Rb. Den Haag 15 november 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16613
De vraag is aan de orde of verweerder een aanvraag van een minderjarige dochter uit Ghana (eiseres) tot verlening van een mvv voor het doel verblijf bij haar biologische vader (referent) terecht heeft afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet is gebleken dat invulling is en wordt gegeven aan de relatie tussen de minderjarige dochter en haar vader en daarom geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank acht de in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 neergelegde beleidsregel, dat verweerder, indien een minderjarig kind niet staande een relatie tussen de ouders is geboren, pas familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen dat kind en zijn biologische vader aanneemt indien aan de relatie voldoende invulling wordt gegeven, in strijd met artikel 4, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Verweerder heeft bij de motivering van het bestreden besluit daarom ten onrechte toepassing gegeven aan deze beleidsregel. Verweerder dient tot uitgangspunt te nemen dat tussen eiseres en referent gezinsleven bestaat, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen op basis waarvan het gezinsleven is verbroken. Het ligt op de weg van verweerder om deze uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk te maken. Verweerder dient dan ook een hierop gericht onderzoek te doen en deugdelijk te motiveren op grond waarvan het gezinsleven verbroken wordt geacht. Een dergelijk onderzoek ontbreekt thans, evenals een deugdelijke motivering. Beroep gegrond en vernietiging van het bestreden besluit
De uitspraak op rechtspraak.nl