Gerecht EU 5 oktober 2020, T-249/17, ECLI:EU:T:2020:458
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)
5 oktober 2020 ( *1 )
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Administratieve procedure – Besluit waarbij een inspectie wordt gelast – Exceptie van onwettigheid van artikel 20 van verordening (EG) nr. 1/2003 – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – ‚Equality of arms’ – Motiveringsplicht – Recht op onschendbaarheid van de woning – Voldoende ernstige aanwijzingen – Evenredigheid”
In zaak T‑249/17,
Casino, Guichard-Perrachon, gevestigd te Saint-Étienne (Frankrijk),
Achats Marchandises Casino SAS (AMC), voorheen EMC Distribution, gevestigd te Vitry-sur-Seine (Frankrijk),
vertegenwoordigd door D. Théophile, I. Simic, O. de Juvigny, T. Reymond, A. Sunderland en G. Aubron, advocaten,
verzoeksters,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Mongin, A. Dawes en I. Rogalski als gemachtigden, bijgestaan door F. Ninane, advocaat,
verweerster,
ondersteund door:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Boelaert, S. Petrova en O. Segnana als gemachtigden,
interveniënt,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2017) 1054 final van de Commissie van 9 februari 2017, waarbij Casino, Guichard-Perrachon en alle vennootschappen waarover zij direct of indirect zeggenschap heeft, worden onderworpen aan een inspectie krachtens artikel 20, leden 1 en 4, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (zaak AT.40466 – Tute 1),
wijst
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: S. Gervasoni (rapporteur), president, L. Madise, R. da Silva Passos, K. Kowalik-Bańczyk en C. Mac Eochaidh, rechters,
griffier: M. Marescaux, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 januari 2020,
het navolgende
Arrest
I. Toepasselijke bepalingen
1 Artikel 20 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101] en [102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), met als opschrift „Bevoegdheid van de Commissie tot inspectie”, luidt als volgt: „1. Ter vervulling van de haar bij deze verordening opgedragen taken kan de Commissie bij ondernemingen en ondernemersverenigingen alle noodzakelijke inspecties verrichten. 2. De door de Commissie tot het verrichten van een inspectie gemachtigde functionarissen en andere begeleidende personen beschikken over de volgende bevoegdheden: a) het betreden van alle lokalen, terreinen en vervoermiddelen van ondernemingen en ondernemersverenigingen; b) het controleren van de boeken en alle andere bescheiden in verband met het bedrijf, ongeacht de aard van de drager van die bescheiden; c) het maken of verkrijgen van afschriften of uittreksels, in welke vorm ook, van die boeken en bescheiden; d) het verzegelen van lokalen en boeken of andere bescheiden van het bedrijf voor de duur van, en voor zover nodig voor, de inspectie; e) het verzoeken van vertegenwoordigers of personeelsleden van de betrokken onderneming of ondernemersvereniging om toelichting bij feiten of documenten die verband houden met het voorwerp en het doel van de inspectie, en het optekenen van hun antwoorden. 3. De door de Commissie tot het verrichten van een inspectie gemachtigde functionarissen en andere begeleidende personen oefenen hun bevoegdheden uit op vertoon van een schriftelijke machtiging waarin het voorwerp en het doel van de inspectie worden vermeld en waarin wordt gewezen op de sanctie, bedoeld in artikel 23, ingeval de gevraagde boeken of andere bescheiden in verband met het bedrijf niet volledig worden getoond of de antwoorden op de overeenkomstig lid 2 gestelde vragen onjuist of misleidend zijn. De Commissie stelt de mededingingsautoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan de inspectie zal worden verricht, geruime tijd vóór de inspectie hiervan in kennis. 4. Wanneer de Commissie bij beschikking een inspectie gelast, zijn de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen verplicht zich aan die inspectie te onderwerpen. In de beschikking wordt vermeld wat het voorwerp en het doel van de inspectie zijn en op welke datum de inspectie een aanvang neemt, en wordt gewezen op de sancties bedoeld in de artikelen 23 en 24, alsook op het recht om bij het Hof van Justitie beroep tegen de beschikking in te stellen. De Commissie geeft de beschikking na de mededingingsautoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan de inspectie zal worden verricht, te hebben gehoord. 5. De functionarissen van de mededingingsautoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan de inspectie zal worden verricht alsook de door die autoriteit gemachtigde of aangewezen functionarissen, verlenen, wanneer deze autoriteit of de Commissie hierom verzoekt, de door de Commissie gemachtigde functionarissen en andere begeleidende personen actief bijstand. Zij beschikken te dien einde over de in lid 2 omschreven bevoegdheden. 6. Wanneer de door de Commissie gemachtigde functionarissen en andere begeleidende personen vaststellen dat een onderneming zich tegen een op grond van dit artikel gelaste inspectie verzet, verleent de betrokken lidstaat hun de nodige bijstand om hen in staat te stellen hun inspectie te verrichten, zo nodig door een beroep te doen op de politie of een gelijkwaardige wetshandhavingsautoriteit. 7. Indien het nationale recht voorschrijft dat voor de in lid 6 bedoelde bijstand de toestemming van een rechterlijke instantie vereist is, moet die toestemming worden gevraagd. Een dergelijke toestemming kan tevens bij wijze van voorzorgsmaatregel worden gevraagd. 8. Wanneer wordt verzocht om toestemming als bedoeld in lid 7, toetst de nationale rechterlijke instantie de beschikking van de Commissie op haar authenticiteit en gaat zij na of de voorgenomen dwangmaatregelen niet willekeurig zijn noch buitensporig in verhouding tot het voorwerp van de inspectie. Bij de toetsing van de proportionaliteit van de dwangmaatregelen mag de nationale rechterlijke instantie de Commissie rechtstreeks of via de mededingingsautoriteit van de lidstaat om nadere uitleg verzoeken, met name over de redenen die de Commissie heeft om aan te nemen dat inbreuk is gepleegd op de artikelen [101] en [102 VWEU], en over de ernst van de vermeende inbreuk en de aard van de betrokkenheid van de betreffende onderneming. De nationale rechterlijke instantie mag evenwel niet de noodzakelijkheid van de inspectie in twijfel trekken, noch gegevens uit het Commissiedossier verlangen. Uitsluitend het Hof van Justitie kan de beschikking van de Commissie op haar legitimiteit toetsen.”
II. Voorgeschiedenis van het geding
2 Casino, Guichard-Perrachon, eerste verzoekster (hierna: „Casino”), is de moedermaatschappij van de Casinogroep, die haar werkzaamheden onder meer in Frankrijk uitoefent, voornamelijk in de levensmiddelendistributiesector en niet-levensmiddelendistributiesector. Haar dochteronderneming, Achats Marchandises Casino SAS (AMC), voorheen EMC Distribution, tweede verzoekster, is een aankoopcentrale die met leveranciers onderhandelt over de aankoopvoorwaarden voor de winkelketens van de Casinogroep in Frankrijk.
3 Op grond van inlichtingen die de Europese Commissie had verkregen over de uitwisseling van informatie tussen eerste verzoekster en andere ondernemingen of ondernemersverenigingen, met name Intermarché, een onderneming die eveneens in de levensmiddelen- en niet-levensmiddelendistributiesector actief is, heeft zij op 9 februari 2017 besluit C(2017) 1054 final vastgesteld, waarbij Casino, Guichard-Perrachon en alle vennootschappen waarover die onderneming direct of indirect zeggenschap heeft, worden onderworpen aan een inspectie krachtens artikel 20, leden 1 en 4, van verordening nr. 1/2003 (zaak AT.40466 – Tute 1) (hierna: „bestreden besluit”).
4 Het dispositief van het bestreden besluit luidt als volgt: „Artikel 1 Casino [...], en alle vennootschappen waarover zij direct of indirect zeggenschap heeft, dienen zich te onderwerpen aan een inspectie met betrekking tot hun eventuele deelname aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen in strijd met artikel 101 [VWEU] op de markten voor de inkoop van dagelijkse consumptiegoederen, de markt voor de levering van diensten aan fabrikanten van merkproducten en de markten voor de verkoop van dagelijkse consumptiegoederen aan consumenten. Deze onderling afgesproken feitelijke gedragingen bestaan in: a) de uitwisseling van informatie, sinds 2015, tussen ondernemingen en/of ondernemersverenigingen, met name ICDC [...], en/of haar leden, waaronder Casino, en AgeCore en/of haar leden, waaronder Intermarché, met betrekking tot de door hen verkregen kortingen op de markten voor de inkoop van dagelijkse consumptiegoederen in de levensmiddelen-, toiletartikelen- en onderhoudsproductensector, en de prijzen op de markt voor de levering van diensten aan fabrikanten van merkproducten in de levensmiddelen-, toiletartikelen- en onderhoudsproductensector, in verschillende lidstaten van de Europese Unie en met name in Frankrijk, en b) de uitwisseling van informatie, zeker sinds 2016, tussen Casino en Intermarché met betrekking tot hun toekomstige commerciële strategieën in Frankrijk, met name op het gebied van assortiment, winkeluitbreiding, e-commerce en reclamebeleid, op de markten voor de inkoop van dagelijkse consumptiegoederen en op de markten voor de verkoop van dagelijkse consumptiegoederen aan consumenten. Deze inspectie mag plaatsvinden in elk lokaal van de onderneming [...]. Casino staat toe dat de functionarissen en de andere door de Commissie gemachtigde personen een inspectie verrichten en door de functionarissen en andere personen die de mededingingsautoriteit van de lidstaat heeft gemachtigd of daartoe heeft benoemd, worden bijgestaan bij het betreden van alle lokalen en vervoermiddelen gedurende de normale werkuren. Zij legt de boeken en alle andere bescheiden in verband met het bedrijf, ongeacht de aard van de drager van die bescheiden, voor wanneer de functionarissen en andere gemachtigde personen erom vragen en staat hun toe om deze documenten ter plaatse te onderzoeken en om afschriften of uittreksels, in welke vorm ook, te maken van die boeken en bescheiden. Zij staat toe dat lokalen en boeken of andere bescheiden van het bedrijf worden verzegeld voor de duur van, en voor zover nodig voor, de inspectie. Zij geeft onmiddellijk ter plaatse mondelinge toelichtingen bij het voorwerp en het doel van de inspectie wanneer deze functionarissen of personen erom vragen en staat elke vertegenwoordiger of elk personeelslid toe om dergelijke toelichtingen te geven. Zij staat toe dat deze toelichtingen worden opgetekend, in welke vorm ook. Artikel 2 De inspectie mag op 20 februari 2017 of kort daarna beginnen. Artikel 3 Dit besluit is gericht tot Casino en alle vennootschappen waarover zij direct of indirect zeggenschap heeft. Overeenkomstig artikel 297, lid 2, [VWEU] wordt dit besluit onmiddellijk vóór de inspectie meegedeeld aan de onderneming waartoe het is gericht.”
5 Nadat de Autorité de la concurrence (Franse mededingingsautoriteit) door de Commissie op de hoogte was gebracht van die inspectie, heeft zij de rechters voor vrijheden en detentie van de tribunal de grande instance de Créteil (rechter in eerste aanleg Créteil, Frankrijk) en de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) verzocht om toestemming voor onderzoekverrichtingen en inbeslagnemingen in verzoeksters’ lokalen. Bij beschikkingen van 17 februari 2017 hebben die rechters voor vrijheden en detentie de bij wijze van voorzorgsmaatregel gevraagde toestemming voor de onderzoekverrichtingen en inbeslagnemingen verleend. Aangezien voor geen enkele van de tijdens de inspectie ondernomen acties gebruik moest worden gemaakt van „dwangmaatregelen” als bedoeld in artikel 20, leden 6 tot en met 8, van verordening nr. 1/2003, is van die beschikkingen geen kennisgegeven aan verzoeksters.
6 De inspectie is begonnen op 20 februari 2017, de dag waarop de inspecteurs van de Commissie, vergezeld van vertegenwoordigers van de Franse mededingingsautoriteit, zich hebben gemeld op de Parijse zetel van de Casinogroep en ten kantore van tweede verzoekster, en hen van het bestreden besluit in kennis hebben gesteld.
7 In het kader van de inspectie heeft de Commissie onder meer de kantoorruimten bezocht, materiaal – meer bepaald informaticamateriaal (laptops, mobiele telefoons, opslagapparatuur) – verzameld, verschillende personen gehoord en de inhoud van het verzamelde materiaal gekopieerd.
8 Op 24 februari 2017 hebben verzoeksters ieder in een brief aan de Commissie bezwaren geuit tegen het bestreden besluit en tegen de manier waarop de op basis van dat besluit verrichte inspectie was verlopen.
III. Procedure en conclusies van partijen
9 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 april 2017, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.
10 Bij een op 28 juli 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Raad van de Europese Unie verzocht om in de onderhavige procedure te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de Commissie. Bij beslissing van 22 september 2017 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht deze interventie toegestaan. De Raad heeft zijn memorie neergelegd en de hoofdpartijen hebben hun opmerkingen over die memorie ingediend binnen de gestelde termijnen.
11 Verzoeksters vragen het Gerecht: – de Commissie via een maatregel tot organisatie van de procesgang te gelasten alle documenten, stukken en overige informatie op basis waarvan zij bij de vaststelling van het bestreden besluit meende over voldoende ernstige aanwijzingen te beschikken om een inspectie in hun lokalen te verrichten, over te leggen; – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie en de Raad te verwijzen in de kosten.
12 De Commissie, ondersteund door de Raad, verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.
13 Op voorstel van de Negende kamer van het Gerecht heeft het Gerecht op grond van artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht beslist om de zaak te verwijzen naar de Negende kamer (uitgebreid).
14 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Negende kamer – uitgebreid) in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering opgenomen maatregelen tot organisatie van de procesgang de Commissie verzocht om overlegging van een niet-vertrouwelijke versie van de aanwijzingen voor de vermoede inbreuken waarover zij bij de vaststelling van het bestreden besluit beschikte, en verzoeksters verzocht om een standpunt over de overgelegde aanwijzingen in te nemen. De Commissie en verzoeksters hebben binnen de gestelde termijnen aan die verzoeken voldaan.
15 In antwoord op verzoeksters’ opmerkingen heeft de Commissie het Gerecht verzocht om haar, via een maatregel van instructie als bepaald in artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering, te gelasten de vertrouwelijke versie van de voornoemde aanwijzingen over te leggen, met dien verstande dat toegang tot die versie enkel wordt verleend aan verzoeksters’ vertegenwoordigers, onder bepaalde voorwaarden en mits zij een geheimhoudingsovereenkomst sluiten op grond waarvan zij de inhoud van de vertrouwelijke versie van de aanwijzingen niet mogen vrijgeven aan hun cliënten.
16 Verzoeksters’ vertegenwoordigers hebben tegen de door de Commissie voorgestelde voorwaarden voor toegang tot de aanwijzingen bezwaren geuit op grond dat zij door dergelijke geheimhoudingsovereenkomsten de verdediging van hun cliënten niet ten volle kunnen verzekeren. Zij hebben het Gerecht verzocht om in het kader van de betrokken maatregel van instructie te gelasten dat minstens één werknemer van elke verzoekster toegang tot de betrokken documenten zou krijgen dan wel dat een niet-vertrouwelijke versie zou worden overgelegd waarvan enkel gegevens worden weggelaten aan de hand waarvan de door de Commissie gehoorde ondernemingen zouden kunnen worden geïdentificeerd bij bekendmaking ervan, alsook specifieke gegevens waarvan de Commissie de vertrouwelijkheid aantoont en een voldoende gedetailleerde samenvatting verstrekt. Voorts hebben zij gevraagd om de Commissie via een maatregel tot organisatie van de procesgang te verzoeken om overlegging van de gegevens aan de hand waarvan kan worden nagegaan wanneer de meegedeelde aanwijzingen zijn ontstaan of bepaalde ervan eventueel zijn gewijzigd. Ten slotte hebben zij het Gerecht verzocht om voorafgaand aan de vaststelling van de gevraagde maatregel van instructie een informele bijeenkomst te beleggen om de omvang en inhoud van die maatregel te bepalen.
17 Via nieuwe maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht naar aanleiding van verzoeksters’ bezwaar tegen de overgelegde aanwijzingen de Commissie verschillende vragen gesteld en verzoeksters verzocht om over een aantal van de door de Commissie gegeven antwoorden een standpunt in te nemen. De Commissie en verzoeksters hebben aan die verzoeken voldaan binnen de gestelde termijnen.
18 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Negende kamer – uitgebreid) beslist om de mondelinge behandeling te openen.
19 Bij een op 19 december 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft de Commissie een „aanvullend antwoord” ingediend om een van haar eerdere antwoorden op vragen van het Gerecht te vervolledigen. Het Gerecht heeft die akte, onder voorbehoud van de ontvankelijkheid ervan, toegevoegd aan het dossier en verzoeksters verzocht om hun opmerkingen erover in te dienen. Zij hebben dat binnen de gestelde termijn gedaan door met name aan te geven dat het aanvullend antwoord van de Commissie volgens hen niet-ontvankelijk is.
20 Partijen hebben ter terechtzitting van 29 januari 2020 pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.
IV. In rechte
21 Verzoeksters voeren ter ondersteuning van hun beroep in essentie drie middelen aan. Het eerste middel is gebaseerd op een exceptie van onwettigheid van artikel 20 van verordening nr. 1/2003, het tweede middel betreft niet-nakoming van de motiveringplicht en het derde middel schending van het recht op onschendbaarheid van de woning.
A. Eerste middel: exceptie van onwettigheid van artikel 20 van verordening nr. 1/2003
22 Verzoeksters beroepen zich op de onwettigheid van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 op grond dat het in strijd zou zijn met de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en met artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”). Zij voeren tot staving van die exceptie een eerste grief aan die is ontleend aan schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, en een tweede grief die is ontleend aan schending van het beginsel van processuele gelijkheid en van de rechten van de verdediging.
1. Ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid
23 De Commissie voert aan dat de door verzoeksters opgeworpen exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk is om drie redenen.
24 Ten eerste stelt de Commissie, daarin ondersteund door de Raad, dat het aangevoerde middel onvoldoende nauwkeurig is, aangezien verzoeksters niet duidelijk hebben aangegeven welke bepaling van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 onwettig is en daarnaast niet precies hebben uiteengezet waarin de bezwaren tegen dat artikel, houdende een juridische regeling van inspectiebesluiten en niet van het verloop van inspecties, bestaan.
25 Ten tweede meent de Commissie, ook hierin ondersteund door de Raad, dat er geen samenhang is tussen het bestreden besluit en de betrokken handeling van algemene strekking. Verzoeksters hebben immers niet aangetoond waarom het feit dat artikel 20 van verordening nr. 1/2003, in zijn geheel of een deel ervan, niet voorziet in de mogelijkheid om een rechtsmiddel tegen het verloop van een inspectie aan te wenden, zou leiden tot de onrechtmatigheid van een inspectiebesluit, dat een handeling vormt die losstaat van de tijdens de inspectie verrichte handelingen. De Commissie voegt daaraan in haar dupliek, en in navolging van de Raad, toe dat de door verzoeksters in hun repliek ingenomen stelling dat de exceptie van onwettigheid op artikel 20 van verordening nr. 1/2003 in zijn geheel ziet, de niet-ontvankelijkheid van die exceptie alleen maar bevestigt daar het bestreden besluit uitsluitend op de leden 1 en 4 van artikel 20 is gebaseerd. Ook benadrukt zij dat in geen enkele handeling van afgeleid recht specifieke rechtsmiddelen worden vastgesteld. De rechtsmiddelen zijn immers uitsluitend in het Verdrag opgenomen.
26 Ten derde laken verzoeksters, onder het mom van bezwaar tegen het hele artikel 20 van verordening nr. 1/2003, of tegen een deel ervan, in feite de vaste rechtspraak van het Gerecht en het Hof met betrekking tot de in het Verdrag opgenomen rechtsmiddelen, volgens welke, behoudens in een beperkt aantal gevallen, niet tegen het verloop van een inspectie kan worden opgekomen.
27 Wat het eerste niet-ontvankelijkheidsbezwaar betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat volgens artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op grond van artikel 53, eerste alinea, van datzelfde Statuut van toepassing is op de procedure bij het Gerecht, en volgens artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil, de aangevoerde middelen en argumenten, alsmede een summiere uiteenzetting van deze middelen moet bevatten. Volgens vaste rechtspraak, die eveneens van toepassing is op middelen die berusten op een exceptie van onwettigheid (zie in die zin arrest van 14 juli 2016, Alesa/Commissie, T‑99/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:413, punten 87‑91 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet deze aanduiding voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, wordt voor de ontvankelijkheid van een beroep geëist dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk zijn weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf (zie arrest van 25 januari 2018, BSCA/Commissie, T‑818/14, EU:T:2018:33, punten 94 en 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 In casu hebben verzoeksters duidelijk en nauwkeurig toegelicht waarin hun twee grieven tegen de bestreden bepaling van verordening nr. 1/2003 bestaan, aangezien zij de rechtsgrondslag, in de wetteksten en in de rechtspraak, voor die grieven hebben aangegeven en omstandige argumenten ter ondersteuning ervan hebben aangevoerd, zonder dat om andere informatie dient te worden verzocht. Bovendien kan worden opgemerkt dat de Commissie, gezien de argumenten die zij in haar verweerschrift en dupliek heeft ontwikkeld, kennelijk in staat was om de door verzoeksters geformuleerde bezwaren te begrijpen.
29 Hieraan dient toegevoegd te worden dat aan het gegeven dat is voldaan aan het vereiste van nauwkeurigheid en duidelijkheid van de exceptie van onwettigheid, niet wordt afgedaan door de door de Commissie aangevoerde omstandigheid dat de bepaling (met de rechtsregeling inzake inspectiebesluiten) waarvan de onwettigheid wordt opgeworpen niet de regels (inzake het verloop van inspecties) zou bevatten waartegen met de exceptie wordt opgekomen (zie in dat verband de punten 35‑43 hieronder).
30 Voorts dient erop te worden gewezen dat verzoeksters in hun schrifturen duidelijk hebben verklaard dat zij zich primair beroepen op de onwettigheid van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 in zijn geheel, en kan hun niet worden verweten het betrokken lid of de betrokken leden van dat artikel niet te hebben gespecificeerd. Aangezien blijkens de bewoordingen zelf van artikel 277 VWEU de wettigheid van elke „handeling van algemene strekking” via een exceptie van onwettigheid kan worden betwist (zie voor een exceptie die ten aanzien van twee verordeningen is aangevoerd, arrest van 13 juli 1966, Italië/Raad en Commissie, 32/65, EU:C:1966:42, en voor een exceptie die ten aanzien van een artikel van de Regeling voor andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen is aangevoerd, arrest van 30 april 2009, Aayhan e.a./Parlement, F‑65/07, EU:F:2009:43), kunnen degenen die een dergelijke exceptie aanvoeren, immers niet uit hoofde van formele voorwaarden voor het aanvoeren ervan worden verplicht te specificeren van welk lid van het artikel van de algemene handeling zij de onwettigheid inroepen, waarbij een dergelijke specificatie echter wel vereist kan zijn uit hoofde van andere voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een exceptie van onwettigheid (zie de punten 33 en 34 hieronder).
31 Het eerste niet-ontvankelijkheidsbezwaar dat tegen de exceptie van onwettigheid wordt opgeworpen (zie punt 24 hierboven), dient derhalve te worden afgewezen.
32 Met betrekking tot de twee andere niet-ontvankelijkheidsbezwaren die tegen de exceptie van onwettigheid worden opgeworpen (zie punten 25 en 26 hierboven), dient er vooraf op te worden gewezen dat zij enkel zijn gericht tegen de ter ondersteuning van de exceptie van onwettigheid aangevoerde eerste grief, die is ontleend aan de niet-eerbiediging van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte.
33 Wat de eerste grief betreft die ter ondersteuning van de exceptie van onwettigheid wordt aangevoerd, dient in herinnering te worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak een naar aanleiding van de primaire betwisting van de wettigheid van een andere handeling krachtens artikel 277 VWEU incidenteel opgeworpen exceptie van onwettigheid slechts ontvankelijk is indien er een samenhang is tussen deze handeling en de regel waartegen onwettigheid wordt aangevoerd. Aangezien artikel 277 VWEU niet tot doel heeft, het een partij mogelijk te maken bij de behandeling van ieder door haar ingesteld beroep de toepasselijkheid van welke handeling van algemene strekking dan ook te betwisten, moet de draagwijdte van een exceptie van onwettigheid worden beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil. Daaruit volgt dat de handeling van algemene strekking waarvan onwettigheid wordt gesteld, rechtstreeks of indirect moet kunnen worden toegepast op de in het beroep behandelde zaak (zie arrest van 12 juni 2015, Health Food Manufacturers’ Association e.a./Commissie, T‑296/12, EU:T:2015:375, punt 170 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dat betekent ook dat er een rechtstreeks juridisch verband moet bestaan tussen het bestreden individuele besluit en de betrokken algemene handeling. Het bestaan van een dergelijk verband kan echter worden afgeleid uit de vaststelling dat het bestreden besluit voornamelijk berust op een bepaling van de handeling waarvan de wettigheid wordt betwist, ook al vormde die bepaling formeel gezien niet de rechtsgrondslag ervan (zie arrest van 20 november 2007, Ianniello/Commissie, T‑308/04, EU:T:2007:347, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 Hieruit volgt dat de in casu aangevoerde exceptie van onwettigheid maar ontvankelijk is voor zover zij ziet op de bepalingen van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 die uitdrukkelijk de basis van het bestreden besluit vormen, te weten lid 4 van dat artikel (zie in die zin arrest van 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punten 57 en 58), maar ook lid 1, waarin de algemene bevoegdheid van de Commissie om inspecties te verrichten wordt vastgelegd (hierna: „relevante bepalingen van artikel 20 van verordening nr. 1/2003”). De betrokken inspectie werd immers gelast bij een op basis van die bepalingen genomen besluit en is dus geen op grond van een eenvoudige machtiging zonder voorafgaand besluit verrichte inspectie (geregeld bij lid 3 van artikel 20), noch een inspectie waartegen de betrokken onderneming zich verzet (geregeld bij de leden 6 tot en met 8 van artikel 20).
35 Indien de relevante bepalingen van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 onwettig zouden moeten worden verklaard, zou het bestreden besluit, dat op basis van die bepalingen is vastgesteld, in casu dus elke rechtsgrondslag verliezen en nietig moeten worden verklaard, ongeacht de reden waarom die bepalingen onwettig worden geacht.
36 Derhalve kan uit de argumenten die ter ondersteuning van zowel het tweede als het derde niet-ontvankelijkheidsbezwaar zijn aangedragen, niet worden afgeleid dat de ter ondersteuning van de exceptie van onwettigheid aangevoerde eerste grief niet-ontvankelijk is.
37 Met die argumenten voert de Commissie, hierin ondersteund door de Raad, immers in wezen aan dat een verband ontbreekt tussen de ingeroepen onwettigheidsgrond, te weten het ontbreken van een doeltreffende rechterlijke toetsing van het verloop van inspecties, en het bestreden besluit, waarbij een inspectie wordt gelast, met name door te stellen ten eerste dat de regels inzake de rechterlijke toetsing van het verloop van inspecties niet de grondslag voor het bestreden besluit vormen (tweede niet-ontvankelijkheidsbezwaar), en ten tweede dat dergelijke regels voortvloeien uit de jurisprudentiële uitlegging van artikel 263 VWEU en niet kunnen worden teruggevonden in artikel 20 van verordening nr. 1/2003, waarop het bestreden besluit is gebaseerd (derde niet-ontvankelijkheidsbezwaar).
38 Zelfs indien het voor de ontvankelijkheid van een exceptie van onwettigheid vereist is dat er een verband wordt vastgesteld tussen de aangevoerde onwettigheidsgrond en het bestreden besluit, kan hoe dan ook niet worden aangenomen dat een dergelijk verband in het onderhavige geval ontbreekt.
39 Zoals verzoeksters terecht erop wijzen, zijn het niet als zodanig de handelingen van na het bij artikel 20 van verordening nr. 1/2003 geregelde besluit, betreffende de uitvoering van dat besluit en het verloop van de inspectie, waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd. Wel komen zij op tegen de reeds bij de vaststelling van het inspectiebesluit aanwezige leemten in de rechtsmiddelen om die handelingen te toetsen, die volgens hen te maken hebben met de relevante bepalingen van artikel 20 van verordening nr. 1/2003.
40 Naar het voorbeeld van hetgeen het Gerecht in het arrest van 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie (T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punten 50 en 108), heeft geoordeeld inzake de gestelde noodzaak om voorafgaand aan een inspectiebesluit een rechterlijke machtiging te verkrijgen, vragen verzoeksters in casu dat het Gerecht een nieuw formeel vereiste onderkent waarvan de rechtmatigheid van een dergelijk inspectiebesluit afhankelijk wordt gesteld, namelijk het waarborgen, reeds bij het nemen van dat besluit, van specifieke rechtsmiddelen om de op grond van dat besluit genomen maatregelen aan rechterlijke toetsing te onderwerpen, en dat aldus in de relevante bepalingen van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 zou terug te vinden zijn..
41 De daarvan onderscheiden vraag via welke rechtsmiddelen een doeltreffende rechterlijke toetsing van het verloop van inspecties kan worden verzekerd, en hoe dat binnen artikel 20 van verordening nr. 1/2003 dient te worden geformaliseerd, betreft het onderzoek naar de gegrondheid van de exceptie van onwettigheid en is in dit stadium niet aan de orde. Voor het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid dient immers niet te worden achterhaald onder welke voorwaarden en via welk soort bepalingen de rechterlijke toetsing van het verloop van inspecties moet worden vastgesteld. Over die kwestie zal moeten worden beslist in het kader van de beoordeling van de verenigbaarheid van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, en dus in het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van de exceptie van onwettigheid. Dienaangaande is het opmerkelijk dat de Commissie ter ondersteuning van haar derde niet-ontvankelijkheidsbezwaar verwijst naar haar betoog inzake de gegrondheid van de exceptie van onwettigheid en naar het arrest van 28 april 2010, Amann & Söhne en Cousin Filterie/Commissie (T‑446/05, EU:T:2010:165, punten 123‑152), waarbij de in die zaak aangevoerde exceptie van onwettigheid ongegrond is verklaard.
42 Bovendien volgt hieruit ook de irrelevantie van de door de Commissie aangevoerde omstandigheid dat geen enkele handeling van afgeleid recht voorziet in specifieke rechtsmiddelen, hetgeen trouwens niet helemaal klopt. Bij wijze van voorbeeld kan immers worden verwezen naar verordening nr. 1/2003 zelf, waarvan artikel 31 bepaalt dat de Unierechter ter zake van beroepen tegen besluiten van de Commissie waarin een geldboete of een dwangsom wordt vastgesteld, over volledige rechtsmacht beschikt om die geldboete of dwangsom in te trekken, te verlagen of te verhogen. Voorts wordt in verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1), net als in andere handelingen waarbij Unierechtelijke instanties of instellingen in het leven zijn geroepen, vastgesteld op welke manier beroep bij de Unierechter kan worden ingesteld tegen de beslissingen van de kamers van beroep die binnen het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) zijn opgericht. Die rechtsmiddelen liggen weliswaar in het verlengde van die welke in het Verdrag zijn vastgesteld en vormen in die zin geen autonome beroepsmogelijkheden die niet in het Verdrag zijn opgenomen, hetgeen trouwens niet zou zijn toegestaan. In casu eisen verzoeksters evenwel niet dat dergelijke autonome beroepsmogelijkheden in het leven zouden worden geroepen. Het uitgangspunt is immers dat zij opkomen tegen het feit dat artikel 20 van verordening nr. 1/2003 geen bepalingen bevat die, net als artikel 90 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie met betrekking tot de door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) gestelde onderzoekdaden, aan maatregelen betreffende het verloop van een inspectie het karakter verlenen van handelingen waartegen op grond van het Verdrag beroep kan worden ingesteld, en die vereisen dat die beroepsmogelijkheid in het inspectiebesluit wordt vermeld, net zoals artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 die vermelding oplegt voor het recht om bij de Unierechter beroep in te stellen tegen het inspectiebesluit zelf.
43 Hieruit volgt dat de exceptie van onwettigheid ontvankelijk is, wat de ter ondersteuning ervan ingeroepen eerste grief betreft. Dat kan ook worden gezegd van de ter ondersteuning van de exceptie van onwettigheid aangevoerde tweede grief, die is ontleend aan schending van het beginsel van processuele gelijkheid en van de rechten van de verdediging, waarvan de ontvankelijkheid trouwens niet wordt betwist (zie punt 32 hierboven). Net als het geval is voor de met de eerste grief gelaakte leemten in de relevante bepalingen van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 wat de daadwerkelijke rechtsbescherming betreft, komen verzoeksters met hun tweede grief immers op tegen het feit dat die bepalingen niet voorzien in de mededeling van de aanwijzingen ter rechtvaardiging van de inspectie bij de onderzochte onderneming, waarbij volgens hen enkel door die mededeling ervoor kan worden gezorgd dat het beginsel van processuele gelijkheid en de rechten van verdediging van die onderneming worden geëerbiedigd.
44 Uit een en ander volgt dat de door verzoeksters aangevoerde exceptie van onwettigheid ontvankelijk dient te worden verklaard, wat de twee ter ondersteuning ervan ingeroepen grieven betreft, maar slechts voor zover zij ziet op de relevante bepalingen van artikel 20 van verordening nr. 1/2003.
2. Gegrondheid van de exceptie van onwettigheid
a) Eerste grief: schending van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte
45 Verzoeksters voeren aan dat artikel 20 van verordening nr. 1/2003 het recht op een doeltreffende voorziening in rechte schendt. Zich baserend op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) en die van de rechterlijke instanties van de Unie, wijzen zij erop dat gelet op het feit dat het verloop van inspecties door de rechter slechts kan worden getoetst in het kader van het beroep tot nietigverklaring van het door de Commissie op grond van artikel 101 VWEU vastgestelde definitieve sanctiebesluit, het niet zeker is of tegen het verloop van die inspecties kan worden opgekomen, en in elk geval niet binnen een redelijke termijn. Verzoeksters leiden daaruit af dat de regeling voor het instellen van beroep tegen de voorwaarden waaronder de op basis van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 gelaste inspecties worden verricht, geen „passende genoegdoening” biedt aan ondernemingen die aan inspecties worden onderworpen. Zij hebben zich immers niet tijdig onder de bescherming van een onpartijdige en onafhankelijke rechter kunnen plaatsen en hebben aldus niet anders gekund dan aan alle verzoeken van de inspecteurs gehoor te geven.
46 In herinnering dient te worden gebracht dat artikel 47 van het Handvest, met als opschrift „Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht”, luidt: „Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [...]”
47 Uit de toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17), die volgens artikel 52, lid 7, van het Handvest door de rechterlijke instanties van de Unie naar behoren in acht dienen te worden genomen (zie arrest van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, C‑617/10, EU:C:2013:105, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak), blijkt bovendien dat artikel 47 van het Handvest correspondeert met artikel 6, lid 1, en artikel 13 EVRM.
48 Zoals de Raad terecht benadrukt, houdt die overeenkomst tussen de bepalingen van het Handvest en die van het EVRM niet in dat de wettigheidstoetsing in casu dient te worden verricht aan de hand van de bepalingen van het EVRM. Uit de rechtspraak, en met name het door de Raad aangehaalde arrest van 14 september 2017, K. (C‑18/16, EU:C:2017:680, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak), blijkt inderdaad dat, ofschoon de door het EVRM erkende grondrechten – zoals artikel 6, lid 3, VEU bevestigt – als algemene beginselen deel uitmaken van het Unierecht en ofschoon artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt dat rechten uit het Handvest die corresponderen met door het EVRM gewaarborgde rechten, dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door dat verdrag aan worden toegekend, dat verdrag, zolang de Unie er geen partij bij is, geen formeel in de rechtsorde van de Unie opgenomen rechtsinstrument is, zodat de wettigheidstoetsing uitsluitend aan de hand van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten dient te worden verricht.
49 Uit zowel artikel 52 van het Handvest als de toelichtingen bij dat artikel vloeit evenwel voort dat met de bepalingen van het EVRM en de rechtspraak van het EHRM betreffende die bepalingen rekening dient te worden gehouden bij de uitlegging en de toepassing van de bepalingen van het Handvest in een concreet geval (zie in die zin arresten van 22 december 2010, DEB, C‑279/09, EU:C:2010:811, punten 35 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 februari 2013, Melloni, C‑399/11, EU:C:2013:107, punt 50). Artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt namelijk dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend, en in de toelichtingen bij dat artikel wordt gepreciseerd dat de inhoud en de reikwijdte van de door het EVRM gegarandeerde rechten niet alleen worden bepaald door de tekst van het EVRM en door de eraan gehechte protocollen, maar ook door de jurisprudentie van het EHRM.
50 Uit de rechtspraak van het EHRM waarbij het zich heeft uitgesproken over de eerbiediging van het EVRM, met name over de artikelen 6 en 13 ervan, betreffende huiszoekingen en, in het bijzonder, uit de door partijen ingeroepen en geanalyseerde arresten van het EHRM van 21 februari 2008, Ravon e.a. tegen Frankrijk (CE:ECHR:2008:0221JUD001849703; hierna: „arrest Ravon”); 21 december 2010, Société Canal Plus e.a. tegen Frankrijk (CE:ECHR:2010:1221JUD002940808; hierna: „arrest Canal Plus”); 21 december 2010, Compagnie des gaz de pétrole Primagaz tegen Frankrijk (CE:ECHR:2010:1221JUD002961308; hierna: „arrest Primagaz”), en 2 oktober 2014, Delta Pekárny a.s. tegen Tsjechië (CE:ECHR:2014:1002JUD000009711; hierna: „arrest Delta Pekárny”), vloeien de volgende beginselen voort: – er dient een doeltreffende rechterlijke toetsing te zijn, zowel feitelijk als rechtens, van de regelmatigheid van het besluit of de betrokken maatregelen (arresten Ravon, punt 28, en Delta Pekárny, punt 87) (hierna: „doeltreffendheidsvoorwaarde”); – met de beschikbare rechtsmiddelen moet bij de vaststelling van onregelmatigheden hetzij kunnen worden voorkomen dat de verrichting plaatsvindt, hetzij, wanneer een onregelmatige verrichting reeds zou hebben plaatsgevonden, aan de betrokkene een passende genoegdoening kunnen worden geboden (arresten Ravon, punt 28, en Delta Pekárny, punt 87) (hierna: „efficiëntievoorwaarde”); – het betrokken rechtsmiddel moet zeker kunnen worden aangewend (arresten Canal Plus, punt 40, en Primagaz, punt 28) (hierna: „zekerheidsvoorwaarde”); – de rechterlijke toetsing dient plaats te vinden binnen een redelijke termijn (arresten Canal Plus, punt 40, en Primagaz, punt 28) (hierna: „voorwaarde van de redelijke termijn”).
51 Uit die arresten volgt eveneens dat het verloop van een inspectieverrichting aan een dergelijke doeltreffende rechterlijke toetsing moet kunnen worden onderworpen en dat de toetsing in de specifieke omstandigheden van de betrokken zaak efficiënt dient te zijn (arrest Delta Pekárny, punt 87), wat inhoudt dat met alle beschikbare rechtsmiddelen rekening moet worden gehouden en dat die rechtsmiddelen aldus in hun geheel moeten worden geanalyseerd (zie in die zin arresten Ravon, punten 29‑34; Canal Plus, punten 40‑44, en Delta Pekárny, punten 89‑93). Het onderzoek naar de gegrondheid van de exceptie van onwettigheid mag dus niet worden beperkt tot de analyse van de door verzoeksters aan de kaak gestelde leemten in artikel 20 van verordening nr. 1/2003, maar dient rekening te houden met alle rechtsmiddelen waarover de aan een inspectie onderworpen onderneming beschikt.
52 Vooraf zij opgemerkt dat de in de punten 50 en 51 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak van het EHRM, anders dan de Commissie en de Raad stellen, in het onderhavige geval niet als irrelevant kan worden beschouwd.
53 Het klopt dat de Commissie in casu geen beroep heeft gedaan op de „politie” of op nationale „wetshandhavingsautoriteiten” als voorzien in artikel 20, leden 6 tot en met 8, van verordening nr. 1/2003. Dat blijkt met name uit het feit dat aan verzoeksters geen kennis is gegeven van de beschikkingen van de Franse rechters waarbij die onderzoekverrichtingen en inbeslagnemingen waarom de Commissie bij wijze van voorzorgsmaatregel had verzocht, zijn toegestaan (zie punten 5 en 34 hierboven). Verzoeksters voeren evenwel terecht aan dat zij niet anders konden dan zich te onderwerpen aan het inspectiebesluit, dat dwingend is voor de personen tot wie het is gericht, bij niet-naleving kan leiden tot een sanctie [artikel 23, lid 1, onder c) tot en met e), van verordening nr. 1/2003] en met name het betreden van al hun lokalen en het controleren en maken van afschriften van al hun bescheiden in verband met het bedrijf inhoudt [artikel 20, lid 2, onder a) tot en met d), van verordening nr. 1/2003], wat volstaat om te spreken van een schending van de woning van de onderzochte ondernemingen, waardoor aan ondernemingen die aan huiszoekingen worden onderworpen terecht de rechten worden gewaarborgd die zijn erkend door de in de punten 50 en 51 hierboven vermelde rechtspraak van het EHRM (zie in die zin arrest van 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punt 65; EHRM, 14 maart 2013, Bernh Larsen Holding AS e.a. tegen Noorwegen, CE:ECHR:2013:0314JUD002411708, punt 106). Derhalve is het niet beslissend dat de inspectie in casu is verricht zonder voorafgaande machtiging van een rechter die toestemming geeft om op de politie een beroep te doen, en er kan zelfs worden aangenomen dat dit ontbreken van een voorafgaande rechterlijke machtiging a fortiori rechtvaardigt dat de in de rechtspraak van het EHRM neergelegde waarborgen dienen te worden geëerbiedigd in het stadium van de rechterlijke toetsing achteraf van het besluit waarbij een inspectie wordt gelast (zie in die zin arrest van 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak van het EHRM). Bovendien moet erop worden gewezen dat wanneer de Unierechter is verzocht zich over de eerbiediging van de grondrechten van onderzochte ondernemingen uit te spreken, hij zich steeds op de rechtspraak van het EHRM heeft gebaseerd (arresten van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie, C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punten 41‑48; 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punten 109‑114, en 10 april 2018, Alcogroup en Alcodis/Commissie, T‑274/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:179, punt 91).
54 Derhalve dient in het licht van de hierboven vermelde rechtspraak van het EHRM te worden onderzocht of het recht op een doeltreffende voorziening in rechte is geëerbiedigd door het stelsel van rechtsmiddelen waarmee tegen het verloop van een inspectie op het gebied van het mededingingsrecht kan worden opgekomen.
55 Zoals uit de rechtspraak van het EHRM volgt en in punt 51 hierboven is aangegeven, dienen voor dat onderzoek de rechtsmiddelen die de toetsing van de in het kader van een inspectie genomen maatregelen mogelijk maken, in hun geheel te worden geanalyseerd. Het is dan ook niet ter zake dienend dat elk van die rechtsmiddelen, afzonderlijk genomen, niet voldoet aan de vier voorwaarden die moeten zijn vervuld om te kunnen spreken van een recht op een doeltreffende voorziening in rechte.
56 Partijen hebben zes rechtsmiddelen aangehaald, meer bepaald: – beroep tegen het inspectiebesluit; – beroep tegen elke handeling die voldoet aan de jurisprudentiële voorwaarden voor een voor beroep vatbare handeling die de Commissie na het inspectiebesluit en in het kader van het verloop van de inspectieverrichtingen vaststelt, zoals een besluit waarbij een verzoek om bescherming van documenten uit hoofde van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten wordt afgewezen (zie arrest van 17 september 2007, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie, T‑125/03 en T‑253/03, EU:T:2007:287, punten 46, 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak); – beroep tegen het eindbesluit waarbij de uit hoofde van artikel 101 VWEU geopende procedure wordt afgesloten; – vordering in kort geding; – beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid; – verzoeken die tot de raadadviseur-auditeur kunnen worden gericht.
57 Opgemerkt zij dat behalve de verzoeken die zijn gericht tot de raadadviseur-auditeur die niet als „rechter” in de zin van het EVRM kan worden aangemerkt op grond dat hij met name slechts over een aanbevelingsbevoegdheid beschikt [artikel 4, lid 2, onder a), van besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB 2011, L 275, blz. 29)], elk van die rechtsmiddelen het mogelijk maken, zoals verzoeksters benadrukken, om betwistingen met betrekking tot een inspectieverrichting voor de rechter te brengen.
58 Ten eerste blijkt immers uit de rechtspraak, en verzoeksters betwisten trouwens niet, dat tegen de omstandigheden waaronder een inspectie is verlopen, kan worden opgekomen in het kader van een beroep tot nietigverklaring van het eindbesluit waarbij de krachtens artikel 101 VWEU geopende procedure wordt afgesloten (arrest van 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie, T‑135/09, EU:T:2012:596, punt 132; zie ook arrest van 10 april 2018, Alcogroup en Alcodis/Commissie, T‑274/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:179, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voor die rechtmatigheidstoetsing van eindbesluiten geldt er geen enkele beperking op het gebied van mogelijke middelen, en dus wat het voorwerp van de toetsing betreft, behalve de niet-ontvankelijkheid van middelen die tegen het inspectiebesluit hadden moeten worden aangevoerd (zie in die zin arrest van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, EU:T:1999:80, punten 408‑415). In het kader van die toetsing kan met name worden nagegaan of de Commissie alle beperkingen waaraan zij tijdens een inspectie is onderworpen, heeft nageleefd (zie in die zin arrest van 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punten 79‑82) en er is geoordeeld dat op die manier een doeltreffende rechterlijke toetsing van inspectiemaatregelen wordt gewaarborgd, zoals dat wordt vereist door het EHRM (arrest van 10 april 2018, Alcogroup en Alcodis/Commissie, T‑274/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:179, punt 91).
59 Ten tweede blijkt eveneens uit de rechtspraak, en door het onderhavige beroep wordt bevestigd, dat een inspectiebesluit vatbaar is voor beroep tot nietigverklaring (arrest van 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punten 97 en 111). Bovendien is die toetsing opgenomen in artikel 20 van verordening nr. 1/2003 zelf (leden 4 en 8), dat bepaalt dat in het inspectiebesluit daarvan melding moet worden gemaakt. De rechtmatigheidstoetsing van het inspectiebesluit met betrekking tot met name de vraag of de Commissie over voldoende ernstige aanwijzingen beschikte om een inbreuk op de mededingingsregels te kunnen vermoeden, kan er in de eerste plaats toe leiden dat bij de vaststelling van de onrechtmatigheid ervan alle op grond van het besluit genomen maatregelen zelf geacht worden onrechtmatig, met name niet noodzakelijk, te zijn (zie in die zin arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑621/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:367, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In de tweede plaats kan de rechtmatigheidstoetsing van een inspectiebesluit dat wordt vastgesteld als gevolg van andere inspecties en waarvan de in het kader van de eerdere inspecties verkregen informatie de grondslag vormt, met name zien op de vraag of de op grond van de eerdere inspectiebesluiten genomen maatregelen binnen de bij die besluiten afgebakende reikwijdte van de inspectie vallen (zie in die zin arrest van 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punten 138‑160) en, als wordt vastgesteld dat dit niet het geval is, leiden tot de nietigverklaring van dat besluit (arrest van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie, C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punten 56‑67 en 71; zie in die zin ook arrest van 10 april 2018, Alcogroup en Alcodis/Commissie, T‑274/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:179, punt 63).
60 Ten derde dient, ook al hebben partijen dit niet ter sprake gebracht, eveneens erop te worden gewezen dat een besluit van de Commissie waarbij voor de belemmering van de inspectie op grond van artikel 23, lid 1, onder c) tot en met e), van verordening nr. 1/2003 een sanctie wordt opgelegd, net als elk besluit waarbij een sanctie krachtens verordening nr. 1/2003 wordt opgelegd, vatbaar is voor beroep tot nietigverklaring. Ter ondersteuning van dat beroep kan dan met name worden aangevoerd dat de sanctie onrechtmatig is op grond dat de maatregel die is genomen tijdens de inspectie die de aan de sanctie onderworpen onderneming niet zou hebben nageleefd, zoals een verzoek tot overlegging van een vertrouwelijk document of een vraag om toelichting aan iemand van haar personeel, zelf onrechtmatig is (zie in die zin arrest van 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie, T‑135/09, EU:T:2012:596, punt 126).
61 Ten vierde vloeit uit het arrest van 17 september 2007, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (T‑125/03 en T‑253/03, EU:T:2007:287, punten 46, 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak), duidelijk voort dat een besluit waarbij een tijdens een inspectie ingediend verzoek tot bescherming van documenten uit hoofde van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten uitdrukkelijk of stilzwijgend is afgewezen, een voor beroep vatbare handeling vormt. Die beroepsmogelijkheid is geopend juist omdat de Unierechter heeft geoordeeld dat ofschoon de onderneming beroep zal kunnen instellen tegen een eventueel besluit waarbij een inbreuk op de mededingingsregels wordt vastgesteld, dit niet volstaat om haar een passende bescherming van haar rechten te geven daar het in de eerste plaats mogelijk is dat de administratieve procedure niet met een besluit waarbij een inbreuk wordt vastgesteld eindigt, en in de tweede plaats dat, wanneer het wél tot een dergelijk besluit komt, de onderneming met het beroep dat ertegen openstaat, hoe dan ook niet de onherstelbare gevolgen zal kunnen voorkomen van een onregelmatige kennisname van door vertrouwelijkheid beschermde documenten (zie arrest van 17 september 2007, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie, T‑125/03 en T‑253/03, EU:T:2007:287, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Anders dan verzoeksters stellen en hoewel de Unierechter een dergelijk beroep tot dusver niet ontvankelijk heeft verklaard, kan evenzo worden aangenomen dat het Gerecht heeft erkend dat onder dezelfde voorwaarden door de onderzochte onderneming beroep kan worden ingesteld tegen een besluit waarbij het verzoek tot bescherming van haar personeelsleden uit hoofde van hun persoonlijke levenssfeer wordt afgewezen. Na het arrest van 17 september 2007, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (T‑125/03 en T‑253/03, EU:T:2007:287), en de daarin aangehaalde rechtspraak in herinnering te hebben gebracht, heeft het Gerecht immers wel melding gemaakt van de mogelijkheid van een „beslissing [...] waarbij [de] bescherming [uit hoofde van de persoonlijke levenssfeer] werd ontzegd”, maar vastgesteld dat een dergelijke beslissing in casu niet was genomen. Het heeft zich daarvoor gebaseerd op de omstandigheid dat de verzoekende partijen, op het moment van de beslissing om de gegevens te kopiëren, niet hadden aangevoerd dat aan hen toebehorende documenten bescherming genoten die vergelijkbaar was met de aan de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten toegekende bescherming, noch de precieze documenten of delen van de betrokken documenten hadden geïdentificeerd (arrest van 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie, T‑135/09, EU:T:2012:596, punten 129 en 130). Overigens kan erop worden gewezen dat verzoeksters het bestaan als zodanig van het betrokken rechtsmiddel niet ter discussie stellen, maar veeleer opkomen tegen het voor de betrokken ondernemingen restrictieve en belastende karakter ervan daar zij meteen, terwijl de inspectie aan de gang is en alvorens de Commissie begint met het maken van kopieën, dienen te reageren (zie punt 72 hieronder).
63 Het is inderdaad zo dat ervan moet worden uitgegaan dat noch volgens de bepalingen van de Verdragen, noch volgens de bewoordingen van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 de mogelijkheid is uitgesloten dat een onderneming beroep tot nietigverklaring van dergelijke in het kader van een inspectie verrichte handelingen instelt, mits wordt voldaan aan de vereisten die uit artikel 263, vierde alinea, VWEU voortvloeien.
64 Ten vijfde is het, ofschoon overeenkomstig artikel 278 VWEU in beginsel geen enkel van de voornoemde rechtsmiddelen schorsende werking heeft, op grond van diezelfde bepaling mogelijk om opschorting te verkrijgen van de tenuitvoerlegging van de handelingen waartegen met die rechtsmiddelen wordt opgekomen. Een dergelijk verzoek tot opschorting kan er met name toe leiden dat de inspectieverrichtingen worden geschorst, waarbij evenwel dient te worden gepreciseerd dat aangezien het inspectiebesluit in beginsel wordt meegedeeld en de onderzochte onderneming ervan in kennis wordt gesteld op de dag dat de inspectie begint, een dergelijk resultaat enkel kan worden bereikt door gebruik te maken van de in artikel 157, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering opgenomen procedure mits aan de voorwaarden voor toekenning van voorlopige opschorting is voldaan (zie in die zin arrest van 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punt 98). Op grond van die bepaling kan de president van het Gerecht het verzoek tot opschorting immers inwilligen alvorens de Commissie te horen en de opschorting aldus slechts enkele dagen na de neerlegging van het verzoek en vóór het einde van de inspectie gelasten.
65 Daaraan dient te worden toegevoegd dat een verzoek in kort geding eveneens kan worden ingediend parallel met een beroep tegen een besluit waarbij een verzoek tot bescherming uit hoofde van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten wordt afgewezen. Dat blijkt uit de beschikkingen van 27 september 2004, Commissie/Akzo en Akcros [C‑7/04 P(R), EU:C:2004:566], en 30 oktober 2003, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (T‑125/03 R en T‑253/03 R, EU:T:2003:287). Er kan immers van worden uitgegaan dat de president van het Hof bij die beschikking de door de president van het Gerecht gegeven beschikking waarbij de gevraagde opschorting was gelast weliswaar heeft vernietigd, maar niet heeft uitgesloten dat, bij gebreke van toezegging van de Commissie om derden geen toegang tot de betrokken documenten te geven, de opschorting kan worden gelast van de tenuitvoerlegging van het besluit houdende afwijzing van het verzoek tot bescherming van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen de betrokken vennootschappen en hun advocaten, alsook de bewaring van de betrokken vertrouwelijke gegevens ter griffie van de rechterlijke instantie totdat op het beroep in de hoofdzaak is beslist [zie in die zin beschikking van 27 september 2004, Commissie/Akzo en Akcros, C‑7/04 P(R), EU:C:2004:566, punt 42 en punten 1 en 2 van het dictum; zie in die zin ook beschikking van 17 september 2015, Alcogroup en Alcodis/Commissie, C‑386/15 P(R), EU:C:2015:623, punt 24]. Anders dan verzoeksters beweren, kan derhalve niet worden aangenomen dat het kort geding geen enkele mogelijke genoegdoening biedt voor eventuele onregelmatigheden die de Commissie tijdens het verloop van de inspectie zou hebben begaan los gezien van het besluit waarbij die inspectie is gelast.
66 Ten zesde kan de onderzochte onderneming, zelfs zonder dat tijdens de inspectieverrichtingen een voor beroep vatbare handeling is vastgesteld, beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid instellen tegen de Commissie wanneer zij meent dat de Commissie tijdens de inspectie onrechtmatigheden heeft begaan en die onrechtmatigheden haar schade hebben berokkend die van dien aard zijn dat de Unie aansprakelijk is. Die mogelijkheid bestaat reeds vóór de vaststelling van het besluit waarbij de inbreukprocedure wordt afgesloten, en zelfs wanneer de inspectie niet leidt tot een eindbesluit waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld. Een dergelijk aansprakelijkheidsberoep behoort immers niet tot het stelsel van toezicht op de geldigheid van Uniehandelingen met bindende rechtgevolgen die de belangen van de verzoeker kunnen aantasten, doch staat open wanneer een partij schade ondervindt als gevolg van onrechtmatig optreden van een instelling, en dat geldt ook wanneer dat optreden niet in een voor beroep vatbare handeling is uitgemond (zie in die zin arresten van 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie,T‑135/09, EU:T:2012:596, punt 133; 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punten 99, en 10 april 2018, Alcogroup en Alcodis/Commissie, T‑274/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:179, punt 92).
67 Voorts kan ervan worden uitgegaan dat het stelsel van toezicht op het verloop van de inspectieverrichtingen, dat bestaat uit alle hierboven beschreven rechtsmiddelen, voldoet aan de in punt 50 hierboven in herinnering gebrachte vier voorwaarden.
68 Wat ten eerste de doeltreffendheidsvoorwaarde betreft, dient erop te worden gewezen, en wordt door verzoeksters niet betwist, dat de hierboven genoemde rechtsmiddelen leiden tot een uitgebreide toetsing, waarbij alle aspecten, zowel in rechte als in feite, worden beoordeeld (zie, met name betreffende inspectiebesluiten, arrest van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie, C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punten 33 en 34, en, meer algemeen betreffende besluiten van de Commissie inzake procedures waarin de artikelen 101 en 102 VWEU worden toegepast, arrest van 8 december 2011, Chalkor/Commissie, C‑386/10 P, EU:C:2011:815, punt 62).
69 Zoals blijkt uit de opsomming in de punten 57 tot en met 66 hierboven van de diverse tijdens de inspecties genomen maatregelen en van de diverse rechten van de onderzochte ondernemingen waarop in het kader van de behandeling van de verschillende betrokken rechtsmiddelen toezicht kon worden uitgeoefend, dient voorts te worden benadrukt dat het weliswaar niet mogelijk is om met elk van die rechtsmiddelen afzonderlijk de gegrondheid van alle tijdens de inspectie genomen maatregelen te toetsen, maar dat een dergelijke toetsing wel mogelijk is wanneer die rechtsmiddelen gezamenlijk worden aangewend, wat vanuit het oogpunt van de ontvankelijkheid ervan geen probleem stelt. Verzoeksters kunnen met name niet op goede gronden stellen dat geen enkel rechtsmiddel kan worden aangewend in de situatie waarin de inspecteurs documenten kopiëren die niet binnen de reikwijdte van de inspectie vallen. In het door verzoeksters aangevoerde geval waarin de betrokken inspectie niet uitmondt in een besluit waarbij een inbreuk wordt vastgesteld en een sanctie wordt opgelegd, maar in de opening van een nieuw onderzoek en de vaststelling van een nieuw inspectiebesluit, kunnen de onderzochte ondernemingen immers beroep tot nietigverklaring van dat besluit instellen door de rechtmatigheid van de eraan ten grondslag liggende aanwijzingen te betwisten op grond dat deze op een onregelmatige manier tijdens de eerdere inspectie zijn verkregen (zie punt 59 hierboven).
70 Hieruit volgt dat verzoeksters’ beweringen die berusten op de arresten van het EHRM waarbij is vastgesteld dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte was geschonden op grond dat een van de voornoemde rechtsmiddelen ontbrak, niet ter zake dienend zijn. Met name de vaststellingen van het EHRM in zijn arrest Delta Pekárny (punten 82-94) kunnen niet op het onderhavige geval worden toegepast aangezien in de betrokken Tsjechische regeling geen specifiek rechtsmiddel was opgenomen om op te komen tegen inspectiebesluiten. De onderzochte ondernemingen konden immers enkel via een tegen de inhoudelijke bevindingen van de mededingingsautoriteit ingeleide procedure de rechtmatigheid van de inspectie ter discussie stellen, en in die omstandigheden konden aspecten zoals de noodzakelijkheid, de duur en de omvang van de inspectie alsook de evenredigheid ervan niet worden onderzocht (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Deutsche Bahn e.a./Commissie, C‑583/13 P, EU:C:2015:92, punt 37), terwijl dat wel mogelijk zou zijn geweest in het kader van een tegen het inspectiebesluit ingesteld beroep.
71 Uit de rechtspraak van de Unierechter, anders dan uit de omstandigheden die hebben geleid tot het arrest van het EHRM van 2 april 2015, Vinci Construction en GTM Génie Civil et Services tegen Frankrijk (CE:ECHR:2015:0402JUD006362910), blijkt evenzeer dat daadwerkelijk kan worden verzocht om toezicht op de eerbiediging van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaten en cliënten tijdens de inspectieverrichtingen (zie punt 61 hierboven). In dat kader wordt met name onderzocht of de betrokken documenten inhoudelijk onder die vertrouwelijkheid vallen (zie in die zin arrest van 17 september 2007, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie, T‑125/03 en T‑253/03, EU:T:2007:287, punten 117‑135, 138‑140 en 165‑179).
72 Voorts dient te worden aangenomen dat het beginsel van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet wordt geschonden wanneer van de in een inspectiebesluit beoogde onderneming wordt verlangd dat zij bepaalde stappen onderneemt om haar rechten te beschermen alsook om de toegang tot de beroepsmogelijkheden te vrijwaren ter verzekering van de eerbiediging van die rechten, met name het indienen van verzoeken om bescherming bij de Commissie (zie punten 61 en 62 hierboven). Dat klemt te meer daar de Commissie, alvorens kopieën te maken, de onderneming een korte termijn moet gunnen om haar advocaten te raadplegen met het oog op de eventuele indiening van dergelijke verzoeken (zie in die zin arrest van 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punt 89).
73 Wat ten tweede de efficiëntievoorwaarde betreft, kan worden geconstateerd dat met de voornoemde rechtsmiddelen zowel preventief, via de vordering in kort geding, ter voorkoming dat de inspectieverrichtingen worden voltooid (zie punt 64 hierboven), als na de inspectieverrichtingen met het oog op herstel, via de andere rechtsmiddelen, kan worden getoetst. Dienaangaande dient te worden benadrukt dat de rechtspraak van het EHRM niet samen een toetsing vooraf én een toetsing achteraf vereist, daar deze als alternatieven worden beschouwd (zie punt 50 hierboven). Ook al geeft de vordering in kort geding niet van de vereiste efficiëntie blijk, zoals verzoeksters in casu aanvoeren, het blijft aldus een feit dat de rechtsmiddelen die achteraf kunnen worden aangewend, de justitiabele hoe dan ook passende genoegdoening bieden.
74 Wanneer het inspectiebesluit nietig wordt verklaard, wordt de Commissie aldus belet voor de procedure ter zake van inbreuk op de mededingingsregels gebruik te maken van stukken of bewijzen die zij eventueel tijdens die inspectie zou hebben verzameld (arresten van 22 oktober 2002, Roquette Frères, C‑94/00, EU:C:2002:603, punt 49, en 12 december 2012, Almamet/Commissie, T‑410/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:676, punt 31). Met name brengt een dergelijke nietigverklaring noodzakelijkerwijs de nietigverklaring met zich mee van het nieuwe inspectiebesluit mocht dat uitsluitend zijn vastgesteld op basis van stukken die tijdens de eerste onregelmatige inspectie in beslag zijn genomen (zie in die zin arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑621/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:367, punten 39 en 40).
75 In het kader van het beroep tegen het eindbesluit van de Commissie leidt de vaststelling van een onregelmatigheid bij de uitvoering van de inspectie er evenzeer toe dat de Commissie voor de inbreukprocedure geen gebruik mag maken van de aldus verzamelde bewijselementen (zie arrest van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie, C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak), wat kan leiden tot de nietigverklaring van het besluit waarbij de inbreuk wordt vastgesteld en een sanctie wordt opgelegd, wanneer de betrokken bewijselementen voor die vaststelling en sanctie doorslaggevend zijn.
76 Voorts dient erop te worden gewezen dat zelfs wanneer er geen sprake is van een besluit waarbij een inbreuk wordt vastgesteld en een sanctie wordt opgelegd, nog steeds de mogelijkheid bestaat om ten eerste nietigverklaring te vorderen van bepaalde maatregelen die tijdens de inspectie zijn genomen (zie punten 61 en 62 hierboven) en ten tweede een schadevordering in te stellen (zie punt 66 hierboven). Met die twee rechtsmiddelen kan worden bereikt dat reeds vóór, en los van de afsluiting van de eventuele latere inbreukprocedure, de nietig verklaarde inspectiemaatregelen uit de rechtsorde verdwijnen respectievelijk de ten gevolge van die maatregelen geleden schade wordt vergoed. In dat verband dient te worden gepreciseerd dat aangezien de rechtsmiddelen en de vraag of daarmee passende genoegdoening kan worden verkregen, in hun geheel beschouwd dienen te worden beoordeeld (zie punt 51 hierboven) en andere rechtsmiddelen de Commissie beletten gebruik te maken van op onrechtmatige wijze gekopieerde stukken, het niet ter zake dienend is dat dit met het beroep tot schadevergoeding niet wordt voorkomen. Anders dan verzoeksters beweren, kan uit het arrest Ravon met name niet worden afgeleid dat het EHRM voor de vaststelling of de rechterlijke toetsing van de inspectieverrichtingen efficiënt is, zou vereisen dat de betrokken rechtsmiddelen resulteren in een verbod om van de verkregen stukken en getuigenissen gebruik te maken. Het EHRM heeft in dat arrest immers enkel maar de beschikbare rechtsmiddelen in hun geheel beoordeeld door te oordelen dat het beroep tot schadevergoeding niet volstond om de tekortkomingen op te vangen van de andere rechtsmiddelen, met name van de in de betrokken Franse regeling opgenomen beroepen tot nietigverklaring (arrest Ravon, punt 33), die niet de efficiëntie vertoonden van de beroepen tot nietigverklaring die bij de Unierechter kunnen worden ingesteld.
77 Wat ten derde de zekerheidsvoorwaarde betreft, zij opgemerkt dat verzoeksters primair betwisten dat aan die voorwaarde is voldaan op grond dat de zekerheid zou ontbreken dat de handelingen waartegen met de diverse rechtsmiddelen kan worden opgekomen, worden vastgesteld. Met name stelt de Commissie na een inspectie niet altijd een besluit vast waarbij een inbreuk wordt geconstateerd en de inbreukmaker een sanctie wordt opgelegd. De zekerheidsvoorwaarde dient evenwel aldus te worden uitgelegd dat niet alle in theorie mogelijke rechtsmiddelen in alle gevallen en ongeacht de na de inspectie genomen maatregelen moeten openstaan, maar wel die rechtsmiddelen waarmee tegen de maatregelen die nadelige gevolgen voor de onderzochte onderneming teweegbrengen, kan worden opgekomen op het moment dat die nadelige gevolgen zich voordoen. Wanneer dergelijke nadelige gevolgen niet de vorm aannemen van een besluit waarbij een inbreuk wordt geconstateerd en een sanctie wordt opgelegd, kan het ontbreken van de mogelijkheid om beroep tegen dat besluit in te stellen derhalve niet worden geacht afbreuk te doen aan het vereiste dat met zekerheid beroep kan worden ingesteld tegen de tijdens een inspectie genomen maatregelen.
78 Op grond van het arrest Canal Plus (zie punt 50 hierboven) kan niet tot een andere uitlegging worden gekomen. Anders dan verzoeksters aanvoeren, heeft het EHRM bij dat arrest immers niet geoordeeld dat over de toegankelijkheid van het beroep tegen het besluit waarbij een inspectie wordt toegestaan twijfel zou ontstaan door onzekerheden omtrent de vaststelling door de mededingingsautoriteit van een besluit ten gronde. Het heeft zich in de bijzondere omstandigheden van het door de Franse wetgever ingevoerde overgangsstelsel met name beperkt tot de vaststelling dat voor het bij dat stelsel mogelijk gemaakte beroep tegen de beschikking waarbij een huiszoeking wordt toegestaan, als voorwaarde gold dat een beroep tegen de beslissing ten gronde aanhangig was, waardoor de toegankelijkheid van dat beroep ten gevolge van die voorwaardelijkheid onzeker werd (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak Deutsche Bahn e.a./Commissie, C‑583/13 P, EU:C:2015:92, punt 48). Overigens kan erop worden gewezen dat van een dergelijke voorwaardelijkheid in het stelsel van rechtsmiddelen op het gebied van inspecties door de Commissie geen sprake is. Als voorwaarde voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een inspectiebesluit geldt immers niet als voorwaarde, en is het gelet op de in artikel 263 VWEU gestelde beroepstermijn trouwens niet mogelijk, dat beroep is ingesteld tegen het besluit waarbij de procedure uit hoofde van artikel 101 VWEU wordt afgesloten.
79 Wat ten vierde de voorwaarde van de redelijke termijn betreft, dient erop te worden gewezen dat verzoeksters hun stelling dat die voorwaarde niet is vervuld, niet baseren op de duur van de procedures bij de Unierechter en daarnaast aanvaarden dat er beroepstermijnen zijn. Zij laken enkel de soms lange tijd die verloopt tussen de inspectie en het eindbesluit waarbij de uit hoofde van artikel 101 VWEU geopende procedure wordt afgesloten.
80 Uit een dergelijk tijdsverloop, dat ongetwijfeld meerdere jaren kan beslaan, kan evenwel niet worden afgeleid dat de rechtsmiddelen waarmee bij de Unierechter tegen het verloop van inspecties kan worden opgekomen, geen daadwerkelijke rechtsbescherming waarborgen. Ten eerste wordt immers enkel bezwaar geuit tegen de tijd die verstrijkt tussen de vaststelling van de inspectiemaatregelen en de dag waarop ertegen kan worden opgekomen met het beroep tegen het uit hoofde van artikel 101 VWEU vastgestelde eindbesluit, dat slechts een van de rechtsmiddelen ter betwisting van die maatregelen vormt. Ten tweede, en nog belangrijker, dient de tijd gedurende welke de betrokken inspectiemaatregelen worden gehandhaafd, te worden gezien tegen de achtergrond van het feit dat de Commissie tot aan dat eindbesluit geen definitief standpunt over het bestaan van een inbreuk en de daaruit voortvloeiende aan de onderzochte onderneming opgelegde sanctie inneemt. Wanneer er zich gedurende dat tijdsverloop daarentegen voor de onderzochte onderneming andere schadelijke gevolgen zouden voordoen, zoals schadeveroorzakend gedrag van de Commissie of de vaststelling, op basis van de verkregen gegevens, van een nieuw inspectiebesluit, staat het die onderneming vrij om onverwijld en zonder de uitkomst van de inbreukprocedure af te wachten beroep tot schadevergoeding of beroep tot nietigverklaring van het nieuwe inspectiebesluit in te stellen bij de rechter.
81 Uit een en ander volgt dat de eerste grief die ter ondersteuning van de exceptie van onwettigheid van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 wordt aangevoerd, ongegrond dient te worden verklaard.
b) Tweede grief: schending van het beginsel van processuele gelijkheid en van de rechten van de verdediging
82 Verzoeksters stellen dat artikel 20 van verordening nr. 1/2003 het beginsel van processuele gelijkheid en de rechten van de verdediging schendt. Uit die grondbeginselen vloeit voort dat een verdachte het recht moet hebben om het procesdossier in te zien. Doordat het rechtskader voor de bij artikel 20 van verordening nr. 1/2003 vastgestelde inspectie niet voorziet in toegang voor partijen tot de stukken waarover de Commissie beschikt ter rechtvaardiging van haar besluit om een inspectie te verrichten, worden verzoeksters in een kennelijk onevenwichtige positie geplaatst ten aanzien van de Commissie en wordt het hun onmogelijk gemaakt hun verweer voor te bereiden.
83 Het is vaste rechtspraak dat het beginsel van processuele gelijkheid – dat een logisch uitvloeisel is van het begrip „eerlijk proces” en tot doel heeft het evenwicht tussen de procespartijen te waarborgen – inhoudt dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om haar zaak, daaronder begrepen haar bewijzen, onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij niet wezenlijk wordt benadeeld ten opzichte van de tegenpartij. Dat beginsel strekt ertoe te zorgen voor een procedureel evenwicht tussen de partijen in een gerechtelijke procedure, door te waarborgen dat zij dezelfde rechten en verplichtingen hebben ten aanzien van met name de regels inzake de bewijsvoering en het contradictoire karakter van het debat voor de rechter (zie arrest van 28 juli 2016, Ordre des barreaux francophones et germanophone e.a., C‑543/14, EU:C:2016:605, punten 40 en 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84 Ofschoon verzoeksters deze rechtspraak aanhalen ter ondersteuning van hun stelling dat het beginsel van processuele gelijkheid en de rechten van de verdediging zijn geschonden en zich uitsluitend baseren op de artikelen 47 en 48 van het Handvest en artikel 6 EVRM, waarbij de rechten van de justitiabelen bij een rechter worden geregeld, blijkt uit de rechtspraak die zij elders inroepen (zie punt 94 hieronder) dat zij de rechten in algemene zin beogen waarover de onderzochte onderneming beschikt voor haar verweer bij zowel de rechter als de Commissie.
85 Uit vaste rechtspraak waarin uitspraak wordt gedaan over de elementen die aan de onderzochte onderneming dienen te worden meegedeeld om ervoor te zorgen dat haar rechten van verdediging ten aanzien van de Commissie worden gewaarborgd, blijkt evenwel dat de Commissie die onderneming noch in het inspectiebesluit noch tijdens de inspectie hoeft duidelijk te maken waaruit de aanwijzingen ter rechtvaardiging van die inspectie bestaan (zie in die zin arresten van 17 oktober 1989, Dow Chemical Ibérica e.a./Commissie, 97/87–99/87, EU:C:1989:380, punten 45, 50 en 51; 8 juli 2008, AC-Treuhand/Commissie, T‑99/04, EU:T:2008:256, punt 48; 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie, T‑135/09, EU:T:2012:596, punt 69; 14 maart 2014, Cementos Portland Valderrivas/Commissie, T‑296/11, EU:T:2014:121, punt 37; 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 81, en 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punten 45 en 46).
86 Die rechtspraak berust niet op het beginsel dat de betrokken aanwijzingen vertrouwelijk zijn, maar is ingegeven door de bezorgdheid waarmee ook de wetgever bij de opstelling van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 rekening heeft gehouden, om de doeltreffendheid van de door de Commissie verrichte onderzoeken te behouden in een stadium waarin deze net van start gaan.
87 De administratieve procedure van verordening nr. 1/2003, die zich bij de Commissie afspeelt, is namelijk onderverdeeld in twee onderscheiden en achtereenvolgende fasen, die elk een eigen innerlijke logica hebben, te weten de vooronderzoeksfase en de fase op tegenspraak. De vooronderzoeksfase, waarin de Commissie van de bij verordening nr. 1/2003 verleende onderzoeksbevoegdheden gebruikmaakt en die duurt tot de toezending van de mededeling van punten van bezwaar, moet de Commissie in staat stellen alle relevante bewijzen te verzamelen die al of niet het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels bevestigen, en een eerste standpunt in te nemen over de richting die de procedure moet volgen en het uiteindelijke gevolg dat eraan zal worden gegeven. De fase op tegenspraak, die loopt van de mededeling van punten van bezwaar tot de vaststelling van het eindbesluit, moet de Commissie daarentegen in staat stellen zich definitief uit te spreken over de verweten inbreuk (zie arrest van 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 De vooronderzoeksfase begint op de datum waarop de Commissie krachtens de haar door de Uniewetgever verleende bevoegdheden maatregelen neemt die impliceren dat een onderneming een inbreuk wordt verweten, en moet de Commissie in staat stellen een standpunt in te nemen over de richting die de procedure zal nemen (arresten van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 114, en 15 juli 2015, SLM en Ori Martin/Commissie, T‑389/10 en T‑419/10, EU:T:2015:513, punt 337). Pas aan het begin van de administratieve fase op tegenspraak wordt de betrokken onderneming door middel van de mededeling van punten van bezwaar ingelicht over de belangrijkste feiten waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert, en beschikt deze onderneming over een recht van toegang tot het dossier, dat dient te waarborgen dat zij haar rechten van verdediging daadwerkelijk kan uitoefenen. De betrokken onderneming kan dus pas na de verzending van de mededeling van punten van bezwaar haar rechten van verdediging ten volle uitoefenen. Indien deze rechten werden uitgebreid tot de periode vóór de verzending van de mededeling van punten van bezwaar, zou immers afbreuk worden gedaan aan de doeltreffendheid van het onderzoek van de Commissie, omdat de onderneming dan reeds in de vooronderzoeksfase zou kunnen achterhalen over welke informatie de Commissie beschikt en welke informatie dus nog voor haar verborgen kan worden gehouden (zie arrest van 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 De door de Commissie in de vooronderzoeksfase genomen onderzoeksmaatregelen, met name de inspectiemaatregelen en verzoeken om inlichtingen, impliceren evenwel naar hun aard dat de betrokken ondernemingen een inbreuk wordt verweten, en kunnen belangrijke consequenties hebben voor de situatie van de verdachte ondernemingen. Derhalve moet worden vermeden dat de rechten van de verdediging in deze fase van de administratieve procedure onherstelbare schade lijden, aangezien de onderzoeksmaatregelen beslissend kunnen zijn voor de levering van het bewijs van de onrechtmatigheid van gedragingen van ondernemingen die tot hun aansprakelijkheid leiden (zie arrest van 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
90 In die context moet eraan worden herinnerd dat de in artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 opgelegde verplichting om het voorwerp en het doel van de inspectie op te geven, een fundamentele waarborg van de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen vormt, zodat de omvang van de verplichting om inspectiebesluiten met redenen te omkleden niet mag worden beperkt om redenen die verband houden met de doeltreffendheid van het onderzoek. Weliswaar hoeft de Commissie overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 1/2003 en de rechtspraak de adressaat van een dergelijk besluit niet alle inlichtingen mee te delen waarover zij beschikt ter zake van de vermeende inbreuken en hoeft zij de relevante markt niet nauwkeurig af te bakenen of een precieze juridische kwalificatie van deze inbreuken te geven dan wel het tijdvak te vermelden waarin die inbreuken zich zouden hebben voorgedaan, maar zij moet de vermoedens die zij voornemens is te verifiëren wel zo nauwkeurig mogelijk omschrijven, te weten wat er wordt gezocht en de gegevens waarop de inspectie betrekking heeft (zie arrest van 25 november 2014, Orange/Commissie, T‑402/13, EU:T:2014:991, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91 In het licht van deze elementen is het thans vaste rechtspraak dat de Commissie niet kan worden verplicht om in de fase van het vooronderzoek naast de vermoedens omtrent het bestaan van een inbreuk die zij wenst te verifiëren, ook de aanwijzingen mee te delen, dat wil zeggen de feiten die haar ertoe hebben gebracht om aan te nemen dat artikel 101 VWEU mogelijkerwijs is geschonden. Een dergelijke verplichting zou immers afbreuk doen aan het door de rechtspraak gevestigde evenwicht tussen het behoud van de doeltreffendheid van het onderzoek en de bescherming van de rechten van verdediging van de betrokken onderneming (zie arrest van 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook punt 85 hierboven).
92 Derhalve kan artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 niet onwettig worden verklaard op grond dat het, door niet te voorzien in de mededeling aan de onderzochte onderneming van de aanwijzingen ter rechtvaardiging van de inspectie, afbreuk zou doen aan het beginsel van processuele gelijkheid en aan de rechten van verdediging van die onderneming.
93 Aan die slotsom kan door geen enkel van de door verzoeksters aangedragen argumenten worden afgedaan.
94 Wat ten eerste de rechtspraak van de rechterlijke instanties van de Unie betreft, dient te worden opgemerkt dat verzoeksters de bovengenoemde rechtspraak niet vermelden, laat staan uitdrukkelijk betwisten, en slechts één arrest van het Gerecht aanhalen ter ondersteuning van hun stelling dat het beginsel van processuele gelijkheid inhoudt dat de betrokken ondernemingen het recht hebben om het dossier in te zien. Uit dat arrest blijkt inderdaad dat het algemene beginsel van processuele gelijkheid betekent dat in een mededingingszaak de betrokken onderneming gelijke kennis moet hebben van het in de procedure gebruikte dossier als de Commissie (arrest van 29 juni 1995, ICI/Commissie, T‑36/91, EU:T:1995:118, punten 93 en 111). Zoals de Commissie terecht benadrukt, betreft die verklaring evenwel de fase op tegenspraak van de procedure, en met name de documenten die aan de verzoekende partij hadden moeten worden verstrekt samen met de mededeling van punten van bezwaar (voor het onderscheid tussen de vooronderzoeksfase en de administratieve fase op tegenspraak, zie de punten 87 en 88 hierboven).
95 Wat ten tweede de rechtspraak van het EHRM betreft – en het beroep op die rechtspraak kan in het licht van het voorgaande worden opgevat als een uiting van de wens dat de rechtspraak van de Unierechters zich op dezelfde manier zou ontwikkelen, dan wel dat de onwettigheid van de relevante bepalingen van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 zou worden vastgesteld – dient te worden geoordeeld dat die rechtspraak een dergelijke ontwikkeling of vaststelling niet kan onderbouwen, en dit ongeacht de door de Commissie en de Raad benadrukte omstandigheid dat het EHRM zich in zijn arresten heeft uitgesproken over natuurlijke personen in strafzaken. Alle in die arresten van het EHRM vastgestelde schendingen van het beginsel van processuele gelijkheid houden immers verband met het feit dat de beschuldigde personen zijn veroordeeld zonder ooit toegang tot alle informatie met betrekking tot de aanklachten te hebben gekregen (EHRM, 18 maart 1997, Foucher tegen Frankrijk, CE:ECHR:1997:0318JUD002220993; 25 maart 1999, Pélissier en Sassi tegen Frankrijk, CE:ECHR:1999:0325JUD002544494; 26 juli 2011, Huseyn e.a. tegen Azerbaidjan, CE:ECHR:2011:0726JUD003548505, en 20 september 2011, OAO Neftyanaya Kompaniya Yukos tegen Rusland, CE:ECHR:2011:0920JUD001490204), en daaruit kan niet worden afgeleid dat er sprake zou zijn van een recht op toegang tot dergelijke informatie tijdens de onderzoeksfase, bovenop het recht dat al wordt toegekend tijdens de latere fase op tegenspraak. Wat het door verzoeksters pas ter terechtzitting aangevoerde arrest van het EHRM betreft waaruit blijkt dat het beginsel van processuele gelijkheid in elke fase van de procedure en met name tijdens het onderzoek van toepassing is (EHRM, 30 maart 1989, Lamy tegen België, CE:ECHR:1989:0330JUD001044483), dient erop te worden gewezen dat die uitspraak is ingegeven door het feit dat tijdens die onderzoeksfase was beslist om de verzoekende partij in hechtenis te nemen. In die zaak heeft het EHRM trouwens schending vastgesteld van artikel 5, lid 4, van het EVRM, dat ziet op de rechtsbescherming van gedetineerde personen, zonder een standpunt in te nemen over de naleving van artikel 6 EVRM.
96 Wat ten derde de door verzoeksters ter terechtzitting aangevoerde Franse wetgeving betreft, kan deze wetgeving als zodanig bij de toepassing van de Unierechtelijke regels niet de doorslag geven (zie in die zin arrest van 17 januari 1984, VBVB en VBBB/Commissie, 43/82 en 63/82, EU:C:1984:9, punt 40). Daaraan kan in elk geval worden toegevoegd dat, volgens artikel L. 450‑4 van de Franse code de commerce (wetboek van koophandel), van de beschikking van de Franse rechter voor vrijheden en detentie, die zijn toestemming voor de onderzoekverrichtingen en inbeslagnemingen door de Franse mededingingsautoriteit baseert op door die autoriteit ter rechtvaardiging ervan overgelegde informatie en aanwijzingen, aan de betrokken onderneming pas wordt kennisgegeven op het moment dat de inspectie plaatsvindt. Die beschikking kan aldus pas in het stadium van het bij de eerste president van de cour d’appel (rechter in tweede aanleg) ertegen ingestelde beroep aanleiding geven tot een debat op tegenspraak, dat met name de vraag kan betreffen of de overgelegde aanwijzingen voldoende ernstig zijn.
97 Wat ten vierde de door verzoeksters geuite bezorgdheid betreft dat zij zich moeilijk tegen het gevaar van willekeurige en onevenredige ingrepen van de Commissie kunnen wapenen, dient er met name op te worden gewezen dat het Gerecht via maatregelen tot organisatie van de procesgang de Commissie kan verzoeken om overlegging van de aanwijzingen die haar ertoe hebben gebracht tot een inspectie te besluiten (voor de vaststelling in casu van een dergelijke maatregel tot organisatie van de procesgang, zie punt 14 hierboven). Die inzage in de aanwijzingen die tot het inspectiebesluit hebben geleid, wordt toegestaan in de gerechtelijke fase aangezien in die fase, en gelet op het feit dat de inspectie per definitie is afgerond, de dwingende behoefte om de doeltreffendheid van de door de Commissie verrichte onderzoeken te behouden, minder groot is. Zodra alle inspectieverrichtingen achter de rug zijn, dient immers niet meer te worden voorkomen dat voor het onderzoek relevante informatie, die in beginsel reeds tijdens de inspectie is verzameld, zou worden achtergehouden (zie punt 88 hierboven). Hieraan kan worden toegevoegd dat de mededeling van de aanwijzingen in de gerechtelijke fase tevens voldoet aan het beginsel van processuele gelijkheid ten overstaan van de rechter, aangezien de onderzochte onderneming in die fase over de informatie beschikt waarmee zij kan opkomen tegen het feit dat de aanwijzingen van de Commissie voldoende ernstig zijn om de inspectie te rechtvaardigen (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:223, punten 85 en 86), en daarenboven niet rechtvaardigt dat reeds bij de vaststelling van het inspectiebesluit inzage zou worden gegeven.
98 Om al deze redenen dient de ter ondersteuning van de exceptie van onwettigheid aangevoerde tweede grief dan ook te worden afgewezen en dient dientengevolge de exceptie van onwettigheid van de relevante bepalingen van artikel 20 van verordening nr. 1/2003 in haar geheel te worden verworpen.
B. Tweede en derde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van het recht op onschendbaarheid van de woning
99 De Commissie voert vooraf aan dat verzoeksters meerdere grieven met betrekking tot het verloop van de litigieuze inspectie inroepen die volgens haar in het kader van een tegen een inspectiebesluit ingesteld beroep niet-ontvankelijk zijn, en zij leidt daaruit af dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk is.
100 Uit vaste rechtspraak blijkt inderdaad dat een onderneming zich niet op het onrechtmatige verloop van een inspectie kan beroepen in het kader van een beroep tot nietigverklaring van de handeling op grond waarvan de Commissie die inspectie heeft verricht (arresten van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, EU:T:1999:80, punt 413; 17 september 2007, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie, T‑125/03 en T‑253/03, EU:T:2007:287, punt 55, en 20 juni 2018, České dráhy/Commissie, T‑325/16, EU:T:2018:368, punt 22).
101 Die onmogelijkheid om zich in het kader van een tegen een inspectiebesluit ingesteld beroep op het onrechtmatige verloop van de inspectieverrichtingen te beroepen weerspiegelt enkel het algemene beginsel dat de rechtmatigheid van een besluit moet worden beoordeeld op basis van de rechtstoestand en de feiten op het tijdstip waarop dat besluit werd genomen, zodat latere handelingen geen invloed kunnen hebben op de geldigheid ervan (beschikking van 30 oktober 2003, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie, T‑125/03 R en T‑253/03 R, EU:T:2003:287, punten 68 en 69; zie in die zin ook arrest van 17 oktober 2019, Alcogroup en Alcodis/Commissie, C‑403/18 P, EU:C:2019:870, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
102 Hieruit volgt dat zo de betrokken grieven dienen te worden afgewezen, zoals de Commissie stelt, dit evenwel dient te zijn gebaseerd op het feit dat zij niet ter zake dienend zijn en niet op het feit dat zij niet-ontvankelijk zijn.
103 Zoals is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting, heeft de Commissie in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting ten eerste gepreciseerd dat zij het aan de wijsheid van het Gerecht overlaat om te bepalen of de betrokken grieven niet-ontvankelijk dan wel niet ter zake dienend zijn, en ten tweede dat haar niet-ontvankelijkheidsargument niet als zodanig ziet op het tweede en het derde middel, respectievelijk ontleend aan niet-nakoming van de motiveringplicht en schending van het recht op onschendbaarheid van de woning.
104 Derhalve kan het verzoekschrift niet om de door de Commissie gestelde reden, en zeker niet in zijn geheel, niet-ontvankelijk worden verklaard.
105 Hieruit volgt dan ook dat verzoeksters tweede en derde middel dienen te worden onderzocht zonder dat voor het onderzoek van de gegrondheid ervan rekening mag worden gehouden met de ter ondersteuning ervan ingeroepen grieven die op het verloop van de litigieuze inspectie berusten en als niet ter zake dienend buiten beschouwing moeten worden gelaten.
1. Niet-nakoming van de motiveringsplicht
106 Verzoeksters voeren aan dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd aangezien het geen enkele precisering of nog maar een begin van een uiteenzetting bevat van de informatie waarover de Commissie beschikte om de inspectie te rechtvaardigen. Het bestreden besluit laat met name niet toe om het soort informatie, de aard of de oorsprong ervan, laat staan de inhoud van de informatie waarover de Commissie beschikte te achterhalen, en ontneemt verzoeksters aldus een fundamentele waarborg van hun rechten van verdediging. Verzoeksters stellen ook nog dat een dergelijk totaal gebrek aan informatie met betrekking tot de stukken waarover de Commissie beschikte, niet kan worden ondervangen met enkel een beschrijving van de inbreukvermoedens die de Commissie uit de inhoud van die stukken heeft menen te kunnen afleiden.
107 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering van handelingen van de instellingen van de Unie zijn aangepast aan de aard van de betrokken handeling en moet daarin de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht moet voorts worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet vereist dat alle relevante gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is genomen, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
108 Derhalve dient in casu rekening te worden gehouden met het juridische kader waarin de inspecties van de Commissie plaatsvinden. De artikelen 4 en 20 van verordening nr. 1/2003 kennen de Commissie met name inspectiebevoegdheden toe teneinde haar in staat te stellen haar taak te vervullen, die erin bestaat de interne markt te beschermen tegen concurrentievervalsing en eventuele inbreuken op de mededingingsregels op deze markt te bestraffen (arrest van 25 juni 2014, Nexans en Nexans France/Commissie, C‑37/13 P, EU:C:2014:2030, punt 33; zie in die zin ook arrest van 22 oktober 2002, Roquette Frères, C‑94/00, EU:C:2002:603, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
109 Wat meer bepaald de inspectiebesluiten van de Commissie betreft, bepaalt artikel 20, lid 4, van verordening nr. 1/2003 aldus dat in het besluit de datum waarop de inspectie een aanvang neemt moet worden vermeld en daarin dient te worden gewezen op de sancties bedoeld in de artikelen 23 en 24 van die verordening en op het recht om bij het Hof beroep tegen het inspectiebesluit in te stellen, maar dat ook het voorwerp en het doel van de inspectie erin moeten worden opgenomen.
110 Uit de rechtspraak blijkt dat de Commissie met het oog daarop de vermoedens die zij voornemens is te verifiëren, zo nauwkeurig mogelijk dient te omschrijven, te weten wat onderzocht wordt en op welke elementen de inspectie betrekking zal hebben. Meer bepaald dient het inspectiebesluit een beschrijving te bevatten van de kenmerken van de vermoedelijke inbreuk, waarbij de veronderstelde betrokken markt en de aard van de vermoedelijke mededingingsbeperkingen worden omschreven, alsook de sectoren die onder de bij de inspectie betrokken vermoedelijke inbreuk vallen, en waarbij wordt uiteengezet hoe de onderneming wordt vermoed bij de inbreuk betrokken te zijn (zie arresten van 8 maart 2007, France Télécom/Commissie, T‑339/04, EU:T:2007:80, punten 58 en 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 september 2013, Deutsche Bahn e.a./Commissie, T‑289/11, T‑290/11 en T‑521/11, EU:T:2013:404, punten 75 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
111 Zoals het Hof heeft gepreciseerd, vormt die specifieke motiveringsplicht een fundamenteel vereiste niet alleen om het voor de betrokken ondernemingen duidelijk te maken dat de voorgenomen ingreep gerechtvaardigd is, maar ook om hun inzicht te geven in de omvang van hun medewerkingsplicht en tegelijkertijd hun rechten van verdediging veilig te stellen. Het is immers van belang dat de ondernemingen die zijn bedoeld in de inspectiebesluiten waarbij verplichtingen worden opgelegd die ingrijpen in hun privésfeer en die, indien daaraan niet wordt voldaan, het risico van zware geldboetes inhouden, zonder een buitensporige interpretatie-inspanning de redenen voor die besluiten begrijpen, zodat zij effectief en tijdig hun rechten kunnen uitoefenen (betreffende besluiten waarbij wordt verzocht om inlichtingen, zie conclusie van advocaat-generaal Wahl in de zaak HeidelbergCement/Commissie, C‑247/14 P, EU:C:2015:694, punt 42). Bovendien houdt dit in dat de omvang van de in het voorgaande punt aangegeven verplichting om inspectiebesluiten met redenen te omkleden in beginsel niet mag worden beperkt om redenen die verband houden met de doeltreffendheid van het onderzoek (arresten van 17 oktober 1989, Dow Benelux/Commissie, 85/87, EU:C:1989:379, punt 8, en 14 november 2012, Nexans France en Nexans/Commissie, T‑135/09, EU:T:2012:596, punt 42).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 17 oktober 2019, C-403/18, ECLI:EU:C:2019:870
- Gerecht EU 23 mei 2019, T-222/17, ECLI:EU:T:2019:356
- Gerecht EU 28 maart 2019, T-433/16, ECLI:EU:T:2019:201
- Gerecht EU 7 februari 2019, T-11/17, ECLI:EU:T:2019:65
- Gerecht EU 12 juli 2018, T-419/14, ECLI:EU:T:2018:445
- Gerecht EU 12 juli 2018, T-449/14, ECLI:EU:T:2018:456
- Gerecht EU 20 juni 2018, T-325/16, ECLI:EU:T:2018:368
- Gerecht EU 25 januari 2018, T-818/14, ECLI:EU:T:2018:33
- HvJ EU 14 september 2017, C-18/16, ECLI:EU:C:2017:680
- HvJ EU 6 september 2017, C-413/14, ECLI:EU:C:2017:632
- Gerecht EU 22 juni 2017, T-236/16, ECLI:EU:T:2017:416
- Gerecht EU 8 september 2016, T-54/14, ECLI:EU:T:2016:455
- HvJ EU 28 juli 2016, C-543/14, ECLI:EU:C:2016:605
- HvJ EU 9 juni 2016, C-617/13, ECLI:EU:C:2016:416
- Gerecht EU 15 juli 2015, T-389/10, ECLI:EU:T:2015:513
- HvJ EU 18 juni 2015, C-583/13, ECLI:EU:C:2015:404
- Gerecht EU 12 juni 2015, T-296/12, ECLI:EU:T:2015:375
- Gerecht EU 27 november 2014, T-521/09, ECLI:EU:T:2014:1000
- Gerecht EU 25 november 2014, T-402/13, ECLI:EU:T:2014:991
- HvJ EU 25 juni 2014, C-37/13, ECLI:EU:C:2014:2030