HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502
Oogmerk tot het plegen van misdrijven en deelneming ex art. 140 Sr. HR herhaalt dat het bij het in art. 140 Sr omschreven misdrijf gaat om een organisatie die het oogmerk heeft tot het plegen van meerdere misdrijven en dat dat oogmerk, waartoe ook het naaste doel van organisatie moet worden gerekend, niet nader omschreven hoeft te zijn in de tenlastelegging, maar uit de bewijsmiddelen zal moeten blijken (HR NJ 1988, 425; HR NJ 1978, 314; HR, NJ 1993, 100). Voor bewijs van dit oogmerk zal o.m. betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Vzv. het middel berust op de opvatting dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd omdat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat verdachte “in meerdere misdrijven heeft geparticipeerd” of omdat uit de bewijsmiddelen slechts zou volgen dat verdachte “enkel betrokken is bij en opzet heeft op het laatste gedeelte” van het uit die bewijsmiddelen blijkende transport van een partij cocaïne, faalt het. Het gaat immers erom of uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het meermalen telkens afleveren en vervoeren van cocaïne. Daarom is, anders dan het middel lijkt te betogen, ook niet van belang dat verdachte is vrijgesproken van betrokkenheid bij het als poging tot invoer in NL tenlastegelegde transport van de bedoelde partij cocaïne. Met de vaststelling dat sprake was van het meermalen vervoeren, afleveren en in- en uitklaren van de goederen en dat elke volgende schakel en etappe nieuwe wilsbesluiten en activiteiten vergde om de verdovende middelen naar een volgende plaats van bestemming te (doen) brengen, zodat de uitvoering van het transport i.c. een omvangrijke en complexe aangelegenheid was, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de op vervoer, aflevering en in- en uitvoer van cocaïne gerichte besluitvorming en activiteiten van de verschillende deelnemers in de diverse landen binnen de organisatie onderling nauw op elkaar waren afgestemd en naar hun aard een planmatig karakter droegen. ’s Hofs oordeel dat daaruit moet worden afgeleid dat sprake is van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven i.d.z.v. art. 140.1 Sr, is onjuist noch onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl