Art. 14 IVRK
Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)
1. De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst.
2. De Staten die partij zijn, eerbiedigen de rechten en plichten van de ouders en, indien van toepassing, van de wettige voogden, om het kind te leiden in de uitoefening van zijn of haar recht op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind.
3. De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden, of van de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Den Haag 26 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3032
- ABRvS 14 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2492
- Rb. Zeeland-West-Brabant 18 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6622
- Rb. Gelderland 7 november 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:6400
- Rb. Den Haag 18 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6825
- Conclusie A-G van Kempen 4 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1164
- Conclusie A-G van Kempen 4 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1163