Gerecht EU 27 september 2018, T-288/15, ECLI:EU:T:2018:619
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid)
27 september 2018 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen wegens de situatie in Egypte – Bevriezing van tegoeden – Ontvankelijkheid – Doelstellingen – Criteria voor opname op de lijst van personen voor wie de maatregelen gelden – Verlenging van de plaatsing van verzoekers op de lijst van personen voor wie de maatregelen gelden – Feitelijke grondslag – Exceptie van onwettigheid – Rechtsgrondslag – Evenredigheid – Recht op een eerlijk proces – Vermoeden van onschuld – Recht op behoorlijk bestuur – Onjuiste rechtsopvatting – Kennelijk onjuiste beoordeling – Recht op eigendom – Rechten van de verdediging – Recht op effectieve rechterlijke bescherming”
In zaak T‑288/15,
Ahmed Abdelaziz Ezz, wonende te Gizeh (Egypte),
Abla Mohammed Fawzi Ali Ahmed Salama, wonende te Caïro (Egypte),
Khadiga Ahmed Ahmed Kamel Yassin, wonende te Gizeh,
Shahinaz Abdel Azizabdel Wahab Al Naggar, wonende te Gizeh,
aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Lewis, B. Kennelly, QC, J. Pobjoy, barrister, J. Binns, S. Rowe, solicitors, en J.‑F. Bellis, advocaat, vervolgens door Kennelly, Pobjoy, Rowe en H. de Charette, advocaat,
verzoekende partijen,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bishop en I. Gurov als gemachtigden,
verwerende partij,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van ten eerste besluit (GBVB) 2015/486 van de Raad van 20 maart 2015 tot wijziging van besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB 2015, L 77, blz. 16), ten tweede besluit (GBVB) 2016/411 van de Raad van 18 maart 2016 tot wijziging van besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB 2016, L 74, blz. 40) en ten derde besluit (GBVB) 2017/496 van de Raad van 21 maart 2017 tot wijziging van besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB 2017, L 76, blz. 22), voor zover deze handelingen betrekking hebben op verzoekers,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: D. Gratsias (rapporteur), president, I. Labucka, A. Dittrich, I. Ulloa Rubio en P. G. Xuereb, rechters,
griffier: L. Grzegorczyk, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 juli 2017,
het navolgende
Arrest
I. Voorgeschiedenis van het geding en feitelijk kader
A. Door de Raad jegens verzoekers vastgestelde handelingen
1 Ten gevolge van de politieke gebeurtenissen in Egypte sinds januari 2011 heeft de Raad van de Europese Unie op 21 maart 2011 krachtens artikel 29 VEU besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte (PB 2011, L 76, blz. 63) vastgesteld.
2 De overwegingen 1 en 2 van besluit 2011/172 luiden als volgt: „(1) Op 21 februari 2011 verklaarde de Europese Unie zich bereid steun te verlenen aan de vreedzame en ordelijke overgang naar een op de beginselen van de rechtsstaat gebaseerde civiele en democratische regering in Egypte, die de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden volledig eerbiedigt, alsook aan de totstandbrenging van een economie die de sociale cohesie versterkt en de groei bevordert. (2) In dit verband dienen beperkende maatregelen te worden vastgesteld tegen personen die zijn geïdentificeerd als zijnde verantwoordelijk voor het verduisteren van Egyptische overheidsmiddelen, en daarmee de Egyptische bevolking beroven van de voordelen van een duurzame ontwikkeling van haar economie en samenleving, en de ontwikkeling van de democratie in het land ondermijnen.”
3 Artikel 1, lid 1, van dit besluit bepaalt: „Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van of in bezit zijn van personen die zijn geïdentificeerd als zijnde verantwoordelijk voor het verduisteren van Egyptische overheidsmiddelen, of van de met hen geassocieerde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen als vermeld in de bijlage, worden bevroren.”
4 Artikel 5, tweede alinea, van dit besluit bepaalde in zijn oorspronkelijke versie dat dit besluit tot 22 maart 2012 van toepassing was. De derde alinea van dit besluit bepaalt dat dit besluit voortdurend wordt getoetst en zo nodig kan worden verlengd of gewijzigd, indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt. Overeenkomstig dat artikel 5, derde alinea, heeft de Raad het betrokken besluit meermaals verlengd voor een periode van een jaar bij achtereenvolgens besluit 2012/159/GBVB van 19 maart 2012 (PB 2012, L 80, blz. 18), besluit 2013/144/GBVB van 21 maart 2013 (PB 2013, L 82, blz. 54), besluit 2014/153/GBVB van 20 maart 2014 (PB 2014, L 85, blz. 9), besluit (GBVB) 2015/486 van 20 maart 2015 (PB 2015, L 77, blz. 16), besluit (GBVB) 2016/411 van 18 maart 2016 (PB 2016, L 74, blz. 40) en besluit (GBVB) 2017/496 van 21 maart 2017 (PB 2017, L 76, blz. 22).
5 Verzoekers, Ahmed Abdelaziz Ezz, Abla Mohamed Fawzi Ali Ahmed Salama, Khadiga Ahmed Ahmed Kamel Yassin en Shahinaz Abdel Azizabdel Wahab Al Naggar, waren sinds de vaststelling van besluit 2011/172 respectievelijk als zevende, achtste, negende en tiende op de lijst in de bijlage bij dit besluit geplaatst. De identificatiegegevens op deze lijst waren voor de eerste verzoeker „Voormalig parlementslid; Geboortedatum: 12.01.1959; Man”, voor de tweede verzoekster „Echtgenote van de heer Ahmed Abdelaziz Ezz; Geboortedatum: 31.01.1963; Vrouw”, voor de derde verzoekster „Echtgenote van de heer Ahmed Abdelaziz Ezz; Geboortedatum: 25.05.1959; Vrouw” en voor de vierde verzoekster „Echtgenote van de heer Ahmed Abdelaziz Ezz; Geboortedatum: 09.10.1969; Vrouw”. Besluit 2017/496 heeft een rectificatie van de naam van de tweede verzoekster aangebracht.
6 De reden, zoals gewijzigd bij rectificatie van besluit 2011/172 (PB 2014, L 203, blz. 113), waarom verzoekers op deze lijst waren geplaatst, was de volgende: „Op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie wordt door de Egyptische autoriteiten een gerechtelijke procedure ingesteld tegen deze persoon wegens het verduisteren van overheidsgelden.” Deze reden is bij de opeenvolgende verlengingen van dit besluit dezelfde gebleven. De bij besluit 2017/496 ingevoerde wijzigingen inzake de reden voor plaatsing op de lijst hadden immers geen betrekking op verzoekers, maar betroffen alleen andere personen op deze lijst.
7 Krachtens artikel 215, lid 2, VWEU en besluit 2011/172 heeft de Raad op 21 maart 2011 verordening (EU) nr. 270/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Egypte vastgesteld (PB 2011, L 76, blz. 4). Deze verordening herhaalt in wezen de bepalingen van besluit 2011/172 en de lijst in bijlage I ervan is identiek aan die in de bijlage bij dat besluit. Uitvoeringsverordening (EU) 2017/491 van de Raad van 21 maart 2017 tot uitvoering van verordening nr. 270/2011 (PB 2017, L 76, blz. 10) heeft wijzigingen aangebracht aan de lijst in bijlage I bij deze verordening, die overeenstemmen met de wijzigingen die besluit 2017/496 heeft ingevoerd.
B. Door verzoekers vóór of gelijktijdig met het onderhavige geschil ingestelde procedures bij de Unierechter
8 Bij een op 20 mei 2011 ingesteld beroep, dat ter griffie van het Gerecht is ingeschreven onder nummer T‑256/11, hebben verzoekers om nietigverklaring van besluit 2011/172 en verordening nr. 270/2011 verzocht, voor zover deze handelingen op hen betrekking hebben.
9 Op 24 mei 2013 hebben verzoekers een nieuw beroep ingesteld, dat ter griffie van het Gerecht is ingeschreven onder nummer T‑279/13, waarmee zij hebben verzocht om nietigverklaring van besluit 2011/172, zoals gewijzigd bij besluit 2013/144, en van verordening nr. 270/2011, „verlengd bij een besluit van de Raad waarvan [hun] kennis is gegeven bij brief van 22 maart 2013”, voor zover deze handelingen op hen betrekking hebben.
10 Het beroep van verzoekers in zaak T‑256/11 is verworpen bij arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad (T‑256/11, EU:T:2014:93). Op 5 mei 2014 hebben verzoekers hogere voorziening ingesteld tegen dat arrest.
11 Op 30 mei 2014 hebben de vier verzoekers elk afzonderlijk beroep ingesteld tegen besluit 2014/153, voor zover dat besluit op hen betrekking heeft (zaken T‑375/14, Al Naggar/Raad; T‑376/14, Yassin/Raad; T‑377/14, Ezz/Raad, en T‑378/14, Salama/Raad).
12 Bij arrest van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad (C‑220/14 P, EU:C:2015:147), is de in punt 10 supra bedoelde hogere voorziening van verzoekers afgewezen.
13 Op 29 mei 2015 hebben verzoekers een verzoek tot aanpassing ingediend om de aanvankelijke conclusies van hun beroep in zaak T‑279/13 uit te breiden naar „besluit (GBVB) 2015/485 van de Raad van 20 maart 2015 tot wijziging van besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte”.
14 Bij beschikking van 15 februari 2016, Ezz e.a./Raad (T‑279/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:78), die is gegeven krachtens artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, is het beroep van verzoekers in de betrokken zaak verworpen. Ten eerste heeft het Gerecht de conclusies van de in punt 13 supra bedoelde memorie houdende aanpassing kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens aanhangigheid. Het Gerecht heeft immers geoordeeld dat de partijen, de middelen en het voorwerp van het onderhavige beroep en deze memorie houdende aanpassing dezelfde waren en dat deze memorie na dit beroep was ingediend (beschikking van 15 februari 2016, Ezz e.a./Raad, T‑279/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:78, punten 22‑30). Ten tweede heeft het de conclusies van het verzoekschrift kennelijk rechtens ongegrond verklaard (beschikking van 15 februari 2016, Ezz e.a./Raad, T‑279/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:78, punten 43‑79).
15 Bij beschikkingen van 21 maart 2016 van de president van de Achtste kamer van het Gerecht zijn zaken T‑375/14, T‑376/14, T‑377/14 en T‑378/14 doorgehaald in het register, omdat verzoekers hun beroep hadden ingetrokken (beschikkingen van 21 maart 2016, Al Naggar/Raad, T‑375/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:185; 21 maart 2016, Yassin/Raad, T‑376/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:186; 21 maart 2016, Ezz/Raad, T‑377/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:187, en 21 maart 2016, Salama/Raad, T‑378/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:188).
16 Bij een op 26 mei 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, dat ter griffie van het Gerecht is ingeschreven onder nummer T‑268/16, heeft de eerste verzoeker beroep ingesteld tegen besluit 2016/411, voor zover dat besluit op hem betrekking heeft. Bij afzonderlijk verzoekschrift, dat diezelfde dag ter griffie van het Gerecht is ingeschreven onder nummer T‑269/16, hebben de tweede, de derde en de vierde verzoekster beroep ingesteld tegen besluit 2016/411, voor zover dat besluit op hen betrekking heeft.
17 Op 12 september 2016 heeft het Gerecht bij beschikking de in punt 16 supra bedoelde beroepen van verzoekers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens aanhangigheid gelet op de indiening van de in punt 22 infra bedoelde memorie houdende aanpassing van verzoekers in het kader van het onderhavige beroep tegen besluit 2016/411 (beschikkingen van 12 september 2016, Ezz/Raad, T‑268/16, niet gepubliceerd, EU:T:2016:606, punt 15, en 12 september 2016, Salama e.a./Raad, T‑269/16, niet gepubliceerd, EU:T:2016:607, punt 15).
II. Procedure en conclusies van partijen
18 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 29 mei 2015, hebben verzoekers het onderhavige beroep ingesteld. Volgens de eerste bladzijde en punt 1 van het verzoekschrift verzoeken zij om nietigverklaring van „besluit (GBVB) 2015/485 van de Raad van 20 maart 2015 tot wijziging van besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte”, voor zover dat besluit op hen betrekking heeft. Ook verzoeken zij de Raad te verwijzen in de kosten.
19 In een brief aan de griffie van het Gerecht van 24 augustus 2015 hebben verzoekers vermeld dat het verzoekschrift aldus moest worden gelezen dat het betrekking heeft op besluit 2015/486, omdat de vermelding „2015/485” een schrijffout was.
20 Op 15 februari 2016 heeft de Raad het verweerschrift ingediend. In dit verweerschrift verzoekt de Raad: – het beroep te verwerpen; – verzoekers te verwijzen in de kosten.
21 De repliek en dupliek zijn ingediend op respectievelijk 31 maart 2016 en 27 mei 2016.
22 Op 25 mei 2016 hebben verzoekers krachtens artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering een memorie houdende aanpassing ingediend waarin zij het Gerecht verzoeken: – besluit 2016/411 nietig te verklaren voor zover dit op hen betrekking heeft; – de Raad te verwijzen in de kosten.
23 Op 30 juni 2016 heeft de Raad opmerkingen ingediend over de memorie houdende aanpassing, waarin hij verklaart de conclusies van het verweerschrift te handhaven.
24 Op 25 juli 2016 hebben verzoekers om een terechtzitting verzocht.
25 Bij beslissing van 4 oktober 2016 is de zaak opnieuw aan de Vijfde kamer toegewezen.
26 In het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht op 31 maart 2017 de partijen verzocht om een aantal documenten over te leggen.
27 Verzoekers en de Raad hebben respectievelijk op 11 en op 21 april 2017 aan deze verzoeken voldaan.
28 Op voorstel van de Vijfde kamer heeft het Gerecht de zaak bij beslissing van 5 april 2017 naar de uitgebreide Vijfde kamer verwezen.
29 In het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht op 18 mei 2017 de partijen verzocht om aanvullende informatie over te leggen en hun gevraagd wat de gevolgen van een aantal van zijn vroegere beslissingen zijn voor de onderhavige zaak.
30 Op 26 mei 2017 hebben verzoekers een tweede memorie houdende aanpassing ingediend waarin zij het Gerecht verzoeken om besluit 2017/496 en uitvoeringsverordening 2017/491 nietig te verklaren voor zover deze handelingen op hen betrekking hebben.
31 De partijen hebben op de in punt 29 supra bedoelde verzoeken van het Gerecht geantwoord bij brieven van 1 en 8 juni 2017.
32 Bij processtuk van 8 juni 2017 hebben verzoekers het Gerecht verzocht om krachtens artikel 92, lid 1, artikel 93, lid 1 en artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering een maatregel van instructie te nemen om hun wettelijke vertegenwoordiger in Egypte als getuige te horen. Op 19 juni 2017 heeft de Raad zijn opmerkingen ingediend over dit verzoek om een maatregel van instructie.
33 Op 26 juni 2017 heeft de Raad opmerkingen over de tweede memorie houdende aanpassing ingediend, waarin hij verklaart de conclusies van het verweerschrift te handhaven.
34 De pleitzitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2017. Op verzoek van verzoekers is zij, de Raad gehoord, achter gesloten deuren gehouden. Verzoekers hebben evenwel gepreciseerd dat dit verzoek niet inhield dat bepaalde informatie in de eindbeslissing van het Gerecht vertrouwelijk zou worden behandeld. [vertrouwelijk]. ( 1 )
35 Op 19 september 2017 heeft het Gerecht de mondelinge behandeling heropend en partijen verzocht om een standpunt in te nemen over de eventuele gevolgen van het arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE (C‑599/14 P, EU:C:2017:583), voor het onderhavige beroep. Op 4 oktober 2017 hebben de partijen hun antwoord ingediend bij het Gerecht.
III. In rechte
A. Ontvankelijkheid van de conclusies van het verzoekschrift
36 In het verweerschrift voert de Raad verschillende middelen van niet-ontvankelijkheid aan tegen de conclusies van het verzoekschrift tot nietigverklaring van „besluit (GBVB) 2015/485 van de Raad van 20 maart 2015 tot wijziging van besluit 2011/172/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen vanwege de situatie in Egypte”, voor zover dit besluit op verzoekers betrekking heeft. Allereerst meent de Raad dat deze conclusies verwijzen naar ofwel een onbestaande handeling, ofwel een handeling waartegen verzoekers kennelijk niet kunnen opkomen, omdat zij geen procesbevoegdheid hebben. Vervolgens meent hij dat het beroep tegen besluit 2015/486 te laat is ingesteld, aangezien de rectificatie door verzoekers in hun brief van 24 augustus 2015 is aangebracht nadat de termijn van twee maanden voor de beroepen krachtens artikel 263 VWEU was verlopen. Ten slotte betoogt hij dat dit beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens aanhangigheid, als blijkt dat het onderhavige beroep is ingediend na de memorie houdende aanpassing in zaak T‑279/13, die verzoekers op dezelfde dag hebben ingediend.
37 In de repliek voeren verzoekers aan dat de vermelding „2015/485” maar een tikfout is, wat het Gerecht heeft bevestigd bij beschikking van 15 februari 2016, Ezz e.a./Raad (T‑279/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:78). Bovendien betwisten zij dat er een situatie van aanhangigheid bestaat gelet op deze beschikking.
38 Wat allereerst het eerste middel van niet-ontvankelijkheid betreft, moet de vaste rechtspraak in herinnering worden gebracht dat het verzoekschrift het voorwerp van het geschil moet bevatten overeenkomstig artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering, wat impliceert dat deze vermelding zo duidelijk en nauwkeurig dient te zijn, dat de verweerder verweer kan voeren en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, eventueel zonder extra informatie (zie arrest van 13 september 2013, Anbouba/Raad, T‑592/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:427, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 De identificatie van de bestreden handeling kan evenwel impliciet volgen uit de inhoud van het verzoekschrift (zie in die zin beschikking van 13 april 2011, Planet/Commissie, T‑320/09, EU:T:2011:172, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien hebben het Hof en het Gerecht al aanvaard dat conclusies die de bestreden handeling of handelingen onnauwkeurig of onjuist vermelden, kunnen worden geherkwalificeerd, wanneer die handelingen op basis van de inhoud van het verzoekschrift en de feitelijke en juridische context ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd (zie in die zin en naar analogie arresten van 7 juli 1993, Spanje/Commissie, C‑217/91, EU:C:1993:293, punten 14‑16, en 13 september 2013, Anbouba/Raad, T‑592/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:427, punt 24).
40 Zoals vermeld in punt 18 supra, verwijzen verzoekers in casu op de eerste bladzijde en in punt 1 van het verzoekschrift weliswaar naar besluit „2015/485” om het bestreden besluit aan te duiden, maar vermelden zij wel het volledige opschrift van besluit 2015/486. Voorts zijn de bepalingen die verzoekers in de tekst van het verzoekschrift aanhalen, die van besluit 2015/486 en niet die van besluit (GBVB) 2015/485 van de Raad van 20 maart 2015 houdende verlenging van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie in Kosovo (PB 2015, L 77, blz. 12). Bovendien hebben verzoekers een kopie van besluit 2015/486 en niet van besluit 2015/485 bij het verzoekschrift gevoegd.
41 Zoals verzoekers overigens hebben bevestigd in hun brief aan de griffie van het Gerecht van 24 augustus 2015 (zie punt 19 supra), moet het onderhavige beroep derhalve worden opgevat als strekkende tot nietigverklaring van besluit 2015/486, voor zover deze handeling op hen betrekking heeft, omdat de vermelding „2015/485” in het verzoekschrift een gewone schrijffout is, die geen invloed heeft op de ontvankelijkheid van dit beroep. Bijgevolg heeft het onderhavige beroep geen betrekking op een onbestaande handeling, noch op een handeling waartegen verzoekers niet kunnen opkomen omdat zij geen procesbevoegdheid hebben.
42 Wat vervolgens het tweede middel van niet-ontvankelijkheid betreft, moet de indieningsdatum van het verzoekschrift, te weten 29 mei 2015, in aanmerking worden genomen om te beoordelen of in casu de beroepstermijn tegen besluit 2015/486 is nageleefd, en niet de indieningsdatum van de brief van verzoekers van 24 augustus 2015 zoals de Raad stelt. Zoals uit de punten 40 en 41 supra immers volgt, kan dit besluit op basis van de inhoud zelf van het verzoekschrift en de bijlagen erbij zonder problemen worden geïdentificeerd als voorwerp van het beroep. Gelet op de datum van 24 maart 2015 op de brief waarmee de Raad verzoekers kennis heeft gegeven van dit besluit, vond de indiening van het verzoekschrift, op 29 mei 2015, plaats binnen de termijn om tegen dit besluit beroep in te stellen overeenkomstig de bepalingen van artikel 263, zesde alinea, VWEU en artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering.
43 Wat ten slotte het derde middel van niet-ontvankelijkheid betreft: zoals de Raad overigens heeft erkend in de repliek, heeft het Gerecht in de punten 22 tot en met 30 van de beschikking van 15 februari 2016, Ezz e.a./Raad (T‑279/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:78), vastgesteld dat de memorie houdende aanpassing, die in zaak T‑279/13 is ingediend teneinde de conclusies en middelen van het verzoekschrift aan te passen aan besluit 2015/486, dateerde van na het instellen van het onderhavige beroep en dat deze memorie houdende aanpassing dus kennelijk niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens aanhangigheid. De conclusies van het verzoekschrift zijn dus niet niet-ontvankelijk om die reden.
44 De in punt 36 supra bedoelde middelen van niet-ontvankelijkheid moeten dus worden afgewezen.
B. Ten gronde
45 In het kader van het onderhavige beroep vorderen verzoekers nietigverklaring van de besluiten van de Raad waarbij, in het kader van de vaststelling van besluit 2015/486, besluit 2016/411 en besluit 2017/496, hun plaatsing op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172 is verlengd, in respectievelijk 2015, 2016 en 2017 (hierna: „bestreden besluiten”). Ter ondersteuning van deze conclusies voeren zij vijf middelen aan. In het kader van het eerste middel beroepen zij zich op een exceptie van onwettigheid van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172, zoals verlengd bij besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496, en van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 270/2011, die in wezen is ontleend aan het ontbreken van een rechtsgrondslag en aan schending van het evenredigheidsbeginsel. Het tweede, derde, vierde en vijfde middel betreffen respectievelijk schending door de Raad van artikel 6 VEU, in samenhang beschouwd met artikel 2 en artikel 3, lid 5, VEU, en van artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), voor zover de Raad zich niet ervan heeft vergewist dat in de gerechtelijke procedures tegen verzoekers in Egypte de grondrechten zijn geëerbiedigd, schending van de algemene criteria van de bovenvermelde bepalingen van besluit 2011/172 en verordening nr. 270/2011, schending van de rechten van verdediging en van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, en ongerechtvaardigde en onevenredige beperking van verzoekers’ recht op eigendom en reputatieschade.
46 Vooraf moet het argument van de Raad worden onderzocht dat middelen die – op zijn minst in wezen – identiek zijn aan de in punt 45 supra vermelde middelen, reeds zijn onderzocht en afgewezen in het arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad (T‑256/11, EU:T:2014:93), en, na de hogere voorziening tegen dat arrest, in het arrest van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad (C‑220/14 P, EU:C:2015:147). De Raad concludeert daaruit dat het onderhavige beroep krachtens artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering bij beschikking kennelijk rechtens ongegrond moet worden verklaard.
47 Ten eerste moet dienaangaande worden opgemerkt dat verzoekers in het kader van het eerste en het tweede middel betogen dat de Raad geen rekening heeft gehouden met bepaalde informatie over de politieke en gerechtelijke ontwikkelingen sinds de vaststelling van besluit 2011/172, waaruit in het algemeen blijkt dat de Egyptische autoriteiten de rechtsstaat en de grondrechten niet eerbiedigen, en in het bijzonder dat het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld van de eerste verzoeker zijn geschonden in de strafrechtelijke procedures tegen hem. Verzoekers voeren aan dat zij die informatie ter kennis hebben gebracht van de Raad, in het bijzonder in hun brief van 23 december 2014. In de memories houdende aanpassing betogen zij dat zij de Raad in kennis hadden gesteld van soortgelijke aanvullende informatie voordat hun plaatsing op de betrokken lijst in 2016 en 2017 is verlengd.
48 In het arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad (T‑256/11, EU:T:2014:93), en in de beschikking van 15 februari 2016, Ezz e.a./Raad (T‑279/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:78), waarbij uitspraak is gedaan op de in de punten 8 en 9 supra vermelde beroepen van verzoekers, heeft het Gerecht deze grief niet onderzocht. Bovendien hebben verzoekers in de loop van de procedure hun beroepen in de zaken T‑375/14 tot en met T‑378/14 ingetrokken.
49 Ten tweede moet in herinnering worden gebracht dat artikel 2, lid 3, van besluit 2011/172 bepaalt dat, indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, de Raad zijn besluit toetst en de betrokken persoon of entiteit daarvan op de hoogte brengt. Overeenkomstig artikel 5, derde alinea, van besluit 2011/172 wordt dit besluit voortdurend getoetst en kan het worden verlengd, indien de Raad van oordeel is dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt.
50 Uit de combinatie van deze bepalingen volgt dat de Raad bij elke heroverweging vóór de verlenging van besluit 2011/172, of zelfs op elk ogenblik, kan toetsen of, op basis van de wezenlijke bewijzen of hem overgelegde opmerkingen, de feitelijke toestand sinds het tijdstip waarop verzoekers op de betrokken lijst zijn geplaatst of sinds de vorige heroverweging in die mate is veranderd dat hun plaatsing op de lijst niet meer gerechtvaardigd is (zie in die zin en naar analogie arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 46).
51 Zonder onderzoek valt in casu niet uit te sluiten dat de gegevens die verzoekers hadden overgelegd in hun correspondentie met de Raad vóór de vaststelling van de bestreden besluiten, substantieel waren en de verlenging van hun plaatsing op de lijst in het kader van de bestreden besluiten ter discussie konden stellen.
52 Voorts is het juist dat in de in punt 46 supra bedoelde arresten van het Gerecht en het Hof soortgelijke middelen als het derde, vierde en vijfde middel al zijn onderzocht. In het kader van dit derde, vierde en vijfde middel kunnen verzoekers bijgevolg niet de wettigheid van hun aanvankelijke plaatsing op de betrokken lijst of de verlenging ervan bij besluit 2013/144 betwisten door het Gerecht kwesties voor te leggen waarover de Unierechter al uitspraak heeft gedaan bij de bovenvermelde arresten, omdat een dergelijke betwisting op het gezag van gewijsde stuit, dat niet alleen toekomt aan het dictum van die arresten, maar ook aan de overwegingen die de noodzakelijke steun bieden aan het dictum [zie in die zin arresten van 1 juni 2006, P & O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie, gevoegde zaken C‑442/03 P en C‑471/03 P, EU:C:2006:356, punten 39‑41; 15 mei 2008, Spanje/Raad, C‑442/04, EU:C:2008:276, punt 25, en 5 september 2014, Éditions Odile Jacob/Commissie, T‑471/11, EU:T:2014:739, punt 117]. Bovendien kunnen grieven of argumenten tegen de bestreden besluiten, die steunen op dezelfde feitelijke en juridische gegevens als die welke de Unierechter al heeft onderzocht in het kader van de vorige beroepen van verzoekers, kennelijk ongegrond worden verklaard (zie in die zin en naar analogie beschikking van 15 februari 2016, Ezz e.a./Raad, T‑279/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:78, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Zonder onderzoek ten gronde van de feitelijke en juridische gegevens die in het kader van het onderhavige beroep ter ondersteuning van die middelen zijn overgelegd, kan echter niet worden aangenomen dat de Unierechter die gegevens al heeft onderzocht (zie in die zin beschikking van 15 februari 2016, Ezz e.a./Raad, T‑279/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:78, punt 41).
54 Bijgevolg kan het Gerecht het onderhavige beroep niet kennelijk rechtens ongegrond verklaren zonder de argumentatie te onderzoeken die verzoekers ter ondersteuning van de middelen van dit beroep hebben aangevoerd.
55 Allereerst moeten het eerste en het tweede middel worden onderzocht, die op de in punt 47 supra vermelde grief zijn gebaseerd.
1. Eerste en tweede middel betreffende een exceptie van onwettigheid van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172, zoals verlengd bij besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496, en van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 270/2011, en schending door de Raad van artikel 6 VEU juncto artikel 2 en artikel 3, lid 5, VEU, en van de artikelen 47 en 48 van het Handvest
a) Overwegingen vooraf
56 Vooraf moet worden uitgemaakt of de Raad, krachtens de regeling van de beperkende maatregelen van besluit 2011/172, rekening moet houden met omstandigheden zoals die welke verzoekers aanvoeren ter ondersteuning van de in punt 47 supra bedoelde grief, alsook tegen welke feitelijke achtergrond verzoekers de Raad hebben ingelicht over die omstandigheden en hoe de Raad die informatie heeft behandeld.
1) Juridische achtergrond
57 Allereerst moet in herinnering worden gebracht dat artikel 2 VEU en artikel 3, lid 5, VEU de instellingen van de Unie verplichten om, met name in het kader van de internationale betrekkingen, zich in te zetten voor de waarden en beginselen waarop de Unie berust, namelijk in het bijzonder eerbied voor de menselijke waardigheid, de rechtsstaat en de grondrechten.
58 Zoals het Hof in herinnering heeft gebracht, dienen vervolgens deze waarden en beginselen waarop de Unie berust, bij elk optreden van de Unie in acht te worden genomen, ook op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), zoals blijkt uit artikel 21, leden 1, eerste alinea, 2, onder b), en 3, VEU, gelezen in samenhang met artikel 23 VEU (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Parlement/Raad, C‑263/14, EU:C:2016:435, punt 47).
59 In het bijzonder bepaalt artikel 21, lid 1, VEU dat het internationaal optreden van de Unie gericht is op de wereldwijde verspreiding van, onder andere, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de eerbiediging van het internationaal recht.
60 Wat ten slotte meer in het bijzonder de in casu aangevoerde schending van het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld betreft, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) geoordeeld dat het recht op een eerlijk proces, dat is neergelegd in artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), waarmee de artikelen 47 en 48 van het Handvest overeenstemmen in de rechtsorde van de Unie, met name in strafzaken cruciaal is in een democratische samenleving (EHRM, 7 juli 1989, Soering tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:1989:0707JUD 001403888, § 113).
61 Ook moet erop worden gewezen dat de beginselen van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, en van het recht op een doeltreffende rechterlijke toetsing essentiële normen vormen voor de eerbiediging van de rechtsstaat, die zelf een van de belangrijkste waarden is waarop de Unie berust, zoals volgt uit artikel 2 VEU en de preambules bij het EU-Verdrag en het Handvest (zie in die zin arrest van 15 september 2016, Klyuyev/Raad, T‑340/14, EU:T:2016:496, punten 87 en 88).
62 Zoals het EHRM in wezen heeft uiteengezet, beogen de vereisten die volgen uit het recht op een eerlijk proces en het beginsel van het vermoeden van onschuld, met name in strafzaken te waarborgen dat de definitieve beslissing over de gegrondheid van de beschuldigingen tegen de betrokkene betrouwbaar is, alsook rechtsweigering, of ook willekeur, te voorkomen, die regelrecht ingaan tegen de rechtsstaat [zie in die zin en naar analogie EHRM, 17 januari 2012, Othman (Abu Qatada) tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2012:0117JUD 000813909, § 260, en 21 juni 2016, Al-Dulimi en Montana Management Inc. tegen Zwitserland, CE:ECHR:2016:0621JUD 000580908, §§ 145 en 146].
63 Op basis van de kenmerken van de regeling van besluit 2011/172 is in casu niet gerechtvaardigd dat een uitzondering wordt gemaakt op de algemene verplichting van de Raad om bij de vaststelling van beperkende maatregelen de grondrechten, die behoren tot de rechtsorde van de Unie, te eerbiedigen (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Raad/LTTE, C‑599/14 P, EU:C:2017:583, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze uitzondering zou als gevolg hebben dat de Raad niet hoeft na te gaan of de grondrechten in Egypte zijn beschermd.
64 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat besluit 2011/172, krachtens zijn artikel 1, lid 1, ertoe strekt de activa te bevriezen van personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van Egyptische overheidsgelden en van de met hen geassocieerde personen, wier namen zijn vermeld in de bijlage bij dit besluit. Zoals blijkt uit overweging 1 ervan, past dit besluit in het kader van een beleid ter ondersteuning van de Egyptische autoriteiten, met als doelstellingen met name de consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationaal recht, die in artikel 21, lid 2, onder b), VEU zijn bepaald (zie in die zin arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 44). De in dit besluit neergelegde bevriezing van vermogensbestanddelen is alleen bedoeld om de vaststelling door de Egyptische autoriteiten van gepleegde verduisteringen van overheidsgelden te vergemakkelijken en deze autoriteiten in staat te stellen de opbrengst van die verduisteringen in te vorderen. De bevriezing is dus een louter bewarende maatregel en heeft geen strafrechtelijke connotatie (zie in die zin arresten van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punten 77, 78 en 206, en 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punten 62 en 64).
65 Om een persoon op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172 te plaatsen of die plaatsing te verlengen, moet de Raad nagaan of het bewijsmateriaal in zijn bezit aantoont dat tegen deze persoon een of meerdere gerechtelijke procedures lopen wegens feiten die als verduistering van overheidsgelden kunnen worden aangemerkt, en voorts of deze persoon op grond van die procedure(s) kan worden gekwalificeerd als een persoon die voldoet aan de criteria van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172 (zie in die zin en naar analogie arresten van 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 156, en 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 65).
66 In het kader van de samenwerking met de Egyptische autoriteiten staat het dus in beginsel niet aan de Raad om te beoordelen of de gegevens waarop de Egyptische gerechtelijke procedures zijn gebaseerd, exact en relevant zijn (zie in die zin en naar analogie arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak), omdat het aan die autoriteiten staat om dat te beoordelen. Het Hof heeft in dat verband geoordeeld dat de Raad of het Gerecht niet de gegrondheid van de onderzoeken naar verzoekers hoefde na te gaan, maar enkel moest controleren of het besluit tot bevriezing van de tegoeden gegrond was in het licht van het verzoek om rechtshulp van de Egyptische autoriteiten (arrest van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad, C‑220/14 P, EU:C:2015:147, punt 77). Gelet op met name de opmerkingen van verzoeker is het evenwel mogelijk dat de Raad die autoriteiten moet verzoeken die gegevens te verduidelijken indien die opmerkingen hem doen twijfelen of het door hen reeds overgelegde bewijsmateriaal voldoende is (zie in die zin en naar analogie arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 Het staat dus aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen gegrond zijn en het staat niet aan die persoon om het negatieve bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn. Aangezien de Raad bewijzen van gerechtelijke procedures tegen verzoeker heeft overgelegd, staat het evenwel aan deze verzoeker om op zijn minst relevante en geloofwaardige concrete gegevens te verstrekken ter ondersteuning van zijn stellingen (zie in die zin en naar analogie arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punten 72‑75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Aangezien besluit 2011/172 past in het kader van een beleid ter ondersteuning van de Egyptische autoriteiten, met als doelstellingen met name de consolidering en ondersteuning van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationaal recht, kan niet volledig worden uitgesloten dat dit besluit kennelijk ongeschikt is ter bereiking van die doelstellingen, omdat grondrechten ernstig en systematisch worden geschonden. Daarnaast is het in punt 64 supra gememoreerde voorwerp van dit besluit niet relevant voor met name die doelstellingen indien de Egyptische autoriteiten zich bij de vaststelling van verduistering van overheidsgelden schuldig maken aan rechtsweigering, zelfs willekeur.
69 Zoals volgt uit de punten 65 en 66 supra, vormt het bestaan van lopende gerechtelijke procedures in Egypte weliswaar in beginsel een voldoende solide feitelijke grondslag om personen op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172 te plaatsen en die plaatsing te verlengen, maar dat is niet het geval wanneer de Raad redelijkerwijs kan vermoeden dat de beslissing aan het einde van die procedures niet betrouwbaar zal zijn, temeer omdat het in beginsel niet aan de Raad staat de juistheid en relevantie te beoordelen van de gegevens waarop die procedures zijn gebaseerd.
70 In het kader van een regeling van beperkende maatregelen zoals die van besluit 2011/172 valt niet uit te sluiten dat de Raad dient te toetsen of de gerechtelijke procedures waarop hij zich baseert, als betrouwbaar kunnen worden beschouwd gelet op de door de betrokken personen overgelegde gegevens over schendingen van de rechtsstaat en de grondrechten, met name het recht op een eerlijk proces, op voorwaarde dat het om objectieve, betrouwbare, precieze en eensluidende gegevens gaat die legitieme vragen kunnen oproepen over de eerbiediging van dat recht.
71 Hoewel het om een bewarende maatregel gaat, heeft de bij besluit 2011/172 vastgestelde bevriezing van tegoeden een belangrijke negatieve weerslag op de vrijheden en rechten van de personen voor wie de maatregel geldt, zodat het voor een goed evenwicht tussen de doelstellingen van die bevriezing van tegoeden en de bescherming van die rechten en vrijheden noodzakelijk is dat de Raad in voorkomend geval op passende wijze onder toezicht van de Unierechter het risico op dergelijke schendingen kan evalueren (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, gevoegde zakenC‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 131 en 132).
72 Aan deze analyse wordt niet afgedaan door de door de Raad in het kader van het onderhavige beroep aangevoerde gegevens.
73 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de Raad in dit geschil niet betwist dat het relevant kon zijn om in het kader van de heroverweging vóór de vaststelling van de bestreden besluiten rekening te houden met de stellingen van verzoekers over schending van de grondrechten in de Egyptische politieke en gerechtelijke context. [vertrouwelijk]. Ook heeft de Raad in zijn schriftelijk antwoord aan het Gerecht van 4 oktober 2017 vermeld dat hij bij de heroverweging van de plaatsing van verzoekers op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172 in 2016 en 2017 naar behoren rekening had gehouden met de stellingen van verzoekers over ernstige schendingen van de grondrechten in de context van de gerechtelijke procedures in Egypte.
74 In de tweede plaats wil de Raad met zijn argumentatie aantonen dat hij niet hoefde na te gaan of de Egyptische gerechtelijke procedures gelijkwaardige garanties inzake grondrechten bieden als die van het Unierecht, maar betreft zijn betoog de draagwijdte van de verplichting om de eerbiediging van de grondrechten in de Egyptische politieke en gerechtelijke context te evalueren, hetgeen niets afdoet aan het bestaan van die verplichting. [vertrouwelijk].
75 Deze uitlegging wordt bevestigd door de verwijzing van de Raad naar punt 175 van het arrest van 7 juli 2017, Azarov/Raad (T‑215/15, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2017:479), dat, zoals uit punt 166 van dat arrest volgt, ertoe strekte het argument van de verzoeker in die zaak af te wijzen dat de Raad vóór de vaststelling van het in casu bestreden besluit had moeten nagaan of de Oekraïense rechtsorde een niveau van bescherming van de grondrechten waarborgde dat minstens vergelijkbaar is met dat in de Unie.
76 In de derde plaats baseert de Raad zich op de arresten van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad (C‑220/14 P, EU:C:2015:147), en 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad (T‑256/11, EU:T:2014:93), om in wezen te stellen dat de stellingen van verzoekers alleen ertoe strekken de gegrondheid van de gerechtelijke procedures te betwisten en niet het bestaan ervan, zodat de wettigheid van de bevriezing van hun tegoeden niet zou worden ondergraven. Daarbij houdt hij echter geen rekening met de met name in punt 66 supra genoemde latere ontwikkelingen in deze rechtspraak.
77 In de soortgelijke context van besluit 2011/72/GBVB van de Raad van 31 januari 2011 betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië (PB 2011, L 28, blz. 62) heeft het Gerecht geoordeeld dat uit de door verzoeker overgelegde documenten niet bleek dat de door verzoeker beweerde niet-onafhankelijkheid van het Tunesische gerechtelijke apparaat ten aanzien van de politieke macht de gerechtelijke procedures tegen hem concreet kon beïnvloeden, noch dat het om een aan het systeem inherente tekortkoming ging (arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 73). Derhalve heeft het Gerecht al onderzocht of de Raad rekening moest houden met de opmerkingen waarin verzoeker de grondslag van de gerechtelijke procedures tegen hem betwistte, met name op grond van ernstige tekortkomingen van het betrokken gerechtelijk apparaat die de door dat apparaat geboden garanties inzake grondrechten ondergraven.
78 Overigens is het in punt 76 supra vermelde betoog van de Raad moeilijk in overeenstemming te brengen met het feit dat [vertrouwelijk].
79 In de vierde en laatste plaats wordt de analyse van het Gerecht bevestigd door het feit dat, zoals de Raad stelt, hij besluit 2011/172 en de daaropvolgende besluiten niet heeft vastgesteld op grond van een besluit van een Egyptische bevoegde autoriteit, maar om de doelen van het GBVB te verwezenlijken en in het kader van de autonome bevoegdheid waarover hij dienaangaande beschikt. Het staat immers juist aan de Raad om in het kader van de uitoefening van die autonome bevoegdheid zorgvuldig en onpartijdig alle relevante gegevens van het concrete geval te onderzoeken, waaronder de stellingen van verzoekers over schendingen van de grondrechten met betrekking tot de gerechtelijke procedures die de feitelijke grondslag vormen voor hun plaatsing op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172.
80 In het kader van het onderzoek van het eerste en het tweede middel staat het dus aan het Gerecht om, rekening houdend met de intensiteit van de rechterlijke toetsing die elk van die middelen impliceert, een beslissing te nemen over de vraag of de stellingen van verzoekers over schendingen van de rechtsstaat en de grondrechten in Egypte objectieve, betrouwbare, precieze en eensluidende gegevens vormden die legitieme vragen kunnen oproepen en of de Raad daarmee voldoende rekening heeft gehouden.
2) Feitelijke achtergrond
i) Gegevens betreffende de gerechtelijke procedures tegen verzoekers in Egypte
81 In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat, zoals het Gerecht al heeft vastgesteld, verzoekers aanvankelijk op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172 waren geplaatst op basis van documenten afkomstig van de Egyptische autoriteiten waaruit blijkt dat de eerste verzoeker in Egypte strafrechtelijk werd vervolgd voor feiten die als verduistering van overheidsmiddelen kunnen worden gekwalificeerd en dat alle verzoekers het voorwerp waren van een bevel tot inbeslagname van hun tegoeden dat verband hield met die strafrechtelijke vervolging (zie in die zin arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punten 132‑134 en 137‑140). Uit de dossierstukken blijkt dat die aanvankelijke plaatsing op de lijst vooral gebaseerd was op informatie in de bijlagen bij de brieven van de Egyptische autoriteiten van 13 en 24 februari 2011.
82 In de tweede plaats blijkt uit de dossierstukken dat deze informatie later is aangevuld en geactualiseerd in een brief van de Egyptische autoriteiten van 13 februari 2014, met als bijlage een geactualiseerde tabel van de strafrechtelijke procedures tegen de eerste verzoeker.
83 Zeven strafrechtelijke procedures worden in het document van 13 februari 2014 vermeld. De eerste twee strafrechtelijke procedures (zaken nrs. 38 en 107 van 2011) betreffen onrechtmatige voordelen en de derde strafrechtelijke procedure (zaak nr. 291 van 2011) betreft witwaspraktijken die verband houden met de feiten waarop de eerste twee procedures betrekking hebben. De vierde, vijfde, zesde en zevende strafrechtelijke procedure (zaken nrs. 457 en 541 van 2011 alsook nrs. 156 en 376 van 2013) betreffen respectievelijk belastingontwijking, misbruik van machtspositie, nogmaals belastingontwijking en ten slotte witwaspraktijken.
84 In de derde plaats volgt uit het antwoord van de Raad op het verzoek van het Gerecht om, in het kader van de maatregel tot organisatie van de procesgang van 31 maart 2017, alle gegevens over te leggen die over verzoekers in zijn bezit zijn, dat een van de documenten die de Egyptische autoriteiten hem hadden toegezonden met het oog op de vaststelling van besluit 2015/486, een memorandum van 9 februari 2015 was, afkomstig van het bureau van de Egyptische procureur-generaal (hierna: „PGO”). Verzoekers stellen dat dit document hun nooit is toegezonden.
85 Zoals in het begin van het memorandum van het PGO van 9 februari 2015 is gepreciseerd, heeft dat als doel te antwoorden op een verzoek om verduidelijking van de werkgroep „Mashrek/Maghreb” van de Raad na vragen van bepaalde lidstaten. Dat verzoek om verduidelijking betrof de te volgen wettelijke procedures in zaken zoals die betreffende de personen die op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172 waren geplaatst alsook de wettelijke termijn waarbinnen zij moesten worden behandeld.
86 Uit het memorandum van het PGO van 9 februari 2015 blijkt in het bijzonder dat de Egyptische strafrechtelijke procedure in beroepsmiddelen voorziet waarmee de betrokken personen een eerste keer de in eerste aanleg gedane uitspraak waarbij zij zijn veroordeeld, door de cassatierechter van de Arabische Republiek Egypte (hoogste rechterlijke instantie; hierna: „Egyptische cassatierechter”) kunnen laten toetsen en een tweede keer de uitspraak waarbij zij opnieuw zijn veroordeeld na de vernietiging van de eerste uitspraak en de terugverwijzing van de zaak. Bovendien vermeldt dat memorandum dat de Egyptische cassatierechter bij die tweede toetsing de zaak definitief afdoet door ofwel het beroep te verwerpen, ofwel zelf ten gronde uitspraak te doen.
87 Voor het overige volgt uit het schriftelijke antwoord van de Raad van 21 april 2017 dat de andere door het PGO in februari 2015 overgelegde documenten alleen een actualisering vormden van de reeds verstrekte informatie over de stand van de strafrechtelijke procedures tegen de eerste verzoeker. Uit die actualisering bleek niet dat die procedures waren geëvolueerd in vergelijking met wat het document van 13 februari 2014 vermeldde.
88 In de vierde en laatste plaats blijkt uit de dossierstukken dat de Egyptische autoriteiten geactualiseerde informatie over de stand van de gerechtelijke procedures tegen de eerste verzoeker hadden overgelegd vóór de verlenging van de plaatsing van verzoekers op de betrokken lijst in 2016 en 2017. In het bijzonder bleek uit die informatie dat de onderzoeken in zaak nr. 156 van 2013 waren afgesloten door een bestuursrechtelijke regeling van het geschil en dat er drie andere procedures bestonden in zaken nrs. 4 en 5482 van 2011, en nr. 244 van 2015 betreffende respectievelijk beschuldigingen van inbreuken in het kader van de financiële directie van de onderneming El-Dekheila, onrechtmatig gewin en witwaspraktijken. Voorts is aan de Raad op 6 januari 2017 een memorandum van 5 december 2016 van het Egyptische nationale comité voor de terugvordering van tegoeden in het buitenland (hierna: „NCRAA”) overgelegd. De inhoud van dat memorandum is evenwel dezelfde als die van het memorandum van het PGO van 9 februari 2015. In hun antwoord op de vragen van het Gerecht van 1 juni 2017 hebben verzoekers erkend dat zij van dat document kennis hadden genomen op 27 januari 2017, dat wil zeggen vóór de verlenging van hun plaatsing op de betrokken lijst bij besluit 2017/496.
ii) Gegevens die verzoekers hebben overgelegd vóór de verlenging van hun plaatsing op de betrokken lijst voor de jaren 2015, 2016 en 2017
89 In hun brief van 23 december 2014 aan de Raad, waarnaar verzoekers verwijzen in het kader van de in punt 47 supra bedoelde grief, hebben zij met name hun vrees geuit dat de strafrechtelijke procedures tegen de eerste verzoeker niet te goeder trouw en op basis van bewijzen zijn ingeleid, ongegrond zijn en door politieke motieven zijn ingegeven. Zij hebben die vrees gestaafd door te verwijzen naar de context waarin die procedures zijn ingesteld en de analyse van die procedures door de Egyptische cassatierechter, en waren van mening dat die vrees nog was versterkt door een aantal documenten over de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces van de eerste verzoeker en de eerbiediging van de rechtsstaat in Egypte na het vertrek van de toenmalige president van de Arabische Republiek Egypte, Mohamed Hosni Mubarak, in februari 2011.
90 Verzoekers hebben bij hun brief van 23 december 2014 de documenten ter ondersteuning van die vrees gevoegd, die als bijlage bij het verzoekschrift zijn opgenomen. [vertrouwelijk].
91 Ten eerste gaat het om twee verslagen van de International Bar Association’s Human Rights Institute (hierna: „IBAHRI”), van november 2011 en februari 2014, over de situatie van de juridische beroepen in Egypte. Het verslag van IBAHRI van 2011, met als titel „Justice at a Crossroads: the Legal profession and the Rule of Law in the New Egypt”, is opgesteld na een onderzoek van deze niet-gouvernementele organisatie in Egypte in juni 2011. Het heeft als doel de moeilijkheden te onderzoeken die de advocaten in dit land ondervonden inzake de eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten vóór de gebeurtenissen van 2011 en in de periode onmiddellijk daarna, alsook aanbevelingen te formuleren om de eerbiediging van deze beginselen te verzekeren. Het verslag van IBAHRI van 2014, met als titel „Separating Law and Politics: Challenges to the Independence of Judges and Prosecutors in Egypt”, dat is gebaseerd op een onderzoek in Egypte tussen juni en november 2013, heeft als doel de aanbevelingen van het verslag van IBAHRI van 2011 op te volgen en focust op de belemmeringen voor de onafhankelijkheid van de Egyptische rechterlijke macht.
92 Ten tweede hebben verzoekers een verslag van 27 juli 2011 overgelegd van D., lid van een advocatenkantoor in het Verenigd Koninkrijk, en een verslag van 4 februari 2013 van M., advocaat in Genève, die betrekking hebben op verschillende strafrechtelijke procedures tegen de eerste verzoeker. Uit deze verslagen blijkt dat D. en M. als waarnemers zijn aangewezen door de wettelijke vertegenwoordigers van de eerste verzoeker in Egypte om te beoordelen of zijn recht op een eerlijk proces is geëerbiedigd in het kader van de strafrechtelijke procedures tegen hem in Egypte.
93 Het verslag van D. betreft de onderzoeken van de procureur-generaal van de Arabische Republiek Egypte (hierna: „Egyptische procureur-generaal”) en de terechtzittingen van 7 tot en met 12 mei en van 11 tot en met 15 juni 2011 in het kader van de eerste gerechtelijke procedure tegen verzoeker, die, zoals uit de dossierstukken blijkt, overeenstemt met procedure nr. 107 van 2011 in de door de Egyptische autoriteiten overgelegde documenten. Volgens dat verslag wordt de voormalige minister van Industrie, een hooggeplaatste ambtenaar van het ministerie van Industrie en de eerste verzoeker verweten dat zij afspraken hebben gemaakt om deze verzoeker energievergunningen voor twee ondernemingen van zijn groep te verlenen in strijd met de regels voor de openbare aanbestedingsprocedure voor de verlening van die vergunningen aan de staalnijverheidssector.
94 De inhoud van het verslag van D. is gebaseerd op het dossier van de aanklacht, waartoe D. toegang heeft gehad, en op zijn rechtstreekse waarnemingen op verschillende terechtzittingen die hij heeft bijgewoond. Dit verslag bevat een omschrijving van de gegevens in het dossier van de aanklacht zoals zij blijken uit de akte van verwijzing naar de strafrechter van 28 februari 2011, een bespreking van de terechtzittingen, in het bijzonder die met het verhoor van de getuigen alsook een kritische analyse van de door de openbaar aanklager verzamelde belastende bewijzen.
95 In zijn verslag bekritiseert D. de haast waarmee de Egyptische autoriteiten volgens hem de betrokken zaak hebben behandeld, alsook de omstandigheden waarin de door hem bijgewoonde terechtzittingen zijn verlopen, die volgens hem de oorzaak zijn van schendingen van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging van de eerste verzoeker. In het licht van die waarnemingen concludeert hij in zijn verslag dat „gelet op de manier waarop de strafrechter de terechtzittingen heeft geleid, kan worden gevreesd dat hij niet erin zal slagen een correcte beslissing te nemen in deze zaak [en] dat hij zich onder druk [van de publieke opinie] verplicht voelt [de verdachten te veroordelen en het aan de Egyptische cassatierechter over te laten de beslissing te vernietigen]”.
96 Het verslag van M. betreft de terechtzittingen in 2012 in het kader van twee strafrechtelijke procedures tegen de eerste verzoeker, een eerste betreffende, volgens de bewoordingen van het verslag, beschuldigingen van frauduleuze verwerving van aandelen van de vennootschap El-Dekheila en een tweede betreffende witwaspraktijken die verband houden met die beschuldigingen. Volgens de dossierstukken stemmen deze procedures overeen met zaken nrs. 38 en 291 van 2011 in de door de Egyptische autoriteiten overgelegde documenten.
97 De evaluatie van M. in zijn verslag is gebaseerd op ten eerste de verslagen van mr. A., een Egyptische advocate die was gemachtigd om voor zijn rekening de terechtzittingen bij te wonen, waarbij M. vermeldt dat hij ervoor had gekozen om de terechtzittingen eerst niet persoonlijk bij te wonen wegens het „grote risico voor zijn persoonlijke veiligheid [door] de manifestaties voor het gerechtsgebouw”„gedurende het hele proces [van de eerste verzoeker]” en ten tweede zijn rechtstreekse waarnemingen op een van de terechtzittingen in zaak nr. 38 van 2011.
98 Het verslag van M. bevat in het eerste deel een beschrijving van de rechtszaal, zoals hij die zelf heeft waargenomen, en in het tweede deel een analyse van de verschillende punten waarvoor hij in de verslagen van mr. A. mogelijke schendingen van de grondrechten heeft vastgesteld, namelijk de aanwezigheid van een metalen kooi voor de detentie van de verdachten, de aanwezigheid van bewakers in de rechtszaal, de moeilijkheden bij de verhoren, de onvoldoende onpartijdig geachte houding van de strafrechter en de nadelen door de berichtgeving in de media. Gelet op deze waarnemingen concludeert hij dat „in het licht van de internationale normen inzake grondrechten, de rechten [van de eerste verzoeker] mogelijk zijn geschonden en in het bijzonder het recht op een eerlijk proces”. Bovendien „bestaat er bij zowel het proces voor onrechtmatig gewin als dat voor witwaspraktijken dus een aanzienlijk risico op [juridisch] wankele veroordelingen”.
99 Ten derde hebben verzoekers zich bij de Raad beroepen op drie arresten van de Egyptische cassatierechter van respectievelijk 2 december 2012, 12 mei 2013 en 14 december 2013. In deze arresten heeft de Egyptische cassatierechter de in eerste aanleg gedane uitspraken vernietigd, waarbij de verdachten, met name de eerste verzoeker, in elk van de betrokken zaken schuldig waren verklaard en tot verschillende straffen waren veroordeeld, waaronder geldboetes en gevangenisstraffen, alsook de zaken naar de rechter ten gronde verwezen, opdat hij opnieuw uitspraak zou doen. Zoals blijkt uit het in punt 82 supra bedoelde document van de Egyptische autoriteiten, zijn deze drie arresten gewezen in het kader van de strafrechtelijke procedures in respectievelijk zaak nr. 107 van 2011 (onrechtmatig verleende energievergunningen), zaak nr. 291 van 2011 (witwaspraktijken) en zaak nr. 38 van 2011 (frauduleuze verwerving van aandelen van de vennootschap El-Dekheila).
100 Ten vierde hebben verzoekers zich beroepen op een arrest van de strafrechter van de Zwitserse Bondsstaat (hierna: „Zwitserse federale strafrechter”) van 12 december 2012 en twee arresten van het grondwettelijk hof van het Vorstendom Liechtenstein (hierna: „grondwettelijk hof van Liechtenstein”) van 28 augustus 2012 en 30 september 2013. Deze arresten hebben betrekking op procedures van wederzijdse internationale rechtshulp naar aanleiding van verzoeken van de Egyptische autoriteiten. Het eerste arrest heeft een besluit van de Zwitserse autoriteiten nietig verklaard om hun toegang te verlenen tot het dossier van een strafrechtelijke procedure tegen Egyptische onderdanen, met name voor witwaspraktijken.
101 In zijn arrest van 12 december 2012 heeft de Zwitserse federale strafrechter zich op bepaalde openbare informatie gebaseerd, die beschikbaar is in verslagen van internationale organisaties of in de pers, om te oordelen dat „los van de problematiek van de eerbiediging van de mensenrechten [in Egypte], [dat land] momenteel een onzekere interne transitie doormaakt, die wordt gekenmerkt door instabiele instellingen, waarbij de onafhankelijkheid van en scheiding tussen [de uitvoerende en rechterlijke] macht [duidelijk onder druk staan]”. In het licht van die informatie heeft de betrokken rechterlijke instantie geoordeeld dat „er een risico [op] onmiddellijke en onherstelbare schade [bestond voor verzoekers]”.
102 De twee arresten van het grondwettelijk hof van Liechtenstein van 28 augustus 2012 en 30 september 2013 hebben twee rechterlijke beslissingen vernietigd die het beroep hadden verworpen van een onderneming van de eerste verzoeker tegen een beschikking tot bevriezing van zijn tegoeden wegens de strafrechtelijke procedures tegen hem in Egypte. Deze rechterlijke instantie heeft immers geoordeeld dat de informatiebronnen van die onderneming, waaronder in het bijzonder het verslag van IBAHRI van 2011 en het verslag van M., toereikend waren en dat zij op basis daarvan had „[aangetoond dat] er een gevaar bestond voor schendingen van de grondrechten [van de eerste verzoeker in Egypte]”, aangezien alleen moest worden vastgesteld dat dit gevaar plausibel was.
103 Uit de dossierstukken blijkt dat verzoekers de betrokken documenten, behalve het bovenvermelde verslag van IBAHRI van 2014, al hadden overgelegd om met name het eerste en het tweede middel van hun beroepen in zaken T‑375/14 tot en met T‑378/14 te ondersteunen, en dat de Raad, die een verweerschrift heeft overgelegd waarin hij op die middelen heeft geantwoord, dus in dat kader reeds kennis ervan had genomen.
104 In de correspondentie met de Raad vóór de verlenging van de plaatsing van verzoekers op de betrokken lijst in 2016 en 2017 hebben verzoekers bepaalde aanvullende gegevens over de eerbiediging van de grondrechten in Egypte overgelegd.
105 Ten eerste hebben verzoekers als bijlage bij hun brief aan de Raad van 29 februari 2016 een brief van hun Egyptische wettelijke vertegenwoordigers gevoegd betreffende de verschillende gerechtelijke procedures tegen de eerste verzoeker, die de Egyptische autoriteiten in documenten van 2 januari 2016 hadden vermeld. Voor drie van deze procedures (zaken nrs. 4 van 2011, 274 van 2012 en 376 van 2013) hebben die wettelijke vertegenwoordigers betoogd dat zij nooit waren geïnformeerd over het bestaan van „formele” onderzoeken en dat hun verzoek om toegang tot het dossier door de Egyptische autoriteiten was afgewezen. Op basis van het standpunt van een Egyptische jurist dat als bijlage bij hun brieven van 14 maart 2016 is gevoegd, hebben verzoekers in die brieven aangevoerd dat bovendien hun recht om te worden gehoord, nooit was geëerbiedigd vóór het bevel tot bevriezing van hun tegoeden van de Egyptische autoriteiten.
106 Ten tweede hebben verzoekers in een brief van 7 maart 2017 de aandacht van de Raad erop gevestigd dat de eerste verzoeker vanaf die datum in voorlopige hechtenis is genomen, wat zij als een schending van de met name in artikel 5 van het EVRM neergelegde waarborgen beschouwen.
iii) Behandeling door de Raad van de door verzoekers overgelegde gegevens
107 Allereerst blijkt uit de dossierstukken dat de Raad de brief van verzoekers van 23 december 2014 heeft beantwoord met zijn brief van 24 maart 2015. Die brief van de Raad bevat geen uitdrukkelijke verwijzing naar de stellingen van verzoekers dat de grondrechten in Egypte worden geschonden, en met name het recht op een eerlijk proces van de eerste verzoeker, noch naar de in de punten 91 tot en met 102 supra vermelde documenten ter ondersteuning van deze stellingen. De Raad heeft evenwel gereageerd op de vrees van verzoekers met betrekking tot de grondslag van de strafrechtelijke procedures tegen de eerste verzoeker, die met name door deze stellingen was onderbouwd, en wel in de volgende bewoordingen: „[De] Raad deelt uw standpunt niet dat de omstandigheden waarin de vervolging van uw cliënt is ingesteld, aantonen dat zij op geen enkel bewijs berust en door politieke overwegingen is ingegeven”.
108 [vertrouwelijk]
109 Bovendien blijkt niet uit de dossierstukken dat de Raad ad‑hocverificaties bij de Egyptische autoriteiten heeft verricht naar aanleiding van zijn evaluatie van de opmerkingen van verzoekers en de documenten waarover hij beschikte.
110 In het kader van de heroverweging van de plaatsing van verzoekers op de betrokken lijst vóór de vaststelling van besluit 2015/486 was de Raad dus impliciet maar noodzakelijkerwijs van mening dat de betrokken opmerkingen en documenten, los van hun relevantie en geloofwaardigheid, de verlenging van besluit 2011/172 niet op losse schroeven konden zetten. In het licht van het memorandum van het PGO van 9 februari 2015 en de uitleg van de Raad dient in het bijzonder ervan te worden uitgegaan dat de Raad van mening was dat zij de evaluatie van de eerbiediging van de grondrechten in Egypte, die op basis van met name dat memorandum is verricht, niet op losse schroeven zetten en dat zij dus geen extra verificaties vroegen.
111 Zoals de brieven van 21 maart 2016 en 22 maart 2017 van de Raad aan de eerste verzoeker illustreren, is dat standpunt over de stellingen van verzoekers betreffende schendingen van de rechtsstaat en grondrechten in Egypte niet veranderd bij de verlenging van hun plaatsing op de betrokken lijst in 2016 en 2017.
112 In zijn brief van 21 maart 2016 heeft de Raad immers vermeld dat de grieven van verzoekers over de wijze waarop de Egyptische autoriteiten de zaken hadden beheerd met betrekking tot de eerste verzoeker, moesten worden behandeld in het kader van het Egyptische rechtsstelsel en de Egyptische procedures. Bovendien heeft de Raad in zijn brief van 22 maart 2017 gesteld dat hij de opmerkingen van de eerste verzoeker over het beschermingsniveau van zijn grondrechten in de gerechtelijke procedures in Egypte had geëvalueerd en geconcludeerd dat het redelijk was de inspanningen van de Egyptische autoriteiten te blijven steunen om het door de Egyptische Staat verloren geld in te vorderen.
113 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat verzoekers met de in punt 47 supra bedoelde grief in wezen stellen dat dat standpunt duidelijk maakt dat de Raad de draagwijdte van de hem overgelegde gegevens niet kent, noch de verplichtingen die eruit volgen voor hem. In het kader van het eerste middel voeren zij aan dat die fouten tot de onwettigheid van besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496 leiden, voor zover zij de regeling van de beperkende maatregelen van besluit 2011/172 in haar geheel verlengen. In het kader van het tweede middel voeren zij aan dat de bestreden besluiten, voor zover zij hun plaatsing op de betrokken lijst verlengen, in strijd zijn met de verplichting van de Raad om de grondrechten te eerbiedigen krachtens artikel 6 VEU juncto artikel 2 en artikel 3, lid 5, VEU, en de artikelen 47 en 48 van het Handvest. Het staat dus aan het Gerecht om in het kader van het onderzoek van die middelen uitspraak te doen over de gegrondheid van het standpunt van de Raad met betrekking tot de hem door verzoekers overgelegde gegevens in het licht van de informatie over de situatie in Egypte waarover hij uit andere bron nog beschikte.
b) Eerste middel: exceptie van onwettigheid van de besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496, en verordening nr. 270/2011
114 Dit middel bevat twee onderdelen betreffende respectievelijk een exceptie van onwettigheid van de besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496, voor zover zij artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172 verlengen, en een exceptie van onwettigheid van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 270/2011.
1) Eerste onderdeel: exceptie van onwettigheid van de besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496, voor zover zij artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172 verlengen
115 Gesteld al dat artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172 bij de vaststelling van dit besluit kon worden gebaseerd op de in overweging 1 van dit besluit bedoelde doelstellingen, was dat volgens verzoekers niet meer het geval bij de vaststelling van besluit 2015/486 wegens de gewijzigde politieke en gerechtelijke situatie in Egypte, die blijkt uit de door hen vóór die vaststelling aan de Raad overgelegde gegevens. Zo voeren zij aan dat besluit 2015/486 niet kan zijn gebaseerd op de doelstelling om de nieuwe Egyptische autoriteiten te ondersteunen wegens ten eerste de afzetting van die autoriteiten na de vaststelling van besluit 2011/172, ten tweede de instabiele Egyptische politieke situatie, gekenmerkt door schendingen van de grondrechten en de rechtsstaat, en ten derde het feit dat de Raad via hen kennis had genomen van informatie die aantoonde dat de Egyptische autoriteiten geen eerlijke, onpartijdige en onafhankelijke gerechtelijke behandeling van de eerste verzoeker waarborgden, noch de eerbiediging van de rechtsstaat jegens hem. In de tweede memorie houdende aanpassing betogen zij bovendien dat de gegevens die zij hebben overgelegd om het ontbreken van een rechtsgrondslag van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172 te bewijzen, ook aantonen dat deze bepalingen onevenredig zijn ten opzichte van de door de Raad nagestreefde doelen.
116 De Raad betwist dat verzoekers een exceptie van onwettigheid kunnen opwerpen tegen artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172 en artikel 2, lid 1, van verordening nr. 270/2011, waartegen zij volgens hem beroep konden instellen op grond van artikel 263 VWEU. Bovendien repliceert hij in het algemeen dat het Gerecht en het Hof de argumenten van verzoekers in het kader van dit middel al hebben afgewezen. Voorts is de schending van de plaatsingscriteria volgens hem niet relevant om te onderzoeken of de rechtsgrondslag passend is. Hij stelt ook dat de verschillende door verzoekers in het kader van dit middel aangevoerde omstandigheden, namelijk de politieke veranderingen in Egypte, de situatie van de grondrechten in dat land en de vermeende schending van de grondrechten van de eerste verzoeker, niet relevant zijn om de wettigheid van de in het kader van besluit 2011/172 vastgestelde maatregelen te beoordelen.
117 Vooraf moet worden opgemerkt dat verzoekers in het kader van dit onderdeel twee verschillende grieven aanvoeren. Ten eerste beroepen zij zich op het ontbreken van een rechtsgrondslag van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172, zoals dat is verlengd bij besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496, aangezien de bepalingen ervan niet meer beantwoorden aan de doelstellingen van het GBVB. Ten tweede beroepen zij zich impliciet in het verzoekschrift en de eerste memorie houdende aanpassing, en uitdrukkelijk in de tweede memorie houdende aanpassing op schending door de Raad van het evenredigheidsbeginsel wegens de kennelijk ongeschikte verlenging van die bepalingen in het licht van de gewijzigde situatie in Egypte.
i) Grief betreffende het ontbreken van een rechtsgrondslag
118 Allereerst moet de vaste rechtspraak in herinnering worden gebracht dat toetsing van de rechtsgrondslag van een handeling het mogelijk maakt na te gaan of de instelling die de handeling heeft vastgesteld, bevoegd is en of de procedure tot vaststelling van die handeling regelmatig is verlopen. Bovendien moet de keuze van de rechtsgrondslag van een Uniehandeling berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn, waaronder het doel en de inhoud van de handeling (zie arrest van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad, C‑220/14 P, EU:C:2015:147, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak; beschikking van 15 februari 2016, Ezz e.a./Raad, T‑279/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:78, punt 47).
119 In het kader van deze grief betwisten verzoekers de toepassing in casu van de redenering van het Gerecht in punt 47 van de beschikking van 15 februari 2016, Ezz e.a./Raad (T‑279/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:78), dat de „sociale en juridische ontwikkelingen” sinds hun eerste plaatsing op de lijst, waarop zij zich beriepen in het kader van een ander middel betreffende het ontbreken van een rechtsgrondslag, geen invloed kunnen hebben op de gegrondheid van de redenen van de bestreden besluiten en niet konden worden onderzocht in het kader van de toetsing van de keuze van de rechtsgrondslag van die handelingen.
120 Volgens verzoekers volgt immers uit de rechtspraak dat, wanneer het doel en de inhoud van een handeling op een bijzondere sociale en juridische context berusten, de toetsing van de rechtsgrondslag ervan noodzakelijkerwijs een onderzoek van de evolutie van die context omvat.
121 Vastgesteld moet evenwel worden dat de door verzoekers bekritiseerde redenering van het Gerecht op het onderhavige geval kan worden toegepast.
122 Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat, zoals het Gerecht heeft geoordeeld in het arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad (T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 44), het volstaat dat besluit 2011/172 doelstellingen nastreeft die verband houden met die van artikel 21 VEU om als GBVB-handeling te worden beschouwd. Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat, gelet op de ruime draagwijdte van de doelstellingen van het GBVB, zoals tot uitdrukking gebracht in artikel 3, lid 5, VEU en artikel 21 VEU en de bijzondere bepalingen inzake het GBVB, met name de artikelen 23 en 24 VEU, het argument ter betwisting van de gegrondheid van die handeling in het licht van de doelstellingen van artikel 21 VEU niet kan aantonen dat die handeling geen rechtsgrondslag heeft (zie in die zin arrest van 5 maart 2015, Ezz e.a./Raad, C‑220/14 P, EU:C:2015:147, punt 46).
123 Dezelfde redenering is van toepassing in de context van de besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496, die besluit 2011/172 alleen hebben verlengd en passen in het kader van hetzelfde beleid ter ondersteuning van het proces van politieke en economische stabilisering van Egypte met eerbiediging van de rechtsstaat en grondrechten, zoals vermeld in overweging 1 van dat besluit.
124 Ook als wordt verondersteld dat in de situatie in Egypte, in het licht waarvan de Raad besluit 2011/172 heeft vastgesteld, wijzigingen hebben plaatsgevonden, daaronder begrepen ongunstige veranderingen voor het democratiseringsproces dat het beleid wil ondersteunen waarin dit besluit past, kan dit hoe dan ook niet ertoe leiden dat afbreuk wordt gedaan aan de bevoegdheid van deze instelling om dit besluit te verlengen op grond van artikel 29 VWEU. Niettegenstaande die omstandigheid vallen de door besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496 nagestreefde doelen en de regels waarvan zij de geldigheid verlengen, immers niettemin onder het GBVB, wat in casu volstaat om de grief van verzoekers af te wijzen (zie in die zin arrest van 14 juni 2016, Parlement/Raad, C‑263/14, EU:C:2016:435, punten 45‑54).
125 De door verzoekers aangehaalde rechtspraak kan niet afdoen aan deze overwegingen.
126 Betreffende in de eerste plaats het arrest van 8 juni 2010, Vodafone e.a. (C‑58/08, EU:C:2010:321), volstaat het op te merken dat het Hof daarin niet heeft onderzocht of een GBVB-bepaling van het VEU een passende rechtsgrondslag vormde, maar wel of dat het geval was voor artikel 95, lid 1, EG (thans artikel 114, lid 1, VWEU), wat een onderzoek inhoudt van de algemene context en de specifieke omstandigheden van het gebied dat door de op die grond vastgestelde handeling is geharmoniseerd, zoals deze waren op het ogenblik van de vaststelling ervan (zie in die zin arrest van 8 juni 2010, Vodafone e.a., C‑58/08, EU:C:2010:321, punten 32‑35 en 39‑47). De redenering van het Hof in dit arrest kan dus niet op het onderhavige geval worden toegepast.
127 In de tweede plaats hebben de punten 191 tot en met 193 van het arrest van 11 juli 2007, Sison/Raad (T‑47/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:207), betrekking op het onderzoek door het Gerecht van een middel betreffende het ontbreken van een motivering en niet van een middel betreffende het ontbreken van een rechtsgrondslag. Zij zijn dus niet relevant.
128 Betreffende in de derde plaats punt 110 van het arrest van 22 april 2015, Tomana e.a./Raad en Commissie (T‑190/12, EU:T:2015:222), moet worden opgemerkt dat dit punt moet worden gelezen in de context van de redenering van het Gerecht waarvan het deel uitmaakt. Met die redenering heeft het Gerecht niet beoogd te toetsen of de beoordelingen van de Raad betreffende de evolutie van de situatie in Zimbabwe gegrond waren en of de handhaving van de beperkende maatregelen in het licht van die evolutie noodzakelijk was, maar heeft het enkel willen nagaan of de Raad met die maatregelen de doelstellingen van het GBVB had willen nastreven (zie in die zin arrest van 22 april 2015, Tomana e.a./Raad en Commissie, T‑190/12, EU:T:2015:222, punten 93‑111).
129 Derhalve moet de grief betreffende het ontbreken van een rechtsgrondslag worden afgewezen.
ii) Grief betreffende schending van het evenredigheidsbeginsel
130 Om te beginnen dient in herinnering te worden gebracht dat de Raad in het algemeen over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt om handelingen vast te stellen in het kader van het GBVB, dat een gebied vormt waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken (zie in die zin arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens de rechtspraak beschikt de Raad ook over een ruime beoordelingsmarge voor de omschrijving van de algemene criteria die de kring van personen afbakenen waarop de beperkende maatregelen van toepassing kunnen zijn, in het licht van de doelstellingen waarop deze maatregelen zijn gebaseerd (zie in die zin arresten van 21 april 2015,Anbouba/Raad, C‑605/13 P, EU:C:2015:248, punt 41, en 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 48). Hij moet dus worden beschouwd over een beoordelingsmarge van dezelfde strekking te beschikken voor de verlenging van de toepassing van deze criteria.
131 Derhalve staat het niet aan het Gerecht om in het onderhavige beroep uitspraak te doen over de gegrondheid van het in overweging 1 van besluit 2011/172 bedoelde beleid van de Raad ter ondersteuning van het proces van politieke stabilisering in Egypte, waarin dit besluit en de daaropvolgende besluiten passen.
132 Het staat evenmin aan het Gerecht om zijn beoordeling van de geografische of politieke context waarop besluit 2011/172 betrekking heeft, en de noodzaak van de verlenging ervan in het licht van deze context in de plaats te stellen van die van de Raad. Het staat alleen aan het Gerecht om te onderzoeken of de Raad, om die noodzaak te evalueren, niet kennelijk voorbij is gegaan aan het belang en de ernst van de door verzoekers aangevoerde gegevens over de Egyptische politieke en gerechtelijke context gelet op de andere informatie in zijn bezit en de doelstellingen van dat besluit.
133 In het licht van deze overwegingen moeten de verschillende argumenten van verzoekers ter ondersteuning van het onderhavige middel worden onderzocht.
– Eerste argument betreffende de afzetting van de door de Raad ondersteunde „nieuwe Egyptische autoriteiten”
134 Allereerst zijn de uitgangspunten onjuist van verzoekers’ argument dat besluit 2011/172 niet meer kan passen in het kader van een, naar luid van punt 44 van het arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad (T‑256/11, EU:T:2014:93), „beleid ter ondersteuning van de nieuwe Egyptische autoriteiten” wegens de afzetting van die autoriteiten.
135 Gelet op het in punt 64 supra gememoreerde doel van besluit 2011/172, moeten de in dat kader vastgestelde beperkende maatregelen in beginsel immers worden gehandhaafd tot de gerechtelijke procedures in Egypte zijn beëindigd om hun nuttige werking te behouden. Bijgevolg kan de verlenging van die maatregelen niet afhangen van de opeenvolgende regeringswissels in het kader van het politieke overgangsproces na het vertrek van Mubarak in februari 2011.
136 Daarnaast volgt uit punt 44 van het arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad (T‑256/11, EU:T:2014:93), dat het Gerecht met de uitdrukking „beleid ter ondersteuning van de nieuwe Egyptische autoriteiten” heeft willen verwijzen naar het „beleid ter ondersteuning van de vreedzame en ordelijke overgang naar een op de beginselen van de rechtsstaat gebaseerde civiele en democratische regering in Egypte, die de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden volledig eerbiedigt”, dat is bedoeld in overweging 1 van besluit 2011/172. Zoals met name uit het verslag van IBAHRI van 2014 volgt, is het juist dat de in Egypte in juni 2012 in het kader van het democratische overgangsproces verkozen president van de Republiek, Mohammed Morsi, uit zijn functie is ontheven in juni 2013. Anders dan verzoekers stellen, suggereert de tekst van deze overweging evenwel niet dat het beleid ter ondersteuning van dat proces was beperkt tot de ondersteuning van de door die leider gevormde regering, die de eerste verkozen civiele regering was na het vertrek van Mubarak in 2011. Zoals in punt 131 supra is vermeld, staat het hoe dan ook niet aan het Gerecht om uitspraak te doen over de vraag of dat steunbeleid relevant bleef nadat Morsi uit zijn functie was ontheven.
137 Aan deze overwegingen kan uiteraard niet worden afgedaan [vertrouwelijk]. Het volstaat immers eraan te herinneren dat, zoals in punt 135 supra is vermeld, die maatregelen, om hun nuttige werking te behouden, in beginsel moeten worden gehandhaafd tot de gerechtelijke procedures in dat land zijn beëindigd.
138 Het argument betreffende de afzetting van de Egyptische „nieuwe autoriteiten” moet dus worden afgewezen.
– Tweede argument betreffende de risico’s door de instabiele Egyptische politieke situatie, en aangevoerde schendingen van de rechtsstaat en grondrechten
139 Allereerst dient te worden opgemerkt dat, zoals verzoekers betogen, de door hen overgelegde gegevens, met name die uit de verslagen van IBAHRI, wijzen op een grote institutionele en politieke instabiliteit in Egypte na het vertrek van Mubarak op 11 februari 2011, die heeft voortgeduurd tot de vaststelling van een nieuwe grondwet in januari 2014 en de verkiezing van Al-Sissi tot president van de Republiek enkele maanden later, zoals blijkt uit het antwoord van verzoekers op de vragen van het Gerecht van 1 juni 2017. Uit deze documenten blijkt voorts dat er grote spanningen waren tussen de autoriteiten en politieke tegenstanders, wat een aantal mensen het leven heeft gekost.
140 Wat de gerechtelijke context betreft, suggereren deze documenten dat de in punt 139 supra vermelde politieke spanningen hebben geleid tot een repressief strafrechtelijk beleid tegen politieke tegenstanders, waarbij de grondrechten onvoldoende waren beschermd. Ook worden er herhaalde inmengingen of pogingen tot inmenging van de uitvoerende macht in de voorrechten van de gerechtelijke autoriteiten vermeld, op zijn minst tijdens het mandaat van Morsi. Uit die documenten blijken ook de enorme mediatisering van de strafrechtelijke procedures tegen de vroegere leiders en hun familieleden, met name die tegen Mubarak en de eerste verzoeker, en de druk van de publieke opinie – die vreesde dat dit proces in gevaar zou worden gebracht door een falend gerechtelijk apparaat – om die personen verantwoordelijk te stellen.
141 Deze documenten bevatten ook een beschrijving van de werking van het Egyptische gerechtelijke apparaat in de betrokken periode. Zo verwijzen deze documenten naar kenmerken van dat gerechtelijke apparaat, die volgens de auteurs ervan de bescherming van de grondrechten door de Egyptische gerechtelijke autoriteiten verzwakken, die in beginsel is gewaarborgd door het wettelijke kader dat die autoriteiten is opgelegd. Als kenmerken worden in het bijzonder vermeld: de bevoegdheden van de uitvoerende macht inzake de benoeming van de procureurs en de loopbaan van de rechters, en de tekortkomingen met betrekking tot de wijze van aanwerving en de opleiding van rechters inzake met name internationale normen op het gebied van de grondrechten. Naast die kenmerken zijn er bovendien de in de verslagen van D. en M. beschreven materiële omstandigheden waarin de terechtzittingen in strafzaken verlopen. Sommige ervan zijn volgens die verslagen blijkbaar niet specifiek voor de omschreven terechtzittingen en wijzen volgens hun auteurs erop dat alle waarborgen van het recht op een eerlijk proces niet zijn geboden.
142 Uit deze documenten blijkt voorts dat de Zwitserse federale strafrechter zich in zijn arrest van 12 december 2012 heeft gebaseerd op gegevens over de politieke instabiliteit in Egypte in 2012 en op de gegevens over de op basis van verschillende openbare bronnen vastgestelde inmengingen van de uitvoerende macht in rechtszaken, alsook dat het grondwettelijk hof van Liechtenstein in zijn arresten van 28 augustus 2012 en 30 september 2013 heeft geoordeeld dat de gegevens van het verslag van IBAHRI van 2011 over het Egyptische gerechtelijke apparaat en de gegevens van het verslag van M. erop wezen dat er een risico bestond dat de grondrechten van de eerste verzoeker in Egypte zouden worden geschonden.
143 Zelfs al zouden alle in deze documenten bedoelde omstandigheden als bewezen kunnen worden beschouwd, zij kunnen hoe dan ook niet aantonen dat de verlenging van besluit 2011/172 bij besluit 2015/486 kennelijk in strijd was met de in overweging 1 van dat besluit 2011/172 vermelde doelstellingen.
144 In de eerste plaats kan op basis van die omstandigheden niet worden geconcludeerd dat de institutionele en politieke instabiliteit die kenmerkend was voor de Egyptische politieke context tussen 2011 en 2014, als gevolg zou hebben gehad dat het Egyptische gerechtelijke apparaat helemaal niet meer in staat was om de eerbiediging van de rechtsstaat en grondrechten te waarborgen, en dat de bevriezing van de tegoeden die bij besluit 2011/172 is vastgesteld in het kader van een beleid dat met name is gericht op de eerbiediging van die beginselen, dus kennelijk ongeschikt zou zijn geworden.
145 Uit de betrokken documenten blijkt inderdaad dat de institutionele en politieke instabiliteit in Egypte mogelijk een factor van onzekerheid was – met name in 2012 – door het risico op inmenging van de uitvoerende macht in lopende zaken, zodat vanuit het standpunt van een Europese rechter de nietigverklaring van maatregelen voor rechtsbijstand was gerechtvaardigd.
146 Die instabiliteit vormde er evenwel geen voldoende rechtvaardiging voor dat de Raad besluit 2011/172 niet meer zou verlengen gelet op de gegevens waarover hij reeds beschikte bij de vaststelling van besluit 2015/486. Allereerst [vertrouwelijk]. Vervolgens kan op basis van geen enkel door verzoekers overgelegd gegeven worden gesuggereerd dat de strafrechtelijke procedures in Egypte tegen de door besluit 2011/172 beoogde personen zijn beïnvloed door die instabiliteit. Ten slotte beschikte de Raad bij de vaststelling van besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496 over een geactualiseerde stand van deze strafrechtelijke procedures (zie punten 87 en 88 supra) tegen de personen op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172, waaruit geen dergelijke invloed blijkt. Deze procedures lijken normaal te zijn verlopen en hebben in bepaalde gevallen zelfs geleid tot ofwel de afsluiting van de zaak bij gebreke van bewijzen, ofwel de vernietiging van de aan deze personen opgelegde veroordelingen door de Egyptische cassatierechter.
147 Bovendien kan geen andere conclusie worden getrokken uit de beweerde schendingen van de grondrechten die in Egypte in de betrokken periode zouden zijn begaan in de context van confrontaties tussen de autoriteiten en de manifestanten, met name de politieke tegenstanders, en het repressieve strafrechtelijke beleid tegen die tegenstanders. Uit de door verzoekers overgelegde gegevens blijkt immers niet dat die schendingen, zelfs al zouden zij zijn bewezen, een invloed konden hebben op de strafrechtelijke procedures tegen degenen van wie werd vermoed dat zij verantwoordelijk waren voor verduistering van overheidsmiddelen, op basis waarvan besluit 2011/172 is vastgesteld. Hoewel de gegevens over die strafrechtelijke procedures suggereren dat het verloop van enkele ervan onderhevig was aan druk van de publieke opinie, moet worden vastgesteld dat daaruit niet het risico valt af te leiden dat het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld in al die procedures systematisch zouden kunnen zijn geschonden.
148 Aan deze overwegingen wordt niet afgedaan door de gegevens over de werking van het gerechtelijke apparaat die in het bijzonder blijken uit de verslagen van IBAHRI, D. en M. Het is juist dat deze verslagen wijzen op tekortkomingen in de bescherming van de onafhankelijkheid van de gerechtelijke autoriteiten door het Egyptische wettelijke kader en op praktische tekortkomingen die de concrete toepassing van de grondrechten binnen dat gerechtelijke apparaat kunnen verzwakken. Zij suggereren evenwel niet dat de Egyptische gerechtelijke autoriteiten door die omstandigheden systematisch de eerbiediging van de rechtsstaat en grondrechten niet konden waarborgen in strafrechtelijke procedures zoals die waarop de Raad zich heeft gebaseerd voor besluit 2011/172.
149 Aan deze overwegingen wordt evenmin afgedaan door het arrest van de Zwitserse federale strafrechter van 12 december 2012 en de arresten van het grondwettelijk hof van Liechtenstein van 28 augustus 2012 en 30 september 2013, waarop verzoekers zich beroepen. Zelfs ingeval de door die rechters vernietigde gerechtelijke maatregelen vergelijkbaar zijn met de in het kader van besluit 2011/172 vastgestelde maatregelen, blijkt uit deze arresten immers hoe dan ook dat zij zijn gewezen in het licht van andere feitelijke en juridische omstandigheden dan die welke relevant zijn in het kader van het onderhavige middel. Ten eerste dient immers te worden opgemerkt dat de betrokken rechterlijke instanties in deze arresten uitspraak hebben gedaan op basis van de feiten waarmee respectievelijk in 2012 en 2013 rekening kon worden gehouden en niet op basis van de feiten die later hebben plaatsgevonden. Ten tweede vormden de vernietigde maatregelen geen regeling van maatregelen maar individuele maatregelen en was het voor de stopzetting van die maatregelen niet nodig aan te tonen dat er risico’s bestonden op systematische schendingen van de grondrechten in de Egyptische gerechtelijke context, zoals in casu het geval is.
150 Ten slotte rechtvaardigen de door verzoekers in 2016 en 2017 overgelegde aanvullende documenten over de algemene situatie van de rechtsstaat en grondrechten geen andere analyse met betrekking tot besluit 2016/411 en besluit 2017/496.
151 De verklaringen in naam van de Unie tussen 2011 en 2016, waarop verzoekers zich beroepen in het kader van de eerste memorie houdende aanpassing, betreffen niet de gerechtelijke procedures waarop de Raad zich heeft gebaseerd in het kader van besluit 2011/172. Het feit dat autoriteiten van de Unie hun bezorgdheid uiten over schendingen van de grondrechten en de rechtsstaat in Egypte of de Egyptische autoriteiten verzoeken dergelijke schendingen niet te plegen, ook in de gerechtelijke context, staat op zich niet eraan in de weg dat de Raad diezelfde autoriteiten bijstand verleent in het kader van bijzondere gerechtelijke procedures. In het kader van een beleid dat met name is gericht op de eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten in Egypte, is de bijstand aan de Egyptische autoriteiten ter bestrijding van verduistering van overheidsmiddelen niet in tegenspraak met het uiten van bezorgdheid of met verzoeken tot eerbiediging van die beginselen door die autoriteiten zelf, maar vormt deze integendeel een aanvulling ervan.
152 Betreffende het rapport van de internationale commissie van juristen van september 2016, met als titel „Egypt’s judiciary: A Tool of Repression, Lack of Effective Guarantee of Independence and Accountability”, blijkt uit geen enkel gegeven van het dossier dat verzoekers de Raad dit rapport vóór de vaststelling van besluit 2017/496 hebben toegezonden. De Raad kan dus niet worden verweten dat hij geen rekening heeft gehouden met de gegevens van dat rapport om uit te maken of de verlenging van besluit 2011/172 al dan niet in overeenstemming was met de doelstellingen van het beleid waarin dat besluit past. Voor het overige is het juist dat deze gegevens overeenstemmen met die in de verslagen van IBAHRI wat de werking van het Egyptische gerechtelijke apparaat betreft, ook voor de periode na die waarop deze verslagen betrekking hebben. Deze gegevens betreffen evenwel niet de strafrechtelijke procedures waarop de Raad zich heeft gebaseerd en suggereren niet dat het gerechtelijke apparaat systematisch niet in staat zou zijn de eerbiediging van de grondrechten in die procedures te waarborgen.
153 In de tweede plaats tonen de door verzoekers overgelegde gegevens niet aan dat de Raad een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan, omdat hij meende over voldoende gegevens te beschikken om het redelijk te achten de in het kader van besluit 2011/172 aangegane samenwerking met de Egyptische autoriteiten voort te zetten, zonder dat extra toetsingen nodig waren.
154 Verzoekers tonen immers niet aan dat de Raad, die impliciet maar noodzakelijkerwijs een dergelijke beoordeling heeft gemaakt, een kennelijk onjuiste afweging heeft gemaakt van de verschillende voor de voortzetting van deze samenwerking relevante gegevens, waarbij in het bijzonder rekening werd gehouden met het doel van deze samenwerking en met de doelstellingen van het beleid waarin zij paste, namelijk de ondersteuning van het economische en politieke stabiliseringsproces van Egypte met eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten.
155 Aangezien de bij besluit 2011/172 vastgestelde regeling van beperkende maatregelen alleen dient om het de Egyptische autoriteiten te vergemakkelijken verduistering van overheidsmiddelen vast te stellen en hen in staat te stellen de opbrengst ervan in te vorderen, valt niet uit te sluiten dat de verlenging van deze regeling relevant blijft, ook ingeval zich politieke en gerechtelijke veranderingen voordoen die ongunstig zijn voor de vooruitgang van de democratie, de rechtsstaat of de eerbiediging van de grondrechten. Derhalve stond het aan de Raad om te beoordelen of, gelet op de gegevens waarover hij beschikte, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat de voortzetting van de bijstand aan de Egyptische autoriteiten ter bestrijding van de verduistering van overheidsmiddelen, ook in een dergelijke context, een passend middel bleef om de doelstellingen van politieke stabiliteit en eerbiediging van de rechtsstaat in het land te bevorderen.
156 Zoals is vastgesteld in de punten 144 tot en met 152 supra, kan louter op basis van de door verzoekers overgelegde gegevens niet worden geconcludeerd dat de Egyptische gerechtelijke autoriteiten door die politieke en gerechtelijke veranderingen definitief niet meer in staat zouden zijn om de eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten te waarborgen in de gerechtelijke procedures waarop besluit 2011/172 is gebaseerd.
157 Daarnaast kon de Raad rekening houden met de waarborgen die het Egyptische wettelijke kader biedt. Zo bleek met name uit de verslagen van IBAHRI dat Egypte partij is bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij regionale instrumenten van internationaal recht betreffende de bescherming van de grondrechten alsook dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht wordt gewaarborgd door de Egyptische grondwet, waarbij op dat gebied overigens vooruitgang is geboekt door de in februari 2014 aangenomen nieuwe grondwet. Bovendien bleek uit de in punt 86 supra vermelde inlichtingen in het memorandum van het PGO van 9 februari 2015 over de beroepsmiddelen die de Egyptische strafrechtelijke procedure biedt aan de personen waarop besluit 2011/172 van toepassing is, dat die procedures pasten in een juridisch kader dat waarborgen biedt inzake de effectieve rechterlijke bescherming van die personen. Zoals in punt 146 supra is vermeld, bleek uit de geactualiseerde informatie over de stand van de betrokken strafrechtelijke procedures, die door de Egyptische autoriteiten ook was overgelegd met het oog op de vaststelling van besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496, dat de veroordeling van bepaalde personen op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172 was vernietigd.
158 Wat in het bijzonder het memorandum van het PGO van 9 februari 2015 betreft, kunnen verzoekers de niet-ontvankelijkheid ervan niet aanvoeren in het kader van het onderhavige middel, voor zover het betrekking heeft op de nietigverklaring van besluit 2015/486, aangezien vaststaat dat de Raad zich heeft kunnen baseren op de inhoud ervan om dit besluit vast te stellen. Zoals in punt 88 supra is vastgesteld, is de inhoud van dat memorandum bovendien herhaald in het memorandum van het NCRAA van 5 december 2016, dat aan verzoekers is toegezonden vóór de vaststelling van besluit 2017/496. In zijn schriftelijke antwoord van 21 april 2017 op een maatregel tot organisatie van de procesgang heeft de Raad die memoranda aan het dossier van de zaak toegevoegd. Verzoekers zijn dus in staat geweest opmerkingen te maken over de inhoud van dit document, met name in hun schriftelijke antwoord van 1 juni 2017 op de vragen van het Gerecht en ter terechtzitting.
159 Zoals in punt 151 supra is vermeld, is ten slotte de bijstand van de Raad aan de Egyptische autoriteiten ter bestrijding van het verduisteren van overheidsmiddelen niet in tegenspraak met het uiten van bezorgdheid en verzoeken van de autoriteiten van de Unie inzake eventuele schendingen van de grondrechten en de rechtsstaat in Egypte.
160 Bijgevolg heeft de Raad geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door van mening te zijn dat hij over voldoende gegevens beschikte over de Egyptische politieke en gerechtelijke context om de in het kader van besluit 2011/172 aangegane samenwerking met de Egyptische autoriteiten voort te zetten, en dat de door verzoekers overgelegde gegevens niet rechtvaardigden dat vóór de verlenging van dat besluit aanvullende toetsingen werden verricht.
– Derde argument: het risico dat het recht op een eerlijk proces van de eerste verzoeker niet wordt geëerbiedigd in de strafrechtelijke procedures tegen hem in Egypte
161 Over dit argument moet worden opgemerkt dat, zelfs al zouden de door verzoekers overgelegde gegevens erop wijzen dat de Egyptische autoriteiten de eerste verzoeker niet kunnen waarborgen dat zijn recht op een eerlijk proces wordt geëerbiedigd, deze omstandigheid in voorkomend geval alleen aan de wettigheid van de verlenging van de plaatsing van verzoekers op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172 afbreuk kan doen. Zij kan daarentegen geen afbreuk doen aan de wettigheid van de verlenging van de bij artikel 1, lid 1, van dat besluit vastgestelde regeling van bevriezing van tegoeden.
162 De criteria van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172 bepalen immers op algemene en abstracte wijze dat de personen die verantwoordelijk zijn voor het verduisteren van Egyptische overheidsmiddelen en de met hen geassocieerde personen, op de lijst in de bijlage van dat besluit worden geplaatst. Deze criteria houden niet in dat er een verband bestaat tussen de plaatsing van die personen op die lijst en de bijzondere strafrechtelijke procedures tegen de eerste verzoeker.
163 Bovendien kan het risico op schendingen van het recht op een eerlijk proces van de eerste verzoeker op zich niet wijzen op systematische schendingen van dat recht, die afbreuk kunnen doen aan de rechten van alle personen op de lijst in de bijlage bij besluit 2011/172.
164 Voor zover het onderhavige argument een exceptie van onwettigheid van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172, zoals verlengd bij besluit 2015/486 ondersteunt, faalt het dus. Dit argument kan alleen relevant zijn in het kader van het tweede middel inzake schending door de bestreden besluiten van de verplichting om de grondrechten te eerbiedigen. Het moet dus in dat kader worden onderzocht.
165 Uit al het voorgaande volgt derhalve dat verzoekers niet hebben aangetoond dat de verlenging van artikel 1, lid 1, van besluit 2011/172 bij besluiten 2015/486, 2016/411 en 2017/496 kennelijk ongeschikt is in het licht van de situatie in Egypte en dat het evenredigheidsbeginsel bijgevolg is geschonden. Het eerste onderdeel van dit middel moet dus in zijn geheel worden afgewezen, zonder dat het middel van niet-ontvankelijkheid hoeft te worden onderzocht dat door de Raad in zijn verweerschrift is opgeworpen tegen de exceptie van onwettigheid waarop dit onderdeel is gebaseerd (zie in die zin arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
2) Tweede onderdeel: ontbreken van een rechtsgrondslag voor artikel 2, lid 1, van verordening nr. 270/2011
166 Verzoekers beroepen zich op het ontbreken van een rechtsgrondslag voor verordening nr. 270/2011, die volgens hen niet kan zijn gebaseerd op artikel 215, lid 3, VWEU, bij gebreke van een geldig besluit, noch op lid 2 van dat artikel, bij gebreke van een band tussen hen en de regering van een derde land.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 26 juli 2017, C-599/14, ECLI:EU:C:2017:583
- Gerecht EU 7 juli 2017, T-215/15, ECLI:EU:T:2017:479
- Gerecht EU 15 september 2016, T-340/14, ECLI:EU:T:2016:496
- Gerecht EU 15 september 2016, T-348/14, ECLI:EU:T:2016:508
- Gerecht EU 30 juni 2016, T-424/13, ECLI:EU:T:2016:378
- HvJ EU 14 juni 2016, C-263/14, ECLI:EU:C:2016:435
- HvJ EU 18 februari 2016, C-176/13, ECLI:EU:C:2016:96
- HvJ EU 3 september 2015, C-398/13, ECLI:EU:C:2015:535
- HvJ EU 18 juni 2015, C-535/14, ECLI:EU:C:2015:407
- Gerecht EU 22 april 2015, T-190/12, ECLI:EU:T:2015:222
- HvJ EU 21 april 2015, C-605/13, ECLI:EU:C:2015:248
- HvJ EU 5 maart 2015, C-220/14, ECLI:EU:C:2015:147
- Gerecht EU 16 oktober 2014, T-208/11, ECLI:EU:T:2014:885
- Gerecht EU 5 september 2014, T-471/11, ECLI:EU:T:2014:739
- Gerecht EU 27 februari 2014, T-256/11, ECLI:EU:T:2014:93
- HvJ EU 28 november 2013, C-348/12, ECLI:EU:C:2013:776
- HvJ EU 18 juli 2013, C-584/10, ECLI:EU:C:2013:518
- HvJ EU 22 november 2012, C-277/11, ECLI:EU:C:2012:744
- HvJ EU 21 december 2011, C-411/10, ECLI:EU:C:2011:865
- HvJ EU 8 juni 2010, C-58/08, ECLI:EU:C:2010:321
Aangehaald in
- Gerecht EU 27 juli 2022, T-125/22, ECLI:EU:T:2022:483
- Gerecht EU 12 februari 2020, T-163/18, ECLI:EU:T:2020:57
- Gerecht EU 23 september 2020, T-510/18, ECLI:EU:T:2020:436
- Gerecht EU 12 februari 2020, T-170/18, ECLI:EU:T:2020:60
- Gerecht EU 14 juli 2021, T-248/18, ECLI:EU:T:2021:450
- Gerecht EU 12 oktober 2022, T-88/21, ECLI:EU:T:2022:631
- Gerecht EU 28 oktober 2020, T-151/18, ECLI:EU:T:2020:514
- Gerecht EU 10 september 2025, T-573/23, ECLI:EU:T:2025:867
- Gerecht EU 17 juli 2024, T-208/22, ECLI:EU:T:2024:497
- Gerecht EU 20 december 2023, T-313/22, ECLI:EU:T:2023:830