Gerecht EU 4 september 2024, T-290/22, ECLI:EU:T:2024:575

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

4 september 2024 0F(*)

„ Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen – Bevriezing van tegoeden – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Plaatsing en handhaving van verzoekers naam op de lijst – Begrip ‚vooraanstaande zakenlieden’ – Begrip ‚zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie’ – Artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145/GBVB – Artikel 3, lid 1, onder g), van verordening (EU) nr. 269/2014 – Exceptie van onwettigheid – Beoordelingsfout – Recht om te worden gehoord – Eigendomsrecht – Evenredigheid – Rechtszekerheid – Gelijke behandeling ”

In de zaken T‑290/22 en T‑763/22,

Igor Albertovich Kesaev, wonende te Usovo (Rusland), vertegenwoordigd door R. Moeyersons en A. De Jonge, advocaten,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Emmerechts, S. Van Overmeire en B. Driessen als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: D. Spielmann, president, T. Tóth en S. L. Kalėda (rapporteur), rechters,

griffier: L. Ramette, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 22 januari 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn beroepen op grond van artikel 263 VWEU vordert verzoeker, Igor Albertovich Kesaev, nietigverklaring van:

– in zaak T‑290/22, uitvoeringsverordening (EU) 2022/581 van de Raad van 8 april 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 110, blz. 3);

– in zaak T‑763/22:

– besluit (GBVB) 2022/1530 van de Raad van 14 september 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 239, blz. 149), en uitvoeringsverordening (EU) 2022/1529 van de Raad van 14 september 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 239, blz. 1) (hierna samen: „eerste handhavingshandelingen”);

– besluit (GBVB) 2023/1767 van de Raad van 13 september 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 104), en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1765 van de Raad van 13 september 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 3) (hierna samen: „derde handhavingshandelingen”), voor zover al die handelingen (hierna samen: „bestreden handelingen”) hem betreffen.

I. Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van de beroepen hebben voorgedaan

2 Verzoeker heeft de Russische nationaliteit.

3 De onderhavige zaak speelt in de context van de beperkende maatregelen die door de Europese Unie zijn vastgesteld met betrekking tot de acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.

4 Op 17 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 29 VEU besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16) vastgesteld.

5 Op dezelfde dag heeft de Raad op grond van artikel 215 VWEU verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit of onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6) vastgesteld.

6 Op 25 februari 2022 heeft de Raad, gelet op de ernst van de situatie in Oekraïne, ten eerste besluit (GBVB) 2022/329 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 50, blz. 1) en ten tweede verordening (EU) 2022/330 tot wijziging van verordening nr. 269/2014 (PB 2022, L 51, blz. 1) vastgesteld, teneinde onder meer de criteria te wijzigen op grond waarvan natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen aan de betrokken beperkende maatregelen konden worden onderworpen.

7 Artikel 2, leden 1 en 2, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, luidt als volgt:

„1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van:

[...]

f) natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne, of

g) vooraanstaande zakenlieden of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne,

en natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die met hen verbonden zijn, als opgesomd in de bijlage, worden bevroren.

2. Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.”

8 Gewijzigde verordening nr. 269/2014 schrijft voor dat maatregelen tot bevriezing van tegoeden worden vastgesteld en omschrijft de voorwaarden voor die bevriezing in bewoordingen die in wezen identiek zijn aan die van gewijzigd besluit 2014/145.

A. Initiële plaatsing van verzoekers naam op de litigieuze lijsten

9 Op 8 april 2022 heeft de Raad uitvoeringsverordening 2022/581 vastgesteld, alsmede besluit (GBVB) 2022/582 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 110, blz. 55) (hierna samen: „oorspronkelijke handelingen”). In deze handelingen werd verzoekers naam toegevoegd aan de lijst in de bijlage bij gewijzigd besluit 2014/145 en aan die in bijlage I bij gewijzigde verordening nr. 269/2014 (hierna: „litigieuze lijsten”) om volgende redenen:

„[Verzoeker] is eigenaar en voorzitter van de Mercury Group, die eigenaar is van de Megapolis Group, de belangrijkste distributeur van tabak in Rusland. Hij heeft banden met de regering en de veiligheidsdiensten van de Russische Federatie via het Monolit Fund, dat wordt beheerd door voormalige functionarissen van de Russische veiligheidsdiensten en financiële steun verleent aan gepensioneerde functionarissen van de veiligheidsdiensten en gepensioneerde militairen. Daarnaast is hij de grootste aandeelhouder van de Degtyarev-fabriek, een Russisch bedrijf dat wapens produceert die door de Russische strijdkrachten worden gebruikt.

Hij is derhalve een vooraanstaand zakenman die actief is in economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne. Bovendien verleent hij materiële steun aan en profiteert hij van de regering van de Russische Federatie.”

10 De Raad heeft in het Publicatieblad van de Europese Unie van 11 april 2022 (PB 2022, C 157, blz. 11) een kennisgeving gepubliceerd ten behoeve van de personen, entiteiten en lichamen waarop de beperkende maatregelen van de oorspronkelijke handelingen van toepassing waren. Volgens deze kennisgeving konden de betrokken personen, onder overlegging van bewijsstukken, een verzoek bij de Raad indienen tot heroverweging van het besluit waarbij hun naam op de als bijlage bij voornoemde handelingen gevoegde lijsten was geplaatst.

B. Handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten tot en met 15 maart 2023

11 Op 14 september 2022 heeft de Raad de eerste handhavingshandelingen vastgesteld. In die handelingen werd verzoekers naam op de litigieuze lijsten gehandhaafd om dezelfde redenen als die welke in uitvoeringsverordening 2022/581 zijn vermeld.

12 Op 15 september 2022 heeft de Raad een nieuwe kennisgeving aan de personen, entiteiten en lichamen waarop de beperkende maatregelen van de eerste handhavingshandelingen van toepassing zijn, bekendgemaakt in het Publicatieblad (PB 2022, C 353 I, blz. 2).

13 Op 31 oktober 2022 heeft verzoeker bij de Raad een verzoek tot heroverweging ingediend.

C. Handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten tot en met 15 september 2023

14 Bij brief van 22 december 2022 heeft de Raad verzoeker meegedeeld dat hij voornemens was de beperkende maatregelen tegen hem te handhaven en de motivering van de plaatsing op de lijst te wijzigen op basis van het bewijsdossier met referentie WK 17628/2022 INIT.

15 Op 13 maart 2023 heeft de Raad, op grond van artikel 29 VEU en artikel 215 VWEU, ten eerste besluit (GBVB) 2023/572 van de Raad van 13 maart 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75I, blz. 134) en ten tweede uitvoeringsverordening (EU) 2023/571 van de Raad van 13 maart 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75I, blz. 1) (hierna samen: „tweede handhavingshandelingen”) vastgesteld.

16 Op 8 juni 2023 heeft verzoeker zijn conclusies in die zin aangepast dat zijn beroep eveneens de tweede handhavingshandelingen omvat. Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft de president van de Eerste kamer bij beslissing van 29 juni 2023 besloten de memorie houdende aanpassing van 8 juni 2023 niet aan het dossier toe te voegen, na te hebben vastgesteld dat de termijn voor een verzoek tot nietigverklaring van deze handelingen was verstreken op 6 juni 2023.

D. Wijziging van de criteria voor plaatsing op de litigieuze lijsten

17 Op 5 juni 2023 heeft de Raad besluit (GBVB) 2023/1094 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2023, L 146, blz. 20) en verordening (EU) 2023/1089 tot wijziging van verordening nr. 269/2014 (PB 2023, L 146, blz. 1) vastgesteld.

18 Bij besluit 2023/1094 zijn met ingang van 7 juni 2023 de criteria gewijzigd voor plaatsing op de lijst van de namen van personen op wie de bevriezing van tegoeden van toepassing is. De tekst van artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145 is vervangen door de volgende tekst:

„g) vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland en hun naaste familieleden of andere natuurlijke personen die profijt trekken van hen, of zakenlieden, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne [...]”.

19 Verordening nr. 269/2014 werd dienovereenkomstig gewijzigd bij verordening 2023/1089.

E. Handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten tot en met 15 maart 2024

20 Op 13 september 2023 heeft de Raad de derde handhavingshandelingen vastgesteld, waardoor de tegen verzoeker genomen maatregelen zijn verlengd tot en met 15 maart 2024 om volgende redenen:

„[Verzoeker] is aandeelhouder en voormalig voorzitter van de Mercury Group, die in verband is gebracht met de Megapolis Group, de belangrijkste distributeur van tabak in Rusland. Hij heeft banden met de regering en de veiligheidsdiensten van de Russische Federatie via het Monolit Fund, dat wordt beheerd door voormalige functionarissen van de Russische veiligheidsdiensten en financiële steun verleent aan gepensioneerde functionarissen van de veiligheidsdiensten en gepensioneerde militairen.

Hij is een belangrijke aandeelhouder van de Mercury Group en de Megapolis Group, alsook van JSC ‚Turbokholod’ en LLC ‚Consensus-R’, die bijdragen aan het Monolit-fonds. Daarnaast is hij, dankzij zijn belangen in de beleggingsonderneming OOO Globalvoyentreyding, de grootste aandeelhouder van de Degtyarev-fabriek geweest, een Russisch bedrijf dat wapens produceert die door de Russische strijdkrachten worden gebruikt. Hij heeft aandelen in de alcoholketens Red & White en Bristol, en heeft zeggenschap over de International Tobacco Group LLC.

Hij is derhalve een vooraanstaand zakenman die actief is in Rusland en betrokken is bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne. Bovendien verleent hij materiële steun aan en profiteert hij van de regering van de Russische Federatie.”

II. Conclusies van partijen

21 Verzoeker verzoekt het Gerecht:

– de bestreden handelingen nietig te verklaren voor zover zij hem betreffen;

– de Raad te verwijzen in de kosten.

22 De Raad verzoekt het Gerecht:

– de beroepen te verwerpen;

– het verzoek tot nietigverklaring van de derde handhavingshandelingen niet-ontvankelijk te verklaren;

– subsidiair, in geval van nietigverklaring van besluit 2022/1530, de werking van dit besluit te handhaven totdat de gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2022/1529 effect sorteert;

– verzoeker te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

23 Na partijen in dit verband te hebben gehoord, is het Gerecht van oordeel dat de onderhavige zaken overeenkomstig artikel 68 van zijn Reglement voor de procesvoering moeten worden gevoegd voor het arrest.

A. Ontvankelijkheid van de aanpassing van de conclusies

24 Bij memorie houdende aanpassing die ter griffie van het Gerecht is neergelegd op 8 december 2023, vordert verzoeker op grond van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht nietigverklaring van de derde handhavingshandelingen.

25 De Raad betwist de ontvankelijkheid van deze aanpassing op grond dat zij, ten eerste, geen betrekking heeft op handelingen die eerder betwiste handelingen wijzigen of vervangen en, ten tweede, tardief is.

1. Ontvankelijkheid ratione temporis

26 Volgens artikel 263, zesde alinea, VWEU moet een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, naargelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de bestreden handeling, vanaf de dag van kennisgeving van deze handeling aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop deze van de handeling kennis heeft gekregen.

27 Artikel 86, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat wanneer een handeling waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling, het verzoekschrift kan aanpassen om met dat nieuwe gegeven rekening te houden. De aanpassing van het verzoekschrift moet bij afzonderlijke akte worden verricht vóór het verstrijken van de in artikel 263, zesde alinea, VWEU bedoelde termijn waarbinnen kan worden verzocht om de nietigverklaring van de handeling die de aanpassing van het verzoekschrift rechtvaardigt.

28 Volgens de rechtspraak vereist het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming dat een instelling van de Unie die – zoals in casu – individuele beperkende maatregelen ten aanzien van een persoon of een entiteit vaststelt of handhaaft, de gronden waarop die maatregelen zijn gebaseerd, meedeelt op het ogenblik waarop deze maatregelen worden vastgesteld of althans zo snel mogelijk daarna, teneinde deze personen of entiteiten in staat te stellen hun recht van beroep uit te oefenen (zie in die zin arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29 Deze situatie is het gevolg van de bijzondere aard van handelingen tot vaststelling van beperkende maatregelen jegens een persoon of een entiteit, die tegelijk verwantschap vertonen met handelingen van algemene strekking, aangezien zij het een categorie van bepaalde adressaten algemeen en abstract verbieden om met name activa en financiële middelen ter beschikking te stellen van personen en entiteiten waarvan de namen op de lijsten in de bijlage daarbij voorkomen, en met een bundel van individuele besluiten ten aanzien van deze personen en entiteiten (zie arrest van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad, C‑478/11 P–C‑482/11 P, EU:C:2013:258, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 In casu is het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming toegepast in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 269/2014, waarin is bepaald dat „[d]e Raad [...] de [...] natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of [het] lichaam [waarvan hij besluit de naam op de lijst in bijlage I bij deze verordening te plaatsen] in kennis [stelt] van zijn besluit, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij door een kennisgeving te publiceren, zodat de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam daarover opmerkingen kunnen indienen”. Artikel 3, lid 2, van besluit 2014/145 is een bepaling met dezelfde strekking.

31 Hoewel deze bepalingen de Raad niet uitdrukkelijk verplichten om de betrokken personen of entiteiten in kennis te stellen van de handelingen waarbij hij hun namen op de litigieuze lijsten handhaaft, vloeit een dergelijke kennisgevingsverplichting voort uit het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming (zie naar analogie arrest van 21 april 2021, El-Qaddafi/Raad, T‑322/19, EU:T:2021:206, punten 56 en 57).

32 Daaruit volgt ten eerste dat handelingen als de derde handhavingshandelingen weliswaar op grond van de publicatie ervan in werking treden, maar dat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van deze handelingen krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, voor elk van deze personen en entiteiten ingaat op de datum van de kennisgeving die daarvan aan hen moet geschieden (zie arrest van 23 oktober 2015, Oil Turbo Compressor/Raad, T‑552/13, EU:T:2015:805, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Evenzo begint de termijn voor het indienen van een verzoek tot betwisting of uitbreiding van de conclusies en middelen tot een handeling die deze maatregelen handhaaft, pas te lopen vanaf de datum waarop die nieuwe handeling ter kennis van de betrokken persoon of entiteit is gebracht (zie arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Bijgevolg begint de termijn voor instelling van een beroep tot nietigverklaring van een handeling waarbij ten aanzien van een persoon of een entiteit dergelijke maatregelen worden opgelegd, pas te lopen vanaf de datum van de individuele kennisgeving van die handeling aan de betrokkene, indien zijn adres bekend is, dan wel vanaf de bekendmaking van een kennisgeving in het Publicatieblad (zie arrest van 23 oktober 2015, Oil Turbo Compressor/Raad, T‑552/13, EU:T:2015:805, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 Ten tweede heeft de Raad niet de vrijheid naar eigen goeddunken te kiezen op welke wijze hij handelingen houdende beperkende maatregelen meedeelt aan de betrokkenen. Een indirecte kennisgeving van die handelingen door middel van de bekendmaking van een kennisgeving in het Publicatieblad is uitsluitend toegestaan wanneer het voor de Raad onmogelijk is om die handelingen individueel mee te delen. Anders zou de Raad zich gemakkelijk kunnen onttrekken aan zijn plicht tot individuele mededeling (zie in die zin beschikking van 10 juni 2016, Pshonka/Raad, T‑381/14, EU:T:2016:361, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Indien de Raad het adres kent van de persoon die onderworpen is aan beperkende maatregelen en de handelingen houdende die maatregelen niet rechtstreeks meedeelt, gaat de termijn waarbinnen die persoon tegen die handelingen beroep bij het Gerecht kan instellen dus niet in. Dus slechts wanneer het niet mogelijk is de handelingen waarbij ten aanzien van een betrokkene beperkende maatregelen zijn vastgesteld of gehandhaafd, individueel mee te delen, doet de bekendmaking van een kennisgeving in het Publicatieblad de beroepstermijn ingaan (zie arrest van 21 april 2021, El-Qaddafi/Raad, T‑322/19, EU:T:2021:206, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 In dat verband kan worden aangenomen dat de Raad een handeling houdende beperkende maatregelen niet individueel kan meedelen aan een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een entiteit waarop die maatregelen van toepassing zijn wanneer het adres van die persoon of entiteit niet openbaar is en hem niet is meegedeeld, of wanneer mededeling aan het bij de Raad bekende adres mislukt ondanks de moeite die hij, met de vereiste zorgvuldigheid, heeft genomen om de handeling mee te delen (zie arrest van 21 april 2021, El-Qaddafi/Raad, T‑322/19, EU:T:2021:206, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37 Daarnaast kan de Raad die verplichting om een handeling waarbij ten aanzien van de betrokkene beperkende maatregelen zijn vastgesteld, aan die betrokkene mee te delen, in beginsel niet vervullen door die handeling mee te delen aan de advocaten die hem vertegenwoordigen. De kennisgeving aan de vertegenwoordiger van een verzoeker geldt slechts als kennisgeving aan de adressaat indien een dergelijke vorm van kennisgeving uitdrukkelijk is voorgeschreven of door partijen is overeengekomen of wanneer de advocaat rechtsgeldig is gemachtigd om die kennisgeving namens zijn cliënt te ontvangen (zie in die zin arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38 Om de kennisgevingsdatum vast te stellen waarop de termijnen begonnen te lopen waarbinnen verzoeker voor het Gerecht kon opkomen tegen de derde handhavingshandelingen, moet worden bepaald op welke wijze de Raad die handelingen ter kennis van verzoeker moest brengen.

39 De derde handhavingshandelingen zijn vastgesteld op 13 september 2023. In dit verband staat vast dat de Raad, ten eerste, die handelingen ter kennis heeft gebracht van de advocaat van verzoeker bij aangetekende brief met bewijs van ontvangst, die de adressaat heeft bereikt op 18 september 2023 en, ten tweede, op 14 september 2023 in het Publicatieblad van de Europese Unie een kennisgeving heeft gepubliceerd ten behoeve van de personen, entiteiten en lichamen waarop de beperkende maatregelen van deze handelingen van toepassing waren (PB 2023, C 324, blz. 3).

40 In de eerste plaats moet worden nagegaan of de Raad op geldige wijze kon voldoen aan zijn verplichting om de derde handhavingshandelingen ter kennis van verzoeker te brengen door die handelingen toe te zenden aan zijn advocaat.

41 In casu moet ten eerste worden vastgesteld dat in de toepasselijke regelgeving, te weten artikel 14, lid 2, van verordening nr. 269/2014 en artikel 3, lid 2, van besluit 2014/145 (zie punten 30 en 31 hierboven), niet uitdrukkelijk is bepaald dat de kennisgeving van handelingen zoals bedoeld in de in punt 37 hierboven aangehaalde rechtspraak kan bestaan in een mededeling van een handeling aan een advocaat die de persoon op wie de handelingen betrekking hebben, vertegenwoordigt.

42 Ten tweede blijkt niet uit de stukken dat partijen waren overeengekomen, in de zin van de in punt 37 hierboven aangehaalde rechtspraak, dat de Raad de derde handhavingshandelingen aan de advocaat van verzoeker kon meedelen.

43 Ten derde zij het volgende opgemerkt met betrekking tot de vraag of de advocaat van verzoeker rechtsgeldig was gemachtigd om een dergelijke kennisgeving namens verzoeker te ontvangen. Bij brief van 30 oktober 2022, waarop de Raad zich ter ondersteuning van zijn betoog beroept, heeft de advocaat van verzoeker na de vaststelling van de eerste handhavingshandelingen bij de Raad een verzoek tot heroverweging van het geval van zijn cliënt ingediend, en heeft hij in dat kader verduidelijkt dat „verzoeker zijn raadslieden heeft gemachtigd om het onderhavige verzoek tot heroverweging bij de Raad in te dienen”.

44 Evenwel moet worden vastgesteld dat deze vermelding op zich voor de Raad geen reden kon zijn om aan te nemen dat verzoeker ermee had ingestemd dat alle correspondentie of informatie die op hem betrekking had, en dus alle officiële kennisgevingen, rechtstreeks aan die vertegenwoordiger werden gericht. Derhalve stond de kennisgeving door de Raad niet gelijk aan een rechtstreekse mededeling van de derde handhavingshandelingen aan verzoeker.

45 Wat in de tweede plaats de mogelijkheid betreft voor de Raad om een individuele mededeling te doen in de zin van de in de punten 34 en 36 hierboven aangehaalde rechtspraak, zij erop gewezen dat verzoekers adres was vermeld in het bij het verzoekschrift in zaak T‑763/22 gevoegde mandaat. Bijgevolg was de Raad daarvan op de hoogte ten tijde van de vaststelling van de derde handhavingshandelingen op 13 september 2023.

46 De Raad heeft evenwel documenten met als opschrift „service alert” overgelegd, waarmee een Belgische exploitant van postdiensten zijn klanten met name op de hoogte heeft gebracht van bestemmingen met beperkte postbezorging. Uit deze documenten van 2 augustus, 6 september, 20 september en 31 oktober 2023 blijkt dat op die data in Rusland geen enkele bezorgdienst kon worden verricht.

47 Deze omstandigheid volstaat om aan te tonen dat het onmogelijk was om de derde handhavingshandelingen individueel aan verzoeker mee te delen in de zin van de in punt 36 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

48 Uit een en ander volgt dat de Raad aan verzoeker indirect kennis mocht geven van de derde handhavingshandelingen door middel van de bekendmaking van een kennisgeving in het Publicatieblad, zodat de termijn voor een verzoek tot nietigverklaring van deze handelingen is ingegaan vanaf de bekendmaking van deze kennisgeving op 14 september 2023.

49 Er zij evenwel aan herinnerd dat, volgens artikel 59 van het Reglement voor de procesvoering, wanneer een termijn voor het instellen van beroep tegen een handeling van een instelling ingaat door de bekendmaking van die handeling in het Publicatieblad, deze termijn wordt berekend vanaf het einde van de veertiende dag volgend op de datum van die bekendmaking.

50 Deze bepaling is van toepassing wanneer de gebeurtenis die de beroepstermijn doet ingaan een kennisgeving aangaande deze handelingen is die zelf eveneens is bekendgemaakt in het Publicatieblad. In tegenstelling tot individuele kennisgevingen gelden voor bekendgemaakte kennisgevingen immers dezelfde redenen die voor bekendgemaakte handelingen de toekenning van een extra termijn van veertien dagen hebben gerechtvaardigd (zie in die zin arresten van 4 februari 2014, Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad, T‑174/12 en T‑80/13, EU:T:2014:52, punt 65, en 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 65).

51 Hieruit volgt dat in deze zaak de in artikel 263, zesde alinea, VWEU vastgestelde beroepstermijn van twee maanden, verlengd met de in artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering neergelegde forfaitaire termijn van tien dagen wegens afstand, is ingegaan op 28 september 2023 en derhalve is verstreken op 8 december 2023.

52 Anders dan de Raad betoogt, is de tegen de derde handhavingshandelingen gerichte memorie houdende aanpassing, die op 8 december 2023 is ingediend, dus niet na het verstrijken van de toepasselijke termijn ingediend.

2. Ontvankelijkheid ratione materiae

53 De Raad betwist de ontvankelijkheid van de aanpassing van de conclusies van het verzoekschrift in zaak T‑763/22, voor zover deze eveneens betrekking hebben op de derde handhavingshandelingen, op grond dat verzoeker niet tijdig om nietigverklaring van de in punt 15 hierboven bedoelde tweede handhavingshandelingen heeft verzocht. Volgens de Raad is wegens dit verzuim niet voldaan aan de in artikel 86, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering gestelde voorwaarde dat eerder om nietigverklaring van de vervangen of gewijzigde handelingen is verzocht.

54 Er zij herinnerd aan, ten eerste, de in punt 16 hierboven genoemde omstandigheden en, ten tweede, het feit dat artikel 86, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat wanneer een handeling waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling of vóór de beslissing van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, het verzoekschrift kan aanpassen om met dit nieuwe gegeven rekening te houden.

55 In casu heeft verzoeker in het verzoekschrift in zaak T‑763/22 verzocht om nietigverklaring van de eerste handhavingshandelingen. In dit verband moet worden vastgesteld dat, ten eerste, bij besluit 2022/1530 de toepasselijkheid van besluit 2014/145, waarvan de bijlage – zoals gewijzigd bij dit besluit – verzoekers naam vermeldt, is verlengd tot en met 15 maart 2023 en, ten tweede, bij uitvoeringsverordening 2022/1529 de lijst in bijlage I bij verordening nr. 269/2014 is gewijzigd, waarbij verzoekers naam op die lijst werd gehandhaafd.

56 Wat de derde handhavingshandelingen betreft is, ten eerste, bij besluit 2023/1767 de toepasselijkheid van besluit 2014/145, waarvan de bijlage – zoals gewijzigd bij dit besluit – verzoekers naam vermeldt, verlengd tot en met 15 maart 2024 en, ten tweede, bij uitvoeringsverordening 2023/1765 de lijst in bijlage I bij verordening nr. 269/2014 gewijzigd, waarbij verzoekers naam op die lijst werd gehandhaafd.

57 De derde handhavingshandelingen moeten bijgevolg worden geacht de eerste handhavingshandelingen te hebben gewijzigd in de zin van artikel 86, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering (zie in die zin arrest van 20 maart 2024, Belshyna/Raad, T‑115/22, EU:T:2024:187, punt 92).

58 Hieruit volgt dat verzoeker, die nietigverklaring van de eerste handhavingshandelingen in het verzoekschrift in zaak T‑763/22 had gevorderd, overeenkomstig de doelstelling van proceseconomie die ten grondslag ligt aan artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Almaz-Antey/Raad, T‑515/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:545, punten 43 en 44), het recht had om het verzoekschrift aan te passen teneinde tevens nietigverklaring van de derde handhavingshandelingen te vorderen, ook al had hij voordien het verzoekschrift niet tijdig aangepast om nietigverklaring van de tweede handhavingshandelingen te vorderen (zie in die zin arrest van 20 maart 2024, Belshyna/Raad, T‑115/22, EU:T:2024:187, punt 93).

59 Anders dan de Raad betoogt, is de aanpassing van de conclusies van het verzoekschrift in zaak T‑763/22, voor zover deze eveneens betrekking hebben op de derde handhavingshandelingen, bijgevolg ontvankelijk.

B. Ten gronde

60 Ter ondersteuning van zijn beroepen voert verzoeker vijf middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan beoordelingsfouten. Het tweede middel betreft schending van het recht om te worden gehoord en van het recht op een eerlijk proces. Het derde middel berust op de stelling dat de artikelen 6, 8, 16 en 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, ervan, zijn geschonden. Het vierde middel is ontleend aan excepties van onwettigheid. Volgens het vijfde middel, dat uitsluitend in zaak T‑763/22 wordt aangevoerd, zijn het non-discriminatiebeginsel en artikel 21 van het Handvest geschonden.

1. Vierde middel: excepties van onwettigheid

61 Het vierde middel bestaat uit twee onderdelen.

62 Volgens artikel 277 VWEU kan iedere partij naar aanleiding van een geschil waarbij een door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie vastgestelde handeling van algemene strekking in het geding is, de in artikel 263, tweede alinea, VWEU bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie van de Europese Unie de niet-toepasselijkheid van deze handeling in te roepen.

63 In artikel 277 VWEU komt een algemeen beginsel tot uitdrukking krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de nietigverklaring van een handeling waartegen zij beroep kan instellen, incidenteel de rechtsgeldigheid van eerdere, aan de bestreden handeling ten grondslag liggende handelingen van de instellingen mag aanvechten, wanneer zij niet krachtens artikel 263 VWEU rechtstreeks kon opkomen tegen die handelingen, waarvan zij dus de gevolgen moet dragen zonder in staat te zijn geweest nietigverklaring ervan te vorderen. De handeling van algemene strekking waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, moet direct of indirect van toepassing zijn op de aan het beroep ten grondslag liggende zaak en er moet een rechtstreeks juridisch verband bestaan tussen het bestreden individuele besluit en de betrokken algemene handeling (zie arrest van 17 februari 2017, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad, T‑14/14 en T‑87/14, EU:T:2017:102, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

a) Eerste onderdeel van het vierde middel: exceptie van onwettigheid van artikel 2, lid 1, onder d), f) en g), en in fine, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329

64 Verzoeker voert op grond van artikel 277 VWEU een exceptie van onwettigheid aan met betrekking tot artikel 2, lid 1, onder d), f) en g), en in fine, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329. Hij vordert dat deze bepalingen, op grond waarvan uitvoeringsverordening 2022/581 en de eerste handhavingshandelingen zijn vastgesteld, op hem niet van toepassing worden verklaard.

65 In dit verband beroept hij zich op schendingen van het rechtszekerheidsbeginsel en voert hij aan dat de in deze bepalingen omschreven criteria vaag en onnauwkeurig zijn geformuleerd, zodat het gevaar bestaat dat deze criteria willekeurig worden toegepast.

66 Ten eerste blijkt uit de motivering van uitvoeringsverordening 2022/581 en de eerste handhavingshandelingen dat verzoekers naam op de litigieuze lijsten is geplaatst en gehandhaafd op grond van het criterium bedoeld in artikel 2, lid 1, onder f), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en in artikel 3, lid 1, onder f), van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330 [hierna: „criterium f)”], en het criterium bedoeld in artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en in artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330 [hierna: „oorspronkelijk criterium g)”].

67 Daarentegen blijkt uit die motivering niet dat verzoekers naam op de litigieuze lijsten is gehandhaafd op grond van de criteria bedoeld in artikel 2, lid 1, onder d), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en in artikel 3, lid 1, onder d), van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330 [hierna: „criterium d)”], alsmede in artikel 2, lid 1, in fine, van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2022/329, en in artikel 3, lid 1, in fine, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330 (hierna: „criterium van verbondenheid”).

68 Hieruit volgt dat noch uitvoeringsverordening 2022/581 noch de eerste handhavingshandelingen zijn vastgesteld op grond van de bepalingen van besluit 2014/145 en verordening nr. 269/2014 die voorzien in criterium d) en in het criterium van verbondenheid. Derhalve bestaat er geen rechtstreeks juridisch verband – in de zin van de in punt 63 hierboven aangehaalde rechtspraak – tussen die bepalingen, waartegen de exceptie van onwettigheid is gericht, en uitvoeringsverordening 2022/581 alsmede de eerste handhavingshandelingen.

69 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het vierde middel niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het betrekking heeft op de in punt 67 hierboven bedoelde bepalingen van besluit 2014/145 en van verordening nr. 269/2014 die voorzien in criterium d) en in het criterium van verbondenheid.

70 Ten tweede is reeds geoordeeld dat, voor zover de exceptie van onwettigheid is gericht tegen de bepalingen van besluit 2014/145 en van verordening nr. 269/2014 die voorzien in oorspronkelijk criterium g), de door dit criterium aan de Raad verleende beoordelingsbevoegdheid niet in strijd is met het vereiste van voorzienbaarheid, aangezien dit criterium voldoende duidelijk en voorzienbaar was om te voldoen aan de vereisten van rechtszekerheid en deel uitmaakte van een rechtskader dat duidelijk werd afgebakend door de doelstellingen die met de regeling inzake de beperkende maatregelen in kwestie werden nagestreefd, namelijk in wezen de noodzaak om – gezien de ernst van de situatie – druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten opdat zij een einde maken aan hun acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd (arrest van 20 december 2023, Moshkovich/Raad, T‑283/22, niet gepubliceerd, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2023:849, punt 62). Bijgevolg is dit criterium in overeenstemming met het rechtszekerheidsbeginsel (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punten 45‑48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

71 Voor zover de exceptie van onwettigheid is gericht tegen de bepalingen van besluit 2014/145 en van verordening nr. 269/2014 die voorzien in criterium f), moet voorts worden opgemerkt dat de Raad – zoals blijkt uit de punten 133 en 151 hieronder – in uitvoeringsverordening 2022/581 en in de eerste handhavingshandelingen een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen heeft aangedragen waaruit kan blijken dat verzoeker een vooraanstaand zakenman is die actief is in een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie, in de zin van oorspronkelijk criterium g).

72 Aangezien dit criterium – zoals in punt 70 hierboven is opgemerkt – geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel oplevert, moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid die is gericht tegen de bepalingen van besluit 2014/145 en van verordening nr. 269/2014 die voorzien in criterium f), wat uitvoeringsverordening 2022/581 en de eerste handhavingshandelingen betreft, als niet ter zake dienend worden afgewezen.

b) Tweede onderdeel van het vierde middel: exceptie van onwettigheid van artikel 2, lid 1, onder f) en g), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2023/1094, en van artikel 3, lid 1, onder f) en g), van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2023/1089

73 In de memorie houdende aanpassing van 8 december 2023, waarin verzoeker nietigverklaring van de derde handhavingshandelingen vordert, beroept verzoeker zich op de onwettigheid van de bepalingen die voorzien in criterium f) en in het criterium bedoeld in artikel 2, lid 1, onder g), van besluit 2014/145, zoals gewijzigd bij besluit 2023/1094, alsmede van artikel 3, lid 1, onder g), van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2023/1089 [hierna: „gewijzigd criterium g)”].

74 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat bij besluit 2023/1094 en verordening 2023/1089 met ingang van 7 juni 2023 de criteria voor plaatsing op de lijst van de namen van personen op wie de bevriezing van tegoeden van toepassing is, zijn gewijzigd, en dat de bepalingen die voorzien in gewijzigd criterium g) met name in identieke bewoordingen voorschrijven dat alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland of aan zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, worden bevroren.

75 Hieruit volgt dat deze bepalingen met name betrekking hebben op twee categorieën van personen, te weten „vooraanstaande zakenlieden die actief zijn in Rusland” [hierna: „eerste deel van gewijzigd criterium g)”] en „zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” [hierna: „derde deel van gewijzigd criterium g)”].

76 Volgens vaste rechtspraak dient de Unierechter overeenkomstig de hem bij het VWEU verleende bevoegdheden de wettigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig te toetsen aan de grondrechten die behoren tot de rechtsorde van de Unie, daaronder met name begrepen de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming (arresten van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 326, en 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 97 en 98).

77 De Raad beschikt evenwel met betrekking tot de algemene en abstracte omschrijving van de juridische criteria en de wijze van toepassing van beperkende maatregelen over een ruime beoordelingsmarge (zie in die zin arrest van 21 april 2015, Anbouba/Raad, C‑605/13 P, EU:C:2015:248, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De algemene regels waarin deze criteria en deze voorwaarden worden omschreven, zoals de bepalingen van de bestreden handelingen waarin de criteria voor plaatsing op de lijst worden geformuleerd waarop het onderhavige middel doelt, zijn dus onderworpen aan een beperkte rechterlijke toetsing, waarbij enkel wordt nagegaan of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 In de eerste plaats moet de door verzoeker opgeworpen exceptie van onwettigheid met betrekking tot het derde deel van gewijzigd criterium g) worden onderzocht.

1) Derde deel van gewijzigd criterium g)

i) Schending van de rechten van de verdediging en van het recht op vermoeden van onschuld

79 Verzoeker betoogt dat het derde deel van gewijzigd criterium g) het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging schendt, aangezien het tot gevolg heeft dat zakenlieden schuldig worden verklaard aan het verlenen van steun aan of profijt trekken van de Russische regering, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat er sprake is van dergelijke steun of dergelijk profijt.

80 De Raad bestrijdt verzoekers argumenten.

81 Het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals neergelegd in artikel 48, lid 1, van het Handvest, vormt een fundamenteel recht dat particulieren rechten verleent waarvan de Unierechter de eerbiediging waarborgt. Dit beginsel, dat vereist dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, belet niet dat conservatoire maatregelen tot bevriezing van tegoeden worden vastgesteld, aangezien die maatregelen niet beogen strafvervolging tegen de betrokken persoon in te stellen [arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punten 136 en 137 (niet gepubliceerd)].

82 In dit verband zij opgemerkt dat de litigieuze beperkende maatregelen geen sanctie zijn en overigens ook geen enkele beschuldiging van dien aard inhouden. De betrokken handelingen van de Raad vormen immers geen vaststelling dat er daadwerkelijk een strafbaar feit is begaan, maar worden vastgesteld in het kader van en met het oog op een administratieve procedure met een bewarende functie en met als enig doel de Raad in staat te stellen de bescherming van de burgerbevolking te waarborgen [arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punt 139 (niet gepubliceerd)].

83 Derhalve kan verzoeker niet op goede gronden stellen dat de bepalingen die voorzien in het derde deel van gewijzigd criterium g) het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging schenden.

ii) Schending van het evenredigheidsbeginsel

84 Verzoeker betoogt dat het derde deel van gewijzigd criterium g) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, aangezien het noch noodzakelijk, noch passend is voor het bereiken van het doel van de betrokken beperkende maatregelen en voor de bedoelde personen onevenredige lasten oplevert.

85 De Raad betwist verzoekers argumenten.

86 Er zij aan herinnerd dat het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het Unierecht, vereist dat de middelen waarmee een bepaling van het Unierecht de door de betrokken regelgeving nagestreefde legitieme doelstellingen beoogt te bereiken, passend zijn en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is (arrest van 13 maart 2012, Melli Bank/Raad, C‑380/09 P, EU:C:2012:137, punt 52).

87 De Raad beschikt over een ruime beoordelingsvrijheid op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken, en een op deze gebieden vastgestelde maatregel is slechts onrechtmatig wanneer hij kennelijk ongeschikt is om het door de bevoegde instelling nagestreefde doel te bereiken (arrest van 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad, C‑440/14 P, EU:C:2016:128, punt 77).

88 Aangenomen moet worden dat de schrapping van de term „vooraanstaand” uit de bewoordingen van oorspronkelijk criterium g), waarmee de in het derde deel van gewijzigd criterium g) bedoelde zakenlieden werden gekenmerkt, niet tot gevolg heeft dat dit gewijzigde criterium niet langer noodzakelijk en passend is om het doel van de betrokken beperkende maatregelen te bereiken, noch dat aan deze personen onevenredige lasten worden opgelegd.

89 Ten eerste moet immers worden opgemerkt dat het derde deel van gewijzigd criterium g) is ingebed in een rechtskader dat duidelijk is afgebakend door de doelstellingen die worden nagestreefd met de regelgeving inzake de betrokken beperkende maatregelen, te weten de noodzaak om, gelet op de ernst van de situatie, een zo groot mogelijke druk op de Russische autoriteiten uit te oefenen opdat zij een einde maken aan hun acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd, en aan de militaire agressie tegen dat land. Vanuit dit oogpunt beantwoorden de betrokken beperkende maatregelen aan de in artikel 21, lid 2, onder c), VEU bedoelde doelstelling van handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid, overeenkomstig de doelstellingen en de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties (zie in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

90 Voorts zij eraan herinnerd dat uit overweging 2 van besluit 2023/1094 blijkt dat „[d]e Unie [...] onverkort [vasthoudt] aan haar steun voor de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne”, en dat volgens overweging 4 van dat besluit de Raad heeft geoordeeld dat de aanwijzingscriteria moesten worden uitgebreid tot „zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die de regering van de Russische Federatie een aanzienlijke bron van inkomsten bieden”, teneinde de druk op de regering van de Russische Federatie op te voeren om een einde te maken aan haar aanvalsoorlog tegen Oekraïne.

91 De Raad was dus van mening dat de kring van personen die onder criterium g) vielen moest worden uitgebreid teneinde de nagestreefde doelstellingen te bereiken, omdat de situatie in Oekraïne aanhield en zelfs verergerde. Een dergelijke aanpak, die is gebaseerd op de progressiviteit van de aantasting van de rechten naargelang van de doeltreffendheid van de maatregelen, toont aan dat die maatregelen evenredig zijn (zie naar analogie arrest van 25 januari 2017, Almaz-Antey Air and Space Defence/Raad, T‑255/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:25, punt 104).

92 Ten tweede kan het feit dat wordt gedoeld op zakenlieden die actief zijn „in economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie” die regering een hogere prijs voor haar acties laten betalen, aangezien dergelijke sectoren – doordat zij de regering van de Russische Federatie een aanzienlijke bron van inkomsten verschaffen – direct of indirect bijdragen aan het vermogen van die regering om haar acties en beleidsmaatregelen uit te voeren die erop gericht zijn de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne te ondermijnen.

93 Derhalve beantwoordt het derde deel van gewijzigd criterium g) aan de wil van de Raad om druk op de Russische autoriteiten uit te oefenen opdat zij een einde maken aan hun acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd (zie in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 49).

94 Bijgevolg bestaat er nog steeds een logisch verband tussen enerzijds het feit dat wordt gedoeld op zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die, gelet op het belang van die sectoren voor de Russische economie, een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering en anderzijds het doel dat in casu met die beperkende maatregelen wordt nagestreefd, namelijk meer druk uitoefenen op de Russische Federatie en haar een hogere prijs laten betalen voor haar acties die erop gericht zijn de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne te ondermijnen (zie naar analogie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95 Een dergelijke benadering, die ertoe strekt de druk op de regering van de Russische Federatie te vergroten door de economische kosten van haar activiteiten te verhogen, lijkt dus niet kennelijk onevenredig in het licht van de legitieme doelstellingen die met de regelgeving in kwestie worden nagestreefd.

96 Ten derde zijn het derde deel van gewijzigd criterium g) en de daaruit voortvloeiende beperkende maatregelen noodzakelijk om de doelstellingen van artikel 21 VEU te verwezenlijken en uit te voeren. Uit overweging 4 van besluit 2023/1094 blijkt immers dat de Raad, door de personele werkingssfeer van de beperkende maatregelen uit te breiden tot „zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die de regering van de Russische Federatie een aanzienlijke bron van inkomsten bieden”, op goede gronden mocht verwachten dat die maatregelen zouden bijdragen tot een verhoging van de druk op de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de invasie van Oekraïne. Zoals de Raad benadrukt, hoeft hij bovendien niet aan te tonen dat de beperkende maatregelen een dergelijk gevolg hebben, maar enkel dat zij een dergelijk gevolg kunnen hebben (arrest van 25 juni 2020, VTB Bank/Raad, C‑729/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:499, punt 66).

