Gerecht EU 5 oktober 2011, T-11/06, ECLI:EU:T:2011:560

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑11/06

Romana Tabacchi Srl

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Italiaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Prijsvaststelling en marktverdeling – Deelneming aan inbreuk – Duur van inbreuk – Geldboeten – Verzachtende omstandigheden – Bovengrens van 10 % van omzet – Gelijke behandeling – Volledige rechtsmacht”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Beoordeling – Verplichting om rekening te houden met concrete weerslag op markt – Geen – Vooraanstaande rol van criterium inzake aard van inbreuk

(Art. 81, lid 1, sub a en b, EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

2. Mededinging – Geldboeten – Richtsnoeren voor berekening van geldboeten – Rechtskarakter

(Verordening nr. 1/200 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

3. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Zeer zware inbreuken

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

4. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Effect van mededinging verstorende praktijk – Niet-doorslaggevend criterium

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

5. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Marktaandeel van betrokken onderneming

(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

6. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Concrete weerslag op markt – Beoordelingscriteria

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

7. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Vaststelling van geldboete in verhouding tot beoordelingsfactoren voor zwaarte van inbreuk

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

8. Mededinging – Geldboeten – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd – Motiveringsplicht – Omvang

(Art. 253 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, leden 2 en 3)

9. Procedure – Aanvoering van nieuwe middelen in loop van geding – Voorwaarden – Nieuw middel – Begrip

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 2)

10. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Bewijs van inbreuk en duur daarvan ten laste van Commissie – Toepasselijkheid van beginsel van vermoeden van onschuld

(Art. 81, lid 1, EG; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 48, lid 1)

11. Mededinging – Mededingingsregelingen – Bewijs – Vereiste mate van precisie van door Commissie in aanmerking genomen bewijselementen

(Art. 81, lid 1, EG)

12. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Beoordeling – Inaanmerkingneming van economische werkelijkheid ten tijde van plegen van inbreuk

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 3; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Indeling van betrokken ondernemingen in categorieën – Voorwaarden – Inachtneming van gelijkheidsbeginsel

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

14. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Bedreiging en druk ondervonden door onderneming – Daarvan uitgesloten

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3)

15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Onderneming die passieve rol vervulde of meeloopster was – Beoordelingscriteria

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3, eerste streepje)

16. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Betrokken ondernemingen die tot kleine of middelgrote ondernemingen behoren – Geen invloed

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A, vijfde alinea)

17. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Verzachtende omstandigheden – Gedrag dat afwijkt van in kader van mededingingsregeling overeengekomen gedrag

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3, tweede streepje)

18. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Verzachtende omstandigheden – Beoordeling

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3)

19. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Maximumbedrag – Berekening – Onderscheid tussen eindbedrag en tussenbedrag van geldboete – Gevolgen

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

20. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Financiële situatie van betrokken onderneming – Inaanmerkingneming – Verplichting – Geen

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

21. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Rechterlijke toetsing – Volledige rechtsmacht

(Art. 229 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 31; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

22. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Afschrikkende werking – Inachtneming van evenredigheidsbeginsel

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

1. Artikel 81, lid 1, sub a en b, EG bepaalt uitdrukkelijk dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden of in het beperken of controleren van de productie of de afzet, onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Dergelijke inbreuken worden gekwalificeerd als bijzonder zwaar, met name wanneer het om horizontale kartels gaat, aangezien zij rechtstreeks ingrijpen in de belangrijkste mededingingsparameters op de betrokken markt, of als duidelijke inbreuken op de mededingingsregels.

De zwaarte van inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie moet worden bepaald met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.

Volgens de methode van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, moet bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk rekening worden gehouden met de aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt. Deze drie aspecten van de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk wegen in het kader van het gehele onderzoek echter niet even zwaar. De aard van de inbreuk speelt met name bij de kwalificatie van de inbreuken als zeer zwaar een vooraanstaande rol. Daarentegen vormt noch de concrete weerslag op de markt noch de omvang van de geografische markt een noodzakelijke factor om de inbreuk als zeer zwaar te kunnen kwalificeren in het geval van horizontale kartels die met name de vaststelling van de prijzen beogen. Dit soort horizontale kartels kunnen louter op grond van hun eigen aard als een „zeer zware” inbreuk worden gekwalificeerd, zonder dat de Commissie een concrete weerslag van de inbreuk op de markt hoeft aan te tonen.

(cf. punten 67, 69, 74, 76‑78)

2. De richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, zijn een instrument waarmee, met inachtneming van het recht van hogere rang, de criteria worden gespecificeerd die de Commissie voornemens is toe te passen in het kader van de uitoefening van de haar bij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 verleende beoordelingsbevoegdheid bij de vaststelling van de geldboeten. De richtsnoeren vormen niet de rechtsgrondslag van een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd, aangezien deze gebaseerd is op verordening nr. 1/2003, maar zij bepalen op algemene en abstracte wijze de methode die de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van bij deze beschikking opgelegde geldboeten dient te volgen, en waarborgen derhalve de rechtszekerheid van de ondernemingen.

De richtsnoeren kunnen dus weliswaar niet worden aangemerkt als rechtsregels die het bestuur hoe dan ook dient na te leven, maar zij vormen wel een gedragsregel voor de te volgen praktijk, waarvan het bestuur in een concreet geval niet mag afwijken zonder dit te rechtvaardigen.

De zelfbeperking van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie die volgt uit de vaststelling van de richtsnoeren, is evenwel niet onverenigbaar met het behoud van een aanzienlijke beoordelingsmarge voor de Commissie. Dat de Commissie via de richtsnoeren haar benadering met betrekking tot de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk heeft gepreciseerd, verzet zich immers niet ertegen dat zij deze zwaarte globaal beoordeelt aan de hand van alle relevante omstandigheden, waaronder de factoren die niet uitdrukkelijk in de richtsnoeren zijn genoemd.

(cf. punten 71‑73)

3. Het in de richtsnoeren vastgelegde minimumuitgangsbedrag van 20 miljoen EUR voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd voor zeer zware inbreuken, ziet op een enkele onderneming en niet op alle ondernemingen in hun totaliteit die de inbreuk hebben gepleegd.

(cf. punt 86)

4. Wat de concrete weerslag op de markt van een met de mededingingsregels van de Unie strijdige mededingingsbeperkende praktijk betreft, moet bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete voor een dergelijke inbreuk rekening worden gehouden met de duur van de inbreuken en met alle factoren die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zwaarte ervan, zoals het gedrag van elk der ondernemingen, de rol die elk van hen heeft gespeeld om te komen tot de onderling afgestemde feitelijke gedragingen, de winst die zij uit deze gedragingen hebben kunnen behalen, hun omvang, de waarde van de betrokken goederen en het gevaar dat dergelijke inbreuken opleveren voor de doelstellingen van de Unie. Het gevolg van een mededingingsverstorende praktijk is derhalve op zich geen beslissende maatstaf om te beoordelen of het bedrag van de geldboete passend is. In het bijzonder kunnen factoren verband houdend met de intentie belangrijker zijn dan de gevolgen ervan, vooral wanneer het gaat om op zich zware inbreuken zoals de verdeling van markten.

(cf. punt 90)

5. Het markaandeel van elk van de betrokken ondernemingen op de markt waarop mededingingsbeperkende praktijken in de zin van het mededingingsrecht van de Unie hebben plaatsgevonden, vormt een objectief criterium dat de verantwoordelijkheid van elk van deze ondernemingen voor de mogelijke schadelijkheid van deze praktijk voor de goede werking van de mededinging juist weergeeft, zelfs indien een concrete weerslag van de inbreuk op de markt niet is aangetoond. Het marktaandeel van een onderneming is dus bij de vaststelling van het boetebedrag relevant om te bepalen welke invloed deze onderneming op de markt heeft kunnen uitoefenen.

(cf. punt 97)

6. Voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk is beslissend dat de kartelleden alles hebben gedaan wat in hun macht lag om hun wensen concreet gestalte te geven. Wat daarna met de reële marktprijzen gebeurde, kon worden beïnvloed door andere factoren, waarop de leden van het kartel geen greep hadden, zodat zij externe factoren die hun inspanningen hebben tegengewerkt, zoals een prijsverhoging op de betrokken markt, niet in hun voordeel kunnen aanvoeren als omstandigheden die een verlaging van de geldboeten rechtvaardigen.

(cf. punten 99‑100)

7. Het evenredigheidsbeginsel vereist dat handelingen van de instellingen van de Unie niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het beoogde doel. In het kader van de procedures die de Commissie inleidt om schendingen van de mededingingsregels te bestraffen, houdt de toepassing van dit beginsel in dat de geldboeten niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel, de naleving van de mededingingsregels te verzekeren, en dat het bedrag van de geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels aan een onderneming wordt opgelegd, evenredig moet zijn aan de inbreuk, in haar geheel beschouwd, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de zwaarte ervan. Meer bepaald impliceert het evenredigheidsbeginsel dat de Commissie de geldboete moet vaststellen in verhouding tot de factoren die bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking zijn genomen en dat zij daarbij deze factoren op samenhangende en objectief gerechtvaardigde wijze moet toepassen.

In deze omstandigheden maakt de Commissie zich niet schuldig aan schending van het evenredigheidsbeginsel door het uitgangsbedrag van een geldboete voor inbreuk op de mededingingsregels vast te stellen op 10 miljoen EUR, daar die inbreuk een zeer zware en opzettelijke inbreuk op de mededingingsregels vormt en dit bedrag is vastgesteld op een duidelijk lager niveau dan de minimumdrempel die in de richtsnoeren voor dit soort kartels is voorzien.

(cf. punten 104‑105, 107)

8. In het kader van de vaststelling van geldboeten wegens schending van het mededingingsrecht van de Unie wordt aan de motiveringsplicht voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking de factoren aangeeft op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft beoordeeld.

De Commissie is krachtens artikel 253 EG weliswaar verplicht haar beslissingen te motiveren door de feitelijke omstandigheden waarvan de rechtvaardiging van de beslissing afhangt en de overwegingen die haar tot het nemen van die beslissing hebben geleid, te vermelden, doch deze bepaling schrijft niet voor dat de Commissie moet ingaan op alle punten van feitelijke en juridische aard die tijdens de administratieve procedure zijn behandeld.

Wat beschikkingen betreft waarbij aan verschillende ondernemingen geldboeten worden opgelegd, moet de omvang van de motiveringsplicht met name worden beoordeeld in het licht van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden bepaald op basis van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.

(cf. punten 109, 233)

9. Volgens artikel 48, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen tenzij zij steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Een middel dat in werkelijkheid slechts de uitwerking is van een eerder in het verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend aangevoerd middel en dat daarmee nauw verband houdt, moet evenwel als ontvankelijk worden beschouwd.

(cf. punt 124)

10. De Commissie dient niet alleen het bewijs van het bestaan van een met de mededingingsregels van de Unie strijdig kartel te leveren, maar ook van de duur ervan. Wat meer in het bijzonder het bewijs van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG betreft, staat het aan de Commissie om de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en bewijsmiddelen aan te voeren die rechtens genoegzaam bewijs opleveren van het bestaan van de feiten die een inbreuk vormen. Indien de rechter twijfels heeft, dienen deze twijfels in het voordeel te werken van de adressaat van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft bewezen, indien bij hem twijfel daarover blijft bestaan, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring en/of wijziging van een beschikking waarbij een geldboete is opgelegd. In dit laatste geval dient immers rekening te worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die in de rechtsorde van de Unie worden beschermd, en dat is neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken en op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties geldt het beginsel van het vermoeden van onschuld met name voor procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden. Bijgevolg moet de Commissie nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren, die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de gestelde inbreuk plaats heeft gehad.

Niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen behoeft noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het volstaat dat de door de instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet.

(cf. punten 129‑130, 143)

11. Het is gebruikelijk dat de activiteiten die met mededingingsverstorende overeenkomsten verband houden, clandestien worden verricht, dat bijeenkomsten in het geheim worden gehouden en dat de desbetreffende documentatie tot een minimum wordt beperkt. Zelfs wanneer de Commissie stukken ontdekt waaruit met zoveel woorden blijkt van onrechtmatig overleg tussen marktdeelnemers, zoals verslagen van vergaderingen, zijn die dus doorgaans slechts fragmentarisch en schaars, zodat vaak bepaalde details via deductie moeten worden gereconstrueerd. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst dus worden afgeleid uit een reeks coïncidenties en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij ontbreken van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden.

Voorts baseert de Commissie zich bij het ontbreken van bewijsmateriaal waarmee de duur van een inbreuk rechtstreeks kan worden aangetoond, ten minste op bewijzen betreffende feiten die zich zo kort na elkaar hebben voorgedaan dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze inbreuk tussen twee welbepaalde tijdstippen zonder onderbreking heeft voortgeduurd.

Voor het bewijs van de deelneming van een onderneming aan een mededingingsregeling volstaat het dat de Commissie aantoont dat die onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten tijdens welke mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, en zich daar niet duidelijk tegen heeft verzet. Wanneer de deelneming aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, staat het aan deze onderneming om aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat zij met haar deelneming aan die bijeenkomsten niet de bedoeling had de mededinging te beperken, door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam. Aan dit rechtsbeginsel ligt de gedachte ten grondslag dat een onderneming die aan die bijeenkomst deelneemt zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk wekt dat zij het eens is met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zal houden. De Commissie maakt daarentegen een beoordelingsfout door bij ontbreken van voldoende aanwijzingen te concluderen dat een onderneming aan een met de mededingingsregels van de Unie strijdig kartel heeft deelgenomen.

(cf. punten 131‑132, 158, 165‑166)

12. Wat de keuze van het referentiejaar ter bepaling van het relatieve gewicht van de ondernemingen betreft, op het gebied van een met de mededingingsregels van de Unie strijdig kartel voorzien de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, weliswaar in punt 1 A, vierde en vijfde alinea, in een gedifferentieerde behandeling van de ondernemingen naargelang van hun economische belang, doch zij geven niet aan op basis van welk jaar het relatieve gewicht van de ondernemingen moet worden vastgesteld.

De Commissie dient een berekeningsmethode te kiezen waarmee zij rekening kan houden met de omvang en de economische macht van elke betrokken onderneming en met de omvang van de door elk van hen gepleegde inbreuk, op basis van de economische realiteit ten tijde van het plegen van de inbreuk. Voorts moet de in aanmerking te nemen periode zodanig worden afgebakend dat de behaalde omzet en zelfs de marktaandelen zoveel mogelijk te vergelijken zijn. Daaruit volgt dat het referentiejaar dus niet noodzakelijk het volledige laatste jaar hoeft te zijn waarin de inbreuk voortduurde.

(cf. punten 176‑177)

13. De methode waarbij de leden van een kartel in categorieën worden ingedeeld om zo tot een gedifferentieerde behandeling bij de vaststelling van de uitgangsbedragen van de geldboeten te komen, leidt, ofschoon zij erop neerkomt dat geen rekening wordt gehouden met verschillen in omvang tussen de ondernemingen binnen eenzelfde categorie, tot een forfaitaire vaststelling van het uitgangsbedrag voor de ondernemingen van eenzelfde categorie.

Een dergelijke indeling in categorieën moet voldoen aan het beginsel van gelijke behandeling, dat vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Verder moet het bedrag van de geldboeten ten minste in verhouding staan tot de factoren die bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking zijn genomen. Om na te gaan of de indeling van de leden van een kartel in categorieën in overeenstemming is met het beginsel van gelijke behandeling en met het evenredigheidsbeginsel, dient te worden getoetst of deze indeling samenhangend en objectief gerechtvaardigd is.

Ook al kan de Commissie rekening houden met de marktaandelen van een onderneming, lid van een kartel, in het laatste volledige jaar van de vastgestelde inbreuk voor de beoordeling van haar omvang en economische macht op een bepaalde markt en de omvang van de door haar gepleegde inbreuk, toch moet zij er voor zorgen dat de marktaandelen van elk van de betrokken ondernemingen een correcte afspiegeling van de economische werkelijkheid ten tijde van het plegen van de inbreuk vormen. Bij inbreuken van lange duur kunnen in het algemeen pas wanneer het laatste volledige jaar van de inbreuk, zoals door de Commissie in aanmerking genomen, samenvalt met de duur van de deelneming van elk van die ondernemingen, de marktaandelen van dat jaar in dit verband als relevante aanwijzingen dienen en zo vergelijkbaar mogelijke resultaten opleveren, vooral voor de indeling van de betrokken ondernemingen in categorieën.

(cf. punten 180‑182, 184, 186)

14. Het bestaan van dreigementen en druk om een onderneming te doen deelnemen aan een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie behoort niet tot de verzachtende omstandigheden die zijn opgesomd in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd. De door ondernemingen uitgeoefende druk waarmee zij andere ondernemingen ertoe willen brengen aan een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie deel te nemen, ontslaat de betrokken onderneming, ongeacht haar omvang, niet van haar verantwoordelijkheid voor de gepleegde inbreuk, wijzigt de ernst van de inbreuk in geen enkel opzicht en kan geen verzachtende omstandigheid vormen voor de berekening van de boetebedragen, aangezien de betrokken onderneming de eventuele druk bij de bevoegde autoriteiten had kunnen aangeven en bij hen een klacht had kunnen indienen. De Commissie is derhalve niet verplicht om dergelijke dreigementen als verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen.

(cf. punten 211‑213)

15. Als indicatie voor de passieve rol van een onderneming in een kartel, die een rechtvaardiging kan opleveren voor de vermindering van een geldboete ingevolge punt 3, eerste streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, kan onder meer in aanmerking worden genomen het feit dat zij de bijeenkomsten veel onregelmatiger heeft bijgewoond dan de andere leden van het kartel, het feit dat zij pas later actief is geworden op de markt waarop de inbreuk betrekking had, ongeacht de duur van haar deelneming hieraan, of het feit dat vertegenwoordigers van andere ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen, een uitdrukkelijke verklaring in die zin hebben afgelegd. Het feit dat een lid van een kartel „een louter passieve rol vervulde” houdt in dat de onderneming zich „op de achtergrond” houdt, dat wil zeggen niet actief deelneemt aan de uitwerking van de mededingingsverstorende overeenkomsten.

Het volstaat in dit verband niet dat de betrokken onderneming zich gedurende bepaalde perioden van het bestaan van het kartel of met betrekking tot bepaalde kartelafspraken „op de achtergrond” heeft gehouden. Het bijeenroepen, tijdens andere perioden, van bijeenkomsten, het voorstellen van een agenda en het distribueren van documenten ter voorbereiding van bijeenkomsten is dus onverenigbaar met de passieve rol van een meeloper die zich op de achtergrond houdt. Dergelijke initiatieven geven blijk van een welwillende en actieve houding van de onderneming met betrekking tot de instelling en de handhaving van en het toezicht op het kartel.

Bovendien moet een onderneming wanneer zij, zelfs zonder een actieve rol te spelen, een of meer bijeenkomsten met een mededingingsverstorend doel heeft bijgewoond, worden geacht aan het kartel te hebben deelgenomen, tenzij zij aantoont dat zij zich openlijk van de ongeoorloofde afstemming heeft gedistantieerd. Door de bijeenkomsten bij te wonen heeft de onderneming immers in beginsel ingestemd met de inhoud van de mededingingsverstorende overeenkomsten die er waren gesloten, dan wel bij de andere leden op zijn minst de indruk gewekt dat zij dat deed.

(cf. punten 217‑218, 220, 223, 225)

16. Punt 1 A, vijfde alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd stelt de Commissie in staat de geldboeten voor grote ondernemingen te verhogen, maar verplicht haar niet de geldboeten voor kleine ondernemingen te verminderen. Met de grootte van de onderneming wordt immers rekening gehouden in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, betreffende het maximum, en in de bepalingen van de richtsnoeren. Los van deze overwegingen betreffende de grootte, is er geen enkele reden om kleine of middelgrote ondernemingen anders te behandelen dan andere ondernemingen. Het feit dat de ondernemingen kleine of middelgrote ondernemingen zijn, ontslaat hen niet van de plicht de mededingingsregels nauwgezet na te leven.

Voorts vereist artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 niet dat ingeval geldboeten worden opgelegd aan meerdere ondernemingen die bij eenzelfde inbreuk zijn betrokken, het bedrag van de geldboete die aan een kleine of middelgrote onderneming wordt opgelegd, niet hoger is, in procent van de omzet, dan dat van de geldboeten die aan de grotere ondernemingen worden opgelegd. Uit deze bepaling blijkt immers dat zowel voor de kleine of middelgrote ondernemingen als voor de grote ondernemingen de zwaarte en de duur van de inbreuk in aanmerking moeten worden genomen ter bepaling van het bedrag van de geldboete.

(cf. punten 226, 228, 260)

17. De Commissie is op grond van punt 3, tweede streepje, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, slechts verplicht om het feit dat de inbreukmakende overeenkomsten niet daadwerkelijk zijn toegepast als verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen, indien de onderneming die de niet-uitvoering van de mededingingsregeling aanvoert kan aantonen dat zij zich zo duidelijk en zo nadrukkelijk heeft verzet tegen de uitvoering van deze mededingingsregeling, dat zij de werking zelf ervan heeft verstoord en dat zij niet ogenschijnlijk met de overeenkomst heeft ingestemd en daardoor andere ondernemingen ertoe heeft aangezet de betrokken mededingingsregeling uit te voeren. Het zou voor ondernemingen immers al te gemakkelijk zijn om het risico van een zware geldboete tot een minimum te beperken, indien zij van een ongeoorloofde mededingingsregeling konden profiteren en vervolgens een vermindering van de geldboete konden verkrijgen omdat zij slechts een geringe rol hebben gespeeld bij de uitvoering van de inbreuk, terwijl hun houding andere ondernemingen ertoe heeft aangezet zich te gedragen op een wijze die schadelijker is voor de mededinging.

