Art. 13 PCT, Eenheid van uitvinding
Verdrag tot samenwerking inzake octrooien (PCT)
13.1. Vereiste De internationale aanvrage dient betrekking te hebben op slechts één uitvinding of op een groep van uitvindingen die zodanig onderling verbonden zijn dat zij op één enkele algemene uitvindersgedachte berusten („vereiste van eenheid van uitvinding”).
13.2. Omstandigheden waarin wordt geacht te zijn voldaan aan het vereiste van eenheid van uitvinding Wanneer in een en dezelfde internationale aanvrage de conclusies zijn gericht op een groep van uitvindingen, wordt slechts aan het in Regel 13.1 bedoelde vereiste van eenheid van uitvinding voldaan wanneer er een technisch verband bestaat tussen die uitvindingen bestaande uit één of meer dezelfde of overeenkomstige bijzondere technische kenmerken. Onder de term „bijzondere technische kenmerken” wordt verstaan de technische kenmerken die bepalend zijn voor een bijdrage die elk van de uitvindingen waarop de conclusies zijn gericht, als een geheel beschouwd, vormt ten opzichte van de stand van de techniek.
13.3. Wijze van concluderen niet bepalend voor de eenheid van uitvinding Om te bepalen of een groep van uitvindingen zodanig onderling zijn verbonden dat zij op één enkele algemene uitvindingsgedachte berusten, doet het niet ter zake of de uitvindingen zijn vervat in afzonderlijke conclusies dan wel als varianten zijn opgenomen in één enkele conclusie.
13.4. Afhankelijke conclusies Onverminderd Regel 13.1 is het toegestaan in dezelfde internationale aanvrage een redelijk aantal afhankelijke conclusies op te nemen, gericht op bijzondere vormen van de uitvinding waarop een onafhankelijke conclusie is gericht, zelfs wanneer de kenmerken van een afhankelijke conclusie op zich zelf als een uitvinding zouden kunnen worden beschouwd.
13.5. Gebruiksmodellen Een aangewezen Staat waarin de verlening van een gebruiksmodel wordt verzocht op basis van een internationale aanvrage kan, in plaats van de Regels 13.1 tot en met 13.4, ten aanzien van de in deze Regels geregelde aangelegenheden de bepalingen van zijn nationale wetgeving betreffende gebruiksmodellen toepassen, wanneer de behandeling van de internationale aanvrage in die Staat eenmaal is begonnen, met dien verstande dat de aanvrager ten minste 2 maanden vanaf het verstrijken van de ingevolge artikel 22 van toepassing zijnde termijn wordt toegestaan om zijn aanvrage aan te passen aan de vereisten van genoemde bepalingen van de nationale wetgeving.