Gerecht EU 2 april 2025, T-297/23, ECLI:EU:T:2025:352

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid)

2 april 2025 ( *1 )

„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen – Bevriezing van tegoeden – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Beperkingen inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Lijst van personen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan beperkingen inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Handhaving van de naam van de verzoekende partij op de lijsten – Motiveringsplicht – Begrip ‚vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland’ – Artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145/GBVB – Artikel 3, lid 1, onder g), van verordening (EU) nr. 269/2014 – Exceptie van onwettigheid – Beoordelingsfout – Recht om te worden gehoord – Unieburgerschap – Vrij verkeer – Eigendomsrecht – Evenredigheid”

In zaak T‑297/23,

Gennady Nikolayevich Timchenko, wonende te Moskou (Rusland), vertegenwoordigd door T. Bontinck, S. Bonifassi, E. Federova, J. Goffin en J. Bastien, advocaten,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M.‑C. Cadilhac en V. Piessevaux als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: R. Mastroianni, waarnemend voor de president, M. Brkan, I. Gâlea, T. Tóth (rapporteur) en S. L. Kalėda, rechters,

griffier: H. Eriksson, administrateur,

gezien de stukken, met name

– het op 24 mei 2023 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

– de op 24 november 2023 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie houdende aanpassing,

na de terechtzitting op 11 juni 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn beroep vordert verzoeker, Gennady Nikolayevich Timchenko, in de eerste plaats, krachtens artikel 263 VWEU, nietigverklaring van, ten eerste, besluit (GBVB) 2023/572 van de Raad van 13 maart 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 134) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/571 van de Raad van 13 maart 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 1) (hierna tezamen: „handelingen van maart 2023”) en, ten tweede, besluit (GBVB) 2023/1767 van de Raad van 13 september 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 104) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1765 van de Raad van 13 september 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 3) (hierna tezamen: „handelingen van september 2023”) voor zover deze handelingen (hierna: „bestreden handelingen”) hem betreffen, en, in de tweede plaats, krachtens artikel 268 VWEU, vergoeding van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de vaststelling van deze handelingen.

I. Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan

2 Verzoeker is een zakenman die de Russische en de Finse nationaliteit heeft.

3 De onderhavige zaak houdt verband met de beperkende maatregelen die door de Europese Unie zijn vastgesteld met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.

4 Op 17 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie krachtens artikel 29 VEU besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16) vastgesteld.

5 Diezelfde dag heeft de Raad op grond van artikel 215 VWEU verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6) vastgesteld.

6 Naar aanleiding van de agressie tegen Oekraïne door de strijdkrachten van de Russische Federatie heeft de Raad op 25 februari 2022 besluit (GBVB) 2022/329 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 50, blz. 1) vastgesteld, teneinde onder meer de criteria te wijzigen op grond waarvan natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen aan de betrokken beperkende maatregelen konden worden onderworpen.

7 Artikel 2, leden 1 en 2, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, bepaalt: „1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van: a) natuurlijke personen die verantwoordelijk zijn voor, steun verlenen aan of uitvoering geven aan, acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne, of de stabiliteit of veiligheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, of die de werkzaamheden van internationale organisaties in Oekraïne belemmeren; [...] d) natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne; [...] g) vooraanstaande zakenlieden of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne, en natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die met hen verbonden zijn, als opgesomd in de bijlage, worden bevroren. 2. Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.”

8 De voorwaarden waaronder deze tegoeden kunnen worden bevroren, staan omschreven in de daaropvolgende leden van dit artikel.

9 Artikel 1, lid 1, onder a) en b), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, verbiedt de binnenkomst op of doorreis via het grondgebied van de lidstaten van natuurlijke personen die beantwoorden aan criteria die in wezen identiek zijn aan die van artikel 2, lid 1, onder a) en d), van dit besluit.

10 Verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2022/330 van de Raad van 25 februari 2022 (PB 2022, L 51, blz. 1), voorziet in de vaststelling van maatregelen tot bevriezing van tegoeden en bepaalt de nadere voorwaarden van deze bevriezing in bewoordingen die in wezen gelijkluidend zijn aan die van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329. Zo bevat artikel 3, lid 1, onder a), en d), van die verordening in wezen dezelfde criteria als artikel 2, lid 1, onder a), en d), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329 [hierna: „criterium a)”, respectievelijk „criterium d)”].

A. Aanvankelijke plaatsing van verzoekers naam op de litigieuze lijsten en handhaving daarvan tot 13 maart 2023

11 Op 28 februari 2022 heeft de Raad besluit (GBVB) 2022/337 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 59, blz. 1) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/336 tot uitvoering van verordening nr. 269/2014 (PB 2022, L 58, blz. 1) (hierna: „handelingen van februari 2022”) vastgesteld.

12 Bij deze handelingen is verzoekers naam onder nummer 694 toegevoegd aan de lijst die als bijlage is opgenomen bij besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en, opnieuw onder nummer 694, aan de lijst in bijlage I bij verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330 (hierna: „litigieuze lijsten”), en wel om de volgende redenen: „[Verzoeker] is al lang een kennis van de president van de Russische Federatie Vladimir Putin en algemeen wordt aangenomen dat hij een van zijn vertrouwelingen is. Hij trekt profijt van zijn banden met Russische beleidsmakers. Hij is oprichter en aandeelhouder van de Volga Group, een investeringsgroep met een portfolio van investeringen in belangrijke sectoren van de Russische economie. De Volga Group draagt aanzienlijk bij aan de Russische economie en haar ontwikkeling. Hij is eveneens aandeelhouder van Bank Rossiya, die wordt beschouwd als de persoonlijke bank van hogere ambtenaren van de Russische Federatie. Sinds de illegale annexatie van de Krim heeft Bank Rossiya filialen geopend op de gehele Krim en in Sebastopol, waardoor die de integratie daarvan in de Russische Federatie consolideert. Daarnaast heeft Bank Rossiya een belangrijk aandeel in de National Media Group, een groep die televisiezenders controleert waarop het destabiliseringsbeleid van de Russische regering actief wordt gesteund. Hij is bijgevolg verantwoordelijk voor [de steun aan] acties en maatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen. Hij [verstrekt] ook [...] financiële en materiële steun [aan], en trekt profijt van Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”

13 Bij brief van 25 maart 2022 heeft verzoeker de Raad om inzage in het volledige hem betreffende dossier verzocht, waarop de Raad hem op 13 april 2022 WK‑dossier 2807/2022 INIT (hierna: „oorspronkelijk WK‑dossier”) heeft toegezonden.

14 Op 15 april 2022 heeft verzoeker om toezending van aanvullende documenten verzocht. Op 28 april 2022 heeft de Raad hem die documenten, die waren opgenomen in WK‑dossier 12005/2019 INIT, vergezeld van een aantal documenten met de referentienummers MD 2015 293, 294, 296 en 297 Kovalchuk, toegezonden (hierna: „aanvullend oorspronkelijk WK‑dossier”).

15 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 mei 2022, heeft verzoeker beroep ingesteld tot nietigverklaring van de handelingen van februari 2022. Dit beroep is ingeschreven onder nummer T‑252/22.

16 Op 14 september 2022 heeft de Raad besluit (GBVB) 2022/1530 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 239, blz. 149) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/1529 tot uitvoering van verordening nr. 269/2014 (PB 2022, L 239, blz. 1) vastgesteld (hierna: „handelingen van september 2022”), waarbij de naam van verzoeker op de litigieuze lijsten is gehandhaafd.

17 Op 25 november 2022 heeft verzoeker op grond van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een memorie houdende aanpassing ingediend in zaak T‑252/22 teneinde ook de nietigverklaring van de handelingen van september 2022 te vorderen voor zover deze hem betroffen.

18 Bij arrest van 6 september 2023, Timchenko/Raad (T‑252/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:496), heeft het Gerecht onder meer het verzoek tot nietigverklaring van de handelingen van februari 2022 en de handelingen van september 2022 afgewezen.

B. Handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten tot 15 september 2023

19 Op 22 december 2022 heeft de Raad verzoeker in kennis gesteld van zijn voornemen om de beperkende maatregelen waaraan verzoeker was onderworpen, te handhaven en heeft hij hem WK‑dossier 17609/2022 INIT (hierna: „WK‑handhavingsdossier 1”) en WK‑dossier 17683/2022 INIT toegezonden.

20 In de handelingen van maart 2023 is verzoekers naam op de litigieuze lijsten gehandhaafd om de volgende redenen: „[Verzoeker] is al lang een kennis van de president van de Russische Federatie Vladimir Putin en algemeen wordt aangenomen dat hij een van zijn vertrouwelingen is. Hij trekt profijt van zijn banden met Russische beleidsmakers. Hij is oprichter en aandeelhouder van de Volga Group, een investeringsgroep met een portfolio van investeringen in belangrijke sectoren van de Russische economie. De Volga Group draagt aanzienlijk bij aan de Russische economie en haar ontwikkeling. Hij is eveneens aandeelhouder van Bank Rossiya, die wordt beschouwd als de bank van Putin en zijn medestanders. Sinds de illegale annexatie van de Krim heeft Bank Rossiya filialen geopend op de gehele Krim en in Sebastopol, waardoor die de integratie daarvan in de Russische Federatie consolideert. Bovendien heeft Bank Rossiya een belang in de National Media Group, een mediabedrijf dat 28 mediabedrijven in Rusland controleert die actief propaganda en desinformatie verspreiden in verband met de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne. Hij is bijgevolg verantwoordelijk voor [de steun aan] acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen. Hij [verstrekt] ook [...] financiële of materiële steun [aan], en trekt profijt van Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”

21 Op 14 maart 2023 heeft de Raad verzoeker in kennis gesteld van zijn besluit om verzoekers naam op de litigieuze lijsten te handhaven. De Raad heeft daarbij tevens gereageerd op de brieven van verzoeker van 31 oktober 2022 en 20 januari 2023 en toegelicht dat het aandelenbezit van verzoeker in Bank Rossiya en de National Media Group de conclusie wettigden dat hij de acties tegen Oekraïne steunde en dat de door hem betwiste maatregelen evenredig waren, omdat zij een invloed konden hebben op de situatie in Oekraïne en de besluitvorming door de Russische leiders.

22 Bij brief van 31 mei 2023 heeft verzoeker de Raad om heroverweging verzocht.

C. Wijziging van de criteria voor plaatsing op de litigieuze lijsten

23 Op 5 juni 2023 heeft de Raad besluit (GBVB) 2023/1094 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2023, L 146, blz. 20) en verordening (EU) 2023/1089 tot wijziging van verordening nr. 269/2014 (PB 2023, L 146, blz. 1) vastgesteld.

24 Bij dit besluit is artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145 als volgt gewijzigd [hierna: „gewijzigd criterium g)”]: „1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan [...]: [...] g) vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland en hun naaste familieleden of andere natuurlijke personen die profijt trekken van hen, of zakenlieden, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne [...] worden bevroren.”

25 Overweging 4 van dit besluit luidt als volgt: „De Raad heeft geoordeeld dat er een relatie van wederzijds voordeel en steun bestaat tussen de regering van de Russische Federatie en vooraanstaande zakenlieden die in Rusland actief zijn. Meer in het bijzonder heeft de regering van de Russische Federatie prominente Russische zakenlieden stelselmatig toegestaan hun rijkdom te vermeerderen door de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en andere overheidsmiddelen. Gezien die onderlinge afhankelijkheidsrelatie tussen vooraanstaande zakenlieden en de regering van de Russische Federatie is de Raad van oordeel dat de aanwijzingscriteria ook moeten gelden voor vooraanstaande zakenlieden uit om het even welke economische sector van Rusland. Voorts is de Raad van oordeel dat de aanwijzingscriteria moeten worden uitgebreid zodat waar passend ook andere zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die de regering van de Russische Federatie een aanzienlijke bron van inkomsten bieden, op de lijst kunnen worden geplaatst, teneinde de druk op de regering van de Russische Federatie op te voeren om een einde te maken aan haar aanvalsoorlog tegen Oekraïne.”

26 Verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2023/1089, bevat wijzigingen die in wezen overeenkomen met die van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2023/1094. Artikel 3, lid 1, onder g), van deze verordening neemt namelijk in grote lijnen het criterium over van artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2023/1094.

D. Handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten tot 13 maart 2024

27 Op 19 juni 2023 heeft de Raad verzoeker in kennis gesteld van zijn voornemen om verzoekers naam op de litigieuze lijsten te handhaven op basis van gewijzigde gronden en een nieuw aanwijzingscriterium. Op 10 juli 2023 heeft de Raad verzoeker een nieuw werkdocument getiteld WK 5142/2023 INIT (hierna: „WK‑handhavingsdossier 2”) toegezonden, waarna hij hem op 18 augustus 2023 een aanvullend werkdocument getiteld WK 5142/2023 ADD 1 (hierna: „aanvullend WK‑handhavingsdossier 2”) heeft toegestuurd (hierna tezamen: „additionele WK‑handhavingsdossiers 2”).

28 Bij brieven van 27 juni en 21 juli 2023 heeft verzoeker bij de Raad zijn opmerkingen over de voorgenomen verlenging van de ten aanzien van hem geldende beperkende maatregelen kenbaar gemaakt.

29 Op 18 augustus 2023 heeft de Raad verzoeker meegedeeld dat hij voornemens was de beperkende maatregelen waaraan verzoeker was onderworpen, te handhaven. Verzoeker heeft op 31 augustus 2023 zijn opmerkingen over die voorgenomen handhaving kenbaar gemaakt.

30 Op 13 september 2023 heeft de Raad de handelingen van september 2023 vastgesteld.

31 Bij deze handelingen heeft de Raad verzoekers naam op de litigieuze lijsten gehandhaafd en wel om de volgende redenen: „[Verzoeker] is al lang een kennis van de president van de Russische Federatie, Vladimir Putin, en algemeen wordt aangenomen dat hij een van zijn vertrouwelingen is. Hij trekt profijt van zijn banden met Russische beleidsmakers. Hij is oprichter en aandeelhouder van de Volga Group, een investeringsgroep met een portfolio van investeringen in belangrijke sectoren van de Russische economie. De Volga Group draagt aanzienlijk bij aan de Russische economie en haar ontwikkeling. Hij is eveneens aandeelhouder van Bank Rossiya, die wordt beschouwd als de bank van [Vladimir] Putin en zijn medestanders. Sinds de illegale annexatie van de Krim heeft Bank Rossiya filialen geopend op de gehele Krim en in Sebastopol, waardoor die de integratie daarvan in de Russische Federatie consolideert. Bovendien heeft Bank Rossiya een belang in de National Media Group, een mediabedrijf dat 28 mediabedrijven in Rusland controleert die actief propaganda en desinformatie verspreiden in verband met de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne. Hij is bijgevolg een vooraanstaand zakenman die actief is in Rusland en is verantwoordelijk voor [de steun aan] acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen. Hij [verstrekt] ook [...] financiële of materiële steun [aan], en trekt profijt van Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”

32 Op 15 september 2023 heeft de Raad gereageerd op de brieven van verzoeker van 31 mei, 27 juni, 21 juli en 31 augustus 2023 en hem onder meer te kennen gegeven dat het gewijzigde criterium g) niet buitensporig ruim was, noch tot de vaststelling van willekeurige maatregelen zou leiden.

II. Conclusies van partijen

33 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – de bestreden handelingen nietig te verklaren; – de Raad te veroordelen hem 1000000 euro ter vergoeding van de door hem geleden immateriële schade te betalen; – de Raad te verwijzen in de kosten.

34 De Raad verzoekt het Gerecht: – het beroep in zijn geheel te verwerpen; – verzoeker te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A. Vordering tot nietigverklaring

35 Tot staving van zijn beroep voert verzoeker zes middelen aan. Het eerste middel betreft een kennelijke beoordelingsfout, het tweede middel betreft schending van de motiveringsplicht, het derde middel betreft schending van het recht om te worden gehoord, het vierde middel is ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, het vijfde middel heeft betrekking op schending van het in artikel 21 VWEU neergelegde fundamentele recht op vrij verkeer, van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en van de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, en het zesde middel ten slotte betreft schending van het eigendomsrecht, van artikel 52, lid 1, van het Handvest, van de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben en van het recht op privacy.

36 In de memorie houdende aanpassing draagt verzoeker nog een zevende middel voor: hij werpt een exceptie van onwettigheid op ten aanzien van het gewijzigde criterium g) voor zover het betrekking heeft op „vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland” [hierna: „eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g)”].

1. Tweede middel: schending van de motiveringsplicht

37 Met zijn tweede middel betoogt verzoeker dat de Raad niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 296 VWEU op hem rustende motiveringsplicht. Hij voert daartoe aan dat de Raad zijn besluit om de hem betreffende tegoeden te bevriezen en zijn vrijheid van verkeer te beperken in het licht van de doelstellingen van besluit 2014/145 niet heeft gemotiveerd, zodat de Raad verzuimt aan te tonen hoe de toepassing van de bestreden handelingen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen zou kunnen leiden.

38 De Raad bestrijdt dit betoog.

39 Volgens de rechtspraak dient de verplichting om een bezwarende handeling te motiveren, die een logisch uitvloeisel is van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, er enerzijds toe om de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid voor de Unierechter kan worden betwist, en anderzijds de Unierechter in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 De door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin zij is vastgesteld. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. In het bijzonder is het niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, noch dat daarin op gedetailleerde wijze wordt geantwoord op de opmerkingen die de betrokkene tijdens zijn raadpleging vóór de vaststelling van dezelfde handeling heeft gemaakt, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Bijgevolg is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregelen kan begrijpen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 De mate van nauwkeurigheid waarmee een handeling moet worden gemotiveerd, hangt dus af van de praktische mogelijkheden en de technische omstandigheden en van de termijn waarbinnen zij tot stand moet komen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 In de rechtspraak is uiteengezet dat de motivering van een handeling van de Raad waarbij een beperkende maatregel wordt opgelegd, niet alleen de rechtsgrondslag van die maatregel dient aan te geven, maar ook de specifieke en concrete redenen waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (zie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad,T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Bovendien zij eraan herinnerd dat de verplichting om een handeling te motiveren een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de betrokken handeling betreft (zie in die zin arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67). De motivering van een handeling houdt immers in dat de gronden waarop deze handeling berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien die gronden berusten op vergissingen, tasten deze de inhoudelijke rechtmatigheid van de handeling aan, maar niet de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist (zie arrest van 18 juni 2015, Ipatau/Raad,C‑535/14 P, EU:C:2015:407, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 In casu moet worden onderstreept dat zowel besluit 2014/145 als verordening nr. 269/2014 de rechtsgrondslag vermeldt waarop deze handelingen berusten, te weten artikel 29 VEU, respectievelijk artikel 215 VWEU. Bovendien zij opgemerkt dat de algemene context naar aanleiding waarvan de Raad de bestreden handelingen heeft vastgesteld, is uiteengezet in de overwegingen van de bestreden handelingen.

45 Wat criterium a) aangaat, moet verder worden geconstateerd dat de Raad in de motivering van de bestreden handelingen, zoals hierboven weergegeven in de punten 20 en 31, onder meer heeft opgemerkt dat verzoeker aandeelhouder was van Bank Rossiya, die filialen heeft geopend op de Krim en in Sebastopol en aldus de integratie van die regio in de Russische Federatie consolideert, en dat hij eigenaar was van de Volga Group, die „aanzienlijk bij[droeg] aan de Russische economie”, op basis waarvan de Raad heeft geconcludeerd dat hij „verantwoordelijk [was] voor [de steun aan] acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijn[d]en”.

46 Wat criterium d) betreft, heeft de Raad in de motivering van de bestreden handelingen opgemerkt dat verzoeker „al lang een kennis van de president van de Russische Federatie” was en dat Bank Rossiya, waarvan hij aandeelhouder was, werd „beschouwd als de bank van Putin en zijn medestanders”, op basis waarvan de Raad heeft geconcludeerd dat verzoeker „verantwoordelijk [was] voor het verstrekken van financiële of materiële steun en [...] profijt [trok] van Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne”.

47 Wat ten slotte het gewijzigde criterium g) aangaat, heeft de Raad in de motivering van de handelingen van september 2023 onder meer opgemerkt dat verzoeker al lang een kennis van de president van de Russische Federatie was en dat hij niet alleen aandeelhouder van Bank Rossiya was maar ook de „oprichter en aandeelhouder van de Volga Group, een investeringsgroep met een portfolio van investeringen in belangrijke sectoren van de Russische economie [die aanzienlijk bij[droeg] aan de Russische economie en haar ontwikkeling”, op basis waarvan de Raad heeft geconcludeerd dat verzoeker een vooraanstaande zakenman is die actief is in Rusland.

48 Uit overweging 4 van besluit 2014/145, de overwegingen 3 en 4 van verordening nr. 269/2014 en de overwegingen 10 en 11 van besluit 2022/329 volgt dat de Raad heeft geoordeeld dat, ten aanzien van personen die aan de aanwijzingscriteria van besluit 2014/145 voldeden, het verbod om het grondgebied van de Unie te betreden en de bevriezing van hun tegoeden en economische middelen maatregelen waren die noodzakelijk waren om de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) te verwezenlijken. Bovendien kan uit de overwegingen 10 en 11 van besluit 2022/329 en de overwegingen 3 en 4 van besluit 2023/1094 worden opgemaakt dat de uitbreiding van de personele werkingssfeer van de beperkende maatregelen noodzakelijk werd geacht in het licht van de ontwikkeling van het conflict, teneinde een geleidelijke en stapsgewijze respons op de verslechtering van de situatie in Oekraïne te kunnen bieden, met als uiteindelijke doel om maximale druk op de Russische autoriteiten uit te oefenen zodat zij hun acties en beleidsmaatregelen ter destabilisering van Oekraïne alsook de militaire agressie jegens dat land zouden staken.

49 De grief dat de Raad niet heeft aangetoond hoe de door hem vastgestelde handelingen ervoor kunnen zorgen dat de met besluit 2014/145 en verordening nr. 269/2014 nagestreefde doelstellingen worden bereikt, omdat hij niet motiveert waarom dit zo is, moet worden afgewezen. Deze grief komt er namelijk op neer dat de rechtvaardiging van de litigieuze maatregelen wordt betwist, hetgeen de gegrondheid en niet de formele motivering van deze maatregelen betreft (zie punt 43 hierboven).

50 Gelet op de voorgaande elementen kon verzoeker zowel uit de context als uit de motivering van de bestreden handelingen opmaken op welke rechtsgrondslag de beperkende maatregelen waaraan hij was onderworpen berustten en op basis van welke specifieke en concrete redenen de Raad in de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid heeft geoordeeld dat hij aan deze maatregelen moest worden onderworpen, zodat het tweede middel moet worden afgewezen.

2. Derde middel: schending van het recht om te worden gehoord

51 Met zijn derde middel verwijt verzoeker de Raad dat hij geen rekening heeft gehouden met de argumenten die hij in zijn verschillende brieven, waaronder met name zijn brief van 20 januari 2023, had aangevoerd.

52 Verzoeker onderstreept dat de Raad geen enkel bewijs levert dat hij zijn opmerkingen en zijn verzoeken om heroverweging heeft doorgezonden aan de lidstaten en concludeert daaruit dat zijn recht om te worden gehoord is geïnstrumentaliseerd.

53 Met betrekking tot de procedure die tot de vaststelling van de handelingen van september 2023 heeft geleid, verwijt verzoeker de Raad dat hij hem slechts elf werkdagen heeft gegund om het WK‑handhavingsdossier 2 te bestuderen en slechts negen werkdagen om het aanvullende WK‑handhavingsdossier 2 te bestuderen.

54 Hij wijst erop dat dit dossier niet aangaf op welke passages de Raad zich heeft willen baseren om te rechtvaardigen dat hij ten aanzien van hem het gewijzigde criterium g) heeft gehanteerd. Tot slot betoogt hij dat alleen al uit de zeer korte tijdspanne tussen de datum waarop hij zijn opmerkingen over het aanvullende WK‑handhavingsdossier 2 kenbaar heeft gemaakt en de datum waarop de handelingen van september 2023 zijn vastgesteld, blijkt dat de Raad zich onvoldoende tijd heeft gegund om zijn opmerkingen naar behoren te bestuderen.

55 De Raad bestrijdt dit betoog.

56 In dit verband zij opgemerkt dat het in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest verankerde recht om in elke procedure te worden gehoord, integraal deel uitmaakt van de eerbiediging van de rechten van de verdediging en waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden (zie in die zin arresten van 11 december 2014, Boudjlida,C‑249/13, EU:C:2014:2431, punten 34 en 36, en 18 juni 2020, Commissie/RQ,C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punten 65 en 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57 In het kader van een procedure tot vaststelling van het besluit om de naam van een persoon op een lijst in een bijlage bij een handeling houdende beperkende maatregelen te plaatsen of te handhaven, vereist de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming dat de bevoegde autoriteit van de Unie aan de betrokkene de elementen meedeelt waarover zij tegen die persoon beschikt om haar besluit op te baseren, zodat die persoon zijn rechten onder de best mogelijke omstandigheden kan verdedigen en met volledige kennis van zaken kan beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de Unierechter te wenden. Bij die mededeling moet de bevoegde autoriteit van de Unie die persoon de mogelijkheid bieden zijn standpunt over de tegen hem in aanmerking genomen redenen naar behoren kenbaar te maken (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 111 en 112; zie in die zin ook arrest van 12 december 2006, Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad,T‑228/02, EU:T:2006:384, punt 93).

58 Artikel 52, lid 1, van het Handvest laat echter toe dat de uitoefening van de daarin vervatte rechten wordt beperkt, voor zover die beperking de wezenlijke inhoud van het betrokken grondrecht eerbiedigt en zij, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk is en daadwerkelijk strookt met door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang (zie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 Daarnaast moet het bestaan van een schending van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van de betrokken handeling, de context waarbinnen die handeling is vastgesteld en de rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het recht om te worden gehoord vóór de vaststelling van handelingen tot handhaving van de naam van een persoon of entiteit op een lijst van personen en entiteiten waartegen de beperkende maatregelen zich richten, moet in acht worden genomen wanneer de Raad ten aanzien van de betrokken persoon in het besluit waarbij diens naam op de lijst wordt gehandhaafd, nieuwe gegevens in aanmerking neemt, te weten gegevens die niet voorkwamen in het oorspronkelijke besluit waarbij de betrokkene op die lijst is geplaatst (zie arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad,T‑163/18, EU:T:2020:57, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 7 april 2016, Central Bank of Iran/Raad,C‑266/15 P, EU:C:2016:208, punt 33).

60 Bovendien moet de bevoegde autoriteit van de Unie, wanneer de betrokkene opmerkingen over de motivering maakt, zorgvuldig en onpartijdig onderzoeken of de aangevoerde redenen gegrond zijn in het licht van die opmerkingen en van het eventueel daarbij gevoegde ontlastende bewijs (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 114).

61 In casu verdient opmerking dat de verzoeken om heroverweging van de handelingen van maart 2023 die verzoeker op 31 mei 2023 bij de Raad heeft ingediend en de brieven van 27 juni en 21 juli 2023, waarbij hij bezwaar heeft gemaakt tegen het door de Raad geuite voornemen om die handelingen te handhaven, aan alle delegaties van deze instelling zijn meegedeeld.

62 De Raad heeft bovendien op 22 december 2022 en 19 juni 2023 aan verzoeker te kennen gegeven dat hij voornemens was de beperkende maatregelen waaraan verzoeker was onderworpen, te handhaven. In zijn brieven van 14 maart en 15 september 2023 is de Raad inhoudelijk ingegaan op alle bezwaren van verzoeker door onder meer te verwijzen naar de schriftelijke stukken die hij had overgelegd in het kader van de procedure die heeft geleid tot het arrest van 6 september 2023, Timchenko/Raad (T‑252/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:496) en door beter onderbouwd te reageren op verzoekers beweringen dat de tegen hem getroffen maatregelen ongegrond waren omdat, onder meer, zijn recht om te worden gehoord zou zijn geschonden en zijn naam ten onrechte op grond van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) op de litigieuze lijsten zou zijn geplaatst.

63 Wat betreft de termijnen die verzoeker zijn gegund ter bestudering van het aanvullende WK‑handhavingsdossier 2, dat hem is toegezonden nadat de Raad hem op 19 juni 2023 in kennis had gesteld van zijn voornemen om hem op grond van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) op de litigieuze lijsten te plaatsen, zij opgemerkt dat de meer dan tien dagen waarover verzoeker beschikte, namelijk van 18 tot 31 augustus 2023, volstonden om dit dossier – ook al omvatte het 192 pagina’s – te kunnen bestuderen en daarover opmerkingen te kunnen maken, hetgeen verzoeker ook daadwerkelijk heeft gedaan. Hetzelfde geldt ten aanzien van het WK‑handhavingsdossier 2, aangezien de Raad verzoeker in de brief van 10 juli 2023 in de gelegenheid had gesteld om tot 25 juli 2023 zijn opmerkingen daarover kenbaar te maken. Er is namelijk reeds geoordeeld dat in het kader van de procedure tot verlenging van beperkende maatregelen een termijn van twaalf dagen voldoende kan zijn om personen of entiteiten tegen wie die maatregelen gericht zijn, in de gelegenheid te stellen hun opmerkingen te maken (zie in die zin en naar analogie, arrest van 8 juli 2020, Ocean Capital Administration e.a./Raad, T‑332/15, niet gepubliceerd, EU:T:2020:308, punt 191).

64 Verder moet worden opgemerkt dat, anders dan verzoeker stelt en zoals ook uit de brief van 15 september 2023 blijkt, de Raad in zijn brief van 18 augustus 2023 op de door verzoeker geuite bedenkingen is ingegaan door er onder meer op te wijzen dat de gegevens in het WK‑handhavingsdossier 2 „concrete verwijzingen [naar verzoeker] [bevatten] die [de] opmerkingen en argumenten [bevestigden] die hij in de zaken T‑252/22 en T‑297/23 naar voren had gebracht”.

65 Aangezien geen enkel van de door verzoeker aangevoerde elementen aantoont dat het recht om te worden gehoord is geschonden, moet het derde middel worden afgewezen.

3. Zevende middel: exceptie van onwettigheid van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g)

66 Met zijn zevende middel werpt verzoeker een exceptie van onwettigheid op van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g). Dit middel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel houdt in dat er onvoldoende bewijs was om de vaststelling van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) te rechtvaardigen en dat de vaststelling van dit criterium wordt gekenmerkt door een kennelijke beoordelingsfout. Het tweede onderdeel is ontleend aan schending van het rechtszekerheids‑ en het rechtmatigheidsbeginsel en het derde onderdeel betreft schending van het evenredigheidsbeginsel.

67 De Raad bestrijdt dit betoog.

68 In dit verband zij herinnerd aan het bepaalde in artikel 277 VWEU dat iedere partij naar aanleiding van een geschil waarbij een door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie vastgestelde handeling van algemene strekking in het geding is, de in artikel 263, tweede alinea, bedoelde middelen kan aanvoeren om voor het Hof van Justitie van de Europese Unie de niet-toepasselijkheid van deze handeling in te roepen.

69 In artikel 277 VWEU komt een algemeen beginsel tot uitdrukking krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de nietigverklaring van een handeling waartegen zij beroep kan instellen, incidenteel de rechtsgeldigheid van eerdere, aan die handeling ten grondslag liggende handelingen van algemene strekking mag aanvechten, wanneer zij niet krachtens artikel 263 VWEU rechtstreeks kon opkomen tegen die handelingen, waarvan zij dus de gevolgen moet dragen zonder in staat te zijn geweest nietigverklaring ervan te vorderen. De handeling van algemene strekking waarvan de onrechtmatigheid wordt aangevoerd, moet rechtstreeks of indirect van toepassing zijn op de aan het beroep ten grondslag liggende zaak en er moet een rechtstreeks juridisch verband bestaan tussen de bestreden handeling en de algemene handeling waarvan de rechtmatigheid wordt betwist [zie arrest van 17 februari 2017, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad,T‑14/14 en T‑87/14, EU:T:2017:102, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad,T‑163/18, EU:T:2020:57, punt 145 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

70 Volgens vaste rechtspraak dienen de Unierechters overeenkomstig de hun bij het VWEU verleende bevoegdheden de wettigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig te toetsen aan de grondrechten die behoren tot de rechtsorde van de Unie. Dat vereiste is uitdrukkelijk neergelegd in artikel 275, tweede alinea, VWEU (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71 Dit neemt niet weg dat de Raad over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om de aanwijzingscriteria en de wijze van vaststelling van de beperkende maatregelen op algemene en abstracte wijze te bepalen (zie in die zin arrest van 21 april 2015, Anbouba/Raad,C‑605/13 P, EU:C:2015:248, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De rechterlijke toetsing van de voorschriften van algemene strekking waarbij die criteria en de wijze van vaststelling worden bepaald, zoals de bepalingen van de bestreden handelingen waarin het criterium is opgenomen waarop de exceptie van onwettigheid doelt, is dus beperkt tot de vraag of de procedure‑ en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld en of er geen sprake is van een kennelijke fout bij de beoordeling van de feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid [zie in die zin arresten van 29 april 2015, Bank of Industry and Mine/Raad,T‑10/13, EU:T:2015:235, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad,T‑163/18, EU:T:2020:57, punt 149 (niet gepubliceerd)].

72 De drie onderdelen van het zevende middel zullen in het licht van deze overwegingen worden onderzocht.

a) Eerste onderdeel van het zevende middel: de vaststelling van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) steunt op onvoldoende bewijs en er is sprake van een kennelijke beoordelingsfout

73 Met het eerste onderdeel van het zevende middel betoogt verzoeker dat de Raad bij de vaststelling van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) is uitgegaan van het vermoeden dat er een onderlinge afhankelijkheid bestaat tussen vooraanstaande zakenlieden en de Russische regering, zoals ook uit overweging 4 van besluit 2023/1094 blijkt.

74 Naar zijn mening kan de vaststelling van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) niet worden gerechtvaardigd door de bewijsstukken die zich in de additionele WK‑handhavingsdossiers 2 bevinden, gelet op onder meer het feit dat het aanvullende WK‑handhavingsdossier 2 pas na de vaststelling van dit criterium tot stand is gekomen.

75 Verzoeker voegt hieraan toe dat de vaststelling van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) de uiting is van een kennelijke beoordelingsfout van de Raad, aangezien uit de bewijsstukken in het aanvullende WK‑handhavingsdossier 2 naar voren komt dat de zakenlieden die dicht bij de president van de Russische Federatie staan, sinds het begin van de oorlog in Oekraïne geen enkele invloed meer op hem uitoefenen.

76 Hij concludeert hieruit dat het vermoeden dat het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) schept, niet onderbouwd en ongegrond is en dat de Raad dus een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door van dit vermoeden uit te gaan.

77 Opmerking verdient dat criterium g) aanvankelijk uitsluitend betrekking had op „vooraanstaande zakenlieden [...] die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie”. De bij besluit 2023/1094 doorgevoerde wijziging van dit criterium heeft ertoe geleid dat de draagwijdte ervan is verruimd tot „vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland”, waartegen verzoeker opkomt, en tot „zakenlieden [...] die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie”.

78 In casu gaat verzoeker op grond van overweging 4 van besluit 2023/1094 uit van de vooronderstelling dat het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) een vermoeden schept dat vooraanstaande zakenlieden en personen die de politieke macht in de Russische Federatie uitoefenen, onderling afhankelijk van elkaar zijn.

79 Dienaangaande zij opgemerkt dat het gewijzigde criterium g) het begrip „vooraanstaande zakenlieden” overneemt zoals dat vóór de wijzigingen werd gehanteerd, zodat het op eendere wijze moet worden opgevat, te weten dat het doelt op het belang van deze zakenlieden in termen van onder meer hun professionele status, het belang van hun economische activiteiten, de omvang van hun kapitaalbezit of de functies die zij bekleden binnen een of meer ondernemingen waarin zij deze activiteiten uitoefenen (zie in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 143).

80 Met andere woorden, de wijziging die in criterium g) is doorgevoerd, heeft geen betrekking op de definitie van „vooraanstaande zakenlieden” als zodanig, maar was uitsluitend bedoeld om het toepassingsgebied van de beperkende maatregelen te verruimen zodat zij zich voortaan uitstrekken tot alle vooraanstaande zakenlieden, met inbegrip van de zakenlieden die niet betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering van de Russische Federatie vormen.

81 De redenen voor deze verruiming van het criterium bedoeld in artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, worden uiteengezet in overweging 4 van besluit 2023/1094. In deze overweging wordt namelijk het functioneren van de Russische economie aldus omschreven dat er een relatie van wederzijdse afhankelijkheid bestaat tussen vooraanstaande zakenlieden die in Rusland actief zijn enerzijds en de regering van de Russische Federatie anderzijds. Door zich op deze zakenlieden te richten wil de Raad de invloed uitbuiten die deze categorie van personen op het Russische regime kan uitoefenen door hen ertoe te bewegen druk op deze regering uit te oefenen, zodat deze laatste haar beleid ten aanzien van Oekraïne wijzigt.

82 Met betrekking tot het betoog dat de vaststelling van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) niet op voldoende bewijs steunt, moet er ten eerste aan worden herinnerd dat de vaststelling van een criterium voor de plaatsing van een persoon of entiteit op de litigieuze lijsten een handeling van algemene strekking is die beoogt een doelstelling van het GBVB te verwezenlijken, in casu het staken van de agressieoorlog die Rusland in Oekraïne voert, en ten tweede dat de Raad bij de vaststelling van dergelijke criteria over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt.

83 Anders dan verzoeker stelt, hoefde de Raad dus niet aan te tonen dat er een relatie van wederzijdse afhankelijkheid bestaat tussen vooraanstaande zakenlieden die in Rusland actief zijn en de regering van de Russische Federatie om het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) te kunnen vaststellen. Het staat immers aan verzoeker om ter onderbouwing van de door hem opgeworpen exceptie van onwettigheid alle elementen aan te voeren waaruit blijkt dat die overweging inzake het bestaan van die wederzijdse afhankelijkheid kennelijk onjuist is en dus de rechtmatigheid van dat bestanddeel van het criterium aantast.

84 In dit verband moet worden opgemerkt dat de bewijsstukken in de additionele WK‑handhavingsdossiers 2 waarop verzoeker zich beroept om de gegrondheid van het gewijzigde criterium g) te betwisten – gesteld al dat deze bewijsstukken aantonen dat de invloed van vooraanstaande zakenlieden op de regering van de Russische Federatie sinds de oorlog in Oekraïne relatief is verzwakt – als zodanig niet kunnen aantonen dat de Raad bij de vaststelling van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) kennelijk ten onrechte is uitgegaan van de wederzijdse afhankelijkheid tussen de Russische regering en vooraanstaande zakenlieden.

85 Derhalve moet het betoog van verzoeker dat het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) wordt gekenmerkt door een kennelijke beoordelingsfout, worden afgewezen. Ook het argument van verzoeker dat de bewijsstukken in het aanvullende WK‑handhavingsdossier 2 niet volstaan om de vaststelling van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) te rechtvaardigen, omdat dit dossier na de vaststelling van dit criterium tot stand is gekomen, moet worden afgewezen en wel om dezelfde redenen als hierboven in punt 83 uiteengezet.

86 Bovendien zij opgemerkt dat, wil de Raad het gewijzigde criterium g) kunnen toepassen op de individuele situatie van elke persoon wiens naam op de litigieuze lijsten is geplaatst, hij ten eerste moet aantonen dat een natuurlijke persoon kan worden beschouwd als een vooraanstaande zakenman of -vrouw in de hierboven in punt 79 genoemde zin en ten tweede dat die natuurlijke persoon actief is in Rusland. In dit verband moet worden onderstreept dat de blote omstandigheid dat iemand onder de hierboven in punt 79 aangeduide categorie van vooraanstaande zakenlieden die in Rusland actief zijn, valt, voldoende grond is om de nodige beperkende maatregelen op basis van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) te kunnen vaststellen, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat er een verband bestaat tussen de hoedanigheid van vooraanstaande zakenman of -vrouw en het Russische regime, noch tussen de hoedanigheid van vooraanstaande zakenman of -vrouw en steun aan of baat bij dat regime (zie naar analogie arrest van 9 juli 2020, Haswani/Raad,C‑241/19 P, EU:C:2020:545, punt 66, en beschikking van 6 september 2022, Haikal/Raad, C‑113/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:640, punt 41).

87 Aangezien het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) uitsluitend bedoeld was om een objectief, autonoom en toereikend criterium te formuleren op grond waarvan personen op de litigieuze lijsten kunnen worden geplaatst, waartoe de Raad moet aantonen dat aan twee voorwaarden cumulatief is voldaan – namelijk ten eerste dat de betrokken persoon een vooraanstaande zakenman of ‑vrouw is en ten tweede dat deze persoon actief is in de Russische Federatie – kan verzoeker niet op goede gronden stellen dat dit bestanddeel een vermoeden in het leven heeft geroepen (zie in die zin en naar analogie, arrest van 9 juli 2020, Haswani/Raad,C‑241/19 P, EU:C:2020:545, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88 Gelet op de voorgaande overwegingen moet het eerste onderdeel van het zevende middel worden afgewezen.

b) Tweede onderdeel van het zevende middel: schending van de beginselen van rechtszekerheid en rechtmatigheid

89 Met het tweede onderdeel van het zevende middel betoogt verzoeker dat, gesteld al dat het gewijzigde criterium g) als een weerlegbaar vermoeden kan worden beschouwd, dit vermoeden buitensporig ruim is geformuleerd, zodat het zowel indruist tegen het rechtszekerheidsbeginsel als tegen het in artikel 52, lid 1, van het Handvest verankerde rechtmatigheidsbeginsel.

90 Wat om te beginnen de eerste grief betreffende schending van het rechtszekerheidsbeginsel door het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) aangaat, zij eraan herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat het rechtszekerheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, onder meer verlangt dat de gevolgen van rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, in het bijzonder wanneer die regels nadelig kunnen werken voor particulieren en ondernemingen. Een sanctie, al dan niet van strafrechtelijke aard, kan slechts worden opgelegd indien daarvoor een duidelijke en eenduidige rechtsgrondslag bestaat. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist met name dat iedere regeling van de Unie, inzonderheid wanneer daarbij sancties worden opgelegd of op grond daarvan kunnen worden opgelegd, duidelijk en nauwkeurig is, zodat de betrokken personen ondubbelzinnig de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen. Dit vereiste van een duidelijke en nauwkeurige rechtsgrondslag geldt ook op het gebied van beperkende maatregelen (zie arrest van 16 juli 2014, National Iranian Oil Company/Raad, T‑578/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:678, punten 112 en 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

91 Bovendien is geoordeeld dat de beoordelingsvrijheid die in het kader van het criterium van artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, aan de Raad is toegekend, niet haaks staat op het vereiste van voorzienbaarheid, aangezien dit criterium voldoende duidelijk en voorzienbaar is en is ingebed in een rechtskader dat duidelijk is afgebakend door de doelstellingen die worden nagestreefd met de regelgeving inzake de betrokken beperkende maatregelen, namelijk de noodzaak om, gelet op de ernst van de situatie in Oekraïne, druk op de Russische autoriteiten uit te oefenen opdat zij een einde maken aan hun acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd, en aan de militaire agressie tegen dat land. Vanuit dit oogpunt is geoordeeld dat de betrokken beperkende maatregelen beantwoorden aan de in artikel 21, lid 2, onder c), VEU geformuleerde doelstelling van handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid, overeenkomstig de doelstellingen en de beginselen van het op 26 juni 1945 te San Francisco ondertekende Handvest van de Verenigde Naties. Op grond daarvan wordt dit criterium geacht te stroken met het rechtszekerheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punten 45 tot en met 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92 Wat het begrip „vooraanstaande zakenlieden” in de zin van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) betreft, moet in casu in herinnering worden geroepen dat dit begrip doelt op het belang van deze zakenlieden in termen van onder meer hun professionele status, het belang van hun economische activiteiten, de omvang van hun kapitaalbezit of de functies die zij bekleden binnen een of meer ondernemingen waarin zij deze activiteiten uitoefenen (zie punt 79 hierboven).

93 Wat betreft de voorwaarde betreffende de uitoefening van activiteiten in Rusland door deze zakenlieden, moet worden geconstateerd dat deze voorwaarde voldoende duidelijk is afgebakend en omschreven om strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel te voorkomen.

94 Uit de punten 92 en 93 volgt dan ook dat de bepalingen van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) voldoende duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn om aan de hand daarvan te kunnen bepalen op wie zij van toepassing zijn, en dat zij zijn ingebed in een rechtskader dat duidelijk is afgebakend door de doelstellingen die worden nagestreefd met de regelgeving inzake de betrokken beperkende maatregelen, zoals in punt 91 hierboven in herinnering geroepen. Daarnaast gaat de beoordelingsvrijheid waarover de Raad op grond van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) beschikt, gepaard met een motiveringsplicht en versterkte procedurele rechten (zie naar analogie arresten van 16 juli 2014, National Iranian Oil Company/Raad, T‑578/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:678, punt 122, en 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 47).

95 Wat in de tweede plaats de tweede grief, betreffende schending van het rechtmatigheidsbeginsel, aangaat, moet worden vastgesteld dat het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) is ingevoerd bij besluit 2023/1094, dat wil zeggen bij een handeling van algemene strekking die is vastgesteld op grond van artikel 29 VEU. Bijgevolg kan verzoeker niet stellen dat dit criterium niet in overeenstemming is met het rechtmatigheidsbeginsel.

96 Aangezien niet kan worden gesteld dat het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel of het rechtmatigheidsbeginsel, moet het tweede onderdeel van het zevende middel worden afgewezen.

c) Derde onderdeel van het zevende middel: schending van het evenredigheidsbeginsel door het gewijzigde criterium g)

97 Met het derde onderdeel van het zevende middel stelt verzoeker dat het gewijzigde criterium g) het evenredigheidsbeginsel schendt.

98 In de eerste plaats stelt hij dat het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) uiterst ruim is geformuleerd, waardoor naar willekeur een zeer groot aantal personen kan worden aangewezen, zodat de aldus vastgestelde maatregelen niet doelgericht kunnen worden geacht. In de tweede plaats wijst hij erop dat dit bestanddeel het mogelijk maakt beperkende maatregelen vast te stellen zonder rekening te houden met het persoonlijke gedrag van de betrokken personen in relatie tot het beleid van de Russische regering in Oekraïne, terwijl de enkele omstandigheid dat zij vooraanstaande zakenlieden zijn, geenszins impliceert dat zij een band met deze regering hebben of dat zij in staat zijn invloed op deze regering uit te oefenen. In de derde plaats betoogt hij dat de door de Raad overgelegde bewijsstukken aantonen dat zakenlieden geen invloed op de Russische regering hebben, ook niet als zij belangrijk zijn. Het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) is dan ook kennelijk ongeschikt om het door de Raad nagestreefde doel te bereiken, temeer daar dit nieuwe criterium, dat niet langer in aanmerking neemt of de betrokken personen een aanzienlijke bron van inkomsten vormen, volstrekt niet doeltreffend lijkt te zijn.

99 Er zij aan herinnerd dat het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, vereist dat de middelen waarmee een bepaling van Unierecht de door de betrokken regelgeving legitiem nagestreefde doelstellingen beoogt te bereiken, passend zijn en kennelijk niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is (arrest van 13 maart 2012, Melli Bank/Raad,C‑380/09 P, EU:C:2012:137, punt 52).

100 Bovendien hoeft de Raad niet aan te tonen dat de door hem ingevoerde beperkende maatregelen de door de betrokken regeling beoogde gevolgen sorteren, maar enkel dat die maatregelen het mogelijk maken om de door die regeling nagestreefde doelstellingen te bereiken (zie in die zin arrest van 25 juni 2020, VTB Bank/Raad, C‑729/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:499, punt 66).

101 In casu heeft de Raad het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) vastgesteld omdat hij het in het kader van de uitoefening van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid, rekening houdend met de verslechtering van de situatie in Oekraïne, noodzakelijk heeft geacht om vooraanstaande zakenlieden die in de Russische Federatie actief zijn, op de litigieuze lijsten te kunnen plaatsen teneinde druk op de Russische regering uit te oefenen.

102 Allereerst moet worden opgemerkt dat de aanpak van de Raad om, gelet op de verslechtering van de situatie in Oekraïne, de kring van personen die aan de betrokken beperkende maatregelen kunnen worden onderworpen te verruimen teneinde de beoogde doelstellingen te bereiken, is gebaseerd op de progressiviteit van de aantasting van de rechten naargelang van de doeltreffendheid van de maatregelen (zie in die zin en naar analogie, arrest van 25 januari 2017, Almaz-Antey Air and Space Defence/Raad, T‑255/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:25, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

103 Voorts beoogt de Raad met de vaststelling van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) de invloed uit te buiten die deze categorie personen op het Russische regime kan uitoefenen door hen ertoe te bewegen druk op deze regering uit te oefenen opdat zij haar beleid ten aanzien van Oekraïne wijzigt, zoals hierboven uit punt 81 blijkt. In dit verband verdient opmerking dat, anders dan verzoeker stelt, het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) niet op ongedifferentieerde en algemene wijze doelt op alle zakenlieden die in de Russische Federatie actief zijn, maar doelgericht verwijst naar vooraanstaande zakenlieden die in dat land actief zijn. Derhalve moet worden geoordeeld dat de vaststelling van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) geschikt was om de doelstellingen te bereiken die met de beperkende maatregelen worden nagestreefd.

104 Ten slotte zij erop gewezen dat het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) noodzakelijk is om de in artikel 21 VEU geformuleerde doelstellingen te bereiken en uit te voeren. Uit overweging 4 van besluit 2023/1094 blijkt namelijk dat de Raad met de verruiming van de personele werkingssfeer van de beperkende maatregelen tot vooraanstaande zakenlieden uit om het even welke economische sector van Rusland, geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat die maatregelen ertoe bijdroegen om de druk op deze regering, die verantwoordelijk was voor de inval in Oekraïne, op te voeren. In dit verband moet worden vastgesteld dat verzoeker niet heeft aangetoond dat de door de beperkende maatregelen nagestreefde doelstellingen hadden kunnen worden bereikt met een alternatief, minder verreikend criterium.

105 Voor het overige kunnen de door verzoeker tegen het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) geuite bezwaren, namelijk dat geen rekening wordt gehouden met het persoonlijke gedrag van de zakenlieden waartegen de betrokken beperkende maatregelen zijn gericht en dat deze zakenlieden geen invloed op de regering van de Russische Federatie hebben, niet slagen. Verzoeker heeft namelijk niet aangetoond dat de overwegingen van de Raad met betrekking tot het bestaan van wederzijdse afhankelijkheid tussen vooraanstaande zakenlieden en de regering van de Russische Federatie berusten op een kennelijke beoordelingsfout (zie punt 84 hierboven). Verzoeker heeft dus evenmin aangetoond dat deze categorie personen niet in staat is om zodanig druk op de regering van de Russische Federatie uit te oefenen dat deze haar beleid ten aanzien van Oekraïne wijzigt. De omstandigheid dat vooraanstaande zakenlieden die in Rusland actief zijn, niet verantwoordelijk zijn voor de annexatie en de invasie van Oekraïne of dat zij dit conflict niet steunen of ervan profiteren, volstaat derhalve niet als bewijs dat het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) kennelijk onevenredig is in verhouding tot de doelstellingen die met de beperkende maatregelen worden nagestreefd.

106 Aangezien verzoeker niet heeft aangetoond dat de invoering van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) in strijd was met het evenredigheidsbeginsel, moet het derde onderdeel van het zevende middel en daarmee het zevende middel in zijn geheel worden afgewezen.

4. Eerste middel: kennelijke beoordelingsfout

107 Met zijn eerste middel stelt verzoeker dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat in de handelingen van maart 2023 ten aanzien van hem was voldaan aan de criteria a) en d) en dat in de handelingen van september 2023 ten aanzien van hem was voldaan aan de criteria a), d) en g).

108 De Raad concludeert tot afwijzing van dit middel.

109 Het Gerecht acht het in casu nuttig om de gegrondheid van de plaatsing van verzoekers naam op de litigieuze lijsten te onderzoeken in het licht van alle criteria die in de bestreden handelingen ten aanzien van hem zijn gehanteerd, te weten criterium a) en criterium d) voor wat betreft de bestreden handelingen en criterium g) voor wat betreft de handelingen van september 2023.

110 Allereerst zij opgemerkt dat het eerste middel aldus moet worden opgevat dat het betrekking heeft op een beoordelingsfout in plaats van op een kennelijke beoordelingsfout. De Raad beschikt namelijk weliswaar over een zekere beoordelingsbevoegdheid om per geval te bepalen of is voldaan aan de juridische criteria waarop de betrokken beperkende maatregelen zijn gebaseerd, doch dit neemt niet weg dat de rechterlijke instanties van de Unie de rechtmatigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig moeten toetsen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

111 Voorts zij eraan herinnerd dat de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest onder meer vereist dat de Unierechter zich ervan vergewist dat het besluit tot vaststelling of handhaving van beperkende maatregelen, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon of entiteit, op een voldoende solide feitelijke grondslag berust. Dat betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119, en 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 122).

112 Het staat aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon of entiteit in aanmerking genomen redenen gegrond zijn en niet aan laatstbedoelde om het negatief bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 121, en 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 123).

113 Bij de beoordeling van de gegrondheid van deze redenen moeten de bewijzen en de informatie bovendien niet afzonderlijk, maar in hun context worden onderzocht. De Raad voldoet namelijk aan de op hem rustende bewijslast indien hij de Unierechter een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan het bestaan van een toereikend verband tussen de aan een maatregel tot bevriezing van tegoeden onderworpen persoon en het regime of, in het algemeen, de bestreden situaties kan worden vastgesteld (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

114 Bovendien zij eraan herinnerd dat beperkende maatregelen bewarend en, per definitie, voorlopig van aard zijn; hun geldigheid hangt altijd af van de vraag of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, blijven voortbestaan, en of voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel de handhaving van deze maatregel vereist is. Hieruit volgt dat het bij de periodieke heroverweging van deze beperkende maatregelen aan de Raad staat om een geactualiseerde beoordeling van de situatie te maken en een balans op te maken van het effect van dergelijke maatregelen, teneinde te bepalen of zij de door de initiële plaatsing van de namen van de betrokken personen en entiteiten op de litigieuze lijsten beoogde doelstellingen hebben kunnen verwezenlijken en of met betrekking tot deze personen en entiteiten nog steeds dezelfde conclusie kan worden getrokken (zie arrest van 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

115 Het is de Raad niet verboden om zich ter rechtvaardiging van de handhaving van de naam van een persoon op de litigieuze lijsten te baseren op dezelfde bewijzen als die welke de aanvankelijke plaatsing, de hernieuwde plaatsing of de eerdere handhaving van de naam van de betrokken persoon op die lijsten rechtvaardigden, mits, ten eerste, de redenen voor plaatsing ongewijzigd blijven en, ten tweede, de context niet zodanig is gewijzigd dat die bewijzen achterhaald zijn. Deze context bestaat niet alleen uit de situatie van het land ten aanzien waarvan het stelsel van beperkende maatregelen is ingesteld, maar ook uit de specifieke situatie van de betrokken persoon. Bovendien wordt de handhaving op de litigieuze lijsten gerechtvaardigd in het licht van alle relevante omstandigheden, waaronder met name het feit dat de met de beperkende maatregelen beoogde doelstellingen niet zijn bereikt (zie in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 169 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

116 In een dergelijke context kan de Raad besluiten de namen van de betrokken personen op de litigieuze lijsten te handhaven op basis van redenen die betrekking hadden op feiten in het verleden en die waren aangevoerd in eerdere besluiten die hen betroffen, mits deze handhaving gerechtvaardigd blijft in het licht van alle relevante omstandigheden, waaronder met name het feit dat de met de beperkende maatregelen beoogde doelstellingen niet zijn bereikt (zie naar analogie arrest van 8 maart 2023, Mutondo/Raad, T‑94/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:120, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

117 De argumenten die verzoeker tegen de bestreden handelingen heeft aangevoerd, zullen in het licht van deze overwegingen worden onderzocht.

a) Gestelde beoordelingsfout met betrekking tot de handelingen van maart 2023

118 In casu zijn de handelingen van maart 2023 vastgesteld op basis van criterium a) en criterium d). Verzoeker stelt dat in zijn geval niet aan deze criteria is voldaan, omdat de Raad daartoe onvoldoende bewijs heeft aangevoerd. Derhalve moeten beide criteria achtereenvolgens worden onderzocht.

1) Beoordelingsfout met betrekking tot criterium a)

119 In casu betoogt verzoeker in wezen dat de bewijsstukken in het oorspronkelijke WK‑dossier en in het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier, alsook in het WK‑handhavingsdossier 1 en het WK‑dossier 17683/2022 INIT (zie punt 19 hierboven) niet volstaan als bewijs dat hij persoonlijk en individueel steun heeft verleend of uitvoering heeft gegeven aan acties of beleidsmaatregelen van de Russische Federatie die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.

120 Hij voert daartoe aan dat hij, anders dan is geoordeeld in het arrest van 6 september 2023, Timchenko/Raad (T‑252/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:496), niet kan worden geacht persoonlijk steun te hebben verleend aan acties of beleidsmaatregelen van de Russische Federatie die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne, of de stabiliteit of veiligheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, in omstandigheden waarin, zoals in casu, een dergelijke steun niet door hemzelf maar door tussenkomst van Bank Rossiya is verleend, waarin hij ten eerste geen bestuursfunctie bekleedt en ten tweede slechts een indirecte minderheidsaandeelhouder is.

121 Deze redenering gaat volgens hem volledig voorbij aan het feit dat vennootschappen rechtspersonen zijn, waarmee „een fundamenteel en universeel beginsel van het vennootschapsrecht” wordt geschonden, terwijl hij als minderheidsaandeelhouder bovendien slechts aan een beperkt aantal beslissingen kan deelnemen en de beleidskoers van de vennootschap door de raad van bestuur wordt vastgesteld.

122 Hij voegt hieraan toe dat hij niet persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de oprichting van filialen op de Krim door Bank Rossiya, omdat een dergelijke beslissing tot de exclusieve bevoegdheid van de raad van bestuur van deze vennootschap behoort. Wat de kapitaalbanden tussen Bank Rossiya en de mediagroep National Media Group betreft, wijst hij erop dat de deelneming van deze bank in het kapitaal van deze groep 17 % bedraagt, zodat zijn werkelijke deelneming in deze groep slechts 1,7 % van het kapitaal bedraagt.

123 De Raad bestrijdt dit betoog.

124 Wat criterium a) betreft, zij eraan herinnerd dat dit vereist dat een direct of indirect verband wordt aangetoond tussen de activiteiten of acties van de betrokken persoon of entiteit en de situatie in Oekraïne die heeft geleid tot de vaststelling van de betrokken beperkende maatregelen. Die personen of entiteiten kunnen met andere woorden door hun gedrag verantwoordelijk worden gehouden voor acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad,T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 74).

125 Zoals vermeld in punt 45 van dit arrest, hebben de tot criterium a) te herleiden elementen in de motivering van de bestreden handelingen betrekking op het feit dat verzoeker aandeelhouder is van Bank Rossiya en dat deze bank ten eerste aanzienlijke deelnemingen bezit in de National Media Group, die televisiezenders beheert die het beleid van de Russische regering actief ondersteunen, en ten tweede een actief investeringsbeleid op de Krim voert door in die regio filialen op te richten. Bovendien wordt in deze motivering verwezen naar de Volga Group, die „een belangrijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van de Russische economie”. In het licht van deze elementen heeft de Raad geoordeeld dat verzoeker via deze bank het door de Russische regering gevoerde beleid tot annexatie van Oekraïne steunt.

126 In casu rechtvaardigt de Raad de handhaving, op grond van criterium a), van verzoekers naam op de litigieuze lijsten op basis van de documenten die zijn opgenomen in het oorspronkelijke en het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier en in het WK‑handhavingsdossier 1, en met name op de volgende documenten: – bewijsstuk 6 in het oorspronkelijke WK‑dossier, dat wil zeggen een ongedateerde screenshot van de website van de Volga Group, waarvan de Raad in februari 2022 kennis heeft genomen en waarop deze groep uit het oogpunt van onder meer zijn kapitaaldeelnemingen wordt gepresenteerd; – bewijsstuk 7 in het oorspronkelijke WK‑dossier, dat wil zeggen een screenshot van de website van een ngo van juli 2017, waarvan de Raad in februari 2022 kennis heeft genomen en waarin de samenstelling van de aandeelhouders van Bank Rossiya wordt gepresenteerd; – bewijsstuk 1 in het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier, dat wil zeggen een screenshot van de website van de Russische mediagroep ABR van 2019, die door de Raad in oktober 2019 is geraadpleegd; – bewijsstuk 2 in het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier, dat wil zeggen een screenshot van de website van de Russische mediagroep RBC van augustus 2016, waarvan de Raad in oktober 2019 kennis heeft genomen; – bewijsstuk 4 in het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier, dat wil zeggen een screenshot van de website van het agentschap TASS die weliswaar ongedateerd is maar gebeurtenissen van na 1 maart 2014 weergeeft en waarvan de Raad kennis heeft genomen op 23 februari 2015; – bewijsstuk 5 in het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier, dat wil zeggen een screenshot van de website van de Russische mediagroep RIA van 10 september 2014 met betrekking tot een artikel getiteld „Bank Rossiya start haar activiteiten op de Krim”, waarvan de Raad kennis heeft genomen op 23 februari 2015; – bewijsstuk 6 in het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier, dat wil zeggen een screenshot van de website van Bank Rossiya, waarvan de Raad kennis heeft genomen op 23 februari 2015; – bewijsstuk 7 in het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier, dat wil zeggen een screenshot van de website van de Russische mediagroep Novaya Gazeta met betrekking tot een artikel getiteld „15 jaar van de donkerste meren ter wereld”, waarvan de Raad kennis heeft genomen in februari 2015; – bewijsstuk 8 in het WK‑handhavingsdossier 1, dat wil zeggen een van de website eastwest.eu afkomstig artikel met de titel „Bank Rossiya, Putin’s bank”, dat van juni 2016 dateert en waarvan de Raad kennis heeft genomen in november 2022.

127 Tot slot moet worden opgemerkt dat de Raad zich ten bewijze dat ten aanzien van verzoeker is voldaan aan criterium a) eveneens heeft gebaseerd op twee bij het verweerschrift gevoegde artikelen uit de krant The Guardian (bijlagen B 19 A en B 19 B). Het eerste artikel is ongedateerd en draagt de titel „Bank Rossiya, the Kremlin’s favoured bank, ‚to be frozen out of the dollar’”, terwijl het tweede artikel, dat van april 2016 is, de titel „Revealed: the $2bn offshore trail that leads to Vladimir Putin” draagt. Deze twee artikelen zijn de Raad vóór de vaststelling van de handelingen van maart 2023 ter ore gekomen, want zij worden genoemd in de punten 82 en 83 van het arrest van 6 september 2023, Timchenko/Raad (T‑252/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:496).

128 In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat verzoeker niet de bewijskracht betwist van enige van de in de punten 126 en 127 van dit arrest genoemde documenten.

129 Met betrekking tot de vraag of de Raad een beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat verzoeker steun heeft verleend aan het beleid tot annexatie van Oekraïne en dus voldeed aan criterium a), moet worden geconstateerd dat uit de bewijsstukken 5 en 6 van het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier blijkt dat Bank Rossiya op de Krim heeft geïnvesteerd om in die regio van Oekraïne een netwerk van dertig kantoren op te zetten.

