ABRvS 27 april 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4654
Mvv-vereiste / artikel 8 EVRM De rechtbank heeft overwogen dat indien de vreemdeling terugkeert naar haar land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen, haar bij de beslissing op die aanvraag zal worden tegengeworpen dat zij gebruik heeft gemaakt van valse personalia en dat zij daarvoor is veroordeeld (waarbij haar een onvoorwaardelijke taakstraf is opgelegd). Ten gevolge hiervan zal de te doorlopen mvv-procedure naar verwachting lange tijd in beslag nemen en het gezinsleven dat de vreemdeling en de hoofdpersoon hier te lande uitoefenen langdurig worden ontwricht, aldus de rechtbank. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank miskend dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 12 oktober 2004 in zaak no. 200403858/1, JV 2004/436) volgt, dat de minister bij de beantwoording van de vraag of het niet voldoen aan het mvv-vereiste kan worden tegengeworpen, mag afzien van toetsing aan artikel 8 van het EVRM, omdat in het kader van de behandeling van een aanvraag om verlening van een mvv wordt onderzocht of de verdragsbepaling tot toelating noopt indien daartoe anderszins geen aanleiding bestaat. Hiermee valt niet te rijmen dat reeds bij de beoordeling door de rechter van de vraag of het ontbreken van een mvv door de minister mocht worden tegengeworpen, betekenis wordt toegekend aan de beslissing die mogelijk op het in een mvv aanvraag neer te leggen verzoek om toelating zal worden genomen. Dat de minister in dit geval feitelijk wel aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst doet aan het vorenstaande niet af.
De uitspraak op rechtspraak.nl