Gerecht EU 16 juni 2011, T-240/07, ECLI:EU:T:2011:284

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑240/07

Heineken Nederland BV en

Heineken NV

tegen

Europese Commissie

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Nederlandse biermarkt – Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG is vastgesteld – Bewijs van inbreuk – Toegang tot dossier – Geldboete – Gelijkheidsbeginsel – Redelijke termijn”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Begrip – Wilsovereenstemming met betrekking tot toekomstig marktgedrag

(Art. 81, lid 1, EG)

2. Mededinging – Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Begrip – Contact dat onverenigbaar is met verplichting van elke onderneming om marktgedrag zelfstandig te bepalen – Informatie-uitwisseling – Vermoeden – Voorwaarden

(Art. 81, lid 1, EG)

3. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijslevering – Bundel aanwijzingen

(Art. 81, lid 1, EG)

4. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijslevering – Bewijsstukken

(Art. 81, lid 1, EG)

5. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Grondrechten – Vermoeden van onschuld – Mededingingsprocedure – Toepasselijkheid

(Art. 81, lid 1, EG)

6. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Gebruik als bewijs van verklaringen die in kader van mededeling inzake medewerking zijn afgelegd door andere ondernemingen die aan inbreuk hebben deelgenomen – Toelaatbaarheid – Voorwaarden

(Art. 81 EG en 82 EG)

7. Mededinging – Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Bewijs van inbreuk, te leveren door Commissie – Grenzen

(Art. 81, lid 1, EG)

8. Mededinging – Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Aantasting van mededinging – Beoordelingscriteria – Mededingingsbeperkend doel – Vaststelling toereikend

(Art. 81, lid 1, EG)

9. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Bewijs van inbreuk en duur daarvan ten laste van Commissie – Bewijskracht van voor onderneming belastende vrijwillige verklaringen die voornaamste deelnemers aan mededingingsregeling hebben afgelegd met oog op toepassing van mededeling betreffende medewerking

(Art. 81, lid 1, EG; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie)

10. Mededinging – Mededingingsregelingen – Complexe inbreuk met kenmerken van overeenkomst en kenmerken van onderling afgestemde feitelijke gedraging – Eén enkele kwalificatie als „overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging” – Toelaatbaarheid

(Art. 81, lid 1, EG)

11. Mededinging – Mededingingsregelingen – Deelneming aan bijeenkomsten met mededingingsbeperkend doel

(Art. 81, lid 1, EG)

12. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Toegang tot dossier – Omvang – Weigering document mee te delen – Gevolgen – Noodzaak om voor op betrokken onderneming rustende bewijslast onderscheid te maken tussen belastende en ontlastende documenten

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27, lid 2)

13. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Documenten die zich niet in onderzoeksdossier bevinden en die door Commissie niet zijn uitgekozen om als belastend stuk te worden gebruikt – Documenten die dienstig kunnen zijn voor verweer van partijen

(Art. 81, lid 1, EG, en 82 EG; EER-Overeenkomst, art. 53, 54 en 57; verordening nr. 139/2004 van de Raad; mededeling 2005/C 325/07 van de Commissie, punt 27)

14. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Belastend document – Begrip

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27, lid 2)

15. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld – Verplichting voor Commissie om alle relevante gegevens van geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken

16. Mededinging – Administratieve procedure – Te vroeg kenbaar maken door Commissie van haar overtuiging dat sprake is van inbreuk

17. Mededinging – Administratieve procedure – Verplichtingen van Commissie – Inachtneming van redelijke termijn – Beoordelingscriteria – Schending – Gevolgen

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad)

18. Mededinging – Administratieve procedure – Verzoek om inlichtingen – Algemene voorzorgsplicht die op ondernemingen of ondernemersverenigingen rust

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 11)

19. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsmarge van Commissie – Grenzen – Inachtneming van richtsnoeren van Commissie – Rechterlijke toetsing

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

20. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Inaanmerkingneming van concrete weerslag op markt – Omvang

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

21. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Inaanmerkingneming van gevolgen die zich in bepaald geografisch gebied doen gevoelen – Omvang

(Art. 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

22. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Beoordelingsvrijheid van Commissie

(Verordeningen nr. 17 en nr. 1/2003 van de Raad; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

23. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Indeling van betrokken ondernemingen in verschillende categorieën – Voorwaarden

(Mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A, zesde alinea)

24. Mededinging – Geldboeten – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd – Motiveringsplicht – Omvang – Uiteenzetting van factoren op basis waarvan Commissie ernst van inbreuk heeft beoordeeld – Genoegzame uiteenzetting

(Art. 253 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, leden 2 en 3)

25. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkende werking – Criteria voor beoordeling van afschrikkingsfactor

(Mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A, vierde alinea)

26. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkende werking – Beoordelingsvrijheid van Commissie

(Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, leden 2 en 3; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A, vierde alinea)

27. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Beëindiging van inbreuk vóór eerste optreden van Commissie – Belang

(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3)

28. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzachtende omstandigheden – Geen daadwerkelijke toepassing van onrechtmatige afspraken

(Art. 81, lid 1, EG; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 3)

29. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Geldboeten – Vaststelling – Criteria – Verhoging van algemeen niveau van geldboeten – Toelaatbaarheid – Voorwaarden

(Artikel 81 EG; verordening nr. 1/2003 van de Raad)

30. Mededinging – Administratieve procedure – Verplichtingen van Commissie – Inachtneming van redelijke termijn – Schending – Gevolgen – Vermindering van geldboete uit billijkheidsoverwegingen

(Art. 81 EG en 288, tweede alinea, EG)

1. Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen. Aangenomen kan worden dat een overeenkomst in de zin van voornoemd artikel is gesloten wanneer er een wilsovereenstemming bestaat over het beginsel zelf van een mededingingsbeperking, zelfs indien over de specifieke elementen van de voorgenomen beperking nog onderhandelingen worden gevoerd.

Aan het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG wordt niet afgedaan door het feit dat de wilsovereenstemming tussen de betrokken ondernemingen zich niet uitstrekt tot de concrete wijze van doorvoering van een prijsverhoging en evenmin door het feit dat deze op de markt niet daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

(cf. punten 44‑45, 183)

2. De onderling afgestemde feitelijke gedraging is een vorm van coördinatie tussen ondernemingen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking.

Dienaangaande staat artikel 81, lid 1, EG in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent wordt beïnvloed, hetzij die concurrent op de hoogte wordt gebracht van het marktgedrag dat men zelf vertoont of heeft voorgenomen, wanneer dat contact de beperking van de mededinging tot doel of ten gevolge heeft.

Aangenomen moet worden dat ondernemingen die hun gedrag onderling afstemmen en op de markt actief blijven, behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs worden vermoed bij de bepaling van hun gedrag op deze markt rekening te houden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie. Dit klemt temeer wanneer de afstemming gedurende een lange periode en met een zekere regelmaat heeft plaatsgevonden.

(cf. punten 46‑47, 186)

3. Wat de bewijsvoering met betrekking tot een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG betreft, moet de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken bewijzen en de elementen leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk bewijzen. De Commissie moet dus, om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren.

Niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen hoeft evenwel noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde bundel aanwijzingen, in zijn geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet.

Gelet op de algemene bekendheid van het verbod op mededingingsbeperkende overeenkomsten, kan van de Commissie niet worden geëist dat zij stukken overlegt waaruit met zoveel woorden blijkt dat de betrokken marktdeelnemers overleg hebben gepleegd. De fragmentarische en schaarse bewijzen waarover de Commissie eventueel beschikt, moeten in elk geval kunnen worden vervolledigd via deductie, zodat de relevante omstandigheden kunnen worden gereconstrueerd. Het bestaan van een mededingingsbeperkende gedraging of overeenkomst kan dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden.

(cf. punten 48‑51)

4. Wanneer de Commissie schriftelijke bewijzen heeft aangevoerd tot staving van haar stelling dat sprake is van een mededingingsbeperkende praktijk of overeenkomst, dienen partijen die deze vaststelling voor het Gerecht betwisten niet louter een plausibel alternatief te bieden voor de stelling van de Commissie, maar dienen zij te stellen dat de bewijzen van de inbreuk in de bestreden beschikking ontoereikend zijn.

(cf. punt 52)

5. Wat de omvang van de rechterlijke toetsing betreft, moet het Gerecht, wanneer bij hem een beroep tot nietigverklaring van een beschikking inzake een procedure op grond van artikel 81, lid 1, EG aanhangig is, in het algemeen een volledig onderzoek instellen naar de vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 1, EG is voldaan.

Twijfel bij de rechter dient in het voordeel te spelen van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. Dit is in overeenstemming met het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat als algemeen beginsel van Unierecht met name van toepassing is op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot de oplegging van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden.

(cf. punten 53‑54)

6. Geen enkele bepaling en geen enkel algemeen beginsel van Unierecht verbiedt de Commissie zich tegenover een onderneming te beroepen op de verklaringen van andere beschuldigde ondernemingen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 EG en 82 EG onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met de haar door het EG-Verdrag opgedragen taak van toezicht op de juiste toepassing van deze bepalingen.

Het is juist dat de verklaring van een onderneming die van deelneming aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, niet kan worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien zij niet door andere bewijzen wordt gestaafd. Een dergelijke verklaring alleen kan dus niet volstaan om het bestaan van een inbreuk aan te tonen, maar moet door andere bewijzen worden gestaafd. Wanneer de verklaring in hoge mate betrouwbaar is, behoeft zij evenwel een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig was geweest.

Mocht aldus worden vastgesteld dat het bestaan en bepaalde specifieke aspecten van de in een dergelijke betrouwbare verklaring genoemde activiteiten steun vinden in een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen, dan kan die verklaring op zich volstaan als bewijs van andere aspecten van de beschikking van de Commissie.

Bovendien volstaat het dat een stuk, voor zover het niet in kennelijke tegenspraak is met de verklaring over het bestaan of de wezenlijke inhoud van de gewraakte praktijken, wezenlijke onderdelen van de door die verklaring beschreven praktijken bevestigt, opdat het enige waarde zou hebben als element ter ondersteuning van deze verklaring in het kader van de reeks belastende bewijzen.

(cf. punten 70, 92‑94)

7. De Commissie dient het bestaan van een inbreuk vaak in moeilijke omstandigheden te bewijzen, doordat meerdere jaren kunnen zijn verstreken sinds de inbreuk is gepleegd en verschillende van de ondernemingen waartegen een onderzoek is ingesteld, niet actief met haar hebben meegewerkt.

De Commissie dient weliswaar noodzakelijkerwijs aan te tonen dat een ongeoorloofde marktverdelingsovereenkomst is gesloten, maar het zou te ver gaan om daarenboven ook nog te eisen dat zij bewijst via welk specifiek mechanisme dat doel diende te worden bereikt. Het zou immers al te gemakkelijk zijn voor een onderneming die zich aan een inbreuk schuldig heeft gemaakt, om zich aan elke sanctie te onttrekken indien zij zich kon beroepen op de vaagheid van de informatie die met betrekking tot de werking van een ongeoorloofde overeenkomst is verstrekt, hoewel het bestaan van de overeenkomst en het mededingingsbeperkende doel ervan genoegzaam zijn aangetoond. In een dergelijk geval kunnen de ondernemingen zich nuttig verweren wanneer zij de gelegenheid krijgen een verklaring te geven voor alle door de Commissie tegen hen aangevoerde bewijzen.

(cf. punt 78)

8. Uit de tekst van artikel 81 EG volgt dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen verboden zijn, ongeacht of zij al dan niet gevolgen hebben voor de markt, wanneer zij een mededingingsbeperkend doel hebben. Wanneer de Commissie heeft vastgesteld dat sprake is van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen met een mededingingsbeperkend doel, kunnen aanwijzingen dat de heimelijke afspraken niet zijn toegepast of geen gevolgen hebben gehad voor de markt dus geen tegenbewijs leveren van die vaststelling.

(cf. punten 79‑80)

9. Hoewel een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is, omdat deze deelnemers geneigd kunnen zijn om het belang van hun eigen bijdrage aan de inbreuk te bagatelliseren en dat van de anderen te overtrekken, vormt het feit dat wordt verzocht om toepassing van de mededeling betreffende medewerking teneinde een vermindering van de geldboete te verkrijgen, er immers niet noodzakelijkerwijs een aanzet voor om bewijzen vertekend weer te geven ten aanzien van de andere deelnemers aan de verweten mededingingsregeling. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker, en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt te hebben bij de mededeling inzake medewerking in gevaar brengen.

(cf. punt 91)

10. In een complexe feitelijke situatie moet de dubbele kwalificatie van de mededingingsbeperkende gedragingen als „samenstel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen”, aangezien die gedragingen zowel bestanddelen bevatten die als „overeenkomst” moeten worden aangemerkt, als bestanddelen die als „onderling afgestemde feitelijke gedraging” waren te beschouwen, niet worden opgevat als een kwalificatie ten aanzien waarvan gelijktijdig en cumulatief moet worden bewezen dat elk van deze feitelijke bestanddelen zowel de karakteristieken van een overeenkomst als die van een onderling afgestemde gedraging vertoont, doch als een kwalificatie die een complex geheel van feitelijke bestanddelen aanduidt, waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 81 EG, dat voor dit soort complexe inbreuken niet in een specifieke kwalificatie voorziet.

(cf. punt 191)

11. Wanneer een onderneming, zelfs zonder een actieve rol te spelen, een vergadering heeft bijgewoond waarop een ongeoorloofde afstemming ter sprake is gebracht, wordt zij geacht aan die afstemming te hebben deelgenomen, tenzij zij aantoont dat zij zich openlijk daarvan heeft gedistantieerd of de overige deelnemers heeft laten weten dat zij voornemens was vanuit een andere optiek dan de hunne aan de betrokken vergadering deel te nemen.

(cf. punt 195)

12. Het recht op toegang tot het dossier, als uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging, impliceert dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet bieden, alle voor haar verdediging mogelijk relevante documenten in het onderzoeksdossier te onderzoeken. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie.

Aangaande de belastende stukken levert de omstandigheid dat een document niet is meegedeeld slechts een schending van de rechten van verdediging op wanneer de betrokken onderneming aantoont dat de Commissie dat document heeft gebruikt om haar punt van bezwaar betreffende het bestaan van een inbreuk te staven en dit punt van bezwaar alleen met dat document kan worden bewezen. De betrokken onderneming dient dus aan te tonen dat de Commissie in haar beschikking tot een ander resultaat zou zijn gekomen indien dat niet-meegedeelde document als bewijsmiddel zou zijn uitgesloten.

Wat de niet-mededeling van een ontlastend document betreft, behoeft de betrokken onderneming daarentegen enkel aan te tonen dat de niet-overlegging daarvan het verloop van de procedure en de inhoud van de beschikking van de Commissie ten nadele van deze onderneming heeft kunnen beïnvloeden. Het volstaat dat de onderneming aantoont dat zij die ontlastende stukken voor haar verweer had kunnen gebruiken, en met name het bewijs levert dat zij elementen had kunnen aanvoeren die niet overeenstemden met de door de Commissie in het stadium van de mededeling van punten van bezwaar gedane vaststellingen, en dus op enigerlei wijze het oordeel in de beschikking had kunnen beïnvloeden.

(cf. punten 235‑238)

13. De mededeling van punten van bezwaar is erop gericht het voorwerp van de tegen een onderneming ingeleide procedure af te bakenen en een doeltreffende uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen. In dat opzicht gaat de mededeling van punten van bezwaar gepaard met procedurele waarborgen die gestalte geven aan het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, waaronder het recht van toegang tot documenten die zich in het dossier van de Commissie bevinden.

De antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar maken geen deel uit van het eigenlijke onderzoeksdossier. Aangezien het documenten betreft die geen deel uitmaken van het ten tijde van de betekening van de mededeling van punten van bezwaar aangelegde dossier, moet de Commissie die antwoorden alleen aan andere betrokken partijen bekendmaken indien blijkt dat zij nieuwe belastende of ontlastende gegevens bevatten. Ook volgens punt 27 van de mededeling van de Commissie betreffende de regels voor toegang tot het dossier van de Commissie overeenkomstig de artikelen 81 EG en 82 EG, de artikelen 53, 54 en 57 van de EER-Overeenkomst en verordening nr. 139/2004, geldt als algemene regel dat partijen geen toegang hebben tot de antwoorden van de andere bij het onderzoek betrokken partijen op de mededeling van punten van bezwaar. Een partij krijgt tot die documenten alleen toegang wanneer zij nieuw bewijsmateriaal, ongeacht of het om belastend of ontlastend bewijsmateriaal gaat, kunnen vormen betreffende de verklaringen in verband met die partij in de mededeling van punten van bezwaar van de Commissie.

Wanneer de Commissie, enerzijds, nieuwe belastende gegevens, die zij ontleent aan een antwoord op een mededeling van punten van bezwaar, als basis wil gebruiken om het bestaan van een inbreuk vast te stellen, moeten de andere partijen in die procedure in staat worden gesteld zich over dat nieuwe bewijsstuk uit te spreken.

Wat, anderzijds, de nieuwe ontlastende bewijzen betreft, is de Commissie niet verplicht daar op eigen initiatief toegang toe te verlenen. Wanneer de Commissie in de loop van de administratieve procedure een verzoek van een partij om toegang tot documenten die zich niet in het onderzoeksdossier bevinden, heeft afgewezen, kan een schending van de rechten van verdediging slechts worden vastgesteld als vaststaat dat de administratieve procedure anders had kunnen aflopen indien de verzoeker in die procedure toegang tot de documenten in kwestie had gehad.

(cf. punten 239‑244, 253)

14. Een document kan slechts als bezwarend worden aangemerkt indien het door de Commissie wordt gebruikt tot staving van de vaststelling dat een onderneming een inbreuk heeft gepleegd.

Om schending van de rechten van verdediging aan te tonen volstaat het voor de betrokken onderneming niet dat zij bewijst dat zij zich gedurende de administratieve procedure niet heeft kunnen uitspreken over een document dat ergens in de bestreden beschikking is gebruikt. Zij moet bewijzen dat de Commissie dat document in de bestreden beschikking als een bijkomend bewijs heeft gebruikt voor een inbreuk waaraan de onderneming zou hebben deelgenomen.

(cf. punt 245)

15. Tot de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen behoort met name de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken.

(cf. punt 268)

16. Het bestaan van een inbreuk moet uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van de bewijzen die de Commissie heeft verzameld. Indien na afloop van de administratieve procedure wordt vastgesteld dat inderdaad een inbreuk is gepleegd, kan het bewijs dat de Commissie tijdens die procedure te vroeg haar overtuiging kenbaar heeft gemaakt dat er sprake is van een inbreuk, niet afdoen aan het feit zelf dat de inbreuk bewezen is.

(cf. punt 278)

17. De inachtneming van een redelijke termijn bij de afwikkeling van administratieve procedures op het gebied van het mededingingsbeleid vormt een algemeen beginsel van Unierecht, waarvan de Unierechter de eerbiediging verzekert.

Voor de toepassing van dit beginsel moet onderscheid worden gemaakt tussen de twee fasen van de administratieve procedure, de onderzoeksfase vóór de mededeling van de punten van bezwaar, en de fase van het verdere verloop van de administratieve procedure. De eerste periode, die duurt tot de mededeling van de punten van bezwaar, begint op de datum waarop de Commissie krachtens de bevoegdheden die de wetgever haar heeft verleend, maatregelen neemt die impliceren dat een onderneming een inbreuk wordt verweten, en die de Commissie in staat moeten stellen een standpunt in te nemen over de richting die de procedure zal nemen. De tweede periode loopt van de mededeling van de punten van bezwaar tot de vaststelling van de definitieve beschikking. Zij moet de Commissie in staat stellen zich definitief uit te spreken over de verweten inbreuk.

Een duur van 65 maanden van de eerste fase van de procedure moet, bij gebreke van aanvullende gegevens of rechtvaardiging van de Commissie betreffende de onderzoekshandelingen die in deze periode zouden hebben plaatsgevonden, worden aangemerkt als buitensporig lang. De vaststelling van een schending van het beginsel van de redelijke termijn kan evenwel enkel leiden tot nietigverklaring van een beschikking houdende vaststelling van een inbreuk, indien de lengte van de procedure de uitkomst van de procedure heeft beïnvloed.

(cf. punten 286‑288, 290, 292, 295)

18. Krachtens de algemene voorzorgsplicht die op hen rust zijn ondernemingen of ondernemersverenigingen gehouden ervoor te zorgen dat de gegevens aan de hand waarvan hun activiteiten kunnen worden nagegaan goed bewaard blijven in hun boeken en archieven, opdat zij met name kunnen beschikken over de noodzakelijke bewijzen in het geval van gerechtelijke of administratieve procedures.

Wanneer een onderneming door de Commissie uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 om inlichtingen wordt verzocht, behoort zij a fortiori met grotere zorg te handelen en alle nodige maatregelen te treffen om de bewijzen waarover zij redelijkerwijs kan beschikken te bewaren.

(cf. punt 301)

19. De Commissie beschikt ter zake van de berekeningsmethode voor geldboeten over een ruime beoordelingsvrijheid. Deze methode, die is beschreven in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, laat de Commissie enige speelruimte om overeenkomstig verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, gebruik te maken van haar beoordelingsvrijheid.

Voorts gaat het op gebieden zoals de vaststelling van de hoogte van een geldboete krachtens verordening nr. 1/2003, waarvoor de Commissie over deze beoordelingsmarge beschikt, bij de controle of deze beoordelingen rechtmatig zijn, enkel erom of geen kennelijke beoordelingsfout is gemaakt. De beoordelingsmarge van de Commissie en de grenzen die zij daaraan heeft gesteld, kunnen evenwel geen afbreuk doen aan de uitoefening door de Unierechter van zijn volledige rechtsmacht, op basis waarvan deze de door de Commissie opgelegde geldboete kan nietig verklaren, verminderen of vermeerderen.

(cf. punten 308‑310)

20. Bij de vaststelling van de zwaarte van een inbreuk moet rekening worden gehouden met een groot aantal factoren, zoals de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, ten aanzien waarvan de Commissie over een beoordelingsmarge beschikt.

In het bijzonder dient volgens punt 1 A, eerste alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk rekening te worden gehouden met de eigen aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt. In het kader van zijn volledige rechtsmacht dient het Gerecht te controleren, of de hoogte van de opgelegde geldboete in verhouding staat tot de zwaarte van de inbreuk en de zwaarte van de inbreuk af te wegen tegen de door de onderneming aangevoerde omstandigheden.

Volgens punt 1 A, tweede alinea, derde streepje, van die richtsnoeren gaat het bij de zeer zware inbreuken in hoofdzaak om „horizontale beperkingen van het type prijskartel en marktverdelingsregeling”. De mededingingsregelingen van dit type omvatten de meest zware vormen van aantasting van de mededinging, daar zij ertoe strekken de concurrentie tussen de ondernemingen die hieraan uitvoering geven, eenvoudigweg uit te schakelen, en daardoor in strijd zijn met de gronddoelstellingen van de Unie. Horizontale mededingingsregelingen met betrekking tot prijzen of marktverdelingen kunnen reeds op grond van hun eigen aard als zeer zware inbreuk worden gekwalificeerd, zonder dat de Commissie een concrete weerslag van de inbreuk op de markt hoeft aan te tonen.

Hoewel de concrete weerslag van de inbreuk op de markt een factor is die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk, gaat het daarbij om één criterium naast andere, zoals de eigen aard van de inbreuk en de omvang van de geografische markt. Evenzo blijkt uit punt 1 A, eerste alinea, van voornoemde richtsnoeren dat deze weerslag op de markt enkel in aanmerking moet worden genomen wanneer die meetbaar is.

(cf. punten 314‑316, 319‑320, 324‑325)

21. Het gehele grondgebied van een lidstaat vormt een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt. Overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken de prijzen vast te leggen en de klanten te verdelen, kunnen alleen al naar hun aard als zeer zware inbreuk worden gekwalificeerd zonder dat dit soort gedragingen door een bepaalde geografische omvang hoeft te worden gekenmerkt.

Die conclusie wordt voorts bevestigd door het feit dat in de als aanwijzing dienende beschrijving van zware inbreuken in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, wordt verklaard dat het meestal zal gaan om horizontale of verticale beperkingen die strikter worden toegepast, waarvan de weerslag op de markt ruimer is en waarvan de gevolgen zich over uitgestrekte gebieden van de gemeenschappelijke markt kunnen doen gevoelen, maar dat in de beschrijving van zeer zware inbreuken daarentegen niet staat dat er sprake moet zijn van enige concrete weerslag op de markt of van gevolgen die zich in een bepaald geografisch gebied doen gevoelen.

Hieruit volgt dat het feit dat de omvang van de betrokken geografische markt een nationale dimensie heeft, zich er in ieder geval niet tegen verzet dat de gepleegde inbreuk als zeer zwaar wordt aangemerkt. De omvang van de betrokken productmarkt is geen factor die verplicht in aanmerking moet worden genomen, maar slechts één van de relevante factoren om de zwaarte van de inbreuk te beoordelen en het bedrag van de geldboete vast te stellen.

(cf. punten 337, 339‑342)

22. In het kader van verordening nr. 17 en verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 EG beschikt de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten over een beoordelingsmarge om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven en om het niveau van de geldboeten op elk moment aan de eisen van dit beleid te kunnen aanpassen.

De vroegere beschikkingspraktijken van de Commissie fungeert niet als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken. Beschikkingen in andere zaken hebben slechts een indicatieve waarde wat het al dan niet bestaan van discriminaties betreft, omdat het niet erg waarschijnlijk is dat de omstandigheden van die zaken, zoals de betrokken markten, producten, ondernemingen en tijdvakken, identiek zullen zijn.

De Commissie beoordeelt de zwaarte van de inbreuk aan de hand van een groot aantal factoren, zonder dat er sprake is van een dwingende of uitputtende lijst van in aanmerking te nemen criteria. Zij is bovendien niet verplicht om een precieze mathematische formule toe te passen, noch voor het totale bedrag van de geldboete, noch voor de verschillende onderdelen ervan. De rechtstreekse vergelijking van de geldboeten die zijn opgelegd aan de adressaten van twee beschikkingen met betrekking tot verschillende inbreuken, houdt dan ook het gevaar in dat wordt afgedaan aan de specifieke functies van de verschillende stappen van de berekening van een geldboete. De uiteindelijke bedragen van de geldboeten weerspiegelen namelijk de specifieke omstandigheden van elke mededingingsregeling.

(cf. punten 345, 347, 350‑351)

23. Volgens punt 1 A, zesde alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag, worden opgelegd, kan het wenselijk zijn om voor een inbreuk van een bepaalde ernst in gevallen waarin, zoals bij kartels, meerdere ondernemingen betrokken zijn, op het algemene uitgangsbedrag een weging toe te passen om een specifiek uitgangsbedrag vast te stellen dat rekening houdt met het gewicht, en derhalve met de daadwerkelijke invloed van het inbreukmakende gedrag van elke onderneming afzonderlijk op de mededinging, met name wanneer er een aanzienlijk verschil bestaat in de grootte van de ondernemingen die eenzelfde soort inbreuk hebben gepleegd.

Het rekening houden met het gewicht, en derhalve met de daadwerkelijke invloed van het inbreukmakende gedrag van elke onderneming afzonderlijk op de mededinging heeft betrekking op de indeling van de leden van een kartel in categorieën, aan de hand van hun omvang op de markt in een referentietijdvak, en impliceert niet dat rekening wordt gehouden met de invloed als geheel op de markt.

De toepassing van de gedifferentieerde behandeling op basis van die bepaling vereist niet de inaanmerkingneming van een daadwerkelijke invloed op de markt.

(cf. punten 356‑358)

24. Volgens vaste rechtspraak wordt aan de eisen van het wezenlijke vormvoorschrift van motivering van de wijze van berekening van de opgelegde geldboete voldaan, wanneer de Commissie in haar beschikking de factoren aangeeft op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft beoordeeld.

In het kader van de uiteenzetting van de gronden die het niveau van de geldboete rechtvaardigen, is de Commissie niet verplicht de cijfermatige gegevens te vermelden die in het bijzonder voor de nagestreefde afschrikkende preventieve werking de leidraad waren voor de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid.

(cf. punten 360, 375)

25. Bij het vaststellen van het bedrag van de geldboete moet de Commissie ervoor zorgen dat dat bedrag een afschrikkende werking heeft.

Daarbij kan de Commissie met name de omvang en de economische macht van de betrokken onderneming in aanmerking nemen.

Bovendien bepaalt punt 1 A, vierde alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, dat rekening moet worden gehouden met de daadwerkelijke economische macht van de inbreukmakers om andere marktdeelnemers, met name de consument, aanzienlijke schade te berokkenen, en dat het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau moet worden gesteld dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat.

Gelet op de beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie bij het bepalen van het bedrag van de geldboete beschikt om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat deze de mededingingsregels naleven, kan het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar derhalve niet beletten dit niveau op elk moment te verhogen, indien zulks noodzakelijk is ter uitvoering van het mededingingsbeleid en om de preventieve werking ervan te versterken.

(cf. punten 367‑369, 372)

26. Het rechtszekerheidsbeginsel is een algemeen rechtsbeginsel van de Unie, dat in het bijzonder verlangt dat een regeling die nadelige gevolgen voor particulieren heeft, duidelijk en nauwkeurig is en dat de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar is.

Dit beginsel heeft als uitvloeisel het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen, dat vereist dat de strafbare feiten en de straffen die deze beteugelen duidelijk door de wet worden omschreven.

Artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 EG geeft de Commissie weliswaar een ruime beoordelingsmarge, maar beperkt de uitoefening daarvan door de invoering van objectieve criteria waaraan de Commissie zich moet houden.

Zo geldt een absolute en becijferbare bovengrens voor de mogelijke geldboete, zodat de maximumboete die aan een gegeven onderneming kan worden opgelegd, vooraf kan worden bepaald.

De uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid wordt ook beperkt door de gedragsregels die de Commissie zichzelf heeft opgelegd in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, waarbij haar administratieve praktijk vatbaar is voor volledige toetsing door de Unierechter.

Bijgevolg kan een bedachtzaam marktdeelnemer zich, zo nodig met de bijstand van een juridisch adviseur, een voldoende nauwkeurig beeld vormen van de berekeningsmethode en de omvang van de aan een bepaald gedrag verbonden geldboeten. Dat die marktdeelnemer het niveau van de geldboeten die de Commissie in een concreet geval zal opleggen niet nauwkeurig kan kennen, kan geen schending opleveren van het beginsel van legaliteit van straffen. Bovendien moeten ondernemingen die betrokken zijn bij een administratieve procedure waarin geldboeten kunnen worden opgelegd, rekening houden met de mogelijkheid dat de Commissie steeds kan beslissen om het niveau van de geldboeten te verhogen in vergelijking met dat welk in het verleden werd gehanteerd. Het feit dat de Commissie in het kader van de uitvoering van een ander mededingingsbeleid het algemene niveau van de geldboeten op elk moment kan herzien, is dus redelijkerwijs voorzienbaar voor de betrokken ondernemingen.

(cf. punten 383‑386)

27. Overeenkomstig punt 3 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, wordt het door de Commissie vastgestelde basisbedrag van de geldboete onder meer verminderd wanneer de beschuldigde onderneming de inbreuk na het eerste optreden van de Commissie beëindigt.

De toekenning van een dergelijke vermindering van het basisbedrag van de geldboete houdt verband met de omstandigheden van het concrete geval, die de Commissie kunnen nopen om een onderneming die partij is bij een onrechtmatige overeenkomst, er niet voor in aanmerking te laten komen. Zo zou, indien de aanspraak op een verzachtende omstandigheid werd erkend in situaties waarin een onderneming partij is bij een kennelijk onrechtmatige overeenkomst waarvan zij wist of er niet onbekend mee kon zijn dat deze een inbreuk vormde, dit ondernemingen ertoe kunnen aanzetten een geheime overeenkomst zo lang mogelijk voort te zetten, in de hoop dat hun gedrag nooit wordt ontdekt, terwijl zij wisten dat, indien het wordt ontdekt, de geldboete zal kunnen worden verlaagd wanneer zij op dat tijdstip de inbreuk beëindigen.

Een dergelijke erkenning zou de opgelegde geldboete elke afschrikkende werking ontnemen en afbreuk doen aan het nuttig effect van artikel 81, lid 1, EG. Het betreft immers een verzachtende omstandigheid die, met het oog op het nuttig effect van voornoemd artikel, restrictief moet worden uitgelegd, aangezien alleen de bijzondere omstandigheden van het concrete geval de inaanmerkingneming ervan kunnen rechtvaardigen.

Met name de beëindiging van een opzettelijk gepleegde inbreuk kan niet als verzachtende omstandigheid worden beschouwd wanneer deze beëindiging is ingegeven door het optreden van de Commissie.

Uit het enkele feit dat de Commissie in haar vroegere beschikkingspraktijk bepaalde factoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete als een verzachtende omstandigheid heeft beschouwd, kan niet kan worden afgeleid dat zij verplicht is zulks in een latere beschikking eveneens te doen.

(cf. punten 394‑397, 401)

28. Hoewel de enkele omstandigheid dat een onderneming illegale afspraken niet heeft gevolgd haar verantwoordelijkheid niet opzij kan zetten, gaat het hierbij desalniettemin om een omstandigheid die in het kader van de vaststelling van het bedrag van de geldboete als verzachtende omstandigheid in aanmerking moet worden genomen.

(cf. punt 409)

29. Het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, kan haar niet verhinderen dit niveau binnen de in verordening nr. 1/2003 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 EG gestelde grenzen te verhogen, indien dit noodzakelijk is ter uitvoering van het mededingingsbeleid. Voor een doeltreffende toepassing van de mededingingsregels moet de Commissie het niveau van de geldboeten juist op elk moment aan de eisen van dit beleid kunnen aanpassen.

Een onderneming kan niet met succes stellen dat haar sanctie lager zou zijn uitgevallen indien de Commissie de administratieve procedure eerder had beëindigd, omdat deze het algemene niveau van de sancties in de loop van de administratieve procedure heeft verhoogd.

Gelet op die overwegingen kan niet worden geoordeeld dat de duur van de administratieve procedure, ook al was deze buitensporig lang, van invloed is op de inhoud van de bestreden beschikking enkel en alleen omdat de Commissie in de tussentijd het niveau van de geldboeten heeft verhoogd.

(cf. punten 418‑420)

30. Een onregelmatigheid in de procedure, ook wanneer deze niet kan leiden tot nietigverklaring van een door de Commissie wegens schending van de mededingingsregels ten aanzien van een onderneming gegeven beschikking, kan een vermindering van de geldboete rechtvaardigen. De overschrijding van de redelijke termijn kan een rechtvaardiging vormen voor de beslissing van de Commissie om het bedrag van een geldboete uit billijkheidsoverwegingen te verminderen, aangezien de mogelijkheid om een dergelijke vermindering toe te kennen een van haar prerogatieven is. Dat de Commissie van dat prerogatief gebruikmaakt, staat er niet aan in de weg dat het Gerecht in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht een aanvullende vermindering van de geldboete toekent.

Aangezien met de vermindering van de opgelegde sanctie immers de schending van het beginsel van de redelijke termijn moet worden gecorrigeerd, dient zij derhalve een omvang te hebben die passend is met het oog op de aan de onderneming opgelegde sanctie. Dit neemt niet weg dat die vermindering naar billijkheid moet worden vastgesteld en niet behoeft te worden voorafgegaan door een onderzoek naar de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie in de zin van artikel 288, tweede alinea, EG.

(cf. punten 425‑426, 428, 432)

ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid)

16 juni 2011 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Nederlandse biermarkt – Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG is vastgesteld – Bewijs van inbreuk – Toegang tot dossier – Geldboete – Gelijkheidsbeginsel – Redelijke termijn”

In zaak T‑240/07,

Heineken Nederland BV, gevestigd te Zoeterwoude (Nederland),

Heineken NV, gevestigd te Amsterdam (Nederland),

vertegenwoordigd door T. Ottervanger en M. de Jong, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Bouquet, S. Noë en A. Nijenhuis, vervolgens door A. Bouquet en S. Noë als gemachtigden, bijgestaan door M. Slotboom, advocaat,

verweerster,

betreffende een beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2007) 1697 van de Commissie van 18 april 2007 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] (Zaak COMP/B‑2/37.766 – Nederlandse biermarkt), en, subsidiair, tot vermindering van de aan verzoeksters opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: V. Vadapalas (rapporteur), waarnemend voor de president van de Zesde kamer, A. Dittrich en L. Truchot, rechters,

griffier: J. Plingers, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 25 maart 2010,

het navolgende

Arrest

Aan het geding ten grondslag liggende feiten

1 Verzoeksters, Heineken Nederland BV en Heineken NV, maken deel uit van de Heineken-groep (hierna: „Heineken”), die zich bezighoudt met de productie en verkoop van bier. Heineken NV staat aan het hoofd van de groep, terwijl Heineken Nederland BV bier produceert. Heineken NV heeft, via haar volledige dochteronderneming Heineken Nederlands Beheer BV, 100 % van de aandelen van Heineken Nederland BV in handen.

2 Heineken is een van de vier voornaamste spelers op de Nederlandse biermarkt. De andere drie zijn (i) de InBev-groep (hierna: „InBev”), die vóór 2004 bekendstond onder de naam Interbrew en waarvan de directie berust bij InBev NV en de productie in handen is van dochteronderneming InBev Nederland NV, (ii) de Grolsch-groep (hierna: „Grolsch”), waarover Koninklijke Grolsch NV de directie voert, en (iii) Bavaria NV.

3 Verzoeksters en de drie andere voornaamste brouwers op die markt verkopen hun bier via twee verkoopkanalen aan de eindverbruiker, te weten enerzijds het circuit van de horeca-etablissementen, dat wil zeggen hotels, restaurants en cafés, waar de consumptie ter plaatse geschiedt, en anderzijds het circuit van de foodsector van supermarkten en slijterijen, waar bier wordt gekocht voor thuisverbruik. Laatstgenoemde sector omvat tevens het segment van het privatelabelbier. In dat segment zijn van de vier betrokken brouwers enkel InBev en Bavaria actief.

4 De vier genoemde brouwers zijn lid van het Centraal Brouwerij Kantoor (hierna: „CBK”). Het CBK is een overkoepelende organisatie die volgens haar statuten de belangen van haar leden behartigt en bestaat uit een algemene vergadering en verscheidene commissies, zoals de commissie horeca-aangelegenheden en de financiële commissie, die is opgevolgd door het dagelijks bestuur. Het secretariaat van het CBK stelt voor de vergaderingen binnen het CBK de officiële uitnodigingen en verslagen op, die doorlopend worden genummerd en aan de leden worden toegezonden.

Administratieve procedure

5 Bij brieven van 28 januari 2000 en van 3, 25 en 29 februari 2000 heeft InBev een serie verklaringen overgelegd betreffende informatie over mededingingsbeperkende praktijken op de Nederlandse biermarkt. Die verklaringen werden overgelegd in het kader van een onderzoek dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen met name in 1999 heeft verricht naar kartelpraktijken en mogelijk misbruik van een machtspositie op de Belgische biermarkt. Samen met die verklaringen heeft InBev een verzoek om clementie ingediend op grond van de mededeling van de Commissie betreffende het niet-opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996 C 207, blz. 4; hierna: „mededeling betreffende medewerking”).

6 Op 22 en 23 maart 2000 zijn als gevolg van de verklaringen van InBev door de Commissie inspecties uitgevoerd in de kantoren van verzoeksters en van andere betrokken ondernemingen. Andere verzoeken om aanvullende inlichtingen werden gezonden aan verzoeksters en de van 2001 tot en met 2005 betrokken ondernemingen.

7 Op 30 augustus 2005 heeft de Commissie verzoeksters en de andere betrokken ondernemingen een mededeling van punten van bezwaar gezonden. Bij brief van 24 november 2005 hebben verzoeksters hun schriftelijke opmerkingen over die mededeling ingediend. Geen van de partijen heeft om een hoorzitting verzocht.

8 Bij brieven van 26 januari en 7 maart 2006 heeft de Commissie aanvullende documenten ter kennis gebracht van verzoeksters. Het ging daarbij met name om verzoeken om inlichtingen die aan InBev waren gezonden en de antwoorden van die ondernemingen daarop.

9 Op 18 april 2007 heeft de Commissie beschikking C(2007) 1697 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] (Zaak nr. COMP/B‑2/37.766 – Nederlandse biermarkt; hierna: „bestreden beschikking”) gegeven, waarvan een samenvatting is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 20 mei 2008 (PB C 122, blz. 1). Deze is bij brief van 24 april 2007 aan verzoeksters betekend.

Bestreden beschikking

Betrokken inbreuk

10 Artikel 1 van de bestreden beschikking bepaalt dat verzoeksters en InBev NV, InBev Nederland, Koninklijke Grolsch en Bavaria in de periode van 27 februari 1996 tot en met 3 november 1999 betrokken waren bij één enkele en voortgezette inbreuk op artikel 81, lid 1, EG, bestaande in een samenstel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met als doel de mededinging op de gemeenschappelijke markt te beperken.

11 De inbreuk bestond, ten eerste, in de coördinatie van prijzen en prijsverhogingen voor bier in Nederland, zowel in het horeca- als in het thuisverbruiksegment, met inbegrip van privatelabelbier, ten tweede, in de incidentele coördinatie van andere commerciële voorwaarden voor individuele afnemers in het horecasegment in Nederland, zoals leningen aan horecaondernemingen, en, ten derde, in de incidentele afstemming bij de toewijzing van afnemers, zowel in het horeca- als in het thuisverbruiksegment in Nederland (artikel 1 en punten 257 en 258 van de bestreden beschikking).

12 Volgens de bestreden beschikking vonden de mededingingsbeperkende gedragingen plaats tijdens een reeks van reguliere, multilaterale, niet-officiële bijeenkomsten van de vier grootste spelers op de Nederlandse biermarkt, alsmede tijdens aanvullende bilaterale bijeenkomsten waaraan diezelfde brouwers, in wisselende combinaties, deelnamen. Die ontmoetingen vonden volgens de bestreden beschikking plaats in het geheim en met opzet, waarbij de deelnemers beseften dat zij niet geoorloofd waren (punten 257‑260 van de bestreden beschikking).

13 Zo vond, om te beginnen, tussen 27 februari 1996 en 3 november 1999 een reeks multilaterale bijeenkomsten plaats, die „Catherijne-overleg” of „agendacommissie” werden genoemd. De bestreden beschikking stelt dat die bijeenkomsten, die op het horecasegment waren toegespitst, maar ook betrekking konden hebben op het thuisverbruiksegment, met name als doel hadden de prijzen en de prijsverhogingen voor bier te coördineren, de beperking van kortingen en toewijzing van afnemers te bespreken alsook overleg te plegen over bepaalde andere commerciële voorwaarden. Ook de prijzen van privatelabelbier kwamen tijdens deze bijeenkomsten aan bod (punten 85, 90, 98, 115‑127 en 247‑252 van de bestreden beschikking).

14 Wat voorts de bilaterale contacten tussen de brouwers betreft, geeft de bestreden beschikking aan dat InBev en Bavaria op 12 mei 1997 bijeenkwamen en hebben gesproken over het verhogen van de prijzen van privatelabelbier (punt 104 van de bestreden beschikking). Bovendien hebben verzoeksters en Bavaria elkaar volgens de Commissie in 1998 ontmoet om te overleggen over beperkingen op horecaondernemingen (punt 189 van de bestreden beschikking). De Commissie wijst erop dat er op 5 juli 1999 ook bilaterale contacten waren tussen verzoeksters en Grolsch naar aanleiding van compensaties die werden toegekend aan afnemers in het thuisverbruiksegment die tijdelijke kortingen verleenden (punten 212 en 213 van de bestreden beschikking).

15 Ten slotte vonden volgens de bestreden beschikking in 1997 bilaterale contacten en informatie-uitwisselingen tussen InBev en Bavaria plaats, waarbij algemene besprekingen werden gevoerd over de bierprijs alsook meer specifieke besprekingen over privatelabelbier. Bij de bilaterale contacten over privatelabelbier in juni en juli 1998, in de vorm van informatie-uitwisselingen, zouden ook Belgische brouwers betrokken zijn geweest. De Commissie preciseert dat die besprekingen plaatsvonden in aanwezigheid van verzoeksters en Grolsch (punten 105, 222‑229 en 232‑236 van de bestreden beschikking).

16 Vastgesteld werd dat Heineken NV aansprakelijk was aangezien Heineken Nederland tijdens de inbreukperiode al dan niet middellijk haar volledige dochter was, en die omstandigheid, die wordt bevestigd door andere elementen in het dossier, aantoont dat zij op beslissende wijze het commerciële beleid van haar dochter heeft beïnvloed (punten 400‑414 van de bestreden beschikking).

Aan verzoeksters opgelegde geldboete

17 Bij artikel 3, sub a, van de bestreden beschikking werd aan verzoeksters, gezamenlijk, een geldboete van 219 275 000 EUR opgelegd.

18 Voor de berekening van die geldboete heeft de Commissie artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) toegepast, alsook de methode uit de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [EGKS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”) (punten 436 en 442 van de bestreden beschikking). Overeenkomstig deze methode is de aan verzoeksters opgelegde geldboete vastgesteld op basis van de ernst en de duur van de inbreuk (punt 437 van de bestreden beschikking).

19 Meer bepaald is de inbreuk als „zeer zwaar” aangemerkt, aangezien zij hoofdzakelijk erin bestond prijzen, prijsverhogingen en andere commerciële voorwaarden regelmatig te coördineren en afnemers toe te wijzen (punt 440 van de bestreden beschikking). De Commissie heeft tevens rekening gehouden met het feit dat er bij de mededingingsbeperkende gedragingen sprake was van geheimhouding en opzet alsook met het feit dat deze inbreuk het volledige grondgebied van Nederland betrof en betrekking had op de gehele biermarkt, dat wil zeggen zowel op het horeca- als het thuisverbruiksegment (punten 453 en 455 van de bestreden beschikking). Daarnaast heeft de Commissie gepreciseerd dat de daadwerkelijke impact van de mededingingsbeperkende gedragingen op de Nederlandse markt in casu niet in aanmerking was genomen, aangezien het niet mogelijk was deze te meten (punt 452 van de bestreden beschikking).

20 Bovendien heeft de Commissie verzoeksters een gedifferentieerde behandeling gegeven teneinde rekening te houden met hun daadwerkelijke economische vermogen en hun individuele gewicht in de vastgestelde inbreukmakende gedragingen. In dit verband heeft de Commissie gekeken naar de bieromzet van verzoeksters in Nederland in 1998, dat wil zeggen het laatste volledige kalenderjaar van de inbreuk. Op basis daarvan werden verzoeksters ingedeeld in de eerste categorie, en werd het uitgangsbedrag vastgesteld op 65 000 000 EUR (punt 462 van de bestreden beschikking).

21 Teneinde een voldoende afschrikkende werking te garanderen werd, gelet op de grote omzet van Heineken, op dat uitgangsbedrag een vermenigvuldigingsfactor toegepast van 2,5 (punt 464 van de bestreden beschikking).

22 Aangezien verzoeksters aan de inbreuk hebben deelgenomen van 27 februari 1996 tot en met 3 november 1999, te weten gedurende een periode van 3 jaar en 8 maanden, werd dit uitgangsbedrag verhoogd met 35 % (punten 465 en 466 van de bestreden beschikking). Daarmee werd het basisbedrag dus tot 219 375 000 EUR verhoogd.

23 Ten slotte heeft de Commissie de geldboete met 100 000 EUR verminderd, aangezien zij heeft erkend dat in casu de duur van de administratieve procedure onredelijk lang was geweest (punten 495‑499 van de bestreden beschikking).

Procesverloop en conclusies van partijen

24 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 juli 2007, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

25 Bij beschikking van 10 februari 2010 heeft het Gerecht de zaak overeenkomstig de artikelen 14, lid 1, en 51, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering toegewezen aan de Zesde kamer (uitgebreid).

26 In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang van 12 februari 2010, heeft het Gerecht een aantal schriftelijke vragen gesteld aan de Commissie. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn hierop geantwoord.

27 Partijen zijn ter terechtzitting van 25 maart 2010 gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.

28 Aangezien de rechter-rapporteur na de afsluiting van de mondelinge procedure was verhinderd zitting te nemen, is de zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur en hebben, overeenkomstig artikel 32 van het Reglement voor de procesvoering, slechts de drie ondertekenende rechters aan de beraadslaging deelgenomen.

29 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:

– de bestreden beschikking geheel dan wel gedeeltelijk nietig te verklaren, voor zover zij verzoeksters betreft;

– de aan verzoeksters opgelegde geldboete nietig te verklaren of te verminderen;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

30 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoeksters te verwijzen in de kosten.

In rechte

31 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters elf middelen aan: (1) schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van artikel 27 van verordening nr. 1/2003, door geen toegang te verlenen tot de antwoorden van de andere bij de procedure betrokken ondernemingen op de mededeling van punten van bezwaar, (2) schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het beginsel van „due process”, voortvloeiend uit een gesteld ontbreken van een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek, (3) schending van het beginsel van het vermoeden van onschuld, (4) overschrijding van de redelijke termijn in het kader van de administratieve procedure, (5) onvoldoende bewijs van een inbreuk, (6) ontbreken van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG, (7) onjuiste vaststelling van de duur van de vermeende inbreuk, (8) schending van artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003, van de richtsnoeren en van de beginselen van gelijkheid, rechtszekerheid en evenredigheid alsook van het motiveringsvereiste, wat de vaststelling van het bedrag van de geldboete betreft, (9) onjuiste beoordeling van verzachtende omstandigheden, (10) invloed van de duur van de administratieve procedure op het bedrag van de geldboete en (11) te geringe omvang van de door de Commissie wegens de buitensporig lange duur van de administratieve procedure toegekende vermindering van de geldboete.

32 Het Gerecht is van mening dat allereerst het vijfde, zesde en zevende middel moeten worden onderzocht. Met die middelen wordt in wezen de inbreuk betwist. Vervolgens dienen het eerste, tweede, derde en vierde middel te worden onderzocht, die ontleend zijn aan de gestelde procedurele gebreken en de schending van de rechten van verdediging. Ten slotte moeten het achtste, negende, tiende en elfde middel worden onderzocht, die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag van de geldboete.

Vijfde en zesde middel: onvoldoende bewijs van een inbreuk, ontbreken van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG

Argumenten van partijen

33 In het kader van het vijfde middel betogen verzoeksters in wezen dat de door de Commissie in de bestreden beschikking aangevoerde bewijzen onvoldoende zijn voor een boven elke redelijke twijfel verheven conclusie dat inbreuk is gemaakt op artikel 81 EG. De conclusie in die zin van de Commissie is dus in strijd met het vermoeden van onschuld en met de motiveringsverplichting.

34 Daartoe betwisten verzoeksters de bewijswaarde van de verklaring van InBev, die de belangrijkste pijler vormt van de bestreden beschikking, op de grond dat die verklaring erg vaag en tegenstrijdig is, en gebaseerd is op informatie die is verkregen van derden. Bovendien verwijten zij de Commissie dat deze niet heeft onderzocht of die verklaring weloverwogen en na rijp beraad is afgelegd en dat zij niet is ingegaan op de daarin opgenomen ontlastende verklaringen.

35 Bovendien zijn verzoeksters van mening dat de handgeschreven notities die de vertegenwoordigers van de Nederlandse brouwers tijdens de gewraakte bijeenkomsten hebben gemaakt fragmentarisch zijn en evenmin volstaan om aan te tonen dat sprake is van mededingingsbeperkende gedragingen.

36 In het kader van het zesde middel betwisten verzoeksters de relevantie en de uitlegging door de Commissie van bepaalde documentaire bewijzen waarop de conclusie berust van het bestaan van een geheel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke, mededingingsbeperkende gedragingen.

37 Verzoeksters bestrijden dat de contacten tussen de brouwers hebben geleid tot een overeenkomst, aangezien er tussen hen geen sprake was van wilsovereenstemming waarbij een bepaalde gedragslijn op de markt was vastgelegd.

38 Zij bestrijden voorts het bestaan van onderling afgestemd feitelijk gedrag. Dienaangaande betogen zij dat de beschikbare bewijzen er niet op duiden dat de contacten tussen de brouwers de onzekerheid over hun toekomstig marktgedrag hebben weggenomen of althans wezenlijk hebben verkleind. Zij zijn daarentegen van mening dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de brouwers hun gedrag op de markt autonoom hebben bepaald.

39 Verzoeksters stellen voorts dat de gewraakte bijeenkomsten nooit een mededingingsbeperkend doel hebben gehad. De tijdens die bijeenkomsten gevoerde besprekingen hadden betrekking op een groot aantal legitieme onderwerpen, zodat de gesprekken over de situatie op de markt, met inbegrip van de consumentenprijzen op de thuisverbruikmarkt en aanbiedingen aan een handjevol „horeca-afnemers”, slechts een informeel en incidenteel karakter hadden.

40 Tot slot verzetten verzoeksters zich ertegen dat hen de besprekingen worden aangerekend tussen Interbrew en Bavaria over het privatelabelbiersegment, in welk segment zij niet actief zijn.

41 De Commissie betwist de argumenten van verzoeksters.

Beoordeling door het Gerecht

42 Met hun vijfde middel verwijten verzoeksters de Commissie in wezen dat deze niet rechtens afdoende de feitelijke vaststellingen heeft bewezen op basis waarvan zij heeft geconcludeerd dat er sprake is van een inbreuk. Met hun zesde middel betwisten zij dat de betrokken gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81 EG. Aangezien die twee middelen ertoe strekken de vaststelling van de inbreuk in twijfel te trekken, dienen zij gezamenlijk te worden onderzocht.

43 Volgens artikel 81, lid 1, EG zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

44 Het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG kan reeds worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T‑7/89, Jurispr. blz. II‑1711, punt 256, en 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T‑9/99, Jurispr. blz. II‑1487, punt 199).

45 Aangenomen kan worden dat een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG is gesloten wanneer er een wilsovereenstemming bestaat over het beginsel zelf van de mededingingsbeperking, zelfs indien over de specifieke elementen van de voorgenomen beperking nog onderhandelingen worden gevoerd (zie in die zin arrest HFB e.a./Commissie, punt 44 supra, punten 151‑157 en 206).

46 De onderling afgestemde feitelijke gedraging is een vorm van coördinatie tussen ondernemingen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking (arresten Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 115, en Hüls/Commissie, C‑199/92 P, Jurispr. blz. I‑4287, punt 158).

47 Dienaangaande staat artikel 81, lid 1, EG in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers waardoor hetzij het marktgedrag van een bestaande of potentiële concurrent wordt beïnvloed, hetzij die concurrent op de hoogte wordt gebracht van het marktgedrag dat de betrokken ondernemer zelf vertoont of heeft voorgenomen, wanneer dat contact tot doel of ten gevolge heeft de mededinging te beperken (zie in die zin arrest Commissie/Anic Partecipazioni, punt 46 supra, punten 116 en 117).

48 Er zij aan herinnerd dat wat de bewijsvoering met betrekking tot een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG betreft, de Commissie de door haar vastgestelde inbreuken moet bewijzen en de elementen dient te leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk bewijzen (arrest Hof van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 58, en arrest Commissie/Anic Partecipazioni, punt 46 supra, punt 86).

49 De Commissie moet dus, om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, nauwkeurig bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen aanvoeren (zie in die zin arrest Gerecht van 6 juli 2000, Volkswagen/Commissie, T‑62/98, Jurispr. blz. II‑2707, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50 Beklemtoond moet evenwel worden dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde bundel aanwijzingen, in zijn geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet (zie arrest Gerecht van 8 juli 2004, JFE Engineering e.a./Commissie, T‑67/00, T‑68/00, T‑71/00 en T‑78/00, Jurispr. blz. II‑2501, punten 179 en 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Gelet op de algemene bekendheid van het verbod op mededingingsbeperkende overeenkomsten, kan van de Commissie niet worden geëist dat zij stukken overlegt waaruit met zoveel woorden blijkt dat de betrokken marktdeelnemers overleg hebben gepleegd. De fragmentarische en schaarse bewijzen waarover de Commissie eventueel beschikt, moeten in elk geval kunnen worden vervolledigd via deductie, zodat de relevante omstandigheden kunnen worden gereconstrueerd. Het bestaan van een mededingingsbeperkende gedraging of overeenkomst kan dus worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punten 55‑57).

52 Wanneer de Commissie schriftelijke bewijzen heeft aangevoerd tot staving van haar stelling dat sprake is van een mededingingsbeperkende praktijk of overeenkomst, dienen partijen die die vaststelling voor het Gerecht betwisten niet louter een plausibel alternatief te bieden voor de stelling van de Commissie, maar dienen zij te stellen dat de bewijzen van de inbreuk in de bestreden beschikking ontoereikend zijn (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 50 supra, punt 187).

53 Wat de omvang van de rechterlijke toetsing betreft, is het vaste rechtspraak dat het Gerecht, wanneer bij hem een beroep tot nietigverklaring van een beschikking inzake een procedure op grond van artikel 81, lid 1, EG aanhangig is, in het algemeen een volledig onderzoek moet instellen naar de vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 1, EG is voldaan (zie arrest Gerecht van 26 oktober 2000, Bayer/Commissie, T‑41/96, Jurispr. blz. II‑3383, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54 Twijfel bij de rechter dient in het voordeel te spelen van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. Dit is in overeenstemming met het beginsel van het vermoeden van onschuld, dat als algemeen beginsel van Unierecht met name van toepassing is op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot de oplegging van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (arrest Hüls/Commissie, punt 46 supra, punten 149 en 150, en arrest Gerecht van 27 september 2006, Dresdner Bank e.a./Commissie, T‑44/02 OP, T‑54/02 OP, T‑56/02 OP, T‑60/02 OP en T‑61/02 OP, Jurispr. blz. II‑3567, punten 60 en 61).

55 Tegen de achtergrond van die overwegingen moet worden onderzocht of de Commissie in casu rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat het gedrag van verzoeksters een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG oplevert.

– Verklaring van InBev

56 Om te beginnen zij opgemerkt dat de Commissie zich grotendeels baseert op de verklaring die InBev in het kader van haar clementieverzoek heeft verstrekt (zie met name de punten 40‑62 van de bestreden beschikking) bij brieven van 28 januari en 3, 25 en 29 februari 2000, aangevuld met de bijgevoegde verklaringen van vijf directeuren van InBev (punten 34 en 40 van de bestreden beschikking; hierna, gezamenlijk: „verklaring van InBev”).

57 Uit de bestreden beschikking blijkt dat de verklaring van InBev vermeldt dat „er tussen de brouwerijen verschillende vormen van overleg op de Nederlandse biermarkt” bestonden, en daarbij een onderscheid maakt tussen de officiële bijeenkomsten van de algemene vergadering van het CBK, de informele bijeenkomsten van de financiële commissie van het CBK en parallelle „andere bijeenkomsten”, die bekendstonden onder de benaming „Catherijne-overleg” waarvan de samenstelling varieerde en waarvan InBev verklaart geen schriftelijke sporen te hebben gevonden. De „andere bijeenkomsten” konden met name worden onderverdeeld in: „(i) bijeenkomsten van de directeuren Horeca van de vier belangrijkste brouwerijen (Heineken, Interbrew, Grolsch en Bavaria) [...]; (ii) gezamenlijke bijeenkomsten van de directeuren Horeca en Thuisverbruik (twee in 1998) en (iii) bijeenkomsten van de directeuren Thuisverbruik (één in 1999 [...])” (punten 41‑46 van de bestreden beschikking).

58 De financiële commissie had, volgens de verklaring van InBev, „een officiële agenda maar was ook het discussieforum over prijszetting voor het thuisverbruik- en horecasegment. Van deze discussies werden geen verslagen gemaakt” (punt 43 van de bestreden beschikking).

59 Volgens diezelfde verklaring hadden de thema’s die werden besproken op de „andere bijeenkomsten” betrekking op het horecasegment, het thuisverbruiksegment en het privatelabelbiersegment (punt 47 van de bestreden beschikking).

60 Wat, ten eerste, het horecasegment betreft, werden twee hoofdonderwerpen besproken: „[e]r was een fundamenteel akkoord in verband met het vastleggen van maximumvolumekortingen voor de horecasector [...]. Een ander onderwerp van overleg waren horeca-investeringen. De idee was om de status quo in de sector te handhaven en om overnames van afnemers van andere brouwers te voorkomen” (punt 48 van de bestreden beschikking).

61 Een directeur van InBev verklaart dat hij de exacte inhoud van de afspraak niet kende. Een andere directeur omschrijft deze als „een afspraak over de staffels (kortingen in de horeca) die vrij complex en vaag [was] en waaraan wij nooit hebben meegewerkt”. Hij merkt op: „[h]et overleg [bestond] erin dat de horeca-directeuren om de twee maanden bijeenkwamen. Daar besprak men de gekende inbreuken op de ‚regel’ (alhoewel deze vaag was; er werden marktexcessen besproken)” (punt 48 van de bestreden beschikking).

62 Wat, ten tweede, het thuisverbruiksegment betreft, hadden de besprekingen volgens de verklaringen van InBev zowel betrekking op het algemene prijsniveau als op het specifieke onderwerp van privatelabelbier.

63 Aangaande het algemene prijsniveau, verklaart een van de directeuren van InBev: „het [was] gebruikelijk dat een brouwerij niet zonder voorafgaande mededeling aan collega-brouwers de bierprijs ging verhogen. [...] Het initiatief ging altijd uit van één van de grote brouwerijen, meestal Heineken. De andere brouwerijen konden dan nog tijdig hun standpunt bepalen. Men volgde elkaar dan wel in grote lijnen maar ieder had en hield zijn eigen prijzenpolitiek” (punt 51 van de bestreden beschikking).

64 Wat privatelabelbier betreft, merkt InBev op dat er sinds 1987 discussies waren over prijzen tussen Nederlandse spelers in het segment (Bavaria en Oranjeboom; Oranjeboom is later overgenomen door Interbrew). Zij voegt hieraan toe: „beide partijen [beseften], nadat dit ook onderling was uitgesproken, dat beide geen inbraak bij hun respectievelijke afnemers van private labels met verlies van volume zouden accepteren” (punt 52 van de bestreden beschikking).

65 Over de betrokkenheid van Heineken en Grolsch binnen dat segment, verklaart InBev: „[d]e Nederlandse markt wordt gekenmerkt door een significante kloof tussen prijzen voor privatelabelbier (‚B-merken’) en [andere merken (‚A-merken’)]. Heineken, dat niet actief is in het privatelabelsegment, heeft altijd prijsstijgingen voor A-merken geweigerd zolang de prijs voor privatelabelbier niet omhoogging. Op deze manier zette [Heineken] indirect druk op in het bijzonder privatelabelproducenten zoals Bavaria en Interbrew” (punt 53 van de bestreden beschikking).

66 InBev voert aan dat de prijzen van private labels ook tussen de vier brouwers gezamenlijk werden besproken, en dus ook in aanwezigheid van Grolsch in het kader van het algemenere thema van de onderlinge prijsverschillen van de biermerken. InBev stelt: „Heineken en Grolsch hebben hierdoor jarenlang hun prijzen niet verhoogd, waardoor de prijzen van de andere brouwerijen [voor] hun merken en de private labels ook niet werden verhoogd. De laatste jaren hebben Bavaria en Interbrew hun prijzen verhoogd, gevolgd door Grolsch” (punt 54 van de bestreden beschikking). Verder wordt gesteld: „[h]et informele overleg is 3 à 4 jaar geleden geïntegreerd binnen het bestaande Horeca Catherijne overleg, waarbij ook vertegenwoordigers van het CBK aanwezig waren. Na enkele meetings is besloten deze meetings wederom te splitsen in een gescheiden thuismarkt- en horecameeting” (punt 54 van de bestreden beschikking).

67 Bovendien verklaart InBev dat het behalen van een zeker marktaandeel door de Belgische brouwer Martens sinds 1996‑1997 heeft geleid tot „een afstemming tussen Belgische en Nederlandse brouwers [die] actief [zijn] in de privatelabelmarkt. Twee bijeenkomsten werden gehouden [...] in Breda gedurende 1998. [...] Besproken is om te komen tot het respecteren van elkanders volumes van private labels bij afnemers in Nederland en België” (punt 55 van de bestreden beschikking).

68 Volgens de verklaringen van de directeuren van InBev werden de „andere bijeenkomsten” gehouden om elkaar gerust te stellen wat betreft „beperkte agressiviteit” op de markt (punt 46 van de bestreden beschikking).

69 In haar antwoord op het verzoek om inlichtingen, van 19 december 2001, stelt InBev: „agenda’s van voorbije jaren en gespreksnotities van informele bijeenkomsten [werden] eind november 1998 [...] vernietigd. Rond deze periode begon het bestaan van overleg tussen Nederlandse brouwers in de markt bekend te geraken en ontstond de vrees voor een inspectie van de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Ook in het daaropvolgende jaar werden nog agenda’s vernietigd” (punt 61 van de bestreden beschikking).

70 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat geen enkele bepaling en geen enkel algemeen beginsel van Unierecht de Commissie verbiedt zich tegenover een onderneming te beroepen op de verklaringen van andere beschuldigde ondernemingen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 EG en 82 EG onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met de haar door het EG-Verdrag opgedragen taak van toezicht op de juiste toepassing van deze bepalingen (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 50 supra, punt 192).

71 In casu betwisten verzoeksters niet dat er bijeenkomsten hebben plaatsgevonden van vertegenwoordigers van Nederlandse bierproducenten, zoals wordt aangegeven in de verklaring van InBev. Zij betwisten evenmin dat zij bij het merendeel van die bijeenkomsten vertegenwoordigd zijn geweest en dat bij die gelegenheden informeel werd gesproken over de algemene situatie op de biermarkt. In het verzoekschrift erkennen zij overigens dat er tijdens die bijeenkomsten incidenteel zorgen zijn geuit over het niveau van de consumentenprijzen en over problemen met betrekking tot bepaalde afnemers.

72 Verzoeksters ontkennen evenwel dat de tijdens die bijeenkomsten gevoerde besprekingen hebben geleid tot een ongeoorloofde overeenkomst of tot onderling afgestemd feitelijk gedrag. Zij stellen dat de bijeenkomsten voornamelijk betrekking hadden op legale onderwerpen en dat, voor zover de situatie op de markt werd besproken, dat niet is gebeurd met een mededingingsbeperkend doel. Dienaangaande betwisten zij de betrouwbaarheid van de verklaring van InBev en voeren zij aan dat deze in hoge mate vaag en onderling tegenstrijdig is en deels vaststellingen bevat die niet rechtstreeks bekend waren bij de opstellers ervan, en derhalve „bewijs van horen zeggen” vormt.

73 Aangaande het tegenstrijdige karakter van de verklaring van InBev, merken verzoeksters op dat die een aantal ontlastende verklaringen bevat.

74 Enerzijds gaat het om verklaringen die niet worden vermeld in de bestreden beschikking. Die verklaringen luiden: „[d]e bespreking bestond erin dat de gekende gevallen van inbreuk op de staffel (die trouwens zeer vaag was) werden besproken. Op het terrein deed ieder zijn zin”; en: „[o]ns marktgedrag was zeer agressief naar het binnenhalen van nieuwe afnemers toe – ook qua kortingen. [...] We hebben dus ‚perfect legaal’ gehandeld. [...] [InBev] heeft geen enkele afspraak gemaakt en niets nageleefd. [...] Concreet heeft [het Catherijne-overleg] wat betreft de marktwerking geen resultaten opgeleverd [...] Beide keren is er niet concreet gesproken over gedragingen in de markt. [...] De vergadering had meer een informeel karakter. [...] Voor de Food-sector bestonden er geen afspraken. [...] Ik heb nooit vastgesteld dat de bijeenkomst werd verlengd door gesprekken over marktgevoelige punten. Het kan altijd gebeuren dat zulke bijeenkomsten de gelegenheid geven tot bilaterale informele gesprekken, maar volgens mij was er niets aan de hand.”

75 Anderzijds verwijzen verzoeksters naar bepaalde passages uit de in de bestreden beschikking aangehaalde verklaringen. Die verklaringen luiden: „Interbrew had begrepen dat het overleg nooit aanzienlijke impact had op de markt zelf en dat deze thans minder intensief zouden zijn. [...] De besprekingen waren zeer algemeen van aard” (aangehaald in punt 45 van de bestreden beschikking). „Er werd vooral gepraat, om elkaar de indruk te geven dat we het rustig houden op de markt. Zelden of nooit werd concreet gepraat over staffels en verkooppunten. Eigenlijk hield iedereen iedereen voor de gek. De laatste jaren verloren deze bijeenkomsten meer en meer aan inhoud en werd de afstemming vager” (aangehaald in punt 46 van de bestreden beschikking). „Er bestond ook een afspraak over de staffels (kortingen in de horeca) die vrij complex en vaag is en waaraan wij nooit hebben meegewerkt. Ik heb trouwens nooit een document gezien” (aangehaald in punt 48 van de bestreden beschikking).

76 Volgens verzoeksters zijn die verklaringen, behalve dat zij niet concreet zijn, onverenigbaar met de conclusies van de Commissie waar het gaat om het bestaan van de betrokken inbreuk. Hieruit volgt, volgens verzoeksters, dat de gesprekken tussen de brouwers zeer algemeen en vaag waren, dat er geen overeenkomsten zijn gesloten, dat InBev geen enkele heimelijke afspraak heeft nageleefd en dat de afstemming geen effect had op de markt.

77 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de conclusies die verzoeksters trekken op basis van bepaalde elementen uit de verklaring van InBev die wijzen op de algemene aard van de besprekingen, het ontbreken van een overeenkomst voor bepaalde segmenten en het feit dat die besprekingen geen invloed hadden op het gedrag van de brouwers op de markt, op zichzelf de vaststelling van de Commissie dat sprake is van een inbreuk niet in twijfel kunnen trekken.

78 Wat de gestelde aard van die verklaring betreft, moet er immers aan worden herinnerd dat de Commissie het bestaan van een inbreuk vaak in moeilijke omstandigheden dient te bewijzen, doordat meerdere jaren kunnen zijn verstreken sinds de inbreuk is gepleegd en verschillende van de ondernemingen waartegen een onderzoek is ingesteld, niet actief met haar hebben meegewerkt. De Commissie dient weliswaar noodzakelijkerwijs aan te tonen dat een ongeoorloofde marktverdelingsovereenkomst is gesloten, maar het zou te ver gaan om daarenboven ook nog te eisen dat zij bewijst via welk specifiek mechanisme dat doel diende te worden bereikt. Het zou immers al te gemakkelijk zijn voor een onderneming die zich aan een inbreuk schuldig heeft gemaakt, om zich aan elke sanctie te onttrekken indien zij zich kon beroepen op de vaagheid van de informatie die met betrekking tot de werking van een ongeoorloofde overeenkomst is verstrekt, hoewel het bestaan van de overeenkomst en het mededingingsbeperkende doel ervan genoegzaam zijn aangetoond. In een dergelijk geval kunnen de ondernemingen zich nuttig verweren wanneer zij de gelegenheid krijgen een verklaring te geven voor alle door de Commissie tegen hen aangevoerde bewijzen (arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 50 supra, punt 203; zie ook in die zin arrest Hof van 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie, C‑403/04 P en C‑405/04 P, Jurispr. blz. I‑729, punt 50).

79 Wat vervolgens de gestelde aanwijzingen voor het ontbreken van gevolgen van de litigieuze gedragingen voor de markt betreft, volgt uit de tekst zelf van artikel 81 EG dat overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen tussen ondernemingen verboden zijn, ongeacht of zij al dan niet gevolgen hebben voor de markt, wanneer zij een mededingingsbeperkend doel hebben (arrest Hüls/Commissie, punt 46 supra, punten 163‑166, en arrest Hof van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C‑8/08, Jurispr. blz. I‑4529, punt 29).

80 Wanneer de Commissie heeft vastgesteld dat sprake is van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen met een mededingingsbeperkend doel, kunnen aanwijzingen dat de heimelijke afspraken niet zijn toegepast of geen gevolgen hebben gehad voor de markt dus geen tegenbewijs leveren van die vaststelling.

81 Aangaande de gestelde aanwijzingen in de verklaring van InBev met betrekking tot het ontbreken van een overeenkomst in het thuisverbruiksegment en in het horecasegment, moet worden opgemerkt dat de door verzoeksters aangevoerde passages, gelezen in hun context, geenszins tot gevolg hebben dat het bestaan van een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging binnen die betrokken segmenten zou zijn uitgesloten.

82 Wat het thuisverbruiksegment (detailhandel) betreft, wordt de verklaring van een van de directeuren van InBev dat „[e]r geen afspraken bestonden voor [die] sector” namelijk gevolgd door een concrete beschrijving van het door de brouwers toegepaste prijsafstemmingsmechanisme. De relevante passage luidt als volgt (punt 51 van de bestreden beschikking):

„Voor de food-sector bestonden er geen afspraken. Met betrekking tot de bierprijsverhogingen was het gebruikelijk dat een brouwerij niet zonder voorafgaande mededeling aan collega-brouwers de bierprijs ging verhogen. Na de mededeling van een der partijen volgde wel discussie over het effect ervan op de markt, doch de bierprijsverhoging kwam er wel. Het initiatief ging altijd uit van een van de grote brouwerijen meestal Heineken. De andere brouwerijen konden dan nog tijdig hun standpunt bepalen. Men volgde elkaar dan wel in grote lijnen maar ieder had en hield zijn eigen prijzenpolitiek”.

83 Binnen die context kan het loutere feit dat de directeur van InBev melding heeft gemaakt van het ontbreken van een „afspraak” geen geldig argument vormen, aangezien het aan de Commissie en, in voorkomend geval, het Gerecht staat om de door de leidinggevenden van de betrokken ondernemingen beschreven gedragingen juridisch te kwalificeren.

84 Wat het gestelde ontbreken van een afspraak en van de naleving van een afspraak in het horecasegment betreft, moet worden vastgesteld dat de verklaring van een bestuurder van InBev dat „[InBev] geen enkele afspraak [heeft] gemaakt en niets [heeft] nageleefd” geen tegenbewijs levert van de conclusie betreffende het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG. In zijn verklaring maakt diezelfde bestuurder immers uitdrukkelijk melding van het bestaan van, enerzijds, „een afspraak over de staffels (kortingen in de horeca) die vrij complex en vaag [was]”, en, anderzijds, van een afspraak die tot doel had „te vermijden dat er te veel mutaties zouden zijn in de horeca”.

85 Uit het voorgaande volgt dat de verklaringen van verzoeksters betreffende het tegenstrijdige karakter van de verklaring van InBev niet kunnen worden aanvaard. Dienaangaande dient ook hun argument dat de Commissie selectief gebruik heeft gemaakt van die verklaring, door geen rekening te houden met de gestelde tegenstrijdigheden, te worden verworpen.

86 Derhalve hebben verzoeksters niet aangetoond dat sprake is van tegenstrijdigheden die de betrouwbaarheid van de verklaring van InBev kunnen afzwakken.

87 Bovendien verwijzen verzoeksters, waar zij stellen dat de verklaring van InBev „bewijs van horen zeggen” bevat, naar passages uit die verklaring volgens welke „Interbrew [...] nooit een document [heeft] gezien met daarin het kortingakkoord waaraan in de discussies werd gerefereerd, maar de algemene regel [...] gekend [scheen] te zijn” (aangehaald in punt 45 van de bestreden beschikking) en een directeur van Interbrew heeft verklaard „[d]e afspraak (staffel) [...] persoonlijk niet [te kennen] [...,] evenmin een document hiervan [te hebben] gezien”, „de exacte inhoud van de afspraak niet te kennen” en „trouwens nooit een document [te hebben] gezien”.

88 Opgemerkt zij dat de passages waarop verzoeksters zich beroepen uitsluitend betrekking hebben op de vraag naar het bestaan van een afspraak („staffel”) over de aan afnemers in het horecasegment verleende kortingen. Met name op dat punt is de bewijswaarde van de verklaring van InBev zeker verminderd vanwege het ontbreken van direct bewijs. Niettemin wordt de betrouwbaarheid van de verstrekte verklaringen ter zake van het bestaan van een „staffel” versterkt doordat zij, enerzijds, afkomstig zijn uit twee verschillende bronnen, en, anderzijds, nauwkeurige aanwijzingen bevatten betreffende een „staffel”, te weten het exacte bedrag van de maximale korting (zie punt 48 van de bestreden beschikking). Het bestaan van een „staffel” wordt bovendien bevestigd door twee onafhankelijke bewijzen van InBev, en wel de handgeschreven notities van een lid van de raad van bestuur van Bavaria betreffende een bijeenkomst van 1 mei 1997 (punt 92 van de bestreden beschikking), en van een directeur Horeca van Bavaria, betreffende de bijeenkomst van 12 maart 1998 (weergegeven in punt 143 van de bestreden beschikking).

89 Het betoog waarmee verzoeksters zich beroepen op „bewijs van horen zeggen” kan de conclusies die worden getrokken uit de verklaring van InBev dus niet in twijfel trekken.

90 Wat tot slot de algemene beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van InBev betreft, dient te worden overwogen dat, anders dan verzoeksters stellen, de Commissie aan de verklaring van InBev terecht een zeer hoge bewijswaarde heeft kunnen toekennen, aangezien het hier een in naam van de onderneming zelf gegeven antwoord betreft, waarvan de geloofwaardigheid groter is dan die van een eventueel door een lid van zijn personeel gegeven antwoord, ongeacht de ervaring of persoonlijke mening van dat lid. Ook is van belang op te merken dat de verklaring van InBev het resultaat is van een door de onderneming uitgevoerd intern onderzoek en dat zij aan de Commissie is overgelegd door een advocaat, die de professionele verplichting had om in het belang van deze onderneming te handelen. Hij kon dus niet lichtzinnig het bestaan van een inbreuk erkennen zonder de gevolgen daarvan af te wegen (arrest Gerecht van 20 maart 2002, LR AF 1998/Commissie, T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punt 45, en arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 50 supra, punt 206).

91 Bovendien volgt uit de rechtspraak dat, hoewel een zekere argwaan ten aanzien van vrijwillige verklaringen van de voornaamste deelnemers aan een onrechtmatige mededingingsregeling gewoonlijk geboden is, omdat deze deelnemers geneigd kunnen zijn om het belang van hun eigen bijdrage aan de inbreuk te bagatelliseren en dat van de anderen te overtrekken, het feit dat wordt verzocht om toepassing van de mededeling betreffende medewerking teneinde een vermindering van de geldboete te verkrijgen, er immers niet noodzakelijkerwijs een aanzet voor vormt om bewijzen vertekend weer te geven ten aanzien van de andere deelnemers aan de verweten mededingingsregeling. Iedere poging om de Commissie te misleiden kan immers twijfels doen rijzen over de oprechtheid en de volledigheid van de medewerking van de verzoeker, en bijgevolg zijn mogelijkheid om volledig profijt te hebben bij de mededeling inzake medewerking in gevaar brengen (arrest Gerecht van 16 november 2006, Peróxidos Orgánicos/Commissie, T‑120/04, Jurispr. blz. II‑4441, punt 70).

92 Het is juist dat de verklaring van een onderneming die van deelneming aan een kartel wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende andere beschuldigde ondernemingen wordt betwist, niet kan worden beschouwd als een voldoende bewijs dat deze laatste ondernemingen een inbreuk hebben gepleegd, indien zij niet door andere bewijzen wordt gestaafd (zie in die zin arrest Gerecht van 14 mei 1998, Enso-Gutzeit/Commissie, T‑337/94, Jurispr. blz. II‑1571, punt 91, en arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 50 supra, punt 219).

93 De verklaring van InBev alleen kan dus niet volstaan om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, maar moet door andere bewijzen worden gestaafd.

94 Gezien haar betrouwbaarheid behoeft de verklaring van InBev evenwel een minder precieze en minder nadrukkelijke bevestiging dan wanneer zij niet bijzonder geloofwaardig was geweest. Mocht aldus worden vastgesteld dat het bestaan en bepaalde specifieke aspecten van de in de verklaring van InBev genoemde, in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde activiteiten steun vinden in een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen, dan kan die verklaring op zich volstaan als bewijs van andere aspecten van de bestreden beschikking. Bovendien volstaat het dat een stuk, voor zover het niet in kennelijke tegenspraak is met de verklaring van InBev over het bestaan of de wezenlijke inhoud van de gewraakte praktijken, wezenlijke onderdelen van de door die verklaring beschreven praktijken bevestigt, opdat het enige waarde zou hebben als element ter ondersteuning van deze verklaringen in het kader van de reeks belastende bewijzen (zie in die zin arrest JFE Engineering e.a./Commissie, punt 50 supra, punt 220 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95 Gelet op het voorgaande, moeten de argumenten van verzoeksters met betrekking tot de andere door de Commissie in de bestreden beschikking tot staving van de aan de verklaring van InBev ontleende bewijzen worden onderzocht.

– Andere bewijzen

96 In de bestreden beschikking wijst de Commissie erop dat de verklaring van InBev wordt gestaafd door een reeks interne documenten, afkomstig van verzoeksters en de drie andere Nederlandse brouwers, handgeschreven notities van bijeenkomsten, kostendeclaraties en kopieën van agenda’s, verkregen na onderzoek en verzoeken om inlichtingen.

97 In punt 67 van de bestreden beschikking wijst de Commissie op handgeschreven aantekeningen van een commercieel directeur van Grolsch betreffende de bijeenkomst van 27 februari 1996, waarvan het doel werd aangeduid met de vermelding „CBK cie HOR cath”. Die aantekeningen bevatten de volgende passage: „Borgstellingen/financieringen: fin[ancieren] voor [...] meer dan behoeften op concrete punten. Dan [...] milj[oen]”.

98 Volgens de Commissie volgt uit die passage dat de vier betrokken brouwers in het kader van een „Catherijnebijeenkomst” de financiële voorwaarden hebben besproken die werden of zouden worden toegepast op bepaalde horeca-afnemers (punt 72 van de bestreden beschikking) en meer in het bijzonder op de etablissementen die werden beheerd door een eigenaar van meerdere horecazaken in Nederland.

99 In punt 76 van de bestreden beschikking haalt de Commissie de handgeschreven aantekeningen aan van een directeur Horeca van Bavaria betreffende de bijeenkomst van 19 juni 1996. Die aantekeningen luiden als volgt:

„- prijzen aanpassen

thuisverbruik hoog – laag

overleg Bavaria – Interbrew

[...] en [...] -> probleem [...]

Martens

Schultenbrau!! 89 ct

- fustprijs verhoging alleen

argumenten

alleen integraal Hein + Grolsch

Friesland US Heit

Interbrew \

| samen omhoog

Bavaria /

-> [...] ook

onderkant meer omhoog dan bovenkant

- lucht in

- afspraken

slijterskorting saneren 7,5 per fust Heineken

vertegenwoordigers aanscherpen t.a.v. eventuele afspraken

Interbrew \

| lucht mag gebruikt worden

Grolsch / ”.

100 Volgens de Commissie blijkt uit die aantekeningen dat de aanwezige brouwers gedetailleerd prijzen van zowel privatelabelbier als fustbier hebben besproken en dat de door Interbrew en Bavaria geproduceerde lager geprijsde bieren meer moesten stijgen dan de door Heineken en Grolsch geproduceerde hoger geprijsde bieren (punt 85 van de bestreden beschikking).

101 In punt 89 van de bestreden beschikking citeert de Commissie uit een brief die de Managing Director van Interbrew Nederland op 25 maart 1997 aan het hoofdkantoor van InBev in België zond:

„Er bestaat nu consensus tussen de grote brouwerijen om nog vóór 1998 een prijsverhoging voor bier door te voeren. Daardoor kunnen de brouwerijen een buffer aanleggen voor de nodige extra promotiebudgetten in de toekomst. De A-merkspelers proberen de prijsverhoging te differentiëren tussen de A-merken (plus 2 NLG/hl) en B-merken (plus 4 NLG/hl). Dit lijkt mij heel onrealistisch – we moeten allemaal voor de volle 4 NLG gaan. Ik zou onze ‚doordrinkbare’ speciaalbieren (DAS, Hoegaarden, Leffe) van de prijsverhoging uitzonderen. De onderhandelingen zijn begonnen.”

102 Op grond van die brief concludeerde de Commissie dat na prijsonderhandelingen tussen de voornaamste brouwers vóór 1998 een prijsverhoging was gepland. Bovendien bevestigde diezelfde brief dat er een onderscheid bestaat tussen producenten van duurdere en goedkopere biermerken (punt 90 van de bestreden beschikking).

103 In punt 92 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar handgeschreven aantekeningen van een lid van de raad van bestuur van Bavaria betreffende een bijeenkomst van 1 mei 1997. Zij citeert hieruit de volgende passages:

„Catherijne Club 1/5 – ’97

‚interne’ wisselingen in concernverband

moeten ook voldoen aan de ‚staffel’

[...]‚ ‚Den Haag’

Monster Z.H. [Zuid-Holland] overbieding”.

104 Volgens de Commissie bevestigen die aantekeningen dat de brouwers spraken over de toepassing van een staffel op de commerciële voorwaarden voor individuele horecaondernemingen wanneer zij overstapten van het ene concern naar het andere en ook wanneer zij overstapten binnen eenzelfde concern (punt 99 van de bestreden beschikking).

105 In punt 100 van de bestreden beschikking constateert de Commissie dat de bovengenoemde aantekeningen ook de namen „Heineken/Amstel/Brand/Grolsch” bevatten op de eerste regel en de namen „Interbrew/Bavaria” op de tweede regel, en dat die twee regels met elkaar verbonden zijn door een accolade met daarachter de woorden „geen prijsverhogingen”. De Commissie leidt hieruit af dat het onderscheid tussen de A-merken van Heineken en Grolsch en de B-merken van Interbrew en Bavaria de kern vormden van het overleg tussen de brouwers over de hoogte van de bierprijzen (punt 103 van de bestreden beschikking).

106 In punt 117 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar de handgeschreven aantekeningen van een lid van de raad van bestuur van Bavaria betreffende de bijeenkomst van 17 december 1997. Zij citeert hieruit de volgende passage:

„2) Prijssituatie: maart/april

ééntrapsraket/tweetrapsraket

a) Heineken verwacht weinig rumoer!! Heineken 18.59

b) bij verhoging: zeer bespreekbaar; van harte; er komt support.”

107 De Commissie leidt hieruit af dat de op de bijeenkomst van 17 december 1997 aanwezige brouwers, met name Bavaria, Grolsch en Heineken, prijsverhogingen bespraken, alsmede mogelijke reacties daarop (punt 127 van de bestreden beschikking).

108 In punt 129 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een passage uit de handgeschreven aantekeningen van een directeur Horeca van Bavaria betreffende de bijeenkomst van 12 maart 1998:

„- Vanaf 1 januari weinig gebeurd.

- A-merken geen paniek t.a.v. prijs Hein

9.95 afprijzen van 11.49 heeft weinig zin. Int

9.75 9.36 Bavaria

2x 4.95 4.75 }→

Privaat labels

prijzen aan de onderkant van de markt.

[...] midden maart Bavaria iets

onder Amstel (17) Bavaria (15)

van 9.75 naar 10.75 gebeurt er

niets dan Grolsch en Hein

verhogingen pocket brouwerij

→ afspraak [...] en Dick maken

Het moet ‚aanwijsbaar’ via Nielsen anders

gebeurt er niets”.

109 Volgens de Commissie volgt hieruit dat de op de bijeenkomst van 12 maart 1998 aanwezige brouwers de aan de Nederlandse supermarkten verleende kortingen hebben besproken (punt 137 van de bestreden beschikking) en dat de door Bavaria toegepaste prijsverhogingen aanwijsbaar moesten zijn in AC Nielsens elektronische kassagegevens van de supermarkten (punt 133 van de bestreden beschikking).

110 In punt 138 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een tweede passage uit de eerdergenoemde handgeschreven notities:

„Bav rente 4 %? 6 1/2

tenzij

reclame vergoeding meerekenen”.

111 Volgens de Commissie bewijst die passage dat de vier brouwerijen de hoogte van de rentepercentages voor leningen aan horecaondernemingen bespraken (punt 142 van de bestreden beschikking).

112 In punt 143 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een derde passage uit de eerdergenoemde handgeschreven notities:

„Voetbalvelden Theaters Schouwburgen

Studentenverenigingen

[...]

Grolsch

Boven/buiten de staffel

130

[...] (125) 124,5”.

113 Volgens de Commissie volgt hieruit dat de brouwers een specifieke discussie hadden over specifieke horeca-afnemers in verband met een „staffel”, hetgeen de verklaring van InBev bevestigt dat er een overeenkomst bestond die bekendstond onder de naam „staffel” (punt 147 van de bestreden beschikking).

114 In punt 156 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een passage uit de handgeschreven notities van een lid van de raad van bestuur van Bavaria betreffende de bijeenkomst van 3 juli 1998.

„[...] Heineken verhoogd.

[...] >> Heineken fustbier”.

115 De Commissie leidt uit die passage af dat de brouwers zowel de prijzen voor afnemers in het thuisverbruiksegment als de prijzen voor een bepaalde horeca-afnemer hebben besproken (punten 162‑164 van de bestreden beschikking).

116 In punt 165 van de bestreden beschikking verwijst de Commissie naar een andere passage uit de handgeschreven notities:

„Café [...] 1800 [...]

[...] 400 [...]

60 per hl

650.000,- V.B.K.”.

117 Volgens de Commissie volgt uit die passage dat de brouwers een specifieke korting en/of een specifieke vooruitbetaalde korting die was toegepast of zou worden toegepast op specifieke horecaondernemingen hebben besproken (punt 171 van de bestreden beschikking).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in