97 Uit het voorgaande volgt dat het derde deel van gewijzigd criterium g) niet kennelijk onevenredig is, overeenkomstig artikel 21 VEU, gelet op de nagestreefde doelstellingen om een einde te maken aan de flagrante schending van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne.

iii) Schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel

98 Verzoeker betoogt dat het derde deel van gewijzigd criterium g) in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, aangezien ten eerste de uitbreiding van de kring van personen die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen onvoorzienbaar is en de betrokkenen niet in staat stelt hun gedrag af te stemmen op de besluiten van de Raad, en ten tweede de sectoren waarop gewijzigd criterium g) betrekking heeft, niet zijn gedefinieerd.

99 Wat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat iedere justitiabele bij wie een instelling van de Unie met door haar gedane precieze toezeggingen gegronde verwachtingen heeft gewekt, zich op dat laatste beginsel kan beroepen. Wanneer een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige maatregel van de Unie evenwel kan voorzien, kan hij zich niet op dit beginsel beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld (zie arrest van 17 februari 2017, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad, T‑14/14 en T‑87/14, EU:T:2017:102, punt 191 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

100 Voorts impliceert het rechtszekerheidsbeginsel dat de regelgeving van de Unie duidelijk en nauwkeurig is en dat de toepassing ervan voorzienbaar is voor de justitiabelen (zie arresten van 5 maart 2015, Europäisch-Iranische Handelsbank/Raad, C‑585/13 P, EU:C:2015:145, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 17 februari 2017, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad, T‑14/14 en T‑87/14, EU:T:2017:102, punt 192 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101 Met betrekking tot verzoekers argument dat niet is vastgesteld welke sectoren een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de Russische regering, moet worden opgemerkt dat het begrip „aanzienlijke bron van inkomsten” inderdaad noch in gewijzigd besluit 2014/145, noch in gewijzigde verordening nr. 269/2014 wordt gedefinieerd. Het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord „aanzienlijke”, dat de nominale groep „bron van inkomsten” kwalificeert, wijst er echter op dat die bron van inkomsten significant en dus niet verwaarloosbaar moet zijn (arrest van 6 september 2023, Pumpyanskiy/Raad, T‑291/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:499, punt 63).

102 Gelet op het in punt 94 hierboven in herinnering gebrachte logische verband tussen enerzijds het feit dat wordt gedoeld op de in het derde deel van gewijzigd criterium g) bedoelde personen en anderzijds het doel van de beperkende maatregelen in casu, moet worden geoordeeld dat de bewoordingen van het derde deel van gewijzigd criterium g) duidelijk en nauwkeurig zijn en dat de toepassing ervan voorzienbaar is voor de justitiabelen, die overeenkomstig de in de punten 99 en 100 hierboven aangehaalde rechtspraak kunnen voorzien dat een maatregel van de Unie wordt vastgesteld die hun belangen kan aantasten.

103 Derhalve kan verzoeker niet op goede gronden stellen dat de bepalingen die voorzien in het derde deel van gewijzigd criterium g) het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel schenden.

2) Eerste deel van gewijzigd criterium g), en criterium f)

104 Uit punt 156 hieronder blijkt dat de Raad in de derde handhavingshandelingen een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen heeft aangedragen waaruit kan blijken dat verzoeker een zakenman is die actief is in een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie, in de zin van het derde deel van gewijzigd criterium g).

105 Aangezien dit deel – zoals in de punten 83, 97 en 103 hierboven is opgemerkt – geen schending inhoudt van het vermoeden van onschuld, de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, moet de exceptie van onwettigheid die is gericht tegen de bepalingen van besluit 2014/145 en van verordening nr. 269/2014 die voorzien in het eerste deel van gewijzigd criterium g) en in criterium f), wat de derde handhavingshandelingen betreft, als niet ter zake dienend worden afgewezen.

106 Bijgevolg moet het vierde middel in zijn geheel worden afgewezen.

2. Eerste middel: beoordelingsfouten

107 Verzoeker betwist dat de plaatsing en handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten krachtens de bestreden handelingen gegrond is.

108 Ten eerste betoogt verzoeker dat hij niet verantwoordelijk is voor, geen steun heeft verleend aan of geen uitvoering heeft gegeven aan acties of beleidsmaatregelen die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, in de zin van het criterium van artikel 2, lid 1, onder a), van besluit 2014/145 en van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening nr. 269/2014 [hierna: „criterium a)”].

109 Ten tweede betwist hij dat hij materiële steun heeft verleend en profijt trekt van de regering van de Russische Federatie, in de zin van criterium f).

110 Wat ten derde uitvoeringsverordening 2022/581 en de eerste handhavingshandelingen betreft, betwist hij dat hij een vooraanstaand zakenman is die actief is in economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, in de zin van oorspronkelijk criterium g). Wat de derde handhavingshandelingen betreft, betwist hij dat hij een vooraanstaand zakenman is die actief is in Rusland en betrokken is bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, in de zin van gewijzigd criterium g).

111 De Raad bestrijdt verzoekers argumenten.

112 Om te beginnen moeten verzoekers argumenten dat zijn naam op grond van criterium a) op de litigieuze lijsten is geplaatst en gehandhaafd, als niet ter zake dienend worden afgewezen. Uit de motivering van de bestreden handelingen blijkt immers duidelijk dat verzoekers naam in uitvoeringsverordening 2022/581 en in de eerste handhavingshandelingen op de litigieuze lijsten is geplaatst en gehandhaafd op grond van criterium f) en oorspronkelijk criterium g), en in de derde handhavingshandelingen op die lijsten is gehandhaafd op grond van criterium f) en gewijzigd criterium g). Daarentegen is verzoekers naam in de bestreden handelingen niet op deze lijsten geplaatst of gehandhaafd op grond van criterium a).

113 Voorts zij eraan herinnerd dat de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest onder meer vereist dat de Unierechter zich ervan vergewist dat het besluit tot vaststelling of handhaving van beperkende maatregelen, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon of entiteit, op een voldoende solide feitelijke grondslag berust. Dat betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119, en 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 128).

114 Het staat aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon of entiteit in aanmerking genomen redenen gegrond zijn en niet aan laatstbedoelde om het negatief bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 121, en 3 juli 2014, National Iranian Tanker Company/Raad, T‑565/12, EU:T:2014:608, punt 57).

115 Bij de beoordeling van de gegrondheid van deze redenen moeten de bewijzen en de informatie niet afzonderlijk maar in hun context worden onderzocht. De Raad voldoet namelijk aan de op hem rustende bewijslast indien hij de Unierechter een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan het bestaan van een toereikend verband tussen de aan een bevriezingsmaatregel onderworpen persoon en het regime of, in het algemeen, de bestreden situaties kan worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 20 juli 2017, Badica en Kardiam/Raad, T‑619/15, EU:T:2017:532, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

116 In het licht van deze overwegingen moet worden onderzocht of de plaatsing en de handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten gegrond is.

a) Uitvoeringsverordening 2022/581

117 Er zij aan herinnerd dat de redenen waarom verzoekers naam op de litigieuze lijsten is geplaatst, zijn uiteengezet in punt 9 hierboven.

118 De documenten waarop de Raad zich heeft gebaseerd om de oorspronkelijke handelingen vast te stellen en die waren opgenomen in het dossier met referentie WK 5049/2022 van 5 april 2022 (hierna: „bewijsdossier”), zijn met name de volgende:

– een screenshot van de website van het tijdschrift Forbes van 10 maart 2022, waarin verzoekers profiel wordt beschreven en zijn vermogen op 3,3 miljard US-dollar (USD) (ongeveer 3,04 miljard EUR) wordt geraamd, waarmee hij op plaats 727 van de wereldranglijst staat (hierna: „bewijsstuk nr. 1”);

– een artikel van 16 maart 2012, geraadpleegd op 10 maart 2022, met door het Internationaal Consortium van onderzoeksjournalisten (ICIJ) verspreide informatie, en een document dat afkomstig is van de website Wikileaks, waaruit blijkt dat er banden bestaan tussen de door verzoeker gecontroleerde tabaksondernemingen en Russische liefdadigheidsinstellingen wat erop wijst dat hij banden heeft met voormalige agenten van de Russische geheime diensten (hierna: „bewijsstuk nr. 2”);

– een artikel van 1 juni 2015, geraadpleegd op 10 maart 2022, dat werd verspreid op de website mainfin.ru over verzoekers economische en liefdadigheidsactiviteiten (hierna: „bewijsstuk nr. 3”);

– een artikel van 31 maart 2017, gepubliceerd op de website kyivipost.com, en een artikel van 28 januari 2019 van de Russische uitgave van het tijdschrift Forbes, die werden geraadpleegd op 10 maart 2022, waaruit blijkt dat de Mercury Group eigenaar is van de vuurwapenfabriek Degtyarev (hierna: „bewijsstuk nr. 4”);

– informatie die op 17 oktober 2016 op de website van de president van Oekraïne werd overgenomen, een artikel van 19 oktober 2016 dat op de website biz.liga.net werd verspreid, het op de website kyivipost.com gepubliceerde artikel dat deel uitmaakt van bewijsstuk nr. 4 en een uittreksel in het Russisch van de encyclopedie Wikipedia, alle geraadpleegd op 10 maart 2022, waaruit blijkt dat verzoeker banden met het regime van Poetin heeft, alsook een artikel van 21 maart 2022 dat op de website van het nieuwsmagazine Vladimirskiye News werd gepubliceerd, geraadpleegd op 21 maart 2022, waaruit blijkt dat verzoeker een meerderheidsbelang heeft in de vennootschap die eigenaar is van de Degtyarev-fabriek (hierna: „bewijsstuk nr. 5”).

119 Vooraf moet worden opgemerkt dat verzoeker de Raad verwijt zich te hebben gebaseerd op onbetrouwbare, vooringenomen en zelfs foutieve informatiebronnen. Deze bewering, die in algemene bewoordingen is geformuleerd, geeft evenwel niet aan om welke bewijselementen het zou gaan en wordt door geen enkel voldoende nauwkeurig argument gestaafd. Bijgevolg kan deze bewering niet worden aanvaard.

120 Nagegaan moet worden of de plaatsing van verzoekers naam op de litigieuze lijsten op grond van oorspronkelijk criterium g) gegrond is.

121 Dienaangaande blijkt uit de motivering van uitvoeringsverordening 2022/581 dat de plaatsing op de lijst op grond van dat criterium berust op de omstandigheden dat verzoeker ten eerste „eigenaar en voorzitter [is] van de Mercury Group, die eigenaar is van de Megapolis Group, de belangrijkste distributeur van tabak in Rusland” en ten tweede „de grootste aandeelhouder [is] van de Degtyarev-fabriek, een Russisch bedrijf dat wapens produceert die door de Russische strijdkrachten worden gebruikt”.

