Art. 263 VWEU, HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE UNIE
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
Het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat de wettigheid na van de wetgevingshandelingen, van de handelingen van de Raad, van de Commissie en van de Europese Centrale Bank, voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement en de Europese Raad die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben. Het gaat ook de wettigheid na van de handelingen van de organen of instanties van de Unie waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van derden worden beoogd.
Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.
Het Hof is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door de Rekenkamer, de Europese Centrale Bank of het Comité van de Regio’s ingesteld beroep dat op vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.
Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
De handelingen tot oprichting van organen en instanties van de Unie kunnen voorzien in bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of instanties waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van hen worden beoogd.
Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar gelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1875
- ABRvS 16 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7770
- ABRvS 14 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7903
- ABRvS 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1148
- ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:260
- ABRvS 3 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4007
- HR 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2820
- ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1351
- ABRvS 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5985
- Rb. Den Haag 29 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:13650
- Conclusie A-G Ettema 3 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:9
- Conclusie A-G Wissink 5 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:562
- ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2130
- ABRvS 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5092
- Rb. Rotterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:4616
- Rb. Noord-Holland 19 juni 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:5678
- Rb. Den Haag 1 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:968
- Conclusie A-G Wattel 20 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:265
- HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1842
- Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4081