Hof Den Haag 27 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1715
Verdachte heeft in Syrië als leider deelgenomen aan de criminele organisatie Liwa al Quds, een paramilitaire organisatie die tussen 2011 en 2017 in de burgeroorlog aan de kant van het Syrische regeringsleger heeft gestreden. Liwa al Quds had tot oogmerk het plegen van oorlogsmisdrijven (lichamelijke geweldpleging en plundering) en misdrijven tegen de menselijkheid (ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid). Verder heeft de verdachte in 2013 bijgedragen aan de arrestatie van een burger in opdracht van de Luchtmacht Inlichtingen Dienst (LID), de meest gevreesde inlichtingendienst in Syrië. Terwijl de gewapende verdachte het publiek op afstand hield is het slachtoffer vanuit zijn woning afgevoerd en naar de gevangenis van de LID in Aleppo gebracht. De verdachte wist welk lot het slachtoffer daar wachtte. Het slachtoffer is daar onder erbarmelijke omstandigheden vastgehouden en door de LID gemarteld en gefolterd onder meer door met een stok op zijn voetzolen te slaan en hem te elektrocuteren. Hem is ook aangezegd dat hij standrechtelijk geëxecuteerd zou worden. Na zijn vrijlating is het slachtoffer op de intensive care van een ziekenhuis opgenomen en zijn twee door elektrocutie verbrande tenen afgezet. Aldus heeft de verdachte medegepleegd het misdrijf tegen de menselijkheid van gevangenneming of andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met fundamentele regels van internationaal recht. Ook is de verdachte medeplichtig geweest aan het medeplegen van foltering en aan het medeplegen van het misdrijf tegen de menselijkheid van marteling. Aan de verdachte is een gevangenisstraf van 13 jaar opgelegd. De vordering tot vergoeding van immateriële schadevergoeding van het slachtoffer is naar Syrisch recht beoordeeld. Het gevorderde bedrag van € 40.000 is toegewezen. Art. 55 Sr; art. 140 Sr; art. 226a Sv; art. 261 Sv; art. 344a Sv; art. 1 WIM; art. 2 (oud) WIM; art. 4 WIM; art. 6 WIM, art. 7 WIM; art. 8 WIM; Rome II-verordening; art. 5 EVRM, art. 6 EVRM, art. 7 EVRM; art. 7 Statuut van Rome; art. 8 Statuut van Rome
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:535
- HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:619
- HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:982
- HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969
- Hof Den Haag 8 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:973
- Hof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:103
- HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2331
- HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2390
- HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113
- Rb. Den Haag 10 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:14365
- Hof Den Haag 30 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1082
- HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148
- HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5193
- Rb. 's-Gravenhage 23 maart 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444
- HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134
- HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502
- HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122
- HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130
- HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5471
- HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651