Rb. 's-Gravenhage 29 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH4594
Aanvraag regulier / mvv / middelenvereiste / 120%-normbedrag / gezinsherenigingsrichtlijn / bijzondere omstandigheden / blijvende onmogelijkheid / discretionaire bevoegdheid ex art. 3.13, tweede lid, Vb 2000 Het beroep van eiseres op de uitspraak van zp Amsterdam van 10 december 2007 (LJN: BC4792, JV 2008, 99) inzake 120 procent normbedrag faalt nu de Afdeling die uitspraak op 14 juli 2008 (LJN: BD8574) heeft vernietigd. Verweerder mocht dan ook uitgaan van 120 procent van het netto-normbedrag in de zin van de WWB. Ten aanzien van de verwijzing naar de uitspraak van zp Roermond van 4 juli 2007 inzake strijdigheid van het voormelde normbedrag met Richtlijn 2003/86/EG (gezinsherenigingsrichtlijn) wijst de rechtbank erop dat de referent niet valt onder het toepassingsbereik van deze richtlijn, aangezien hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Verweerder mocht derhalve uitgaan van voormeld normbedrag. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid ex artikel 3.13, tweede lid, Vb 2000 om eiseres toch de gevraagde mvv te verlenen hoewel niet wordt voldaan aan het middelenvereiste. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en acht daartoe het volgende redengevend. Referent is doofstom en werkt sedert 1992 in de sociale werkvoorziening. Eiseres heeft onbetwist gesteld dat referent niet naar reguliere arbeid kan uitstromen. In een door referent overgelegde keuringsuitslag d.d. 20 november 1990 is vermeld dat er ten aanzien van referent sprake is van lichamelijke of psychische factoren die deelname aan arbeid in het vrije bedrijf in belangrijke mate belemmeren. Voorts is in door referent overgelegde verslagen van met hem gehouden functioneringsgesprekken vermeld dat gezien referents beperking uitstroom zeer moeilijk is. Bovendien is gebleken dat het niet reëel is om referent te houden aan urenuitbreiding of het verrichten van werkzaamheden buiten de Diamant-groep. Referent zal zichzelf in zowel werktijden als werkinhoud mogelijk forceren en dientengevolge op termijn niet meer kunnen blijven functioneren binnen de sociale werkvoorziening, alsmede dat urenuitbreiding binnen de sociale werkvoorziening niet haalbaar is omdat referent reeds fulltime werkzaam is. Derhalve is het voor referent niet reëel om aan de norm van 120 procent van het minimumloon te voldoen. Gelet op de aard van de handicap van referent is deze situatie blijvend. Verweerder heeft onder deze omstandigheden aan eiseres in redelijkheid niet de gevraagde mvv kunnen weigeren. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens onjuiste toepassing van artikel 3.13, tweede lid, van het Vb 2000. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl