Rb. 's-Gravenhage 19 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0718

Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86 / gewekt vertrouwen De rechtbank zal allereerst beoordelen of de Richtlijn 2003/86 van toepassing is op de onderhavige situatie. Uit de tekst van de Richtlijn en de preambule leidt de rechtbank af dat in Richtlijn 2003/86 is bedoeld onderscheid te maken tussen derdelanders en Unieburgers. Voorts zijn dit, blijkens de tekst van de Richtlijn, elkaar uitsluitende categorieën. Ten slotte leidt de rechtbank uit de tekst van de Richtlijn af dat de Richtlijn niet van toepassing is op Unieburgers. Aangezien de hoofdpersoon naast de Marokkaanse nationaliteit, ook de Nederlandse nationaliteit heeft, is hij burger van de Unie. De Richtlijn is derhalve niet op de hoofdpersoon en eiseres van toepassing. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 maart 2006 die in dezelfde lijn ligt. De aangedragen beroepsgronden leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het hier bedoelde onderscheid tussen derdelanders en Unieburgers vloeit voort uit de Richtlijn zelf en is niet in strijd met artikel 12 EG-Vedrag. Eiseres kan geen rechten ontlenen aan het (inmiddels afgeschafte) beleid vervat in B2/1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) waarin was opgenomen dat de Richtlijn van overeenkomstige toepassing is op gezinshereniging met Nederlanders. Verwijzing naar uitspraak van de Afdeling van 23 november 2006 waarin is geoordeeld dat dit beleid in strijd is met het Vb 2000. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangedragen geen grond om van het oordeel van de Afdeling af te wijken. Het (inmiddels afgeschafte) beleid strookt niet met Richtlijn. Verweerder hoefde eventuele verwachtingen die eiseres aan het beleid heeft ontleend niet te honoreren. Beleid was immers contra-legem. Gewekt vertrouwen kan niet leiden tot het verlenen van een beschikking contra-legem. Intrekking beleid niet in strijd met artikel 1 Grondwet nu het onderscheid in de Richtlijn wordt gerechtvaardigd door het door de Richtlijn beoogde doel. Ten onrechte heeft verweerder eiseres niet gehoord. Verweerder had hoorzitting bij uitstek kunnen gebruiken om meer informatie te verkrijgen omtrent sollicitaties van de hoofdpersoon en gestelde schending 8 EVRM. Horen lag des te meer voor de hand nu het beleid vervat in B1/1.1.8 Vc bepaalt dat aan houder van een mvv slechts in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning kan worden geweigerd. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen