ABRvS 13 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3708
Alleenstaande minderjarige vreemdeling / voortgezet verblijf/ aard en doel van eerdere verleende verblijfstitel mag worden betrokken bij belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de eerder genoemde uitspraak van 23 maart 2007 in zaak nr. 200607511/1) volgt, in de kern weergegeven, dat bij de vraag of sprake is van inmenging, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, niet doorslaggevend is het doel waarvoor een eerdere verblijfstitel is verleend, maar de omstandigheid dat de vreemdeling, voorafgaand aan het in rechte bestreden besluit, over een verblijfstitel beschikte, waardoor betrokkene feitelijk in staat was het familie- en gezinsleven uit te oefenen. Daaruit vloeit evenwel niet voort dat aan de aard en het doel van de verblijfstitel die de vreemdeling feitelijk in staat stelde het familie- en gezinsleven in Nederland uit te oefenen geen betekenis meer kan toekomen bij de afweging tussen enerzijds de belangen van de vreemdeling en anderzijds het Nederlandse algemeen belang, waarbij de staatssecretaris een zekere beoordelingsruimte toekomt. Dat de aard en het doel van de aan de vreemdeling verleende verblijfstitel in paragraaf B2/10.2.3 van de Vc 2000 niet is genoemd als omstandigheid die in voormelde afweging wordt betrokken, maakt dat niet anders. De in deze paragraaf gegeven opsomming heeft geen uitputtend karakter. De grief slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl