Rb. Den Haag 15 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16115
De rechtbank stelt vast dat de verdachte in 2013 en 2014 tijdens de Syrische opstand tegen het regime van president Bashar al-Assad in en rond de stad Salamiyah verhoorder van de National Defence Forces (NDF) was, een paramilitaire organisatie van het regime. De NDF sloeg protesten tegen het regime met geweld neer en arresteerde tegenstanders en demonstranten. De NDF had eigen detentiecentra waar arrestanten werden verhoord en maakte zich jegens hen schuldig aan ernstige misdrijven. De rechtbank stelt vast dat vanaf april 2011 sprake was van een wijdverbreide en stelselmatige aanval op de Syrische burgerbevolking, ter uitvoering van het beleid van de Syrische staat, waarvan de verdachte als verhoorder van de NDF moet hebben geweten. De rechtbank acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, waarin hij vals wordt beschuldigd, niet aannemelijk. De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich in zijn rol als verhoorder van de NDF in drie detentiecentra in en rond de stad Salamiyah als medepleger of alleen heeft schuldig gemaakt aan: 1. foltering en marteling als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8]; 2. verkrachting als misdrijf tegen de menselijkheid van [slachtoffer 6]; 3. seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6]. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van: 1. foltering, marteling als misdrijf tegen de menselijkheid en seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid jegens [slachtoffer 9]. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 9] heeft verhoord en dus evenmin dat hij de tenlastegelegde misdrijven heeft gepleegd; 2. seksueel geweld als misdrijf tegen de menselijkheid jegens [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8]. Het is voor het eerst dat iemand in Nederland terechtstaat voor ‘enige andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst’ als misdrijf tegen de menselijkheid als bedoeld in artikel 4 lid 1 onder g van de Wet internationale misdrijven (Wim). De rechtbank heeft daarom in het vonnis een juridisch kader opgenomen waaraan een verdenking, gelet op internationale jurisprudentie en literatuur, kan worden getoetst. Zij komt in het geval van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 8] tot een vrijspraak. De rechtbank oordeelt dat in het geval van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] wel sprake is van seksueel geweld, maar dat dit geweld niet de juridische drempel ‘van vergelijkbare ernst’ als bedoeld in artikel 4 Wim haalt. De rechtbank komt in het geval van [slachtoffer 8] tot de conclusie dat het gebeurde geen seksueel geweld oplevert. In het geval van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring, omdat naar haar oordeel sprake is van seksueel geweld, en ook de juridische drempel ‘van vergelijkbare ernst’ wordt gehaald. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren op, met aftrek van voorarrest. Bij de strafmaat spelen de aard en uitzonderlijke ernst van de 19 bewezenverklaarde, internationale misdrijven en het leed van de slachtoffers een grote rol. De verdachte heeft de slachtoffers tijdens de zittingsdagen vele malen beledigd, zwartgemaakt en zich laatdunkend uitgelaten over hen, hun familie en hetgeen zij hebben verklaard. Hiermee heeft de verdachte wéér pijn veroorzaakt bij de slachtoffers. De rechtbank rekent de verdachte dit aan. Alle slachtoffers hebben zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces gevoegd. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van de feiten waarop de vorderingen zijn gebaseerd, was aan te merken als een ten dienste van de Syrische overheid werkzame persoon, te weten als verhoorder van de aan de Syrische overheid gelieerde NDF. Hij heeft zijn handelingen verricht in de uitoefening van die publieke functie. Daardoor komt hem, voor zover het gaat om de civiele schade, naar internationaal gewoonterecht een beroep op ‘functionele immuniteit van jurisdictie’ toe. Dat betekent dat de rechtbank op dit punt geen rechtsmacht heeft. De rechtbank verklaart de benadeelde partijen daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Hof Den Haag 27 augustus 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1715
- HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1132
- Hof Den Haag 7 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2374
- HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889
- HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793
- HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2390
- HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1999
- Rb. 's-Gravenhage 23 maart 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444
- HR 30 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0179