Rb. Den Haag 6 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5714

De door de rechtbank te beantwoorden vraag is of de uitleg van het begrip duurzaamheid in artikel 3.75, eerste lid, van het Vb en in paragraaf B1/4.3.3.3 van de Vc in strijd is met Richtlijn 2003/109/EG, dan wel of door die uitleg door verweerder afbreuk wordt gedaan aan het nuttig effect van de richtlijn. Het Unierechtelijke en het nationaalrechtelijke middelenvereiste verschillen op onderdelen. Zo spreekt artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, van Richtlijn 2003/109/EG over “vaste en regelmatige inkomsten”, een begrip dat in het nationale recht niet voorkomt. Anderzijds stelt artikel 3.75, eerste en tweede lid, van het Vb in het kader van duurzaamheid van de middelen een termijn van één jaar, een termijn die ontbreekt in de bepalingen van Richtlijn 2003/109/EG. Verweerder maakt in de besluitvorming onderscheid tussen vermogen (het saldo van € 22.000,-) en inkomsten uit vermogen (de eventuele rente op dat saldo). Voor dit onderscheid kan geen basis worden gevonden in Richtlijn 2013/109/EG. Eisers stellen bovendien terecht dat het onderscheid dat verweerder maakt in feite betekent dat alleen vermogende vreemdelingen kunnen voldoen aan het middelenvereiste, te weten indien met dat vermogen rente-inkomsten ter hoogte van een bedrag van ten minste € 1.578,- per maand worden gegenereerd. Eisers stellen terecht dat het vermogen van € 22.000,- (op dit moment) in de weg staat aan het verkrijgen van een uitkering op grond van de Participatiewet. Het gaat verweerder echter om de situatie die zich zal voordoen in het geval waarin eisers dermate op dit saldo hebben ingeteerd, dat geen sprake meer is van “vermogen” in de zin van de Participatiewet. In die situatie zouden zij volgens verweerder wel een beroep kunnen doen op het stelsel van sociale bijstand. Eisers betogen terecht dat verweerder in dat geval de bevoegdheid heeft om de verleende verblijfsvergunningen regulier niet te verlengen of in te trekken. Verder kan de rechtbank niet voorbij gaan aan punten (22) en (23) van de considerans van Richtlijn 2003/109/EG. Ten slotte kent de rechtbank ook betekenis toe aan de inhoud van de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging van 3 april 2014 (COM(2014) 210 final), ondanks dat deze richtsnoeren zien op een andere richtlijn. Wat betreft de beoordeling of wordt voldaan aan de vereiste van “stabiele, regelmatige inkomsten die volstaan” blijkt uit de toevoeging “zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand” dat dit laatste een cruciaal criterium is. “Sociale bijstand” verwijst naar bijstand van overheidswege op nationaal, regionaal of lokaal niveau, waarop een beroep kan worden gedaan door een persoon, in dit geval de gezinshereniger, die niet beschikt over voldoende stabiele en regelmatige inkomsten om in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin te voorzien en die daardoor de kans loopt tijdens zijn verblijf ten laste van de sociale bijstand van de gastlidstaat te komen. Dit concept heeft een eigen betekenis in de EU-wetgeving en kan niet worden gedefinieerd door te verwijzen naar concepten uit de nationale wetgeving. Gelet op al het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de uitleg van het duurzaamheidsvereiste door verweerder geen basis heeft in Richtlijn 2003/109/EG en verweerder zijn beoordelingsmarge heeft gebruikt op een manier die afbreuk doet aan het doel en het nuttig effect van de richtlijn. Eisers hebben terecht betoogd dat verweerder in de bestreden besluiten niet gemotiveerd op is ingegaan. De beroepsgrond slaagt dus. Het betoog dat afbreuk wordt gedaan aan het nuttig effect van Richtlijn 2003/109/EG hebben eisers ook in bezwaar naar voren gebracht (punt 13 en verder). Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit had de Afdeling noch het HvJ beslist over de voor de beoordeling van dat betoog relevante rechtsvraag. Nu over het antwoord op die rechtsvraag redelijkerwijs twijfel kon bestaan, waren de bezwaren dus niet kennelijk ongegrond. Ook deze beroepsgrond slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen