Rb. 's-Gravenhage 20 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB0307

Horen getuigen ter zitting / behoorlijke procesvoering Aanvraag verblijfsvergunning bij echtgenote. Verweerder meent dat sprake is van schijnhuwelijk. De rechtbank oordeelt dat verweerder op goede gronden heeft beslist dat niet is voldaan aan het vereiste van samenwoning en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank heeft ter zitting het verzoek van verweerder om de door eiser meegebrachte getuige niet te horen, verworpen. Ter zitting is vastgesteld dat eiser per brief, ontvangen op 4 juni 2007, derhalve vier dagen voor de zitting, heeft meegedeeld dat een getuige mee zal worden gebracht naar de zitting. Met verweerder heeft de rechtbank geconstateerd dat deze mededeling niet tijdig, want niet binnen de wettelijke termijn van artikel 8:60, vierde lid, van de Awb is gedaan en dat het verzoek tevens in strijd met genoemd artikel de woonplaats van de getuige niet vermeldt. De ratio van artikel 8:60, vierde lid, van de Awb is met name dat uit het oogpunt van een behoorlijke procesvoering wordt voorkomen dat partijen ter zitting worden overvallen met een verzoek om getuigen te horen en aldus worden geschaad in hun mogelijkheden van goed verweer. Het horen van de getuige brengt deze ratio in het onderhavige geval niet in gevaar. Verweerder heeft het verzoek om de getuige te horen immers wel daags voor de zitting ontvangen en was dus op de hoogte van eisers verzoek. Daarnaast is aan het verzoek een kopie van het paspoort van de getuige gevoegd, zodat in ieder geval de naam van de getuige bekend was bij verweerder en de rechtbank. Dat repareert nog steeds niet dat ten onrechte de woonplaats van de getuige niet is vermeld. Dat geringe gebrek afwegende tegen het belang van de materiële waarheidsvinding heeft de rechtbank, ook gelet op de aard van de zaak, geoordeeld dat laatstgenoemd belang in dit geval dient te prevaleren. Hetgeen ter zitting door de getuige is verklaard brengt de rechtbank evenwel niet tot het oordeel dat verweerder ten onrechte op grond van door hem gebruikte, en hierboven beoordeelde, argumenten tot zijn beslissing is gekomen dat niet aan de voorwaarden van artikel 3.17, onder a, van het Vb 2000 is voldaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen