Gerecht EU 27 juli 2022, T-125/22, ECLI:EU:T:2022:483
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Grote kamer)
27 juli 2022 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren – Tijdelijk uitzendverbod en opschorting van de vergunningen om inhoud van bepaalde mediakanalen uit te zenden – Plaatsing op de lijst van entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn – Bevoegdheid van de Raad – Rechten van de verdediging – Recht om te worden gehoord – Vrijheid van meningsuiting en van informatie – Evenredigheid – Vrijheid van ondernemerschap – Beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit”
In zaak T‑125/22,
RT France, gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk), vertegenwoordigd door E. Piwnica en M. Nguyen Chanh, advocaten,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Lejeune, R. Meyer en S. Emmerechts als gemachtigden,
verweerder,
ondersteund door
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door C. Pochet, M. Van Regemorter en L. Van den Broeck als gemachtigden,
door
Republiek Estland, vertegenwoordigd door N. Grünberg en M. Kriisa als gemachtigden,
door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères, J.‑L. Carré, W. Zemamta en T. Stéhelin als gemachtigden,
door
Republiek Letland, vertegenwoordigd door K. Pommere, J. Davidoviča, I. Hūna, D. Ciemiņa en V. Borodiņeca als gemachtigden,
door
Republiek Litouwen, vertegenwoordigd door K. Dieninis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden,
door
Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna en A. Miłkowska als gemachtigden,
door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Calleja Crespo, V. Di Bucci, J.‑F. Brakeland en M. Carpus Carcea als gemachtigden,
en door
Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, vertegenwoordigd door F. Hoffmeister, L. Havas en A. De Almeida Veiga als gemachtigden,
interveniënten,
wijst
HET GERECHT (Grote kamer),
samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, H. Kanninen, V. Tomljenović, S. Gervasoni, D. Spielmann, S. Frimodt Nielsen, J. Schwarcz, E. Buttigieg, U. Öberg, R. Mastroianni (rapporteur), M. Brkan, I. Gâlea, I. Dimitrakopoulos, D. Kukovec en S. Kingston, rechters,
griffier: E. Coulon,
gezien de stukken,
na de terechtzitting van 10 juni 2022,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt verzoekster, RT France, om nietigverklaring van besluit (GBVB) 2022/351 van de Raad van 1 maart 2022 tot wijziging van besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2022, L 65, blz. 5; hierna: „bestreden besluit”), en van verordening (EU) 2022/350 van de Raad van 1 maart 2022 tot wijziging van verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2022, L 65, blz. 1; hierna: „bestreden verordening”) (hierna tezamen: „bestreden handelingen”), voor zover die handelingen haar betreffen.
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een in Frankrijk gevestigde vereenvoudigde aandelenvennootschap met één vennoot, die programma’s via themakanalen uitzendt. Verzoeksters maatschappelijk kapitaal is volledig in handen van ANO „TV Novosti” (Autonomous Non-profit Organization TV-News; hierna: „TV Novosti”), een autonome vereniging zonder winstoogmerk van de Russische Federatie, zonder maatschappelijk kapitaal, met hoofdkantoor in Moskou (Rusland), die nagenoeg volledig uit de Russische staatsbegroting wordt gefinancierd.
3 Op 2 september 2015 heeft verzoekster een overeenkomst gesloten met de Conseil supérieur de l’audiovisuel (hoge raad voor audiovisuele media, Frankrijk; hierna: „CSA”), thans de Autorité de régulation de la communication audiovisuelle et numérique (regelgevende autoriteit voor audiovisuele en digitale communicatie, Frankrijk; hierna: „Arcom”), voor de doorgifte van de televisiedienst RT France, die niet via hertzgolven wordt uitgezonden. De zender is sinds 2017 beschikbaar in Frankrijk en de programma’s worden via satelliet en internet tevens in alle andere Franstalige landen uitgezonden.
4 In maart 2014 heeft de Russische Federatie de Autonome Republiek Krim en de stad Sebastopol illegaal geannexeerd en sindsdien voert zij onafgebroken ontwrichtende acties uit in het oosten van Oekraïne. Naar aanleiding van die ontwrichtende acties van de Russische Federatie – acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen – heeft de Europese Unie beperkende maatregelen ingevoerd. Daarnaast heeft de Unie beperkende maatregelen ingevoerd als reactie op de illegale annexatie van de Autonome Republiek Krim en de stad Sebastopol door de Russische Federatie.
5 In het voorjaar van 2021 zijn de spanningen aan de Russisch-Oekraïense grens hoog opgelopen nadat de Russische Federatie dicht bij de grens met Oekraïne een groot aantal troepen had verzameld.
6 In zijn conclusies van 24 en 25 juni 2021 heeft de Europese Raad de Russische Federatie opgeroepen haar volle verantwoordelijkheid te nemen om ervoor te zorgen dat de „akkoorden van Minsk” volledig worden uitgevoerd, de voornaamste voorwaarde voor een substantiële wijziging in de houding van de Unie. De Europese Raad heeft daarin benadrukt dat de Unie en haar lidstaten „op ferme en gecoördineerde wijze moeten reageren op verdere kwaadwillige, illegale en ontwrichtende activiteiten van [de Russische Federatie], daarbij ten volle gebruikmakend van alle instrumenten waarover de [Unie] beschikt, in nauwe coördinatie met de partners”. Daartoe heeft de Europese Raad de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (hierna: „hoge vertegenwoordiger”) tevens verzocht om opties aan te reiken voor aanvullende beperkende maatregelen, waaronder economische sancties.
7 In zijn conclusies van 16 december 2021 heeft de Europese Raad benadrukt dat de Russische Federatie dringend de spanningen, veroorzaakt door de militaire opbouw langs zijn grens met Oekraïne en een agressieve retoriek, moet laten de-escaleren. De Europese Raad heeft daarin nogmaals zijn volledige steun uitgesproken voor de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne. De Europese Raad heeft in de conclusies aangespoord tot diplomatieke inspanningen en heeft verklaard dat elke verdere militaire agressie tegen Oekraïne enorme gevolgen en zware kosten met zich mee zou brengen, waaronder met partners gecoördineerde beperkende maatregelen.
8 Op 24 januari 2022 heeft de Raad van de Europese Unie conclusies goedgekeurd waarin hij de aanhoudende agressie en dreigingen van de Russische Federatie tegen Oekraïne veroordeelt en de Russische Federatie oproept de situatie te laten de-escaleren, zich te houden aan het internationale recht en via de bestaande internationale mechanismen een constructieve dialoog aan te gaan. Voorts heeft de Raad de conclusies van de Europese Raad van 16 december 2021 in herinnering gebracht en herhaald dat elke verdere militaire agressie enorme gevolgen en zware kosten met zich mee zou brengen, waaronder een breed scala aan sectorale en individuele beperkende maatregelen die in overleg met partners zouden worden uitgevaardigd.
9 Op 15 februari 2022 heeft de Gosudarstvennaya Duma Federal’nogo Sobrania Rossiskoï Federatsii (Doema van de Federale Vergadering van de Russische Federatie) gestemd voor een resolutie waarin president Vladimir Poetin werd verzocht de door separatisten opgeëiste delen van Oost-Oekraïne als onafhankelijke staten te erkennen.
10 Op 21 februari 2022 heeft de president van de Russische Federatie een besluit ondertekend waarbij de onafhankelijkheid en de soevereiniteit van de zelfverklaarde „volksrepublieken” Donetsk en Loehansk worden erkend, en de inzet van Russische troepen in deze gebieden bevolen.
11 Op 22 februari 2022 heeft de hoge vertegenwoordiger namens de Unie een verklaring afgelegd waarin hij deze acties veroordeelt, aangezien zij een ernstige inbreuk op het internationale recht vormen. Daarin heeft hij aangekondigd dat de Unie op deze meest recente schendingen zou reageren door met spoed aanvullende beperkende maatregelen vast te stellen.
12 Op 23 februari 2022 heeft de Raad een eerste reeks beperkende maatregelen aangenomen. Deze omvatten, ten eerste, beperkingen op de economische betrekkingen met de niet onder het Oekraïense gezag vallende gebieden Donetsk en Loehansk, ten tweede, beperkingen voor toegang tot de kapitaalmarkt, met name middels een verbod op financiering van de Russische Federatie, haar regering en haar centrale bank, en ten derde, plaatsing van leden van de regering, banken, zakenlieden, generaals en 336 leden van de Doema van de Federale Vergadering van de Russische Federatie op de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn.
13 Op 24 februari 2022 heeft de president van de Russische Federatie een militaire operatie in Oekraïne aangekondigd, en op dezelfde dag hebben Russische strijdkrachten Oekraïne op verschillende plaatsen in het land aangevallen.
14 Op diezelfde datum heeft de hoge vertegenwoordiger namens de Unie een verklaring afgelegd waarin hij de „niet-uitgelokte invasie” van de strijdkrachten van de Russische Federatie in Oekraïne veroordeelt en aangeeft dat de reactie van de Unie zowel sectorale als individuele beperkende maatregelen zou omvatten. In de conclusies die de Europese Raad tijdens zijn buitengewone vergadering op diezelfde dag heeft goedgekeurd, wordt deze „niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde agressie” in de krachtigste bewoordingen veroordeeld. Volgens de Europese Raad vormen de onwettige militaire acties van de Russische Federatie, waarvoor zij ter verantwoording zal worden geroepen, een flagrante schending van het internationale recht en van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en ondermijnen zij de Europese en mondiale veiligheid en stabiliteit. De Europese Raad heeft de Russische Federatie met name verzocht om haar desinformatiecampagne stop te zetten en is verdere beperkende maatregelen voor diverse sectoren overeengekomen die enorm zware gevolgen zullen hebben voor de Russische Federatie.
15 Op 25 februari 2022 heeft het Comité van ministers van de Raad van Europa besloten om de rechten van vertegenwoordiging van de Russische Federatie in de Raad van Europa te schorsen overeenkomstig artikel 8 van het statuut van de Raad van Europa, dat op 5 mei 1949 in Londen is ondertekend, en om onmiddellijke gevolgen aan dat besluit te verbinden met betrekking tot de rechten van vertegenwoordiging van de Russische Federatie in het Comité van ministers en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.
16 In zijn verklaring van diezelfde dag heeft de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) alle partijen die de vijandelijkheden op het grondgebied van Oekraïne plegen, eraan herinnerd dat hij krachtens de verklaring van 8 september 2015 waarin de bevoegdheid van dat hof wordt erkend, bevoegd is om onderzoek te doen naar alle daden van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven die sinds 20 februari 2014 op het grondgebied van Oekraïne zijn gepleegd.
17 Op diezelfde datum heeft de Raad een tweede reeks beperkende maatregelen vastgesteld. Ten eerste waren dat individuele maatregelen ten aanzien van politici en zakenlieden die betrokken waren bij de aantasting van de integriteit van het Oekraïense grondgebied. Ten tweede ging het om beperkende maatregelen op het gebied van financiën, defensie en energie, en in de luchtvaartsector en de ruimtevaartindustrie. Ten derde ging het om maatregelen tot schorsing van een aantal bepalingen van de overeenkomst waarin maatregelen waren vastgelegd ter versoepeling van de afgifte van visa voor bepaalde categorieën burgers van de Russische Federatie die een visum voor kort verblijf aanvragen.
18 Op 28 februari 2022 heeft de hoofdaanklager van het ICC zijn besluit bekendgemaakt om op basis van de conclusies waartoe zijn bureau na een vooronderzoek was gekomen, te verzoeken om een onderzoek naar de situatie in Oekraïne, waarbij hij zich op het standpunt stelde dat er voldoende aanwijzingen waren dat de gestelde oorlogsmisdrijven en misdaden tegen de menselijkheid in Oekraïne daadwerkelijk waren gepleegd in het kader van de gebeurtenissen die bij het vooronderzoek reeds in aanmerking waren genomen.
19 Tussen 28 februari en 1 maart 2022 heeft de Raad een derde reeks beperkende maatregelen opgelegd. Deze bestonden in individuele en economische maatregelen die met name betrekking hadden op de sluiting van het luchtruim van de Unie voor Russische luchtvaartuigen, het berichten- en betalingsverkeerssysteem SWIFT en de middelen van de Russische centrale bank.
20 Op 1 maart 2022 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen over de aanval van Rusland op Oekraïne [2022/2564 (RSP)], waarin het met name de „illegale, niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde militaire agressie” tegen en invasie van Oekraïne door de Russische Federatie in de krachtigste bewoordingen heeft veroordeeld; heeft geëist dat de Russische Federatie onmiddellijk alle militaire activiteiten in Oekraïne stopzet, alle militaire en paramilitaire strijdkrachten en militaire uitrusting onvoorwaardelijk terugtrekt uit het gehele internationaal erkende grondgebied van Oekraïne, en de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen volledig eerbiedigt; heeft onderstreept dat de militaire agressie en invasie een ernstige schending van het internationale recht vormen; heeft opgeroepen om het toepassingsgebied van de sancties uit te breiden en tevens benadrukt dat de sancties zijn gericht op het strategisch verzwakken van de Russische economie en industriële basis, met name het militair-industrieel complex, en daarmee het vermogen van de Russische Federatie om de internationale veiligheid in de toekomst te bedreigen. In punt 31 van die resolutie heeft het Parlement tevens het gebruik veroordeeld van een informatieoorlog door de Russische autoriteiten, staatsmedia en pro-Russische groeperingen om verdeeldheid te zaaien met behulp van denigrerende inhoud en valse verhalen over de Unie, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en Oekraïne, met als doel de Russische „wreedheden” op plausibele wijze te ontkennen en heeft het alle lidstaten dan ook opgeroepen om de uitzendvergunningen voor alle Russische staatsmediakanalen, met inbegrip van heruitzendingen daarvan, onmiddellijk op te schorten.
21 In die context heeft de Raad op 1 maart 2022 op grond van artikel 29 VEU het bestreden besluit, en op grond van artikel 215 VWEU de bestreden verordening vastgesteld houdende een verbod van de voortdurende en gecoördineerde verspreiding van propaganda ter ondersteuning van de militaire agressie tegen Oekraïne door de Russische Federatie, welke propaganda is gericht tegen het maatschappelijk middenveld in de Unie en in de buurlanden, en wordt verspreid via een aantal mediakanalen die onder permanente directe of indirecte controle staan van de leiding van de Russische Federatie, aangezien dergelijke propaganda een aanzienlijke en rechtstreekse bedreiging voor de openbare orde en veiligheid van de Unie vormt.
22 In de overwegingen 1 tot en met 11 van de bestreden handelingen worden de omstandigheden uiteengezet die voorafgingen aan de vaststelling van de daarin vervatte beperkende maatregelen (hierna: „betrokken beperkende maatregelen”). Meer in het bijzonder luiden de overwegingen 5 tot en met 11 van het bestreden besluit als volgt: „(5) In zijn conclusies van 10 mei 2021 onderstreepte de Raad dat de weerbaarheid van de Unie en de lidstaten en hun vermogen om hybride dreigingen, ook desinformatie, te bestrijden, verder moeten worden versterkt, om ervoor te zorgen dat bestaande en mogelijke nieuwe instrumenten voor de bestrijding van hybride dreigingen op het niveau van de Unie en de lidstaten op gecoördineerde en geïntegreerde wijze worden gebruikt, en dat verder onderzoek moet worden gedaan naar mogelijke reacties op het gebied van hybride dreigingen, onder meer op buitenlandse inmenging en beïnvloeding; dit kan gaan om preventieve maatregelen of het opleggen van kosten aan vijandige overheids- en niet-overheidsactoren. (6) De Russische Federatie voert een systematische internationale campagne waarbij de media worden gemanipuleerd en feiten verdraaid om haar strategie van destabilisering van haar buurlanden en van de Unie en de lidstaten van de Unie te ondersteunen. De propaganda richt zich met name herhaaldelijk en consequent op Europese politieke partijen, met name tijdens de verkiezingsperioden, alsook tegen het maatschappelijk middenveld, asielzoekers, Russische etnische minderheden, genderminderheden, en de werking van democratische instellingen in de Unie en haar lidstaten. (7) Om de agressie tegen Oekraïne te rechtvaardigen en te ondersteunen verspreidt de Russische Federatie voortdurend en gecoördineerd propaganda die is gericht tegen het maatschappelijk middenveld in de Unie en in de buurlanden, waarbij de feiten ernstig worden verdraaid en gemanipuleerd. (8) Die propaganda wordt verspreid via een aantal mediakanalen die onder permanente directe of indirecte controle staan van de leiding van de Russische Federatie. Dergelijke acties vormen een aanzienlijke en rechtstreekse bedreiging voor de openbare orde en veiligheid van de Unie. (9) Die mediakanalen zijn essentieel en instrumenteel om de agressie tegen Oekraïne aan te wakkeren en te ondersteunen en om de buurlanden van Oekraïne te destabiliseren. (10) Gezien de ernst van de situatie en in antwoord op de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, moeten, in overeenstemming met de fundamentele rechten en vrijheden die in het Handvest van de grondrechten [van de Europese Unie (hierna: ‚Handvest’)] zijn erkend, met name het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie zoals erkend in artikel 11 ervan, verdere beperkende maatregelen worden ingesteld om de uitzendingen van die mediakanalen in de Unie of gericht tegen de Unie onmiddellijk te schorsen. Deze maatregelen moeten worden gehandhaafd totdat de agressie tegen Oekraïne is beëindigd en totdat de Russische Federatie en de daarmee verbonden mediakanalen ophouden met propaganda tegen de Unie en haar lidstaten. (11) In overeenstemming met de fundamentele rechten en vrijheden die in het [Handvest] zijn erkend, met name het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom zoals erkend in artikelen 11, 16 en 17 ervan, beletten deze maatregelen die mediakanalen en hun personeel niet om in de Unie andere activiteiten uit te oefenen dan uitzendingen, zoals onderzoek en interviews. Meer in het bijzonder wijzigen deze maatregelen niets aan de verplichting tot het naleven van de rechten, vrijheden en beginselen bedoeld in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met inbegrip van het [Handvest], en in de grondwet van de lidstaten, binnen het respectieve toepassingsgebied daarvan.”
23 Artikel 4 octies van besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 13), zoals gewijzigd bij het bestreden besluit, luidt als volgt: „1. Het is exploitanten verboden inhoud die door de in bijlage IX vermelde rechtspersonen, entiteiten of lichamen wordt verstrekt, uit te zenden of de uitzending van die inhoud mogelijk te maken, te faciliteren of anderszins daartoe bij te dragen, onder andere door transmissie of distributie, ongeacht het middel, bijvoorbeeld via kabel, satelliet, IP-TV, internetproviders, internetplatforms of applicaties voor het delen van video’s, ongeacht of deze nieuw of voorgeïnstalleerd zijn. 2. Uitzendlicenties of -vergunningen en transmissie- en distributieregelingen met de in bijlage IX vermelde rechtspersonen, entiteiten of lichamen worden geschorst.”
24 Verzoeksters naam is opgenomen in bijlage IX bij besluit 2014/512, zoals gewijzigd bij het bestreden besluit.
25 Artikel 2 septies van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 1), zoals gewijzigd bij de bestreden verordening, luidt als volgt: „1. Het is exploitanten verboden inhoud die door de in bijlage XV vermelde rechtspersonen, entiteiten of lichamen wordt verstrekt, uit te zenden of de uitzending van die inhoud mogelijk te maken, te faciliteren of anderszins daartoe bij te dragen, onder andere door transmissie of distributie, ongeacht het middel, bijvoorbeeld via kabel, satelliet, IP-TV, internetproviders, internetplatforms of applicaties voor het delen van video’s, ongeacht of deze nieuw of voorgeïnstalleerd zijn. 2. Uitzendlicenties of -vergunningen en transmissie- en distributieregelingen met de in bijlage XV vermelde rechtspersonen, entiteiten of lichamen worden geschorst.”
26 Verzoeksters naam is opgenomen in bijlage XV bij verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij de bestreden verordening.
27 Op grond van deze bepalingen is de verspreiding van met name verzoeksters inhoud ongeacht het middel in alle landen van de Unie tijdelijk verboden.
28 Besluit 2014/512, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2022/327 van de Raad van 25 februari 2022 (PB 2022, L 48, blz. 1), is overeenkomstig artikel 9 ervan van toepassing tot en met 31 juli 2022 en wordt voortdurend geëvalueerd. Indien de Raad van mening is dat de doelstellingen ervan niet zijn verwezenlijkt, wordt het, in voorkomend geval, herzien of gewijzigd.
Procedure en conclusies van partijen
29 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 maart 2022, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
30 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op dezelfde dag, heeft verzoekster een verzoek in kort geding ingediend. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van 30 maart 2022, RT France/Raad (T‑125/22 R, niet gepubliceerd, EU:T:2022:199), op grond dat niet was voldaan aan de voorwaarde van spoedeisendheid en de afweging van de betrokken belangen in het voordeel van de Raad was, en de beslissing omtrent de kosten is aangehouden.
31 Bij beschikking van 22 maart 2022 heeft het Gerecht (Vijfde kamer) ambtshalve, na de partijen te hebben gehoord, beslist om overeenkomstig artikel 151, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgens de versnelde procedure uitspraak te doen.
32 Op voorstel van de president van het Gerecht is besloten de zaak krachtens artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering naar de Grote kamer te verwijzen.
33 Omdat drie leden van de Grote kamer verhinderd waren, heeft de president van het Gerecht drie andere rechters aangewezen ter aanvulling van de kamer.
34 Op 3 mei 2022 heeft de Raad zijn verweerschrift ingediend.
35 Bij maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, die respectievelijk op 6 en 18 mei 2022 aan verzoekster en aan de Raad zijn betekend, heeft het Gerecht hun krachtens artikel 154, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering toegestaan om een tot bepaalde specifieke punten beperkte repliek en dupliek in te dienen.
36 Verzoekster heeft haar repliek op 16 mei 2022 neergelegd en de Raad heeft zijn dupliek op 25 mei 2022 neergelegd.
37 Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 14, 18 en 30 maart, 13 april en 10 en 13 mei 2022, hebben de Commissie, het Koninkrijk België, de Republiek Polen, de Franse Republiek, de Republiek Estland, de hoge vertegenwoordiger, de Republiek Litouwen en de Republiek Letland verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Raad. De president van de Grote kamer heeft bij beslissingen van 4, 20 en 24 mei 2022 de interventies van de Commissie, het Koninkrijk België, de Franse Republiek, de Republiek Polen, de Republiek Estland, de Republiek Litouwen en de Republiek Letland, en bij beschikking van 11 mei 2022 de interventie van de hoge vertegenwoordiger toegestaan.
38 Op 25 mei 2022 is de schriftelijke behandeling gesloten.
39 In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering is partijen verzocht ter terechtzitting een aantal aan hen gerichte vragen te beantwoorden.
40 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Grote kamer) beslist tot de mondelinge behandeling over te gaan en ambtshalve een pleitzitting te houden.
41 Partijen hebben ter terechtzitting van 10 juni 2022 pleidooi gehouden en geantwoord op de mondeling gestelde vragen van het Gerecht.
42 Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen: – de bestreden handelingen nietig te verklaren voor zover zij haar betreffen; – de Raad te verwijzen in de kosten.
43 De Raad verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
44 Het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Franse Republiek, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Polen, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger hebben ter terechtzitting geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
In rechte
45 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan, ontleend aan schending van respectievelijk de rechten van de verdediging, de vrijheid van meningsuiting en informatie, de vrijheid van ondernemerschap en het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit. In het kader van het tweede middel trekt zij incidenteel ook de bevoegdheid van de Raad tot vaststelling van de bestreden handelingen in twijfel. In dit verband zij eraan herinnerd dat de onbevoegdheid van de auteur van een bezwarende handeling een middel van openbare orde vormt dat hoe dan ook ambtshalve door het Gerecht moet worden onderzocht (zie in die zin arrest van 14 december 2016, SV Capital/ABE, C‑577/15 P, EU:C:2016:947, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Gerecht acht het zinvol om in de eerste plaats te onderzoeken of de Raad bevoegd was om de bestreden handelingen vast te stellen.
Bevoegdheid van de Raad om de bestreden handelingen vast te stellen
46 Verzoekster voert in wezen aan dat alleen nationale regelgevende instanties, in casu de Arcom, audiovisuele media kunnen bestraffen wegens ongepaste redactionele inhoud.
47 De Raad, ondersteund door het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Franse Republiek, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Polen, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger, betwist verzoeksters argumenten.
48 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 3, lid 5, VEU het volgende bepaalt: „In de betrekkingen met de rest van de wereld handhaaft de Unie haar waarden en belangen en zet zich ervoor in, en draagt zij bij tot de bescherming van haar burgers. Zij draagt bij tot de vrede, de veiligheid, […] alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationale recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties.”
49 Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 29 VEU. Deze bepaling, die is opgenomen in hoofdstuk 2 van titel V VEU, met als opschrift „Specifieke bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid”, verleent de Raad de bevoegdheid „besluiten vast [te stellen] waarin de aanpak van de Unie wordt bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard”. Overeenkomstig artikel 23 VEU berust het internationale optreden van de Unie, op grond van hetzelfde hoofdstuk, op de beginselen, is het gericht op de doelstellingen, en wordt het uitgevoerd overeenkomstig de algemene bepalingen van hoofdstuk 1, waaronder, volgens artikel 21, lid 1, VEU, de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de eerbiediging van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationale recht. In artikel 24, lid 1, VEU is bepaald dat „[d]e bevoegdheid van de Unie met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid […] alle gebieden van het buitenlands beleid en alle vraagstukken die verband houden met de veiligheid van de Unie [bestrijkt]”.
50 Volgens de rechtspraak volgt uit de artikelen 21 en 23, artikel 24, lid 1, artikel 25 en artikel 28, lid 1, eerste alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 29 VEU, dat als „standpunten van de Unie” in de zin van laatstgenoemd artikel worden beschouwd de besluiten die, ten eerste, passen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, zoals omschreven in artikel 24, lid 1, VEU, ten tweede, betrekking hebben op een „bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard” en, ten derde, geen „operationeel optreden” in de zin van artikel 28 VEU zijn, dat wil zeggen acties die civiele of militaire operaties inhouden die door een of meer lidstaten buiten de Unie worden gevoerd (zie in die zin arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punten 41 en 46).
51 Het begrip „standpunt van de Unie” in de zin van artikel 29 VEU leent zich dus voor een ruime uitlegging zodat, mits aan de in punt 50 hierboven genoemde voorwaarden is voldaan, op grond van dat artikel niet alleen handelingen van programmatische aard of loutere intentieverklaringen kunnen worden vastgesteld, maar ook besluiten houdende maatregelen die de rechtspositie van particulieren rechtstreeks kunnen wijzigen. Dat wordt overigens bevestigd door de tekst van artikel 275, tweede alinea, VWEU (arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 42).
52 Gelet op het ruime aantal doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, zoals vermeld in artikel 3, lid 5, en artikel 21 VEU en de bijzondere bepalingen inzake dat beleid, met name de artikelen 23 en 24 VEU (zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad, C‑220/14 P, EU:C:2015:147, punt 46), beschikt de Raad bij de bepaling van het voorwerp van de beperkende maatregelen die de Unie op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid vaststelt, over een ruime beoordelingsmarge (zie in die zin arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 88). De Raad kan dus niet worden verweten zich op het standpunt te hebben gesteld dat een van de zinvolle maatregelen als reactie op de ernstige bedreiging van de vrede aan de grenzen van de Unie en op de schending van het internationale recht, gezien de internationale crisis als gevolg van de agressie tegen Oekraïne door de Russische Federatie, tevens kon bestaan in een tijdelijk verbod op de verspreiding van inhoud van bepaalde mediakanalen, die onder meer tot de groep zenders van RT (hierna: „RT-groep”) behoren, die uit de Russische staatsbegroting wordt gefinancierd, op grond dat zij die agressie ondersteunen met acties zoals genoemd in overweging 7 van het bestreden besluit.
53 Uit overweging 8 van het bestreden besluit blijkt immers dat dergelijke acties volgens de Raad een aanzienlijke en rechtstreekse bedreiging voor de openbare orde en veiligheid van de Unie vormen, hetgeen zijn optreden in het kader van de bevoegdheden uit hoofde van hoofdstuk 2 van titel V VEU rechtvaardigt.
54 Zoals de Raad ter terechtzitting heeft verduidelijkt, houdt dit optreden dus rechtstreeks verband met de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als bedoeld in artikel 21, lid 2, onder a) en c), VEU, aangezien daarmee enerzijds wordt beoogd de waarden van de Unie, haar fundamentele belangen, haar veiligheid, haar onafhankelijkheid en haar integriteit te beschermen, en anderzijds de vrede te handhaven, conflicten te voorkomen en de internationale veiligheid te versterken (zie in die zin, naar analogie, arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 115 en 116).
55 Wat de door de Raad nagestreefde doelstellingen betreft, wordt er in de overwegingen 4 tot en met 10 van de bestreden handelingen op gewezen dat de Unie en haar lidstaten moeten worden beschermd tegen desinformatie- en destabiliseringscampagnes van mediakanalen die onder controle van de leiding van de Russische Federatie staan en die de openbare orde en veiligheid van de Unie bedreigen tegen de achtergrond van militaire agressie tegen Oekraïne. Het gaat dus om openbare belangen die tot doel hebben de Europese samenleving te beschermen en die deel uitmaken van een algemene strategie (zie punten 11, 12, 14, 17 en 19 hierboven) waarmee wordt beoogd zo snel mogelijk een einde te maken aan de agressie tegen Oekraïne.
56 Aangezien propaganda en desinformatiecampagnes de grondslagen van democratische samenlevingen kunnen ondermijnen en integrerend deel uitmaken van het moderne oorlogsarsenaal, passen de betrokken beperkende maatregelen ook binnen het kader van de door de Unie nagestreefde doelstellingen van artikel 3, leden 1 en 5, VEU.
57 Met de vaststelling van het bestreden besluit heeft de Raad dus de bevoegdheid uitgeoefend die bij de Verdragen aan de Unie is verleend uit hoofde van de bepalingen inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat de bevoegdheid om een omroeporganisatie wegens ongepaste redactionele inhoud te bestraffen, volgens de Franse wetgeving aan de Arcom toekomt. Ten eerste kunnen de bevoegdheden van de Unie, ook die op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, namelijk niet worden uitgesloten, noch afhankelijk worden gesteld van het bestaan of de uitoefening van bevoegdheden die door het nationale recht aan een bestuursorgaan zijn toegekend. De omstandigheid dat een nationaal bestuursorgaan bevoegd is om sancties vast te stellen, verzet zich dus niet tegen de aan de Raad toegekende bevoegdheid om beperkende maatregelen vast te stellen waarbij aan verzoekster een voorlopig en omkeerbaar uitzendverbod wordt opgelegd.
58 Ten tweede moet worden opgemerkt dat met de bevoegdheid waarover nationale bestuursorganen op grond van nationale wettelijke regelingen beschikken, niet dezelfde doelstellingen worden nagestreefd, die bevoegdheid niet op dezelfde uitgangspunten en waarden berust en zij niet dezelfde uitkomst kan waarborgen als een uniform en onmiddellijk optreden op het gehele grondgebied van de Unie, zoals uit hoofde van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid mogelijk is. Tevens moet worden opgemerkt dat het dispositief van het bestreden besluit is gericht tot exploitanten die de inhoud van verzoekster en van de andere in bijlage IX erbij genoemde omroeporganisaties uitzenden, waarbij die exploitanten een verbod op uitzending wordt opgelegd, ongeacht het middel, waaronder via kabel, satelliet en IP-TV (zie punt 23 hierboven). Aangezien een dergelijk verbod geldt ongeacht de lidstaat waarin die exploitanten zijn gevestigd en ongeacht de wijze waarop verzoeksters inhoud wordt uitgezonden, volgt daaruit dat het door het bestreden besluit beoogde resultaat niet had kunnen worden bereikt via de nationale regelgevende instanties, die enkel in hun eigen lidstaat bevoegd zijn.
59 Hoewel verzoekster niet heeft verwezen naar de verdeling van de interne bevoegdheden van de Unie, kan de vaststelling van een besluit door de Raad krachtens artikel 29 VEU bovendien niet op losse schroeven worden gezet door het feit dat de Unie op het gebied van audiovisuele diensten kan ingrijpen op grond van andere categorieën bevoegdheden die in het VWEU zijn neergelegd, met name de bevoegdheden waarover de Unie uit hoofde van artikel 4, lid 2, VWEU beschikt om de interne markt te reguleren.
60 In dit verband hoeft er slechts aan te worden herinnerd dat volgens artikel 40, tweede alinea, VEU de uitvoering van de in de artikelen 3 tot en met 6 VWEU bedoelde beleidsmaatregelen geen gevolgen mag hebben voor de toepassing van de procedures en de respectieve omvang van de bevoegdheden van de instellingen waarin de Verdragen voorzien voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Unie uit hoofde van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.
61 Hieruit volgt dat de bevoegdheden van de Unie uit hoofde van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en uit hoofde van andere bepalingen van het VWEU die onder het derde deel van dat Verdrag vallen en die betrekking hebben op het beleid en het interne optreden van de Unie, elkaar niet uitsluiten, maar elkaar aanvullen, doordat zij elk een eigen werkingssfeer hebben en verschillende doelstellingen nastreven (zie in die zin, naar analogie, arrest van 19 juli 2012, Parlement/Raad, C‑130/10, EU:C:2012:472, punt 66).
62 Met betrekking tot de bevoegdheid van de Raad om de bestreden verordening vast te stellen, moet worden opgemerkt dat de Raad volgens artikel 215, lid 2, VWEU, wanneer een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het VEU vastgesteld besluit daarin voorziet, jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten beperkende maatregelen kan vaststellen (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, CW/Raad, T‑224/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:375, punt 68).
63 Aangezien de Raad het bestreden besluit in casu op goede gronden kon vaststellen krachtens artikel 29 VEU, volgt hieruit dat de vaststelling van de bestreden verordening krachtens artikel 215, lid 2, VWEU, zoals blijkt uit overweging 12 ervan, noodzakelijk was om te garanderen dat deze verordening in alle lidstaten uniform ten uitvoer werd gelegd. Aangezien de betrokken beperkende maatregelen slechts kunnen worden uitgevoerd door marktdeelnemers een tijdelijk uitzendverbod van verzoeksters audiovisuele inhoud op te leggen, is het immers duidelijk, zoals een aantal interveniënten ook heeft benadrukt, dat de uniforme toepassing van het tijdelijke verbod op uitzending van verzoeksters inhoud op het gehele grondgebied van de Unie beter op het niveau van de Unie dan op nationaal niveau kon worden verwezenlijkt. In dit verband moet tevens worden opgemerkt dat de door de Raad in casu vastgestelde maatregelen, anders dan verzoekster stelt, niet kunnen worden beschouwd als een volledige verbreking van de economische en financiële betrekkingen met een derde land op grond van artikel 215, lid 1, VWEU, aangezien de bestreden verordening, zoals hierboven is verduidelijkt, op grond van artikel 215, lid 2, VWEU is vastgesteld.
64 Gelet op een en ander moet de grief dat de Raad onbevoegd is, ongegrond worden verklaard.
Eerste middel: schending van de rechten van de verdediging
65 Verzoekster verwijt de Raad de bestreden handelingen in strijd met haar rechten van verdediging en het daaraan inherente beginsel van hoor en wederhoor te hebben vastgesteld. In de eerste plaats gebood de eerbiediging van haar rechten van verdediging, zoals gewaarborgd door de artikelen 41 en 48 van het Handvest, dat zij vooraf werd gehoord, of in ieder geval in staat werd gesteld om opmerkingen in te dienen nadat zij toegang tot het dossier had gekregen. In de tweede plaats vereiste de eerbiediging van het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op effectieve rechterlijke bescherming dat verzoekster vóór de vaststelling van het besluit om haar naam op de betrokken lijsten te plaatsen, kennis kon nemen van de gronden waarop de Raad voornemens was dat besluit te baseren.
