Gerecht EU 2 april 2025, T-298/23, ECLI:EU:T:2025:353

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid)

2 april 2025 ( *1 )

„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen – Bevriezing van tegoeden – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Beperkingen inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Lijst van personen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan beperkingen inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Handhaving van de naam van de verzoekende partij op de lijsten – Motiveringsplicht – Artikel 2, lid 1, onder a) en d) van besluit 2014/145/GBVB – Artikel 3, lid 1, onder a) en d), van verordening (EU) nr. 269/2014 – Beoordelingsfout – Recht om te worden gehoord – Unieburgerschap – Vrij verkeer – Eigendomsrecht – Evenredigheid”

In zaak T‑298/23,

Elena Petrovna Timchenko, wonende te Moskou (Rusland), vertegenwoordigd door T. Bontinck, S. Bonifassi, E. Federova, J. Goffin en J. Bastien, advocaten,

verzoekster,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M.‑C. Cadilhac en V. Piessevaux als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door

Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Giolito en M. Carpus Carcea als gemachtigden,

interveniënte,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: R. Mastroianni, waarnemend voor de president, M. Brkan, I. Gâlea, T. Tóth (rapporteur) en S. L. Kalėda, rechters,

griffier: H. Eriksson, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 11 juni 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep vordert verzoekster, Elena Petrovna Timchenko, in de eerste plaats, krachtens artikel 263 VWEU, nietigverklaring van besluit (GBVB) 2023/572 van de Raad van 13 maart 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 134) en van uitvoeringsverordening (EU) 2023/571 van de Raad van 13 maart 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 1) (hierna tezamen: „bestreden handelingen”) en in de tweede plaats, krachtens artikel 268 VWEU, vergoeding van de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van de vaststelling van deze handelingen.

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoekster is de echtgenote van de zakenman Gennady Nikolayevich Timchenko. Beiden hebben de Russische en de Finse nationaliteit.

3 De onderhavige zaak houdt verband met de beperkende maatregelen die door de Europese Unie zijn vastgesteld met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.

4 Op 17 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie krachtens artikel 29 VEU besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16) vastgesteld.

5 Diezelfde dag heeft de Raad op grond van artikel 215 VWEU verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6) vastgesteld.

6 Naar aanleiding van de agressie tegen Oekraïne door de strijdkrachten van de Russische Federatie heeft de Raad op 25 februari 2022 besluit (GBVB) 2022/329 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 50, blz. 1) vastgesteld, teneinde onder meer de criteria te wijzigen op grond waarvan natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen aan de betrokken beperkende maatregelen konden worden onderworpen.

7 Artikel 2, leden 1 en 2, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, bepaalt: „1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van: a) natuurlijke personen die verantwoordelijk zijn voor, steun verlenen aan of uitvoering geven aan, acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne, of de stabiliteit of veiligheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, of die de werkzaamheden van internationale organisaties in Oekraïne belemmeren; [...] d) natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne; [...] en natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die met hen verbonden zijn, als opgesomd in de bijlage, worden bevroren. 2. Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.”

8 De voorwaarden waaronder deze tegoeden kunnen worden bevroren, staan omschreven in de daaropvolgende leden van dit artikel.

9 Artikel 1, lid 1, onder a) en b), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, verbiedt de binnenkomst op of doorreis via het grondgebied van de lidstaten van natuurlijke personen die beantwoorden aan criteria die in wezen identiek zijn aan die van artikel 2, lid 1, onder a) en d), van dit besluit.

10 Verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2022/330 van de Raad van 25 februari 2022 (PB 2022, L 51, blz. 1), voorziet in de vaststelling van maatregelen tot bevriezing van tegoeden en bepaalt de nadere voorwaarden van deze bevriezing in bewoordingen die in wezen gelijkluidend zijn aan die van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329. Zo bevat artikel 3, lid 1, onder a), en d), van die verordening in wezen dezelfde criteria als artikel 2, lid 1, onder a), en d), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329 [hierna: „criterium a)”, respectievelijk „criterium d)”].

Aanvankelijke plaatsing van verzoeksters naam op de lijsten van de beperkende maatregelen en handhaving daarvan tot 13 maart 2023

11 Op 8 april 2022 heeft de Raad, gelet op de ernst van de situatie in Oekraïne, besluit (GBVB) 2022/582 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 110, blz. 55) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/581 tot uitvoering van verordening nr. 269/2014 (PB 2022, L 110, blz. 3) vastgesteld.

12 Overweging 7 van besluit 2022/582 luidde als volgt: „Gezien de ernst van de situatie is de Raad van oordeel dat beperkende maatregelen op moet worden gelegd aan vooraanstaande zakenlieden in economische sectoren die een belangrijke inkomstenbron vormen voor, en aan personen die steun verlenen aan, of profiteren van, de regering van de Russische Federatie en aan met die personen verbonden natuurlijke personen, met inbegrip van familieleden die hier onterecht voordeel bij hebben.”

13 Op basis van WK‑dossier 5055/22 (hierna: „oorspronkelijke WK‑dossier”) is de naam van verzoekster bij deze handelingen onder nummer 903 toegevoegd aan de lijst die als bijlage is opgenomen bij besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en, opnieuw onder nummer 903, aan de lijst in bijlage I bij verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330 (hierna: „litigieuze lijsten”), en wel om de volgende redenen: „Elena [Petrovna] Timchenko is de echtgenote van miljardair Gennady Timchenko, die op de lijst is geplaatst bij besluit 2014/145 [...]. | Zij is betrokken bij zijn publieke activiteiten via de Timchenko Foundation. Zij profiteert derhalve van Gennady Timchenko, die verantwoordelijk is voor het verlenen van steun aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en voor het verlenen van financiële en materiële steun aan, en het profiteren van, Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”

14 Op 11 april 2022 is in het Publicatieblad van de Europese Unie een kennisgeving aan de personen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan de beperkende maatregelen van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/582, en van verordening nr. 269/2014, zoals uitgevoerd bij uitvoeringsverordening 2022/581 gepubliceerd (PB 2022, C 157, blz. 11).

15 Op 14 september 2022 heeft de Raad besluit (GBVB) 2022/1530 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 239, blz. 149) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/1529 tot uitvoering van verordening nr. 269/2014 (PB 2022, L 239, blz. 1) vastgesteld, waarbij de beperkende maatregelen waaraan verzoekster was onderworpen zijn gehandhaafd.

16 Verzoekster heeft tegen de besluiten 2022/582 en 2022/1530 en de uitvoeringsverordeningen 2022/581 en 2022/1529 beroep ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer T‑361/22 en bij arrest van 6 september 2023, Timchenko/Raad (T‑361/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:502) is verworpen.

17 Op 22 december 2022 heeft de Raad verzoekster meegedeeld dat hij haar naam op de litigieuze lijsten wenste te handhaven. Daarnaast heeft hij haar WK‑dossier 17719/2022 INIT (hierna: „WK‑handhavingsdossier 1”) toegezonden.

18 Verzoekster heeft in een tot de Raad gerichte brief van 20 januari 2023 haar opmerkingen kenbaar gemaakt over deze wens om haar naam op de litigieuze lijsten te handhaven.

19 Bij brief van 6 februari 2023 heeft de Raad verzoekster in kennis gesteld van zijn voorgenomen besluit om haar naam op de litigieuze lijsten te handhaven en haar de ontwerpmotivering van deze handhavingsmaatregelen toegezonden, vergezeld van het bijbehorende bewijsdossier, te weten WK‑dossier 1326/2023 INIT (hierna: „WK‑handhavingsdossier 2”).

20 Naar aanleiding van deze brief heeft verzoekster op 15 februari 2023 haar opmerkingen bij de Raad kenbaar gemaakt. De Raad heeft diezelfde dag nog geantwoord en bevestigd dat hij de maatregelen waaraan zij was onderworpen wenste te handhaven op basis van een motivering die verschilde van de vorige.

21 Op 2 maart 2023 heeft verzoekster haar opmerkingen bij de Raad kenbaar gemaakt.

Vaststelling van de bestreden handelingen

22 Op 13 maart 2023 heeft de Raad de bestreden handelingen vastgesteld, waarbij verzoeksters naam onder nummer 903 is gehandhaafd op de litigieuze lijsten om de volgende redenen: „Elena [Petrovna] Timchenko is de vrouw van Gennady [Nikolayevich] Timchenko, die al sinds lange tijd een goede vriend van Vladimir Putin en een van zijn vertrouwelingen is. Zij verricht samen met haar echtgenoot zakelijke activiteiten via het vastgoedbedrijf Sci Ruth en het bedrijf Maples S.A., en verkreeg samen met haar echtgenoot onroerend goed, waaruit blijkt dat er sprake is van nauwe vermogensbanden tussen hen. Daarnaast neemt zij deel aan de belangenvertegenwoordiging van haar echtgenoot via de Timchenko Foundation, die zij samen met haar echtgenoot heeft opgericht en waarin zij een belangrijke rol speelt en nauw verbonden is met haar echtgenoot. Bovendien verricht deze stichting een deel van haar activiteiten in het kader van de investeringsgroep Volga Group, die een aanzienlijke bijdrage levert aan de economie van Rusland en haar ontwikkeling, en is opgericht door Gennady [Nikolayevich] Timchenko, een van haar aandeelhouders. Elena [Petrovna] Timchenko profiteert dus van haar echtgenoot, met name wat betreft sociale positie en in financieel opzicht. Zij is derhalve verbonden met Gennady [Nikolayevich] Timchenko, die is opgenomen op de lijst van besluit 2014/145 [...] omdat hij, onder andere, verantwoordelijk is voor het verlenen van steun aan acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen en voor het verlenen van financiële en materiële steun aan, en het profiteren van, Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”

23 Op 14 maart 2023 heeft de Raad verzoekster meegedeeld dat hij de bestreden handelingen had vastgesteld, en heeft hij gereageerd op haar brieven van 31 oktober 2022, 20 januari, 15 februari en 2 maart 2023.

24 Op 23 maart 2023 heeft verzoekster de Raad erop gewezen dat de Franse taalversie van de in punt 22 van dit arrest uiteengezette motivering, in tegenstelling tot de andere taalversies, de suggestie wekte dat zij profijt trok van Russische besluitvormers, hetgeen niet het geval was.

Procedure en conclusies van partijen

25 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden handelingen nietig te verklaren; – de Raad te veroordelen haar 1000000 euro ter vergoeding van de door haar geleden immateriële schade te betalen; – de Raad te verwijzen in de kosten.

26 De Raad, daarin ondersteund door de Europese Commissie, verzoekt het Gerecht: – het beroep in zijn geheel te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

I. In rechte

Vordering tot nietigverklaring

27 Tot staving van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan. Het eerste middel betreft een kennelijke beoordelingsfout, het tweede middel betreft schending van de motiveringsplicht, het derde middel betreft schending van het recht om te worden gehoord, het vierde middel is ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, het vijfde middel heeft betrekking op schending van het in artikel 21 VWEU neergelegde fundamentele recht op vrij verkeer, van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en van de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, en het zesde middel ten slotte betreft schending van het eigendomsrecht, van artikel 52, lid 1, van het Handvest, van de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben en van het recht op privacy.

Tweede middel: schending van de motiveringsplicht

28 Met haar tweede middel betoogt verzoekster in wezen dat de aan de bestreden handelingen ten grondslag liggende redengeving onvoldoende is toegelicht en dus in strijd is met artikel 296, tweede alinea, VWEU.

29 Met name wat haar betrokkenheid bij Ruth en Maples aangaat, stelt zij dat de Raad de in het WK‑dossier handhaving 2 opgenomen gegevens niet heeft bekendgemaakt, zodat zij niet in staat is de precieze feiten te kennen waarop de overtuiging van de Raad is gegrond.

30 Zij onderstreept dat het loutere bestaan van onroerend goed en vermogensbanden op zich niet volstaat als bewijs van haar verbondenheid. Zij voegt hieraan toe dat de Raad niet aantoont hoe zij, in haar hoedanigheid van oprichtster en door haar betrokkenheid bij de activiteiten van de stichting die zij samen met haar echtgenoot in het leven heeft geroepen (hierna: „Timchenko Foundation”), zou profiteren van het verbeterde imago van haar echtgenoot.

31 Tot slot betoogt zij dat de Raad niet specifiek heeft gemotiveerd waarom hij heeft gemeend haar tegoeden te moeten bevriezen of haar de toegang tot en de doorreis via het grondgebied van de lidstaten van de Unie te moeten ontzeggen. De Raad zou evenmin hebben uiteengezet om welke redenen met deze beperkingen druk zou kunnen worden uitgeoefend op de Russische autoriteiten.

32 De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, bestrijdt dit betoog.

33 Volgens de rechtspraak dient de verplichting om een bezwarende handeling te motiveren, die een logisch uitvloeisel is van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, er enerzijds toe om de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid voor de Unierechter kan worden betwist, en anderzijds de Unierechter in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 De door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin zij is vastgesteld. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. In het bijzonder is het niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, noch dat daarin op gedetailleerde wijze wordt geantwoord op de opmerkingen die de betrokkene tijdens zijn raadpleging vóór de vaststelling van dezelfde handeling heeft gemaakt, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Bijgevolg is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregelen kan begrijpen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 De mate van nauwkeurigheid waarmee een handeling moet worden gemotiveerd, hangt dus af van de praktische mogelijkheden en de technische omstandigheden en van de termijn waarbinnen zij tot stand moet komen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 In de rechtspraak is uiteengezet dat de motivering van een handeling van de Raad waarbij een beperkende maatregel wordt opgelegd, niet alleen de rechtsgrondslag van die maatregel dient aan te geven, maar ook de specifieke en concrete redenen waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (zie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad,T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 Bovendien zij eraan herinnerd dat de verplichting om een handeling te motiveren een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de betrokken handeling betreft (zie in die zin arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67). De motivering van een handeling houdt immers in dat de gronden waarop deze handeling berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien die gronden berusten op vergissingen, tasten deze de inhoudelijke rechtmatigheid van de handeling aan, maar niet de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist (zie arrest van 18 juni 2015, Ipatau/Raad,C‑535/14 P, EU:C:2015:407, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 In casu moet worden onderstreept dat zowel besluit 2014/145 als verordening nr. 269/2014 de rechtsgrondslag vermeldt waarop deze handelingen berusten, te weten artikel 29 VEU, respectievelijk artikel 215 VWEU. Bovendien zij opgemerkt dat de algemene context naar aanleiding waarvan de Raad de bestreden handelingen heeft vastgesteld, is uiteengezet in de overwegingen van de bestreden handelingen.

39 Bovendien blijkt uit een lezing van de motivering van de bestreden handelingen dat deze handelingen zijn vastgesteld omdat de Raad van oordeel was dat verzoekster via de ondernemingen Ruth en Maples en de Timchenko Foundation en door diverse vastgoedaankopen die zij samen met haar echtgenoot, de heer Timchenko had gedaan, met hem was verbonden. Volgens deze motivering steunt de echtgenoot van verzoekster acties en beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne bedreigen en verleent hij daarnaast materiële en financiële steun aan, en profiteert hij van Russische besluitvormers die die acties en beleidsmaatregelen uitvoeren. Dit betekent volgens de Raad dat de echtgenoot van verzoekster voldoet aan de criteria a) en d).

40 Hieruit volgt dat verzoekster uit de motivering van de bestreden handelingen niet alleen kon opmaken op welke rechtsgrondslag deze handelingen berustten, maar ook op basis van welke specifieke en concrete redenen de Raad heeft geoordeeld dat zij was verbonden met haar echtgenoot, die zelf aan de voorwaarden van de criteria a) en d) voldoet en om die reden op de litigieuze lijsten is geplaatst.

41 Met betrekking tot het betoog dat in de in punt 22 van dit arrest uiteengezette redengeving niet wordt gepreciseerd waarom de Raad heeft gemeend de tegoeden en economische middelen van verzoekster te moeten bevriezen en haar bewegingsvrijheid binnen de Unie te moeten beperken, zij opgemerkt dat uit overweging 4 van besluit 2014/145 en de overwegingen 3 en 4 van verordening nr. 269/2014 blijkt dat de Unie, gelet op de verslechtering van de situatie in Oekraïne, heeft besloten dergelijke maatregelen met name vast te stellen ten aanzien van, onder meer, personen die zijn verbonden met degenen die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen. Dit volstond om verzoekster in staat te stellen de redenen te begrijpen waarom de Raad had besloten haar dergelijke beperkingen op te leggen.

42 Bovendien komen de door verzoekster geuite grieven dat de Raad niet aantoont hoe de toepassing van de ten aanzien van haar vastgestelde maatregelen ervoor kan zorgen dat de doelstellingen worden bereikt die deze instelling met besluit 2014/145 en verordening nr. 269/2014 nastreeft, en dat zij niet kan weten welke zienswijze de Raad heeft ten aanzien van de ondernemingen Ruth en Maples, erop neer dat de rechtvaardiging van de litigieuze maatregelen wordt betwist, hetgeen de gegrondheid en niet de formele motivering van deze maatregelen betreft.

43 Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel moet worden afgewezen.

Derde middel: schending van het recht om te worden gehoord

44 Met haar derde middel verwijt verzoekster de Raad dat haar recht om te worden gehoord niet is geëerbiedigd en, integendeel, juist door de Raad is geïnstrumentaliseerd.

45 Verzoekster voert daartoe aan dat de Raad geen rekening heeft gehouden met de argumenten die zij naar aanleiding van de voorgenomen verlengingen van de beperkende maatregelen naar voren heeft gebracht in haar brieven van 20 januari, 15 februari en 2 maart 2023.

46 In repliek stelt verzoekster dat de Raad niet aantoont dat hij haar opmerkingen en verzoeken om heroverweging heeft toegezonden aan alle delegaties van deze instelling. Indien deze delegaties op de hoogte waren geweest van deze opmerkingen, zou zij niet het voorwerp zijn geweest van de bestreden handelingen waarbij haar naam op de litigieuze lijsten is gehandhaafd.

47 De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, bestrijdt dit betoog.

48 In dit verband zij opgemerkt dat het in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest verankerde recht om in elke procedure te worden gehoord, integraal deel uitmaakt van de eerbiediging van de rechten van de verdediging en waarborgt dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden (zie in die zin arresten van 11 december 2014, Boudjlida,C‑249/13, EU:C:2014:2431, punten 34 en 36, en 18 juni 2020, Commissie/RQ,C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punten 65 en 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49 In het kader van een procedure tot vaststelling van het besluit om de naam van een persoon op een lijst in een bijlage bij een handeling houdende beperkende maatregelen te plaatsen of te handhaven, vereist de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming dat de bevoegde autoriteit van de Unie aan de betrokkene de elementen meedeelt waarover zij tegen die persoon beschikt om haar besluit op te baseren, zodat die persoon zijn rechten onder de best mogelijke omstandigheden kan verdedigen en met volledige kennis van zaken kan beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de Unierechter te wenden. Bij die mededeling moet de bevoegde autoriteit van de Unie die persoon de mogelijkheid bieden zijn standpunt over de tegen hem in aanmerking genomen redenen naar behoren kenbaar te maken (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 111 en 112; zie in die zin ook arrest van 12 december 2006, Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad, T‑228/02, EU:T:2006:384, punt 93).

50 Artikel 52, lid 1, van het Handvest laat echter toe dat de uitoefening van de daarin vervatte rechten wordt beperkt, voor zover die beperking de wezenlijke inhoud van het betrokken grondrecht eerbiedigt en zij, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk is en daadwerkelijk strookt met door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang (zie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51 Daarnaast moet het bestaan van een schending van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van de betrokken handeling, de context waarbinnen die handeling is vastgesteld en de rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het recht om te worden gehoord vóór de vaststelling van handelingen tot handhaving van de naam van een persoon of entiteit op een lijst van personen en entiteiten waartegen de beperkende maatregelen zich richten, moet in acht worden genomen wanneer de Raad ten aanzien van de betrokken persoon in het besluit waarbij diens naam op de lijst wordt gehandhaafd, nieuwe gegevens in aanmerking neemt, te weten gegevens die niet voorkwamen in het oorspronkelijke besluit waarbij de betrokkene op die lijst is geplaatst (zie arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad,T‑163/18, EU:T:2020:57, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 7 april 2016, Central Bank of Iran/Raad,C‑266/15 P, EU:C:2016:208, punt 33).

52 Bovendien moet de bevoegde autoriteit van de Unie, wanneer de betrokkene opmerkingen over de motivering maakt, zorgvuldig en onpartijdig onderzoeken of de aangevoerde redenen gegrond zijn in het licht van die opmerkingen en van het eventueel daarbij gevoegde ontlastende bewijs (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 114).

53 In casu zij opgemerkt dat uit de elementen van het dossier blijkt dat de Raad, anders dan verzoekster stelt, haar brieven van 20 januari, 15 februari en 2 maart 2023 wel degelijk aan alle delegaties ervan heeft toegezonden.

54 Bovendien blijkt uit de brieven die de Raad aan verzoekster heeft gericht, waaronder met name de brief van 14 maart 2023, dat deze instelling, anders dan verzoekster stelt, de bezwaren tegen de handhaving van de maatregelen heeft onderzocht en daarop heeft gereageerd.

55 Voorts preciseert verzoekster niet in hoeverre de Raad niet op haar argumenten zou zijn ingegaan. Buitendien zij er nog aan herinnerd dat het recht om te worden gehoord niet inhoudt dat verzoekster in het gelijk moet worden gesteld (zie arrest van 14 september 2022, SŽ – Tovorni promet/Commissie, T‑575/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:551, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 Aangezien geen enkel van de door verzoekster aangevoerde elementen aantoont dat haar recht om te worden gehoord is geschonden, moet het derde middel worden afgewezen.

Eerste middel: kennelijke beoordelingsfout

57 Met haar eerste middel stelt verzoekster dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door in omstandigheden waarin volgens de rechtspraak het bestaan van een huwelijksband op zich niet toereikend is om van een verbondenheid tussen twee echtelieden te kunnen spreken, te oordelen dat zij met haar echtgenoot is verbonden.

58 Wat ten eerste de vermogensrechtelijke banden met haar echtgenoot betreft, stelt verzoekster dat de Raad zijn beweringen niet bewijst, hetzij omdat de betrokken ondernemingen niet langer actief zijn, hetzij omdat haar echtgenoot niet tot de vennoten ervan behoort.

59 Wat ten tweede haar rol binnen de Timchenko Foundation betreft, stelt verzoekster dat haar rol als lid van de raad van bestuur (Board of Trustees) impliceert dat zij slechts een toezichthoudende rol speelt en niet, zoals het Gerecht verklaart in het arrest van 6 september 2003, Timchenko/Raad (T‑361/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:502), dat zij rechtstreeks betrokken is bij de operationele activiteiten van die stichting. Bovendien behoort het oprichten van een stichting tot de normale activiteiten van een vermogend echtpaar. In casu speelt haar echtgenoot geen actieve rol in de Timchenko Foundation, zodat deze stichting op geen enkele wijze fungeert als een middel om zijn imago op te vijzelen en dat bij zijn publieke activiteiten moet worden ingezet.

60 In repliek handhaaft verzoekster haar standpunt hieromtrent.

61 In de eerste plaats betoogt zij dat de Timchenko Foundation verplicht is om met de Russische autoriteiten samen te werken teneinde te verzekeren dat de activiteiten ten behoeve van de kwetsbare bevolkingsgroepen die de stichting tracht te beschermen, doeltreffend zijn. Uit hetzelfde oogmerk van doeltreffendheid en in het streven om synergieën tot stand te brengen vervullen de leden van de stichting, op vrijwillige basis, adviesfuncties bij openbare lichamen van de Russische Federatie.

62 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat, gesteld al dat de Raad heeft aangetoond dat de Timchenko Foundation haar echtgenoot een bepaald imago verleent, hij daarentegen verzuimt aan te tonen hoe een dergelijk imago hem zowel in zijn privéleven als zijn beroepsleven tot voordeel zou strekken.

63 In de derde plaats stelt verzoekster dat het Gerecht in het arrest van 6 september 2023, Timchenko/Raad (T‑361/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:502), een te ruime uitlegging aan het begrip „verbondenheid” heeft gegeven, terwijl het dit begrip veel strenger heeft uitgelegd in het arrest van 6 september 2023, Pumpyanskaya/Raad (T‑272/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:491).

64 In de vierde plaats betoogt verzoekster met betrekking tot de stelling van de Raad dat het belang van de vermogensbanden en het familiebeheer van de eigendommen aantonen dat er sprake is van verbondenheid omdat vele Russische miljardairs gebruik maken van diverse juridische constructies om de beperkende maatregelen te omzeilen, dat de redenering van de Raad neerkomt op het scheppen van een vermoeden van omzeiling. Een dergelijk vermoeden is niet mogelijk, omdat besluit 2014/145 daarin niet uitdrukkelijk voorziet.

65 De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, betwist dit betoog.

66 Allereerst zij opgemerkt dat het eerste middel aldus moet worden opgevat dat het betrekking heeft op een beoordelingsfout in plaats van op een kennelijke beoordelingsfout. De Raad beschikt namelijk weliswaar over een zekere beoordelingsbevoegdheid om per geval te bepalen of is voldaan aan de juridische criteria waarop de betrokken beperkende maatregelen zijn gebaseerd, doch dit neemt niet weg dat de rechterlijke instanties van de Unie de rechtmatigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig moeten toetsen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Voorts zij eraan herinnerd dat de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest onder meer vereist dat de Unierechter zich ervan vergewist dat het besluit tot vaststelling of handhaving van beperkende maatregelen, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon of entiteit, op een voldoende solide feitelijke grondslag berust. Dat betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119, en 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 122).

68 Het staat aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon of entiteit in aanmerking genomen redenen gegrond zijn en niet aan laatstbedoelde om het negatief bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 121, en 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 123).

69 Bij de beoordeling van de gegrondheid van deze redenen moeten de bewijzen en de informatie bovendien niet afzonderlijk, maar in hun context worden onderzocht. De Raad voldoet namelijk aan de op hem rustende bewijslast indien hij de Unierechter een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan het bestaan van een toereikend verband tussen de aan een maatregel tot bevriezing van tegoeden onderworpen persoon en het regime of, in het algemeen, de bestreden situaties kan worden vastgesteld (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70 Bovendien zijn beperkende maatregelen bewarend en, per definitie, voorlopig van aard; hun geldigheid hangt altijd af van de vraag of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, nog steeds bestaan, en of de handhaving van de maatregelen vereist is voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel. Hieruit volgt dat het bij de periodieke heroverweging van deze beperkende maatregelen aan de Raad staat om een geactualiseerde beoordeling van de situatie te maken en een balans op te maken van het effect van dergelijke maatregelen, teneinde te bepalen of zij de door de initiële plaatsing van de namen van de betrokken personen en entiteiten op de litigieuze lijsten beoogde doelstellingen hebben kunnen verwezenlijken en of met betrekking tot deze personen en entiteiten nog steeds dezelfde conclusie kan worden getrokken (zie arrest van 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71 Het is de Raad niet verboden om zich ter rechtvaardiging van de handhaving van de naam van een persoon op de litigieuze lijsten te baseren op dezelfde bewijzen als die welke de aanvankelijke plaatsing, de hernieuwde plaatsing of de eerdere handhaving van de naam van de betrokken persoon op die lijsten rechtvaardigden, mits, ten eerste, de redenen voor plaatsing ongewijzigd blijven en, ten tweede, de context niet zodanig is gewijzigd dat die bewijzen achterhaald zijn. Deze context bestaat niet alleen uit de situatie van het land ten aanzien waarvan het stelsel van beperkende maatregelen is ingesteld, maar ook uit de specifieke situatie van de betrokken persoon. Bovendien wordt de handhaving op de litigieuze lijsten gerechtvaardigd in het licht van alle relevante omstandigheden, waaronder met name het feit dat de met de beperkende maatregelen beoogde doelstellingen niet zijn bereikt (zie in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 169 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 In een dergelijke context kan de Raad besluiten de namen van de betrokken personen op de litigieuze lijsten te handhaven op basis van redenen die betrekking hadden op feiten in het verleden en die waren aangevoerd in eerdere besluiten die hen betroffen, mits deze handhaving gerechtvaardigd blijft in het licht van alle relevante omstandigheden, waaronder met name het feit dat de met de beperkende maatregelen beoogde doelstellingen niet zijn bereikt (zie naar analogie arrest van 8 maart 2023, Mutondo/Raad, T‑94/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:120, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73 In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat het Gerecht in het vandaag gewezen arrest in de zaak Timchenko/Raad (T‑297/23) het beroep heeft verworpen dat Gennady Timchenko onder meer had ingesteld tegen besluit 2023/572 en uitvoeringsverordening 2023/571, bij welke handelingen zijn naam op basis van de criteria a) en d) op de litigieuze lijsten is geplaatst.

74 Bovendien zij onderstreept dat het begrip „verbonden” weliswaar frequent wordt gehanteerd in de besluiten van de Raad betreffende beperkende maatregelen, doch dat het als zodanig niet wordt gedefinieerd, zodat de betekenis ervan afhangt van de context en de omstandigheden waarin het wordt gebezigd. Niettemin kan worden aangenomen dat het gaat om natuurlijke of rechtspersonen die in het algemeen door gemeenschappelijke belangen zijn verbonden, zonder dat er evenwel een band uit hoofde van een economische activiteit is vereist. Het begrip „verbonden” in de relevante bepalingen van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330, kan derhalve aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op elke natuurlijke of rechtspersoon of elke entiteit die een band heeft – die verder moet gaan dan de familierelatie – met iemand die aan beperkende maatregelen is onderworpen wegens, zoals in casu, het verlenen van financiële steun aan of het profiteren van Russische besluitvormers die verantwoordelijk zijn voor de invasie in Oekraïne of wegens het verlenen van steun aan acties en beleidsmaatregelen die de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (zie arrest van 6 september 2023, Timchenko/Raad, T‑361/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:502, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75 Wat meer specifiek verzoekster aangaat, moet worden opgemerkt dat de Raad zich ter rechtvaardiging van de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten baseert op de stukken in het oorspronkelijke WK‑dossier, het WK‑dossier handhaving 1 en het WK‑dossier handhaving 2, en in het bijzonder op de volgende stukken: – bewijsstuk 2 van het oorspronkelijke WK‑dossier, te weten een ongedateerde screenshot van de pagina van de Timchenko Foundation op de website LinkedIn, waarvan de Raad kennis heeft genomen in maart 2022; – bewijsstuk 5 van het oorspronkelijke WK‑dossier, te weten een ongedateerde screenshot van een pagina van de website van de Timchenko Foundation, die door de Raad is geraadpleegd in maart 2022; – bewijsstuk 1 van het WK‑dossier handhaving 1, te weten een screenshot van een artikel uit Business Insider van maart 2022, waarvan de Raad kennis heeft genomen in november 2022.

76 Zowel uit bewijsstuk 1 van het WK‑dossier handhaving 1 als uit de bewijsstukken 2 en 5 van het oorspronkelijke WK‑dossier komt de betrokkenheid van de echtelieden Timchenko bij de Timchenko Foundation naar voren. Deze constatering wordt bevestigd door bewijsstuk 5 van het oorspronkelijke WK‑dossier, waaruit blijkt dat de echtelieden zich in het geheel niet afzijdig houden maar zich juist persoonlijk met de stichting bezighouden: zij hebben er immers voor gekozen om zichzelf aan het publiek voor te stellen bij de presentatie van de activiteiten van de stichting aan de bezoekers van deze website.

77 Verder is tijdens de debatten ter terechtzitting naar voren gekomen dat verzoekster nog steeds lid was van de raad van bestuur van de Timchenko Foundation en dat de statuten van deze stichting ten tijde van de vaststelling van de bestreden handelingen niet waren gewijzigd.

78 Dit betekent dat verzoekster door haar deelname aan de raad van bestuur van de stichting nog steeds betrokken is bij het beheer van deze stichting, los van het feit dat haar taak eruit zou bestaan om „toezicht te houden” op de activiteiten ervan. Bovendien hebben de echtelieden Timchenko als oprichtende leden van de Timchenko Foundation nog steeds aanzienlijke bevoegdheden binnen deze stichting, aangezien zij niet alleen informatie over de activiteiten ervan kunnen verkrijgen en de documenten ervan kunnen inzien, maar ook de leden van de raad van bestuur kunnen benoemen en ontslaan, een orgaan dat in de oprichtingsakte van de stichting wordt omschreven als het „hoogste orgaan”.

79 Hier komt nog bij dat Gennady Timchenko blijkens de bij het verzoekschrift gevoegde bijlage A. 28 net als zijn echtgenote op operationeel niveau volledig betrokken is bij de activiteiten van hun gelijknamige stichting, aangezien hij met name tijdens de gezondheidscrisis in verband met de COVID‑19-pandemie de ondernemingen van de Volga-groep heeft betrokken bij de activiteiten van de stichting door financiële, logistieke en relationele steun te verlenen in de vorm van onder meer het opzetten van luchtverbindingen met de Volksrepubliek China voor de aankoop en distributie van diverse medische benodigdheden voor rekening van deze stichting.

80 Het doet in dit verband niet ter zake dat deze acties hebben plaatsgevonden in de specifieke context van de COVID‑19-pandemie. Uit dit optreden blijkt namelijk juist dat Gennady Timchenko op operationeel niveau synergieën tussen de ondernemingen van zijn groep en de stichting tot stand brengt, in aanvulling op de activiteiten van de Russische overheidsdiensten. Bovendien moet worden geconstateerd dat Gennady Timchenko, die een van de belangrijkste zakenmannen van de Russische Federatie is, deze acties onder de aandacht van het Russische publiek brengt, ter meerdere glorie van zijn imago.

81 Deze elementen volstaan als bewijs dat er sprake is van verbondenheid in de zin van de relevante bepalingen van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2022/330, binnen een gemeenschappelijke juridische structuur doordat de echtelieden Timchenko, onder meer als oprichtende leden van de Timchenko Foundation, institutionele taken binnen die structuur vervullen en zich inzetten voor een goede werking ervan, vooral Gennady Timchenko, die daartoe de middelen aanwendt van de Volga Group, waarvan hij de enige aandeelhouder is.

82 Gelet op de in punt 74 van dit arrest aangehaalde rechtspraak is het in dit verband niet relevant dat de Timchenko Foundation geen winstoogmerk heeft en dat de activiteiten van de echtelieden Timchenko van vrijwillige aard zijn.

83 De deelname aan een structuur met de omvang van de Timchenko Foundation, die talrijke liefdadigheidsactiviteiten op het niveau van de Russische Federatie organiseert en, om dat doel te bereiken, reeds heeft geprofiteerd van de betrokkenheid van de ondernemingen van de Volga Group, is namelijk, ongeacht de omvang van het vermogen van de beide echtelieden, een deelneming die verder gaat dan een loutere familieband. Dit geldt des te meer omdat deze stichting bijdraagt aan een krachtig imago van de echtelieden, en van Gennady Timchenko in het bijzonder, in de Russische publieke opinie. Dit betekent dat de Timchenko Foundation niet louter als een liefdadigheidsinstrument kan worden beschouwd, maar ook een communicatietool ten dienste van het imago van de echtelieden Timchenko is, hetgeen verder gaat dan een loutere familierelatie.

84 Wat overweging 7 van besluit 2022/582 aangaat, volstaat de opmerking dat het begrip „verbonden” daarin is vastgesteld noch gewijzigd, zodat het niet als grondslag voor de uitlegging ervan kan dienen.

85 Wat verder de gestelde tegenstrijdigheid betreft tussen de arresten van 6 september 2023, Pumpyanskaya/Raad (T‑272/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:491), en 6 september 2023, Timchenko/Raad (T‑252/22, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:496), volstaat de opmerking dat de omstandigheden in het eerste arrest verschilden van de situatie van de echtelieden Timchenko, aangezien in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, de echtgenoot van de verzoekende partij geen concrete functie binnen de betrokken stichting bekleedde, hetgeen in casu anders ligt.

86 Gelet op deze overwegingen moet het eerste middel worden afgewezen.

Vijfde middel: schending van het fundamentele recht op vrij verkeer van verzoekster als Unieburger

87 Met haar vijfde middel stelt verzoekster dat de haar opgelegde beperkende maatregelen in strijd zijn met artikel 21 VWEU en met artikel 45, lid 1, en artikel 52, lid 1, van het Handvest.

88 Zij onderstreept dat het niet mogelijk is om op basis van artikel 29 VEU de werkingssfeer van artikel 21 VWEU, betreffende het vrije verkeer van Unieburgers, te beperken, omdat een daartoe strekkende specifieke bepaling ontbreekt.

89 Verzoekster onderbouwt dit met de stelling dat, anders dan reeds is geoordeeld in het arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad (T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926), beperkende maatregelen die krachtens artikel 29 VEU zijn vastgesteld, niet kunnen worden beschouwd als een lex specialis en niet mogen afwijken van de wettelijke bepalingen die krachtens artikel 21 VWEU zijn vastgesteld, waaronder met name richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77), waarvan artikel 27 bepaalt dat het vrije verkeer uitsluitend om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel mag worden beperkt.

90 Verder betoogt zij dat uit een analyse van de wetgeving van verschillende staten van de Unie naar voren komt dat de lidstaten een constitutionele traditie gemeen hebben die inhoudt dat het vrije verkeer alleen om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid en onder strikt rechterlijk toezicht mag worden beperkt.

91 Verzoekster concludeert dat de tegenstrijdigheid tussen de praktijk van de Unie en deze gemeenschappelijke constitutionele traditie impliceert dat de bestreden handelingen in strijd zijn met artikel 21 VWEU en met de artikelen 45 en 52 van het Handvest.

92 De Raad bestrijdt dit betoog.

93 Om te beginnen moet erop worden gewezen dat verzoekster ter terechtzitting heeft verklaard en bevestigd dat zij geen exceptie van onwettigheid heeft opgeworpen ten aanzien van artikel 1 van besluit 2014/145, voor zover daarin is bepaald dat de lidstaten het betreden van hun grondgebied dienen te verbieden aan personen die aan beperkende maatregelen zijn onderworpen, doch dat zij de rechtmatigheid van de tegen haar getroffen maatregelen heeft betwist omdat zij, onder meer, niet strookten met het evenredigheidsbeginsel.

94 Opgemerkt zij dat het in artikel 45, lid 1, van het Handvest verankerde recht om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven overeenkomstig artikel 52, lid 2, van het Handvest wordt uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door de Verdragen zijn gesteld. Zoals uit de toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17) blijkt, is het in artikel 45, lid 1, van het Handvest gewaarborgde recht het recht dat door artikel 20, lid 2, onder a), VWEU wordt gewaarborgd. De omvang van dit recht wordt nader afgebakend in artikel 21 VWEU.

95 Volgens artikel 21, lid 1, VWEU wordt het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, uitgeoefend onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Dit voorbehoud in de tweede zinsnede van artikel 21, lid 1, VWEU verwijst naar Verdragen in het meervoud en dus ook naar het VEU en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen. Hieruit volgt dat de uitoefening van het in artikel 45, lid 1, van het Handvest verankerde recht van Unieburgers op vrij verkeer en verblijf kan worden beperkt door besluiten die onderdeel vormen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en die worden vastgesteld op basis van artikel 29 VEU, zoals besluit 2023/572 (zie in die zin en naar analogie, arresten van 5 november 2014, Mayaleh/Raad,T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punten 195 en 196, en 4 december 2015, Sarafraz/Raad, T‑273/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:939, punten 194 en 195).

96 In dit verband zij opgemerkt dat artikel 29 VEU, dat in ruime bewoordingen is gesteld, de Raad op het gebied van het GBVB de bevoegdheid toekent om besluiten vast te stellen waarin de aanpak van de Unie wordt bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard waarmee de in artikel 21, lid 2, VEU genoemde doelstellingen worden nagestreefd, ook als dit leidt tot een beperking van het vrije verkeer van de Unieburgers op het grondgebied van lidstaten waarvan zij geen onderdaan zijn. Dit betekent dat deze vrijheid op grond van het bepaalde in dit artikel kan worden beperkt om andere redenen dan die waarin richtlijn 2004/38 voorziet.

97 Dit is in casu het geval, aangezien met de betrokken beperkende maatregelen beoogd wordt druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten, zodat een einde komt aan hun acties en beleidsmaatregelen die Oekraïne destabiliseren. Dit is namelijk een doelstelling die valt onder de doelstellingen die worden nagestreefd in het kader van het GBVB en die worden bedoeld in artikel 21, lid 2, onder b) en c), VEU, zoals de consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationaal recht, en de handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten, versterking van de internationale veiligheid en bescherming van de burgerbevolking (zie in die zin en naar analogie, arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad,T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 176).

98 Om te stroken met het Unierecht moeten de beperkingen die aan de uitoefening van de in artikel 45, lid 1, van het Handvest verankerde rechten worden gesteld echter voldoen aan de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest, hetgeen betekent dat zij bij wet moeten worden gesteld, de wezenlijke inhoud van die rechten moeten eerbiedigen, een als zodanig door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang moeten nastreven en niet onevenredig mogen zijn. Dit geldt ook voor de in het Handvest erkende rechten die voorkomen in bepalingen van de Verdragen (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, Delvigne,C‑650/13, EU:C:2015:648, punt 46, en conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Agenzia delle dogane e dei monopoli en Ministero dell’Economia e delle Finanze, C‑452/20, EU:C:2021:855, punt 60). Beperkingen die in het kader van de uitvoering van het GBVB aan de uitoefening van het in artikel 45, lid 1, van het Handvest verankerde recht worden gesteld, moeten derhalve aan deze voorwaarden voldoen.

99 In casu zijn de uit besluit 2023/572 voortvloeiende beperkingen van het recht van verzoekster om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen ten eerste „bij wet gesteld”, aangezien zij zijn ingebed in een handeling die onder meer van algemene strekking is, te weten besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en zij een duidelijke rechtsgrondslag in het Unierecht hebben, namelijk artikel 29 VEU.

100 Wat ten tweede de vraag betreft of de hierboven in punt 99 bedoelde beperkingen de „wezenlijke inhoud” van verzoeksters recht van vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten eerbiedigen, moet worden gekeken naar de aard en de omvang van de betrokken beperkende maatregelen (zie in die zin en naar analogie, arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad,T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 153).

101 In dit verband moet worden geconstateerd dat de hierboven in punt 99 bedoelde beperkingen de „wezenlijke inhoud” van verzoeksters recht om zich vrijelijk op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen eerbiedigen. In de eerste plaats nemen deze beperkingen namelijk overeenkomstig artikel 1, lid 2, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, het internationaalrechtelijke beginsel in acht dat een staat zijn eigen onderdanen de toegang tot en het verblijf op zijn grondgebied niet mag ontzeggen. Voorts worden de litigieuze lijsten krachtens artikel 6 van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, periodiek herzien, zodat de namen van personen die niet langer aan de aanwijzingscriteria voldoen, worden geschrapt. Tot slot doen die beperkingen geen afbreuk aan dat recht als zodanig, aangezien als gevolg van die beperkingen bepaalde personen in specifieke omstandigheden en wegens hun individuele situatie tijdelijk worden beperkt in de uitoefening van hun recht op vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten, mits nog steeds wordt voldaan aan voornoemde voorwaarden (zie in die zin en naar analogie, arrest van 6 oktober 2015, Delvigne,C‑650/13, EU:C:2015:648, punt 48).

102 In de derde plaats wordt met de hierboven in punt 99 bedoelde beperkingen beoogd druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten, zodat een einde komt aan hun acties en beleidsmaatregelen die Oekraïne destabiliseren. Dit is een doelstelling van algemeen belang die valt onder de doelstellingen die worden nagestreefd in het kader van het GBVB en worden bedoeld in artikel 21, lid 2, onder b) en c), VEU, zoals de consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationaal recht, en de handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten, versterking van de internationale veiligheid en bescherming van de burgerbevolking (zie naar analogie arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad,T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 176).

103 In de vierde plaats moet, wat het evenredigheidsbeginsel betreft, in herinnering worden gebracht dat dit als algemeen beginsel van het Unierecht vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd. Wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, moet dus die maatregel worden gekozen die de minste belasting met zich brengt, en mogen de veroorzaakte nadelen niet onevenredig zijn aan de nagestreefde doeleinden (zie arrest van 30 november 2016, Rotenberg/Raad,T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 178 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

104 Met betrekking tot de noodzaak van de in punt 99 hierboven bedoelde beperkingen moet worden geconstateerd dat verzoekster verzuimd heeft aan te tonen dat de Raad maatregelen had kunnen vaststellen die minder beperkend maar net zo adequaat waren als de daadwerkelijke vastgestelde maatregelen. Verder gaat de toepassing van de betrokken beperkende maatregelen gepaard met een vrijstellingsregeling overeenkomstig artikel 1, lid 6, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, inhoudend dat de lidstaten vrijstellingen van de opgelegde maatregelen kunnen verlenen wanneer iemand, onder meer, dient te reizen op grond van dringende humanitaire noden.

105 Bovendien moet worden geoordeeld dat, hoewel de negatieve gevolgen die verzoekster als gevolg van de toepassing van de betrokken beperkende maatregelen zegt te ondervinden zeker worden erkend, de in punt 99 van dit arrest bedoelde beperkingen niet kennelijk buitensporig zijn, gelet op het belang van de doelstellingen die ermee worden nagestreefd (zie in die zin en naar analogie, arrest van 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad,T‑390/08, EU:T:2009:401, punt 71).

106 Onderstreept moet worden dat de omstandigheid dat verzoekster wegens de haar opgelegde beperking van de vrijheid van verkeer niet kan beschikken over de onroerende zaken die zij in de Unie bezit, niet onevenredig is in verhouding tot de doeleinden die met deze maatregelen worden nagestreefd (zie in die zin en naar analogie, arrest van 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad,T‑390/08, EU:T:2009:401, punt 71).

107 Bovendien moet worden opgemerkt dat de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, anders dan verzoekster stelt, geen recht van de Unieburgers kennen om zich vrij te verplaatsen op het grondgebied van een andere staat dan die waarvan zij onderdaan zijn. Verzoekster kan dan ook niet met succes aanvoeren dat deze tradities de bevoegdheid van de Raad inperken om in het kader van het GBVB de vrijheid van verkeer van de burgers te beperken om andere redenen dan de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid.

108 Hieruit volgt dat de beperkingen van het recht van verzoekster om zich vrijelijk op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en daar te verblijven, voldoen aan de daartoe in de Verdragen gestelde voorwaarden.

109 Gelet op het voorgaande moet het vijfde middel worden afgewezen.

Zesde middel: schending van de artikelen 7 en 17 van het Handvest wat betreft het eigendomsrecht en het recht op eerbiediging van het privéleven en de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben

110 Met haar zesde middel voert verzoekster aan dat de beperkende maatregelen waaraan zij is onderworpen, in strijd zijn met de artikelen 7 en 17 van het Handvest, die het eigendomsrecht en het recht op eerbiediging van het privéleven beschermen.

111 Zij onderstreept dat de aantasting van het eigendomsrecht nog ernstiger is geworden doordat de Raad bij verordening (EU) 2022/1273 van 21 juli 2022 tot wijziging van verordening nr. 269/2014 (PB 2022, L 194, blz. 1) een nieuw artikel 9 in verordening nr. 269/2014 heeft opgenomen, krachtens de leden 2 en 3 waarvan personen wier naam op de litigieuze lijsten is geplaatst verplicht zijn om tegoeden of economische middelen die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen en die hun toebehoren, hun eigendom zijn, waarvan zij in het bezit zijn of die onder hun zeggenschap staan, te melden en het achterwege laten van een dergelijke melding wordt aangemerkt als een omzeiling van de beperkende maatregelen.

112 Verzoekster wijst erop dat de toepassing van het bepaalde in artikel 9, lid 2, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1273, gecombineerd met het bepaalde in artikel 15, lid 1, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2022/880 van de Raad van 3 juni 2022 (PB 2022, L 153, blz. 75), een risico op confiscatie van haar eigendommen en bezittingen creëert.

113 Volgens haar vormt de aantasting door de beperkende maatregelen van haar eigendomsrecht, gelet op de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, een onrechtmatige inmenging.

114 Zij voert daartoe aan dat de nationale rechtsstelsels de bevriezing van eigendommen en bezittingen slechts toestaan voor zover er een causaal verband bestaat tussen het persoonlijke gedrag van de betrokkene en de bevroren eigendommen en bezittingen, hetgeen bijvoorbeeld het geval kan zijn wanneer bepaalde activa het plegen van een strafbaar feit mogelijk hebben gemaakt of de opbrengst van dat strafbare feit vormen.

115 Zij voert daarnaast nog aan dat de beperkende maatregelen waaraan zij is onderworpen haar reputatie schaden en dus een schending opleveren van het recht op eerbiediging van haar privéleven. Zij voert daartoe aan dat zij met de handelingen van haar echtgenoot in verband is gebracht en in de publieke opinie wordt geassocieerd met acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, terwijl er geen verband bestaat tussen haarzelf en de situaties waartegen de Unie wil optreden.

116 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoekster geen exceptie van onwettigheid opwerpt ten aanzien van de bepalingen van verordening nr. 269/2014 en besluit 2014/145 die voorzien in de bevriezing van de eigendommen en bezittingen van personen wier naam op de litigieuze lijsten is geplaatst en in vrijstellingen van deze maatregelen tot bevriezing van tegoeden. Evenmin werpt zij een exceptie van onwettigheid op ten aanzien van het bepaalde in artikel 9, lid 2, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1273, gecombineerd met het bepaalde in artikel 15, lid 1, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2022/880.

117 Aangezien verzoekster niet bij wege van exceptie van onwettigheid tegen voornoemde bepalingen is opgekomen, kan het Gerecht de beperkende maatregelen waaraan zij is onderworpen, niet ongeldig verklaren op grond dat de bepalingen waarop deze maatregelen zijn gebaseerd, onrechtmatig zouden zijn.

118 Wat voorts de stelling aangaat dat de betrokken beperkende maatregelen inbreuk maken op het recht op eerbiediging van het privéleven en het eigendomsrecht, moet worden vastgesteld dat deze maatregelen bewarende maatregelen zijn die niet worden geacht de betrokkenen deze rechten, die zijn neergelegd in artikel 7, respectievelijk artikel 17 van het Handvest, te ontnemen. Deze maatregelen hebben echter ontegenzeglijk tot gevolg dat deze grondrechten worden beperkt (zie in die zin en naar analogie, arrest van 12 maart 2014, Al Assad/Raad,T‑202/12, EU:T:2014:113, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

119 Zoals echter in punt 98 van dit arrest in herinnering is geroepen, zijn beperkingen die aan de uitoefening van de in het Handvest neergelegde rechten worden gesteld, uitsluitend in overeenstemming met het Unierecht wanneer zij voldoen aan de in artikel 52, lid 1, van het Handvest geformuleerde voorwaarden, te weten dat deze maatregelen bij wet moeten worden gesteld, de wezenlijke inhoud van voornoemde rechten moeten eerbiedigen, een als zodanig door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang moeten nastreven en niet onevenredig mogen zijn.

120 Geconstateerd moet worden dat in casu aan al deze vier voorwaarden is voldaan.

121 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de beperkingen van de uitoefening door verzoekster van haar eigendomsrecht en de inbreuk op haar recht op eerbiediging van haar privéleven „bij wet zijn gesteld”, aangezien zij zijn neergelegd in besluiten die onder meer van algemene strekking zijn, te weten besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en verordening nr. 269/2014 zoals gewijzigd bij verordening 2022/330, en zij een duidelijke rechtsgrondslag in het Unierecht hebben, te weten artikel 29 VEU, respectievelijk artikel 215 VWEU.

122 In de tweede plaats gelden de bestreden handelingen voor een periode van zes maanden en worden zij voortdurend geëvalueerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, zodat zij tijdelijk en omkeerbaar zijn. Derhalve moet worden geoordeeld dat zij de wezenlijke inhoud van het eigendomsrecht en het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie‑ en gezinsleven niet aantasten. Bovendien voorzien de bestreden handelingen in de mogelijkheid om vrijstellingen van de beperkende maatregelen te verlenen. Wat met name de bevriezing van tegoeden betreft, bieden artikel 2, leden 3 en 4, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en artikel 4, lid 1, artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330, de mogelijkheid om ten eerste het gebruik van bevroren tegoeden toe te staan om in essentiële behoeften te voorzien of om bepaalde verplichtingen na te komen, en ten tweede specifiek toestemming te geven voor de vrijgave van bevroren tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen.

123 In de derde plaats wordt met de hierboven in punt 121 bedoelde beperkingen de in punt 102 van dit arrest genoemde doelstelling van algemeen belang nagestreefd.

124 Wat in de vierde plaats het passende karakter van deze beperkingen aangaat, moet allereerst worden opgemerkt dat zij geschikt zijn om de in punt 102 van dit arrest vermelde doelstelling van algemeen belang te bereiken, aangezien zij tot de verwezenlijking daarvan bijdragen. Wat vervolgens de noodzaak ervan betreft, moet worden vastgesteld dat verzoekster geen alternatieve, minder ingrijpende maatregelen voorstelt waarmee de nagestreefde doelstellingen op evenzo doeltreffende wijze kunnen worden bereikt. Ten slotte is sprake van tijdelijke en omkeerbare beperkingen waarvan bovendien ook nog vrijstelling kan worden verleend. Derhalve moet worden geconstateerd dat de nadelen voor verzoekster niet buitensporig zijn in verhouding tot het belang van de doelstelling die met deze handelingen wordt nagestreefd.

125 Voor het overige faalt ook het betoog van verzoekster op grond van de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben op het gebied van het eigendomsrecht. Los van het feit dat zij zich baseert op een gering aantal analyses van het nationale recht van de lidstaten, moet worden opgemerkt dat zij niet heeft aangetoond dat deze nationale rechtsstelsels de naleving van wezenlijk andere voorwaarden dan die van artikel 52, lid 1, van het Handvest vereisen.

126 Gelet op het voorgaande moet het zesde middel in zijn geheel worden afgewezen.

Vierde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel

127 Met haar vierde middel voert verzoekster in wezen aan dat de betrokken maatregelen in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, omdat zij niet passend en noodzakelijk zijn. Zij voegt hieraan toe dat de door de Raad gehanteerde uitlegging van het begrip „verbonden” te ruim is, omdat zij niet betrokken is bij acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen en zij niet bij machte is om invloed uit te oefenen op de daaraan ten grondslag liggende beleidsmaatregelen.

128 Om te beginnen zij opgemerkt dat de betrokken beperkende maatregelen om de hierboven in de punten 104, 105 en 124 reeds genoemde redenen noodzakelijk en passend zijn en dus niet indruisen tegen het evenredigheidsbeginsel.

129 Wat voorts de grief betreffende de te ruime uitlegging van het begrip „verbonden” en het gebrek aan invloed van verzoekster op de Russische besluitvormers aangaat, moet worden opgemerkt dat de Raad geen beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat zij met haar echtgenoot was verbonden via de Timchenko Foundation, zodat hij gerechtigd was haar de beperkende maatregelen op te leggen waarvan zij het voorwerp is.

130 Tot slot moet met betrekking tot de beperkende maatregelen waaraan verzoekster is onderworpen, worden geconstateerd – zulks los van het feit dat zij bestrijdt dat de acties of de beleidsmaatregelen van de leiders van de Russische Federatie tot haar terug te voeren zijn of dat zij in staat is enige invloed op deze leiders uit te oefenen – dat beperkingen van de vrijheid van verkeer in de lidstaten van de Unie evenals de bevriezing van tegoeden of economische middelen van personen wier naam op de litigieuze lijsten is geplaatst, niet alleen druk uitoefenen op deze personen, maar ook van invloed zijn op het algemene functioneren van de Russische economie, waarmee uiteindelijk ook, althans indirect, druk wordt uitgeoefend op de leiders van de Russische Federatie.

131 Hieruit volgt dat het vierde middel, en daarmee het verzoek tot nietigverklaring in zijn geheel, moet worden afgewezen

Vordering tot vergoeding van de schade

132 Ter onderbouwing van dit verzoek betoogt verzoekster dat de bestreden handelingen haar immateriële schade hebben berokkend, waarvan zij vergoeding vordert.

133 De Raad concludeert tot afwijzing van dit verzoek.

134 Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie wegens onrechtmatige gedragingen van haar organen in de zin van artikel 340, tweede alinea, VWEU afhankelijk is van een aantal voorwaarden, te weten onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, werkelijk geleden schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade. Aangezien deze drie voorwaarden voor aansprakelijkstelling cumulatief zijn, volstaat het voor afwijzing van een schadevordering dat aan een van die voorwaarden niet is voldaan, zonder dat dus de overige voorwaarden hoeven te worden onderzocht (zie arrest van 22 juni 2022, Haswani/Raad, T‑479/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:383, punt 155 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

135 Wat betreft de schade die verzoekster als gevolg van de vaststelling van de bestreden handelingen stelt te hebben geleden, volgt uit de overwegingen met betrekking tot de vordering tot nietigverklaring dat de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten niet onrechtmatig is. Derhalve is niet voldaan aan een van de hierboven in punt 134 genoemde voorwaarden, zodat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

136 Gelet op het voorgaande moet deze vordering worden afgewezen en het beroep in zijn geheel worden verworpen.

Kosten

137 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Raad worden verwezen in haar eigen kosten alsook in die van de Raad.

138 Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. De Commissie draagt derhalve haar eigen kosten.

HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Elena Petrovna draagt haar eigen kosten alsook die van de Raad van de Europese Unie.

3) De Europese Commissie draagt haar eigen kosten.

Mastroianni Brkan Gâlea Tóth Kalėda Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 april 2025. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken