Rb. 's-Gravenhage 23 maart 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444

Veroordeling 40 jarige Rwandees Joseph M. tot 20 jaar gevangenisstraf wegens foltering (meermalen met de dood als gevolg) ten tijde van de genocide in Rwanda in 1994. Hoofdstuk 1: Korte omschrijving van de aan verdachte verweten zeven strafbare feiten, primair ten laste gelegd als oorlogsmisdrijf subsidiair als foltering. Hoofdstuk 2: De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 (oud) van de Wet Oorlogsstrafrecht (WOS), respectievelijk artikel 5 van de Uitvoeringswet Folteringsverdrag (UFV) rechtsmacht. Hierbij is van belang dat verdachte in Nederland was ten tijde van de start van het onderzoek tegen hem. Hoofdstuk 3: Exposé van (de historische achtergrond van) de genocide in Rwanda in 1994. Hoofdstuk 4: De persoon van de verdachte. Verdachte wordt in de publicatie van het vonnis aangeduid als Joseph M. Hij heeft, zoals in Rwanda niet ongebruikelijk, een andere achternaam dan zijn (inmiddels overleden) vader; de achternaam van de vader is Murakaza. Hoofdstuk 5: Verslag van en verantwoording over het strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank wijst de kritiek van de verdediging op de kwaliteit van het onderzoek van de hand. Hoofdstuk 6: Uiteenzetting over de waardering van het bewijs door getuigen. De rechtbank formuleert, daarbij onder meer aansluitend bij het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage in de zaak K. (LJN BC 6068) een kader voor de toetsing van de geloofwaardigheid van de getuigen en betrouwbaarheid van hun verklaringen. Hoofdstukken 7 t/m 9: Bewezenverklaring van de aan verdachte verweten misdrijven tegen (i) een Duitse arts en diens Tutsi-vrouw welke met hun enkele maanden oude baby op de vlucht waren voor de genocide en (ii) de inzittenden van een ambulance (een Hutu-chauffeur, twee Tutsi-vrouwen met hun (ten minste vier) jonge kinderen en een 12-jarig Tutsi-meisje), welke op de vlucht waren voor de genocide. De twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen zijn daarbij met machetes en knuppels om het leven gebracht. Hoofdstukken 10 t/m 14: Vrijspraak van betrokkenheid van verdachte bij de overige aan hem verweten misdrijven wegens gebrek aan (betrouwbaar) bewijs. Hoofdstuk 15: De rechtbank komt tot het oordeel dat de misdrijven die verdachte heeft gepleegd niet als oorlogsmisdrijven zijn aan te merken. De daarvoor vereiste nauwe samenhang (nexus) tussen deze misdrijven en de gewapende strijd in Rwanda tussen het regeringsleger van Rwanda (de RAF) en het (voornamelijk uit Tutsi’s bestaande) rebellenleger van het Rwandan Patriotic Front, ontbreekt. De rechtbank stelt voorop dat de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven burgers beoogt te beschermen tegen de gevolgen van een oorlog tussen strijdende legermachten. Zij stelt vast dat in de prefectuur waar verdachte zijn misdrijven pleegde geen gevechtshandelingen plaatsvonden tussen de RAF en het RPF, dat verdachte geen militaire functie had, dat verdachte geen invloed had op het verloop van de gevechtshandelingen dan wel in speciale relatie tot stond het regeringsleger en dat zijn misdrijven geen enkel militair doel dienden en niet bijdroegen aan de verwezenlijking van het uiteindelijke doel van de RAF in haar strijd met het RPF. De rechtbank onderkent dat de gewapende strijd tegen het RPF het Rwandese regime een voorwendsel gaf voor etnisch geweld tegen de Tutsi-bevolking en dat de propaganda van dit regime, waarin alle Tutsi’s werden vereenzelvigd met het RPF, verdachte een motief en een vrijbrief verschafte voor zijn misdrijven. Deze enkele omstandigheid acht zij echter onvoldoende om een nexus aan te nemen. Hoofdstuk 16: De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte, een burger, zich heeft schuldig gemaakt aan folteringshandelingen, welke door overheidsfunctionarissen waren uitgelokt en opzettelijk toegelaten (strafbaar gesteld in artikel 2 onder b UFV). In dit hoofdstuk wordt per bestanddeel (mishandeling in de zin van de UFV, de kwaliteit van de dader als overheidfunctionaris, vrijheidsberoving van het slachtoffer, de eis dat de mishandeling plaatsvindt met een bijzonder oogmerk) aangegeven wat daaronder dient te worden volstaan en vervolgens het voorhanden bewijs daaraan getoetst. Dat gebeurt ook met de vereisten voor de deelnemingsvormen “uitlokken”en “opzettelijk toelaten”. Hoofdstuk 18: De vorderingen van drie benadeelde partijen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid is het recht van toepassing zoals dat gold voor de invoering van de wet-Terwee. Naar dat recht behoeft een vordering van een beledigde partij niet eenvoudig van aard te zijn om in een strafgeding te kunnen worden behandeld. De vorderingen van de Duitse arts en zijn vrouw worden toegewezen, elk tot het destijds geldende maximale bedrag van thans euro 680,67. De vordering van een nabestaande wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte van het betreffende feit wordt vrijgesproken. Hoofdstuk 19: Strafmotivering. De rechtbank overweegt onder meer dat de kwalificatie van het handelen van verdachte als foltering, meermalen met de dood als gevolg, zijn handelen niet minder ernstig maakt dan wanneer hij daarvoor had kunnen worden berecht ter zake van genocide dan wel de feiten gekwalificeerd hadden kunnen worden als oorlogsmisdrijven. Zij heeft bij de op te leggen straf mede in aanmerking genomen de straftoemeting bij het Rwanda-tribunaal en de huidige wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, waarbij ‘levenslang’ in de praktijk in beginsel ook echt ‘levenslang’ is (zie onder meer het advies van de RSJ d.d. 1 december 2006 en de aanvulling daarop d.d. 20 april 2008 alsmede de conclusie van A-G mr. Knigge van 30 september 2008 (LJN BF741). De rechtbank overweegt dat van een concreet recidivegevaar niet is gebleken en legt verdachte een gevangenisstraf op van 20 jaar, hoewel hiermee in onvoldoende mate recht wordt gedaan aan de ernst van de door hem gepleegde feiten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen