Gerecht EU 8 oktober 2008, T-69/04, ECLI:EU:T:2008:415

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑69/04

Schunk GmbH en Schunk Kohlenstoff-Technik GmbH

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van elektrische en mechanische koolstof‑ en grafietproducten – Exceptie van onwettigheid – Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 – Toerekening van inbreukmakend gedrag – Richtsnoeren voor berekening van bedrag van geldboeten – Zwaarte en weerslag van inbreuk – Afschrikkende werking – Medewerking tijdens administratieve procedure – Evenredigheidsbeginsel – Beginsel van gelijke behandeling – Reconventionele vordering tot verhoging van geldboete”

Samenvatting van het arrest

1. Gemeenschapsrecht – Algemene rechtsbeginselen – Rechtszekerheid – Legaliteit van sancties

2. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsvrijheid door artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 aan Commissie toegekend – Schending van beginsel van legaliteit van sancties – Geen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

3. Mededinging – Geldboeten – Uit Verdrag voortvloeiende eigen bevoegdheid van Commissie

(Art. 81 EG, 82 EG, 83, leden 1 en 2, sub a en sub d, EG, 202, derde streepje, EG en 211, eerste streepje, EG; verordening nr. 17 van de Raad)

4. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Toerekening – Moedermaatschappij en dochterondernemingen – Economische eenheid – Beoordelingscriteria

(Art. 81, lid 1, EG)

5. Beroep tot nietigverklaring – Middelen – Betwisting van feiten die in aanmerking zijn genomen in beschikking waarbij schending van mededingingsregels wordt bestraft – Ontvankelijkheid – Voorwaarde – Niet-erkenning van deze feiten tijdens administratieve procedure

(Art. 230 EG)

6. Mededinging – Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Begrip

(Art. 81, lid 1, EG)

7. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

8. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Vaststelling van prijzen – Verplichting van Commissie om bij beoordeling van weerslag van inbreuk uit te gaan van mededinging zoals die zonder inbreuk zou hebben bestaan

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Indeling van betrokken ondernemingen in categorieën met specifiek uitgangsbedrag

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkende werking – Algemeen vereiste dat Commissie in alle fasen van berekening van geldboete dient te leiden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

11. Mededinging – Gemeenschapsregels – Toepassing door Commissie – Los van beoordelingen door autoriteiten van derde staten

(Art. 3, lid 1, sub g, EG en 81 EG)

12. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Vermindering van bedrag van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming

(Verordening nr. 17 van de Raad; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie)

13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Rechterlijke toetsing – Volledige rechtsmacht

(Art. 229 EG, 230 EG en 231 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 17; reglement voor de procesvoering van het Gerecht)

1. Het beginsel van de legaliteit van sancties is een uitvloeisel van het rechtszekerheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is en met name vereist dat iedere communautaire regeling, inzonderheid wanneer daarbij sancties worden opgelegd of op grond daarvan kunnen worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig is, zodat de betrokken personen ondubbelzinnig de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen. Dit beginsel, dat deel uitmaakt van de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben en is neergelegd in verschillende internationale verdragen, en met name in artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, geldt zowel voor strafrechtelijke normen als voor specifieke bestuurlijke instrumenten waarbij bestuurlijke sancties worden opgelegd of op grond waarvan dergelijke sancties kunnen worden opgelegd. Het is niet enkel van toepassing op de regels waarbij de bestanddelen van een inbreuk worden vastgesteld, maar ook op de regels waarbij de gevolgen van een inbreuk op eerstgenoemde regels worden vastgesteld. In dit verband impliceert artikel 7, lid 1, van dat verdrag dat de wet een duidelijke omschrijving geeft van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de daaraan door de rechter gegeven interpretatie, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld.

Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens volgt dat, om aan de vereisten van die bepaling te voldoen, niet vereist is dat de bepalingen op grond waarvan die sancties worden opgelegd zo nauwkeurig zijn geformuleerd, dat de mogelijke gevolgen van een inbreuk daarop met absolute zekerheid voorzienbaar zijn. Volgens die rechtspraak brengt het bestaan van vage begrippen in de bepaling immers niet noodzakelijkerwijs een schending van artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens met zich, en is het feit dat een wet een beoordelingsmarge toekent op zich niet in strijd met het vereiste van voorzienbaarheid, mits de strekking en de wijze van uitoefening van een dergelijke bevoegdheid, gelet op het betrokken rechtmatige doel, voldoende duidelijk zijn omschreven om de justitiabele naar behoren tegen willekeur te beschermen. In dat verband houdt het Europees Hof voor de rechten van de mens niet alleen rekening met de wettekst zelf, maar ook met de vraag of de gebezigde onbepaalde begrippen in vaste en gepubliceerde rechtspraak zijn gepreciseerd. De inaanmerkingneming van de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten leidt er overigens niet tot dat het beginsel van de legaliteit van straffen, dat een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is, anders moet worden uitgelegd.

(cf. punten 28‑29, 32-34)

2. Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, over de oplegging van geldboeten aan ondernemingen die de communautaire mededingingsregels hebben overtreden, is niet in strijd met het beginsel van de legaliteit van sancties.

De Commissie beschikt immers niet over een oneindige beoordelingsmarge bij de vaststelling van de geldboeten, aangezien zij de van de omzet van de betrokken ondernemingen afhankelijke bovengrens moet eerbiedigen en rekening moet houden met de zwaarte en de duur van de overtreding. Bovendien is de bovengrens van 10 % van de omzet van de betrokken onderneming redelijk, gelet op de belangen die de Commissie in het kader van de vervolging en bestraffing van inbreuken op de mededingingsregels beschermt en op het feit dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 de toepassing mogelijk maakt van een regime dat overeenkomt met de fundamentele taken van de Gemeenschap. Daarnaast dient de Commissie bij de vaststelling van geldboeten de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel, in acht te nemen. Bovendien heeft de Commissie, onder volle toetsing door de gemeenschapsrechter, een kenbare en toegankelijke administratieve praktijk ontwikkeld die, zonder het rechtskader voor geldboeten te vormen, als referentie kan dienen bij de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling, met dien verstande dat binnen de bij artikel 15, lid 2, gestelde grenzen een verhoging van het niveau van de geldboeten nog steeds mogelijk is wanneer een efficiënte toepassing van de mededingingsregels dit vereist. Bovendien heeft de Commissie richtsnoeren over de vaststelling van de geldboeten vastgesteld, zodat zij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid zelf heeft beperkt, waardoor zij tot een grotere rechtszekerheid heeft bijgedragen, en moet zij het beginsel van gelijke behandeling en het vertrouwensbeginsel eerbiedigen. Voor het overige is de vaststelling van deze richtsnoeren door de Commissie, aangezien zij binnen het wettelijke kader van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 is gebleven, niets anders dan een precisering van de uit die bepaling zelf voortvloeiende grenzen van de uitoefening door de Commissie van haar discretionaire bevoegdheid, zonder dat hieruit kan worden afgeleid dat de gemeenschapswetgever aanvankelijk tekort is geschoten bij de bepaling van de grenzen van de bevoegdheid van de Commissie op het betrokken gebied. Ten slotte is de Commissie krachtens artikel 253 EG gehouden om beschikkingen waarbij een geldboete wordt opgelegd te motiveren.

(cf. punten 35‑36, 38-44, 46)

3. De bevoegdheid om bij schending van de artikelen 81 EG en 82 EG geldboeten op te leggen kan niet worden beschouwd als een bevoegdheid die aanvankelijk van de Raad was, die deze aan de Commissie zou hebben overgedragen of deze laatste met de uitvoering ervan zou hebben belast in de zin van artikel 202, derde streepje, EG. Ingevolge de artikelen 83, leden 1 en 2, sub a en sub d, en 211, eerste streepje, EG behoort die bevoegdheid immers tot de aan de Commissie toebedeelde taak om toe te zien op de toepassing van het gemeenschapsrecht, welke taak voor de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG in verordening nr. 17 is gepreciseerd, afgebakend en geformaliseerd. De bij die verordening aan de Commissie verleende bevoegdheid tot het opleggen van geldboeten resulteert dus uit de verdragsbepalingen zelf en heeft tot doel de daadwerkelijke toepassing van de in bedoelde artikelen vastgestelde verboden mogelijk te maken.

(cf. punten 48‑49)

4. Het mededingingsverstorend gedrag van een onderneming kan aan een andere onderneming worden toegerekend wanneer eerstgenoemde onderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalde, maar in hoofdzaak de door laatstgenoemde onderneming verstrekte instructies volgde, in het bijzonder gelet op de economische en juridische banden die hen verenigden. Aldus kan de gedraging van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij worden toegerekend wanneer de dochteronderneming haar gedragslijn niet zelfstandig bepaalt, doch in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, daar deze beide ondernemingen een economische eenheid vormen.

In het specifieke geval waarin een moedermaatschappij voor 100 % het kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk heeft gepleegd, bestaat een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming, en dat dus sprake is van één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG. Het staat derhalve aan de moedermaatschappij die bij de gemeenschapsrechter opkomt tegen een beschikking van de Commissie waarbij haar een geldboete wordt opgelegd wegens een gedraging van haar dochteronderneming, om dit vermoeden te weerleggen door bewijzen voor de autonomie van haar dochter aan te voeren.

Het feit dat de moederonderneming die 100 % van het kapitaal van haar dochter in handen heeft, een houdstermaatschappij is, volstaat niet om de dochter als functioneel en organisatorisch onafhankelijk aan te merken. Het begrip houdstermaatschappij dekt immers verschillende situaties. Over het algemeen kan een houdstermaatschappij worden gedefinieerd als een vennootschap die deelnemingen in één of meerdere vennootschappen heeft ten einde deze te controleren. Een houdstermaatschappij die de verwerving, de verkoop, het beheer, meer bepaald het strategisch beheer over industriële deelnemingen, tot doel heeft, kan een financiële houdstermaatschappij zijn die geen enkele industriële of commerciële activiteit uitoefent, of een vennootschap die als activiteit het beheer en het bestuur van haar dochterondernemingen heeft. In de context van een groep van ondernemingen is een houdstermaatschappij een onderneming die deelnemingen in verschillende vennootschappen tracht te groeperen en die tot taak heeft ervoor te zorgen dat deze onder één enkel bestuur staan. Er kan ook eenheid in het bestuur en in de coördinatie tussen de houdstermaatschappij en haar dochteronderneming bestaan, hetgeen erop kan wijzen dat met de belangen van de groep rekening wordt gehouden. Het feit dat een onderneming een houdstermaatschappij is die tot doel heeft haar deelnemingen in andere vennootschappen te beheren, is dus als zodanig onvoldoende ter weerlegging van het vermoeden dat voortvloeit uit het feit dat zij het volledige maatschappelijke kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft.

(cf. punten 55‑56, 59-64, 66, 70)

5. De mededeling van punten van bezwaar, die erop gericht is te verzekeren dat de ondernemingen aan welke zij is gericht hun rechten van de verdediging doeltreffend kunnen uitoefenen, heeft tot gevolg dat het voorwerp van de tegen een onderneming ingeleide procedure wordt afgebakend in die zin dat daarbij het standpunt van de Commissie ten opzichte van die onderneming wordt bepaald en dat de instelling in haar beschikking slechts die punten van bezwaar in aanmerking mag nemen die in de mededeling zijn opgenomen.

De Commissie moet met name op basis van de antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar door de ondernemingen die de adressaten van die mededeling zijn haar standpunt bepalen omtrent het gevolg dat aan de administratieve procedure moet worden gegeven.

In die context moet de Commissie zonder uitdrukkelijke bekentenis van de in het kader van een inbreuk op de mededingingsregels beschuldigde onderneming de feiten nog bewijzen, terwijl de onderneming de vrijheid behoudt om te zijner tijd en met name tijdens de contentieuze procedure, alle verweermiddelen die haar nuttig lijken, aan te wenden. Dat kan evenwel niet het geval zijn wanneer de betrokken onderneming de feiten heeft erkend.

Die oplossing heeft niet tot doel om de instelling van beroep door een door de Commissie bestrafte onderneming te beperken, maar te verduidelijken welke betwisting bij de gemeenschapsrechter kan worden aangebracht, om te voorkomen dat de vaststelling van de aan de inbreuk ten grondslag liggende feiten van de Commissie naar de gemeenschapsrechter verschuift, die, ingeval bij hem beroep uit hoofde van artikel 230 EG wordt ingesteld, bevoegd is om in het kader van zijn volledige rechtsmacht de geldigheid van de beschikking na te gaan.

(cf. punten 80‑81, 84-85)

6. Zoals uit de bewoordingen van artikel 81, lid 1, EG blijkt, impliceert het begrip onderling afgestemde feitelijke gedragingen, behalve de afstemming tussen de ondernemingen, een op die afstemming volgend marktgedrag en een oorzakelijk verband tussen deze twee elementen. Ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, worden vermoed – behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs – bij de bepaling van hun gedrag op de markt rekening te houden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie.

(cf. punt 118)

7. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wegens overtreding van de mededingingsregels wordt bij de bepaling van de zwaarte van een inbreuk rekening gehouden met een groot aantal factoren, zoals de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, ten aanzien waarvan de Commissie over een zekere beoordelingsbevoegdheid beschikt. De Commissie mag bij de bepaling van de zwaarte van een inbreuk dus rekening houden met het feit dat de betrokken ondernemingen veel voorzorgen hebben genomen om te voorkomen dat het kartel zou worden ontdekt en met de aan het grote publiek toegebrachte schade.

Wat dit laatste betreft, brengen niet alle inbreuken op het mededingingsrecht op dezelfde wijze schade toe aan de mededinging en de consumenten. De bij de bepaling van de zwaarte van een inbreuk in overweging genomen schade die is toegebracht aan het publiek onderscheidt zich van de economische macht van een kartellid om de mededinging en de consumenten aanzienlijke schade te berokkenen, die aan de orde komt in een stap in de berekening van het bedrag van de geldboete waarin wordt voorzien door de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, en erop gericht is een gedifferentieerde behandeling toe te passen wanneer meerdere ondernemingen bij de inbreuk betrokken zijn.

(cf. punten 153‑154, 156)

8. Om de concrete weerslag van een inbreuk op de markt te beoordelen, moet de Commissie uitgaan van de mededinging zoals die normalerwijze zonder inbreuk zou hebben bestaan.

De Commissie mag bij een prijskartel concluderen dat de inbreuk gevolgen heeft gehad, wanneer de kartelleden maatregelen hebben getroffen om de overeengekomen prijzen toe te passen, bijvoorbeeld door ze aan de klanten aan te kondigen, hun medewerkers op te dragen ze als onderhandelingsbasis te gebruiken en de toepassing daarvan door hun concurrenten en hun eigen verkoopdiensten te controleren. Om een weerslag op de markt te kunnen vaststellen, volstaat het namelijk dat de overeengekomen prijzen als uitgangspunt dienden voor de vaststelling van de individuele transactieprijzen, waardoor dus de onderhandelingsmarge van de klanten werd beperkt.

Daarentegen kan, wanneer de uitvoering van een kartel is vastgesteld, van de Commissie niet worden verlangd dat zij stelselmatig aantoont dat de afspraken de betrokken ondernemingen daadwerkelijk in staat hebben gesteld een hogere transactieprijs te bereiken dan zonder het kartel het geval zou zijn geweest. Het betoog dat voor de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk enkel in aanmerking kan worden genomen dat het niveau van de transactieprijzen zonder kartel anders zou zijn geweest, kan niet slagen. Verder is het onevenredig een dergelijk bewijs – waarmee aanzienlijke middelen gemoeid zouden zijn – te verlangen, aangezien daarvoor hypothetische berekeningen moeten worden gemaakt op grond van economische modellen waarvan de juistheid door de rechter slechts moeilijk is na te gaan en waarvan de onfeilbaarheid geenszins is bewezen.

Voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk is beslissend dat de kartelleden alles hebben gedaan wat in hun macht lag om hun wensen concreet gestalte te geven. Deze leden kunnen externe factoren die hun inspanningen hebben tegengewerkt, niet in hun voordeel aanvoeren als elementen die een verlaging van de geldboeten rechtvaardigen.

De Commissie mag zich derhalve baseren op de tenuitvoerlegging van het kartel om tot het bestaan van een weerslag op de markt te concluderen, zonder evenwel de omvang van die weerslag precies te hoeven meten.

Gesteld dat de daadwerkelijke weerslag van het kartel door de Commissie niet rechtens genoegzaam is aangetoond, is de kwalificatie van de onderhavige inbreuk als „zeer zwaar” niet minder toepasselijk. De drie aspecten van de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk krachtens de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, namelijk de eigen aard van de inbreuk, de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is en de omvang van de betrokken geografische markt, wegen in het kader van het algehele onderzoek immers niet even zwaar. De aard van de inbreuk speelt met name bij de kwalificatie van de inbreuken als „zeer zwaar” een vooraanstaande rol. In dit verband volgt uit de beschrijving van de zeer zware inbreuken in die richtsnoeren dat overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die met name strekken tot vaststelling van de prijzen, reeds op grond van hun aard als „zeer zwaar” kunnen worden gekwalificeerd, en dat voor die kwalificatie niet nodig is dat zij een bijzondere uitwerking hebben of een bepaald geografisch gebied bestrijken. Deze conclusie vindt bevestiging in het feit dat, waar in de beschrijving van zware inbreuken uitdrukkelijk sprake is van de weerslag op de markt en van de gevolgen voor uitgestrekte gebieden van de gemeenschappelijke markt, in de beschrijving van zeer zware inbreuken daarentegen niet staat dat er sprake moet zijn van enige concrete weerslag op de markt of van gevolgen die zich in een bepaald geografisch gebied doen gevoelen.

(cf. punten 165‑169, 171)

9. De richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, voorzien erin dat bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete, een groot aantal factoren in aanmerking wordt genomen, waaronder met name de aard van de inbreuk, de daadwerkelijke weerslag ervan, de geografische omvang van de beïnvloede markt en de noodzaak van een afschrikwekkende werking van de boete. Hoewel zij er niet in voorzien dat de geldboeten worden berekend op basis van de totale of de relevante omzet, verzetten deze richtsnoeren zich er niet tegen dat bij de bepaling van de geldboete dergelijke omzetcijfers in aanmerking worden genomen om de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht in acht te nemen wanneer de omstandigheden dit vereisen.

Gelet op de sterk uiteenlopende omvang van de betrokken ondernemingen en om rekening te houden met het specifieke gewicht van elk van hen, en dus met de daadwerkelijke weerslag van het inbreukmakend gedrag van elk van hen op de mededinging, kan de Commissie overeenkomstig punt 1 A, vierde en zesde alinea, van de richtsnoeren overgaan tot een gedifferentieerde behandeling van de ondernemingen die aan de inbreuk hebben deelgenomen. Met dat doel kan zij de betrokken ondernemingen in meerdere categorieën indelen op basis van de omzet die elk van de ondernemingen heeft behaald met de producten waarop de zaak betrekking heeft, daaronder begrepen de waarde van de niet voor de markt bestemde consumptie van elk van de ondernemingen. Hieruit resulteert een marktaandeelcijfer dat het relatieve gewicht van elke onderneming in de inbreuk en haar daadwerkelijke economische macht om de mededinging aanzienlijke schade te berokkenen, vertegenwoordigt.

(cf. punten 176‑177)

10. De in artikel 15 van verordening nr. 17 voorziene sancties hebben tot doel, ongeoorloofde gedragingen tegen te gaan en herhaling daarvan te voorkomen. Aangezien afschrikkende werking een doelstelling van geldboeten voor overtreding van de mededingingsregels is, vormt de noodzaak die werking te waarborgen een algemeen vereiste dat de Commissie in alle fasen van de berekening van de geldboeten dient te leiden, en impliceert zij niet noodzakelijkerwijs dat deze berekening wordt gekenmerkt door een specifieke tussenstap waarin alle voor de verwezenlijking van deze doelstelling relevante omstandigheden globaal worden beoordeeld.

Teneinde het doel van afschrikking in aanmerking te nemen, heeft de Commissie in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, geen geïndividualiseerde methoden of criteria vastgelegd waarvan de specifieke vermelding verplicht zou kunnen zijn. Punt 1 A, vierde alinea, van de richtsnoeren vermeldt in de context van de aanwijzingen over de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk enkel de noodzaak, het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau vast te stellen dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat.

(cf. punten 191‑193)

11. De bevoegdheidsuitoefening door de autoriteiten van derde staten die in het kader van hun territoriale competentie met de bescherming van de vrije mededinging zijn belast, beantwoordt aan eisen die specifiek zijn voor die staten. De uitgangspunten van de rechtsorden van andere staten op het gebied van de mededinging leiden immers niet alleen tot specifiek eigen doelstellingen, maar tevens tot de vaststelling van speciaal daarop gericht materieel recht en tot sterk uiteenlopende bestuursrechtelijke, strafrechtelijke of civielrechtelijke rechtsgevolgen, wanneer door de autoriteiten van die staten eenmaal is bewezen dat inbreuk is gemaakt op de toepasselijke mededingingsregels. Geheel anders is de juridische situatie wanneer een onderneming, wat de mededinging betreft, uitsluitend valt onder het gemeenschapsrecht en het recht van een of meer lidstaten, dat wil zeggen wanneer een mededingingsregeling zich uitsluitend binnen het territoriale toepassingsgebied van de rechtsorde van de Europese Gemeenschap afspeelt.

Hieruit volgt dat de Commissie, wanneer zij het onrechtmatige gedrag van een onderneming bestraft, zelfs wanneer dit gedrag zijn oorsprong vindt in een internationale mededingingsregeling, de vrije mededinging binnen de gemeenschappelijke markt beoogt te waarborgen, die ingevolge artikel 3, lid 1, sub g, EG een van de fundamentele doelstellingen van de Gemeenschap is. Door het specifieke karakter van het in gemeenschapsverband beschermde rechtsgoed kunnen de afwegingen die de Commissie krachtens haar bevoegdheden op dit gebied maakt, immers aanzienlijk verschillen van die van de autoriteiten van derde staten.

Overwegingen die verband houden met door de autoriteiten van een derde staat opgelegde boeten kunnen alleen aan de orde komen in het kader van de beoordelingsvrijheid die de Commissie geniet ter zake van de vaststelling van geldboeten wegens inbreuken op het communautaire mededingingsrecht. Al is het derhalve niet uitgesloten dat de Commissie rekening houdt met eerder door de autoriteiten van derde staten opgelegde boeten, zij is daartoe niet verplicht.

De afschrikkende werking die de Commissie bij de bepaling van een geldboete mag nastreven, dient immers te verzekeren dat de ondernemingen de mededingingsregels naleven die in het EG-Verdrag zijn vastgesteld voor hun activiteiten binnen de gemeenschappelijke markt. Bijgevolg hoeft de Commissie bij haar beoordeling of de wegens schending van die regels op te leggen boete afschrikkende werking heeft, geen rekening te houden met eventuele sancties die aan een onderneming zijn opgelegd wegens schending van de mededingingsregels van derde staten.

(cf. punten 205‑209)

12. De Commissie beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid ter zake van de methode voor de berekening van de geldboeten en zij kan daarbij rekening houden met een groot aantal factoren, zoals de medewerking van de betrokken ondernemingen tijdens het door de diensten van deze instelling gevoerde onderzoek. Zij beschikt ook over een ruime beoordelingsvrijheid bij de waardering van de kwaliteit en de bruikbaarheid van de door een onderneming verleende medewerking, met name in vergelijking met de bijdragen van andere ondernemingen.

De vermindering van de geldboeten in geval van medewerking van de ondernemingen berust op de overweging dat een dergelijke medewerking de taak van de Commissie verlicht om de inbreuk vast te stellen en deze in voorkomend geval te beëindigen.

De Commissie mag in het kader van een globale beoordeling rekening houden met het feit dat een onderneming haar enkel documenten heeft overgelegd na de ontvangst van een verzoek om inlichtingen, zonder dat dit evenwel een beslissend argument is om de medewerking van de onderneming op grond van punt D, lid 2, eerste streepje, van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen te relativeren.

(cf. punten 211‑212, 225, 234)

13. Het Gerecht beschikt in het kader van de hem bij artikel 229 EG en artikel 17 van verordening nr. 17 verleende volledige rechtsmacht, over een beoordelingsbevoegdheid ter zake van de passendheid van de hoogte van de geldboeten voor overtreding van het communautaire mededingingsrecht. In het kader van zijn volledige rechtsmacht kan de gemeenschapsrechter namelijk niet alleen de bestreden beschikking nietig verklaren, zoals bepaald in artikel 231 EG, maar ook de bij deze beschikking opgelegde sanctie wijzigen. De gemeenschapsrechter is derhalve behalve tot eenvoudige toetsing van de rechtmatigheid van de sanctie, bevoegd om zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van de Commissie en dus de opgelegde geldboete of dwangsom in te trekken, te verlagen of te verhogen.

Ofschoon om uitoefening van de volledige rechtsmacht in de meeste gevallen door de verzoekende partijen wordt verzocht ter verkrijging van een verlaging van het bedrag van de geldboete, kan ook de Commissie de kwestie van het bedrag van de geldboete aan de gemeenschapsrechter voorleggen en een verzoek om verhoging van dat bedrag indienen. Een dergelijke mogelijkheid is overigens uitdrukkelijk voorzien in punt E, lid 4, van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen.

De gemeenschapsrechter kan deze volledige rechtsmacht evenwel slechts uitoefenen in het kader van de toetsing van handelingen van de gemeenschapsinstellingen, meer bepaald in het beroep tot nietigverklaring. Artikel 229 EG strekt namelijk enkel tot uitbreiding van de bevoegdheden van de gemeenschapsrechter in het kader van het in artikel 230 EG bedoelde beroep. Een door de Commissie geformuleerd verzoek om verhoging van de geldboete is dus niet onverenigbaar met artikel 230 EG.

Gelet op de aan het Gerecht verleende bevoegdheid om een geldboete te verhogen, moet ontvankelijk worden verklaard een reconventionele vordering van de Commissie strekkende tot ongedaanmaking van de verlaging van een geldboete die een onderneming heeft gekregen wegens haar medewerking tijdens de administratieve procedure, omdat deze onderneming pas bij de rechter voor het eerst de in de mededeling van punten van bezwaar uiteengezette feiten heeft betwist.

Een dergelijk verzoek moet evenwel worden afgewezen, met name omdat, aangezien het bedrag van een geldboete enkel aan de hand van de zwaarte en de duur van een inbreuk mag worden vastgesteld, het feit dat de Commissie gedwongen was, verweer te voeren tegen een betwisting van feiten waarvan zij op goede gronden had aangenomen dat zij door de verzoekende partij niet meer aan de orde zouden worden gesteld, geen grondslag kan vormen voor een verhoging van het bedrag van de geldboete. De door de Commissie als gevolg van de procedure bij het Gerecht gedragen kosten zijn geen criterium ter bepaling van het bedrag van de geldboete en kunnen enkel in het kader van de toepassing van de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering betreffende de vergoeding van de kosten in aanmerking worden genomen.

(cf. punten 242‑247, 251, 259, 262)

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

8 oktober 2008 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van elektrische en mechanische koolstof‑ en grafietproducten – Exceptie van onwettigheid – Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 – Toerekening van inbreukmakend gedrag – Richtsnoeren voor berekening van bedrag van geldboeten – Zwaarte en weerslag van inbreuk – Afschrikkende werking – Medewerking gedurende administratieve procedure – Evenredigheidsbeginsel – Beginsel van gelijke behandeling – Reconventionele vordering tot verhoging van geldboete”

In zaak T‑69/04,

Schunk GmbH, gevestigd te Thale (Duitsland),

Schunk Kohlenstoff-Technik GmbH, gevestigd te Heuchelheim (Duitsland),

vertegenwoordigd door R. Bechtold en S. Hirsbrunner, vervolgens door R. Bechtold, S. Hirsbrunner en A. Schädle, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Castillo de la Torre en H. Gading, vervolgens door F. Castillo de la Torre en M. Kellerbauer, als gemachtigden,

verweerster,

betreffende enerzijds een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2004/420/EG van de Commissie van 3 december 2003 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak nr. C.38.359 – Elektrische en mechanische koolstof‑ en grafietproducten) en, subsidiair, een verzoek tot verlaging van het bedrag van de bij deze beschikking aan verzoeksters opgelegde boete, en anderzijds een reconventionele vordering van de Commissie strekkende tot verhoging van genoemde geldboete,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, M. Prek en V. Ciucă, rechters,

griffier: K. Andová, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 februari 2008,

het navolgende

Arrest

Aan het geding ten grondslag liggende feiten

1 Schunk Kohlenstoff-Technik GmbH (hierna: „SKT”) is een Duitse onderneming die koolstof‑ en grafietproducten voor gebruik op elektrisch en mechanisch gebied vervaardigt. SKT is een dochteronderneming van Schunk GmbH (hierna tezamen: „Schunk” of „verzoeksters”).

2 Op 18 september 2001 hebben de vertegenwoordigers van Morgan Crucible Company plc (hierna: „Morgan”) gemachtigden van de Commissie ontmoet om hun medewerking aan te bieden bij de vaststelling van een kartel op de Europese markt voor koolstofproducten voor elektrische en mechanische toepassingen en verzocht om toepassing van de clementiemaatregelen voorzien in mededeling 96/C 207/04 van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking”).

3 Op 2 augustus 2002 heeft de Commissie krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962: Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), verzoeken om inlichtingen over hun gedragingen op de betrokken markt gericht aan C. Conradty Nürnberg GmbH (hierna: „Conradty”), aan Le Carbone-Lorraine (hierna: „LCL”), aan SGL Carbon AG (hierna: „SGL”), aan SKT, aan Eurocarbo SpA, aan Luckerath BV en aan Gerken Europe SA. De aan SKT gerichte brief betrof ook de activiteiten van de onderneming Hoffmann & Co. Elektrokohle AG (hierna: „Hoffmann”), die op 28 oktober 1999 door Schunk was overgenomen.

4 Bij brief van 2 september 2002 heeft SKT de Commissie in kennis gesteld van haar voornemen om met haar samen te werken in het kader van de administratieve procedure en na te gaan of zij, behalve door de door haar gegeven antwoorden op de verzoeken om inlichtingen, haar van andere nuttige informatie kon voorzien, gelet op de bewijselementen die de instelling reeds in haar bezit had.

5 Na op 5 oktober 2002 een Duitse versie van het verzoek om inlichtingen te hebben ontvangen, heeft SKT dit verzoek bij brief van 25 oktober 2002 beantwoord.

6 Op basis van de aan haar meegedeelde informatie heeft de Commissie op 23 mei 2003 een mededeling van punten van bezwaar gezonden aan verzoeksters en aan de overige betrokken ondernemingen, te weten Morgan, Conradty, LCL, SGL en Hoffmann.

7 Na de betrokken ondernemingen, op Morgan en Conradty na, te hebben gehoord, heeft de Commissie beschikking 2004/420/EG van 3 december 2003 in een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak nr. C.38.359 – Elektrische en mechanische koolstof‑ en grafietproducten) (hierna: „beschikking”) vastgesteld. In het Publicatieblad van 28 april 2004 is een samenvatting van de beschikking bekendgemaakt (PB L 125, blz. 45).

8 De Commissie heeft in de beschikking aangegeven dat de ondernemingen tot welke deze is gericht, hebben deelgenomen aan één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 81, lid 1, EG en, met ingang van 1 januari 1994, op artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), bestaande in de directe of indirecte vaststelling van de op hun klanten toepasselijke verkoopprijzen en andere transactievoorwaarden, marktverdeling, met name door toewijzing van klanten, en onderling afgestemde gedragingen (kwantitatieve beperkingen, prijsverhogingen en boycots) gericht tegen concurrenten die geen lid waren van het kartel (punt 2 van de beschikking).

9 De beschikking bevat de volgende bepalingen:

„Artikel 1

De volgende ondernemingen hebben een inbreuk gepleegd op artikel 81, lid 1, [EG] en, met ingang van 1 januari 1994, op artikel 53, lid 1, van [de] EER-Overeenkomst door in de hierna aangegeven periodes deel te nemen aan een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector van de elektrische en mechanische koolstof‑ en grafietproducten:

– [Conradty], van oktober 1988 tot en met december 1999;

– [Hoffmann], van september 1994 tot en met oktober 1999;

– [LCL], van oktober 1988 tot en met juni 1999;

– [Morgan], van oktober 1988 tot en met december 1999;

– [Schunk], van oktober 1988 tot en met december 1999;

– [SGL], van oktober 1988 tot en met december 1999.

Artikel 2

Ter zake van de in artikel 1 bedoelde inbreuken worden de volgende boeten opgelegd:

– [Conradty]: 1 060 000 EUR;

– [Hoffmann]: 2 820 000 EUR;

– [LCL]: 43 050 000 EUR;

– [Morgan]: 0 EUR;

– [Schunk]: 30 870 000 EUR;

– [SGL]: 23 640 000 EUR.

De boeten moeten binnen drie maanden, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van deze beschikking, worden betaald [...]

Na afloop van deze termijn is automatisch rente verschuldigd tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank gebruikt bij haar voornaamste herfinancieringtransacties op de eerste dag van de maand waarin deze beschikking werd gegeven, vermeerderd met 3,5 procentpunten.”

10 Wat de berekening van het bedrag van de geldboeten betreft, heeft de Commissie de inbreuk als zeer zwaar gekwalificeerd, gezien de aard ervan, zijn weerslag op de EER-markt voor de betrokken producten, ofschoon die niet met precisie kon worden vastgesteld, en de omvang van de betrokken geografische markt (punt 288 van de beschikking).

11 Ten einde rekening te houden met het specifieke gewicht van het onrechtmatige gedrag van elk van de bij het kartel betrokken ondernemingen, en dus met de daadwerkelijke weerslag ervan op de mededinging, heeft de Commissie de betrokken ondernemingen aan de hand van hun relatieve belang op de betrokken markt, bepaald op basis van hun marktaandelen, in drie categorieën ingedeeld (punten 289‑297 van de beschikking).

12 Dientengevolge zijn LCL en Morgan, die met marktaandelen van meer dan 20 % tot de grootste spelers op de markt worden gerekend, ingedeeld in de eerste categorie. Schunk en SGL, die met marktaandelen tussen 10 en 20 % middelgrote spelers zijn, zijn ingedeeld in de tweede categorie. Hoffmann en Conradty, die met marktaandelen van minder dan 10 % als kleine spelers worden beschouwd, zijn ingedeeld in de derde categorie (punten 37 en 297 van de beschikking).

13 Op basis van de voorgaande overwegingen heeft de Commissie aan de hand van de zwaarte van de inbreuk, een basisbedrag van 35 miljoen EUR voor LCL en Morgan, van 21 miljoen EUR voor SGL en verzoeksters en van 6 miljoen EUR voor Hoffmann en Conradty vastgesteld (punt 298 van de beschikking).

14 De Commissie was aangaande de duur van de inbreuk van oordeel dat alle betrokken ondernemingen een inbreuk van lange duur hadden gepleegd. De Commissie heeft dan ook het voor Schunk, voor Morgan, voor SGL en voor Conradty gehanteerde uitgangsbedrag met 110 % verhoogd vanwege een duur van de inbreuk van elf jaar en twee maanden. De Commissie is wat LCL betreft uitgegaan van een duur van de inbreuk van 10 jaar en acht maanden en heeft het uitgangsbedrag met 105 % verhoogd. Het voor Hoffmann gehanteerde uitgangsbedrag is met 50 % verhoogd vanwege een duur van de inbreuk van vijf jaar en een maand (punten 299 en 300 van de beschikking).

15 Het basisbedrag van de geldboete, dat aan de hand van de zwaarte en de duur van de inbreuk is bepaald, is dus vastgesteld op 73,5 miljoen EUR wat Morgan betreft, op 71,75 miljoen EUR wat LCL betreft, op 44,1 miljoen EUR wat verzoeksters en SGL betreft, op 12,6 miljoen EUR wat Conradty betreft en op 9 miljoen EUR wat Hoffmann betreft (punt 301 van de beschikking).

16 De Commissie is niet van verzwarende of verzachtende omstandigheden ten nadele of ten voordele van de betrokken ondernemingen uitgegaan (punt 316 van de beschikking). Zij heeft het door verzoeksters gedane verzoek om de opgelegde boete overeenkomstig artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 te beperken tot 10 % van de wereldwijde omzet van SKT afgewezen (punt 318 van de beschikking).

17 Wat de toepassing van de mededeling inzake medewerking betreft, heeft Morgan boete-immuniteit genoten omdat zij de eerste onderneming was die het bestaan van het kartel bij de Commissie heeft aangebracht (punten 319 en 321 van de beschikking).

18 Overeenkomstig punt D van die mededeling heeft de Commissie aan LCL een vermindering toegekend van 40 % van het bedrag van de geldboete die haar zou zijn opgelegd zonder medewerking, van 30 % aan Schunk en Hoffmann en van 20 % aan SGL, die de laatste onderneming was die heeft meegewerkt (punten 322‑338 van de beschikking).

Procesverloop en conclusies van partijen

19 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 20 februari 2004, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

20 Als gevolg van een wijziging in de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de rechter-rapporteur benoemd tot president van de Vijfde kamer, waaraan de onderhavige zaak bijgevolg is toegewezen.

21 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Partijen zijn in hun pleidooien en antwoorden op vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 27 februari 2008.

22 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:

– de beschikking nietig te verklaren;

– subsidiair, de opgelegde boete te verlagen;

– de Commissie te verwijzen in de kosten.

23 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– de aan verzoeksters opgelegde boete te verhogen;

– verzoeksters te verwijzen in de kosten.

In rechte

Verzoek om nietigverklaring van de beschikking

24 Ofschoon het door verzoeksters ingestelde beroep een dubbel doel dient, namelijk, primair, nietigverklaring van de beschikking en, subsidiair, verlaging van het bedrag van de geldboete, wordt in de verschillende door verzoeksters in hun stukken opgeworpen grieven dit onderscheid niet gemaakt. Verzoeksters hebben op het ter terechtzitting gedane verzoek van het Gerecht, hun opmerkingen over de precieze strekking van hun betoog te maken, in wezen verklaard dat zij zich naar het oordeel van het Gerecht schikten.

25 In dat verband moet worden opgemerkt dat de exceptie van onwettigheid van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en de betwisting van de hoofdelijke aansprakelijkheid van Schunk GmbH en SKT duidelijk betrekking hebben op het verzoek om nietigverklaring van de beschikking.

26 Verzoeksters verwijten de Commissie ook dat zij het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete, hetgeen, a priori, betrekking heeft op het verzoek om verlaging van de geldboete. De argumentatie die ter ondersteuning van dit verwijt is uitgewerkt, bergt evenwel ook betwistingen van de door de Commissie vastgestelde inbreuk in zich en betreft dus de aansprakelijkheid van de betrokken ondernemingen zoals gedefinieerd in artikel 1 van de beschikking. Deze betwistingen dienen dus in het kader van het verzoek om nietigverklaring van de beschikking in haar geheel, artikel 1 daaronder begrepen, te worden onderzocht.

Exceptie van onwettigheid van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17

27 Verzoeksters betogen dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 de Commissie bij de vaststelling van de geldboete een haast onbeperkte beoordelingsbevoegdheid toekent die in strijd is met het legaliteitsbeginsel van artikel 7, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zoals door de Europese gerechten uitgelegd.

28 Blijkens de rechtspraak van het Hof is het beginsel van de legaliteit van sancties een uitvloeisel van het rechtszekerheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is en met name vereist dat iedere communautaire regeling, inzonderheid wanneer daarbij sancties worden opgelegd of op grond daarvan kunnen worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig is, zodat de betrokken personen ondubbelzinnig de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (zie in die zin arresten Hof van 9 juli 1981, Gondrand Frères en Garancini, 169/80, Jurispr. blz. 1931, punt 17; 18 november 1987, Maizena, 137/85, Jurispr. blz. 4587, punt 15; 13 februari 1996, van Es Douane Agenten, C‑143/93, Jurispr. blz. I‑431, punt 27, en 12 december 1996, X, C‑74/95 en C‑129/95, Jurispr. blz. I‑6609, punt 25).

29 Dit beginsel, dat deel uitmaakt van de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben en in verschillende internationale verdragen, en met name in artikel 7 EVRM, is neergelegd, geldt zowel voor strafrechtelijke normen als voor specifieke bestuurlijke instrumenten waarbij bestuurlijke sancties worden opgelegd of op grond waarvan dergelijke sancties kunnen worden opgelegd (zie arrest Maizena, punt 28 supra, punten 14 en 15, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Het is niet enkel van toepassing op de regels waarbij de bestanddelen van een inbreuk worden vastgesteld, maar ook op de regels waarbij de gevolgen van een inbreuk op eerstgenoemde regels worden vastgesteld (zie in die zin arrest X, punt 28 supra, punten 22 en 25).

30 Voorts is het vaste rechtspraak dat de grondrechten een integrerend deel vormen van de algemene rechtsbeginselen waarvan het Hof de eerbiediging verzekert (advies 2/94 van het Hof van 28 maart 1996, Jurispr. blz. I‑1759, punt 33, en arrest Hof van 29 mei 1997, Kremzow, C‑299/95, Jurispr. blz. I‑2629, punt 14). Het Hof en het Gerecht laten zich daarbij leiden door de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten alsmede door de aanwijzingen die te vinden zijn in de internationale rechtsinstrumenten inzake de bescherming van de rechten van de mens waaraan de lidstaten hebben meegewerkt of waarbij zij zich hebben aangesloten. Aan het EVRM komt in dit opzicht bijzondere betekenis toe (arrest Hof van 15 mei 1986, Johnston, 222/84, Jurispr. blz. 1651, punt 18, en arrest Kremzow, reeds aangehaald, punt 14). Bovendien bepaalt artikel 6, lid 2, EU dat „[d]e Unie [...] de grondrechten [eerbiedigt], zoals die worden gewaarborgd door het [EVRM] en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het gemeenschapsrecht” (arrest Hof van 22 oktober 2002, Roquette Frères, C‑94/00, Jurispr. blz. I‑9011, punten 23 en 24, en arrest Gerecht van 20 februari 2001, Mannesmannröhren-Werke/Commissie, T‑112/98, Jurispr. blz. II‑729, punt 60).

31 Dienaangaande zij herinnerd aan de bewoordingen van artikel 7, lid 1, EVRM:

„Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.”

32 Volgens het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: „EHRM”) impliceert dat beginsel dat de wet een duidelijke omschrijving geeft van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de daaraan door de rechter gegeven interpretatie, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld (zie met name EHRM, arrest Coëme e.a. v. België van 22 juni 2000, Recueil des arrêts et décisions, 2000-VII, blz. 1, § 145).

33 Daarnaast vereist artikel 7, lid 1, EVRM niet dat de bepalingen op grond waarvan die sancties worden opgelegd zo nauwkeurig zijn geformuleerd, dat de mogelijke gevolgen van een inbreuk daarop met absolute zekerheid voorzienbaar zijn. Volgens de rechtspraak van het EHRM brengen vage begrippen in de bepaling immers niet noodzakelijkerwijs een schending van artikel 7 EVRM met zich, en is het feit dat een wet een beoordelingsmarge toekent op zich niet in strijd met het vereiste van voorzienbaarheid, mits de strekking en de wijze van uitoefening van een dergelijke bevoegdheid, gelet op het betrokken rechtmatige doel, voldoende duidelijk zijn omschreven om de justitiabele naar behoren tegen willekeur te beschermen (EHRM, arrest Margareta en Roger Andersson v. Zweden van 25 februari 1992, série A, nr. 226, § 75). In dat verband houdt het EHRM niet alleen rekening met de wettekst zelf, maar ook met de vraag of de gebezigde onbepaalde begrippen in vaste en gepubliceerde rechtspraak zijn gepreciseerd (EHRM, arrest G. v. Frankrijk van 27 september 1995, série A, nr. 325‑B, § 25).

34 Wat de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten betreft, biedt niets het Gerecht de mogelijkheid het legaliteitsbeginsel, dat een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is, anders uit te leggen dan uit het voorgaande volgt. Verzoeksters doen niet meer dan zonder nadere onderbouwing stellen dat er op nationaal niveau geen vergelijkbaar voorschrift bestaat volgens hetwelk een autoriteit bijna onbeperkt geldboeten mag opleggen.

35 Aangaande de verenigbaarheid van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 met het beginsel van legaliteit van sancties, zoals dit beginsel door de gemeenschapsrechter in overeenstemming met de zienswijze van het EHRM en de constitutionele tradities van de lidstaten is erkend, moet worden vastgesteld dat de Commissie in casu, anders dan verzoeksters beweren, niet over een onbeperkte beoordelingsmarge beschikt bij de vaststelling van geldboeten wegens inbreuk op de mededingingsregels.

36 Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 beperkt immers zelf de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie. Met de precisering dat „[de Commissie,] wanneer ondernemingen [...] inbreuk maken [...] bij beschikking aan deze ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten [kan] opleggen van ten minste duizend en ten hoogste één miljoen [EUR], of tot een bedrag van ten hoogste tien procent van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, indien bedoeld bedrag hoger is dan één miljoen [EUR]”, wordt een bovengrens voor de geldboeten vastgesteld die gekoppeld is aan de omzet van de betrokken ondernemingen, met andere woorden aan een objectief criterium. Ook al bestaat er bijgevolg geen absolute bovengrens voor alle inbreuken op de mededingingsregels, toch geldt er een absolute en becijferbare bovengrens voor de mogelijke geldboete, die voor iedere inbreuk wordt berekend voor elke betrokken onderneming, zodat de maximumboete die aan een gegeven onderneming kan worden opgelegd, vooraf kan worden bepaald. Daarnaast verplicht deze bepaling de Commissie bij de vaststelling van de geldboeten telkens „niet alleen rekening te houden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk”.

37 Dat die twee criteria de Commissie inderdaad een ruime beoordelingsmarge geven, neemt niet weg dat deze criteria door andere wetgevers in vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen, en dat die criteria de Commissie in staat stellen bij de vaststelling van sancties rekening te houden met de ernst van de onrechtmatigheid van de betrokken gedraging.

38 Verder moet worden vastgesteld dat de Raad, door bij inbreuken op de mededingingsregels te voorzien in geldboeten tussen 1 000 EUR en 10 % van de omzet van de betrokken onderneming, de Commissie geen al te grote speelruimte heeft gelaten. In het bijzonder moet worden vastgesteld dat de bovengrens van 10 % van de omzet van de betrokken onderneming redelijk is, gelet op de belangen die de Commissie in het kader van de vervolging en bestraffing van dergelijke inbreuken beschermt.

39 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 voorgeschreven sancties in geval van schending van de artikelen 81 EG en 82 EG een belangrijk instrument vormen waarover de Commissie beschikt om toe te zien op de invoering in de Gemeenschap van een „regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst” (artikel 3, lid 1, sub g, EG). Door dat regime kan de Gemeenschap haar taak vervullen, die erin bestaat door het instellen van een gemeenschappelijke markt binnen de gehele Gemeenschap met name een harmonische, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische activiteit en een hoge graad van concurrentievermogen te bevorderen (artikel 2 EG). Dat regime is bovendien noodzakelijk voor de invoering in de Gemeenschap van een economisch beleid dat wordt gevoerd met inachtneming van het beginsel van een openmarkteconomie met vrije mededinging (artikel 4, leden 1 en 2, EG). Zo maakt artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 de toepassing mogelijk van een regime dat overeenkomt met de fundamentele taken van de Gemeenschap.

40 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 de Commissie weliswaar een zekere beoordelingsmarge toekent, maar tegelijkertijd criteria en grenzen vaststelt waaraan de Commissie zich heeft te houden bij de uitoefening van haar bevoegdheid om geldboeten op te leggen.

41 Bovendien moet worden opgemerkt dat de Commissie bij de vaststelling van geldboeten op grond van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het beginsel van gelijke behandeling en het evenredigheidsbeginsel, zoals die in de rechtspraak van het Hof en het Gerecht zijn uitgelegd, in acht dient te nemen. Hieraan moet ook worden toegevoegd dat deze beide gerechten krachtens artikel 229 EG en artikel 17 van verordening nr. 17 volledige rechtsmacht hebben ter zake van beroepen tegen beschikkingen van de Commissie tot vaststelling van geldboeten, en dat zij de beschikkingen van de Commissie dus niet alleen nietig kunnen verklaren, maar eveneens de opgelegde geldboete kunnen intrekken, verlagen of verhogen. De bestuurlijke praktijk van de Commissie is aldus onderworpen aan volle toetsing door de gemeenschapsrechter. Anders dan verzoeksters stellen, treedt de gemeenschapsrechter, die naar hun oordeel met de taak van de wetgever is belast, met die toetsing niet buiten de grenzen van zijn bevoegdheden in strijd met artikel 7, lid 1, EG, aangezien vorenbedoelde bepalingen, waarvan de geldigheid niet wordt betwist, uitdrukkelijk in een dergelijke toetsing voorzien, en de gemeenschapsrechter bij die toetsing de criteria van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 in acht neemt.

42 Overigens heeft de Commissie zelf op grond van de in de rechtspraak van het Hof en het Gerecht gepreciseerde criteria van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 een algemeen bekende en toegankelijke beschikkingspraktijk ontwikkeld. Hoewel de eerdere beschikkingspraktijk van de Commissie niet als zodanig als rechtskader voor geldboeten in mededingingszaken kan dienen (zie in die zin arresten Hof van 21 september 2006, JCB Service/Commissie, C‑167/04, Jurispr. blz. I‑8935, punten 201 en 205, en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C‑76/06 P, Jurispr. blz. I‑4405, punt 60), mag de Commissie ingevolge het beginsel van gelijke behandeling, een algemeen rechtsbeginsel dat deze laatste in acht moet nemen, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk behandelen, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest Hof van 13 december 1984, Sermide, 106/83, Jurispr. blz. 4209, punt 28, en arrest Gerecht van 14 mei 1998, BPB de Eendracht/Commissie, T‑311/94, Jurispr. blz. II‑1129, punt 309).

43 Volgens vaste rechtspraak kan de Commissie het niveau van de geldboeten te allen tijde aanpassen, indien de doeltreffende toepassing van de communautaire mededingingsregels dit vereist (arrest Hof van 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie, 100/80‑103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 109, en arrest Gerecht van 20 maart 2002, LR AF 1998/Commissie, T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punten 237), zodat een dergelijke wijziging in een bestuurlijke praktijk geacht kan worden haar objectieve rechtvaardiging te vinden in de doelstelling van algemene preventie van inbreuken op de communautaire mededingingsregels. De door verzoeksters aangehaalde en bestreden recente verhoging van het niveau van de geldboeten kan dus op zich niet als een inbreuk op het beginsel van de legaliteit van sancties worden aangemerkt, daar zij binnen het wettelijke kader blijft van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, zoals dit door de gemeenschapsrechter is uitgelegd.

44 Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat de Commissie met het oog op transparantie en een grotere rechtszekerheid voor de betrokken ondernemingen, richtsnoeren bekend heeft gemaakt waarin zij uiteenzet welke berekeningsmethode zij concreet zal hanteren bij de toepassing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en artikel 65, lid 5, KS (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”). Dienaangaande heeft het Hof trouwens vastgesteld dat de Commissie, door dergelijke gedragsregels vast te stellen en via de publicatie ervan te doen weten dat zij ze voortaan op de betrokken gevallen zal toepassen, de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid beperkt en van die regels niet kan afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen als het gelijkheids‑ en het vertrouwensbeginsel. Bovendien vormen de richtsnoeren weliswaar niet de rechtsgrondslag van de beschikking, maar zij bepalen toch op algemene en abstracte wijze de methode die de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van bij bedoelde beschikking opgelegde geldboeten dient te volgen, en waarborgen derhalve de rechtszekerheid van de ondernemingen (arrest Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, punten 211 en 213). Hieruit volgt dat de vaststelling van de richtsnoeren door de Commissie, aangezien zij binnen het wettelijke kader van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 is gebleven, niets anders is dan een precisering van de uit die bepaling zelf voortvloeiende grenzen van de uitoefening door de Commissie van haar discretionaire bevoegdheid, zonder dat hieruit kan worden afgeleid dat de gemeenschapswetgever aanvankelijk tekort is geschoten bij de bepaling van de grenzen van de bevoegdheid van de Commissie op het betrokken gebied.

45 Bijgevolg kan een bedachtzaam marktdeelnemer zich op basis van de verschillende hiervoor vermelde elementen, zonodig met de bijstand van een juridisch adviseur, een voldoende nauwkeurig beeld vormen van de berekeningsmethode en de omvang van de aan een bepaald gedrag verbonden geldboeten. Dat die marktdeelnemer het niveau van de geldboeten die de Commissie in een concreet geval zal opleggen niet nauwkeurig kan kennen, kan geen schending opleveren van het beginsel van legaliteit van sancties. Wegens de ernst van de inbreuken waarvoor de Commissie sancties dient op te leggen, rechtvaardigen de doelstellingen van bestraffing en afschrikking immers dat ondernemingen niet de mogelijkheid wordt geboden het voordeel in te schatten dat hun deelname aan een inbreuk zou opleveren, door van meet af aan het bedrag van de geldboete die hun wegens die onrechtmatige gedraging zal worden opgelegd, in te calculeren.

46 Hierbij zij opgemerkt dat, zelfs zo de ondernemingen het niveau van de geldboeten die de Commissie in een concreet geval zal vaststellen vooraf niet nauwkeurig kunnen kennen, de Commissie ingevolge artikel 253 EG de beschikking waarbij een geldboete wordt opgelegd met redenen dient te omkleden – ook al is de context van de beschikking in het algemeen bekend –, met name inzake het bedrag van de opgelegde geldboete en de in dat verband gekozen methode. In de motivering moet de redenering van de Commissie zo duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking komen, dat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en derhalve het nut van een beroep bij de gemeenschapsrechter kunnen beoordelen, en die rechter in voorkomend geval zijn toezicht kan uitoefenen.

47 Ten slotte faalt het argument dat de Raad, door de vaststelling van het kader voor geldboeten in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, heeft verzaakt aan zijn verplichting om duidelijk de grenzen van de aan de Commissie toegekende bevoegdheid aan te geven, en in feite dus in strijd met de artikelen 83 EG en 229 EG aan de Commissie een bevoegdheid heeft overgedragen die door het Verdrag aan hem was toegekend.

48 Enerzijds laat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, zoals reeds uiteengezet, de Commissie dus wel een ruime beoordelingsmarge, maar beperkt het de uitoefening ervan door de vaststelling van objectieve criteria die de Commissie binden. Anderzijds is verordening nr. 17 vastgesteld op grond van artikel 83, lid 1, EG, waarin het heet dat „de verordeningen of richtlijnen dienstig voor de toepassing van de beginselen neergelegd in de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] door de Raad [...] op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, [worden] vastgesteld”. Overeenkomstig artikel 83, lid 2, sub a en d, EG strekken die verordeningen of richtlijnen met name ertoe de „nakoming van de in artikel 81, lid 1, [EG] en in artikel 82 [EG] bedoelde verbodsbepalingen te verzekeren door de instelling van geldboeten en dwangsommen”, respectievelijk „de taak van de Commissie onderscheidenlijk van het Hof van Justitie bij de toepassing van de in dit lid bedoelde bepalingen vast te stellen”. Voorts zij eraan herinnerd, dat de Commissie krachtens artikel 211, eerste streepje, EG „[toeziet] op de toepassing zowel van de bepalingen van dit Verdrag als van de bepalingen welke de instellingen krachtens dit Verdrag vaststellen”, en dat zij, op grond van het derde streepje van dit artikel, een „eigen beslissingsbevoegdheid” heeft.

49 Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de bevoegdheid om bij schending van de artikelen 81 EG en 82 EG geldboeten op te leggen aanvankelijk een bevoegdheid van de Raad was, die deze aan de Commissie zou hebben overgedragen, of deze laatste, in de zin van artikel 202, derde streepje, EG, met de uitvoering ervan zou hebben belast. Ingevolge de hiervoor aangehaalde verdragsbepalingen behoort die bevoegdheid immers tot de aan de Commissie toebedeelde taak om op de toepassing van het gemeenschapsrecht toe te zien, welke taak voor de toepassing van de artikelen 81 EG en 82 EG in verordening nr. 17 is gepreciseerd, afgebakend en geformaliseerd. De bij die verordening aan de Commissie verleende bevoegdheid tot het opleggen van geldboeten resulteert dus uit de verdragsbepalingen zelf en heeft tot doel de daadwerkelijke toepassing van de in bedoelde artikelen vastgestelde verboden mogelijk te maken (zie in die zin arrest Gerecht van 12 juli 2001, Tate & Lyle e.a./Commissie, T‑202/98, T‑204/98 en T‑207/98, Jurispr. blz. II‑2035, punt 133). Verzoeksters’ argument faalt dus.

50 Uit een en ander volgt dat de exceptie van onwettigheid van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 ongegrond is (zie in die zin arresten Gerecht van 27 september 2006, Jungbunzlauer/Commissie, T‑43/02, Jurispr. blz. II‑3435, punten 69‑92, en 5 april 2006, Degussa/Commissie, T‑279/02, Jurispr. blz. II‑897, punten 66‑88).

51 „Subsidiair” betogen verzoeksters, ten slotte, dat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 met het legaliteitsbeginsel verenigbaar zou kunnen zijn indien de Commissie dit restrictief zou uitleggen, iets waartoe zij niet bereid is.

52 Verzoeksters maken enkel algemene opmerkingen over de wijze waarop de Commissie algemeen haar beleid ten aanzien van geldboeten zou moeten wijzigen door een transparante en coherente beschikkingspraktijk te ontwikkelen, zonder dat zij evenwel een concrete grief tegen de beschikking inroepen.

Hoofdelijke aansprakelijkheid van Schunk GmbH en SKT

53 Vooraf moet worden opgemerkt dat, anders dan verzoeksters beweren, de omstandigheden waaronder Schunk GmbH adressaat van de beschikking is geworden, daarin duidelijk zijn aangegeven.

54 Uit punt 257 van de beschikking volgt dat de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat „hoewel [SKT] de rechtspersoon was die rechtstreeks aan het kartel heeft deelgenomen, Schunk GmbH, in de hoedanigheid van 100 % moedermaatschappij, ten tijde van de inbreuk beslissende invloed kon uitoefenen op het commerciële beleid van [SKT], en dat kan worden aangenomen dat zij die ook daadwerkelijk op haar deelname aan het kartel heeft uitgeoefend”. De Commissie was dus van oordeel dat deze beide ondernemingen „de economische eenheid vorm[d]en die elektrische en mechanische koolstof‑ en grafietproducten in de EER produceert en verkoopt en die aan het kartel heeft deelgenomen” en dat zij dus hoofdelijk aansprakelijk moesten worden gesteld voor de gepleegde inbreuk.

55 Er moet in dit verband aan worden herinnerd dat het mededingingsverstorend gedrag van een onderneming aan een andere onderneming kan worden toegerekend wanneer eerstgenoemde onderneming niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalde, maar in hoofdzaak de door laatstgenoemde onderneming verstrekte instructies volgde, in het bijzonder gelet op de economische en juridische banden die hen verenigden (arrest Hof van 16 november 2000, Metsä-Serla e.a./Commissie, C‑294/98 P, Jurispr. blz. I‑10065, punt 27, en arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie, punt 44 supra, punt 117). Aldus kan de gedraging van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij worden toegerekend wanneer de dochteronderneming haar gedragslijn niet zelfstandig bepaalt, doch in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, daar deze beide ondernemingen een economische eenheid vormen (arrest Hof van 14 juli 1972, ICI/Commissie, 48/69, Jurispr. blz. 619, punten 133 en 134).

56 In het specifieke geval waarin een moedermaatschappij voor 100 % het kapitaal in handen heeft van haar dochteronderneming die een inbreuk heeft gepleegd, bestaat een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het gedrag van haar dochteronderneming (zie in die zin arrest Hof van 25 oktober 1983, AEG/Commissie, 107/82, Jurispr. blz. 3151, punt 50, en arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, ook wel „PVC II”, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punten 961 en 984), en dat dus sprake is van één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG (arrest Gerecht van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie; hierna: „arrest Tokai II”, punt 59). Het staat derhalve aan de moedermaatschappij die bij de gemeenschapsrechter opkomt tegen een beschikking van de Commissie waarbij haar een geldboete wordt opgelegd wegens een gedraging van haar dochteronderneming, om dit vermoeden te weerleggen door bewijzen voor de autonomie van haar dochter aan te voeren (arrest Gerecht van 27 september 2006, Avebe/Commissie, T‑314/01, Jurispr. blz. II‑3085, punt 136; zie in die zin ook arrest Hof van 16 november 2000, Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, C‑286/98 P, Jurispr. blz. I‑9925; hierna: „arrest Stora”, punt 29).

57 In dit verband moet worden beklemtoond dat hoewel het Hof in de punten 28 en 29 van het arrest Stora, punt 56 supra, niet alleen heeft gewezen op het bezit van 100 % van het kapitaal van de dochteronderneming, maar ook op andere omstandigheden, zoals het feit dat de invloed van de moedermaatschappij op het commerciële beleid van haar dochteronderneming niet werd betwist en dat de twee vennootschappen in de administratieve procedure dezelfde vertegenwoordiger hadden, het Hof die omstandigheden slechts heeft vermeld teneinde alle elementen uiteen te zetten waarop het Gerecht zijn redenering had gebaseerd, en te concluderen dat deze redenering niet uitsluitend was gebaseerd op het bezit van het volledige kapitaal van de dochteronderneming door haar moedermaatschappij. Dat het Hof het oordeel van het Gerecht in die zaak heeft bevestigd, kan er derhalve niet toe leiden dat het in punt 50 van het arrest AEG/Commissie (punt 56 supra) neergelegde beginsel wordt gewijzigd. Daaraan moet worden toegevoegd dat het Hof in punt 29 van het arrest Stora, punt 56 supra, uitdrukkelijk heeft aangegeven dat „wanneer de moedermaatschappij het volledige kapitaal van de dochtermaatschappij bezat, het Gerecht terecht mocht aannemen dat, zoals de Commissie heeft gesteld, de moedermaatschappij metterdaad een beslissende invloed had op het gedrag van haar dochter” en dat in die omstandigheden rekwirante dit vermoeden met afdoende bewijzen diende te weerleggen.

58 In de onderhavige zaak heeft Schunk GmbH ter terechtzitting en in antwoord op een vraag van het Gerecht uitdrukkelijk bevestigd dat zij SKT ten tijde van de inbreuk 100 % controleerde. Derhalve moet worden vermoed dat Schunk GmbH metterdaad een beslissende invloed op het gedrag van haar dochteronderneming uitoefende, behoudens weerlegging van dit vermoeden door bewijselementen waaruit de autonomie van SKT blijkt.

59 Uit de stukken van Schunk GmbH volgt dat haar argumentatie ten aanzien van de autonomie van SKT in wezen is gebaseerd op de enkele verklaring inzake haar specifieke aard, namelijk die van een houdstermaatschappij. Schunk GmbH leidt hier de functionele onafhankelijkheid van SKT uit af en beroept zich op de organisatorische onafhankelijkheid van deze laatste, hetgeen de stelling van de Commissie zou weerleggen dat Schunk GmbH en SKT een economische eenheid vormen en in casu als één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG hebben gehandeld.

60 Het begrip holding dekt verschillende situaties, maar over het algemeen kan een holding worden gedefinieerd als een vennootschap die deelnemingen in één of meerdere vennootschappen heeft ten einde deze te controleren.

61 In punt 260 van de beschikking herinnert de Commissie aan artikel 3 van de statuten van Schunk GmbH, volgens hetwelk „de doelstelling van de onderneming bestaat uit de verwerving, de verkoop, het beheer, meer bepaald het strategisch beheer over industriële deelnemingen”.

62 Hoewel deze omschrijving van het vennootschappelijk doel van Schunk GmbH haar stelling ondersteunt dat zij niet meer is dan een financiële holding die geen enkele industriële of commerciële activiteit uitoefent, is de uitdrukking „strategisch beheer over industriële deelnemingen” voldoende ruim om daaronder een beheers‑ of bestuursactiviteit te begrijpen en in de praktijk mogelijk te maken. Datzelfde artikel 3 van de statuten van Schunk GmbH bepaalt eveneens dat „de onderneming bevoegd is om alle maatregelen te nemen die direct of indirect dienstig zijn aan de doelstelling” die in het vorige punt is omschreven.

63 Bovendien is in de context van een groep van ondernemingen, zoals in het onderhavige geval, een houdstermaatschappij een onderneming die deelnemingen in verschillende vennootschappen tracht te groeperen en die tot taak heeft ervoor te zorgen dat deze onder één enkel bestuur staan. Uit punt 30 van de beschikking volgt dat Schunk GmbH de belangrijkste moedermaatschappij van de groep Schunk is, die meer dan 80 dochterondernemingen telt, en dat zij „onder meer verantwoordelijk is voor de divisie ,grafiet en ceramiek’ van de groep, die met name actief is op het gebied van elektrische en mechanische koolstof‑ en grafietproducten”.

64 Het bestaan van eenheid in het bestuur en in de coördinatie wordt bevestigd door de omstandigheden waarin SKT haar omzet over 1998 heeft gedefinieerd en gepresenteerd aan de Commissie, namelijk door te verklaren dat zij uit haar omzet de waarde van de borstels die waren voorgeïnstalleerd op borstelhouders, mocht weglaten.

65 In punt 262 van de beschikking merkt de Commissie immers het volgende op:

„Deze borstelhouders worden geproduceerd door Schunk Metall- und Kunststofftechnik GmbH, een andere dochteronderneming binnen de groep Schunk. Indien [SKT] daadwerkelijk een autonoom commercieel beleid zou hebben gevoerd, zou zij stelselmatig de verkoop van deze borstels aan Schunk Metall- und Kunststofftechnik GmbH in de gegevens over haar omzet hebben opgenomen. Het feit dat zij heeft voorgesteld om niet aldus te werk te gaan, toont aan dat het verkopen betreft die een overdracht impliceren aan een andere onderneming van de groep, die onderworpen is aan de zeggenschap van juridische entiteiten die binnen de groep Schunk een hogere positie bekleden, en geen autonome verkopen aan een onafhankelijke koper. In werkelijkheid heeft [SKT] deze verkopen aan Schunk Metall- und Kunststofftechnik GmbH als ,interne omzet’ en als ,eigen gebruik’ gekwalificeerd.”

66 De aldus omschreven situatie wijst er ontegensprekelijk op dat met de belangen van de groep rekening wordt gehouden en weerlegt de bewering dat SKT volledig onafhankelijk is. Ook moet nog het belang worden benadrukt dat de dochteronderneming SKT vertegenwoordigt voor de groep Schunk en Schunk GmbH in het bijzonder, die houdster is van het volledige kapitaal van SKT. Terwijl de groep in het jaar 2002 een geconsolideerde omzet van 584 miljoen EUR liet optekenen, heeft SKT in dat jaar een totale omzet van 113,6 miljoen EUR gerealiseerd.

67 De Commissie verwijst naast de bewoordingen van artikel 3 van de statuten van Schunk GmbH, naar de specifieke rechtsvorm van SKT, die is opgericht als vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (Gesellschaft mit beschränkter Haftung, GmbH). Schunk GmbH heeft geen bezwaren geuit tegen punt 259 van de beschikking, dat als volgt is verwoord:

„Volgens Duits vennootschapsrecht oefenen de [vennoten] van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (GmbH) nauwgezet controle uit over het bestuur van de GmbH. Zo benoemen en ontslaan zij de algemeen directeuren van de GmbH. Zij nemen ook de nodige maatregelen om te onderzoeken en te controleren hoe de GmbH wordt bestuurd. De algemeen directeuren van de GmbH zijn daarnaast verplicht om op verzoek van elke [vennoot] onmiddellijk inlichtingen te verstrekken over de activiteiten van de onderneming en toegang tot haar boekhouding en bescheiden te verschaffen.”

68 Schunk GmbH betoogt dat er op organisatorisch vlak tussen beide ondernemingen geen persoonlijke verwevenheid bestaat in de zin van „personeelsstructuren die meerdere ondernemingen gemeen hebben, zoals eenzelfde persoon die over een langere periode in de raad van bestuur van meerdere ondernemingen tegelijk zetelt, of wederzijdse benoemingen in de raad van commissarissen en de raad van bestuur”.

69 Niettemin moet worden vastgesteld dat Schunk GmbH geen enkel schriftelijk bewijs ter onderbouwing van haar stellingen aanbiedt, welk bewijs nochtans had kunnen worden overgelegd wat de lijst van benoemingen in de statutaire organen van beide ondernemingen ten tijde van de inbreuk betreft.

70 In die omstandigheden is het feit dat op basis van het vennootschappelijke doel van Schunk GmbH kan worden geconcludeerd dat deze laatste een houdstermaatschappij is die statutair gezien tot doel heeft haar deelnemingen in andere vennootschappen te beheren, als zodanig onvoldoende ter weerlegging van het vermoeden dat voortvloeit uit het feit dat zij het volledige maatschappelijke kapitaal van SKT in handen heeft.