66 Volgens verzoekster tasten de bestreden handelingen haar belangen ontegenzeglijk op ernstige en onomkeerbare wijze aan, doordat zij vanuit economisch, financieel en menselijk oogpunt dramatische gevolgen meebrengen, aangezien zij haar activiteit niet meer kan uitoefenen. Zij stelt tevens dat de bestreden handelingen haar reputatie ernstig aantasten, aangezien zij daarin wordt afgeschilderd als een mediakanaal dat onder permanent en exclusief toezicht van de Russische machthebbers staat, waardoor haar geloofwaardigheid bij de uitoefening van haar activiteiten wordt ondermijnd.
67 Bij gebreke van een voorafgaande individuele kennisgeving van de betrokken beperkende maatregelen zijn verzoekster haar rechten ontnomen. Bovendien is er vóór de vaststelling van de bestreden handelingen noch op Europees, noch op nationaal niveau officieel of informeel contact met haar opgenomen door politieke of institutionele vertegenwoordigers.
68 In repliek voert verzoekster in wezen aan dat de bestreden handelingen berusten op een circulaire en tautologische motivering, die bovendien niet voldoet aan de vereisten van de rechtspraak van de Unierechter. Daarenboven beperkt de Raad zich in zijn verweerschrift tot een parafrasering of zelfs een herhaling van de overwegingen van die handelingen, die volgens verzoekster de haar verweten propaganda-activiteiten niet kunnen staven of rechtvaardigen. Overigens kan uit het feit dat zij het onderhavige beroep tegelijk met een verzoek in kort geding heeft kunnen instellen, niet worden afgeleid dat zij voldoende was ingelicht op basis van de gronden waarop het betrokken tijdelijke uitzendverbod was gebaseerd.
69 Voorts is verzoekster van mening dat de door de Raad aangevoerde extreme noodsituatie in verband met het ontketenen van de militaire agressie tegen Oekraïne op zich niet volstaat om schending van haar rechten van verdediging en van haar recht op effectieve rechterlijke bescherming te rechtvaardigen.
70 Volgens verzoekster is het tegen haar ingestelde algemene en absolute uitzendverbod puur symbolisch en kan het niet worden beschouwd als een reactie die tot doel heeft de vrede en stabiliteit op het Europese continent te herstellen. Een dergelijk verbod is geenszins noodzakelijk om dat doel te verwezenlijken en heeft de kenmerken van een gerichte beperkende maatregel die had moeten worden genomen met inachtneming van verzoeksters rechten van verdediging. De omstandigheid dat zij recht heeft op effectieve rechterlijke toetsing door een onpartijdige rechter, kan de onregelmatigheid in de procedure tot vaststelling van de bestreden handelingen evenmin verhelpen.
71 Wat ten slotte de argumenten betreft die verzoekster had kunnen aanvoeren indien zij vóór de vaststelling van de bestreden handelingen was gehoord of kennis had kunnen nemen van de gronden, stelt zij dat zij ten eerste had kunnen aantonen dat de sprekers in haar uitzendingen evenwichtig waren gekozen en dat er in de uitlatingen in haar media verschillende standpunten aan bod waren gekomen, en ten tweede dat de gebruikte bewoordingen waarheidsgetrouw waren. Overigens is het feit dat de Arcom haar nooit een sanctie heeft opgelegd, een tastbaar bewijs dat de uitgezonden inhoud geen propaganda vormde. Gelet op deze argumenten had de procedure tot een ander resultaat kunnen leiden.
72 De Raad, ondersteund door het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Franse Republiek, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Polen, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger, betwist verzoeksters argumenten.
73 Naar aanleiding van de in repliek verstrekte verduidelijkingen moet het eerste middel worden geacht in wezen te bestaan uit twee onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan een ontoereikende motivering voor de vaststelling van de bestreden handelingen ten aanzien van verzoekster, en het tweede aan de schending van verzoeksters recht om vóór de vaststelling van de bestreden handelingen te worden gehoord.
74 Het tweede onderdeel van het eerste middel moet als eerste worden onderzocht.
Tweede onderdeel: schending van verzoeksters recht om te worden gehoord
75 Het recht om in elke procedure te worden gehoord, dat is neergelegd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, en dat integrerend deel uitmaakt van de eerbiediging van de rechten van de verdediging, waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden (zie in die zin arresten van 11 december 2014, Boudjlida, C‑249/13, EU:C:2014:2431, punten 34 en 36, en 18 juni 2020, Commissie/RQ, C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punten 65 en 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76 In het kader van een procedure tot vaststelling van het besluit om de naam van een persoon op een lijst in de bijlage bij een handeling houdende beperkende maatregelen te plaatsen, vereist de eerbiediging van de rechten van de verdediging dat de bevoegde autoriteit van de Unie aan de betrokkene de tegen hem aangevoerde gronden en elementen meedeelt waarop die autoriteit voornemens is haar besluit te baseren. Bij die mededeling moet de bevoegde autoriteit van de Unie die persoon de mogelijkheid bieden zijn standpunt over de tegen hem in aanmerking genomen redenen naar behoren kenbaar te maken (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 111 en 112).
77 Artikel 52, lid 1, van het Handvest aanvaardt echter dat de uitoefening van de daarin vervatte rechten wordt beperkt, voor zover die beperking de wezenlijke inhoud van het betrokken grondrecht eerbiedigt en zij, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk is en daadwerkelijk beantwoordt aan de eisen van door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang (zie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de rechten van de verdediging aan beperkingen of afwijkingen onderhevig kunnen zijn, zowel op het gebied van beperkende maatregelen die in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zijn vastgesteld (zie in die zin arrest van 21 december 2011, France/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak) als op andere gebieden (zie in die zin arresten van 15 juni 2006, Dokter e.a., C‑28/05, EU:C:2006:408, punten 75 en 76, en 10 september 2013, G. en R., C‑383/13 PPU, EU:C:2013:533, punt 33).
78 Daarnaast moet het bestaan van een schending van de rechten van de verdediging worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval, met name de aard van de betrokken handeling, de context van de vaststelling ervan en de rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoekster in het kader van het onderhavige onderdeel in een passage van het verzoekschrift verwijst naar artikel 48 van het Handvest, met als opschrift „Vermoeden van onschuld en rechten van de verdediging”, zonder dit echter met specifieke argumenten te staven. In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoekster niet heeft uitgelegd op welke grond zij zich kon beroepen op artikel 48, lid 2, van het Handvest of daaraan een andere of ruimere bescherming kon ontlenen dan die op grond van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest. Derhalve hoeft een vermeende grief betreffende de schending van artikel 48 van het Handvest niet afzonderlijk te worden onderzocht (zie in die zin arrest van 22 september 2015, First Islamic Investment Bank/Raad, T‑161/13, EU:T:2015:667, punt 68).
80 Wat de eerbiediging van het recht om te worden gehoord betreft, volgt uit de rechtspraak dat de Raad, wanneer het gaat om het aanvankelijke besluit om de naam van een persoon of entiteit te plaatsen op een lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden worden bevroren, de betrokken persoon of entiteit niet vooraf in kennis hoeft te stellen van de redenen waarop hij die plaatsing wil baseren. Een dergelijke maatregel moet, om de doeltreffendheid ervan niet in gevaar te brengen, naar zijn aard immers een verrassingseffect kunnen hebben en moet onmiddellijk worden toegepast (zie in die zin arrest van 21 december 2011, France/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 61). De betrokken persoon of entiteit heeft middels een verzoek aan de Raad ook het recht om haar standpunt ten aanzien van deze elementen kenbaar te maken nadat de handeling is vastgesteld (arrest van 20 februari 2013, Melli Bank/Raad, T‑492/10, EU:T:2013:80, punt 72).
81 Een dergelijke uitzondering op het grondrecht om te worden gehoord tijdens een procedure die voorafgaat aan de vaststelling van beperkende maatregelen, wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om de doeltreffendheid van de bevriezingsmaatregelen te waarborgen en uiteindelijk door dwingende overwegingen in verband met de veiligheid of de internationale betrekkingen van de Unie en haar lidstaten (zie in die zin arrest van 21 december 2011, France/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82 Ten eerste dient, wat in casu verzoeksters argument betreft dat de Raad haar de bestreden handelingen individueel ter kennis had moeten brengen omdat daarin beperkende maatregelen ten aanzien van haar waren vastgesteld, te worden opgemerkt dat het achterwege blijven van een individuele mededeling van die handelingen weliswaar van belang kan zijn voor het ogenblik waarop de beroepstermijn ingaat, maar op zich niet volstaat om de bestreden handelingen nietig te verklaren. In dat verband voert verzoekster geen argumenten aan die kunnen aantonen dat het achterwege blijven van een individuele mededeling van die handelingen haar rechten in de onderhavige zaak zodanig heeft aangetast dat deze handelingen nietig moeten worden verklaard voor zover zij haar betreffen (zie in die zin arrest van 13 september 2018, DenizBank/Raad, T‑798/14, EU:T:2018:546, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83 Ten tweede moet, wat betreft het feit dat de Raad de redenen en bewijzen ter staving van de vaststelling van beperkende maatregelen jegens verzoekster niet vóór de vaststelling van de betrokken beperkende maatregelen aan haar heeft meegedeeld, en wat betreft de vermeende schending van haar recht om te worden gehoord, worden opgemerkt dat die maatregelen bestaan in een tijdelijk uitzendverbod en niet in een bevriezing van individuele tegoeden.
84 Hoewel een uitzondering op het grondrecht op eerbiediging van het recht om te worden gehoord in de rechtspraak is aanvaard in het geval van een aanvankelijk besluit tot bevriezing van tegoeden, dat naar zijn aard een verrassingseffect moet kunnen hebben en onmiddellijk moet worden toegepast, in wezen om de doeltreffendheid ervan niet in gevaar te brengen (zie punt 80 hierboven), staat niets eraan in de weg dat een dergelijke uitzondering niet kan worden toegestaan wanneer, gelet op de specifieke omstandigheden van een concreet geval, waarin in een extreme noodsituatie moet worden opgetreden, een maatregel onmiddellijk ten uitvoer moet worden gelegd om de doeltreffendheid ervan te waarborgen in het licht van de doelstellingen die ermee worden nagestreefd, en met name om te voorkomen dat die maatregel een lege huls blijft.
85 In casu moet worden nagegaan of het feit dat verzoekster vooraf niet is geïnformeerd over het besluit van de Raad om haar tijdelijk elke vorm van verspreiding van inhoud te verbieden, een schending van haar recht om te worden gehoord vormt, gelet op de vereisten van artikel 3, leden 1 en 5, VEU en artikel 21, lid 1, en lid 2, onder a) en c), VEU, die met name betrekking hebben op de bescherming van de waarden van de Unie en haar veiligheid en de handhaving van de internationale vrede en veiligheid in overeenstemming met het internationale recht, in het bijzonder de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties.
86 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat de betrokken beperkende maatregelen passen in een context van buitengewone omstandigheden en een extreme noodsituatie (zie punten 9‑18 hierboven), waarnaar wordt verwezen in de overwegingen 10 en 11 van de bestreden handelingen, waarin de Raad eveneens de verschillende in het geding zijnde belangen tegen elkaar afweegt en daarbij in het bijzonder rekening houdt met de eerbiediging van de in het Handvest erkende grondrechten en fundamentele vrijheden. Ten tweede maken de betrokken beperkende maatregelen in die context integrerend deel uit van een reeks maatregelen van ongekende omvang die de Raad heeft vastgesteld tussen de laatste week van februari, waarin op 21 februari 2022 de eerste schending van de territoriale integriteit van Oekraïne heeft plaatsgevonden, toen de Russische president de onafhankelijkheid en soevereiniteit van de oblasten Donetsk en Loehansk heeft erkend en zijn strijdkrachten opdracht heeft gegeven zich naar deze gebieden te verplaatsen (zie punten 10‑12 hierboven), en begin maart 2022. Zoals de Raad terecht heeft benadrukt, hebben de snelle verslechtering van de toestand en de ernst van de gepleegde schendingen het moeilijk gemaakt om de beperkende maatregelen ter voorkoming van uitbreiding van het conflict aan te passen. In die context heeft de Unie dus snel gereageerd op een schending van verplichtingen erga omnes uit hoofde van het internationale recht om, met alle maatregelen waarvoor geen geweld hoefde te worden gebruikt, de militaire agressie tegen Oekraïne door de Russische Federatie tegen te gaan.
87 Dat de betrokken beperkende maatregelen onmiddellijk na het begin van de militaire agressie zijn vastgesteld, teneinde de volle werking ervan te waarborgen, beantwoordde bovendien ook aan het vereiste dat op verschillende wijzen snel op deze agressie werd gereageerd, met name gelet op de omstandigheid dat die agressie op dat moment werd geacht van korte duur te zijn, zoals de Raad en de hoge vertegenwoordiger ter terechtzitting hebben benadrukt. In dit verband zij opgemerkt dat het, zoals de Raad ter terechtzitting heeft aangevoerd, gezien dit vereiste onmogelijk zou zijn geweest om verzoekster vóór de vaststelling van de bestreden maatregelen een werkelijk toereikende termijn voor het indienen van opmerkingen te geven, zonder afbreuk te doen aan de doeltreffendheid van de betrokken beperkende maatregelen (zie in die zin arrest van 8 juli 2020, Ocean Capital Administration e.a./Raad, T‑332/15, niet gepubliceerd, EU:T:2020:308, punt 191). In het kader van de algemene strategie van de Unie voor een snelle, verenigde, gefaseerde en gecoördineerde reactie, rechtvaardigden de vereisten van spoedeisendheid en doeltreffendheid van alle vastgestelde beperkende maatregelen dus de beperking uit hoofde van artikel 52, lid 1, van het Handvest (zie punt 77 hierboven), van de toepassing van artikel 41, lid 2, onder a), ervan, aangezien zij daadwerkelijk beantwoordden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang, zoals handhaving van de openbare orde en veiligheid van de Unie, zoals in overweging 8 van de bestreden handelingen is aangegeven.
88 Ten tweede merkt de Raad terecht op dat het na het uitbreken van het gewapende conflict in het kader van een strategie ter bestrijding van zogenoemde hybride dreigingen, waarnaar hij reeds in zijn conclusies van 10 mei 2021 heeft verwezen (zie overweging 5 van de bestreden handelingen), van dwingend en dringend belang is geworden om beperkende maatregelen vast te stellen tegen mediakanalen, zoals dat van verzoekster – die worden gefinancierd uit de Russische staatsbegroting en onder directe of indirecte controle staan van de leiding van dat land, dat de agressor is – teneinde de integriteit van het democratische debat binnen de Europese samenleving te beschermen. Die mediakanalen werden namelijk geacht aan de basis te liggen van voortdurende en onderling afgestemde desinformatie en manipulatie van de feiten.
89 In navolging van de Raad, de hoge vertegenwoordiger en andere interveniënten moet worden opgemerkt dat de intensieve verslaggeving in de media in de eerste dagen van de militaire agressie tegen Oekraïne, zoals deze blijkt uit de verschillende, aan openbare bronnen ontleende elementen die de Raad aan het dossier van de zaak heeft toegevoegd, heeft plaatsgevonden op een kritiek moment waarop de acties van een medium, zoals verzoekster, de publieke opinie aanzienlijk konden schaden, waardoor ook een mogelijke bedreiging voor de openbare orde en veiligheid van de Unie kon ontstaan.
90 In dit verband moet ook rekening worden gehouden met het feit dat audiovisuele media, die met name door de wijze waarop zij de informatie brengen, kunnen suggereren hoe de ontvangers deze moeten beoordelen, een veel directere en krachtigere uitwerking hebben dan de geschreven pers, aangezien audiovisuele media via beelden boodschappen op een andere manier kunnen doen aankomen bij het publiek dan het geschreven woord (zie in die zin arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 5 april 2022, NIT S.R.L. tegen Republiek Moldavië, CE:ECHR:2022:0405JUD002847012, §§ 181 en 182 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91 In de zeer bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak, die in de punten 86 tot en met 90 hierboven in herinnering zijn gebracht, heeft de Raad op voorstel van de hoge vertegenwoordiger en de Commissie dan ook terecht besloten om vanaf de eerste dagen van het uitbreken van de oorlog zo snel mogelijk in te grijpen om te voorkomen dat de doeltreffendheid van de betrokken beperkende maatregelen ernstig zou worden afgezwakt en zelfs teniet zou worden gedaan. Daartoe is in het bijzonder een verbod ingesteld op de verspreiding van inhoud, met name die van verzoekster, om de activiteit van een dergelijk propagandamedium ten gunste van de militaire agressie tegen Oekraïne op het grondgebied van de Unie tijdelijk stop te zetten.
92 In het licht van het voorgaande moet, gelet op de zeer uitzonderlijke context waarin de bestreden handelingen zijn vastgesteld, te weten het uitbreken van een oorlog aan de grenzen van de Unie, op de doelstelling die met de handelingen wordt nagestreefd en op de doeltreffendheid van de daarin vastgestelde beperkende maatregelen, worden geconcludeerd dat de autoriteiten van de Unie verzoekster niet vóór de aanvankelijke plaatsing van haar naam op de betrokken lijsten hoefden te horen, en bijgevolg dat haar recht om te worden gehoord niet is geschonden.
93 Hoe dan ook leidt schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, volgens vaste rechtspraak pas tot nietigverklaring van de betrokken handeling wanneer de administratieve procedure die voorafging aan de vaststelling van die handeling zonder deze onregelmatigheid – gesteld dat deze wordt bewezen – een andere afloop had kunnen hebben, hetgeen de persoon die zich op een dergelijke schending beroept, dient aan te tonen (zie in die zin arresten van 10 september 2013, G. en R., C‑383/13 PPU, EU:C:2013:533, punt 38; 25 juni 2020, Vnesheconombank/Raad, C‑731/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:500, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 september 2018, Sberbank of Russia/Raad, T‑732/14, EU:T:2018:541, punt 125 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94 Het staat aan de Unierechter om aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval zich ervan te vergewissen dat, wanneer er sprake is van een vermeende onregelmatigheid die het recht om te worden gehoord aantast, de procedure in kwestie een andere afloop had kunnen hebben (zie in die zin arresten van 10 september 2013, G. en R., C‑383/13 PPU, EU:C:2013:533, punt 40, en 12 februari 2020, Kibelisa Ngambasai/Raad, T‑169/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:58, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95 In casu moet worden opgemerkt dat de redenen die de Raad in aanmerking heeft genomen om de betrokken beperkende maatregelen op te leggen en die in de overwegingen van de bestreden handelingen zijn uiteengezet, in wezen bestaan in het feit dat verzoekster een uit de begroting van de Russische Federatie gefinancierd mediakanaal is dat onder permanente controle van de leiders van dat land staat. Bovendien was de Raad van mening dat verzoekster samen met de andere entiteiten waarvan de namen in de bijlagen bij de bestreden handelingen waren opgenomen, propaganda voerde, met name om de militaire agressie tegen Oekraïne te ondersteunen. Tot staving van die redenen heeft de Raad, als bijlagen bij zijn verweerschrift, verschillende bewijzen aan het dossier van de zaak toegevoegd betreffende zowel de permanente controle van verzoekster als haar propaganda-activiteiten.
96 Vastgesteld moet worden dat het betrokken bewijsmateriaal bestaat uit uitzendingen en artikels van verzoekster, die met name in de periode rond het uitbreken van de oorlog en in de dagen onmiddellijk daarna via de televisie zijn uitgezonden en via haar website zijn gepubliceerd voor het publiek. Gelet op deze bewijzen heeft de Raad op goede gronden kunnen oordelen dat de door verzoekster verspreide inhoud een activiteit was die de militaire agressie tegen Oekraïne ondersteunde (zie punten 172‑188 hieronder). Bijgevolg moet worden aangenomen dat, zelfs indien verzoekster had kunnen worden gehoord, haar opmerkingen geen afbreuk zouden hebben gedaan aan het feit dat deze programma’s waren uitgezonden, dat deze artikelen waren gepubliceerd en uiteindelijk dat deze inhoud aan het publiek binnen de Unie was verspreid.
97 Bovendien heeft verzoekster in repliek en ter terechtzitting, in antwoord op een vraag van het Gerecht, aangevoerd dat de argumenten en bewijzen die zij had kunnen aandragen indien zij was gehoord of indien zij vóór de vaststelling van de bestreden handelingen kennis had gekregen van de redenen, dezelfde waren als die welke in haar schriftelijke stukken waren aangevoerd en waarmee werd beoogd aan te tonen dat, ten eerste, de sprekers en uitlatingen in haar uitzendingen evenwichtig waren gekozen en, ten tweede, de gebruikte bewoordingen waarheidsgetrouw waren. Zoals de Raad in dupliek benadrukt, tonen de door verzoekster aangevoerde elementen weliswaar aan dat er fragmenten bestaan waarin andere standpunten over de situatie in Oekraïne aan bod komen, maar kan aan de hand daarvan niet worden aangetoond dat de sprekers, inhoud, beelden en gedane uitlatingen in verzoeksters berichtgeving over de agressie over het geheel genomen evenwichtig waren gekozen (zie punten 189 en 190 hieronder).
98 Ten slotte is het feit dat verzoekster nooit door de Arcom is bestraft, irrelevant en kan hoe dan ook op basis daarvan niet worden vastgesteld dat de uitzendingen in de video’s die de Raad aan het dossier van de zaak heeft toegevoegd, geen propaganda ten gunste van de militaire agressie tegen Oekraïne vormden.
99 Hieruit volgt dat, gelet op de omstandigheden van het geval en op alle door verzoekster en de Raad overgelegde bewijzen, geen enkel argument van verzoekster kan aantonen dat de procedure een andere afloop had kunnen hebben indien zij vóór de vaststelling van de betrokken maatregelen was gehoord of indien de redenen voor de toepassing van die maatregelen haar vooraf waren meegedeeld.
100 Gelet op een en ander moet het tweede onderdeel van het eerste middel, dat in wezen is ontleend aan schending van de rechten van de verdediging, worden afgewezen.
Eerste onderdeel: ontoereikende motivering van de bestreden handelingen ten aanzien van verzoekster
101 Om te beginnen zij opgemerkt dat verzoekster in het kader van dit onderdeel het recht op effectieve rechterlijke bescherming louter vermeldt, zonder dit evenwel met specifieke argumenten te staven. Derhalve hoeft een vermeende grief betreffende de schending van het recht op effectieve rechterlijke bescherming niet afzonderlijk te worden onderzocht (zie punt 79 hierboven).
102 Met betrekking tot het argument dat de bestreden handelingen ontoereikend gemotiveerd zijn, moet eraan worden herinnerd dat de verplichting om een bezwarende handeling te motiveren, die het logische uitvloeisel is van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, er volgens vaste rechtspraak enerzijds toe dient, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid voor de Unierechter kan worden betwist, en anderzijds de Unierechter in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (zie arrest van 14 april 2021, Al-Tarazi/Raad, T‑260/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:187, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
103 Tevens zij eraan herinnerd dat de door artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin deze is vastgesteld. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is, niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 17 september 2020, Rosneft e.a./Raad, C‑732/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:727, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
104 Zo is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de tegen hem genomen maatregel kan begrijpen (zie arrest van 17 september 2020, Rosneft e.a./Raad, C‑732/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:727, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts hangt de mate van nauwkeurigheid waarmee een handeling moet worden gemotiveerd, af van de praktische mogelijkheden en de technische omstandigheden en van de termijn waarbinnen zij tot stand moet komen (zie arrest van 13 september 2018, Sberbank of Russia/Raad, T‑732/14, EU:T:2018:541, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105 Bovendien is in de rechtspraak uiteengezet dat de motivering van een handeling van de Raad waarbij een beperkende maatregel wordt opgelegd, niet alleen de rechtsgrondslag van die maatregel dient aan te geven, maar ook de specifieke en concrete redenen waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (zie arrest van 13 september 2018, Sberbank of Russia/Raad, T‑732/14, EU:T:2018:541, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
106 In casu moet er ten eerste aan worden herinnerd dat de betrokken beperkende maatregelen betrekking hebben op inhoud die wordt uitgezonden door bepaalde audiovisuele media die afhankelijk zijn van de Russische Federatie, waaronder verzoekster, en dus passen in een context die haar bekend is (zie punten 9‑20 hierboven).
107 Bovendien verwijst overweging 4 van de bestreden handelingen, zoals de Raad terecht benadrukt, naar de conclusies van de Europese Raad van 24 februari 2022 (zie punt 14 hierboven), waarin deze de „niet uitgelokte en ongerechtvaardigde militaire agressie” tegen Oekraïne van de Russische Federatie in de krachtigste bewoordingen heeft veroordeeld, ertoe heeft opgeroepen dringend een volgend pakket met individuele en economische sancties voor te bereiden en goed te keuren, en de Russische Federatie met name verzocht haar desinformatiecampagne stop te zetten. Voorts wordt in overweging 5 van de bestreden handelingen verwezen naar de conclusies van de Raad van 10 mei 2021, waarin deze heeft onderstreept dat de weerbaarheid van de Unie en de lidstaten en hun vermogen om hybride dreigingen, ook desinformatie, te bestrijden, verder moeten worden versterkt, met name in het licht van buitenlandse inmenging en beïnvloeding.
108 Bovendien wordt in de overwegingen 6 tot en met 9 van de bestreden handelingen uiteengezet op welke gronden de rechtspersonen, entiteiten en lichamen op de betrokken lijsten zijn geplaatst. Meer bepaald verwijst overweging 7 naar de voortdurende en gecoördineerde propaganda van de Russische Federatie die met name is gericht tegen het maatschappelijk middenveld in de Unie om haar agressie tegen Oekraïne te rechtvaardigen en te ondersteunen. In de overwegingen 8 en 9 van de bestreden handelingen wordt gesteld dat de mediakanalen waarop het tijdelijke uitzendverbod van toepassing is, de kanalen zijn via welke die propaganda is gevoerd en die onder permanente directe of indirecte controle staan van de leiding van de Russische Federatie. Ten slotte wordt in die overwegingen ook toegelicht waarom de betrokken beperkende maatregelen zijn vastgesteld, namelijk vanwege ten eerste het feit dat dergelijke acties een aanzienlijke en rechtstreekse bedreiging voor de openbare orde en veiligheid van de Unie vormen en ten tweede het feit dat die mediakanalen essentieel en instrumenteel zijn om de agressie tegen Oekraïne aan te wakkeren en te ondersteunen en om de buurlanden van Oekraïne te destabiliseren.
109 Uit de formulering van die overwegingen, in het bijzonder in de voor verzoekster bekende context waarin de bestreden handelingen zijn vastgesteld, volgt dat de uiteengezette redenen geen algemene en abstracte bewoordingen zijn, maar gronden die rechtstreeks betrekking hebben op verzoekster en haar activiteiten, waarin voldoende specifiek wordt toegelicht waarom de betrokken beperkende maatregelen jegens haar zijn vastgesteld.
110 Ten tweede zij eraan herinnerd dat in het dispositief van de bestreden handelingen, zoals weergegeven in de punten 23 tot en met 26 hierboven, een verbod is vastgesteld voor exploitanten van de Unie om inhoud die door de in bijlage IX bij het bestreden besluit en in bijlage XV bij de bestreden verordening vermelde rechtspersonen, entiteiten of lichamen wordt verstrekt, uit te zenden of de uitzending van die inhoud mogelijk te maken, te faciliteren of anderszins daartoe bij te dragen, onder andere door transmissie of distributie, ongeacht het middel, bijvoorbeeld via kabel, satelliet, IP-TV, internetproviders, internetplatforms of applicaties voor het delen van video’s, ongeacht of deze nieuw of voorgeïnstalleerd zijn. Vastgesteld moet worden dat de bovengenoemde bijlagen bij de bestreden handelingen geen specifieke motivering bevatten voor elk van de daarin genoemde entiteiten waarvan de inhoud tijdelijk niet mag worden uitgezonden.
111 De „specifieke en concrete redenen” waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening was dat de betrokken beperkende maatregelen ten aanzien van verzoekster moesten worden vastgesteld, in de zin van de in punt 105 hierboven aangehaalde rechtspraak, stemmen in casu evenwel overeen met de criteria die in de overwegingen 6 tot en met 9 van de bestreden handelingen zijn gesteld.
112 Jegens verzoekster zijn immers maatregelen vastgesteld op de enkele grond dat zij aan de specifieke en concrete voorwaarden van de overwegingen 6 tot en met 9 van de bestreden handelingen voldeed: zij is een mediakanaal dat onder permanente directe of indirecte controle staat van de leiding van de Russische Federatie en dat propaganda voerde waarmee met name werd beoogd de militaire agressie tegen Oekraïne door de Russische Federatie te rechtvaardigen en te ondersteunen.
113 Deze motivering is begrijpelijk en voldoende nauwkeurig, gelet op de specifieke context en de bijzonder ernstige en spoedeisende omstandigheden waarin de bestreden handelingen zijn vastgesteld, om verzoekster in staat te stellen de redenen te kennen waarom de Raad heeft geoordeeld dat plaatsing van haar naam op de betrokken lijsten in het licht van de in casu toepasselijke juridische criteria gerechtvaardigd was, en de rechtmatigheid van die plaatsing voor de Unierechter te betwisten, enerzijds, en om die rechter in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen, anderzijds.
114 In die omstandigheden heeft verzoekster geldig kennis kunnen nemen van de specifieke en concrete redenen die ten grondslag liggen aan de bestreden handelingen, zodat zij zich in dit verband niet op een ontoereikende motivering kan beroepen.
115 Het onderdeel van het eerste middel inzake ontoereikende motivering van de vaststelling van de bestreden handelingen ten aanzien van verzoekster moet dus ongegrond worden verklaard, zodat het eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.
Tweede middel: schending van de vrijheid van meningsuiting en van informatie
116 Verzoekster voert aan dat de bestreden handelingen inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting en van informatie die wordt gewaarborgd door artikel 11 van het Handvest, dat overeenkomt met artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ondertekend te Rome op 4 november 1950.
117 Verzoekster herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting en van informatie volgens de rechtspraak van het EHRM een van de wezenlijke grondslagen van een democratische samenleving is, en een van de basisvoorwaarden voor maatschappelijke vooruitgang en eenieders zelfontplooiing, zodat inmenging van de staat in een dergelijke samenleving niet noodzakelijk zou zijn indien de pers er daardoor van zou worden weerhouden om bij te dragen tot een open discussie over kwesties van openbaar belang. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt ook dat de staat op het gebied van audiovisuele uitzendingen verplicht is om, ten eerste, te waarborgen dat het publiek via televisie en radio toegang heeft tot een veelvoud aan meningen en commentaren die met name de diversiteit van politieke opvattingen in het land weerspiegelen, en, ten tweede, te waarborgen dat journalisten en andere professionals in de sector van audiovisuele media worden beschermd tegen belemmeringen voor de verspreiding van die informatie en die commentaren. De overheid mag dan ook voor geen enkele vorm van informatiemedia beperkingen opleggen. Net als het EVRM verzet het Handvest zich in beginsel tegen elk verbod op publicatie en verspreiding.
118 In repliek voert verzoekster in de eerste plaats aan dat de betrokken beperkende maatregelen niet geschikt zijn voor het nastreven van de tweeledige doelstelling van algemeen belang waarop de Raad zich beroept, te weten, ten eerste, bescherming tegen een hybride dreiging van de Russische Federatie en, ten tweede, handhaving van de vrede en versterking van de internationale veiligheid. In dit verband stelt verzoekster dat zij geen enkele handeling heeft verricht die de betrokken beperkende maatregelen rechtvaardigt en dat deze maatregelen slechts „symboolpolitiek” vormen.
119 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de jegens haar vastgestelde maatregel een buitensporige inbreuk vormt op de vrijheid van meningsuiting en van informatie. Ten eerste wordt deze vrijheid in de kern aangetast doordat een informatiedienst door het tijdelijk ingestelde algemene en absolute uitzendverbod op het gehele grondgebied van de Unie ontoegankelijk wordt. Ten tweede is een dergelijk verbod volgens haar niet evenredig, aangezien het censureren van een informatiedienst geen doeltreffend middel vormt om de met de bestreden handelingen nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken.
120 Bovendien is voor de betrokken beperkende maatregelen geen duidelijke en objectieve termijn bepaald, en kan de Raad op willekeurige wijze beslissen deze al dan niet op te heffen. De einddatum van het tijdelijke uitzendverbod, die is vastgesteld op 31 juli 2022, is louter kunstmatig gekozen ten behoeve van de verdediging, aangezien het verbod kan worden verlengd.
121 Voorts verwijt verzoekster de Raad de stellingen in de bestreden handelingen dat zij propaganda voert, niet te hebben onderbouwd en de betrokken beperkende maatregelen te hebben gebaseerd op haar wijze van financiering, die sinds 2017 echter niet is gewijzigd. Volgens verzoekster zijn de haar verweten propaganda en de redenen op grond waarvan zij een deel van haar activiteiten mag voortzetten, op geen enkele wijze gestaafd.
122 In de eerste plaats stelt verzoekster dat zij nooit heeft willen verhullen op welke wijze zij wordt gefinancierd en deze financieringswijze is overigens op zich niet strafbaar en is altijd openbaar geweest. Overigens is het riskant om enige conclusie te trekken aangaande het redactionele werk van een mediakanaal op grond van het enkele feit dat dit kanaal door de overheid wordt gefinancierd, zoals bijvoorbeeld het geval is voor de Franse zender France 24.
123 Wat in de tweede plaats de beweringen betreft dat zij propaganda voert, bevestigt verzoekster dat zij onafhankelijk is van de Russische Staat en dat zij volledige redactionele vrijheid geniet. Zij wijst er overigens op dat noch de CSA, noch de Arcom haar, sinds zij over uitzendrechten beschikt, ooit een sanctie heeft opgelegd. De overeenkomst tussen haar en de Arcom is in 2020 probleemloos verlengd. De door verzoekster uitgezonden inhoud kan dus niet louter om die reden als onrechtmatig worden beschouwd in het licht van de op haar rustende verplichtingen.
124 Bovendien mag de Raad verzoeksters berichtgeving en informatieverwerking niet verwarren met die van andere zenders van de RT-groep die zich van haar onderscheiden, ten aanzien waarvan besluiten zijn genomen door bepaalde nationale regelgevende instanties, met name de regelgevende instantie van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
125 Wat ten slotte de bewijzen betreft die de Raad heeft aangedragen met betrekking tot de vermeende desinformatie of manipulatie van informatie door verzoekster, stelt zij in repliek dat de Raad niet heeft aangetoond dat zij een orgaan van de Russische Staat is dat zich toelegt op beïnvloeding en dat propaganda voert ten dienste van die staat. De Raad heeft zich herhaaldelijk gebaseerd op het werk van een Franse onderzoeker, tegen wie overigens een procedure wegens smaad is ingeleid. Dat werk rechtvaardigt geen verbodsmaatregel als de onderhavige. Hetzelfde geldt voor het door de Raad overgelegde rapport van de minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, waarin niet wordt verwezen naar een specifieke gedraging van verzoekster.
126 Volgens verzoekster toont het door de Raad aangedragen ingekorte bewijsmateriaal niet aan hoe zij verslag heeft uitgebracht over de Russische militaire operaties op het Oekraïense grondgebied. Op basis van een aantal door de Raad overgelegde bewijzen heeft verzoekster een document overgelegd waarin zij op deze verschillende elementen reageert. Een nauwgezette raadpleging van de bewijzen die als bijlage bij de repliek bij het dossier zijn gevoegd, volstaat om zich ervan te overtuigen dat het betoog van de Raad, die de bestreden handelingen achteraf tracht te rechtvaardigen, een drogreden vormt. Verzoekster stelt dat zij verschillende meningen aan bod heeft laten komen over het conflict in Oekraïne, en dat het in commentaren vaak is aangemerkt als militaire agressie die de vrede in Europa ondermijnt, en niet alleen als defensief en preventief optreden van de Russische Federatie. Verzoeksters journalisten hebben er ook zorg voor gedragen dat uitspraken van bepaalde sprekers werden tegengesproken en verschillende standpunten op evenwichtige wijze aan bod kwamen. Overigens is het als zodanig niet verwerpelijk om het standpunt van de Russische Federatie weer te geven, tenzij ervan wordt uitgegaan dat alleen de mening van de meerderheid mag worden uitgezonden.
127 Bovendien kan de evenredigheid van het betrokken verbod niet worden gerechtvaardigd met het argument dat dergelijke maatregelen verzoekster en haar personeel niet beletten om andere dan uitzendactiviteiten in de Unie te verrichten, zoals het doen van onderzoek en het houden van interviews. Dit blijkt met name uit het feit dat de Commission de la carte d’identité des journalistes professionnels (commissie identiteitskaarten van beroepsjournalisten, Frankrijk; hierna: „CCIJP”) onlangs de accreditatie van verzoeksters journalisten heeft geweigerd. Met dit verbod wordt het alle beroepsjournalisten die voor verzoekster werken, dus onmogelijk gemaakt om hun beroep daadwerkelijk uit te oefenen. Evenzo weigeren dienstverrichters thans hun contractuele betrekkingen met verzoekster voort te zetten. Zo vormt het tijdelijke uitzendverbod een belemmering voor alle activiteiten van verzoekster, in het bijzonder de verspreiding van haar inhoud onder het Franse publiek, en is het derhalve niet evenredig.
128 Kortom, een algemeen en absoluut uitzendverbod vormt, ongeacht het programmabeleid of het publiek van een mediakanaal, echte censuur en kan niet noodzakelijk of evenredig worden geacht om de door de Raad aangevoerde doelstellingen doeltreffend te bereiken.
129 Ten slotte betwist verzoekster dat de betrokken maatregel omkeerbaar is. Indien zij haar activiteit niet kan uitoefenen, rest haar namelijk niets anders dan de boeken neer te leggen.
130 De Raad, ondersteund door het Koninkrijk België, de Republiek Estland, de Franse Republiek, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Polen, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger, bestrijdt verzoeksters argumenten.
Beginselen uit de rechtspraak inzake de vrijheid van meningsuiting
131 Er zij aan herinnerd dat de grondrechten bij elk optreden van de Unie in acht dienen te worden genomen, ook op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, zoals blijkt uit artikel 21 VEU, gelezen in samenhang met artikel 23 VEU (zie arrest van 27 september 2018, Ezz e.a./Raad, T‑288/15, EU:T:2018:619, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien de vrijheid van meningsuiting wordt gewaarborgd door artikel 11 van het Handvest, dat overeenkomt met artikel 10 EVRM, moet worden nagegaan of de bestreden handelingen dit recht eerbiedigen.
132 Volgens artikel 11, lid 1, van het Handvest heeft eenieder recht op vrijheid van meningsuiting, hetgeen de vrijheid omvat een mening te hebben en de vrijheid kennis te nemen en te geven van informatie of ideeën, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Volgens artikel 11, lid 2, van het Handvest worden de vrijheid en de pluriformiteit van de media geëerbiedigd. Zoals uit de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) naar voren komt en overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest, hebben de door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde rechten dezelfde inhoud en reikwijdte als de door artikel 10 EVRM gewaarborgde rechten (arrest van 26 april 2022, Polen/Parlement en Raad, C‑401/19, EU:C:2022:297, punt 44; zie ook arrest van 14 juli 2021, Cabello Rondón/Raad, T‑248/18, EU:T:2021:450, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
133 Het EHRM heeft reeds geoordeeld dat de vrijheid van meningsuiting een van de wezenlijke fundamenten van een democratische samenleving vormt en dat artikel 10 EVRM geen onderscheid maakt naargelang de aard van het nagestreefde doel of de rol die natuurlijke of rechtspersonen bij de uitoefening van die vrijheid hebben gespeeld (EHRM, 28 september 1999, Öztürk tegen Turkije, CE:ECHR:1999:0928JUD002247993, § 49). Onder voorbehoud van artikel 10, lid 2, EVRM is deze vrijheid niet alleen van toepassing op „informatie” of „ideeën” die met instemming worden ontvangen of als onschadelijk of onbelangrijk worden beschouwd, maar ook op informatie en ideeën die in overeenstemming met de vereisten van het pluralisme, de verdraagzaamheid en de geest van openheid, zonder welke er geen „democratische samenleving” bestaat, schokken, verontrusten of beledigen (EHRM, 7 december 1976, Handyside tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:1976:1207JUD000549372, § 49; zie ook EHRM, 5 april 2022, NIT S.R.L. tegen Republiek Moldavië, CE:ECHR:2022:0405JUD002847012, § 177 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
134 In dit verband heeft het EHRM tevens verduidelijkt dat verdraagzaamheid en eerbied voor de gelijke waardigheid van alle mensen de grondslagen vormen van een democratische en pluralistische samenleving. Hieruit volgt dat het in democratische samenlevingen in beginsel nodig kan zijn om alle vormen van meningsuiting die haat op grond van onverdraagzaamheid, het gebruik van geweld en de verheerlijking van geweld verspreiden, aanwakkeren, bevorderen of rechtvaardigen, te bestraffen of zelfs te voorkomen, mits erop wordt toegezien dat de opgelegde „formaliteiten”, „voorwaarden”, „beperkingen” of „sancties” evenredig zijn aan het nagestreefde legitieme doel (zie in die zin EHRM, 6 juli 2006, Erbakan tegen Turkije, CE:ECHR:2006:0706JUD005940500, § 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 23 juni 2022, Rouillan tegen Frankrijk, CE:ECHR:2022:0623JUD002800019, § 66).
135 Uit de tekst zelf van artikel 10 EVRM blijkt dat het recht op vrijheid van meningsuiting geen absolute gelding heeft en bijgevolg aan beperkingen kan worden onderworpen. In dit verband kunnen verschillende beginselen worden aangewezen in de rechtspraak van het EHRM. Volgens die rechtspraak moet enerzijds de grootst mogelijke voorzichtigheid worden betracht wanneer door de autoriteiten genomen maatregelen of door hen opgelegde sancties de pers ervan kunnen weerhouden deel te nemen aan de bespreking van vraagstukken van legitiem algemeen belang. Anderzijds waarborgt de genoemde bepaling geen onbeperkte vrijheid van meningsuiting, zelfs niet wanneer het gaat om berichtgeving in de pers over ernstige kwesties van algemeen belang, anderzijds (zie EHRM, 5 april 2022, NIT S.R.L. tegen Republiek Moldavië, CE:ECHR:2022:0405JUD002847012, §§ 178 en 179 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
136 Het recht van de media, en meer in het bijzonder van journalisten, om informatie te verstrekken over kwesties van openbaar belang wordt beschermd mits zij te goeder trouw handelen, op basis van juiste feiten, en „betrouwbare en nauwkeurige” informatie verstrekken met inachtneming van de journalistieke ethiek of, anders gezegd, overeenkomstig de beginselen van verantwoorde journalistiek (zie EHRM, 5 april 2022, NIT S.R.L. tegen Republiek Moldavië, CE:ECHR:2022:0405JUD002847012, § 180 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
137 Deze overwegingen spelen tegenwoordig een bijzonder belangrijke rol, gelet op de macht die de media in de moderne samenleving uitoefenen, aangezien zij niet alleen informatie verstrekken, maar tegelijkertijd, door de wijze waarop de informatie wordt gebracht, kunnen suggereren hoe ontvangers deze moeten beoordelen. In een wereld waarin het individu via traditionele of elektronische media een enorme informatiestroom van een steeds groter aantal auteurs te verwerken krijgt, wordt toezicht op de naleving van de journalistieke ethiek steeds belangrijker (zie EHRM, 5 april 2022, NIT S.R.L. tegen Republiek Moldavië, CE:ECHR:2022:0405JUD002847012, § 181 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
138 Wat ten slotte de „verplichtingen en verantwoordelijkheden” betreft die de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting met zich meebrengt, moet bij de toetsing van de evenredigheid van de inmenging rekening worden gehouden met de mogelijke gevolgen van het middel waarmee de mening wordt geuit. In dit verband dient voor ogen te worden gehouden dat audiovisuele media een veel directer en krachtiger effect hebben dan de geschreven pers. Via beelden kunnen audiovisuele media immers boodschappen overbrengen die niet via het geschreven woord kunnen worden overgebracht (zie punt 90 hierboven). De functie van televisie en radio als vertrouwde bronnen van vermaak in de privésfeer van de kijker of luisteraar versterkt de impact ervan nog (zie in die zin EHRM, 5 april 2022, NIT S.R.L. tegen Republiek Moldavië, CE:ECHR:2022:0405JUD002847012, § 182 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
139 Volgens die rechtspraak worden in beginsel, in tegenstelling tot uitspraken met betrekking tot kwesties van publiek belang die een ruime bescherming verdienen, uitspraken waarbij geweld, haat, vreemdelingenhaat of andere vormen van onverdraagzaamheid worden verdedigd of gerechtvaardigd, normaal niet beschermd [zie in die zin EHRM, 8 juli 1999, Sürek tegen Turkije (nr. 1), CE:ECHR:1999:0708JUD002668295, §§ 61 en 62, en 15 oktober 2015, Perinçek tegen Zwitserland, CE:ECHR:2015:1015JUD002751008, §§ 197 en 230].
140 Volgens het EHRM moet, om te bepalen of de uitspraken in hun geheel kunnen worden beschouwd als rechtvaardiging van geweld, aandacht worden besteed aan de gebruikte bewoordingen, de manier waarop de uitspraken zijn geformuleerd en de context waarin de verspreiding ervan plaatsvindt (zie in die zin EHRM, 6 juli 2010, Gözel en Özer tegen Turkije, CE:ECHR:2010:0706JUD004345304, § 52, en 15 oktober 2015, Perinçek tegen Zwitserland, CE:ECHR:2015:1015JUD002751008, §§ 205 en 206).
141 Het onderhavige middel moet in het licht van al deze beginselen en overwegingen worden beoordeeld.
Bestaan van een beperking van de vrijheid van meningsuiting
142 Om te beginnen blijkt uit de overwegingen 7 en 8 van de bestreden handelingen dat aan verzoekster als mediakanaal dat onder permanente directe of indirecte controle staat van de leiding van de Russische Federatie, een tijdelijk uitzendverbod is opgelegd, omdat zij propaganda voerde waarmee met name werd beoogd de militaire agressie tegen Oekraïne door de Russische Federatie te rechtvaardigen en te ondersteunen.
143 Dit tijdelijke uitzendverbod vormt inmenging in de uitoefening van verzoeksters recht op vrijheid van meningsuiting in de zin van artikel 11, lid 1, van het Handvest, zoals overigens blijkt uit de overwegingen 10 en 11 van de bestreden handelingen.
144 In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 135 hierboven is aangegeven, het recht op vrijheid van meningsuiting waarop verzoekster zich beroept, zoals beschermd door artikel 11 van het Handvest, kan worden beperkt onder de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest, waarin is bepaald dat „[b]eperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden […] bij wet [moeten] worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden [moeten] eerbiedigen” en voorts dat „[m]et inachtneming van het evenredigheidsbeginsel […] slechts beperkingen [kunnen] worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”.
145 Om in overeenstemming met het Unierecht te zijn, moet een beperking van de vrijheid van meningsuiting aan vier voorwaarden voldoen. Ten eerste moet de betrokken beperking „bij wet worden gesteld”, in die zin dat de instelling van de Unie die maatregelen neemt die de vrijheid van meningsuiting van een natuurlijke of rechtspersoon kunnen inperken, daarvoor over een rechtsgrondslag moet beschikken. Ten tweede moet de betrokken beperking de wezenlijke inhoud van de vrijheid van meningsuiting eerbiedigen. Ten derde moet die beperking daadwerkelijk beantwoorden aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang. Ten vierde moet de betrokken beperking evenredig zijn (zie in die zin arresten van 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punten 69 en 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 13 september 2018, VTB Bank/Raad, T‑734/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:542, punt 140 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
146 Die voorwaarden komen in wezen overeen met die welke zijn gesteld in de rechtspraak van het EHRM volgens welke een beperking van de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting alleen dan gerechtvaardigd is in de zin van artikel 10, lid 2, EVRM wanneer zij „bij wet is gesteld”, een of meerdere legitieme doelen nastreeft en „noodzakelijk is in een democratische samenleving” om dat doel of die doelen te bereiken (zie in die zin EHRM, 7 juni 2012, Centro Europa 7 S.r.l. en Di Stefano tegen Italië, CE:ECHR:2012:0607JUD003843309, § 135).
147 Hieruit volgt dat de Raad beperkende maatregelen mocht vaststellen die een mogelijke inbreuk op verzoeksters vrijheid van meningsuiting inhielden, mits die beperkingen voldeden aan de voorwaarden waaronder die vrijheid legitiem mag worden beperkt en die hierboven in herinnering zijn gebracht (zie in die zin arrest van 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
148 Derhalve moet worden nagegaan of de betrokken beperkende maatregelen bij wet zijn vastgesteld, de wezenlijke inhoud van de vrijheid van meningsuiting eerbiedigen, een doelstelling van algemeen belang nastreven en niet onevenredig zijn, met dien verstande evenwel dat verzoeksters betoog in haar stukken op laatstgenoemde voorwaarde is toegespitst.
De voorwaarde dat elke beperking van de vrijheid van meningsuiting bij wet moet zijn gesteld
149 Wat de vraag betreft of de betrokken beperkende maatregelen bij wet zijn gesteld, moet worden opgemerkt dat zij zijn vastgelegd in handelingen die met name een algemene draagwijdte hebben en een duidelijke rechtsgrondslag in het Unierecht, te weten artikel 29 VEU voor het bestreden besluit en artikel 215 VWEU voor de bestreden verordening (zie in die zin arresten van 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 juli 2021, Cabello Rondón/Raad, T‑248/18, EU:T:2021:450, punt 121). Deze Verdragsbepalingen zijn voor de betrokkenen voldoende voorzienbaar om als rechtsgrondslag te dienen voor de vaststelling van beperkende maatregelen die de vrijheid van meningsuiting kunnen aantasten of beperken (zie punten 49‑52 en 62 hierboven).
150 Wat het vereiste van voorzienbaarheid betreft, heeft het EHRM herhaaldelijk verduidelijkt dat alleen een norm die voldoende nauwkeurig is geformuleerd om de justitiabele in staat te stellen zijn gedrag te bepalen, als een „wet” in de zin van artikel 10, lid 2, EVRM kan worden beschouwd. Door zo nodig deskundig advies in te winnen, moet de justitiabele in een mate die in de gegeven omstandigheden redelijk is, kunnen voorzien welke gevolgen een bepaalde handeling kan hebben. Deze gevolgen behoeven niet met absolute zekerheid voorzienbaar te zijn. Zo wordt het vereiste van voorzienbaarheid op zich niet geschonden door een wet waarin een beoordelingsbevoegdheid wordt toegekend en de omvang en de wijze van uitoefening ervan, gelet op het nagestreefde legitieme doel, voldoende nauwkeurig worden omschreven om het individu een passende bescherming tegen willekeur te bieden (zie EHRM, 5 april 2022, NIT S.R.L. tegen Republiek Moldavië, CE:ECHR:2022:0405JUD002847012, § 159 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
151 In het onderhavige geval was, in het licht van het voorgaande en van de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Raad in het kader van de vaststelling van beperkende maatregelen (zie punt 52 hierboven), gelet op de belangrijke rol die de media, voornamelijk de audiovisuele media, in de hedendaagse samenleving spelen, te voorzien dat de Raad beperkende maatregelen zou vaststellen bestaande in een verbod op de verspreiding van propaganda voor de militaire agressie tegen Oekraïne door de Russische Federatie vanwege grootschalige steun van de media voor een dergelijke agressie, die werd betuigd in uitzendingen op televisie en via internet door een mediakanaal dat volledig uit de Russische staatsbegroting wordt gefinancierd (zie in die zin arrest van 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punt 76).
152 In die omstandigheden moet worden aangenomen dat in casu is voldaan aan de voorwaarde dat de beperkingen van de vrijheid van meningsuiting bij wet zijn gesteld.
Eerbiediging van de wezenlijke inhoud van de vrijheid van meningsuiting
153 Nagegaan moet worden of de aard of de omvang van het aan verzoekster opgelegde tijdelijke uitzendverbod inbreuk maakt op de wezenlijke inhoud van de vrijheid van meningsuiting.
154 In casu moet worden vastgesteld dat de betrokken beperkende maatregelen tijdelijk en omkeerbaar zijn. Uit artikel 9 van besluit 2014/512, zoals gewijzigd, volgt immers dat het van toepassing is tot en met 31 juli 2022 en dat het voortdurend wordt geëvalueerd (zie punt 28 hierboven). De Raad zal na 31 juli 2022 een nieuw besluit en een nieuwe verordening moeten vaststellen om de betrokken beperkende maatregelen te handhaven.
155 Anders dan verzoekster stelt, blijkt uit de bewoordingen van het laatste gedeelte van overweging 10 van de bestreden handelingen, gelezen en uitgelegd in het licht van het vereiste om de inmenging in verzoeksters vrijheid van meningsuiting zoveel mogelijk te beperken, dat de betrokken beperkende maatregelen na 31 juli 2022 enkel kunnen worden gehandhaafd indien aan twee cumulatieve voorwaarden wordt voldaan. Deze maatregelen kunnen ten eerste worden gehandhaafd totdat de agressie tegen Oekraïne is beëindigd en ten tweede totdat de Russische Federatie en de daarmee verbonden mediakanalen ophouden met propaganda tegen de Unie en haar lidstaten. Aangezien het om twee cumulatieve voorwaarden gaat, kunnen de betrokken maatregelen niet worden gehandhaafd indien een van die voorwaarden niet meer wordt vervuld. Verzoekster kan dus niet stellen dat deze maatregelen zonder een vooraf door de Raad vastgestelde termijn van toepassing zijn.
156 Bovendien moet worden opgemerkt dat de bestreden handelingen niet elke activiteit verhinderen die inherent is aan de vrijheid van meningsuiting en informatie. Zoals in overweging 11 van de bestreden handelingen is aangegeven, belet het aan verzoekster opgelegde tijdelijke uitzendverbod haar immers niet om andere dan uitzendactiviteiten in de Unie te verrichten, zoals het doen van onderzoek en het houden van interviews. Bijgevolg kan in navolging van de Raad worden gesteld dat verzoekster en haar journalisten bepaalde activiteiten mogen blijven uitoefenen die verband houden met de vrijheid van meningsuiting en informatie, en dat dit verbod in beginsel geen belemmering vormt voor andere activiteiten van verzoekster die inkomsten kunnen opleveren.
157 Voorts moet worden opgemerkt, zoals de Raad ook heeft gedaan, dat de bestreden handelingen verzoekster niet verbieden om haar inhoud buiten de Unie te verspreiden, ook niet in Franstalige landen, zodat de betrokken beperkende maatregelen haar recht om haar vrijheid van meningsuiting buiten de Unie uit te oefenen, niet aantasten (zie in die zin arrest van 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punt 123 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Kortom, verzoekster werd niet belet om uitzendingen en redactionele inhoud te produceren, noch om deze te verkopen aan entiteiten waarop de betrokken maatregelen niet van toepassing zijn, waaronder TV Novosti en de andere mediakanalen van de RT-groep die in derde landen zijn gevestigd en die deze inhoud dus buiten de Unie kunnen verspreiden.
158 Met betrekking tot het argument dat is ontleend aan het besluit van de CCIJP om elke nieuwe aanvraag voor een perskaart van journalisten die voor verzoekster werken, af te wijzen, moet worden opgemerkt dat deze weigering rechtstreeks voortvloeit uit een eenzijdig besluit van die commissie, dat niet op grond van de bestreden handelingen is vastgesteld en waartegen bij de bevoegde Franse rechterlijke instanties overigens beroep is ingesteld. Verzoekster stelt dus ten onrechte dat haar journalisten hun beroep vanwege de bestreden handelingen niet op het Franse grondgebied kunnen uitoefenen.
159 Om deze redenen moet worden geconcludeerd dat de aard en de omvang van het betrokken tijdelijke uitzendverbod de wezenlijke inhoud van de vrijheid van meningsuiting eerbiedigen en deze vrijheid als zodanig niet aantasten.
Nastreven van een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 26 april 2022, C-401/19, ECLI:EU:C:2022:297
- Gerecht EU 14 juli 2021, T-248/18, ECLI:EU:T:2021:450
- HvJ EU 18 juni 2020, C-831/18, ECLI:EU:C:2020:481
- Gerecht EU 30 april 2019, T-737/17, ECLI:EU:T:2019:273
- Gerecht EU 27 september 2018, T-288/15, ECLI:EU:T:2018:619
- Gerecht EU 13 september 2018, T-732/14, ECLI:EU:T:2018:541
- Gerecht EU 13 september 2018, T-798/14, ECLI:EU:T:2018:546
- Gerecht EU 20 november 2017, T-452/15, ECLI:EU:T:2017:822
- Gerecht EU 15 juni 2017, T-262/15, ECLI:EU:T:2017:392
- HvJ EU 18 mei 2017, C-154/16, ECLI:EU:C:2017:392
- HvJ EU 28 maart 2017, C-72/15, ECLI:EU:C:2017:236
- HvJ EU 14 december 2016, C-577/15, ECLI:EU:C:2016:947
- Gerecht EU 22 september 2015, T-161/13, ECLI:EU:T:2015:667
- HvJ EU 21 april 2015, C-605/13, ECLI:EU:C:2015:248
- HvJ EU 5 maart 2015, C-220/14, ECLI:EU:C:2015:147
- HvJ EU 11 december 2014, C-249/13, ECLI:EU:C:2014:2431
- Gerecht EU 27 februari 2014, T-256/11, ECLI:EU:T:2014:93
- HvJ EU 10 september 2013, C-383/13, ECLI:EU:C:2013:533
- HvJ EU 18 juli 2013, C-584/10, ECLI:EU:C:2013:518
- HvJ EU 19 juli 2012, C-130/10, ECLI:EU:C:2012:472
Aangehaald in
- Gerecht EU 15 november 2023, T-193/22, ECLI:EU:T:2023:716
- Gerecht EU 30 april 2025, T-102/23, ECLI:EU:T:2025:416
- Gerecht EU 11 september 2024, T-494/22, ECLI:EU:T:2024:607
- Gerecht EU 18 december 2024, T-489/23, ECLI:EU:T:2024:912
- Gerecht EU 16 oktober 2024, T-201/23, ECLI:EU:T:2024:697
- Gerecht EU 20 december 2023, T-233/22, ECLI:EU:T:2023:828
- Gerecht EU 10 september 2025, T-573/23, ECLI:EU:T:2025:867
- Gerecht EU 23 juli 2025, T-1095/23, ECLI:EU:T:2025:744
- Gerecht EU 15 januari 2025, T-193/23, ECLI:EU:T:2025:7
- Gerecht EU 2 april 2025, T-298/23, ECLI:EU:T:2025:353
- Gerecht EU 2 april 2025, T-297/23, ECLI:EU:T:2025:352
- Gerecht EU 26 maart 2025, T-307/22, ECLI:EU:T:2025:331
- Gerecht EU 19 maart 2025, T-1042/23, ECLI:EU:T:2025:314
- Gerecht EU 26 februari 2025, T-498/22, ECLI:EU:T:2025:180
- Gerecht EU 3 december 2025, T-72/24, ECLI:EU:T:2025:1085
- Gerecht EU 2 oktober 2024, T-797/22, ECLI:EU:T:2024:670
- Gerecht EU 11 september 2024, T-635/22, ECLI:EU:T:2024:620
- Gerecht EU 4 september 2024, T-370/23, ECLI:EU:T:2024:588
- Gerecht EU 4 september 2024, T-290/22, ECLI:EU:T:2024:575
- Gerecht EU 17 juli 2024, T-208/22, ECLI:EU:T:2024:497