(cf. punten 240‑241)

18. In de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, is niet bepaald dat de Commissie elk van de in punt 3 ervan opgesomde verzachtende omstandigheden systematisch afzonderlijk in aanmerking dient te nemen. Daaruit volgt dat zij niet verplicht is om automatisch op die grond een extra vermindering te verlenen, omdat de vraag of een eventuele vermindering van de geldboete wegens verzachtende omstandigheden passend is, in haar geheel dient te worden beoordeeld, rekening houdend met alle relevante omstandigheden.

(cf. punt 242)

19. De bovengrens van 10 % van de totale omzet, bedoeld in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, heeft een ander doel dan de criteria zwaarte en duur van de inbreuk, en staat daar los van; dit doel is vermijden dat geldboeten worden opgelegd waarvan kan worden voorzien dat de ondernemingen, gelet op hun omvang, zoals die – zij het ook benaderend en onvolkomen – wordt aangegeven door hun totale omzet, die niet zullen kunnen betalen. Deze grens geldt dus gelijkelijk voor alle ondernemingen, heeft betrekking op de omvang van elk van die ondernemingen, en beoogt buitensporige en onevenredige geldboeten te vermijden. Een dergelijke grens heeft als enig mogelijk gevolg dat de geldboete die op grond van de criteria zwaarte en duur van de inbreuk is berekend, wordt verlaagd tot het toegelaten maximum, indien zij dit overschrijdt. De toepassing van die grens impliceert dat de betrokken onderneming niet de geldboete betaalt die bij een beoordeling op grond van die criteria in beginsel verschuldigd zou zijn.

Artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 staat er niet aan in de weg dat de Commissie bij haar berekening uitgaat van een tussenbedrag dat boven die grens ligt, voor zover de uiteindelijk opgelegde geldboete die grens niet overschrijdt. Bijgevolg kan de Commissie in geen enkel stadium van de toepassing van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, verplicht zijn ervoor te zorgen dat de tussenbedragen van de geldboeten elk verschil in de totale omzet van de betrokken ondernemingen weerspiegelen. De Commissie is voorts evenmin verplicht ervoor te zorgen dat de definitieve bedragen van de geldboeten waarop haar berekening uitkomt voor de betrokken ondernemingen, elk verschil tussen deze ondernemingen in termen van hun omzet weerspiegelen.

(cf. punten 257, 259)

20. De Commissie is niet verplicht om bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de deficitaire situatie van een onderneming, aangezien de erkenning van een dergelijke verplichting zou neerkomen op het verschaffen van een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel aan de ondernemingen die het minst zijn aangepast aan de eisen van de markt.

(cf. punt 258)

21. Op basis van de volledige rechtsmacht die het Gerecht krachtens artikel 229 EG is verleend bij artikel 31 van verordening nr. 1/2003, is het bevoegd om – naast de eenvoudige rechtmatigheidstoetsing van de sanctie, waarbij het beroep tot nietigverklaring slechts kan worden verworpen of de bestreden handeling nietig kan worden verklaard – zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van de Commissie en dus de bestreden beschikking te herzien, zelfs als deze niet nietig wordt verklaard, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden, door met name de opgelegde geldboete te wijzigen wanneer hem de vraag betreffende de hoogte ervan wordt voorgelegd.

De bepaling van de hoogte van een geldboete door het Gerecht is naar haar aard geen nauwkeurige wiskundige operatie. Overigens is het Gerecht niet gebonden aan de berekeningen van de Commissie noch aan haar richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, EGKS-Verdrag worden opgelegd, wanneer het uitspraak doet op grond van zijn volledige rechtsmacht, maar dient het zich met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval een eigen oordeel te vormen.

(cf. punten 265‑266)

22. Geldboeten die worden opgelegd wegens schending van artikel 81 EG, zoals die zijn geregeld in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, hebben tot doel onrechtmatige handelingen van de betrokken ondernemingen te bestraffen en zowel de betrokken ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan te weerhouden om in de toekomst de mededingingsregels van de Unie te schenden. De inaanmerkingneming van de omvang en de totale middelen van de betrokken onderneming, om te garanderen dat de geldboete voldoende afschrikkende werking heeft, is dus gebaseerd op de beoogde impact op die onderneming, aangezien de sanctie niet verwaarloosbaar mag zijn gelet op met name de financiële capaciteit van deze onderneming.

Het evenredigheidsbeginsel vereist dat handelingen van de instellingen niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan de nagestreefde doelstellingen. Hieruit volgt dat de geldboeten niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel, de naleving van de mededingingsregels te verzekeren, en dat het bedrag van de geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels aan een onderneming wordt opgelegd, evenredig moet zijn aan de inbreuk, in haar geheel beschouwd, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de zwaarte ervan.

(cf. punten 279‑280)

ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer) (*)

5 oktober 2011

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Italiaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Prijsvaststelling en marktverdeling – Deelneming aan inbreuk – Duur van inbreuk – Geldboeten – Verzachtende omstandigheden – Bovengrens van 10 % van omzet – Gelijke behandeling – Volledige rechtsmacht”

In zaak T‑11/06,

Romana Tabacchi Srl, voorheen Romana Tabacchi SpA, gevestigd te Rome (Italië), vertegenwoordigd door M. Siragusa en G. C. Rizza, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door É. Gippini Fournier en F. Amato, vervolgens door É. Gippini Fournier en V. Di Bucci, en ten slotte door É. Gippini Fournier en L. Malferrari als gemachtigden,

verweerster,

betreffende enerzijds een verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2005) 4012 def. van de Commissie van 20 oktober 2005 in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, [EG] (zaak COMP/C.38.281/B.2 – Ruwe tabak – Italië), en anderzijds een verzoek tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: J. Azizi, president, E. Cremona (rapporteur) en S. Frimodt Nielsen, rechters,

griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 december 2010,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1 Verzoekster, Romana Tabacchi Srl, is een Italiaanse vennootschap, momenteel in liquidatie, die zich voornamelijk bezighield met de eerste bewerking van ruwe tabak. Ten tijde van de feiten van de onderhavige zaak waren de enige aandeelhouders van verzoekster de echtelieden B., die gezamenlijk alle aandelen in handen hadden en tot op heden nog hebben.

1. Administratieve procedure

2 Op 15 januari 2002 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204) verzoeken om inlichtingen inzake de Italiaanse markt voor ruwe tabak gericht tot de beroepsverenigingen van Italiaanse tabaksbewerkers en ‑producenten, namelijk respectievelijk de Associazione professionale trasformatori tabacchi italiani (APTI, beroepsvereniging van Italiaanse tabaksbewerkers) en de Unione italiana tabacco (Unitab, Italiaanse tabaksbond).

3 Op 19 februari 2002 heeft de Commissie een verzoek om immuniteit voor geldboeten ontvangen van Deltafina SpA, een Italiaans bewerkingsbedrijf en lid van APTI, op grond van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3; hierna: „clementieregeling”). Op 6 maart 2002 heeft zij Deltafina op grond van punt 15 van die mededeling voorwaardelijke immuniteit verleend.

4 Op 4 april 2002 heeft de Commissie een verzoek om immuniteit voor geldboeten op grond van punt 8 van de clementieregeling, subsidiair, op grond van de punten 20 tot en met 27 van die regeling tot verlaging van elke geldboete ontvangen van Dimon Italia Srl (dochteronderneming van Dimon Inc., thans genaamd Mindo Srl) en op dezelfde grondslag een verzoek van Transcatab SpA (dochteronderneming van Standard Commercial Corp.; hierna: „SCC”) tot verlaging van elke geldboete.

5 Op 18 en 19 april 2002 heeft de Commissie krachtens artikel 14 van verordening nr. 17 verificaties verricht in de kantoren van Dimon Italia en Transcatab en in die van Trestina Azienda Tabacchi SpA en verzoekster.

6 Op 8 oktober 2002 heeft de Commissie Dimon Italia en Transcatab meegedeeld dat zij van plan was om hun na afloop van de administratieve procedure een verlaging van het bedrag van de geldboete toe te kennen die hun wegens de eventueel vastgestelde inbreuken zou zijn opgelegd, aangezien zij respectievelijk de eerste en de tweede onderneming waren die bewijzen van de inbreuk hadden verstrekt in de zin van de clementieregeling.

7 Op 25 februari 2004 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar vastgesteld, gericht tot tien ondernemingen of ondernemingsverenigingen, waaronder Deltafina, Dimon Italia, Transcatab en verzoekster (hierna, tezamen: „bewerkers”) en de moedermaatschappijen van enkele van hen, onder meer Universal Corp., Dimon en SCC. De adressaten van de mededeling van punten van bezwaar hebben toegang gehad tot het administratieve dossier, waarvan de Commissie hun een kopie op cd‑rom heeft verstrekt, en hebben schriftelijke opmerkingen ingediend in antwoord op de bezwaren van de Commissie. Vervolgens vond een hoorzitting plaats op 22 juni 2004.

8 Na de vaststelling op 21 december 2004 van een addendum bij de mededeling van punten van bezwaar van 25 februari 2004 heeft op 1 maart 2005 een tweede hoorzitting plaatsgevonden.

9 Na raadpleging van het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities heeft de Commissie, gezien het eindverslag van de raadadviseur-auditeur, op 20 oktober 2005 beschikking C(2005) 4012 def. in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, [EG] (zaak COMP/C.38.281/B.2 – Ruwe tabak – Italië) vastgesteld (hierna: „bestreden beschikking”), waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 13 februari 2006 (PB L 353, blz. 45).

2. Bestreden beschikking

10 De bestreden beschikking heeft in de eerste plaats betrekking op een horizontaal kartel dat is uitgevoerd door de bewerkers op de Italiaanse markt voor ruwe tabak (punt 1 van de bestreden beschikking).

11 De Commissie heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat de bewerkers in het kader van dat kartel in de periode 1995 tot begin 2002 de voorwaarden voor de aankoop van ruwe tabak in Italië hadden vastgesteld met betrekking tot zowel de rechtstreekse aankoop bij de producenten als de aankoop bij „derde partijen/verpakkers”, met name door prijsvaststelling en marktverdeling (punt 1 van de bestreden beschikking).

12 De bestreden beschikking heeft in de tweede plaats betrekking op twee andere inbreuken, die moeten worden onderscheiden van de door de bewerkers uitgevoerde mededingingsregeling en die hebben plaatsgevonden van begin 1999 tot eind 2001 en wat APTI betreft bestonden in de vastlegging van de contractprijzen die zij namens haar leden bij de onderhandelingen met Unitab over bedrijfstakovereenkomsten zou hanteren, en wat Unitab betreft in de vastlegging van de prijzen die zij namens haar leden bij de onderhandelingen met APTI over dezelfde overeenkomsten zou hanteren.

13 In de bestreden beschikking beschouwt de Commissie deze praktijken als één voortdurende inbreuk op artikel 81, lid 1, EG (zie met name de punten 264‑269 van de bestreden beschikking).

14 In artikel 1, lid 1, van de bestreden beschikking heeft zij de bewerkers en Universal, moedermaatschappij van Deltafina, en Alliance One International, Inc. (hierna: „Alliance One”), die is ontstaan uit de fusie tussen Dimon en SCC, verantwoordelijk gesteld voor het kartel. Ook heeft zij in artikel 1, lid 2, van de bestreden beschikking vastgesteld dat APTI en Unitab inbreuk hadden gemaakt op artikel 81, lid 1, EG door besluiten inzake prijsvaststelling te nemen waarover zij namens hun leden onderhandelden met het oog op het sluiten van bedrijfstakovereenkomsten.

15 In artikel 2 van de bestreden beschikking heeft de Commissie geldboeten opgelegd aan de in punt 14 hierboven bedoelde ondernemingen en aan APTI en Unitab (zie punt 42 hieronder).

16 In de punten 356 tot en met 404 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de aan de adressaten ervan op te leggen geldboeten vastgesteld.

17 De bedragen van de geldboeten zijn door de Commissie bepaald op basis van de zwaarte en de duur van de betrokken inbreuken, de twee criteria die uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 23, lid 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), en in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 (punten 356 en 357 van de bestreden beschikking).

Vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboeten

Zwaarte

18 Wat de zwaarte van de betrokken inbreuk betreft, heeft de Commissie erop gewezen dat zij ter bepaling van die factor rekening moest houden met de aard ervan, de concrete invloed op de markt wanneer die meetbaar is, en de omvang van de betrokken geografische markt (punt 365 van de bestreden beschikking).

19 Vervolgens heeft de Commissie aangegeven dat de productie van ruwe tabak in Italië in 2001, het laatste volledige jaar waarin de inbreuk is gepleegd, 38 % van de productie binnen de quota in de Europese Unie uitmaakte en een waarde had van 67,338 miljoen EUR (punt 366 van de bestreden beschikking).

20 Wat de aard van de inbreuk betreft heeft de Commissie vastgesteld dat die zeer zwaar was, want bestaande in de vaststelling van de aankoopprijzen voor verschillende soorten ruwe tabak in Italië en de verdeling van de aangekochte hoeveelheden. Onder verwijzing naar het gedeelte van de bestreden beschikking waarin de mededingingsbeperking is onderzocht (punten 272 e.v.) heeft de Commissie hieraan toegevoegd dat inkoopkartels afbreuk kunnen doen aan de bereidheid van producenten om een bepaalde productie te halen en ook de concurrentie tussen bewerkingsbedrijven op de downstreammarkten kunnen beperken. Zij stelde dat dit met name het geval was in zaken zoals deze, waar het door het inkoopkartel getroffen product, in casu ruwe tabak, een belangrijke grondstof was voor de activiteiten die door marktdeelnemers downstream, in casu de eerste bewerking en de verkoop van bewerkte tabak, werden verricht (punten 367 en 368 van de bestreden beschikking).

21 In punt 369 van de bestreden beschikking heeft de Commissie op basis van deze overwegingen geconcludeerd dat de door de bewerkingsbedrijven gepleegde inbreuk als zeer zwaar moest worden gekwalificeerd.

Gedifferentieerde behandeling

22 In de punten 370 tot en met 376 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de kwestie van het „specifieke gewicht” en de „afschrikkende werking” onderzocht. In dit verband heeft zij aangegeven dat bij de vaststelling van het boetebedrag rekening moest worden gehouden met het „specifieke gewicht van elke onderneming en met de waarschijnlijke weerslag van het ongeoorloofde gedrag ervan” (punt 370 van de bestreden beschikking).

23 Aldus was de Commissie van mening dat de geldboeten op basis van de marktpositie van elk van de betrokken partijen moesten worden bepaald (punt 371 van de bestreden beschikking).

24 Dienaangaande stelde zij dat wat Deltafina betreft het uitgangsbedrag van de geldboete hoger moest zijn omdat zij de grootste afnemer was, aangezien haar marktaandeel in 2001 ongeveer 25 % bedroeg (punt 372 van de bestreden beschikking).

25 Aangezien zij kleinere marktaandelen ter zake hadden, in 2001 ongeveer 9 à 11 %, was de Commissie van mening dat Transcatab, Dimon Italia en Romana Tabacchi „moesten worden gehergroepeerd” en dat het uitgangsbedrag van de geldboete voor hen lager moest zijn (punt 373 van de bestreden beschikking).

26 De Commissie was evenwel van mening dat een uitgangsbedrag dat enkel de marktpositie weerspiegelde, Deltafina, Dimon Italia (Mindo) en Transcatab onvoldoende zou afschrikken, aangezien zij weliswaar een vrij beperkte omzet hadden, maar deel uitmaakten – of, in het geval van Mindo, deel hadden uitgemaakt – van multinationale groepen met een aanzienlijke economische en financiële macht, die behoorden tot de belangrijkste tabakshandelaars ter wereld en binnen de tabaksindustrie op verschillende niveaus en op verschillende geografische markten actief waren (punt 374 van de bestreden beschikking).

27 Om van de geldboete een afschrikkende werking te doen uitgaan heeft de Commissie bijgevolg overwogen dat op het voor Deltafina bepaalde uitgangsbedrag een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 1,5 – dus een verhoging met 50 % – moest worden toegepast, en op het voor Dimon Italia (Mindo) en Transcatab vastgestelde uitgangsbedrag een vermenigvuldigingscoëfficiënt van 1,25 – dus een verhoging met 25 % (punt 375 van de bestreden beschikking).

28 Aldus heeft de Commissie in punt 376 van de bestreden beschikking het uitgangsbedrag van de geldboeten als volgt vastgesteld:

– Deltafina: 37,5 miljoen EUR;

– Transcatab: 12,5 miljoen EUR;

– Dimon Italia (Mindo): 12,5 miljoen EUR;

– Romana Tabacchi: 10 miljoen EUR.

Vaststelling van het basisbedrag van de geldboeten

29 In de punten 377 en 378 van de bestreden beschikking heeft de Commissie de kwestie van de duur van de inbreuk onderzocht.

30 Zij heeft overwogen dat het door de bewerkers uitgevoerde kartel was begonnen op 29 september 1995 en volgens hun verklaringen op 19 februari 2002 was beëindigd. Wat in het bijzonder verzoekster betreft heeft de Commissie verklaard dat zij in oktober 1997 tot het kartel was toegetreden, haar deelneming van 5 november 1999 tot 29 mei 2001 had onderbroken, waarna zij van 29 mei 2001 tot 19 februari 2002 weer deelnam aan het kartel. Omdat haar deelneming aan de inbreuk slechts twee jaar en acht maanden had geduurd, heeft de Commissie gemeend dat een verhoging met 25 % op het uitgangsbedrag van haar geldboete moest worden toegepast, terwijl verhogingen met 60 % zijn toegepast op het uitgangsbedrag van de aan de andere bewerkers opgelegde geldboeten.

31 De aan de adressaten van de bestreden beschikking opgelegde basisbedragen van de geldboeten zijn derhalve als volgt vastgesteld:

– Deltafina: 60 miljoen EUR;

– Transcatab: 20 miljoen EUR;

– Dimon Italia (Mindo): 20 miljoen EUR;

– Romana Tabacchi: 12,5 miljoen EUR.

Verzachtende omstandigheden

32 In de punten 380 tot en met 398 van de bestreden beschikking heeft de Commissie onderzocht of er verzachtende omstandigheden in aanmerking moesten worden genomen.

33 Wat verzoekster betreft heeft de Commissie in punt 380 van de bestreden beschikking aangegeven dat zij „niet aan bepaalde aspecten van het kartel [had] deelgenomen (namelijk hoofdzakelijk die met betrekking tot de rechtstreekse aankoop bij de producenten, bij wie zij pas in 2000 beperkte hoeveelheden begon te kopen)”. Voorts heeft zij overwogen dat toen verzoekster in 1997 tot het kartel toetrad, haar marktaandeel gering was. Ten slotte heeft zij verklaard dat het „gedrag van verzoekster het doel van het kartel vaak zozeer [had] doorkruist dat dit de andere deelnemers dwong gezamenlijk te bespreken hoe zij daartegen konden optreden”.

34 Gelet op het voorgaande heeft de Commissie besloten het basisbedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete te verlagen met 30 %.

35 Wat de situatie van Dimon Italia en Transcatab betreft, heeft de Commissie al hun argumenten om voor hen verzachtende omstandigheden te laten gelden, afgewezen (punten 381‑384 van de bestreden beschikking).

36 Ten slotte heeft de Commissie de bijzondere situatie van Deltafina in aanmerking genomen en geconcludeerd dat wegens de door haar verleende medewerking haar geldboete met 50 % moest worden verlaagd (punten 385‑398 van de bestreden beschikking).

37 De Commissie heeft het bedrag van de geldboeten na toepassing van de verzachtende omstandigheden als volgt vastgesteld (punt 399 van de bestreden beschikking):

– Deltafina: 30 miljoen EUR;

– Dimon Italia (Mindo): 20 miljoen EUR;

– Transcatab: 20 miljoen EUR;

– Romana Tabacchi: 8,75 miljoen EUR.

In artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 genoemde bovengrens van de geldboete

38 In de punten 400 tot en met 404 van de bestreden beschikking heeft de Commissie onderzocht of de voor de verschillende adressaten berekende basisbedragen moesten worden aangepast, opdat zij het plafond van 10 % van de omzet als bedoeld in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 niet zouden overschrijden.

39 In dit verband heeft zij aangegeven dat het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete niet hoger mocht zijn dan 2,05 miljoen EUR en dat de andere geldboeten op grond van die bepaling niet hoefden te worden verlaagd (punten 402 en 403 van de bestreden beschikking).

Toepassing van de clementieregeling

40 In de punten 405 tot en met 500 van de bestreden beschikking is de Commissie ingegaan op de toepassing van de clementieregeling.

41 Na te hebben vastgesteld dat Dimon Italia en Transcatab hadden voldaan aan de voorwaarden die hun waren opgelegd in het kader van hun verzoek om verlaging van de geldboete, heeft de Commissie uit de beoordeling van het geleverde bewijs en uit hun medewerking tijdens de procedure afgeleid dat zij in aanmerking kwamen voor het hoogste verlagingspercentage dat was voorzien binnen de na hun verzoek om verlaging aangegeven marges, namelijk respectievelijk 50 % en 30 % (punten 492‑499 van de bestreden beschikking). Daarentegen is aan Deltafina geen immuniteit of boetevermindering verleend.

Eindbedrag van de geldboeten

42 Overeenkomstig artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 heeft de Commissie in artikel 2 van de bestreden beschikking de geldboeten voor de ondernemingen en ondernemingsverenigingen tot welke de bestreden beschikking was gericht, als volgt vastgesteld:

– Deltafina en Universal, hoofdelijk aansprakelijk: 30 000 000 EUR;

– Dimon Italia (Mindo) en Alliance One: 10 miljoen EUR, waarbij Alliance One volledig aansprakelijk is en Mindo slechts hoofdelijk aansprakelijk is voor 3,99 miljoen EUR;

– Transcatab en Alliance One, hoofdelijk aansprakelijk: 14 miljoen EUR;

– Romana Tabacchi: 2,05 miljoen EUR;

– APTI: 1 000 EUR;

– Unitab: 1 000 EUR.

Procesverloop en conclusies van partijen

43 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 19 januari 2006, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

44 Bij afzonderlijke akte, op dezelfde dag ingeschreven ter griffie van het Gerecht (zaak T‑11/06 R), heeft verzoekster krachtens artikel 242 EG en artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek in kort geding ingediend enerzijds tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking en anderzijds tot vrijstelling van verzoekster van de verplichting een bankgarantie voor de betaling van de geldboete te stellen ter voorkoming van de onmiddellijke invordering ervan.

45 Bij beschikking van de president van het Gerecht van 13 juli 2006, Romana Tabacchi/Commissie (T‑11/06 R, Jurispr. blz. II‑2491) is de verplichting voor verzoekster om ten gunste van de Commissie een bankgarantie te stellen ter voorkoming van de onmiddellijke invordering van de geldboete die haar is opgelegd bij artikel 2 van de bestreden beschikking onder bepaalde voorwaarden opgeschort, en is de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

46 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht partijen verzocht bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

47 Ter terechtzitting van 1 december 2010 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

48 Bij brieven van 7 en 10 december 2010 hebben verzoekster respectievelijk de Commissie geantwoord op een ter terechtzitting vastgestelde maatregel tot organisatie van de procesgang van het Gerecht en documenten overgelegd.

49 Op 19 januari 2011 heeft de Commissie op verzoek van het Gerecht andere documenten overgelegd.

50 Op 8 februari 2011 heeft verzoekster haar opmerkingen over die documenten ingediend.

51 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

– de bestreden beschikking gedeeltelijk nietig te verklaren, namelijk wat het gedeelte inzake de berekening van de haar opgelegde geldboete betreft;

– het bedrag van de haar opgelegde geldboete aanmerkelijk te verlagen;

– alle andere maatregelen te gelasten, waaronder maatregelen van instructie, die het Gerecht passend acht;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

52 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

53 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan ontoereikend onderzoek, gebrekkige of incoherente motivering en schending van het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel doordat de Commissie bij de berekening van het uitgangsbedrag van de geldboete er geen rekening mee heeft gehouden dat het kartel geen werkelijke weerslag op de markt heeft gehad. Het tweede middel is ontleend aan incoherente motivering en schending van het beginsel van gelijke behandeling bij de bepaling van het uitgangsbedrag van de geldboete doordat geen rekening is gehouden met het specifieke gewicht van verzoekster. Het derde middel is ontleend aan gebrekkige motivering en ontoereikend onderzoek, en aan schending van de bewijslast op het punt van de vaststelling van de duur van de deelneming van verzoekster aan de inbreuk. Het vierde middel is ontleend aan onvoldoende verlaging van het boetebedrag op grond van de „storende” rol van verzoekster, en aan het feit dat geen rekening is gehouden met andere verzachtende omstandigheden. Het vijfde middel is ontleend aan het feit dat de geldboete onbillijk en onevenredig is, gelet op de vermogensstructuur van verzoekster en haar vermogen om in een bepaalde sociale context daadwerkelijk te kunnen betalen.

54 Het Gerecht zal eerst het eerste middel onderzoeken, vervolgens het derde middel en ten slotte het tweede, het vierde en het vijfde middel.

1. Het verzoek om getuigenbewijs

55 Met betrekking tot de beoordeling van de verklaringen die verzoekster bij het verzoekschrift als bewijsmateriaal heeft gevoegd moet allereerst worden opgemerkt dat het Reglement voor de procesvoering zich er niet tegen verzet dat partijen dergelijke verklaringen overleggen. De beoordeling daarvan komt evenwel toe aan het Gerecht dat, indien de daarin beschreven feiten van wezenlijk belang zijn voor de beslechting van het geschil, als maatregel van instructie kan gelasten dat de auteur van een dergelijk stuk als getuige wordt gehoord (zie in die zin arrest Gerecht van 12 december 2007, BASF en UCB/Commissie, T‑101/05 en T‑111/05, Jurispr. blz. II‑4949, punt 97). In casu is het Gerecht evenwel van oordeel, gelet op de schriftelijke opmerkingen van partijen, de stukken in het dossier en de resultaten van de terechtzitting, dat het genoegzaam is geïnformeerd om in het onderhavige geding uitspraak te kunnen doen (zie in die zin arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, Jurispr. blz. II‑4441, punt 80).

56 Derhalve wordt het verzoek van verzoekster om een maatregel van instructie afgewezen.

2. Het eerste middel: ontoereikend onderzoek, gebrekkige motivering of incoherente motivering en schending van het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel doordat de Commissie er geen rekening mee heeft gehouden dat het kartel geen werkelijke weerslag op de markt heeft gehad

Argumenten van partijen

57 Met het eerste middel stelt verzoekster om te beginnen dat de Commissie bij de berekening van het uitgangsbedrag van de haar opgelegde geldboete rekening had moeten houden met het feit dat het kartel „geen concrete weerslag op de markt heeft gehad”. De Commissie heeft met name geen consequenties getrokken uit ten eerste de vaststellingen in de bestreden beschikking (punten 97 en 98 van de bestreden beschikking) dat de aan de producenten betaalde prijzen voor ruwe tabak in Italië veel meer gestegen zijn dan het communautaire gemiddelde, en ten tweede het feit dat de deelnemers aan het kartel, die niet meer dan 55 % van de markt vertegenwoordigden, onvermijdelijk bloot bleven staan aan sterke concurrentiedruk van de bewerkers die niet deelnamen aan de overeenkomst.

58 Volgens verzoekster moest de Commissie overeenkomstig haar door de rechtspraak goedgekeurde beschikkingspraktijk onderscheid maken tussen kartels met een aanzienlijke concrete weerslag en kartels zonder of met slechts beperkte gevolgen. De Commissie had dus een „positieve verplichting” om de daadwerkelijke weerslag van het kartel op de markt te meten toen zij de zwaarte ervan vaststelde ter bepaling van het uitgangsbedrag van de geldboete. De verplichting om rekening te houden met de „concrete weerslag [van de inbreuk] op de markt wanneer die meetbaar is” vloeit uitdrukkelijk voort uit de tekst van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”), waarvan de Commissie niet mag afwijken.

59 In het bijzonder moet de Commissie, voor de beoordeling van de daadwerkelijke weerslag van een inbreuk op de markt, uitgaan van de mededinging zoals die zonder inbreuken normaal gesproken zou hebben bestaan. Bij prijskartels moet de Commissie dus enerzijds vaststellen dat de overeenkomsten de betrokken ondernemingen werkelijk in staat hebben gesteld hogere transactieprijzen te bereiken dan zonder kartel. Anderzijds moet de Commissie in het kader van haar beoordeling alle objectieve omstandigheden op de betrokken markt in aanmerking nemen, met inbegrip van de economische context. Voorts is het niet onmogelijk de weerslag op de prijzen van een kartel te beoordelen, en de Commissie is in staat een dergelijke analyse uit te voeren, zoals blijkt uit haar beschikkingspraktijk op het gebied van de controle op concentraties.

60 Volgens verzoekster is een schematische en mechanische aanpak bij de berekening van geldboeten, die geen rekening houdt met de concrete weerslag van de inbreuk op de markt, ook in strijd met het gelijkheids‑ en het evenredigheidsbeginsel. Eerbiediging van het eerste beginsel verplicht de Commissie de geldboeten te differentiëren naargelang van de concrete weerslag van de kartels op de markt, die per geval worden bestraft. Eerbiediging van het tweede beginsel verplicht de Commissie bij de berekening van de geldboete ervoor te zorgen dat er een zinnige en redelijke verhouding bestaat tussen de geldboete en de werkelijke weerslag van het ongeoorloofde gedrag en in het bijzonder de aan de klanten en eindgebruikers berokkende schade, waarvan in casu geen sprake was. De omvang van een dergelijke schade vormt namelijk een eerste criterium om kartels van elkaar te onderscheiden. De voor een kartel opgelegde geldboete waarvan de werkelijke weerslag op de markt niet significant is en dat de klanten van de deelnemende bedrijven en de consumenten niet benadeelt, moet vallen binnen de laagste categorie geldboeten, ook bij „zeer zware” inbreuken.

61 Verzoekster betwist bovendien het argument van de Commissie dat het bedrag van 20 miljoen EUR, genoemd in punt 1 A van de richtsnoeren, het minimumbedrag van de basissanctie is die in beginsel toepasselijk is op de onderneming die de belangrijkste positie heeft op de markt die door de inbreuk wordt geraakt, en niet op alle ondernemingen die aan het kartel deelnemen. Voorts is de Commissie in de zaak die heeft geleid tot beschikking C(2004) 4030 def. van 20 oktober 2004 in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, [EG] (zaak COMP/C.38.238/B.2 – Ruwe tabak – Spanje), die duidelijke overeenkomsten heeft met de zaak die ten grondslag ligt aan het onderhavige beroep, afgeweken van het minimumbedrag van 20 miljoen EUR.

62 Voorts heeft de formele karakterisering op basis van het onderscheid „zwaar/zeer zwaar” niet het belang dat de Commissie eraan hecht, daar het bij de grieven van verzoekster gaat om het eindresultaat van de berekening van de Commissie op grond van haar richtsnoeren. Overigens vloeit uit de rechtspraak voort dat wanneer de weerslag op de markt beperkt is, een prijskartel ook als „zware” in plaats van „zeer zware” inbreuk kan worden gekwalificeerd. Ten slotte kan de Commissie om voldoende rekening te houden met de beperkte weerslag van de inbreuk op de markt ook het op basis van de zwaarte vastgestelde bedrag verlagen in verhouding tot het minimumbedrag dat gewoonlijk wordt gehanteerd bij een „zeer zware” inbreuk.

63 Wegens gebrek aan bewijs van de concrete weerslag van het kartel op de markt had het uitgangsbedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete ten slotte moeten worden vastgesteld op het laagste niveau van de schaal van de geldboeten die passend zijn voor kartels.

64 De Commissie concludeert tot afwijzing van het middel.

Beoordeling door het Gerecht

65 In het kader van het eerste middel voert verzoekster een aantal grieven aan die alle aan de orde stellen dat de Commissie bij de bepaling van het uitgangsbedrag van de geldboete geen rekening heeft gehouden met het feit dat het kartel geen concrete weerslag op de markt heeft gehad.

66 Alvorens de grieven van verzoekster te behandelen, acht het Gerecht het in dit verband noodzakelijk de algemene beginselen inzake de bepaling van het boetebedrag bij met artikel 81 EG strijdige kartels en meer in het bijzonder de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in herinnering te brengen.

Algemene overwegingen

67 Artikel 81, lid 1, sub a en b, EG bepaalt uitdrukkelijk dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden of in het beperken of controleren van de productie of de afzet, onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt. Dergelijke inbreuken worden door de rechtspraak gekwalificeerd als bijzonder zwaar, met name wanneer het om horizontale kartels gaat, aangezien zij rechtstreeks ingrijpen in de belangrijkste mededingingsparameters op de betrokken markt (arrest Gerecht van 11 maart 1999, Thyssen Stahl/Commissie, T‑141/94, Jurispr. blz. II‑347, punt 675), of als duidelijke inbreuken op de mededingingsregels (arresten Gerecht van 6 april 1995, Tréfilunion/Commissie, T‑148/89, Jurispr. blz. II‑1063, punt 109, en 14 mei 1998, BPB de Eendracht/Commissie, T‑311/94, Jurispr. blz. II‑1129, punt 303).

68 Volgens artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003 wordt bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete die wegens inbreuken op artikel 81, lid 1, EG moet worden opgelegd, zowel met de zwaarte als met de duur van de inbreuk rekening gehouden.

69 Volgens vaste rechtspraak moet de zwaarte van inbreuken op het mededingingsrecht worden bepaald met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld (arresten Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punt 241; 3 september 2009, Prym en Prym Consumer/Commissie, C‑534/07 P, Jurispr. blz. I‑7415, punt 54, en 24 september 2009, Erste Group Bank e.a./Commissie, C‑125/07 P, C‑133/07 P, C‑135/07 P en C‑137/07 P, Jurispr. blz. I‑8681, punt 91).

70 Teneinde de doorzichtigheid en de objectiviteit te waarborgen van haar beslissingen waarbij geldboeten wegens schendingen van de mededingingsregels worden opgelegd, heeft de Commissie de richtsnoeren vastgesteld (eerste alinea van de richtsnoeren).

71 De richtsnoeren zijn een instrument waarmee, met inachtneming van het recht van hogere rang, de criteria worden gespecificeerd die de Commissie voornemens is toe te passen in het kader van de uitoefening van de haar bij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 verleende beoordelingsbevoegdheid bij de vaststelling van de geldboeten. De richtsnoeren vormen niet de rechtsgrondslag van een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd, aangezien deze gebaseerd is op verordening nr. 1/2003, maar zij bepalen op algemene en abstracte wijze de methode die de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van bij deze beschikking opgelegde geldboeten dient te volgen, en waarborgen derhalve de rechtszekerheid van de ondernemingen (arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punten 209‑213, en arrest Gerecht van 14 december 2006, Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, T‑259/02–T‑264/02 en T‑271/02, Jurispr. blz. II‑5169, punten 219 en 223).

72 De richtsnoeren kunnen dus weliswaar niet worden aangemerkt als rechtsregels die het bestuur hoe dan ook dient na te leven, maar zij vormen wel een gedragsregel voor de te volgen praktijk, waarvan het bestuur in een concreet geval niet mag afwijken zonder dit te rechtvaardigen (zie in die zin arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punten 209 en 210, en arrest Hof van 18 mei 2006, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, C‑397/03 P, Jurispr. blz. I‑4429, punt 91).

73 De zelfbeperking van de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie die volgt uit de vaststelling van de richtsnoeren, is evenwel niet onverenigbaar met het behoud van een aanzienlijke beoordelingsmarge door de Commissie (arrest Gerecht van 8 juli 2004, Mannesmannröhren-Werke/Commissie, T‑44/00, Jurispr. blz. II‑2223, punten 246, 274 en 275). Het feit dat de Commissie via de richtsnoeren haar aanpak van de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk heeft gepreciseerd, verzet zich immers niet ertegen dat zij deze zwaarte globaal beoordeelt aan de hand van alle relevante omstandigheden, waaronder factoren die niet uitdrukkelijk in de richtsnoeren worden genoemd (arrest Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, aangehaald in punt 71 hierboven, punt 237).

74 Volgens de methode van de richtsnoeren gaat de Commissie voor de berekening van het bedrag van de aan de betrokken ondernemingen op te leggen geldboeten uit van een bedrag dat is bepaald op basis van de „intrinsieke” zwaarte van de inbreuk. Bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk dient rekening te worden gehouden met de aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt (punt 1 A, eerste alinea, van de richtsnoeren).

75 In dit kader worden de inbreuken in drie categorieën ingedeeld, namelijk „niet te ernstige inbreuken”, waarvoor het bedrag van de geldboeten kan oplopen van 1 000 tot 1 miljoen EUR, „zware inbreuken”, waarvoor het bedrag van de geldboeten kan oplopen van 1 miljoen tot 20 miljoen EUR, en „zeer zware inbreuken”, waarvoor de geldboeten meer dan 20 miljoen EUR kunnen bedragen (punt 1 A, tweede alinea, eerste tot en met derde streepje, van de richtsnoeren). Wat de zeer zware inbreuken betreft, preciseert de Commissie dat het in hoofdzaak gaat om horizontale beperkingen van het type prijskartel en marktverdelingsregeling, of andere gedragingen die de goede werking van de interne markt in het gedrang brengen, zoals maatregelen tot afscherming van nationale markten of regelrecht misbruik van een machtspositie door ondernemingen die vrijwel een monopoliepositie innemen (punt 1 A, tweede alinea, derde streepje, van de richtsnoeren).

76 Voorts wegen de hierboven in punt 74 genoemde drie aspecten van de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in het kader van het gehele onderzoek niet even zwaar. De aard van de inbreuk speelt met name bij de kwalificatie van de inbreuken als „zeer zwaar” een vooraanstaande rol (arrest Erste Group Bank e.a./Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punt 101, en arrest Gerecht van 28 april 2010, Gütermann en Zwicky/Commissie, T‑456/05 en T‑457/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 137).

77 Daarentegen vormt noch de concrete weerslag op de markt noch de omvang van de geografische markt een noodzakelijke factor om de inbreuk als zeer zwaar te kunnen kwalificeren in het geval van horizontale kartels die, zoals in casu, met name de vaststelling van de prijzen beogen. Deze twee criteria zijn immers weliswaar factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk, maar dit zijn slechts enkele van de criteria op basis waarvan de zwaarte algemeen wordt beoordeeld (zie in die zin arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven; arrest Gerecht Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, aangehaald in punt 71 hierboven, punten 240 en 311, en arrest van 8 oktober 2008, Carbone-Lorraine/Commissie, T‑73/04, Jurispr. blz. II‑2661, punt 91).

78 Volgens eveneens vaste rechtspraak blijkt aldus uit de richtsnoeren dat horizontale kartels die, zoals in casu, met name de vaststelling van de prijzen beogen, louter op grond van hun eigen aard als een „zeer zware” inbreuk kunnen worden gekwalificeerd, zonder dat de Commissie een concrete weerslag van de inbreuk op de markt hoeft aan te tonen (arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punt 75; zie ook in die zin arresten Gerecht van 27 juli 2005, Brasserie nationale e.a./Commissie, T‑49/02–T‑51/02, Jurispr. blz. II‑3033, punt 178, en 25 oktober 2005, Groupe Danone/Commissie, T‑38/02, Jurispr. blz. II‑4407, punt 150).

79 Deze conclusie vindt steun in het feit dat in de beschrijving van zware inbreuken weliswaar uitdrukkelijk sprake is van de weerslag op de markt, maar dat in de beschrijving van zeer zware inbreuken daarentegen niet staat dat er sprake moet zijn van enige concrete weerslag op de markt (arrest Gütermann en Zwicky/Commissie, aangehaald in punt 76 hierboven, punt 137; zie ook in die zin arrest Brasserie nationale e.a./Commissie, aangehaald in punt 78 hierboven, punt 178).

80 In het licht van deze in de rechtspraak geformuleerde beginselen moeten de verschillende grieven van verzoekster dus worden geanalyseerd.

Het feit dat bij de vaststelling van de geldboete de concrete weerslag van het kartel op de markt niet in aanmerking is genomen

81 Verzoekster verwijt de Commissie allereerst dat zij bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de geldboete geen rekening heeft gehouden met het feit dat het kartel geen concrete weerslag op de markt heeft gehad.

82 Uit de bestreden beschikking blijkt evenwel om te beginnen dat de Commissie het bedrag van de geldboete die aan de verschillende adressaten is opgelegd, heeft bepaald op basis van de algemene methode die zij in de richtsnoeren voor zichzelf heeft vastgesteld, ook al vermeldt zij deze richtsnoeren niet uitdrukkelijk in deze beschikking.

83 Wat specifiek de aard van de inbreuk betreft, dient te worden vastgesteld dat de mededingingsregeling van de bewerkers met name betrekking had op de gemeenschappelijke vaststelling van de prijzen die door de bewerkers voor de ruwe tabak werden betaald, en op de verdeling van de leveranciers en de hoeveelheden ruwe tabak. Dergelijke praktijken vormen horizontale beperkingen van het type „prijskartel” in de zin van de richtsnoeren en vormen dus naar hun aard „zeer zware” inbreuken. Zoals vermeld in punt 67 hierboven worden dergelijke kartels door de rechtspraak gekwalificeerd als duidelijke inbreuken op de mededingingsregels of als bijzonder zware inbreuken, aangezien zij rechtstreeks ingrijpen in de belangrijkste mededingingsparameters op de betrokken markt.

84 Daaruit volgt dat de Commissie in casu het kartel terecht als zeer zware inbreuk op grond van de aard ervan mocht kwalificeren, ongeacht de concrete weerslag op de markt (zie de in de punten 76 en 77 hierboven genoemde rechtspraak, met name arrest Erste Groupe Bank e.a./Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punt 103).

85 Ter terechtzitting heeft verzoekster evenwel verklaard dat zij, anders dan in haar memories, de kwalificatie „zeer zwaar” van de inbreuk als zodanig niet betwistte. Zij heeft de draagwijdte van haar grief als volgt gepreciseerd. In wezen stelt zij dat de in de richtsnoeren voor zeer zware inbreuken vastgestelde drempel van 20 miljoen EUR geldt voor het bedrag van de totale sanctie voor alle ondernemingen die hebben deelgenomen aan het kartel. Omdat de Commissie in casu een totaaluitgangsbedrag van 55 miljoen EUR heeft vastgesteld voor alle ondernemingen die aan het kartel hebben deelgenomen, heeft zij die drempel overschreden. Daarom had zij rekening moeten houden met het feit dat de inbreuk geen weerslag op de markt heeft gehad en motiveren waarom zij die drempel heeft overschreden.

86 In de eerste plaats moet in dit verband worden vastgesteld dat het argument van verzoekster gebaseerd is op een onjuiste veronderstelling. Uit de rechtspraak blijkt namelijk dat het in de richtsnoeren vastgelegde minimumuitgangsbedrag voor zeer zware inbreuken ziet op één enkele onderneming en niet op alle ondernemingen in hun totaliteit die de inbreuk hebben gepleegd (zie in die zin arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punten 306 en 311, en Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punt 81, en arresten Gerecht van 8 oktober 2008, Schunk en Schunk Kohlenstoff-Technik/Commissie, T‑69/04, Jurispr. blz. II‑2567, punt 187, en 30 april 2009, Nintendo en Nintendo of Europe/Commissie, T‑13/03, Jurispr. blz. II‑947, punt 44).

87 Dat de uitdrukking „mogelijke boetebedragen” in de richtsnoeren doelt op de geldboete voor een afzonderlijke onderneming en niet op de som van de geldboeten voor alle aan het kartel deelnemende ondernemingen vindt voorts steun in een systematische uitlegging van de tekst van de richtsnoeren. De term „basisbedrag” wordt daarin namelijk systematisch gebruikt in verband met de geldboete die aan één enkele onderneming en niet aan alle leden van het kartel in hun totaliteit moet worden opgelegd. Dat blijkt onder meer uit de tweede alinea van de richtsnoeren, volgens welke de nieuwe methode berust op de vaststelling van een basisbedrag waarop verhogingen en verminderingen worden toegepast bij verzwarende dan wel verzachtende omstandigheden. Deze omstandigheden worden evenwel toegepast op elke onderneming, en niet op alle leden van het kartel in hun totaliteit, zodat de term „basisbedrag” enkel naar de op een afzonderlijke onderneming toepasselijke geldboete kan verwijzen. Ook bevestigt de zesde alinea van punt 1 A van de richtsnoeren, voor zover daarin staat dat „[i]n het geval van inbreuken waarbij verscheidene ondernemingen betrokken zijn [...], het onder bepaalde omstandigheden wenselijk [kan] zijn op de bedragen die in elk van de [in de richtsnoeren genoemde] categorieën worden opgelegd, een weging toe te passen”, dat die bedragen verwijzen naar de bedragen van de geldboeten die toepasselijk zijn op elke onderneming die deelneemt aan de inbreuk en niet op de som van die bedragen. Ten slotte merkt de Commissie terecht op dat wanneer zij in punt 1 A van de richtsnoeren daadwerkelijk had willen verwijzen, zoals verzoekster stelt, naar het totale minimumbedrag van de op alle ondernemingen toepasselijke geldboeten, zij dat zou hebben verduidelijkt met een expliciete uitdrukking zoals het „minimumbedrag van de op alle ondernemingen toepasselijke geldboeten”.

88 Aldus heeft de Commissie in casu het uitgangsbedrag van de aan verzoekster op te leggen geldboete vastgesteld op 10 miljoen EUR, een bedrag dat duidelijk lager is dan de in de richtsnoeren geregelde drempel van 20 miljoen EUR.

89 In dit verband is het argument van verzoekster dat de Commissie niet uitlegt waarom in de zaak die heeft geleid tot beschikking C(2004) 4030 def. de uitgangsbedragen veel lager waren dan het bovengenoemde bedrag van 20 miljoen EUR niet relevant. Zoals gepreciseerd in de rechtspraak vormt het in punt 1 A, derde streepje, tweede alinea, van de richtsnoeren genoemde bedrag van 20 miljoen EUR namelijk geen minimumdrempel waarbeneden niet mag worden gegaan (zie in die zin arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punt 97; zie ook arrest Gerecht van 29 november 2005, SNCZ/Commissie, T‑52/02, Jurispr. blz. II‑5005, punt 42).

90 In de tweede plaats, wat specifiek de inaanmerkingneming van de concrete weerslag op de markt bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete betreft, moet bij die vaststelling rekening worden gehouden met de duur van de inbreuken en met alle factoren die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zwaarte ervan, zoals het gedrag van elk der ondernemingen, de rol die elk van hen heeft gespeeld om te komen tot de onderling afgestemde feitelijke gedragingen, de winst die zij uit deze gedragingen hebben kunnen behalen, hun omvang, de waarde van de betrokken goederen en het gevaar dat dergelijke inbreuken opleveren voor de doelstellingen van de Unie (zie in die zin arrest Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 129, en arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punt 242). Het gevolg van een mededingingsverstorende praktijk is derhalve op zich geen beslissende maatstaf om te beoordelen of het bedrag van de geldboete passend is. In het bijzonder kunnen factoren verband houdend met de intentie belangrijker zijn dan de gevolgen ervan, vooral wanneer het, zoals in casu, gaat om op zich zware inbreuken zoals de verdeling van markten (zie in die zin arrest Hof van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C‑194/99 P, Jurispr. blz. I‑10821, punt 118; arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punt 96, en arrest Hof van 12 november 2009, Carbone-Lorraine/Commissie, C‑554/08 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 44).

91 In casu blijkt uit de analyse van het gedeelte van de bestreden beschikking dat betrekking heeft op de ten laste gelegde feiten, dat de bewerkers de mededingingsverstorende handelingen waarvoor hun een sanctie is opgelegd, welbewust hebben verricht (zie onder meer de punten 124, 132, 133 en 141 van de bestreden beschikking). Zoals blijkt uit de punten 363 en 473 van de bestreden beschikking vindt deze overweging overigens steun in de omstandigheid dat de mededingingsregeling geheim was.

92 Bovendien blijkt ook uit de bestreden beschikking dat de bewerkers herhaaldelijk maatregelen hebben afgesproken om ervoor te zorgen dat de mededingingsregeling daadwerkelijk werd uitgevoerd. Zo zonden zij elkaar de facturen van hun respectieve leveranciers (punten 122 en 129 van de bestreden beschikking) en verbonden zij zich ertoe elkaar te raadplegen in geval van aankopen buiten het kader van de overeenkomsten (punt 139 van de bestreden beschikking) en om de werknemers te controleren teneinde te vermijden dat zij zonder de noodzakelijke coördinatie initiatieven zouden ontplooien (punt 140 van de bestreden beschikking). Voorts blijkt uit punt 383 van de bestreden beschikking dat de Commissie ook heeft vastgesteld dat de mededingingsregeling is uitgevoerd.

93 Het onderhavige geval wordt dus gekenmerkt door niet alleen een zeer zware inbreuk op de mededingingsregels, maar ook factoren waaruit de bedoeling blijkt, zoals die genoemd in de punten 91 en 92 hierboven.

94 Voorts blijkt uit punt 376 van de bestreden beschikking dat het uitgangsbedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete veel lager was dan het bedrag dat de Commissie volgens de richtsnoeren voor zeer zware inbreuken had kunnen opleggen.

95 In die omstandigheden kan verzoekster de Commissie geen onjuistheid bij de vaststelling van de aan haar opgelegde geldboete verwijten op grond dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het feit dat de inbreuk geen weerslag heeft gehad op de markt, zo die al meetbaar was.

96 In de derde plaats moet worden vastgesteld dat de Commissie bij de bepaling van het uitgangsbedrag van de geldboete rekening heeft gehouden met de waarschijnlijke gevolgen van het onrechtmatige gedrag van elk van de betrokken ondernemingen. Uit punt 370 van de bestreden beschikking blijkt immers dat de Commissie het passend heeft geacht om de geldboeten vast te stellen op basis van de marktpositie van elk van de betrokken partijen teneinde zowel rekening te houden met het specifieke gewicht als met de waarschijnlijke repercussies van het onrechtmatige gedrag van elk van hen.

97 Uit de rechtspraak blijkt evenwel dat het markaandeel van elk van de betrokken ondernemingen op de markt waarop mededingingsbeperkende praktijken hebben plaatsgevonden, een objectief criterium vormt dat de verantwoordelijkheid van elk van deze ondernemingen voor de mogelijke schadelijkheid van deze praktijk voor de goede werking van de mededinging juist weergeeft, zelfs indien een concrete weerslag van de inbreuk op de markt niet is aangetoond (zie in die zin arrest Gerecht van 29 april 2004, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑236/01, T‑239/01, T‑244/01–T‑246/01, T‑251/01 en T‑252/01, Jurispr. blz. II‑1181, punten 196‑198). Volgens de rechtspraak is het marktaandeel van een onderneming dus bij de vaststelling van het boetebedrag relevant om te bepalen welke invloed deze onderneming op de markt heeft kunnen uitoefenen (arrest Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 139, en arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 69 hierboven, punt 62).

98 Gezien deze beginselen heeft de Commissie in casu een volgens de rechtspraak relevant criterium gebruikt ter bepaling van de invloed die het gedrag van verzoekster op de markt kon hebben, waar zij het uitgangsbedrag van de geldboete heeft vastgesteld op basis van de marktaandelen van elk van de partijen bij het kartel.

99 In de vierde plaats, wat de gegevens in de bestreden beschikking betreft die volgens verzoekster aantonen dat de mededingingsregeling geen gevolgen op de markt heeft gehad, is volgens de rechtspraak voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk beslissend dat de kartelleden alles hebben gedaan wat in hun macht lag om hun wensen concreet gestalte te geven. Wat daarna met de reële marktprijzen gebeurde, kon worden beïnvloed door andere factoren, waarop de leden van het kartel geen greep hadden, zodat zij externe factoren die hun inspanningen hebben tegengewerkt, niet in hun voordeel kunnen aanvoeren als omstandigheden die een verlaging van de geldboeten rechtvaardigen (zie arresten Raiffeisen Zentralbank Österreich e.a./Commissie, aangehaald in punt 71 hierboven, punt 287, en Gütermann en Zwicky/Commissie, aangehaald in punt 76 hierboven, punt 130 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100 In het onderhavige geval, waarin de leden van het kartel maatregelen hebben genomen om hun mededingingsverstorende doelstellingen concreet te verwezenlijken (zie de punten 91 en 92 hierboven), kan de evolutie van de prijzen op de markt, zoals de door verzoekster genoemde stijging van de tabaksprijzen, dus op zich geen verlaging van de geldboete rechtvaardigen. Er kan immers niet worden uitgesloten dat de prijsstijging zonder de mededingingsregeling hoger zou zijn geweest dan de genoemde stijging.

101 Wat ten slotte het argument betreft dat de activiteit en de stabiliteit van het kartel door verzoekster vaak zijn verstoord, wat volgens haar de veronderstelling versterkt dat de inbreuk geen weerslag op de markt heeft gehad, volstaat de opmerking dat het „storende” gedrag van verzoekster ten opzichte van het kartel door de Commissie als verzachtende omstandigheid is beoordeeld (punt 380 van de bestreden beschikking).

De schending van het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel

102 Aangaande om te beginnen de gestelde schending van het beginsel van gelijke behandeling moet in herinnering worden gebracht dat dit volgens vaste rechtspraak slechts wordt geschonden wanneer vergelijkbare situaties verschillend of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest Hof van 13 december 1984, Sermide, 106/83, Jurispr. blz. 4209, punt 28, en arrest Gerecht van 30 september 2009, Hoechst/Commissie, T‑161/05, Jurispr. blz. II‑3555, punt 79).

103 Vastgesteld moet evenwel worden dat verzoekster in casu slechts stelt dat de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling de Commissie dwingt de geldboeten te differentiëren op basis van de concrete weerslag van de per geval bestrafte mededingingsregelingen op de markt. Zij legt echter niet uit in hoeverre de Commissie in casu dit beginsel ten opzichte van haar heeft geschonden. Overigens wordt in herinnering gebracht dat volgens vaste rechtspraak beschikkingen in andere zaken, die verzoekster zelfs niet noemt, slechts een indicatieve waarde hebben wat het eventuele bestaan van discriminatie betreft, omdat het niet erg waarschijnlijk is dat de omstandigheden van die zaken, zoals de markten, de producten, de ondernemingen en de betrokken tijdvakken, identiek zullen zijn (zie in die zin arresten Hof van 21 september 2006, JCB Service/Commissie, C‑167/04 P, Jurispr. blz. I‑8935, punten 201 en 205, en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C‑76/06 P, Jurispr. blz. I‑4405, punt 60, en arrest Gerecht van 30 april 2009, Itochu/Commissie, T‑12/03, Jurispr. blz. II‑883, punt 124).

104 Wat vervolgens de gestelde schending van het evenredigheidsbeginsel betreft, wordt eraan herinnerd dat dit beginsel vereist dat handelingen van de instellingen niet verder gaan dan wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (arresten Hof van 13 november 1990, Fedesa e.a., C‑331/88, Jurispr. blz. I‑4023, punt 13, en 5 mei 1998, Verenigd Koninkrijk/Commissie, C‑180/96, Jurispr. blz. I‑2265, punt 96; arrest Gerecht van 12 september 2007, Prym en Prym Consumer/Commissie, T‑30/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 223).

105 In het kader van de procedures die de Commissie inleidt om schendingen van de mededingingsregels te bestraffen, houdt de toepassing van dit beginsel in dat de geldboeten niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel, de naleving van de mededingingsregels te verzekeren, en dat het bedrag van de geldboete die wegens een inbreuk op de mededingingsregels aan een onderneming wordt opgelegd, evenredig moet zijn aan de inbreuk, in haar geheel beschouwd, waarbij met name rekening dient te worden gehouden met de zwaarte ervan (zie in die zin arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punt 532, en arrest Prym en Prym Consumer/Commissie, aangehaald in punt 104 hierboven, punten 223 en 224 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Meer bepaald impliceert het evenredigheidsbeginsel dat de Commissie de geldboete moet vaststellen in verhouding tot de factoren die bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking zijn genomen en dat zij daarbij deze factoren op samenhangende en objectief gerechtvaardigde wijze moet toepassen (arresten Gerecht van 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie, T‑43/02, Jurispr. blz. II‑3435, punten 226‑228, en 28 april 2010, Amann & Söhne en Cousin Filterie/Commissie, T‑446/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 171).

106 In dit verband heeft verzoekster evenwel niet aangetoond dat de klanten en eindgebruikers niet zijn benadeeld, waarop zij haar grief inzake schending van het evenredigheidsbeginsel wil baseren. De gegevens die zij in het kader van dit middel heeft aangevoerd, tonen namelijk niet aan dat die gevolgen er niet zijn geweest, daar zij door andere factoren kunnen zijn beïnvloed (zie de punten 99 en 100 hierboven).

107 Voorts kan verzoekster niet stellen dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door het uitgangsbedrag van de geldboete vast te stellen op 10 miljoen EUR, daar die inbreuk een zeer zware en opzettelijke inbreuk op de mededingingsregels vormt. De evenredige aard van het in casu opgelegde uitgangsbedrag wordt bevestigd door het feit dat dit bedrag is vastgesteld op een duidelijk lager niveau dan de minimumdrempel waarin in de richtsnoeren voor dit soort kartels is voorzien.

De gebrekkige motivering en de incoherente aard ervan

108 Wat deze grief betreft moet worden opgemerkt dat verzoekster de gebrekkige motivering of de incoherente aard ervan wel in het opschrift van het middel heeft genoemd, maar deze grief in de toelichting bij het middel niet inhoudelijk heeft beargumenteerd. In antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting heeft verzoekster gepreciseerd dat zij een incoherente motivering had aangevoerd omdat de Commissie een hogere sanctie dan het in de richtsnoeren bepaalde minimum had opgelegd zonder de weerslag van het kartel op de markt te hebben onderzocht.

109 In dit verband wordt eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak in het kader van de vaststelling van geldboeten wegens schending van het mededingingsrecht aan de motiveringsplicht wordt voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking de factoren aangeeft op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft beoordeeld. Wat beschikkingen betreft waarbij aan verschillende ondernemingen geldboeten worden opgelegd, moet de omvang van de motiveringsplicht met name worden beoordeeld in het licht van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden bepaald op basis van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld (arrest Hof van 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, „PVC II”, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punten 463 en 465).

110 In casu heeft de Commissie in de punten 365 tot en met 376 van de bestreden beschikking de factoren vermeld die zij bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de aan de verschillende betrokken ondernemingen opgelegde geldboeten in aanmerking heeft genomen. De Commissie heeft in deze punten met name de criteria vermeld op basis waarvan zij overeenkomstig de richtsnoeren de zwaarte van de inbreuk heeft beoordeeld en vervolgens het uitgangsbedrag heeft vastgesteld, waarbij zij de ondernemingen heeft ingedeeld naargelang van hun belang op de markt, dat is bepaald door hun marktaandeel, rekening houdend met het specifieke gewicht van elke onderneming en de waarschijnlijke weerslag van hun ongeoorloofde gedrag. Aldus is voldaan aan de door de rechtspraak aan de motivering gestelde vereisten.

111 Daar is geconstateerd (zie punt 88 hierboven) dat de Commissie het uitgangsbedrag van de aan verzoekster op te leggen geldboete heeft vastgesteld op een bedrag dat duidelijk lager is dan het in de richtsnoeren bepaalde minimum voor zeer zware inbreuken, kan ten slotte het argument inzake een incoherente motivering niet worden aanvaard.

112 In het licht van het voorgaande dient het eerste middel te worden afgewezen.

3. Het derde middel: gebrekkige motivering en ontoereikend onderzoek, alsmede schending van de bewijslast op het punt van de vaststelling van de duur van de deelneming van verzoekster aan de inbreuk

Argumenten van partijen

113 Verzoekster is van mening dat de Commissie door de duur van haar deelneming aan het kartel vast te stellen op twee jaar en acht maanden – van oktober 1997 tot 19 februari 2002, met een onderbreking van 5 november 1999 tot 29 mei 2001 –, de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld. In dit verband wijst zij erop dat zij tijdens de administratieve procedure heeft gesteld dat zij haar deelneming aan het kartel in februari 1999 had afgebroken en niet meer had hervat. Bijgevolg is de duur van haar deelneming aan het kartel niet veel langer dan een jaar geweest. Zij verwijt de Commissie tevens dat zij haar conclusies heeft gebaseerd op ongeschikte bewijzen en dat haar motivering ter zake ontoereikend was.

114 Wat in de eerste plaats de eindfase van de eerste periode van haar deelneming aan het kartel betreft, is verzoekster van mening dat van het volgende moet worden uitgegaan:

– de punten 157 tot en met 201 van de bestreden beschikking noemen geen bewijs voor haar deelneming aan bijeenkomsten of aan andere activiteiten in de loop van 1999, wat indruist tegen vaste rechtspraak;

– blijkens het door de Commissie aangevoerde bewijs was de laatste bijeenkomst waaraan verzoekster heeft deelgenomen die van 14 december 1998 (punt 155 van de bestreden beschikking); volgens een intern memorandum van Dimon Italia van 20 oktober 1998 (punt 145 van de bestreden beschikking), waaraan de Commissie geen aandacht heeft geschonken, klaagden de „multinationale ondernemingen” vanaf 16 oktober 1998 voorts over het feit dat verzoekster de door het kartel opgelegde gedragsregels negeerde;

– ondanks het feit dat het kartel in 1999 zeer actief was, vloeit uit de bestreden beschikking niet voort dat verzoekster eraan heeft deelgenomen; volgens de bestreden beschikking (i) hebben namelijk de andere bewerkers, te weten Deltafina, Transcatab, Dimon Italia en Trestina Azienda Tabacchi, permanent druk uitgeoefend op APTI om de onderhandelingen over het sluiten van bedrijfstakovereenkomsten te beïnvloeden (punt 165 van de bestreden beschikking); (ii) zijn er in 1999 verschillende kartelbijeenkomsten gehouden tussen Deltafina, Transcatab en Dimon Italia, waaronder met name enkele zeer belangrijke in de maand oktober, zonder dat verzoekster eraan heeft deelgenomen of ervoor is uitgenodigd (punt 184 van de bestreden beschikking); (iii) is een memorandum over de ruwetabakssoorten Bright en Burley slechts door sommige bewerkers goedgekeurd (punt 186 van de bestreden beschikking).

115 Wat in de tweede plaats de periode van 29 mei 2001 tot 19 februari 2002 betreft, merkt verzoekster het volgende op:

– het doorslaggevende bewijs van haar hernieuwde deelneming aan het kartel was de ontvangst van een telefax, die Deltafina haar op 29 mei 2001 had gezonden, waarin de prijs stond vermeld waarvoor Deltafina de contracten voor de soort Bright zou ondertekenen met de producentenverenigingen; deze mededeling had echter geen mededingingsverstorend karakter; het ging namelijk om een eenmalig contact met het oogmerk de moeilijkheden uit de weg te ruimen met het begrijpen van de marktwaarden in de contracten tussen telers en bewerkers; de ondertekeningsprocedure daarvan werd beheerst door de regels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat aanzienlijke wijzigingen had ondergaan;

– de door verzoekster ondernomen handelsinitiatieven werden aandachtig gevolgd tijdens de kartelbijeenkomsten waaraan zij niet deelnam (punt 209 van de bestreden beschikking); voorts was de relatie van het kartel met verzoekster zelfs een punt op de agenda die Dimon Italia aan Deltafina en Transcatab had gezonden voor een bijeenkomst die plaats zou vinden op 18 september 2001, dus na de datum van ontvangst van die fax (punt 212 van de bestreden beschikking);

– zoals blijkt uit de verklaringen van Transcatab tijdens de verificatie van 18 april 2002, was de gestelde deelneming van verzoekster aan het kartel beperkt tot twee bijeenkomsten: 16 november 2001 en 8 januari 2002; verzoekster had daaraan deelgenomen omdat Deltafina, Dimon Italia en Transcatab haar hadden verzocht om als „bemiddelaar” op te treden, teneinde het verzet van het „consortium voor bescherming en valorisatie van tabak Burley Campano” (hierna: „consortium Burley”) tegen de invoering van een door Unitab en APTI gepromoot veilingsysteem voor de verkoop van tabak te breken, dat door het comité voor nationaal beheer van Burley tabak (hierna: „Cogentab”) was beheerd; verzoekster heeft op haar beurt de betrokken partijen uitgenodigd voor de bijeenkomst van 8 januari 2002 (punt 222 van de bestreden beschikking), de dag na een andere bijeenkomst waarin Deltafina, Dimon Italia en Transcatab, zonder verzoekster en de tot het consortium Burley toegetreden leveranciers, waarschijnlijk onderling hun tijdens de onderhandelingen van de dag erop te voeren strategie hadden besproken.

116 De Commissie stelt in de eerste plaats dat zij de datum van 5 november 1999 heeft gehanteerd als datum waarop verzoekster haar deelneming aan het kartel had onderbroken, want uit een handgeschreven notitie van de voor de inkoop verantwoordelijke persoon van Deltafina over een bijeenkomst van die dag blijkt dat verzoekster op de agenda stond vermeld als een entiteit die voortaan buiten het kartel stond.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in