Art. 17 PCT, Het voorrangsbewijs
Verdrag tot samenwerking inzake octrooien (PCT)
17.1. Verplichting een afschrift van een eerdere nationale of internationale aanvrage over te leggen
a. Wanneer ingevolge artikel 8 de voorrang op grond van een eerdere nationale of internationale aanvrage wordt ingeroepen, dient een afschrift van die eerdere aanvrage, gewaarmerkt door de instantie waarbij zij was ingediend (“het voorrangsbewijs”), tenzij reeds bij het ontvangende bureau ingediend, tezamen met de internationale aanvrage waarin de voorrang wordt ingeroepen, en met inachtneming van de paragrafen b. en b-bis., uiterlijk 16 maanden na de datum van voorrang door de aanvrager aan het Internationaal Bureau of aan het ontvangende bureau te worden overgelegd, met dien verstande dat een afschrift van genoemde eerdere aanvrage dat het Internationaal Bureau ontvangt na het verstrijken van die termijn wordt geacht door dat bureau te zijn ontvangen op de laatste dag van die termijn indien het bureau het ontvangt vóór de datum van internationale publicatie van de internationale aanvrage.
b. Wanneer het voorrangsbewijs door het ontvangende bureau wordt afgegeven, kan de aanvrager, in plaats van het voorrangsbewijs over te leggen, het ontvangende bureau verzoeken het voorrangsbewijs op te stellen en toe te zenden aan het Internationaal Bureau. Een dergelijk verzoek dient niet later te worden gedaan dan 16 maanden na de datum van voorrang en kan door het ontvangende bureau worden onderworpen aan de betaling van een taks.
b-bis. Indien het Internationaal Bureau in overeenstemming met de Administratieve Instructies voor de datum van internationale publicatie van de internationale aanvrage via een digitale bibliotheek kan beschikken over het voorrangsbewijs, kan de aanvrager voor de datum van internationale publicatie van de internationale aanvrage in plaats van het voorrangsbewijs over te leggen het Internationaal Bureau verzoeken het voorrangsbewijs via deze digitale bibliotheek op te vragen.
c. Indien aan geen van de vereisten van de drie voorgaande paragrafen is voldaan, kan een aangewezen bureau met inachtneming van paragraaf d, het beroep op het recht van voorrang buiten beschouwing laten, mits een aangewezen bureau het beroep op het recht van voorrang niet buiten beschouwing laat voordat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld het voorrangsbewijs binnen een onder de omstandigheden redelijke termijn te verstrekken.
d. Een aangewezen bureau mag een beroep op het recht van voorrang ingevolge paragraaf c. niet buiten beschouwing laten, indien de eerdere aanvrage bedoeld in paragraaf a. bij dat bureau in de hoedanigheid van nationaal bureau is ingediend of indien het, in overeenstemming met de Administratieve Instructies, via een digitale bibliotheek over het voorrangsbewijs kan beschikken.
17.2. Beschikbaarheid van afschriften
a) Wanneer de aanvrager heeft voldaan aan Regel 17.1 a, b of b-bis verstrekt het Internationale Bureau, op het daartoe strekkende verzoek van het aangewezen bureau, onverwijld maar niet voor de internationale publicatie van de internationale aanvrage, een afschrift van het voorrangsbewijs aan dat bureau. Dat bureau mag de aanvrager niet zelf om een afschrift vragen. De aanvrager is niet verplicht vóór het verstrijken van de desbetreffende termijn krachtens artikel 22 een vertaling te verstrekken aan het aangewezen bureau. Indien de aanvrager voorafgaand aan de internationale publicatie van de internationale aanvrage een uitdrukkelijk verzoek krachtens artikel 23, tweede lid, doet aan het aangewezen bureau, verstrekt het Internationale Bureau na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek van het aangewezen bureau onverwijld een afschrift van het voorrangsbewijs aan dat bureau.
b) Het Internationale Bureau stelt geen afschriften van het voorrangsbewijs ter beschikking van het publiek voor de internationale publikatie van de internationale aanvrage.
c) Wanneer de internationale aanvrage is gepubliceerd ingevolge artikel 21, verstrekt het Internationaal Bureau een ieder, op diens verzoek, een afschrift van het voorrangsbewijs tegen vergoeding van de kosten, tenzij, vóór die publicatie:
i. de internationale aanvrage werd ingetrokken,
ii. het desbetreffende beroep op een recht van voorrang werd ingetrokken of, ingevolge Regel 26bis 2 b, als niet gedaan werd beschouwd.