Art. 3.15 VB, Verlening onder beperking
Vreemdelingenbesluit 2000 (VB)
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan het in artikel 3.14 bedoelde gezinslid van:
a. een Nederlander van 21 jaar of ouder, of
b. een vreemdeling van 21 jaar of ouder met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, dat niet-tijdelijk is in de zin van artikel 3.5.
2. Indien de vreemdeling als gezinslid in Nederland wil verblijven bij een hoofdpersoon die houder is van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het doorbrengen van verlof in Nederland en die hoofdpersoon werkzaam is aan boord van een zeeschip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, wordt de verblijfsvergunning eerst verleend, nadat deze hoofdpersoon een arbeidsverleden aan boord van een zeeschip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat heeft van ten minste zeven jaar.
3. Indien de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling als gezinslid in Nederland wil verblijven, houder is van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt de verblijfsvergunning aan het gezinslid niet verleend, dan nadat de hoofdpersoon ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven, tenzij:
a. de hoofdpersoon in Nederland verblijft voor een tijdelijk doel als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit inburgering of artikel 2.2 van het Besluit inburgering 2021;
b. de hoofdpersoon onder het toepassingsbereik valt van artikel 13 van Associatiebesluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie, het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag (Trb. 1956, 40) of het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan (Stb. 1913, 389);
c. niet-toelating als gezinslid in strijd zou zijn met de belangen van minderjarige kinderen, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEG 2003, L 251).
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4650
- ABRvS 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1413
- Rb. Den Haag 15 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16613
- ABRvS 11 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:496
- Rb. Den Haag 15 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22125
- Rb. Den Haag 27 augustus 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9737
- Rb. Den Haag 6 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5714
- ABRvS 23 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG9480
- Rb. 's-Gravenhage 21 oktober 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2814
- Rb. 's-Gravenhage 24 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7555
- Rb. 's-Gravenhage 29 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4594
- Rb. 's-Gravenhage 19 november 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BG8125
- Rb. 's-Gravenhage 20 augustus 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9631
- Rb. 's-Gravenhage 19 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0718
- Rb. 's-Gravenhage 20 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0307
- Rb. 's-Gravenhage 5 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ9996
- Rb. 's-Gravenhage 16 november 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ7350
- Rb. 's-Gravenhage 5 december 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5087
- Rb. 's-Gravenhage 22 februari 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY6498
- Rb. 's-Gravenhage 11 april 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT8602