122 Wat de reden inzake de Mercury Group en de Megapolis Group betreft, voert verzoeker aan dat het enkele feit dat hij voorzitter van de Mercury Group en een van de eigenaren van de Megapolis Group was, niet volstond om de plaatsing van zijn naam op de litigieuze lijsten te rechtvaardigen. Hij voegt daaraan toe dat de Mercury Group actief is in de FMCG-sector (fast moving consumer goods; hierna: „FMCG’s”) en dat de Russische regering slechts belastinginkomsten ontvangt die voortvloeien uit de activiteiten van die groep en haar aandeelhouders in Rusland. In dit verband betoogt hij dat de Raad hem niet kan verwijten dat de Mercury Group haar belastingen in Rusland betaalt, aangezien het slechts om een wettelijke verplichting gaat en de aldus gegenereerde inkomsten aanzienlijk lager zijn dan die uit de verkoop van olie en gas aan bepaalde lidstaten van de Europese Unie. Hij voegt hieraan toe dat de Raad niet heeft aangetoond dat de tabaks- en de levensmiddelendistributiesector, alsmede de andere sectoren waarin de Mercury Group actief is, meer dan andere sectoren zoals olie, gas, kolen en andere grondstoffen, een aanzienlijke bron van inkomsten vormden voor de Russische regering.

123 De Raad betwist verzoekers argumenten.

124 Vastgesteld moet worden dat oorspronkelijk criterium g) volgens de bewoordingen ervan het begrip „vooraanstaande zakenlieden” hanteert in combinatie met het „betrokken [zijn] bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de Russische regering”, zonder dat andere voorwaarden betreffende het bestaan van een directe of indirecte band met die regering worden gesteld. Het doel van dit criterium is namelijk om een zo groot mogelijke druk op de Russische autoriteiten uit te oefenen opdat zij een einde maken aan hun acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd, en aan de militaire agressie tegen dat land (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

125 Zoals in punt 94 hierboven is opgemerkt, bestaat er dienaangaande een logisch verband tussen enerzijds het feit dat wordt gedoeld op vooraanstaande zakenlieden die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de Russische regering en anderzijds het doel van de beperkende maatregelen in casu, namelijk meer druk uitoefenen op de Russische Federatie en haar een hogere prijs laten betalen voor haar acties die erop gericht zijn de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne te ondermijnen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126 Gelet op de formulering van dit criterium moeten de betrokken personen als vooraanstaand worden beschouwd wegens het belang dat zij vertegenwoordigen in de sector waarin zij actief zijn en het belang dat die sector vertegenwoordigt voor de Russische economie. In dit verband moet het begrip „vooraanstaande zakenlieden” dan ook aldus worden opgevat dat het doelt op het belang van deze zakenlieden in termen van onder meer hun professionele status, het belang van hun economische activiteiten, de omvang van hun kapitaalbezit of de functies die zij bekleden binnen een of meer ondernemingen waarin zij deze activiteiten uitoefenen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 143 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

127 In casu voert verzoeker aan – zonder dat de Raad dit betwist – dat „Mercury Group” een officieuze naam is die wordt gebruikt om een aantal verbonden vennootschappen aan te duiden. Verzoeker erkent in dit verband dat hij voorzitter is van de Mercury Group en dat de Megapolis Group 75 % van de Russische markt voor de distributie van tabaksproducten in handen heeft. Hij voegt daaraan toe dat hij indirect 40,95 % bezit van het kapitaal van Megapolis Distribution B.V., die op haar beurt 100 % bezit van het kapitaal van de vennootschap JSC Trading Company Megapolis, die FMCG’s verhandelt. Verzoeker bezit eveneens 37,245 % van Mercury Retail.

128 Hieruit volgt dat de Raad genoegzaam heeft aangetoond dat verzoeker een vooraanstaand zakenman in de zin van oorspronkelijk criterium g) was.

129 Met betrekking tot de vraag of de sectoren waarin verzoeker actief is een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de Russische regering, is in punt 101 hierboven in herinnering gebracht dat het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord „aanzienlijke”, dat de nominale groep „bron van inkomsten” kwalificeert, erop wijst dat die bron van inkomsten significant en dus niet verwaarloosbaar moet zijn.

130 In casu blijkt uit bewijsstuk nr. 3 dat verzoeker een „tabaksmagnaat” is en dat hij „op dit gebied miljarden verdient”. Hij wordt in dit artikel vier keer een miljardair genoemd.

131 Daarenboven wijst de Raad er in antwoord op verzoekers argumenten op dat tabaksproducten van nationale oorsprong in het belastingjaar 2018‑2019 in Rusland belastinginkomsten van ongeveer 560 miljard Russische roebel (RUB) (ongeveer 5,4 miljard EUR) hebben gegenereerd, dat dit bedrag in 2020 met ongeveer 20 % is gestegen en dat die belastinginkomsten in 2021 1,96 % van de Russische staatsbegroting vertegenwoordigden. Deze cijfers worden door verzoeker zelf erkend. Aangenomen moet worden dat deze gegevens wijzen op het belang van de tabakssector voor de Russische economie en op het feit dat deze sector de Russische regering dus een aanzienlijke bron van inkomsten in de zin van oorspronkelijk criterium g) verschaft.

132 Wat het argument betreft dat de Raad niet heeft aangetoond dat de tabakssector meer dan andere sectoren een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de Russische regering, in de zin van oorspronkelijk criterium g), zij opgemerkt dat, gesteld al dat is aangetoond dat bepaalde sectoren voor de Russische regering een grotere bron van inkomsten vormen dan de tabakssector, dit niet wegneemt dat de inkomsten uit laatstgenoemde sector aanzienlijk kunnen zijn. Overigens moet worden vastgesteld dat de toepassing van oorspronkelijk criterium g) de Raad niet verplicht om rekening te houden met alle belastinginkomsten van de Russische staatsbegroting, maar om na te gaan of de economische sector waarin verzoeker actief is een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie (zie in die zin arrest van 6 september 2023, Khudaverdyan/Raad, T‑335/22, niet gepubliceerd, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2023:500, punt 109).

133 Daaruit volgt dat de Raad, met betrekking tot verzoekers activiteiten in het kader van de Mercury Group, een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen heeft aangedragen waaruit kan blijken dat verzoeker een vooraanstaand zakenman is die actief is in een economische sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie, in de zin van oorspronkelijk criterium g).

134 Volgens de rechtspraak geldt aangaande de toetsing van de wettigheid van een besluit houdende vaststelling van beperkende maatregelen dat – gelet op de preventieve aard van die maatregelen – indien de Unierechter oordeelt dat ten minste één van de genoemde redenen voldoende nauwkeurig en concreet is, gestaafd is en op zich een toereikende grondslag voor dat besluit vormt, de omstandigheid dat andere van die redenen dat niet zijn, niet kan leiden tot de nietigverklaring van dat besluit (zie arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

135 Bijgevolg moet het tweede middel ongegrond worden verklaard ten aanzien van uitvoeringsverordening 2022/581, zonder dat hoeft te worden onderzocht of de overige grieven van verzoeker, waarmee hij de gegrondheid van de plaatsing van zijn naam op de litigieuze lijsten op grond van oorspronkelijk criterium g) of op grond van criterium f) ter discussie tracht te stellen, gegrond zijn.

b) Eerste handhavingshandelingen

136 Er zij aan herinnerd dat beperkende maatregelen bewarend en, per definitie, voorlopig van aard zijn; hun geldigheid hangt altijd af van de vraag of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, blijven voortbestaan, en of voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel de handhaving van deze maatregelen vereist is. Hieruit volgt dat het bij de periodieke heroverweging van deze beperkende maatregelen aan de Raad staat om een geactualiseerde beoordeling van de situatie uit te voeren en een balans op te maken van het effect van die maatregelen, teneinde te bepalen of zij de door de initiële plaatsing van de namen van de betrokken personen en entiteiten op de litigieuze lijst beoogde doelstellingen hebben kunnen verwezenlijken en of met betrekking tot deze personen en entiteiten nog steeds dezelfde conclusie kan worden getrokken (arresten van 27 april 2022, Ilunga Luyoyo/Raad, T‑108/21, EU:T:2022:253, punt 55, en 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2022:716, punt 168).

137 Het is de Raad niet verboden om zich ter rechtvaardiging van de handhaving van de naam van een persoon op een lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen te baseren op dezelfde bewijzen als die welke de aanvankelijke plaatsing, de hernieuwde plaatsing of de eerdere handhaving van de naam van de betrokken persoon op de lijst in kwestie rechtvaardigden, mits, ten eerste, de redenen voor plaatsing ongewijzigd blijven en, ten tweede, de context niet zodanig is gewijzigd dat die bewijzen achterhaald zijn (arrest van 23 september 2020, Kaddour/Raad, T‑510/18, EU:T:2020:436, punt 99).

138 Deze context bestaat niet alleen uit de situatie van het land ten aanzien waarvan het stelsel van beperkende maatregelen is ingesteld, maar ook uit de specifieke situatie van de betrokken persoon (arrest van 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

139 Ook is de handhaving van de naam van een persoon of entiteit op een lijst nog steeds gerechtvaardigd in het licht van alle relevante omstandigheden, waaronder met name het feit dat de met de betrokken beperkende maatregelen beoogde doelstellingen niet zijn bereikt (zie in die zin arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punten 83 en 84).

140 Uit artikel 6 van gewijzigd besluit 2014/145 volgt dat de oorspronkelijke handelingen alsmede de opeenvolgende handhavingshandelingen voortdurend worden geëvalueerd en, zo nodig, worden verlengd of gewijzigd indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt. Artikel 14, lid 4, van verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd, bepaalt dat de lijst in de bijlage erbij op gezette tijden, en ten minste om de twaalf maanden, wordt geëvalueerd.

141 In de onderhavige zaak moet in herinnering worden gebracht dat de redenen waarom verzoekers naam in de eerste handhavingshandelingen op de litigieuze lijsten werd gehandhaafd, identiek zijn aan die in uitvoeringsverordening 2022/581.

142 Overeenkomstig de in punt 137 hierboven genoemde rechtspraak moet worden nagegaan of de context, de doelstellingen van de beperkende maatregelen in kwestie en de individuele situatie van verzoeker handhaving van zijn naam op de lijst rechtvaardigden op grond van ongewijzigde redenen.

143 Wat de algemene context van de situatie in Oekraïne betreft, zij erop gewezen dat deze situatie op de datum van vaststelling van de eerste handhavingshandelingen nog steeds ernstig was.

144 Evenzo beantwoorden de beperkende maatregelen aan het nagestreefde doel, namelijk druk uit te oefenen op de Russische regering opdat zij een einde maakt aan haar acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd.

145 Aangaande zijn individuele situatie betwist verzoeker andermaal, wat de handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten op grond van oorspronkelijk criterium g) betreft, dat hij een activiteit uitoefent in een sector die een aanzienlijke bron van inkomsten vormt voor de regering van de Russische Federatie. Hij betoogt ten eerste dat hij noch eigenaar noch voorzitter van de Mercury Group is en dat de vennootschappen Philip Morris International en Japanese Tobacco International sinds 2017 tezamen een grotere deelneming in het kapitaal van de Mercury Group bezitten dan hij, en ten tweede dat de Raad niet heeft aangetoond dat de tabakssector meer dan andere sectoren een dergelijke bron van inkomsten vormt voor de regering. Hij voert in het bijzonder aan dat de accijnzen niet door de distributeurs maar door de tabaksproducenten worden betaald en slechts 2,36 % van de staatsbegroting vertegenwoordigen, en dat de door de tabakssector gegenereerde accijnzen in 2021 hiervan slechts 1,96 % bedroegen. Daaraan voegt hij toe dat het onwettig is om zijn naam op de litigieuze lijsten te handhaven wegens het feit dat hij eigenaar is van of zeggenschap heeft over een keten van voedingswinkels, omdat voeding noodzakelijk en van levensbelang is.

146 De Raad bestrijdt verzoekers argumenten.

147 Uit de in punt 118 hierboven genoemde bewijsstukken nrs. 1, 2, 3, 4 en 5 blijkt dat verzoeker eigenaar en voorzitter van de Mercury Group is. Om deze feitelijke elementen te betwisten, moet echter worden opgemerkt dat verzoeker slechts betoogt – zonder dit te staven – dat hij niet langer eigenaar of voorzitter is van deze groep, maar slechts een uiteindelijke begunstigde ervan.

148 Bovendien geeft hij toe eigenaar te zijn van 40,95 % van het kapitaal van Megapolis. De omstandigheid dat de vennootschappen Philip Morris International en Japanese Tobacco International sinds 2017 tezamen een deelneming van 46 % in het kapitaal van de Mercury Group bezitten, die dus groter is dan zijn deelneming, is in dat verband irrelevant.

149 Voorts betwist verzoeker niet dat de Mercury Group eigenaar is van de Megapolis Group, de belangrijkste tabaksdistributeur in Rusland. Dienaangaande blijkt uit bewijsstuk nr. 1 dat Megapolis 70 % van de markt voor de distributie van sigaretten in Rusland in handen heeft, hetgeen verzoeker niet betwist.

150 Verzoekers argument betreffende de door de tabakssector in de vorm van accijnzen gegenereerde belastinginkomsten kan, gesteld al dat het gegrond is, geen afbreuk doen aan de in punt 131 hierboven aangehaalde redenen.

151 Hieruit volgt dat de Raad, gelet op deze gegevens, geen beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat zich geen wijzigingen hadden voorgedaan in de individuele situatie van verzoeker en door zich op dezelfde gegevens te baseren om diens naam op de litigieuze lijsten te handhaven.

152 Bijgevolg moet overeenkomstig de in punt 134 hierboven aangehaalde rechtspraak het tweede middel ongegrond worden verklaard ten aanzien van de eerste handhavingshandelingen, zonder dat hoeft te worden onderzocht of de overige grieven van verzoeker, waarmee hij de gegrondheid van de handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten op grond van oorspronkelijk criterium g) of op grond van criterium f) ter discussie tracht te stellen, gegrond zijn.

c) Derde handhavingshandelingen

153 In casu zij eraan herinnerd dat de redenen waarom verzoekers naam op de litigieuze lijsten is gehandhaafd, zijn uiteengezet in punt 20 hierboven.

154 Met betrekking tot verzoekers activiteiten in het kader van de Mercury Group en de Megapolis Group, blijkt uit die redenen ten eerste dat hij voormalig voorzitter is van de Mercury Group, die verbonden is met de Megapolis Group, alsook dat hij een van de hoofdaandeelhouders van deze twee entiteiten is, en ten tweede dat hij een vooraanstaand zakenman is die actief is in Rusland en betrokken is bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, in de zin van gewijzigd criterium g).

155 In de memorie houdende aanpassing van 8 december 2023 betwist verzoeker deze elementen niet. Hij voert ook aan dat de Megapolis Group niet actief is in de tabaksindustrie. Hij erkent evenwel dat deze entiteit actief is in de tabaksdistributiesector en betwist niet dat het om de belangrijkste tabaksdistributeur in Rusland gaat. De omstandigheid dat de Megapolis Group ook een distributeur is van andere FMCG’s dan tabak, is in dit verband niet van belang.

156 Daaruit volgt dat de Raad, met betrekking tot verzoekers activiteiten in het kader van de Mercury Group, een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen heeft aangedragen waaruit kan blijken dat verzoeker een zakenman is die betrokken is bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie, in de zin van het derde deel van gewijzigd criterium g).

157 Derhalve moet het eerste middel ongegrond worden verklaard ten aanzien van de derde handhavingshandelingen, zonder dat hoeft te worden onderzocht of de overige grieven van verzoeker gegrond zijn.

158 Bijgevolg moet het eerste middel in zijn geheel worden afgewezen.

3. Tweede middel: schending van het recht om te worden gehoord

159 Verzoeker stelt dat hij niet is gehoord vóór de vaststelling van de bestreden handelingen en dat hij geen kennisgeving heeft ontvangen van de jegens hem vastgestelde beperkende maatregelen, ook al was zijn postadres, wat de eerste handhavingshandelingen betreft, bij de Raad bekend. Om deze redenen heeft verzoeker niet tijdig opmerkingen kunnen maken.

160 De Raad betwist verzoekers argumenten.

161 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging onder meer het recht omvat om te worden gehoord, dat is neergelegd in artikel 41, lid 2, van het Handvest (zie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

162 In het kader van een procedure tot vaststelling van het besluit om de naam van een persoon op een lijst in de bijlage bij een handeling betreffende beperkende maatregelen te plaatsen of te handhaven, vereist de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming dat de bevoegde autoriteit van de Unie aan de betrokkene de gegevens meedeelt waarover deze autoriteit tegen die persoon beschikt om haar besluit op te baseren, zodat die persoon zijn rechten onder de best mogelijke omstandigheden kan verdedigen en met volledige kennis van zaken kan beslissen of hij er baat bij heeft om zich tot de Unierechter te wenden. Bij die mededeling moet de bevoegde autoriteit van de Unie die persoon de mogelijkheid bieden zijn standpunt over de tegen hem in aanmerking genomen redenen naar behoren kenbaar te maken (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 111 en 112; zie tevens in die zin arrest van 12 december 2006, Organisation des Modjahedines du peuple d’Iran/Raad, T‑228/02, EU:T:2006:384, punt 93).

163 Artikel 52, lid 1, van het Handvest aanvaardt echter dat de uitoefening van de daarin vervatte rechten wordt beperkt, voor zover die beperking de wezenlijke inhoud van het betrokken grondrecht eerbiedigt en zij, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk is en daadwerkelijk beantwoordt aan de eisen van door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang (zie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat uitzonderingen op of beperkingen van de rechten van de verdediging konden worden toegestaan, met name op het gebied van beperkende maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

164 Daarnaast moet het bestaan van een schending van de rechten van de verdediging worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval, met name de aard van de betrokken handeling, de context van de vaststelling ervan en de rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

165 Zoals blijkt uit met name de in de punten 34 tot en met 36 hierboven aangehaalde rechtspraak, is in dit verband een individuele kennisgeving van een besluit tot vaststelling van beperkende maatregelen in beginsel weliswaar noodzakelijk, en volstaat de enkele publicatie in het Publicatieblad niet, maar dit neemt niet weg dat de Unierechter in elke zaak dient te onderzoeken of de omstandigheid dat de motivering van het bestreden besluit niet individueel aan de verzoeker is meegedeeld, tot gevolg heeft gehad dat deze niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van de motivering van het bestreden besluit en de gegrondheid van de tegen hem genomen maatregel tot bevriezing van tegoeden en economische middelen niet heeft kunnen beoordelen [zie in die zin arresten van 16 november 2011, Bank Melli Iran/Raad, C‑548/09 P, EU:C:2011:735, punt 56; 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 48, en 22 september 2021, Al-Imam/Raad, T‑203/20, EU:T:2021:605, punt 102 (niet gepubliceerd)].

166 Ten slotte zij erop gewezen dat de betrokken regeling noch het algemene beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging aan de betrokkenen het recht op een hoorzitting toekent, aangezien de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen in te dienen volstaat (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

167 Verder moet nog in herinnering worden geroepen dat de Unierechter een onderscheid maakt tussen enerzijds de initiële plaatsing van de naam van een persoon op de betrokken lijsten en anderzijds de handhaving van de naam van die persoon op die lijsten (zie in die zin arrest van 30 april 2015, Al-Chihabi/Raad, T‑593/11, EU:T:2015:249, punt 40).

– Uitvoeringsverordening 2022/581

168 Verzoeker stelt dat hij niet is gehoord vóór de vaststelling van uitvoeringsverordening 2022/581 en dat hij geen kennisgeving heeft ontvangen van de jegens hem in die handeling vastgestelde beperkende maatregelen.

169 Met betrekking tot beperkende maatregelen moet in herinnering worden gebracht dat de Raad bij een oorspronkelijk besluit niet verplicht is om de betrokken persoon of entiteit vooraf de redenen mee te delen op grond waarvan die instelling de naam van die persoon of die entiteit op de lijsten in kwestie wil plaatsen. Een dergelijke maatregel moet, om de doeltreffendheid ervan niet in gevaar te brengen, naar zijn aard immers een verrassingseffect kunnen hebben en moet onmiddellijk worden toegepast. In een dergelijk geval volstaat het in beginsel dat de instelling de betrokken persoon of entiteit de redenen meedeelt en hem het recht verleent om bij de vaststelling van dat besluit, of onmiddellijk erna, te worden gehoord (zie in die zin arresten van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 61, en 14 oktober 2009, Bank Melli Iran/Raad, T‑390/08, EU:T:2009:401, punten 92 en 93).

170 Zoals blijkt uit punt 10 hierboven, hebben in casu de redenen voor de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten het voorwerp gevormd van een mededeling die bekendgemaakt is in het Publicatieblad van 11 april 2022.

171 Ten eerste bewijst noch stelt verzoeker dat de Raad op de datum van vaststelling van uitvoeringsverordening 2022/581 over zijn adres beschikte, en ten tweede heeft hij geen gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om bij de Raad een verzoek tot heroverweging van zijn situatie in te dienen.

172 Bovendien kan verzoeker, gelet op de in punt 166 hierboven genoemde rechtspraak, de Raad niet met succes verwijten dat hij vóór de vaststelling van uitvoeringsverordening 2022/581 niet is gehoord.

173 Bijgevolg moet het tweede middel worden afgewezen ten aanzien van uitvoeringsverordening 2022/581.

– Eerste handhavingshandelingen

174 In herinnering moet worden geroepen dat in geval van een besluit tot bevriezing van tegoeden waarbij de naam van een persoon of entiteit die reeds op de lijst is geplaatst van personen of entiteiten waarvan de tegoeden zijn bevroren, op die lijst wordt gehandhaafd, de vaststelling van een dergelijk besluit in beginsel door mededeling van de bezwarende elementen moet worden voorafgegaan en de betrokken persoon of entiteit vóór de vaststelling van dat besluit in de gelegenheid moet worden gesteld om te worden gehoord (zie in die zin arresten van 21 december 2011, Frankrijk/People’s Mojahedin Organization of Iran, C‑27/09 P, EU:C:2011:853, punt 62, en 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 101).

175 Het recht om te worden gehoord voordat een handeling wordt vastgesteld waarbij de naam van een persoon of entiteit wordt gehandhaafd op een lijst van personen of entiteiten die aan beperkende maatregelen zijn onderworpen, moet in acht worden genomen wanneer de Raad ten aanzien van de betrokken personen of entiteiten in het besluit waarbij hun naam op deze lijst wordt gehandhaafd, nieuwe gegevens in aanmerking neemt, dat wil zeggen gegevens die niet voorkwamen in het oorspronkelijke besluit waarbij hun naam op die lijst werd geplaatst (zie arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

176 Wanneer aan de handhaving van de naam van de betrokken personen of entiteiten op een lijst van personen of entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen echter dezelfde redenen ten grondslag liggen als die welke de vaststelling van de oorspronkelijke handeling hebben gemotiveerd, zonder dat ten aanzien van hen nieuwe gegevens in aanmerking zijn genomen, is de Raad, teneinde hun recht om te worden gehoord te eerbiedigen, niet verplicht hun de bezwarende gegevens opnieuw mee te delen (arresten van 7 april 2016, Central Bank of Iran/Raad, C‑266/15 P, EU:C:2016:208, punten 32 en 33, en 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 103).

177 In casu zij eraan herinnerd dat de eerste handhavingshandelingen aan verzoeker zijn meegedeeld bij een op 15 september 2022 in het Publicatieblad bekendgemaakte kennisgeving, dat wil zeggen de dag na de vaststelling van die handelingen.

178 Aangezien de motivering van de bestreden handelingen wat verzoeker betreft niet was gewijzigd, was de Raad in dit verband niet verplicht hem de bezwarende gegevens opnieuw mee te delen.

179 Ongeacht of de Raad overeenkomstig de in de punten 30 en 31 hierboven genoemde bepalingen en rechtspraak verplicht was om verzoeker individueel in kennis te stellen van de eerste handhavingshandelingen, moet voorts in herinnering worden gebracht dat het ontbreken van een individuele mededeling van dergelijke handelingen weliswaar gevolgen heeft voor het tijdstip waarop de beroepstermijn is ingegaan, maar op zich niet rechtvaardigt dat die handelingen nietig worden verklaard. In dit verband heeft verzoeker geen argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat de omstandigheid dat deze handelingen hem niet individueel zijn meegedeeld, in casu tot een inbreuk op zijn rechten heeft geleid die rechtvaardigt dat deze handelingen, voor zover zij hem betreffen, nietig worden verklaard (zie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad, T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

180 Meer bepaald heeft verzoeker niet uiteengezet welke argumenten en bewijzen hij had kunnen aanvoeren indien hem de redenen voor de handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten vroeger en individueel waren meegedeeld, en heeft hij evenmin aangetoond dat die argumenten en bewijzen in zijn geval tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden, namelijk dat de bestreden handeling niet was vastgesteld (zie in die zin arresten van 18 september 2014, Georgias e.a./Raad en Commissie, T‑168/12, EU:T:2014:781, punten 106‑108 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punt 153).

181 Ten slotte kan verzoeker niet met succes stellen dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming is geschonden, aangezien hij beroep heeft kunnen instellen tegen de eerste handhavingshandelingen, los van het feit of de Raad vooraf en individueel kennis heeft gegeven van de vaststelling van die handelingen en van de redenen daarvoor jegens hem.

182 Bijgevolg moet het tweede middel worden afgewezen ten aanzien van de eerste handhavingshandelingen.

– Derde handhavingshandelingen

183 Zoals in punt 39 hierboven is opgemerkt, zijn de derde handhavingshandelingen aan verzoeker meegedeeld bij een op 14 september 2023 in het Publicatieblad bekendgemaakte kennisgeving, dat wil zeggen de dag na de vaststelling van die handelingen.

184 Voor zover verzoeker tegen de derde handhavingshandelingen dezelfde argumenten aanvoert als tegen de eerste handhavingshandelingen, moet worden opgemerkt dat de Raad voor de vaststelling van die handelingen niet is uitgegaan van enig nieuw bezwarend element, in de zin van de in punt 175 hierboven aangehaalde rechtspraak. Derhalve was de Raad, teneinde verzoekers recht om te worden gehoord te eerbiedigen, niet verplicht om hem de ten laste gelegde bezwarende gegevens opnieuw mee te delen.

185 Bijgevolg moet het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.

4. Derde middel: schending van de artikelen 6, 8, 16 en 17 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 52 ervan, en van het evenredigheidsbeginsel

186 Het derde middel bestaat uit twee onderdelen.

– Eerste onderdeel van het derde middel: schending van de artikelen 6, 8, 16 en 17 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 52 ervan

187 Verzoeker stelt dat de bestreden handelingen de artikelen 6, 8, 16 en 17 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 52 ervan, schenden voor zover zij inbreuk maken op zijn in artikel 6 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid en veiligheid alsook op zijn in artikel 8 van het Handvest neergelegde recht op bescherming van persoonsgegevens, op zijn in artikel 16 van het Handvest neergelegde recht op ondernemerschap en op zijn recht op eigendom, aangezien krachtens artikel 17 van het Handvest eenieder het recht heeft om de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen, in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Hij stelt eveneens dat de tegen hem genomen beperkende maatregelen berusten op een feitelijk onjuiste motivering, dat zij niet noodzakelijk of nuttig zijn voor de doelstellingen die de Raad nastreeft na de militaire operatie van de Russische Federatie in Oekraïne, en dat zij – in strijd met artikel 52 van het Handvest en het evenredigheidsbeginsel – voor onbepaalde tijd gelden.

188 De Raad betwist verzoekers argumenten.

189 Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 53 van dat Statuut, en artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil, de aangevoerde middelen en argumenten alsmede een summiere uiteenzetting van die middelen en de conclusies van de verzoekende partij moet bevatten. Die elementen moeten voldoende duidelijk en nauwkeurig worden uiteengezet, opdat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, zonder dat het in voorkomend geval andere inlichtingen hoeft in te winnen. Opdat een beroep ontvankelijk is, moeten de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken, teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen (zie in die zin arresten van 4 december 2015, Sarafraz/Raad, T‑273/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:939, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punt 138 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

190 In casu moet worden vastgesteld dat de grieven inzake schending van de artikelen 6 en 8 van het Handvest op geen enkele wijze worden onderbouwd, zodat zij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

191 Wat de grieven inzake schending van de artikelen 16 en 17 van het Handvest betreft, moet worden vastgesteld dat deze bepalingen respectievelijk de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom vastleggen, die deel uitmaken van de algemene beginselen van het Unierecht. Het is juist dat de beperkende maatregelen in de bestreden handelingen, ondanks hun bewarende aard, verzoeker beperken in de uitoefening van deze grondrechten.

192 De grondrechten waarop verzoeker zich beroept hebben echter geen absolute gelding en de uitoefening ervan kan aan beperkingen worden onderworpen onder de voorwaarden van artikel 52, lid 1, van het Handvest, waarin is bepaald dat „[b]eperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden [...] bij wet [moeten] worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden [moeten] eerbiedigen” en voorts dat „[m]et inachtneming van het evenredigheidsbeginsel [...] slechts beperkingen [kunnen] worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”.

193 Om met het Unierecht in overeenstemming te zijn, moet een beperking op de uitoefening van de fundamentele rechten en vrijheden dus voldoen aan vier voorwaarden. Ten eerste moet zij „bij wet worden gesteld”, in die zin dat de instelling van de Unie die maatregelen neemt die de grondrechten van een natuurlijke persoon of rechtspersoon kunnen inperken, daarvoor over een rechtsgrondslag moet beschikken. Ten tweede moet de beperking de wezenlijke inhoud van die rechten eerbiedigen. Ten derde moet zij beantwoorden aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang. Ten vierde moet de beperking evenredig zijn (zie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad, T‑125/22, EU:T:2022:483, punten 145 en 222 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

194 Geoordeeld is dat de beperkende maatregelen van besluit 2014/145 en verordening nr. 269/2014, die zijn opgelegd aan de natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen die in de lijsten bij die handelingen zijn opgenomen, aan die vier voorwaarden voldeden (arresten van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punten 195‑200, en 6 december 2023, Zubitskiy/Raad, T‑359/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:779, punten 98‑105).

195 Wat het argument betreft dat verzoeker de door Rusland in Oekraïne gevoerde oorlog niet zelf financiert met de belastingen die hij betaalt, zij eraan herinnerd dat volgens de bewoordingen van oorspronkelijk en gewijzigd criterium g) de economische sector, en niet de natuurlijke of rechtspersoon waarvan de naam op de litigieuze lijsten is geplaatst, een aanzienlijke bron van inkomsten voor de regering van de Russische Federatie moet vormen (arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 156).

196 Met betrekking tot het argument dat de Raad niet heeft aangetoond dat de handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten het voorwerp is geweest van een onderzoek waarbij is nagegaan of de beperkende maatregelen in kwestie geschikt waren om het beoogde doel te bereiken, moet in herinnering worden geroepen dat uit de in de punten 193 en 194 hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt dat de betrokken beperkende maatregelen geschikt waren. Zoals het Gerecht reeds heeft geoordeeld kunnen dergelijke maatregelen als zodanig, gelet op voor de internationale gemeenschap zo fundamentele doelstellingen van algemeen belang als het uitoefenen van druk op de Russische autoriteiten opdat zij een einde maken aan hun acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd, immers niet voor ongeschikt worden gehouden (arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 199). Voorts heeft de Raad geen beoordelingsfout gemaakt door te besluiten verzoekers naam op de litigieuze lijsten te plaatsen.

197 Uit een en ander volgt dat het eerste onderdeel van het derde middel moet worden afgewezen.

– Tweede onderdeel van het derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken