HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5471
Doodslag zonder lijk. 1. Politie-undercover (A1052) in de cel; verklaringsvrijheid verdachte. 2. Gebruik voor bewijs van verklaringen van als bedreigde getuige aangemerkte A1052. 3. Toekennen status bedreigde getuige en positie zittingsrechter. 4. Bewijs van voorwaardelijk opzet op doodslag door één klap met vuist op neus. Ad 1. Het hof heeft zijn beslissingen gemotiveerd o.g.v. HR NJ 2004, 263 en in zijn beoordeling de omstandigheden betrokken waaraan volgens dat arrest betekenis toekomt bij de vraag of de verklaring van verdachte is verkregen i.s.m. art. 29.1 Sv en 6.1 EVRM. Het hof heeft geoordeeld dat geen strijd met verdachtes verklaringsvrijheid aannemelijk is geworden. Dat met feitelijke waarderingen samenhangende oordeel heeft het hof o.m. gegrond op zijn vaststellingen dat met de vraag van A1052 of verdachte te vertrouwen was weliswaar psychische druk op hem is uitgeoefend om enig antwoord op die vraag te krijgen, maar dat verdachte vervolgens eigener beweging als antwoord op die vraag zijn aandeel in de dood van zijn vrouw naar voren heeft gebracht, en dat niet aannemelijk is geworden dat dát antwoord direct en gericht door A1052 is uitgelokt of slechts een herhaling behelsde van wat A1052 hem in de mond had gelegd. Dit oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk in het licht van door de HR in aanmerking genomen vaststellingen van het hof omtrent (i) de proceshouding van verdachte, (ii) hetgeen zich in het voorbereidend onderzoek heeft afgespeeld voor en gedurende de periode dat A1052 optrad en (iii) omtrent de aard en intensiteit van de door A1052 ondernomen activiteiten jegens verdachte, de mate van druk die daarvan jegens verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en gedragingen van A1052 tot de desbetreffende verklaringen van verdachte hebben geleid. Ad 2. De rechter dient, op straffe van nietigheid (art. 360 Sv), ex art. 344a.2 Sv in zijn uitspraak in het bijzonder de reden op te geven waarom een voor het bewijs gebezigde verklaring van een bedreigde getuige naar zijn oordeel betrouwbaar is, alsmede dat is voldaan aan de - voorheen in art. 342.2 Sv, maar thans - in art. 344a.2 Sv gestelde voorwaarden voor het gebruik voor het bewijs van een dergelijke verklaring. Wat betreft de aan het gebruik voor het bewijs te stellen eisen van het door A1052 opgemaakte pv moet het volgende worden vooropgesteld. Nu A1052 in dat pv met een code is aangeduid, kan dat pv niet worden aangemerkt als een schriftelijk bescheid houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt ex art. 344a.3 Sv. Het gaat immers om een persoon die kan worden geïndividualiseerd zodat de verdediging in beginsel zijn verhoor als getuige door de RC of ter terechtzitting kan verzoeken. De omstandigheid dat betrokkene, een bevoegd opsporingsambtenaar behorende tot het aangegeven politie-onderdeel, naderhand als bedreigde getuige is aangemerkt en ex art. 226c-226f Sv door de RC is gehoord, behoefde het hof op zichzelf niet ervan te weerhouden dat pv tot het bewijs te bezigen. Wel brengt die omstandigheid mee dat aan het gebruik van dat pv, houdende de verklaring van A1052, dezelfde eisen dienen te worden gesteld als aan het gebruik van verklaringen van bedreigde getuigen (HR NJ 2000, 106). Die eisen zijn verwoord in art. 344a en art. 360 Sv. Ad 3. De wetgever heeft de beantwoording van de vraag of een getuige terecht als een bedreigde getuige ex art. 226a Sv is aangemerkt, willen onttrekken aan het oordeel van de zittingsrechter. Niettemin laat zich denken dat aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge art. 226a en/of art. 226b Sv t.a.v. een getuige gegeven bevel dat ter gelegenheid van diens verhoor zijn identiteit verborgen wordt gehouden, zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van art. 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige zou indruisen tegen het recht van verdachte op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door o.m. art. 6 EVRM (HR NJ 1999, 88). Ad 4. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte door zijn handelen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou komen te overlijden.
De uitspraak op rechtspraak.nl