerking in de plaats hadden gesteld van de risico’s van mededinging en daarmee de andere marktdeelnemers en hun klanten hebben benadeeld. Volgens deze instelling kunnen de betrokken reeksen gesprekken worden ondergebracht in vijf categorieën overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, welke categorieën nauw met elkaar samenhangen en elkaar gedeeltelijk overlappen (overwegingen 613, 638, 643 en 758 van het bestreden besluit).

35 Zoals blijkt uit de overwegingen 103 en 613 van het bestreden besluit, bestaan deze vijf categorieën uit, respectievelijk: – ten eerste, coördinatie van de aan tegenpartijen voorgestelde prijzen (hierna: „categorie 1”); – ten tweede, coördinatie van de aan de markt in het algemeen meegedeelde prijzen (hierna: „categorie 2”); – ten derde, uitwisseling van actuele of prospectieve commercieel gevoelige informatie over hun handelsactiviteiten en handelsstromen op de secundaire markt (hierna: „categorie 3”); – ten vierde, uitwisseling, bevestiging en afstemming van hun onderhandelings‑ en prijsstellingsstrategieën (hierna: „categorie 4”), en – ten vijfde, coördinatie van hun handelsactiviteiten (hierna: „categorie 5”).

36 Wat de juridische kwalificatie van de betrokken gedragingen betreft, is de Commissie tot de slotsom gekomen dat zij in strijd zijn met artikel 101, lid 1, VWEU omdat zij bestonden in overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die strekken tot een beperking of vervalsing van de mededinging binnen de SSAO-sector in de Europese Economische Ruimte (EER), zoals blijkt uit artikel 1 van het bestreden besluit.

37 Om tot deze slotsom te komen heeft de Commissie er in de eerste plaats voor gekozen om ervan uit te gaan dat de betrokken gedragingen alle kenmerken vertoonden van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU (zie deel 5.2.1 en in het bijzonder de overwegingen 620 en 621 van het bestreden besluit).

38 In de tweede plaats heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat deze gedragingen, gelet op hun inhoud, hun doelstellingen en de economische of juridische context waarin zij hebben plaatsgevonden, ertoe strekten om de mededinging te beperken of te vervalsen door middel van prijsafspraken, verdeling van klanten, verdeling van markten en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie die de onzekerheid op de markt verminderde. In dit verband heeft de Commissie zich tevens op het standpunt gesteld dat die gedragingen ook de mededinging vervalsten door een informatieasymmetrie tussen de marktdeelnemers te doen ontstaan, waardoor de betrokken banken een concurrentievoordeel hadden verkregen dat des te groter was omdat het ging om een over‑the‑counter-markt die wordt gekenmerkt door aanzienlijke onzekerheid (zie deel 5.2.2 en in het bijzonder de overwegingen 739, 741 en 742 van het bestreden besluit).

39 In de derde plaats was de Commissie van oordeel dat de betrokken gedragingen één enkele voortdurende inbreuk vormden, aangezien zij deel uitmaakten van een algemeen plan waarmee hetzelfde mededingingsverstorende doel werd nagestreefd. Dienaangaande heeft de Commissie met name opgemerkt dat deze gedragingen betrekking hadden op een homogeen product dat op soortgelijke wijze werd verhandeld, dat het ingevoerde mechanisme hetzelfde was, en dat de betrokken banken over het algemeen dezelfde waren gebleven en pas veranderden wanneer een van de traders die aan de betrokken gedragingen deelnamen, overstapte van de ene bank naar de andere (zie deel 5.2.3.2 en in het bijzonder de overwegingen 757‑763 van het bestreden besluit).

40 In de vierde plaats hadden de betrokken gedragingen betrekking op SSAO die waren uitgevaardigd door in de EER gevestigde autoriteiten en instellingen en die voorwerp waren van een aanzienlijk volume aan transacties tussen lidstaten alsmede tussen de Europese Unie en de landen die deel uitmaken van de EER. Volgens de Commissie konden deze gedragingen derhalve de handel tussen lidstaten en de handel tussen de partijen bij de EER-Overeenkomst (PB 1994, L 1, blz. 3) beïnvloeden (zie deel 5.2.4.2 van het bestreden besluit).

41 In de vijfde plaats heeft de Commissie overwogen dat artikel 101, lid 3, VWEU en artikel 53, lid 3, van de EER-Overeenkomst niet van toepassing waren op het onderhavige geval (zie deel 5.3 van het bestreden besluit).

2. Oplegging van geldboeten

42 De Commissie heeft aangegeven het bedrag van de opgelegde geldboeten te hebben bepaald overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2; hierna: „richtsnoeren”) (zie deel 8.2 van het bestreden besluit). Gelet op de bijzonderheden van de financiële sector en met name het feit dat financiële producten zoals SSAO’s geen verkopen genereren in de gebruikelijke zin van het woord, achtte de Commissie het evenwel passend om bij het bepalen van het uitgangspunt voor de berekening van de geldboete niet uit te gaan van de „waarde van de verkopen” in verband met de verhandeling van SSAO’s, maar van een vervangende waarde voor de waarde van de verkopen (hierna: „vervangende waarde”), gebaseerd op ten eerste het nominale bedrag van de SSAO’s die zijn verhandeld gedurende de respectieve perioden waarin de betrokken banken deelnamen aan de litigieuze inbreuk en, ten tweede, de spreads tussen de bied‑ en laatkoersen van deze SSAO’s (zie deel 8.2.3 van het bestreden besluit).

43 Voor het overige heeft de Commissie het bedrag van de aan elke betrokken bank opgelegde geldboete bepaald door een basisbedrag vast te stellen, dat is berekend aan de hand van de ernst en de duur van de inbreuk, en dit basisbedrag aan te passen op basis van voor elke bank specifieke parameters.

3. Het dispositief

44 Het dispositief van het bestreden besluit luidt als volgt: „Artikel 1 De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door in de aangegeven perioden deel te nemen aan één enkele voortdurende inbreuk betreffende [SSAO’s] die zich uitstrekte tot de gehele EER en die bestond in overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekten de mededinging in de [SSAO‑sector] te beperken en/of te vervalsen: a) DB Group Services (UK) Ltd en Deutsche Bank AG hebben deelgenomen van 19 januari 2010 tot en met 28 maart 2014; gedurende deze periode heeft Deutsche Securities Inc. deelgenomen van 22 maart 2010 tot en met 25 februari 2013. b) [BofA] [heeft] voor het eerst deelgenomen van 19 januari 2010 tot en met 23 oktober 2012; en opnieuw van 22 juli 2014 tot en met 27 januari 2015; c) [Crédit agricole] [heeft] deelgenomen van 10 januari 2013 tot en met 24 maart 2015; d) [Credit Suisse] [heeft] deelgenomen van 21 juni 2010 tot en met 24 maart 2015; Artikel 2 Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuk worden de volgende geldboeten opgelegd: a) [Deutsche Bank]: 0 EUR b) [BofA]: 12642000 EUR c) [Crédit agricole]: 3993000 EUR d) [Credit Suisse]: 11859000 EUR […] Artikel 3 De in artikel 1 opgesomde ondernemingen maken onverwijld een einde aan de in dat artikel bedoelde inbreuken, voor zover zij dat nog niet hebben gedaan. Zij onthouden zich van herhaling van de in artikel 1 bedoelde handelingen of gedragingen alsmede van iedere handeling of gedraging die een soortgelijk doel of gevolg heeft. […]”

II. Conclusies van partijen

45 In zaak T‑386/21 verzoekt Crédit agricole het Gerecht: – op grond van artikel 263 VWEU het bestreden besluit, en met name artikel 1 daarvan, nietig te verklaren of, subsidiair, bepaalde delen van dat besluit nietig te verklaren; – op grond van artikel 261 VWEU de geldboete nietig te verklaren of, subsidiair, het bedrag van de geldboete te verlagen, in het bijzonder door deze tot nul te verlagen; – overeenkomstig artikel 266 VWEU de Commissie te gelasten om de maatregelen te nemen die nodig zijn om te voldoen aan het arrest van het Gerecht; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

46 In zaak T‑406/21 verzoekt Credit Suisse het Gerecht: – artikel 1, onder d), van het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren; – subsidiair, artikel 1, onder d), van dat besluit gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover daarin is vastgesteld dat de gesprekken over de vaststelling van prijzen ertoe strekken de mededinging te beperken of dat Credit Suisse heeft deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk gedurende de gehele in dat artikel genoemde periode; – artikel 2, onder d), van voornoemd besluit nietig te verklaren; – subsidiair, artikel 2, onder d), van het bestreden besluit gedeeltelijk nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten of, subsidiair, in een passend deel van de kosten.

47 In zaak T‑386/21 en in zaak T‑406/21 verzoekt de Commissie het Gerecht: – het beroep in zijn geheel te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

48 Na partijen te hebben gehoord, heeft het Gerecht besloten om de zaken T‑386/21 en T‑406/21 overeenkomstig artikel 68, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te voegen voor het onderhavige arrest.

A. Verzoeken tot weglating van bepaalde gegevens ten opzichte van het publiek

49 In de loop van de procedure hebben Crédit agricole, Crédit Suisse en de Commissie in essentie verzocht om op grond van de artikelen 66 en 66 bis van het Reglement voor de procesvoering in het onderhavige arrest bepaalde gegevens weg te laten ten opzichte van het publiek.

50 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat de rechter, bij de afweging tussen het belang van de openbaarheid van rechterlijke beslissingen en het recht op bescherming van persoonsgegevens en van het bedrijfsgeheim, in de omstandigheden van het concrete geval het juiste evenwicht moet zoeken en er daarbij tevens rekening mee moet houden dat het publiek overeenkomstig de in artikel 15 VWEU neergelegde beginselen recht heeft op toegang tot rechterlijke beslissingen (zie arrest van 27 april 2022, Sieć Badawcza Łukasiewicz – Port Polski Ośrodek Rozwoju Technologii/Commissie, T‑4/20, EU:T:2022:242, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Voorts is de vertrouwelijke behandeling van gegevens niet gerechtvaardigd wanneer het bijvoorbeeld gaat om informatie die reeds openbaar is of waartoe het grote publiek of bepaalde gespecialiseerde kringen toegang kunnen hebben, om informatie die ook voorkomt in andere passages of stukken van het dossier ten aanzien waarvan de partij die de betrokken informatie vertrouwelijk wenst te houden, geen verzoek om vertrouwelijke behandeling heeft ingediend, om gegevens die niet voldoende specifiek of nauwkeurig zijn om als vertrouwelijk te worden bestempeld, of om informatie die duidelijk blijkt dan wel kan worden afgeleid uit andere informatie die voor de belanghebbenden rechtmatig toegankelijk is (zie beschikking van 14 maart 2022, Bulgarian Energy Holding e.a./Commissie, T‑136/19, EU:T:2022:149, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Bovendien worden gegevens die geheim of vertrouwelijk zijn geweest, maar ten minste vijf jaar oud zijn, door het verstrijken van deze periode in beginsel geacht niet meer actueel en dus niet langer geheim te zijn, tenzij de partij die aanvoert dat de betreffende gegevens nog steeds geheim zijn, bij wijze van uitzondering aantoont dat deze gegevens ondanks de ouderdom ervan nog steeds een wezenlijk onderdeel van haar commerciële positie of van de commerciële positie van een betrokken derde zijn (zie arrest van 19 juni 2018, Baumeister, C‑15/16, EU:C:2018:464, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53 In het licht van het voorgaande beslist het Gerecht in casu, wat de openbare versie van dit arrest betreft, om de namen van de in het bestreden besluit vermelde natuurlijke personen te anonimiseren. Het Gerecht beslist ook om bepaalde gegevens weg te laten over de aanpassingsfactor die de Commissie voor Crédit agricole en Credit Suisse heeft gehanteerd bij de berekening van het bedrag van de aan hun opgelegde geldboeten en die de Commissie in het bestreden besluit heeft verhuld voor zowel de banken die aan de litigieuze inbreuk hebben deelgenomen als het publiek.

54 Daarentegen rechtvaardigen de begrijpelijkheid van de motivering van het onderhavige arrest, het tijdsverloop, de stereotiepe motivering van de verzoeken om weglating van bepaalde gegevens, de reeds voor het publiek toegankelijke informatie alsmede de belangrijke wijzigingen die zich na maart 2015 hebben voorgedaan in de activiteiten van Crédit agricole en Credit Suisse in de SSAO‑sector, dat het Gerecht bepaalde gegevens betreffende de kritiek op deze banken en met name de door de Commissie gebruikte methode voor de berekening van de aan deze banken opgelegde geldboeten, openbaar maakt.

55 Aldus besluit het Gerecht ten eerste om met name de informatie in de tabellen 2 tot en met 4 van de aan Crédit agricole meegedeelde bijlage bij het bestreden besluit alsmede bepaalde informatie uit tabel 5 van die bijlage niet te verhullen in de openbare versie van dit arrest.

56 Wat ten tweede Credit Suisse betreft, besluit het Gerecht om met name de informatie in tabel 5 van de aan deze bank meegedeelde bijlage bij het bestreden besluit, het gemiddelde tijdsverloop dat haar dagelijkse aan‑ en verkooptransacties scheidt van „gedeeltelijk evenwichtige” transacties, het percentage „gedeeltelijk evenwichtige” transacties of „volledig evenwichtige” transacties ten opzichte van het totale aantal door deze bank verrichte transacties en het percentage transacties waarbij liquiditeiten worden aangekocht ten opzichte van het totale aantal door deze bank verrichte transacties, niet te verhullen.

B. Voorwerp van de beroepen van Crédit agricole en Credit Suisse

1. Beroep van Crédit agricole

57 Om te beginnen dient in herinnering te worden gebracht dat een op basis van artikel 101 VWEU genomen besluit dat is gericht tot meerdere ondernemingen maar is opgesteld en gepubliceerd als één enkel besluit, moet worden beschouwd als een bundel van individuele besluiten waarin ten aanzien van elke geadresseerde onderneming wordt vastgesteld welke inbreuk of inbreuken haar wordt/worden verweten en haar in voorkomend geval een geldboete wordt opgelegd (arrest van 16 september 2013, Galp Energia España e.a./Commissie, T‑462/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:459, punt 90).

58 Hieruit volgt dat elke adressaat van een dergelijk besluit bij instelling van een beroep tot nietigverklaring daarvan, zich enkel tot de Unierechter kan wenden met betrekking tot de onderdelen van het besluit die hem betreffen, terwijl die welke betrekking hebben op andere adressaten in beginsel geen deel kunnen uitmaken van het voorwerp van het geding waarover de Unierechter uitspraak moet doen (zie in die zin arrest van 15 juli 2015, Emesa‑Trefilería en Industrias Galycas/Commissie, T‑406/10, EU:T:2015:499, punt 117).

59 Deze rechtspraak ontneemt alle adressaten van een dergelijk besluit echter niet de mogelijkheid om in het kader van hun respectieve beroepen op te komen tegen alle feitelijke elementen waarop de Commissie zich heeft gebaseerd om met name tot de slotsom te komen dat de betrokken gedragingen moeten worden gekwalificeerd als „één enkele voortdurende inbreuk” of als „beperking naar strekking”, niettegenstaande het feit dat de adressaat die tegen deze elementen opkomt daar niet aan heeft deelgenomen.

60 Bijgevolg is het verzoek van Crédit agricole tot nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van het bestreden besluit in hun geheel, niet ontvankelijk. Zij kan hoogstens verzoeken om nietigverklaring van de delen van deze artikelen die haar betreffen.

61 Bijgevolg moet het verzoek om nietigverklaring van artikel 1 van het bestreden besluit of het verzoek om nietigverklaring van de geldboete aldus moeten worden opgevat dat het alleen ziet op artikel 1, onder c), en artikel 2, onder c), van dat besluit.

62 Vervolgens verzoekt Crédit agricole het Gerecht met haar eerste en haar tweede vordering, zoals uitgelegd in het vorige punt, in essentie om nietigverklaring van artikel 1, onder c), en artikel 2, onder c), van het bestreden besluit en, subsidiair, verlaging van het bedrag van de in dat laatste artikel vastgestelde geldboete.

63 Het staat dus aan het Gerecht om op grond van artikel 263 VWEU de rechtmatigheid van het bestreden besluit te beoordelen voor zover het betrekking heeft op Crédit agricole – wat betreft, ten eerste, de vaststelling in artikel 1, onder c), van het bestreden besluit dat zij een inbreuk heeft begaan en, ten tweede, de geldboete die haar is opgelegd in artikel 2, onder c), van dat besluit – en om de volledige rechtsmacht uit te oefenen die het Gerecht uit hoofde van artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening nr. 1/2003 geniet met betrekking tot het bedrag van de aan deze bank opgelegde geldboete.

64 Met haar derde vordering verzoekt Crédit agricole het Gerecht ten slotte ook om de Commissie overeenkomstig artikel 266 VWEU te gelasten alle nodige maatregelen te nemen om te voldoen aan het te wijzen arrest van het Gerecht.

65 In het kader van de wettigheidstoetsing op grond van artikel 263 VWEU is het Gerecht echter niet bevoegd om bevelen uit te vaardigen jegens de instellingen, organen en instanties van de Unie, ook niet wanneer zij betrekking hebben op de wijze van uitvoering van zijn arresten (beschikkingen van 22 september 2016, Gaki/Commissie, C‑130/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:731, punt 14, en 19 juli 2016, Trajektna luka Split/Commissie, T‑169/16, niet gepubliceerd, EU:T:2016:441, punt 13). Hetzelfde geldt in het kader van de uitoefening door het Gerecht van zijn volledige rechtsmacht.

66 Hieruit volgt dat de derde vordering van Crédit agricole thans wegens onbevoegdheid moet worden afgewezen.

2. Beroep van Credit Suisse

67 Met haar eerste en haar tweede, haar derde en haar vierde vordering, die enkel op basis van artikel 263 VWEU zijn geformuleerd, verzoekt Credit Suisse in essentie om gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1, onder d), van het bestreden besluit alsmede om volledige of, subsidiair, gedeeltelijke „nietigverklaring” van de geldboete die haar is opgelegd in artikel 2, onder d), van dat besluit.

68 In antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang heeft Credit Suisse uitdrukkelijk bevestigd dat zij het Gerecht niet verzocht om zijn volledige rechtsmacht uit hoofde van artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening nr. 1/2003 uit te oefenen en dat zij met betrekking tot de haar opgelegde geldboete het Gerecht enkel op grond van artikel 263 VWEU verzocht om de rechtmatigheid van bepaalde elementen daarvan te toetsen alsmede de daaraan ten grondslag liggende berekeningsmethode.

69 Wat Credit Suisse betreft, dient het Gerecht dus alleen op grond van artikel 263 VWEU de rechtmatigheid van het bestreden besluit te beoordelen, ook met betrekking tot de daarbij opgelegde geldboete.

C. Strekking van de in het bestreden besluit vastgestelde inbreuk

70 In het kader van haar eerste en haar tweede middel, die zijn ontleend aan fouten bij de kwalificatie van de betrokken gedragingen als respectievelijk een „beperking naar strekking” en „één enkele voortdurende inbreuk”, voert Crédit agricole herhaaldelijk aan dat de Commissie in artikel 1 van het bestreden besluit één enkele voortdurende inbreuk heeft vastgesteld bestaande uit vijf „zelfstandige” inbreuken die overeenkomen met de vijf categorieën gedragingen bedoeld in de overwegingen 103 en 613 van dat besluit (zie punt 35 hierboven).

71 Crédit agricole leidt hieruit af dat de Commissie in het bestreden besluit moest aantonen dat „elk van de vijf categorieën gestelde gedragingen een inbreuk naar strekking vormt” en dat „indien een van de vijf categorieën gedragingen [ten aanzien van haar] niet wordt aangetoond, de door de Commissie vastgestelde enkele voortdurende inbreuk moet worden verworpen”.

72 De Commissie betwist deze lezing van het betreden besluit op grond dat, in essentie, zij daarin „één enkele voortdurende inbreuk” heeft vastgesteld zonder vooraf of gelijktijdig afzonderlijke inbreuken aan te wijzen die overeenkomen met gedragingen die onder een van de vijf in de overwegingen 103 en 613 van dat besluit aangeduide categorieën vallen.

73 Opgemerkt zij dat de exacte vaststelling van de omvang en het aantal van de in het bestreden besluit vastgestelde inbreuken van wezenlijk belang is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Hetzelfde geldt voor de bepaling of bepaalde argumenten van Crédit agricole ter zake dienend zijn, met name die welke zijn ontleend aan fouten bij de indeling van bepaalde gedragingen in een van de categorieën bedoeld in de overwegingen 103 en 613 van voornoemd besluit, fouten bij de kwalificatie als één enkele voortdurende inbreuk en bij de deelneming van deze bank aan de inbreuk alsmede fouten bij de kwalificatie van de ene of de andere van deze vijf categorieën als „beperking naar strekking”.

74 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat hoewel een geheel van gedragingen als „één enkele voortdurende inbreuk” kan worden gekwalificeerd, daaruit niet kan worden afgeleid dat elk van deze gedragingen op zich en stuk voor stuk noodzakelijkerwijs moet worden aangemerkt als afzonderlijke inbreuk. Dit kan enkel het geval zijn indien de Commissie er in het bestreden besluit voor heeft gekozen om elk van die gedragingen als zodanig vast te stellen en te kwalificeren en vervolgens het bewijs te leveren dat de betreffende onderneming waaraan die gedragingen worden toegerekend, hierbij betrokken was (zie in die zin arrest van 16 juni 2022, Sony Corporation en Sony Electronics/Commissie, C‑697/19 P, EU:C:2022:478, punt 67).

75 Bovendien moet het Gerecht, om geen blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, bij de uitlegging van het betrokken besluit ervoor waken dat het begrip „gedraging” en het begrip „inbreuk” niet met elkaar worden verward (zie in die zin arrest van 16 juni 2022, Sony Corporation en Sony Electronics/Commissie, C‑697/19 P, EU:C:2022:478, punt 78).

76 In casu moet dus worden nagegaan of de Commissie in het bestreden besluit heeft vastgesteld dat er sprake was van één enkele voortdurende inbreuk met een mededingingsbeperkende strekking of, integendeel en zoals Crédit agricole betoogt, dat er sprake was van één enkele voortdurende inbreuk bestaande uit vijf afzonderlijke en zelfstandige inbreuken met elk een dergelijke strekking.

77 In dit verband klopt het dat de Commissie in het bestreden besluit eerst de mededingingsbeperkende strekking van de betrokken gedragingen of de betrokken categorieën gedragingen zoals aangeduid in de overwegingen 103 en 613 (overwegingen 622‑749) heeft beoordeeld, om pas in tweede instantie vast te stellen dat sprake was van één enkele voortdurende inbreuk (overwegingen 750‑828).

78 Zodoende heeft de Commissie, door allereerst de mededingingsbeperkende strekking van de betrokken gedragingen of categorieën gedragingen te beoordelen, de bewijsregeling voor de inbreuk gedefinieerd [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 63 en 104], nog voordat zij de contouren van deze inbreuk had afgebakend.

79 Een dergelijke structurering van het bestreden besluit kan de indruk wekken dat de Commissie de schadelijkheid van elk van de betrokken gedragingen of categorieën gedragingen vooraf en afzonderlijk heeft willen beoordelen, en dus heeft willen vaststellen dat er sprake is van evenveel beperkingen naar strekking als geïdentificeerde gedragingen of categorieën gedragingen, nog voor vast te stellen dat er sprake is van één enkele voortdurende inbreuk.

80 Een lezing van het bestreden besluit in zijn geheel biedt echter geen steun voor een dergelijke conclusie.

81 Ten eerste is artikel 1 van het bestreden besluit met betrekking tot Crédit agricole beperkt tot de vaststelling dat deze bank „inbreuk [heeft] gemaakt op artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst door in de aangegeven perioden deel te nemen aan één enkele voortdurende inbreuk betreffende [SSAO’s] die zich uitstrekte tot de gehele EER en die bestond in overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekten de mededinging in de [SSAO‑sector] te beperken en/of te vervalsen”.

82 Artikel 1 van het bestreden besluit maakt dus – in tegenstelling tot artikel 1 van het besluit dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 juni 2022, Sony Corporation en Sony Electronics/Commissie (C‑697/19 P, EU:C:2022:478), waarin werd gesproken van één enkele voortdurende inbreuk bestaande uit meerdere afzonderlijke inbreuken – geen melding van enige andere inbreuk die kan overeenkomen met de gedragingen die zijn omschreven in de vijf categorieën gedragingen zoals bedoeld in de overwegingen 103 en 613 van dat besluit en vermeld in punt 35 hierboven.

83 Ten tweede wordt deze lezing van de bewoordingen van artikel 1 van het bestreden besluit bevestigd door de motivering van dat besluit, in het licht waarvan het dispositief ervan indien nodig moet worden uitgelegd (arrest van 15 mei 1997, TWD/Commissie, C‑355/95 P, EU:C:1997:241, punt 21).

84 Zo staat in overweging 827 van het bestreden besluit enkel te lezen dat „het geheel aan heimelijke gedragingen tussen de partijen één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101, lid 1, [VWEU] vormt, waarvoor elke partij aansprakelijk wordt gesteld”.

85 In deze overweging wordt dus niet overwogen dat de gedragingen die tot een van de vijf in de overwegingen 103 en 613 van het bestreden besluit bedoelde categorieën behoren, ook afzonderlijk en zelfstandig kunnen worden gekwalificeerd als inbreuken op artikel 101, lid 1, VWEU, hetgeen overigens wordt bevestigd in de overwegingen 757 tot en met 827 van dat besluit.

86 Bovendien heeft de Commissie in overweging 104 van het bestreden besluit uitdrukkelijk verklaard dat zij de verschillende door haar gehanteerde categorieën gedragingen voor analytische doeleinden had omschreven en dat deze categorieën met elkaar verbonden waren en elkaar vaak overlapten.

87 Het argument van Crédit agricole dat de Commissie had vastgesteld dat sprake was van vijf „autonome” inbreuken die overeenstemden met de vijf in de overwegingen 103 en 613 van het bestreden besluit bedoelde categorieën gedragingen en die moesten worden gekwalificeerd als „beperking naar strekking”, berust dus op een onjuiste lezing van dat besluit. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

88 Hetzelfde geldt voor de kritiek die Crédit agricole ontleent aan het feit dat de Commissie in het kader van het onderhavige beroep heeft getracht haar besluit te herinterpreteren teneinde door het Gerecht te laten vaststellen dat zij de vijf in de overwegingen 103 en 613 van het bestreden besluit bedoelde categorieën gedragingen niet autonoom had opgevat.

89 De grieven die Crédit agricole ontleent aan fouten bij de indeling van de betrokken gedragingen in de ene of de andere van de vijf in de overwegingen 103 en 613 van het bestreden besluit bedoelde categorieën gedragingen, en de gevolgen hiervan voor de kwalificatie van de betrokken gedragingen als „één enkele voortdurende inbreuk” en „beperking naar strekking”, of die welke zij ontleent aan fouten bij de kwalificatie van de ene of de andere van deze vijf categorieën als „beperking naar strekking”, berusten op diezelfde onjuiste lezing van het bestreden besluit zodat zij niet ter zake dienend zijn en dus moeten worden afgewezen.

90 De argumenten die Crédit agricole heeft aangevoerd met betrekking tot specifieke gesprekken zullen echter later in aanmerking worden genomen om te bepalen of de Commissie, zonder een fout te begaan, de betrokken gesprekken als geheel beschouwd heeft kunnen aanmerken als één enkele voortdurende inbreuk met een mededingingsbeperkende strekking.

D. Ontvankelijkheid van de kritiek op de uitlegging van de in het bestreden besluit geanalyseerde gesprekken

91 In deel 4.2 van het bestreden besluit en meer in het bijzonder de overwegingen 112 tot en met 577 daarvan, heeft de Commissie op basis van het bewijsmateriaal waarover zij beschikte een chronologische weergave van de gebeurtenissen gegeven. Deze weergave nam de vorm aan van een analyse en uitlegging van transcripten van meer dan 120 gesprekken die tussen januari 2010 en maart 2015 hebben plaatsgevonden tussen de traders van de betrokken banken, voornamelijk binnen chatrooms op het Bloomberg‑platform. Op basis van deze analyse en deze uitlegging heeft de Commissie vervolgens onderzocht of sprake was van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, een beperking van de mededinging en één enkele voortdurende inbreuk, alsmede of deze inbreuk een mededingingsbeperkende strekking had.

92 In casu betoogt de Commissie in essentie dat bepaalde punten van kritiek van respectievelijk Crédit agricole en Credit Suisse niet-ontvankelijk zijn omdat zij geen betrekking hebben op haar uitlegging van de inhoud van specifieke in het bestreden besluit vermelde gesprekken, maar op gesprekken die in algemene zin naar voren worden gebracht en waartegen geen specifieke kritiek is geuit. Evenzo is de kritiek die is gericht tegen de gesprekken die in de bijlagen bij de door deze twee banken ingediende memories worden genoemd of behandeld, niet-ontvankelijk. Ten slotte moeten de feiten en bewijselementen die deze twee banken niet of niet op geldige wijze hebben betwist, als vaststaand worden beschouwd.

93 Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat, ingevolge artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, het verzoekschrift het onderwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten.

94 Volgens vaste rechtspraak moet deze aanduiding voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen uitspraak te doen op het beroep (zie arrest van 25 januari 2018, BSCA/Commissie, T‑818/14, EU:T:2018:33, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95 Zo is het voor de ontvankelijkheid van een beroep, een middel, een grief of een argument bij het Gerecht noodzakelijk dat de wezenlijke feitelijke en juridische elementen waarop de verzoekende partij zich baseert, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk blijken uit de tekst van het verzoekschrift zelf. De tekst van het verzoekschrift mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de wezenlijke elementen van het juridische betoog, die volgens de in punt 93 hierboven genoemde bepalingen in het verzoekschrift moeten worden vermeld, niet goedmaken (zie in die zin arrest van 13 juni 2013, Versalis/Commissie, C‑511/11 P, EU:C:2013:386, punt 115).

96 De bijlagen kunnen dus alleen in aanmerking worden genomen voor zover zij de middelen, grieven of argumenten staven of aanvullen die de verzoekende partij uitdrukkelijk heeft aangevoerd in de hoofdtekst van haar schriftelijke stukken, voor zover precies kan worden bepaald welke van de daarin opgenomen elementen dienen ter staving of aanvulling van die middelen, grieven of argumenten (zie arrest van 9 september 2015, Samsung SDI e.a./Commissie, T‑84/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:611, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen, grieven en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, aangezien bijlagen louter als bewijsmiddelen dienen (zie arrest van 17 september 2007, Microsoft/Commissie, T‑201/04, EU:T:2007:289, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 De in de punten 93 tot en met 96 hierboven in herinnering gebrachte beginselen sluiten dus uit dat er in het kader van een beroep tegen een op basis van artikel 101 VWEU vastgesteld besluit van de Commissie waarbij deze instelling ondernemingen een bepaald aantal nauwkeurig omschreven en specifiek aangeduide gedragingen verwijt, die ondernemingen zich ertoe kunnen beperken om in de hoofdtekst van hun schriftelijke stukken slechts een aantal van deze gedragingen op specifieke en gemotiveerde wijze te betwisten en het, wat de rest van de gedragingen betreft, aan het Gerecht laten om uit hun conclusies met betrekking tot deze eerste gedragingen af te leiden wat er met die andere gedragingen moet gebeuren, ook al worden deze wel geïdentificeerd of aangevoerd in een bijlage, ofwel het Gerecht verwijzen naar een bijlage waarin hun punten van kritiek voor het eerst worden uiteengezet.

98 Kritiek die uitsluitend in een bijlage wordt geuit en betrekking heeft op gedragingen die niet zijn opgenomen – en waarover dus zeker geen kritiek is geuit – in de hoofdtekst van de schriftelijke stukken van een verzoekende partij, kan namelijk niet worden beschouwd als een argument dat die partij in de hoofdtekst van die stukken heeft aangevoerd.

99 De door de Commissie aangevoerde middelen van niet-ontvankelijkheid met betrekking tot de respectieve kritiekpunten van Crédit agricole en Credit Suisse moeten in het licht van deze overwegingen worden onderzocht.

1. Middelen van niet-ontvankelijkheid met betrekking tot de kritiekpunten van Crédit agricole

100 In het kader van haar eerste middel, dat betrekking heeft op de kwalificatie van de betrokken gedragingen als „beperking naar strekking”, geeft Crédit agricole aan dat zij opkomt tegen de mededingingsbeperkende strekking van alle gesprekken die zijn opgenomen in de vijf in punt 35 hierboven bedoelde categorieën. Daartoe noemt Crédit agricole elf verschillende gesprekken als „voorbeelden”, te weten één gesprek voor categorie 1 (dat van 12 maart 2015), vier gesprekken voor categorie 2 (die van 31 januari, 15 februari, 21 maart en 10 juli 2013), drie gesprekken voor categorie 3 (die van 19 maart, 24 mei en 25 juli 2013), drie gesprekken voor categorie 4 (die van 19 maart en 3 juni 2013 en 6 augustus 2014) en drie gesprekken voor categorie 5 (die van 18 januari en 10 juli 2013 en 12 maart 2015).

101 In het kader van haar derde middel betoogt Crédit agricole ook dat de Commissie voor de kwalificatie van de betrokken gedragingen als „één enkele voortdurende inbreuk” ten onrechte ervan is uitgegaan dat Crédit agricole kennis had van de informatie die in de betrokken chatrooms is uitgewisseld. Ter ondersteuning van haar betoog beroept deze bank zich bij wijze van „voorbeeld” op drie gesprekken, namelijk die van 10 en 31 januari en 11 oktober 2013.

102 De Commissie is van oordeel dat Crédit agricole het merendeel van de andere gesprekken die haar worden verweten, niet heeft betwist, hetgeen deze bank in repliek weerspreekt. Daartoe verwijst die bank naar haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar, dat bij het verzoekschrift is gevoegd. De Commissie werpt tegen dat deze algemene verwijzing niet-ontvankelijk is.

103 Wat in dit verband het eerste en het derde middel van Crédit agricole betreft, volgt uit de overwegingen in de punten 93 tot en met 98 hierboven dat, bij gebreke van zelfs maar summier in het verzoekschrift geformuleerde specifieke en onderbouwde kritiek, de kritiekpunten die deze bank heeft opgeworpen ten aanzien van andere gesprekken dan de in de punten 100 en 101 hierboven bedoelde gesprekken die in de hoofdtekst van haar schriftelijke stukken zijn opgenomen, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Voorts kan dit gebrek in het verzoekschrift niet worden verholpen door de algemene verwijzing die Crédit agricole in haar repliek heeft gemaakt naar haar bij het verzoekschrift gevoegde antwoord op de mededeling van punten van bezwaar.

104 Anders dan Crédit agricole betoogt, is een dergelijke beoordeling niet in strijd met het door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht van deze bank op een doeltreffende voorziening in rechte omdat, in essentie, zij vanwege de vereisten ten aanzien van de omvang van de schriftelijke stukken die zij bij het Gerecht kon indienen, slechts een aantal van de betrokken gesprekken heeft kunnen betwisten.

105 Uit punt 105 van de praktische uitvoeringsbepalingen voor het Reglement voor de procesvoering blijkt namelijk dat voor op grond van artikel 263 VWEU ingestelde rechtstreekse beroepen, het maximumaantal bladzijden van de memories is vastgesteld op 50 bladzijden voor het verzoekschrift en 25 bladzijden voor de repliek. Er zij evenwel op gewezen dat het verzoekschrift van Crédit agricole minder dan 43 bladzijden telt en deze bank niet heeft verzocht om die maxima te kunnen overschrijden, hetgeen nochtans mogelijk is op grond van punt 106 van de praktische uitvoeringsbepalingen van het Reglement voor de procesvoering.

106 Uit het voorgaande volgt dat de beoordelingen die de Commissie in het bestreden besluit heeft verricht met betrekking tot de gesprekken die Crédit agricole heeft betwist op basis van algemene en niet onderbouwde overwegingen, of de gesprekken die deze bank heeft betwist door te verwijzen naar haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar, als vaststaand en dus als definitief moeten worden beschouwd (zie naar analogie arrest van 7 november 2019, Campine en Campine Recycling/Commissie, T‑240/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:778, punt 105).

107 De voldoende specifieke en onderbouwde kritiek met betrekking tot de in de punten 100 en 101 hierboven bedoelde gesprekken is daarentegen ontvankelijk en zal worden geanalyseerd aan de hand van de tijdstempels in de door Crédit agricole of door de Commissie overgelegde transcripties van deze gesprekken.

2. Middelen van niet-ontvankelijkheid met betrekking tot de kritiekpunten van Credit Suisse

108 In het kader van het tweede onderdeel van haar eerste middel stelt Credit Suisse dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op artikel 101 VWEU door te concluderen dat de „gesprekken over de vaststelling van prijzen” ertoe strekten de mededinging te beperken. In dit verband beperkt zij zich tot de opmerking dat deze uitdrukking ziet op „gesprekken die informatie [bevatten] over (i) de reële waarde van een obligatie, (ii) de onderhandelingsstrategieën van tegenpartijen, (iii) de inventarisposities van market makers en (iv) de opdrachtenstromen”.

109 In antwoord op een middel van niet-ontvankelijkheid waarmee de Commissie betoogt dat de onnauwkeurigheid van de bewoordingen „gesprekken over de vaststelling van prijzen” moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het tweede onderdeel van het eerste middel van Credit Suisse, heeft deze bank in bijlage bij de repliek een tabel overgelegd met de 25 gesprekken die vallen onder wat zij omschrijft als „gesprekken over de vaststelling van prijzen”. Deze tabel vermeldt de datum van elk van deze gesprekken, de overwegingen van het bestreden besluit waarin naar die gesprekken wordt verwezen en de verwijzing ernaar in het dossier van de Commissie.

110 In dit verband volgt uit de overwegingen in de punten 93 tot en met 98 hierboven dat, bij gebreke van zelfs maar summier in het verzoekschrift of zelfs in de repliek en de bijlage daarbij geformuleerde onderbouwde en specifieke kritiek, de kritiekpunten die deze bank zou hebben opgeworpen ten aanzien van de uitlegging door de Commissie van de inhoud van de 25 in punt 109 hierboven bedoelde gesprekken, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

111 Uit het voorgaande volgt dat de beoordelingen die de Commissie in het bestreden besluit heeft verricht met betrekking tot de gesprekken die Credit Suisse heeft betwist op basis van algemene en niet onderbouwde overwegingen, of de gesprekken die deze bank heeft betwist door te verwijzen naar haar antwoord op een bijlage bij de repliek, als vaststaand en dus als definitief moeten worden beschouwd (zie naar analogie arrest van 7 november 2019, Campine en Campine Recycling/Commissie, T‑240/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:778, punt 105).

112 De voldoende specifieke en onderbouwde kritiek die is geformuleerd in het kader van de andere middelonderdelen of middelen en is gericht tegen de uitlegging door de Commissie van de inhoud van de in het bestreden besluit geanalyseerde gesprekken is daarentegen ontvankelijk en zal worden geanalyseerd aan de hand van de tijdstempels in de door Credit Suisse of door de Commissie overgelegde transcripties van deze gesprekken.

113 Dit is het geval met de kritiek betreffende het mededingingsbeperkende karakter van bepaalde gesprekken en meer in het bijzonder met de kritiek tegen de uitlegging van de inhoud van de gesprekken van 28 september 2010, 8 februari 2012 en 10 januari 2013, die kort is weergegeven in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel, en tegen de uitlegging van de inhoud van de gesprekken van 12 maart 2015 en van de brief van 24 maart 2015, die is weergegeven in het kader van het vierde onderdeel van het tweede middel. Hetzelfde geldt voor de kritiek die is geformuleerd in het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel, die geen betrekking heeft op het mededingingsbeperkende karakter van bepaalde gesprekken, maar is gericht tegen de in overweging 808 van het bestreden besluit verrichte beoordelingen betreffende de mate waarin Credit Suisse kennis had van de mededingingsbeperkende gedragingen, op basis van de inhoud van de gesprekken van 25 juli en 22 oktober 2013 en 9 januari 2014.

E. Vorderingen tot nietigverklaring van Crédit agricole en Credit Suisse

114 Tot staving van hun beroepen voeren verzoeksters middelen aan die elkaar grotendeels overlappen en die gezamenlijk moeten worden beoordeeld, waarbij erop moet worden toegezien dat wordt gereageerd op de specifieke argumenten die elk van hen heeft aangevoerd.

115 Hun middelen zijn in wezen opgebouwd rond drie categorieën kritiekpunten, die achtereenvolgens moeten worden onderzocht en zijn ontleend aan, ten eerste, fouten bij de kwalificatie van de betrokken gedragingen als „één enkele voortdurende inbreuk” en van de omvang van hun deelname aan deze inbreuk (tweede middel van Crédit agricole en Credit Suisse), ten tweede, fouten bij de kwalificatie van die ene enkele voortdurende inbreuk als „beperking naar strekking” (eerste middel van Crédit agricole en Credit Suisse) en, ten derde, fouten bij de vaststelling van het bedrag van hun respectieve geldboeten (vierde middel van Crédit agricole en derde middel van Credit Suisse).

116 Allereerst moet echter het derde middel van Crédit agricole worden onderzocht, dat is ontleend aan schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld doordat de Commissie ten onrechte ervan is uitgegaan dat de traders van de betrokken banken kennis hadden van de in de chatrooms uitgewisselde informatie om het enkele feit dat zij daarop ingelogd waren.

1. Derde middel van Crédit agricole: schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld

117 Met haar derde middel verwijt Crédit agricole de Commissie dat zij met het oog op de kwalificatie van de betrokken gedragingen op grond van artikel 101, lid 1, VWEU ervan is uitgegaan dat „de [betrokken] traders [en in het bijzonder die van haar] kennis hadden van alle in een chatroom uitgewisselde informatie, ook wanneer de betrokken trader niet had deelgenomen aan de discussiegroep of aan de uitwisselingen”.

118 Ter ondersteuning van dit middel beroept Crédit agricole zich op het arrest van 21 januari 2016, Eturas e.a. (C‑74/14, EU:C:2016:42, punten 45 en 50), waarin is bepaald dat „[h]et vermoeden van onschuld […] zich ertegen [verzet] […] dat de loutere verzending van [een] mededeling afdoende kan bewijzen dat de ontvangers ervan noodzakelijkerwijs op de hoogte moesten zijn van de inhoud van die mededeling” en dat er, indien niet kan worden aangetoond dat een onderneming op de hoogte was van een mededeling, sprake moet zijn „van andere objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen […] dat het stilzwijgend heeft ingestemd met een mededingingsverstorende handeling”. Voorts betoogt deze bank dat de rechtspraak inzake de uitwisseling van informatie in het kader van vergaderingen in persoon niet kan worden toegepast op de uitwisseling van informatie in chatrooms.

119 Derhalve kon de Commissie in casu niet op goede gronden oordelen dat de mededeling van informatie aan „niet‑actieve deelnemers” in een chatroom volstond om aan te nemen dat die deelnemers deze informatie hadden ontvangen en daarvan op de hoogte waren, met name om de in overweging 587 van het bestreden besluit gehanteerde reden dat zij de mogelijkheid hadden om terug te keren naar eerdere discussies. Dit zou ook te wijten zijn aan het feit dat de trader van Crédit agricole lid was van meer dan 100 chatrooms en zich informeerde via een groot aantal andere bronnen die hij op zes tot acht schermen voor zich had.

120 In het bijzonder kon de Commissie de gesprekken van 10 en 31 januari 2013 en 11 oktober 2013 niet als rechtstreeks belastend aanmerken, omdat de trader van Crédit agricole in het eerste geval pas na de door de Commissie aangehaalde uitwisseling van informatie is ingelogd op de betrokken chatroom en in de andere twee gevallen weliswaar ingelogd was op de betrokken chatroom maar niet actief heeft deelgenomen aan de belastende uitwisselingen.

121 Voorts heeft de Commissie niet aangetoond dat de trader van Crédit agricole er belang bij had om de betrokken informatie op te zoeken of dat hij op basis van die informatie heeft gehandeld. Bovendien heeft het feit dat de trader van Crédit agricole niet bekend was met deze informatie hem ervan belet daar publiekelijk afstand van te nemen.

122 De Commissie meent dat de argumenten van Crédit agricole ongegrond zijn en dat de kritiek met betrekking tot de gesprekken van 10 en 31 januari 2013 en 11 oktober 2013 niet ter zake dienend is, aangezien Crédit agricole de andere gesprekken waarvan zij wordt beschuldigd niet heeft betwist.

123 Om te beginnen moet de stelling van de Commissie dat de kritiek met betrekking tot de gesprekken van 10 en 31 januari 2013 en 11 oktober 2013 niet ter zake dienend is, worden afgewezen.

124 Zoals uiteengezet in punt 103 hierboven, kan Crédit agricole weliswaar niet worden geacht in het kader van haar derde middel op een ontvankelijke manier kritiek te hebben geuit met betrekking tot andere gesprekken dan die drie gesprekken, maar dit neemt niet weg dat het feit dat de meerderheid van de door de Commissie gelaakte gedragingen niet ontvankelijk zijn betwist, niet kan leiden tot het automatische oordeel, zonder individuele analyse van de bestreden gesprekken, dat de door de Commissie vastgestelde gedragingen, in hun geheel beschouwd, terecht als één enkele voortdurende inbreuk met een mededingingsbeperkende strekking zijn gekwalificeerd.

125 Ten gronde moet worden opgemerkt dat Crédit agricole met haar kritiek twee afzonderlijke vragen opwerpt.

126 Wat in de eerste plaats de vraag betreft of de Commissie gesprekken die hebben plaatsgevonden in een chatroom waarop de betrokken onderneming was ingelogd maar waaraan zij niet heeft deelgenomen, kan aanmerken als bewijs van een mededingingsbeperkende gedraging, is het vaste rechtspraak dat de passieve wijzen van deelneming aan de inbreuk, zoals de omstandigheid dat een onderneming aanwezig is op bijeenkomsten tijdens welke overeenkomsten met een mededingingsbeperkende aard worden gesloten, en zich daar niet overduidelijk tegen heeft verzet, wijzen op een medeplichtigheid waarvoor die onderneming in het kader van artikel 101, lid 1, VWEU aansprakelijk kan worden gesteld, aangezien de stilzwijgende goedkeuring van een ongeoorloofd initiatief zonder openlijke distantiëring van de inhoud daarvan en zonder dit bij de administratieve entiteiten aan te geven, een aanmoediging tot voortzetting van de inbreuk vormt en de ontdekking ervan bemoeilijkt (zie arrest van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

127 Het klopt dat deze rechtspraak is ontwikkeld met betrekking tot bijeenkomsten die worden gehouden in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de betrokken ondernemingen. Er is echter geen reden om aan te nemen dat die rechtspraak niet naar analogie kan worden toegepast op gesprekken in online chatrooms waarop een onderneming is ingelogd.

128 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de door Crédit agricole aangehaalde punten 45 en 50 van het arrest van 21 januari 2016, Eturas e.a. (C‑74/14, EU:C:2016:42).

129 Het arrest van 21 januari 2016, Eturas e.a. (C‑74/14, EU:C:2016:42), had namelijk niet, zoals in casu, betrekking op een permanente chatroom waarop de berichten van deelnemers in realtime worden verstuurd aan alle op de chatroom ingelogde personen, die er onmiddellijk kennis van nemen of op zijn minst kunnen nemen. Zoals uitdrukkelijk blijkt uit punt 7 van dat arrest, had het betrekking op een systeem dat op dezelfde wijze functioneerde als een elektronische brievenbus, waarvan de berichten werden bezorgd als e-mails en, om te kunnen worden gelezen, eerst moesten worden geopend door de geadresseerde, die dus noodzakelijkerwijs een actieve handeling moest verrichten om daadwerkelijk kennis te nemen van de inhoud van het hem toegezonden bericht.

130 Het feit dat het Hof in de context van het arrest van 21 januari 2016, Eturas e.a. (C‑74/14, EU:C:2016:42), in essentie heeft geoordeeld dat kennis van de inhoud van een via een soortgelijk instrument als een e-mailsysteem verstuurd bericht niet kan worden afgeleid uit het enkele feit dat dit bericht is verstuurd, kan dus niet betekenen dat, in de context van berichten die worden geplaatst in een permanente chatroom en die in realtime worden verstrekt aan alle daarop ingelogde personen, de Commissie moet aantonen dat het bericht dat aan een onderneming wordt tegengeworpen, daadwerkelijk door de werknemer van die onderneming is gelezen.

131 In casu mocht de Commissie er dus van uitgaan dat Crédit agricole op de hoogte was van de gesprekken die werden gevoerd in de permanente chatrooms waarop haar trader was ingelogd, zelfs al zou de trader zelf niet actief aan deze gesprekken hebben deelgenomen en ook al beschikte hij gelijktijdig over talrijke andere informatiebronnen.

132 Dit zou slechts anders kunnen zijn indien Crédit agricole aan de hand van vaststaande bewijselementen met een exacte tijdstempel had bewezen dat haar trader daadwerkelijk geen kennis had genomen van de belastende berichten.

133 Crédit agricole heeft echter geen dergelijk bewijs geleverd, in het bijzonder met betrekking tot het gesprek dat op 31 januari 2013 tussen 11 h 02 min 08 s en 11 h 05 min 38 s plaatsvond in chatroom PCHAT‑0x2000001313671, waarop de trader van die bank was ingelogd sinds 7 h 16 min op diezelfde dag. Voorts kan worden opgemerkt dat diezelfde trader weliswaar niet actief heeft deelgenomen aan het gesprek, maar wel om 11 h 29 min 08 s op het betrokken gesprek heeft gereageerd in een bericht dat vier regels na dat van 11 h 05 min 38 s verscheen.

134 Hetzelfde geldt voor het gesprek dat op 11 oktober 2013 tussen 9 h 18 min 25 s en 9 h 19 min 15 s plaatsvond in chatroom CHAT-fs:5257AB6D 02E00121, waarop de trader van Crédit agricole was ingelogd sinds 8 h 44 min 58 s op diezelfde dag.

135 Wat in de tweede plaats de afzonderlijke vraag betreft of de Commissie het gesprek van 10 januari 2013, dat plaatsvond in een permanente chatroom op een tijdstip waarop de trader van deze bank daar nog nooit op had ingelogd met gebruik van de identificatiecodes van de bank, kon aanmerken als bewijs voor een mededingingsbeperkende gedraging van Crédit agricole die het begin van haar deelname aan de litigieuze inbreuk markeerde, heeft de Commissie in het kader van opmerkingen naar aanleiding van een maatregel tot organisatie van de procesgang aangegeven dat zij zich niet had gebaseerd op het feit dat de betrokken trader, na toegang te hebben verkregen tot de chatroom, kennis had of had kunnen nemen van het mededingingsbeperkende gesprek dat eerder op die dag had plaatsgevonden, door terug te gaan in de chatgeschiedenis.

136 Dienaangaande heeft de Commissie het volgende toegelicht: „Crédit agricole wordt aansprakelijk gesteld voor de volledige enkele voortdurende inbreuk voor de gehele periode waarin zij daarbij betrokken was, omdat zij actief heeft deelgenomen aan alle gedragingen die onder de ene enkele voortdurende inbreuk vallen […]. Zelfs al zou de Commissie moeten aantonen dat Crédit agricole op de hoogte was (quod non), hoeft zij niet aan te tonen dat [deze bank] kennis had van elk stuk uitgewisselde informatie, noch dat haar trader daadwerkelijk de volledige uitwisseling in de chatroom heeft gelezen. De Commissie hoeft alleen aan te tonen dat Crédit agricole kennis had van het inbreukmakende gedrag dat de andere deelnemers aan het kartel met het oog op het gemeenschappelijke doel hebben gepland of uitgevoerd, of dat zij dit gedrag redelijkerwijs kon voorzien en bereid was om het risico daarvan te nemen.”

137 Bij gebreke van uitwisselingen met een mededingingsbeperkend karakter van dezelfde dag waarop de trader van Crédit agricole voor het eerst heeft ingelogd op de betrokken chatroom en daarna, volstaat deze eerste verbinding echter op zich niet om het beginpunt van de deelname van deze bank aan de litigieuze inbreuk vast te stellen op 10 januari 2013, zelfs al had die trader vanwege zijn eerdere arbeidsrelatie met BofA reeds moeten weten dat de uitwisselingen die in deze chatroom plaatsvonden een mededingingsbeperkend karakter konden hebben.

138 Ten eerste blijkt met name uit de overwegingen 43 en 662 van het bestreden besluit dat het opzetten van chatrooms en de deelname daaraan als zodanig niet mededingingsbeperkend zijn. In die zin heeft de Commissie de gesprekken in dergelijke chatrooms die een sociaal oogmerk hadden of die tot doel hadden om de mogelijkheid van bilaterale transacties te verkennen of om van gedachte te wisselen over de reeds algemeen bekende stand van de markt, de deelnemers niet kwalijk genomen, ook al vonden deze gesprekken plaats tijdens de inbreukperiode.

139 Het mededingingsbeperkende karakter van de door de Commissie gelaakte gesprekken houdt dus uitsluitend verband met het doel ervan en niet met de context waarin zij hebben plaatsgevonden.

140 Ten tweede is het gesprek van 10 januari 2013 het eerste mededingingsbeperkende gesprek dat Crédit agricole wordt verweten en vormt dit gesprek voor de Commissie het begin van de deelname van die bank aan de litigieuze inbreuk.

141 Om 10 januari 2013 aan te merken als begindatum van de deelname van Crédit agricole aan de litigieuze inbreuk, kon de Commissie zich echter niet uitsluitend beroepen op het feit dat deze bank – via haar trader – was ingelogd op de betrokken chatroom, met volledige kennis van het feit dat er in die chatroom in het verleden mededingingsbeperkende gesprekken hadden plaatsgevonden en met de bedoeling om aan dergelijke gesprekken te blijven deelnemen, zoals de Commissie aangeeft in voetnoot 891 van het bestreden besluit.

142 Deze instelling moest tevens aantonen dat Crédit agricole op 10 januari 2013, na de eerste verbinding van haar trader met de litigieuze chatroom, actief had deelgenomen aan, of op zijn minst passief aanwezig was bij, een mededingingsbeperkend gesprek, zodat zij commercieel gevoelige informatie had kunnen doorgeven of ontvangen die hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent had kunnen beïnvloeden, hetzij een dergelijke concurrent op de hoogte had kunnen brengen van het marktgedrag waartoe Crédit agricole had besloten of dat Crédit agricole voornemens was te vertonen (zie in die zin arrest van 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, punt 72).

143 In casu blijkt echter noch uit het bestreden besluit noch uit het dossier waarover het Gerecht beschikt dat er op 10 januari 2013, nadat de trader van Crédit agricole voor het eerst op de betrokken chatroom was ingelogd, in deze chatroom berichten van mededingingsbeperkende aard zijn uitgewisseld.

144 Bijgevolg kon de Commissie niet zonder een fout te begaan en in het bijzonder het beginsel van het vermoeden van onschuld te schenden, dat van toepassing is op procedures ter uitvoering van artikel 101 VWEU (zie in die zin arrest van 21 januari 2016, Eturas e.a., C‑74/14, EU:C:2016:42, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak), oordelen dat Crédit agricole op 10 januari 2013 louter door ingelogd te zijn op de betrokken chatroom had deelgenomen aan een mededingingsverstorende gedraging en vaststellen dat het beginpunt van de deelname van deze bank aan de inbreuk op die datum moest worden vastgesteld.

145 Gelet op het voorgaande moet het derde middel van Crédit agricole worden aanvaard voor zover het betrekking heeft op het gesprek van 10 januari 2013 en voor het overige ongegrond worden verklaard.

146 De gevolgen van de fout van de Commissie met betrekking tot dit gesprek van 10 januari 2013 voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit zullen echter worden onderzocht in de punten 550 en 551 en 981 tot en met 986 hieronder, in het kader van de duur van de aan Crédit agricole verweten inbreuk en in het kader van de berekening van de aan deze bank opgelegde geldboete.

2. Tweede middel van Crédit agricole en tweede middel van Credit Suisse: fouten bij de kwalificatie van de betrokken gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk

a) Opmerkingen vooraf

147 In het geval van een geschil over het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels staat het aan de Commissie om de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en om rechtens genoegzaam aan te tonen, aan de hand van voldoende bepaalde en onderling samenhangende aanwijzingen, dat de feiten die een inbreuk vormen, zijn gepleegd (zie in die zin arresten van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85–C‑129/85, EU:C:1993:120, punten 126 en 127; 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, EU:C:1998:608, punt 58, en 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C‑2/01 P en C‑3/01 P, EU:C:2004:2, punt 62).

148 Volgens vaste rechtspraak kan een schending van artikel 101, lid 1, VWEU niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar tevens uit een reeks handelingen of een voortdurende gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortdurende gedraging ook op zich, afzonderlijk, een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen vanwege hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie de aansprakelijkheid voor deze handelingen dus bepalen aan de hand van de deelneming aan de betrokken inbreuk in haar geheel (zie arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

149 Een onderneming die aan een dergelijke enkele voortdurende inbreuk heeft deelgenomen door eigen gedragingen die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. Dit is het geval wanneer vast komt te staan dat de betrokken onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de inbreukmakende gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (zie arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 16 juni 2011, Team Relocations/Commissie, T‑204/08 en T‑212/08, EU:T:2011:286, punten 36 en 37).

150 Het is dus mogelijk dat een onderneming rechtstreeks heeft deelgenomen aan alle mededingingsverstorende gedragingen die samen één enkele voortdurende inbreuk vormen, in welk geval de Commissie haar aansprakelijk mag stellen voor al deze gedragingen en dus voor deze inbreuk in zijn geheel. Het is ook mogelijk dat een onderneming slechts rechtstreeks heeft deelgenomen aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen die samen één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar op de hoogte was van alle andere inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze gedragingen redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie deze onderneming aansprakelijk stellen voor alle mededingingsverstorende gedragingen die samen deze inbreuk vormen, en dus voor de inbreuk in haar geheel (arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 43, en 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 158).

151 Wanneer een onderneming daarentegen rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meerdere van de mededingingsverstorende gedragingen die één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan alle gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en dat zij alle andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, mag de Commissie haar enkel aansprakelijk stellen voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor de gedragingen die de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde doelstellingen als die welke zij nastreefde en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 44, en 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 159).

152 Hieruit volgt dat de vaststelling dat sprake is van één enkele voortdurende inbreuk losstaat van de vraag of de verantwoordelijkheid voor die inbreuk in zijn geheel aan een onderneming kan worden toegerekend (zie in die zin arrest van 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie, C‑99/17 P, EU:C:2018:773, punt 174).

153 Meer in het bijzonder, zoals blijkt uit de in de punten 148 tot en met 151 hierboven aangehaalde rechtspraak, zijn drie elementen doorslaggevend voor de vaststelling van de deelname van een onderneming aan één enkele voortdurende inbreuk. Het eerste element is het bestaan zelf van één enkele voortdurende inbreuk, te weten dat de verschillende betrokken gedragingen deel uitmaken van een „totaalplan” met één enkel mededingingsbeperkend doel. Het tweede en derde element betreffen de toerekenbaarheid van de enkele voortdurende inbreuk aan een onderneming. In dit verband moet die onderneming ten eerste het voornemen hebben gehad om met haar eigen gedrag bij te dragen aan de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers. Ten tweede moet zij de inbreukmakende gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten hebben gekend of redelijkerwijs hebben kunnen voorzien en bereid zijn geweest om het risico ervan te aanvaarden.

154 In casu betoogt Crédit agricole met haar tweede middel dat de Commissie „geen afdoende bewijs of motivering heeft verstrekt om aan te tonen dat zij heeft deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk”. Met het eerste onderdeel van haar tweede middel betoogt zij dat zij „niet heeft bijgedragen aan een totaalplan”. Met het tweede onderdeel van dit middel voert Crédit agricole aan dat de vastgestelde inbreuk niet voortdurend was.

155 Dienaangaande dient ten eerste, voor zover Crédit agricole in enkel het opschrift van haar tweede middel de Commissie verwijt geen „afdoende” motivering te hebben verstrekt, te worden benadrukt dat een analyse van de overwegingen 750 tot en met 828 van het bestreden besluit, die gewijd zijn aan het bewijs van het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk waaraan deze bank zou hebben deelgenomen en die met name verwijzingen bevatten naar andere overwegingen van dat besluit alsmede reacties op de argumenten van de betrokken banken, die bank in staat heeft gesteld om ter verdediging van haar rechten kennis te nemen van de rechtvaardiging van de genomen maatregel en het Gerecht in staat heeft gesteld om de rechtmatigheid van het bestreden besluit te toetsen. Voorts zal de juistheid van de motivering in het bestreden besluit worden onderzocht in het kader van het antwoord op de verschillende argumenten die deze bank heeft aangevoerd om de geldigheid van de beoordelingen van de Commissie te betwisten.

156 Ten tweede blijkt uit de bewoordingen van het eerste onderdeel van het tweede middel van Crédit agricole dat zij in het kader van dit onderdeel en zoals de Commissie ter terechtzitting heeft aangevoerd, niet betwist dat er sprake is van een totaalplan met één enkel mededingingsbeperkend doel, maar enkel dat zij aan dit totaalplan heeft deelgenomen en dus dat zij aan de vastgestelde enkele voortdurende inbreuk heeft deelgenomen.

157 Credit Suisse betwist met het eerste en het derde onderdeel van haar tweede middel dat er sprake is van één enkele voortdurende inbreuk. Bovendien betwist deze bank met het tweede en het vierde onderdeel van dit middel dat zij aansprakelijk is voor deze inbreuk voor de in het bestreden besluit vastgestelde periode.

158 In het licht van de overwegingen in de punten 148 tot en met 153 hierboven, dienen de argumenten van Crédit agricole en Credit Suisse te worden onderzocht door onderscheid te maken tussen enerzijds de argumenten die zijn gericht tegen de vaststelling dat er sprake is van één enkele voortdurende inbreuk en anderzijds die welke zijn gericht tegen de vaststelling dat zij voor een bepaalde periode aansprakelijk kunnen worden gehouden voor die inbreuk.

159 Evenwel moet worden opgemerkt dat Crédit agricole en Credit Suisse in het kader van hun respectieve beroepen verbanden leggen tussen de kwesties die zij met hun tweede middelen aankaarten en de argumenten die zij in het kader van hun eerste middelen aanvoeren, die er in wezen aan zijn ontleend dat de Commissie bij haar conclusie dat sprake is van een beperking „naar strekking”, artikel 101 VWEU heeft geschonden.

160 Dientengevolge moeten, alvorens de in punt 158 hierboven vermelde argumenten te onderzoeken, bepaalde feitelijke vaststellingen en bepaalde beoordelingen van de Commissie in verband met het bestaan van mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen worden geanalyseerd, die te vinden zijn in de punten 593 tot en met 621 van het bestreden besluit. Deze vaststellingen en beoordelingen kunnen namelijk van invloed zijn op de gegrondheid van de conclusies van de Commissie betreffende, ten eerste, het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk en, ten tweede, de toerekenbaarheid van de aansprakelijkheid voor deze inbreuk aan Crédit agricole en Credit Suisse.

b) Bestaan van mededingingsbeperkende overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen

161 In het kader van haar beoordeling van het mededingingsbeperkende karakter van de door haar vastgestelde gedragingen heeft de Commissie de inhoud van meer dan honderd gesprekken voorgelegd en geïnterpreteerd. Credit Suisse en Crédit agricole hebben echter slechts een deel van de gesprekken die hen betreffen, rechtsgeldig betwist, hetgeen betekent dat de niet rechtsgeldig betwiste gesprekken als vaststaand en dus als definitief moeten worden beschouwd, evenals de uitlegging die de Commissie daaraan heeft gegeven (zie punten 91‑113 hierboven).

162 Wat Crédit agricole betreft, dient in het licht van de specifieke, nauwkeurige en onderbouwde kritiek in haar eerste middel te worden vastgesteld dat deze bank alleen kan opkomen tegen het mededingingsbeperkende karakter van de gesprekken van 18 en 31 januari 2013, 15 februari 2023, 19 en 21 maart 2013, 24 mei 2013, 3 juni 2013, 10 en 25 juli 2013, 6 augustus 2014 en 12 maart 2015 (zie punt 103 hierboven).

163 Wat Crédit agricole betreft, dient in het licht van de specifieke, nauwkeurige en onderbouwde kritiek in het eerste onderdeel van haar eerste middel en het vierde onderdeel van haar tweede middel te worden vastgesteld dat deze bank alleen kan opkomen tegen het mededingingsbeperkende karakter van de gesprekken van 28 september 2010, 8 februari 2012, 10 januari 2013 en 12 maart 2015, alsmede van de e-mail die haar trader op 24 maart 2015 aan de trader van Crédit agricole heeft gestuurd (zie punten 112 en 113 hierboven).

164 Aangezien rekening dient te worden gehouden met het mededingingsbeperkende karakter van de door de Commissie vastgestelde gedragingen en meer in het bijzonder met de uitlegging van de gesprekken die in het bestreden besluit zijn geanalyseerd om het bestaan van één enkele voortdurende inbreuk en van een beperking naar strekking te onderzoeken, moet allereerst worden herinnerd aan de inhoud van de gesprekken waarvan definitief is vastgesteld dat zij mededingingsbeperkend zijn, en vervolgens het mededingingsbeperkende karakter worden beoordeeld van de gesprekken waartegen Crédit agricole en Credit Suisse kunnen opkomen, aangezien deze twee banken noch het bestaan van de in het bestreden besluit geanalyseerde gesprekken, noch de inhoud daarvan, en met name het taalgebruik van de traders betwisten.

1) Gesprekken waarvan vaststaat dat zij mededingingsbeperkend zijn

165 In overweging 613 heeft de Commissie voor analytische doeleinden de vijf in punt 35 hierboven genoemde categorieën gedragingen aangeduid en de betrokken gedragingen toegelicht in met name de overwegingen 614 tot en met 616 van dat besluit.

166 In overweging 614 van het bestreden besluit heeft de Commissie verwezen naar talrijke gesprekken waarin de deelnemers zich als volgt hebben uitgelaten over hun prijzen: „gonna show the same..fck him” (gesprek van 1 februari 2010, genoemd in overweging 127); „ok i will [s]how [him] the same” (gesprekken van 8 februari 2010 en 23 februari 2012, genoemd in respectievelijk overweging 129 en overweging 377); „yeah cool...I am going 28/25 in libl” (gesprek van 24 februari 2010, genoemd in overweging 131); „lets both bid same level” (gesprek van 10 maart 2010, genoemd in overweging 143; „where shall we show[?]” (gesprek van 11 maart 2010, genoemd in overweging 148); „I will bid the same” (gesprekken van 25 maart 2010 en 1 en 14 juni 2011, genoemd in respectievelijk overweging 157, 298 en 301); „where you want to bid/show?” (gesprekken van 6 april 2010 en 25 april 2012, genoemd in respectievelijk overwegingen 169 en 403); „lets both bid 41?... and split the trade?” (gesprek van 6 april 2010, genoemd in overweging 173); „being asked to offer 20mm... you might see it in a sec so lets sh[]ow at the same level... 50?” (gesprek van 19 april 2010, genoemd in overweging 174); „ok cool will show same level... and wont improve” (gesprek van 2 juni 2010, genoemd in overweging 190); „just seen the same effing enquiry... I’ll bid 44 tooo” (gesprek van 12 augustus 2010, genoemd in overweging 215); „Let’s just keep that price up because I am not going to improve from there. Because they are just going to try and play one place against another” (gesprek van 13 oktober 2010, genoemd in overweging 236; „140 is fine man... will show that” (gesprek van 25 januari 2011, genoemd in overweging 271); „will offer to miss” (gesprek van 11 februari 2011, genoemd in overweging 277); „shall we switch prices etc at the same level?” (gesprek van 9 maart 2011, genoemd in overweging 283); „in case he comes to [you].. maybe worth showing same level. so we can max the dough” (gesprek van 19 mei 2011, genoemd in overweging 294); „tell him you see them like 20/17 or something” (gesprek van 15 juli 2011, genoemd in overweging 309); „perfect... I’ll show the same” (gesprek van 6 oktober 2011, genoemd in overweging 337); „will show a worse price” (gesprek van 25 april 2012, genoemd in overweging 403); „lets leave it up there for 100mm?”, „then move it back a bps after that” (gesprek van 31 mei 2012, genoemd in overweging 418).

167 Uit andere overwegingen van het bestreden besluit blijkt ook dat de deelnemers zich met betrekking tot hun prijzen als volgt hebben uitgedrukt: „show them cheaper or whatever” (telefoongesprek van 25 september 2013, genoemd in overweging 528); „hey mate... I’m showing some 7‑10yr ideas out to someone so was just that up. Where u wanna show out? 39 your level?” (gesprek van 5 februari 2014, genoemd in overweging 539).

168 In overweging 615 van het bestreden besluit heeft de Commissie verwezen naar talrijke gesprekken waarin de deelnemers als volgt informatie hebben uitgewisseld: „just got an order from custy to sell 100mm germs... where do you see correct bidside”, „what the right bidside”, „where [you] got them marked?” (gesprekken van 19 januari 2010, genoemd in de overwegingen 116, 121 en 124); „where u buy cades 10/14... i was aske those” (gesprek van 24 februari 2010, genoemd in overweging 131); „being asked to offer 20mm eib 2.75 15... where are these things at?” (gesprek van 6 april 2010, genoemd in overweging 165); „where you show? i have those as well” (gesprek van 19 mei 2010, genoemd in overweging 185); „that’s what client is telling me they’ve seen away” (gesprek van 27 augustus 2010, genoemd in overweging 222); „where u gonna be bidding kfw 20’s if asked?” (gesprek van 31 augustus 2010, genoemd in overweging 228); „where you bidding the spain? seeing ti now as well” (gesprek van 7 juli 2011, genoemd in overweging 304); „i think they must be sellers” (gesprek van 18 januari 2012, genoemd in overweging 351); „is he the one that hit you[?]” (gesprek van 7 maart 2012, genoemd in overweging 388); „where [you] guys marking these now?” (gesprek van 25 april 2012, genoemd in overweging 400); „oh yeah...that scumbag. Cool, thks for headsup” (gesprek van 28 augustus 2012, genoemd in overweging 434); „where would u bid that just out of interest” (gesprek van 12 juli 2013, genoemd in overweging 507); „i showed 70, but he’s looking for 71” (gesprek van 14 maart 2014, genoemd in overweging 547).

169 Uit andere overwegingen van het bestreden besluit blijkt ook dat de deelnemers als volgt informatie hebben uitgewisseld: „what level these pups trading at[?]” (gesprek van 11 januari 2013, genoemd in overweging 452 van het bestreden besluit); „where you marking cades 04/17?”, „i am close to buying 200mm eib 06/18...got a buyer already in the wings... and they were trading at lib+5 a short while back... still only at lib+18... can easily come in another 5‑7 bps... guy wants 33.5... for 275mm...hes also thinking about selling me 250mm eib 03/18... but wants 23.5 for them”, „that my bid in the cades 01/18... in icap... and cantors... so going cheaper offer aint gonna help!”, „i just sold 73mm eib 03/20 in cantors... on a no post at 44.5”, „i just traded eib 03/20 at 44.5... now they going up at 44... and guy might even pay 43.5... must have been a retail bu[y]er i guess” (gesprek van 2 juli 2013, genoemd in overweging 495 van het bestreden besluit); „we showed that switch out to them earlier...can’t believe they’re comping us..lol”, „i bid +12 and getting chiselled...showd nibs out at -1” (gesprek van 9 augustus 2013, genoemd in overweging 515 van het bestreden besluit).

170 Ten slotte heeft de Commissie in overweging 616 van het bestreden besluit verwezen naar talrijke gesprekken waarin de deelnemers zich als volgt hebben uitgelaten over hun handelsactiviteiten: „I’ll remove my offer” (gesprek van 24 februari 2010, genoemd in overweging 131); „i’m gonna show this 215 bid a 200 offer if that doesn’t get in the way of what you’re doing” (gesprek van 12 augustus 2010, genoemd in overweging 211; „you want me to kill the bid?” (gesprek van 26 augustus 2010, genoemd in overweging 216); „ok I will show the same” (gesprek van 8 februari 2010, genoemd in overweging 129); „where you want me to show” (gesprek van 8 maart 2010, genoemd in overweging 139); „shall i kill me 144 offer” (gesprek van 24 september 2010, genoemd in overweging 230); „take it out for now man...don’t want [to] have to pay 15!” (gesprek van 20 oktober 2010, genoemd in overweging 243); „can i lift them first and cover my short?”, „no worries...let me know when you’re done” (gesprek van 9 november 2010, genoemd in overweging 248); „i’ll stay out of it for a while until u’re done” (gesprek van 30 november 2010, genoemd in overweging 260); „don’t worry man i#ll look after your posis while away” (gesprek van 13 december 2010, genoemd in overweging 262); „can show them tighter if it helps” (gesprek van 21 september 2011, genoemd in overweging 322); „i can kill it if u want” (gesprek van 2 november 2011, genoemd in overweging 341); „want me to show cheaper?” (gesprek van 19 januari 2012, genoemd in overweging 356); „can u do me a favour and kill the bid if possible” (gesprek van 12 maart 2012, genoemd in overweging 392); „i told him I’d sell once you’re out the way” (gesprek van 17 juli 2012, genoemd in overweging 430); „can [you] kill that bid in the 08/15 pls” (gesprek van 28 augustus 2012, genoemd in overweging 434); „kill it for now if you can... just while i get the bid in” (gesprek van 15 oktober 2012, genoemd in overweging 440); „can you just stay out of it for the moment...as in don’t bid them up...and i will add your 5mm wherever i get mine back?...cool?” (gesprek van 23 januari 2013, genoemd in overweging 461); „get yours down to a managable position and then i’ll worry about mine” (gesprek van 13 maart 2013, genoemd in overweging 475); „I can kill the offer if u like” (gesprek van 14 augustus 2013, genoemd in overweging 519); „let me kill offer” (gesprek van 4 maart 2014, genoemd in overweging 541).

171 Uit andere overwegingen van het bestreden besluit blijkt ook dat de deelnemers zich met betrekking tot hun handelsactiviteiten als volgt hebben uitgedrukt: „[yo]u short kfw 10/22? i am short aswell. but told icap to give you all of them as i am not that keen to [co]ver them” (gesprek van 11 januari 2013, genoemd in overweging 452); „sorry I didnt realised kbn 19 in tullets was you... i went better bid... can kill it if you wanty... we are short 10mm” (gesprek van 22 juli 2014, genoemd in overweging 558).

172 In casu betwisten Crédit agricole en Credit Suisse ten eerste niet de conclusie van de Commissie dat deze gesprekken duiden op het bestaan van praktijken die alle kenmerken van een overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vertoonden.

173 Ten tweede ligt volgens vaste rechtspraak in de bepalingen van het VWEU inzake mededinging besloten dat iedere marktdeelnemer zelfstandig dient te bepalen welk beleid hij op de interne markt zal voeren (zie arrest van 23 november 2006, Asnef-Equifax en Administración del Estado, C‑238/05, EU:C:2006:734, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

174 Deze eis van zelfstandigheid ontneemt de ondernemer weliswaar niet het recht om zijn beleid op een intelligente manier aan het vastgestelde of verwachte gedrag van zijn concurrenten aan te passen, maar staat onverbiddelijk in de weg aan ieder al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent wordt beïnvloed of waardoor deze wordt geïnformeerd over beslissingen of afwegingen met betrekking tot het eigen marktgedrag, wanneer dit contact tot doel of ten gevolge heeft dat mededingingsvoorwaarden ontstaan die – gelet op de aard van de producten of verleende diensten, de grootte van de ondernemingen, hun aantal en de omvang van de betrokken markt – niet met de normale voorwaarden op die markt overeenkomen (zie arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

175 Ten eerste blijkt uit de inhoud van de gesprekken tussen de traders van de betrokken banken dat zij hun prijzen hebben gecoördineerd (zie punten 166 en 167 hierboven). Zoals blijkt uit citaten als „gonna show the same”; „ok I will [s]how the same” en „lets both bid same level” hebben de deelnemers afspraken gemaakt over de prijzen van hun aanbiedingen aan specifieke klanten en over de voor een specifieke SSAO aan de markt meegedeelde prijzen.

176 De inhoud van de gesprekken tussen de traders van de betrokken banken duidt er ook op dat zij hun handelsactiviteiten hebben gecoördineerd (zie punten 170 en 171 hierboven). In het bijzonder, zoals blijkt uit citaten als „I’ll remove my offer”; „I’ll stay out for a while” of „i can kill it if u want”, zijn de traders overeengekomen om af te zien van een aanbod, een aanbod uit te brengen of zelfs om een aanbod in te trekken van de markt en in het bijzonder van het platform van een broker wanneer een dergelijk aanbod in het nadeel zou zijn van een van de genoemde deelnemers. Dit gedrag kon vervolgens leiden tot een verdeling (split) van de betrokken obligaties tussen de traders.

177 De coördinatie van de aan bepaalde klanten of aan de markt aangerekende prijzen en de coördinatie van handelsactiviteiten hebben er dus aan in de weg gestaan dat de traders van de betrokken banken zelfstandig hun beleid op de markt bepaalden. De Commissie heeft zich met name in het licht van deze overwegingen terecht op het standpunt gesteld dat de samenwerking tussen de betrokken traders en de wijze waarop zij elkaars belangen eerbiedigden soms zo nauw waren dat zij handelden alsof zij namens een en dezelfde onderneming dezelfde obligatieportefeuille verhandelden.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken