Rb. 's-Gravenhage 16 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1059

Mvv-vereiste / vrijstelling / artikel 8 EVRM De Afdeling ziet gelet op haar uitspraken van 28 september 2004 (LJN AR3843) en 5 januari 2006 (LJN AU9441) geen ruimte om in zaken waarin een toelatingsaanvraag wordt geweigerd wegens het ontbreken van een mvv, te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Een dergelijke toets dient eerst plaats te vinden in het kader van de mvv-aanvraag. Getoetst wordt dan of artikel 8 EVRM tot toelating noopt. De rechtbank constateert dat, indien dit toetsingskader wordt gevolgd, er kennelijk geen zelfstandige toets aan artikel 8 EVRM plaatsvindt, althans mogelijk wordt geacht, wat betreft de periode benodigd voor indiening en afwachting van de mvv-aanvraagprocedure. Deze periode kan, zoals bekend, maanden duren. De rechtbank is van oordeel dat deze periode van gedwongen scheiding een schending van artikel 8 EVRM kan opleveren. Een dergelijke mogelijke schending van artikel 8 EVRM moet getoetst kunnen worden door de nationale rechter. Deze toets betreft niet de vraag of artikel 8 EVRM tot toelating noopt, maar de vraag of artikel 8 EVRM noopt tot vrijstelling van de mvv-plicht. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit te toetsen aan artikel 8 van het EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen