Rb. Den Haag 22 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:575

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar voor medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving als misdrijf tegen de menselijkheid van slachtoffer 1; voor medeplichtigheid aan de daaropvolgende foltering en de marteling (als misdrijf tegen de menselijkheid); en voor en deelname aan een criminele organisatie Liwa al-Quds die tot oogmerk heeft het plegen van oorlogsmisdrijven (plundering en lichamelijke geweldpleging) en misdrijven tegen de menselijkheid (wederrechtelijke vrijheidsberoving). De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte een leider was binnen Liwa al-Quds, een militie die een trouwe bondgenoot was van het Syrisch regime. Functionarissen van de beruchte luchtmachtinlichtingendienst (LID) van Syrië onderhielden nauwe banden met Liwa al-Quds, dat (vermeende) opponenten voor de LID arresteerde. Slachtoffer 1 is door verdachte, samen met anderen, met geweld uit zijn woning gehaald en in een taxi gezet. Vervolgens heeft hij 20 dagen vastgezeten en is door de LID gefolterd cq gemarteld. De vrijheidsberoving en marteling passen in een patroon dat sinds de opstand in 2011 in Syrië zichtbaar is: het wijdverbreid en stelselmatig aanhouden en gevangennemen van burgers die werden gezien als tegenstanders van het regime. Daarmee is sprake van een misdrijf tegen de menselijkheid. De rechtbank komt tot vrijspraak voor foltering, marteling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van slachtoffer 2, omdat naar het oordeel van de rechtbank niet vast is komen te staan dat verdachte daarbij betrokken is geweest. De rechtbank verwerpt het verweer dat het verwijt deel te hebben genomen aan een criminele organisatie (als zodanig) naar internationaal-strafrechtelijke maatstaven moet worden beoordeeld. De vordering tot schadevergoeding van slachtoffer 1 is niet-ontvankelijk, omdat het toepasselijk Syrisch recht onduidelijk is gebleven wat betreft verjaring en causaliteit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen