Art. 10 IVRK
Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)
1. In overeenstemming met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens artikel 9, eerste lid, worden aanvragen van een kind of van zijn ouders om een Staat die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, door de Staten die partij zijn met welwillendheid, menselijkheid en spoed behandeld. De Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijke aanvraag geen nadelige gevolgen heeft voor de aanvragers en hun familieleden.
2. Een kind van wie de ouders in verschillende Staten verblijven, heeft het recht op regelmatige basis, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders te onderhouden. Hiertoe, en in overeenstemming met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens artikel 9, eerste lid, eerbiedigen de Staten die partij zijn het recht van het kind en van zijn of haar ouders welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten, en het eigen land binnen te gaan. Het recht welk land ook te verlaten is slechts onderworpen aan de beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden, of van de rechten en vrijheden van anderen, en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 31 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3682
- ABRvS 31 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:329
- ABRvS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:105
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 3 juni 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:37
- Rb. Den Haag 22 december 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:13902
- Rb. Den Haag 22 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:14017
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 22 november 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:241
- Hof Den Haag 23 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:481
- Conclusie A-G Snijders 11 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:228
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 3 juni 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:36
- ABRvS 13 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3708
- ABRvS 27 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4654
- Rb. Zeeland-West-Brabant 29 juni 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:3565
- Rb. 's-Gravenhage 24 juni 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR0696
- Rb. 's-Gravenhage 1 juni 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7068
- Rb. 's-Gravenhage 29 april 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ4702
- Rb. 's-Gravenhage 21 oktober 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK5782
- Rb. 's-Gravenhage 11 juni 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD4206
- Rb. 's-Gravenhage 16 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1059
- Rb. 's-Gravenhage 29 juni 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ2545