130 Dat beleid van Bank Rossiya om in de door de Russische Federatie geannexeerde regio’s van Oekraïne te investeren wordt ten eerste bevestigd door de informatie in bewijsstuk 1 van het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier, waaruit naar voren komt dat Bank Rossiya in 2019 een lening van 1 miljard roebel (ongeveer 14 miljoen euro) heeft toegekend aan de spoorwegmaatschappij van de Krim en ten tweede door de informatie in bewijsstuk 2 van het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier. Volgens deze gegevens is deze bank aandeelhouder geworden van de luchthaven van Sebastopol.

131 Deze gebeurtenissen, die zich na de invasie van de Krim door de Russische Federatie hebben voorgedaan, tonen aan dat deze investeringen bijdragen tot de uitvoering van het beleid tot annexatie van de Krim door de Russische Federatie.

132 Wat voorts de vraag betreft of verzoeker, gelet op het door Bank Rossiya gevoerde investeringsbeleid dat bijdraagt tot de economische annexatie van de Krim, kan worden geacht steun te verlenen aan acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen in de zin van criterium a), moet worden opgemerkt dat verzoeker erkent dat hij de enige aandeelhouder is van de Volga Group, die 100 % van Transoil bezit, dat op zijn beurt 10,323 % van Bank Rossiya bezit.

133 Een dergelijke structuur van kapitaaldeelnemingen impliceert dat de positie van Transoil tussen verzoeker en Bank Rossiya niet van invloed is op het feit dat verzoeker feitelijk en gelet op het feit dat hij 100 % van de aandelen van Transoil bezit, kan worden geacht 10,323 % van de aandelen van Bank Rossiya in handen te hebben, wat hem de op een na grootste aandeelhouder van deze bank maakt.

134 In dit verband zij opgemerkt dat Bank Rossiya, zoals uit de gecombineerde lezing van bewijsstuk 7 in het oorspronkelijke WK‑dossier, bewijsstuk 8 in het WK‑handhavingsdossier 1 en bijlage B 19 B blijkt, bekend staat als een bankinstelling die zeer nauw gelieerd is aan de entourage van Poetin, hetgeen wordt bevestigd door de samenstelling van de aandeelhouders ervan (Kovaltsjoek bezit 37 %, Sjamalov 9,64 % en Rolduguin 3,03 %). Zoals uit bewijsstuk 4 van het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier naar voren komt, vormt deze kring van personen al ruim tien jaar een stabiele groep aandeelhouders van Bank Rossiya, met een kapitaal van 231 miljard roebel (ongeveer 3 miljard euro) in 2010.

135 Deze elementen volstaan om aan te tonen dat verzoeker een van de grootste aandeelhouders van Bank Rossiya is en dat hij ook deel uitmaakt van een historische groep van stabiele aandeelhouders van die bank.

136 Aangezien verzoeker een belangrijke aandeelhouder van Bank Rossiya is en deze bank bijdraagt tot de ondersteuning of uitvoering van acties of beleidsmaatregelen van de regering van de Russische Federatie die gericht zijn tegen de soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne, moet worden geoordeeld dat de Raad rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat er een direct of indirect verband bestaat tussen de activiteiten en acties van verzoeker en de situatie in Oekraïne in de zin van de in punt 124 hierboven aangehaalde rechtspraak.

137 In dit verband moet worden onderstreept dat, anders dan verzoeker ter terechtzitting heeft verklaard, de in de punten 132 tot en met 136 van dit arrest genoemde elementen niet indruisen tegen de arresten van 10 april 2024, Aven/Raad (T‑301/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:214), en 10 april 2024, Fridman/Raad (T‑304/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:215). In deze twee arresten heeft het Gerecht namelijk in wezen geoordeeld dat, bij gebreke van feitelijke gegevens die de conclusie wettigden dat een bank handelingen had verricht die aan de criteria a) en d) voldeden, niet kon worden geconcludeerd dat de aandeelhouders van een dergelijke bank op de lijsten met beperkende maatregelen kunnen worden geplaatst, ook niet als het om belangrijke aandeelhouders gaat.

138 Uit het voorgaande volgt dat de Raad geen beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat verzoeker op de datum van vaststelling van de handelingen van maart 2023 voldeed aan de in criterium a) gestelde voorwaarden.

2) Beoordelingsfout met betrekking tot criterium d)

139 Met betrekking tot criterium d) betoogt verzoeker in wezen dat de bewijsstukken waarop de Raad zich baseert, niet aantonen dat hij materiële of financiële steun aan de president van de Russische Federatie verleent of profijt van hem trekt.

140 Hij wijst erop dat, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld in het arrest van 6 september 2023, Timchenko/Raad (T‑252/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:496), geen van de documenten waarop de Raad zich beroept, concreet aangeeft welke financiële steun Bank Rossiya aan de president van de Russische Federatie zou hebben verleend, aangezien een dergelijk element niet kan worden afgeleid uit de loutere omstandigheid dat Bank Rossiya diens bank is.

141 Wat betreft de stellingen van de Raad dat verzoeker materiële of financiële steun heeft verleend aan de Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de invasie in Oekraïne doordat hij een actieve rol heeft gespeeld ten tijde van de COVID‑19-crisis en doordat hij heeft deelgenomen aan de Russisch-Chinese raad, betoogt verzoeker dat hij zich uitsluitend laat leiden door commerciële belangen die niet door de staat hoeven te worden georkestreerd en dat hij, zoals hij altijd heeft verklaard, nooit richtlijnen heeft gevolgd die hem door de Russische regeringsautoriteiten zijn gedicteerd.

142 De Raad bestrijdt dit betoog.

143 In dit verband moet worden opgemerkt dat bewijsstuk 8 van het WK‑handhavingsdossier 1, dat wil zeggen een artikel van de website eastwest.eu, onder meer vermeldt dat een analyse van de Panama Papers de financiële technieken aan het licht heeft gebracht die Bank Rossiya aanwendt om „rivieren” van dollars te verduisteren ten gunste van personen uit de directe entourage van Poetin.

144 Deze informatie wordt bevestigd door het als bijlage B 19 B opgenomen artikel „The $2bn offshore trail that leads to Vladimir Putin” uit The Guardian. Hierin wordt naar aanleiding van het op basis van de Panama Papers door verschillende journalisten verrichte onderzoekswerk belicht op welke wijze middelen die aanvankelijk afkomstig waren van leningen en die via offshore-vennootschappen en via Bank Rossiya liepen, ten goede kwamen aan de president van de Russische Federatie en zijn vrienden, te weten Kovaltsjoek en Rolduguin.

145 Dienaangaande zij opgemerkt dat de band tussen de groep stabiele aandeelhouders van Bank Rossiya, en daarmee tussen die bank en de president van de Russische Federatie wordt bevestigd door bewijsstuk 7 van het aanvullende oorspronkelijke WK‑dossier, dat wil zeggen het in Novaja Gazeta verschenen artikel „15 jaar van de donkerste meren ter wereld”. Hoewel dit krantenartikel vóór de invasie van de Krim door de Russische Federatie is geschreven, bevat het niettemin relevante informatie. Zo benadrukt dit artikel dat de onderlinge banden tussen degenen die deel uitmaken van de nauwe vriendenkring van de president van de Russische Federatie, beter bekend als de „Dacha Ozéro-kring” – waartoe ook verzoeker, Kovaltsjoek en Sjamalov behoren of waarmee zij nauwe banden hebben – gebaseerd zijn op een langdurige vriendschap die het gehele Russische kapitalisme gedurende bijna dertig jaar vorm heeft gegeven. Zo wordt Rolduguin in het in punt 139 van dit arrest genoemde artikel uit the Guardian beschreven als de beste vriend van de president van de Russische Federatie.

146 Uit de hierboven in de punten 143 tot en met 145 genoemde elementen volgt dat Bank Rossiya financiële steun verleent aan de president van de Russische Federatie.

147 Hieruit volgt dat de Raad geen beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat verzoeker in zijn hoedanigheid van belangrijke aandeelhouder van Bank Rossiya financiële steun aan de president van de Russische Federatie heeft verleend en door daaruit te concluderen dat verzoeker voldeed aan de voorwaarden van criterium d).

148 Gelet op het voorgaande moet het verzoek tot nietigverklaring van de handelingen van maart 2023 worden afgewezen.

b) Gestelde beoordelingsfout met betrekking tot de handelingen van september 2023

149 Met betrekking tot de handelingen van september 2023 zij opgemerkt dat het verzoek tot nietigverklaring van deze handelingen is gebaseerd op twee aspecten, waarvan het eerste betrekking heeft op het gebrek aan bewijskracht van de stukken in de additionele WK‑handhavingsdossiers 2 en het tweede op een beoordelingsfout van de Raad in het kader van de plaatsing van verzoekers naam op de litigieuze lijsten op grond van criterium a), criterium d) en het gewijzigde criterium g).

1) Bewijskracht van de stukken in de additionele WK‑handhavingsdossiers 2

150 Verzoeker betwist de bewijskracht van de stukken in de additionele WK‑handhavingsdossiers 2 aan de hand van de algemene stelling dat de in die dossiers opgenomen documenten geen analyses of rapporten van de Raad zelf zijn, maar slechts een verzameling van achtereenvolgende documenten, screenshots en uittreksels, waaruit hij niet kan opmaken wat de Raad daarmee concreet wil aantonen of welke conclusies hij daaruit trekt.

151 In dit verband moet in herinnering worden geroepen dat de Unierechters volgens vaste rechtspraak het beginsel van de vrije bewijswaardering toepassen, waarbij als enig criterium voor de beoordeling van de waarde van het aangevoerde bewijs de geloofwaardigheid ervan geldt. Bij de beoordeling van de bewijswaarde van een stuk moet worden gekeken naar de waarschijnlijkheid van de daarin vervatte informatie en met name rekening worden gehouden met de herkomst van het stuk, de omstandigheden waarin het tot stand is gekomen en degene tot wie het is gericht, en moet worden onderzocht of het stuk, gelet op zijn inhoud, redelijk en geloofwaardig overkomt [zie arresten van 31 mei 2018, Kaddour/Raad,T‑461/16, EU:T:2018:316, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad,T‑163/18, EU:T:2020:57, punt 95 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

152 Doordat de Unie in derde landen geen onderzoeksbevoegdheden heeft, dient de beoordeling door de autoriteiten van de Unie zich de facto te baseren op voor het publiek toegankelijke informatiebronnen, rapporten, krantenartikelen, rapporten van geheime diensten of andere gelijkaardige informatiebronnen (arresten van 14 maart 2018, Kim e.a./Raad en Commissie, T‑533/15 en T‑264/16, EU:T:2018:138, punt 107, en 1 juni 2022, Prigozhin/Raad, T‑723/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:317, punt 59).

153 Bovendien moet worden opgemerkt dat de conflictsituatie waarin de Russische Federatie en Oekraïne verwikkeld zijn, het in de praktijk bijzonder moeilijk maakt om toegang te krijgen tot bepaalde bronnen, om uitdrukkelijk de primaire bron van bepaalde informatie aan te duiden en om eventuele getuigenissen te verzamelen van mensen die bereid zijn hun identiteit te onthullen. De daarmee gepaard gaande onderzoeksproblemen kunnen dus een extra belemmering vormen voor het verstrekken van nauwkeurig bewijs en objectieve informatie (zie in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 116 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

154 Wat de handelingen van september 2023 betreft, moet in casu worden opgemerkt dat de uittreksels, op de bladzijden 227 tot en met 232 van het WK‑handhavingsdossier 2, van het in oktober 2018 verschenen rapport Priceless Friendship van Iwona Wisniewska, waartoe de Raad in april 2023 toegang heeft gehad, van nut zijn voor de analyse van de vraag of de beperkende maatregelen waaraan verzoeker is onderworpen, gegrond zijn.

155 Verzoeker voert in casu geen enkel objectief gegeven aan dat de bewijskracht kan aantasten van dit stuk, waaruit naar voren komt dat de daarin verrichte analyse steunt op objectieve en serieuze gegevens die niet door verzoeker zijn betwist.

156 Gelet op hetgeen hierboven in de punten 152 en 153 is overwogen, kan de Raad bovendien niet worden verweten dat hij zich, zoals in casu, heeft gebaseerd op rapporten over de situatie in de Russische Federatie om het bewijs te leveren dat verzoekers naam op goede gronden op de litigieuze lijsten is geplaatst.

157 In dit verband faalt het argument van verzoeker dat de Raad zich op zijn eigen analyse van de situatie in de Russische Federatie had moeten baseren, aangezien een dergelijke analyse niet als bewijs had kunnen worden beschouwd omdat zij niet van een derde afkomstig is.

158 Gelet hierop moeten de grieven van verzoeker met betrekking tot de bewijskracht van het in punt 154 genoemde stuk worden afgewezen.

2) Beoordelingsfout met betrekking tot criterium a)

159 Met betrekking tot criterium a) moet worden opgemerkt dat verzoeker niet heeft aangetoond dat zijn persoonlijke situatie was gewijzigd. Zo is hij nog steeds een belangrijke indirecte aandeelhouder van Bank Rossiya en heeft hij evenmin bewezen dat deze bank haar beleid om een bijdrage te leveren aan de economische annexatie van de Krim had gestaakt.

160 Derhalve moet worden vastgesteld dat verzoeker niet heeft aangetoond dat zijn aanwijzing op grond van criterium a) op een beoordelingsfout berustte.

3) Beoordelingsfout met betrekking tot criterium d)

161 Wat criterium d) betreft, moet worden opgemerkt dat verzoeker niet heeft aangetoond dat zijn persoonlijke situatie was gewijzigd. Zo is hij onder meer nog steeds een belangrijke indirecte aandeelhouder van Bank Rossiya en heeft hij evenmin aangetoond dat deze bank haar financiële steun aan de president van de Russische Federatie had gestaakt.

162 Bovendien komt uit uittreksels van het hierboven in punt 154 vermelde rapport Priceless Friendship naar voren dat verzoeker in april 2017 naar aanleiding van de hem opgelegde sancties heeft geprofiteerd van een wet die door sommigen de „Timchenko-wet” wordt genoemd, op grond waarvan hij in aanmerking kwam voor belastingvrijstellingen. In dezelfde uittreksels staat ook vermeld dat Novatek en Sakhatrans in 2015 een bedrag van 150 miljard roebel (destijds ongeveer 2,2 miljard euro) en in 2016 een bedrag van 1,5 miljard roebel (destijds ongeveer 20 miljoen euro) aan steun hebben ontvangen van de regering van de Russische Federatie. Uit bewijsstuk 6 van het oorspronkelijke WK‑dossier blijkt dat verzoeker via de Volga Group waarin hij een belang van 100 % heeft, aandeelhouder is van elk van deze vennootschappen, met een belang van respectievelijk 23 % en 89 %, zonder dat hij het tegendeel heeft aangetoond.

163 Uit deze elementen komt dus naar voren dat verzoeker profijt trekt van de Russische beleidsmakers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne in de zin van criterium d).

164 Aangezien ten tijde van de vaststelling van de handelingen van september 2023 dus nog steeds sprake was van de in de punten 143 tot en met 148 genoemde elementen en de Raad bovendien heeft aangetoond dat verzoeker profijt trok van de Russische beleidsmakers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne, heeft de Raad geen beoordelingsfout gemaakt door bij de vaststelling van die handelingen te oordelen dat verzoeker voldeed aan de voorwaarden van criterium d).

4) Beoordelingsfout met betrekking tot het gewijzigde criterium g)

165 Zoals uit de punten 92 en 93 van dit arrest volgt, vereist het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g) dat aan twee voorwaarden is voldaan, namelijk ten eerste dat de betrokkene kan worden aangemerkt als een „vooraanstaande zaken[‑man of ‑vrouw]”, hetgeen impliceert dat hij een belangrijke rol in de Russische economie speelt in termen van onder meer zijn professionele status, het belang van zijn economische activiteiten, de omvang van zijn kapitaalbezit of de functies die hij bekleedt binnen een of meer ondernemingen waarin hij deze activiteiten uitoefent, en ten tweede dat hij actief is in de Russische Federatie.

166 Wat de eerste voorwaarde betreft, moet worden opgemerkt dat verzoeker in casu een zakenman is die via de holding Volga Group, waarvan hij de enige aandeelhouder is, deelnemingen heeft in verschillende in Rusland gevestigde vennootschappen.

167 Uit bewijsstuk 6 van het oorspronkelijke WK‑dossier en uit het verzoekschrift blijkt ten eerste dat verzoeker in hoofdzaak, via de Volga Group, 100 % van de aandelen van Transoil, 10,323 % van de aandelen van Bank Rossiya, 89 % van Sakhatrans, 23 % van Novatek en 12,5 % van Sogaz bezit, en ten tweede dat de ondernemingen waaruit deze groep bestaat, 90000 mensen in dienst hebben en geconsolideerde jaarlijkse inkomsten genereren van omgerekend 116 miljard Amerikaanse dollars.

168 Aangezien verzoeker geen gegevens heeft aangevoerd die de waarachtigheid en het actualiteitsgehalte van de in punt 167 hierboven vermelde informatie ontkrachten, moet worden vastgesteld dat de Raad het bewijs heeft geleverd dat hij wegens de omvang van zijn kapitaaldeelnemingen een vooraanstaande zakenman was.

169 Wat betreft de tweede voorwaarde, die betrekking heeft op de uitoefening van activiteiten in de Russische Federatie, moet worden opgemerkt dat hieraan is voldaan, aangezien alle in punt 167 van dit arrest vermelde ondernemingen in de Russische Federatie zijn gevestigd en daar hun activiteiten uitoefenen.

170 Hieruit volgt dat de Raad bij de vaststelling van de handelingen van september 2023 geen beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat verzoeker voldeed aan de voorwaarden van het eerste bestanddeel van het gewijzigde criterium g).

171 Hieruit vloeit voort dat het eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

5. Vijfde middel: schending van het fundamentele recht op vrij verkeer van verzoeker als Unieburger

172 Met zijn vijfde middel stelt verzoeker dat de hem opgelegde beperkende maatregelen in strijd zijn met artikel 21 VWEU en met artikel 45, lid 1, en artikel 52, lid 1, van het Handvest.

173 Hij onderstreept dat het niet mogelijk is om op basis van artikel 29 VEU de werkingssfeer van artikel 21 VWEU, betreffende het vrije verkeer van Unieburgers, te beperken, omdat een daartoe strekkende specifieke bepaling ontbreekt.

174 Verzoeker onderbouwt dit met de stelling dat, anders dan reeds is geoordeeld in het arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad (T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926), beperkende maatregelen die krachtens artikel 29 VEU zijn vastgesteld, niet kunnen worden beschouwd als een lex specialis en niet mogen afwijken van de wettelijke bepalingen die krachtens artikel 21 VWEU zijn vastgesteld, waaronder met name richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77), waarvan artikel 27 bepaalt dat het vrije verkeer uitsluitend om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel mag worden beperkt.

175 Verder betoogt hij dat uit een analyse van de wetgeving van verschillende staten van de Unie naar voren komt dat de lidstaten een constitutionele traditie gemeen hebben die inhoudt dat het vrije verkeer alleen om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid en onder strikt rechterlijk toezicht mag worden beperkt.

176 Verzoeker concludeert dat de tegenstrijdigheid tussen de praktijk van de Unie en deze gemeenschappelijke constitutionele traditie impliceert dat de bestreden handelingen in strijd zijn met artikel 21 VWEU en met de artikelen 45 en 52 van het Handvest.

177 De Raad bestrijdt dit betoog.

178 Om te beginnen moet erop worden gewezen dat verzoeker ter terechtzitting heeft verklaard en bevestigd dat hij geen exceptie van onwettigheid heeft opgeworpen ten aanzien van artikel 1 van besluit 2014/145, voor zover daarin is bepaald dat de lidstaten het betreden van hun grondgebied dienen te verbieden aan personen die aan beperkende maatregelen zijn onderworpen, doch dat hij de rechtmatigheid van de tegen hem getroffen maatregelen heeft betwist omdat zij, onder meer, niet strookten met het evenredigheidsbeginsel.

179 Opgemerkt zij dat het in artikel 45, lid 1, van het Handvest verankerde recht om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven overeenkomstig artikel 52, lid 2, van het Handvest wordt uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door de Verdragen zijn gesteld. Zoals uit de toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17) blijkt, is het in artikel 45, lid 1, van het Handvest gewaarborgde recht het recht dat door artikel 20, lid 2, onder a), VWEU wordt gewaarborgd. De omvang van dit recht wordt nader afgebakend in artikel 21 VWEU.

180 Volgens artikel 21, lid 1, VWEU wordt het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, uitgeoefend onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Dit voorbehoud in de tweede zinsnede van artikel 21, lid 1, VWEU verwijst naar Verdragen in het meervoud en dus ook naar het VEU en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen. Hieruit volgt dat de uitoefening van het in artikel 45, lid 1, van het Handvest verankerde recht van Unieburgers op vrij verkeer en verblijf kan worden beperkt door besluiten die onderdeel vormen van het GBVB en die worden vastgesteld op basis van artikel 29 VEU, zoals besluit 2023/572 en besluit 2023/1767 (zie in die zin en naar analogie, arresten van 5 november 2014, Mayaleh/Raad,T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punten 195 en 196, en 4 december 2015, Sarafraz/Raad, T‑273/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:939, punten 194 en 195).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken