Art. 22 PCT, Toezending van het oorspronkelijke exemplaar en de vertaling
Verdrag tot samenwerking inzake octrooien (PCT)
22.1. Procedure
a) Indien de vaststelling ingevolge artikel 11, eerste lid, positief uitvalt en tenzij voorschriften betreffende de nationale veiligheid beletten, dat de internationale aanvrage als zodanig wordt behandeld, zendt het ontvangende bureau het oorspronkelijke exemplaar toe aan het Internationale Bureau. Deze toezending geschiedt onverwijld na ontvangst van de internationale aanvrage of, indien een controle voor de bescherming van de nationale veiligheid moet worden verricht, zodra de vereiste toestemming is verkregen. In elk geval zendt het ontvangende bureau het oorspronkelijke exemplaar zo tijdig toe dat het het Internationale Bureau bereikt bij het verstrijken van de 13de maand vanaf de datum van voorrang. Indien de toezending per post geschiedt, dient het ontvangende bureau het oorspronkelijke exemplaar uiterlijk 5 dagen voor het verstrijken van de 13de maand vanaf de datum van voorrang te verzenden.
b) Indien het Internationale Bureau een afschrift van de kennisgeving ingevolge Regel 20.2 c heeft ontvangen, maar na het verstrijken van 13 maanden na de datum van voorrang niet in het bezit is van het oorspronkelijke exemplaar, herinnert het het ontvangende bureau eraan dat het het oorspronkelijke exemplaar onverwijld naar het Internationale Bureau dient te zenden.
c) Indien het Internationale Bureau een afschrift van de kennisgeving ingevolge Regel 20.2 c heeft ontvangen, maar na het verstrijken van 14 maanden na de datum van voorrang niet in het bezit is van het oorspronkelijke exemplaar, stelt het de aanvrager en het ontvangende bureau daarvan in kennis.
d) Na het verstrijken van 14 maanden, te rekenen van de datum van voorrang, kan de aanvrager het ontvangende bureau verzoeken een afschrift van zijn internationale aanvrage te waarmerken als zijnde gelijkluidend aan de ingediende internationale aanvrage en kan hij een dergelijk gewaarmerkt afschrift toezenden aan het Internationale Bureau.
e) Een waarmerking ingevolge paragraaf d) is kosteloos en kan slechts op een van de volgende gronden worden geweigerd:
(i) het afschrift welke het ontvangende bureau is verzocht te waarmerken, is niet gelijkluidend aan de ingediende internationale aanvrage;
(ii) voorschriften betreffende de nationale veiligheid beletten, dat de internationale aanvrage als zodanig wordt behandeld;
(iii) het ontvangende bureau heeft reeds het oorspronkelijke exemplaar toegezonden aan het Internationale Bureau en dit Bureau heeft het ontvangende bureau ervan in kennis gesteld dat het het oorspronkelijke exemplaar heeft ontvangen.
f) Tenzij het Internationale Bureau het oorspronkelijke exemplaar heeft ontvangen, of tot het het oorspronkelijke exemplaar ontvangt, wordt het ingevolge paragraaf e) gewaarmerkte en door het Internationale Bureau ontvangen afschrift beschouwd als zijnde het oorspronkelijke exemplaar.
g) Indien, bij het aflopen van de termijn van toepassing ingevolge artikel 22, de aanvrager de handelingen als bedoeld in dat artikel heeft verricht, maar het aangewezen bureau niet in kennis is gesteld door het Internationale Bureau van de ontvangst van het oorspronkelijke exemplaar, brengt het aangewezen bureau het Internationale Bureau daarvan op de hoogte. Indien het Internationale Bureau niet in het bezit is van het oorspronkelijke exemplaar, stelt het onverwijld de aanvrager en het ontvangende bureau daarvan in kennis, tenzij het deze ingevolge paragraaf c) daarvan reeds op de hoogte heeft gesteld.
h) Wanneer de internationale aanvrage moet worden gepubliceerd in de taal van een ingevolge Regel 12.3 of 12.4 verstrekte vertaling, wordt die vertaling door het ontvangende bureau aan het Internationaal Bureau toegezonden, tezamen met het oorspronkelijke exemplaar ingevolge paragraaf a of, indien het ontvangende bureau het oorspronkelijke exemplaar reeds ingevolge die paragraaf aan het Internationaal Bureau heeft verzonden, zo spoedig mogelijk na ontvangst van de vertaling.
22.2. Vervallen.
22.3. Termijn ingevolge artikel 12, derde lid De termijn genoemd in artikel 12, derde lid, beloopt 3 maanden te rekenen van de datum van de kennisgeving gezonden door het Internationale Bureau aan de aanvrager ingevolge Regel 22.1 c) of g).