71 Door deze conclusie hoeft geen verder onderzoek te worden gedaan naar de bewijskracht van een aanwijzing in punt 261 van de beschikking waarmee moest worden aangetoond dat het bestuur van Schunk GmbH niet onkundig kon zijn van de deelname van SKT aan de mededingingsbeperkende overeenkomsten, namelijk de rol van F., wiens naam voorkwam in het adresboek van een vertegenwoordiger van Morgan en die vervolgens algemeen directeur van Schunk GmbH is geworden.

72 Vervolgens zijn de parallel die Schunk GmbH trekt met de situatie van Hoffmann en de autonome behandeling die deze laatste van de Commissie krijgt irrelevant, daar de Commissie is uitgegaan van de specifieke aansprakelijkheid van deze onderneming voor de periode september 1994 tot en met oktober 1999, dus vóór haar overname door Schunk GmbH.

73 Schunk GmbH beweert ten slotte dat een moedermaatschappij slechts voor een door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk aansprakelijk kan worden gesteld indien een persoonlijke overtreding van de mededingingsregels door de moedermaatschappij wordt aangetoond, en dat de toerekening van een door een andere persoon begane overtreding indruist tegen het beginsel van de individuele aansprakelijkheid, dat voorschrijft dat een rechtssubject niet kan worden bestraft als hem geen persoonlijke overtreding kan worden verweten.

74 Het volstaat vast te stellen dat het betoog van Schunk GmbH berust op de onjuiste premisse dat ten aanzien van haar geen inbreuk is vastgesteld. Uit punt 257 en artikel 1 van de beschikking volgt juist dat Schunk GmbH persoonlijk is veroordeeld wegens een inbreuk die zij wordt geacht zelf te hebben begaan wegens de economische en juridische banden die haar met SKT verenigden en die haar in staat stelden, het marktgedrag van laatstgenoemde te bepalen (zie in die zin arrest Metsä-Serla e.a./Commissie, punt 55 supra, punt 34).

75 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat Schunk GmbH niet heeft aangetoond dat de Commissie haar ten onrechte, tezamen met SKT, hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor betaling van de geldboete van 30,87 miljoen EUR.

76 Bijgevolg berust het betoog dat de Commissie artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 onjuist heeft toegepast door rekening te houden met de wereldwijde omzet van Schunk GmbH, die ten onrechte tezamen met SKT hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, op een onjuiste premisse en moet het worden afgewezen.

Betwistingen van de inbreuk

– Voorafgaande overwegingen

77 Zoals hiervoor is uiteengezet, bevatten de argumenten die verzoeksters aanvoeren ter ondersteuning van hun grief dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete, elementen waarmee de door de Commissie vastgestelde inbreuk wordt betwist en derhalve de aansprakelijkheid van de betrokken ondernemingen aan de orde wordt gesteld.

78 Zo betogen verzoeksters dat de Commissie ten onrechte meent dat:

– de in het kartel verwikkelde ondernemingen gezamenlijk hadden besloten af te zien van het maken van reclame en van deelname aan beurzen;

– SKT deel had genomen aan de overeenkomsten betreffende een verbod van leveringen van koolstofblokken aan uitsnijders;

– er ten aanzien van de producten en klanten in de sectoren van de automobieluitrustingen en consumptiegoederen mededingingsbeperkende overeenkomsten waren gesloten;

– de betrokken ondernemingen een „globaal plan hadden gevolgd om de structuur van de mededinging op de markt duurzaam te wijzigen door middel van overnames van ondernemingen”, nu een dergelijk plan nooit had bestaan of enkel door SGL en Morgan kon zijn bedacht of uitgevoerd, ten nadele van verzoeksters;

– de betrokken ondernemingen een uiterst geraffineerd mechanisme hadden gebruikt om hun overeenkomsten te controleren en ten uitvoer te leggen.

79 In reactie op deze beweringen heeft de Commissie betoogd dat verzoeksters in hun antwoord op de mededeling van punten van bezwaar sommige daarin opgenomen feiten niet hebben betwist, welke feiten nu pas in het bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring voor het eerst worden betwist. Tijdens de administratieve procedure erkende feiten moeten volgens de rechtspraak als vaststaand worden beschouwd en kunnen voor de rechter niet meer worden betwist.

80 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de mededeling van punten van bezwaar, die erop gericht is te verzekeren dat de ondernemingen aan welke zij is gericht hun rechten van de verdediging doeltreffend kunnen uitoefenen, tot gevolg heeft dat het voorwerp van de tegen een onderneming ingeleide procedure wordt afgebakend in die zin dat daarbij het standpunt van de Commissie ten opzichte van die onderneming wordt bepaald en dat de instelling in haar beschikking slechts die punten van bezwaar in aanmerking mag nemen die in de mededeling zijn opgenomen (zie in die zin arresten Hof van 14 juli 1972, Francolor/Commissie, 54/69, Jurispr. blz. 851, punt 12, en 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punt 86).

81 De Commissie moet met name op basis van de antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar door de ondernemingen die de adressaten van die mededeling zijn haar standpunt bepalen omtrent het gevolg dat aan de administratieve procedure moet worden gegeven.

82 De instelling is gerechtigd en in voorkomend geval verplicht, tijdens de administratieve procedure tot een nieuw onderzoek over te gaan wanneer het verloop van deze procedure de noodzaak van aanvullende verificaties aan de dag doet treden (arrest Hof van 14 juli 1972, Geigy/Commissie, 52/69, Jurispr. blz. 787, punt 14), welke de Commissie er toe kunnen brengen een aanvullende mededeling van punten van bezwaar aan de ondernemingen te richten.

83 Zij kan in het licht van de op de mededeling van punten van bezwaar gegeven antwoorden, en meer bepaald de erkenning van de verweten feiten door de betrokken ondernemingen en de tijdens het onderzoek verzamelde elementen, ook menen dat zij in staat is een eindbeschikking vast te stellen waarmee aan de administratieve procedure en haar taak om de aan de inbreuk ten grondslag liggende feiten vast te stellen en te bewijzen, een einde komt. In deze beschikking stelt de Commissie de aansprakelijkheid van de betrokken ondernemingen vast en bepaalt zij in voorkomend geval de hoogte van de aan hen opgelegde geldboeten.

84 Het Hof heeft in die context in punt 37 van het arrest van 16 november 2000, SCA Holding/Commissie (C‑297/98 P, Jurispr. blz. I‑10101), geoordeeld dat de Commissie zonder uitdrukkelijke bekentenis van de beschuldigde onderneming de feiten nog moet bewijzen, terwijl de onderneming de vrijheid behoudt om te zijner tijd en met name tijdens de contentieuze procedure, alle verweermiddelen die haar nuttig lijken, aan te wenden. Daaruit volgt evenwel dat dit niet het geval kan zijn wanneer de betrokken onderneming de feiten heeft erkend (arresten Gerecht van 9 juli 2003, Archer Daniels Midland en Archer Daniels Midland Ingredients/Commissie, T‑224/00, Jurispr. blz. II‑2597, punt 227, en 29 april 2004, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑236/01, T‑239/01, T‑244/01–T‑246/01, T‑251/01 en T‑252/01, Jurispr. blz. II‑1181, hierna: „arrest Tokai I”, punt 108; zie in die zin ook arrest Tokai II, punt 56 supra, punten 324 en 326).

85 Die rechtspraak heeft niet tot doel om de instelling van beroep door een door de Commissie bestrafte onderneming te beperken, maar te verduidelijken welke betwisting bij de rechter kan worden aangebracht om te voorkomen dat de vaststelling van de aan de inbreuk ten grondslag liggende feiten van de Commissie naar het Gerecht verschuift, waarbij eraan wordt herinnerd dat dit laatste, ingeval bij hem beroep uit hoofde van artikel 230 EG wordt ingesteld, bevoegd is om in het kader van zijn volledige rechtsmacht de geldigheid van de bestreden beschikking na te gaan en deze in voorkomend geval te herzien (beschikking Gerecht van 9 november 2004, FNICGV/Commissie, T‑252/03, Jurispr. blz. II‑3795, punt 24).

86 In het onderhavige geval heeft de Commissie verzoeksters op 23 mei 2003 een mededeling van punten van bezwaar gezonden en daarbij een termijn van acht weken gesteld om daarvan kennis te nemen en er een antwoord op te formuleren. Gedurende die periode hebben verzoeksters, daarin bijgestaan door hun raadslieden, de gelegenheid gehad om de punten van bezwaar die door de Commissie jegens hen in aanmerking zijn genomen te analyseren en om met kennis van zaken te besluiten welk standpunt zij, ook gelet op de bewoordingen van de mededeling inzake medewerking, dienden in te nemen.

87 In haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar heeft Schunk GmbH aangegeven dat zij de feiten waarop de Commissie haar beschuldigingen baseert en de juridische kwalificatie van die feiten als een verboden kartel en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging niet fundamenteel betwist, maar dat zij opkomt tegen het feit dat een door SKT gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht aan haar wordt toegerekend. Het antwoord van Schunk GmbH is dus gewijd aan de vaststelling van hoofdelijke aansprakelijkheid met SKT.

88 SKT heeft haar antwoord in een bijzondere vorm gegoten, in die zin dat het een inleiding bevat waarin in algemene bewoordingen het volgende is aangegeven:

„[SKT] betwist de feiten niet fundamenteel [...] Zij betwist evenmin de juridische kwalificatie van die feiten als een verboden kartel en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging. [SKT] komt in de onderhavige opmerkingen uitsluitend op tegen sommige beoordelingen van de feiten en de juridische conclusies van de Commissie. Wij vullen dus het feitenrelaas op sommige punten aan.”

89 De gekozen bewoordingen laten een algehele uitdrukkelijke erkenning zien van niet alleen de gebruikte feiten, maar ook de juridische kwalificaties ervan in de mededeling van punten van bezwaar, vergezeld evenwel van een voorbehoud betreffende sommige feiten en conclusies rechtens die de Commissie daaruit heeft getrokken.

90 In dit verband moet worden benadrukt dat de Commissie Schunk een verlaging van het bedrag van de geldboete met 10 % heeft toegekend, welk percentage zij tijdens de terechtzitting heeft gepreciseerd, uit hoofde van punt D, lid 2, tweede gedachtestreepje, van de mededeling inzake samenwerking, waarin het recht op een dergelijke vermindering is voorzien indien „de onderneming na ontvangst van de mededeling van de punten van bezwaar aan de Commissie mededeelt dat zij de feiten waarop de Commissie haar beschuldigingen baseert, niet fundamenteel betwist”.

91 Bijgevolg moet worden nagegaan of de hiervóór in punt 78 genoemde betwistingen de door SKT in haar antwoord op de mededeling van bezwaar gemaakte voorbehouden omvatten.

– Verbod van reclame

92 De Commissie betoogt dat verzoeksters voor het eerst in het inleidend verzoekschrift het bestaan betwisten van een overeenkomst betreffende reclame en de deelname aan beurzen die uitdrukkelijk in de mededeling van punten van bezwaar is vermeld, terwijl verzoeksters beweren dat zij de juistheid van het betrokken feit tijdens de administratieve procedure nimmer hebben erkend.

93 Vastgesteld moet worden dat het punt van het verbod van reclame uitdrukkelijk is vermeld in de punten 106 en 107 van de mededeling van punten van bezwaar. De Commissie heeft aangegeven dat de kartelleden overeen waren gekomen om geen reclame te maken en niet deel te nemen aan jaarbeurzen en tentoonstellingen (punt 106) en zij verwijst uitdrukkelijk naar het feit dat tijdens de bijeenkomst van 3 april 1998, het technisch comité onder de titel „Regels inzake reclame” had vastgesteld dat „Morgan Cupex en Pantrak reclame hebben gemaakt voor koolstofborstels, hetgeen niet was toegestaan” (punt 107).

94 SKT en Schunk GmbH hebben in hun antwoorden op de mededeling van punten van bezwaar aangegeven dat zij de feiten en de juridische kwalificatie van die feiten als een verboden kartel en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging niet fundamenteel betwisten, behoudens, wat SKT betreft, sommige beoordelingen en conclusies van de Commissie genoemd in de punten 3 tot en met 33 van haar antwoord. In deze punten wordt evenwel niet verwezen naar de beoordelingen en conclusies van de Commissie ten aanzien van het verbod van reclame.

95 In die omstandigheden moet worden overwogen dat verzoeksters duidelijk het bestaan hebben erkend van een mededingingsbeperkende overeenkomst over het verbod van reclame, die niet meer voor het eerst bij het Gerecht kan worden betwist.

– Levering van koolstofblokken

96 SKT betoogt dat zij, anders dan de Commissie beweert, niet heeft deelgenomen aan de overeenkomsten over het verbod van levering van koolstofblokken aan uitsnijders.

97 Uit de beschikking volgt dat deze grief op een gedeeltelijke en verkeerde lezing daarvan berust en dus niet als een daadwerkelijke laattijdige betwisting van de verweten feiten kan worden beschouwd.

98 In punt 154 van de beschikking zet de Commissie uiteen dat de kartelleden naast eindproducten op basis van koolstof, zoals koolstofborstels, ook geperste koolstofblokken verkochten, die nog niet uitgesneden waren of bewerkt waren om er borstels of andere producten mee te vervaardigen. Sommige uitsnijders die geen lid waren van het kartel kochten deze koolstofblokken, sneden ze uit en verwerkten ze tot eindproducten die zij aan klanten verkochten. Deze uitsnijders waren dus tegelijkertijd klanten van de kartelleden en een bron van concurrentie op het gebied van de eindproducten.

99 Uit de punten 154 tot en met 166 van de beschikking volgt dat het beleid van het kartel erin bestond de concurrentie van de uitsnijders op het gebied van de eindproducten uit deze koolstofblokken te beperken, en zulks door te weigeren hen te bevoorraden of, wanneer zij werden bevoorraad, de prijzen van de geleverde koolstofblokken op een hoog niveau vast te stellen.

100 In punt 161 van de beschikking verwijt de Commissie Schunk duidelijk de uitsnijders te hebben bevoorraad tegen de prijzen die op voorhand met de overige kartelleden waren overeengekomen, hetgeen verzoeksters niet betwisten in hun stukken. De bewering van verzoeksters dat zij niet aan de overeenkomsten betreffende het leveringsverbod voor koolstofblokken hebben deelgenomen, is dus irrelevant.

101 Hieruit volgt dat de Commissie terecht heeft overwogen dat verzoeksters een inbreuk op artikel 81 EG hebben gepleegd door deel te nemen aan een reeks mededingingsbeperkende overeenkomsten, waaronder afspraken over de prijzen voor koolstofblokken bestemd voor uitsnijders.

– Mededingingsbeperkende praktijken betreffende fabrikanten van uitrustingsstukken voor de automobielindustrie en producenten van consumptiegoederen

102 Volgens verzoeksters volgt uit het procesdossier en uit de beschikking zelf dat de producten en klanten op het gebied van automobieluitrusting en consumptiegoederen niet door de mededingingsbeperkende overeenkomsten werden geraakt. Zij hebben in het kader van de administratieve procedure het bestaan van dergelijke overeenkomsten betreffende bedoelde sectoren overigens niet erkend.

103 De Commissie betoogt dat de twee betrokken sectoren duidelijk zijn omschreven in punt 11 van de mededeling van punten van bezwaar en dat de inbreuk met betrekking tot deze sectoren niet bestaat in een stelsel van richtprijzen, maar in onderlinge afstemming tussen de kartelleden ten aanzien van de argumenten die zouden worden gebruikt om prijsverlagingen te weigeren tijdens de onderhandelingen met de marktdeelnemers in deze sectoren, hetgeen reeds uit de punten 91 en 94 van de mededeling van punten van bezwaar volgde.

104 De Commissie voegt toe dat SKT deze feiten in punt 24 van haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar in de volgende bewoordingen heeft erkend:

„Op het gebied van koolstofborstels en modules voor de automobielindustrie en fabrikanten van huishoudapparatuur en gereedschapswerktuigen waren de producenten geconfronteerd met grote afnemers, die over inkoopmacht beschikten en in staat waren de producenten tegen elkaar uit te spelen. Over de klanten is nooit een algemene overeenkomst gesloten tijdens de kartelbijeenkomsten op Europees niveau. Er hadden wel enkele gesprekken plaats. Maar die werden gevoerd om onderling argumenten uit te wisselen die konden worden gebruikt ten overstaan van grote klanten die prijsverlagingen eisten.”

105 Hieruit komt dus naar voren dat hoewel SKT het bestaan van een prijsafspraak ontkent, zij daarentegen wel erkent dat er tussen de bij het kartel betrokken ondernemingen een onrechtmatige afstemming heeft plaatsgevonden over het prijsniveau van producten bestemd voor de fabrikanten van uitrustingsstukken voor de automobielindustrie en de producenten van consumptiegoederen, hetgeen niet voor het eerst bij het Gerecht kan worden betwist.

106 Verzoeksters betwisten evenwel dat de verklaringen in punt 24 van het antwoord van SKT op de mededeling van punten van bezwaar kunnen worden opgevat en gekwalificeerd als een uitdrukkelijke bekentenis van een inbreuk op artikel 81 EG.

107 Ingeval bovengenoemde verklaringen vanwege een zekere onduidelijkheid van de mededeling van punten van bezwaar over de aard en de exacte juridische kwalificatie van de verweten inbreukmakende gedraging, niet zouden kunnen worden opgevat als een uitdrukkelijke erkenning van de verweten feiten, zou verzoeksters’ grief over het ontbreken van een inbreuk in de sector van de automobieluitrusters en de producenten ontvankelijk zijn, maar hoe dan ook ongegrond.

108 De Commissie heeft blijkens de beschikking geoordeeld dat het gedrag van de verschillende bij de mededingingsregeling betrokken ondernemingen één enkele en voortgezette inbreuk vormde, waaraan geleidelijk gestalte was gegeven door overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen.

109 Zo bepaalt artikel 1 van de beschikking dat de betrokken ondernemingen, waaronder verzoekster, inbreuk hebben gemaakt op artikel 81, lid 1, EG door deel te nemen „aan een voortgezette overeenkomst en/of onderling afgestemde feitelijke gedraging” in de sector elektrische en mechanische koolstof‑ en grafietproducten. Opgemerkt zij, dat in het kader van een complexe inbreuk waarbij verschillende producenten gedurende een aantal jaren samen de markt probeerden te reguleren, van de Commissie niet kan worden geëist dat zij de inbreuk voor elke onderneming op elk tijdstip of als overeenkomst of als onderling afgestemde feitelijke gedragingen kwalificeert, daar artikel 81 EG in elk geval op beide vormen van inbreuk ziet (arrest PVC II, punt 56 supra, punt 696).

110 Aangaande de onrechtmatige activiteiten betreffende de fabrikanten van uitrustingsstukken voor de automobielindustrie en de producenten van consumptiegoederen preciseert de Commissie in punt 40 van de beschikking dat deze deel uitmaken van de eerste categorie van „grote klanten” voor de producten bestemd voor elektrische toepassingen en zich onderscheiden door hun gering aantal, door aankopen in grote hoeveelheden en een aanzienlijke onderhandelingsmacht.

111 Steunend op de verklaringen van met name LCL, geeft de Commissie aan dat „de enige soorten klanten die kennelijk waren uitgesloten van de berekening van de lijstprijzen de fabrikanten van uitrustingsstukken voor de automobielindustrie en misschien ook de producenten van consumptiegoederen zijn” (punt 120 van de beschikking), maar dat rechtstreekse contacten tussen potentiële leveranciers hebben plaatsgevonden vóór de jaarlijkse onderhandelingen met de betrokken marktdeelnemers, welke contacten minder tot doel hadden de prijzen af te stemmen als wel om overeenstemming te vinden over de argumenten die tegen door deze grote klanten geuite verzoeken om verlaging van de prijzen in stelling zouden worden gebracht (punt 124 van de beschikking).

112 Verzoeksters beweren dat het van LCL afkomstige document, waarop de Commissie haar conclusies steunt, geen aanwijzing bevat op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de in geding zijnde uitwisseling van argumenten betrekking had op de sectoren automobieluitrusting en consumptiegoederen en dat deze uitwisseling geen door artikel 81 EG verboden gedrag opleverde.

113 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat het betrokken document betrekking heeft op de „berekeningswijze voor de prijzen van borstels voor elektrische motoren” en dat het eerste deel gewijd is aan „automobielborstels” en „FHP-borstels”. Na de vraag naar deze twee producten te hebben geschetst in bewoordingen die vergelijkbaar zijn met die in punt 110 hiervóór, geeft LCL het volgende aan:

„In die context had de onderlinge afstemming tussen de concurrenten in de inbreukperiode enkel ten doel te trachten weerstand te bieden aan de zeer ongelijk verdeelde krachtverhouding ten voordele van de klanten.

[...]

De prijzen van de producten ‚automobielborstels’ en ‚FHP-borstels’ zijn nooit aan de orde gekomen tijdens de technische bijeenkomsten [van de European Carbon and Graphite Association]. Zij zijn nooit vastgesteld volgens de werkwijze of lijsten die de verschillende concurrenten gemeen hebben.

In de periode van het kartel, dat in 1999 is geëindigd, overlegden de concurrenten bij gelegenheid van de jaarlijkse onderhandelingen met de klanten om informatie en argumenten uit te wisselen die elke concurrent vervolgens probeerde te gebruiken om weerstand te bieden aan de druk van de klanten en hun voortdurende verzoeken om de prijs te verlagen.

[...]

Conclusie

Tijdens de inbreukperiode is er tussen concurrenten overleg gevoerd over ‚automobielborstels’ en ‚FHP-borstels’ met het doel de concurrenten te helpen weerstand te bieden aan de sterke druk en herhaalde verzoeken om prijsverlagingen van de klanten.”

114 Gelet op de aard van de producten die in het betrokken document worden besproken, bestaat er geen twijfel over dat bedoelde afstemming betrekking had op de sectoren automobieluitrusting en consumptiegoederen. Het staat vast dat koolstof‑ en grafietproducten voor elektrische toepassingen hoofdzakelijk dienen voor de geleiding van elektriciteit. Tot die producten behoren de grafietborstels, waaronder de ‚automobielborstels’ die worden gemonteerd op elektrische motoren bestemd voor de uitrusting van motorvoertuigen, en de ‚FHP-borstels’, die worden gemonteerd op elektrische motoren van huishoudtoestellen en van draagbare werktuigen.

115 Daarnaast heeft SKT in punt 24 van haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar het betrokken overleg duidelijk gesitueerd „op het gebied van de koolstofborstels en modules voor de automobielindustrie en de fabrikanten van huishoudtoestellen en elektrische gereedschapswerktuigen”.

116 In de tweede plaats dekt het begrip „onderling afgestemde feitelijke gedraging” een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst is gekomen, de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervangt door feitelijke samenwerking (arrest ICI/Commissie, punt 55 supra, punt 64). De betrokken criteria van coördinatie en samenwerking houden allerminst in dat er een werkelijk „plan” moet zijn opgesteld, en dienen te worden verstaan tegen de achtergrond van de in de mededingingsbepalingen van het Verdrag besloten voorstelling, volgens welke iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag van de concurrenten aan te passen, maar staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact dat tot doel of tot gevolg heeft, hetzij beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij onthulling aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag (arrest Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie, 40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punten 173 en 174, en arrest PVC II, punt 56 supra, punt 720).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in