HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2390

Antilliaanse zaak, oogmerk bij foltering in Aruba. OM-cassatie, art. 1.1 Landsverordening internationale misdrijven. Verdachte is vrijgesproken van foltering en veroordeeld voor medeplegen van mishandeling, begaan tegen een persoon die aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid is toevertrouwd, door samen met zijn medeverdachten tijdens de uitoefening van hun functie als gevangenisbewaarder of beveiliger in het Korrektie Instituut Aruba een gedetineerde te slaan en te schoppen, terwijl deze met zijn handen op zijn rug was geboeid. 1. Maatstaf uitleg “oogmerk” a.b.i. art. 1.1 Landsverordening internationale misdrijven. 2. Motiveringsklachten vrijspraak. Ad 1. De voor art. 1 Landsverordening internationale misdrijven vereiste ernst van de mishandeling heeft uitdrukking gevonden in verschillende bestanddelen van de delictsomschrijving, i.h.b. in de omstandigheden waaronder en oogmerken waarmee het delict wordt begaan en de voorwaarde dat de gedragingen naar hun aard het beoogde doel kunnen bevorderen (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BJ8669). Aan het bestanddeel "oogmerk" in art. 1.1 Landsverordening internationale misdrijven komt een bijzondere betekenis toe die strenger is dan de gebruikelijke betekenis van het bestanddeel oogmerk, welke erop neerkomt dat de dader moet hebben beseft dat zijn gedraging noodzakelijk en dus door hem gewild bepaalde door hem beoogde doelen of gevolgen zou hebben. Gelet hierop geeft de vooropstelling van het Hof dat "de vraag die dient te worden beoordeeld is met welke intentie of bedoeling verdachte en zijn medeverdachten deze feitelijke handelingen hebben verricht", niet blijk van een onjuiste uitleg van voornoemde bepaling. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO5061 t.a.v. de bij een vrijspraak aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal. Dit kader wordt in het middel miskend doordat de klachten die betrekking hebben op de motivering van de vrijspraak van foltering, slechts van feitelijke aard zijn en de selectie en waardering van het bewijsmateriaal betreffen. ‘s Hofs oordeel dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt t.a.v. het bestanddeel “oogmerk” is niet onbegrijpelijk. CAG: anders. Samenhang met 16/03613 A, 16/03615 A, 16/03617 A, 16/03619 A en 16/03620 A.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken