Hof Den Haag 8 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:973
Veroordeling van de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf voor het plegen van oorlogsmisdrijven eind jaren 70 in Ethiopië onder het Derg-regime. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan arbitraire vrijheidsberoving, marteling, doden en wrede en onmenselijke behandeling van vele personen. Het hof stelt vast dat ten tijde van de tenlastegelegde feiten in Ethiopië sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict (NIAC), dat de slachtoffers beschermde personen als bedoeld in gemeenschappelijk artikel 3 van de Geneefse Conventies waren en dat er een nexus bestond tussen het conflict en de gepleegde feiten. De rol van de verdachte wordt door het hof vastgesteld als die van medepleger. Overwegingen met betrekking tot ontvankelijkheid van het OM in de vervolging, betrouwbaarheid van getuigenverklaringen, voorwaardelijke getuigenverzoeken, bruikbaarheid van schriftelijke documenten uit Ethiopië voor het bewijs, alternatief scenario. Fair trial as a whole als bedoeld in artikel 6 EVRM. Beslissing op vorderingen van de benadeelde partijen. Wet oorlogsstrafrecht. Schending van internationaal humanitair recht.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:466
- HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889
- HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185
- HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059
- HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539
- HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR6598
- Hof 's-Gravenhage 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686
- HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7418
- Hof 's-Gravenhage 9 mei 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4676
- HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533