Rb. 's-Gravenhage 16 november 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ7350

Aanvraag gezinsvorming / Richtlijn 2003/86 / mvv-procedure Verzoekster, van Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het doel gezinsvorming bij haar echtgenoot. Zij is in het bezit van een geldige mvv. Ten tijde van de mvv-aanvraag beschikte de hoofdpersoon over voldoende middelen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de hoofdpersoon niet meer voldoet aan het middelenvereiste. Verzoekster is van mening dat verweerder haar een verblijfstitel moet verlenen op grond van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de richtlijn). Verzoekster kan zich, gelet op B2/1 Vc, op de richtlijn beroepen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter duiden de bepalingen van de richtlijn er op dat in de richtlijn wordt uitgegaan van één aanvraag om gezinshereniging, waarop zowel over de toegang als over het verblijf wordt beslist. Dit zou betekenen dat een positieve beslissing op een aanvraag om een mvv tevens een positieve beslissing omtrent het verblijf inhoudt. Dat zou weer impliceren dat, zoals door verzoekster is aangevoerd, het onderscheid in de nationale regelgeving tussen een afzonderlijke procedure voor de aanvraag van een mvv met als doel gezinshereniging en een afzonderlijke procedure voor de aanvraag om een verblijfsvergunning met hetzelfde doel zich niet verdraagt met de richtlijn. Verweerder heeft zich hierover niet uitgelaten. De voorzieningenrechter acht het van belang, gelet op de complexiteit van de materie en de vèrstrekkende gevolgen indien verzoekster in het gelijk wordt gesteld, dat verweerder een met argumenten onderbouwd standpunt inneemt. Daartoe biedt de bodemprocedure verweerder alsnog de gelegenheid. De voorzieningenrechter schorst de werking van het besluit en verbiedt verweerder verzoekster uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen