Gerecht EU 3 december 2025, T-72/24, ECLI:EU:T:2025:1085
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)
3 december 2025(*)
„ Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo – Bevriezing van tegoeden – Inreisbeperkingen op het grondgebied van de lidstaten – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren en waarvoor beperkingen inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten gelden – Handhaving van verzoekers naam op de lijsten – Beroep tot nietigverklaring – Bevoegdheid van de Raad – Transparantieverplichting – Rechtszekerheid – Motiveringsplicht – Beoordelingsfout – Grondrechten – Evenredigheid ”
In zaak T‑72/24,
UC, vertegenwoordigd door B. Luyten en G. Hendrikx, advocaten,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door B. Driessen en M.‑C. Cadilhac als gemachtigden,
verweerder
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: R. da Silva Passos (rapporteur), president, I. Reine en H. Cassagnabère, rechters,
griffier: L. Ramette, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 10 juli 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoeker, UC, nietigverklaring van besluit (GBVB) 2023/2768 van de Raad van 8 december 2023 tot wijziging van besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo (PB L, 2023/2768), en van uitvoeringsverordening (EU) 2023/2771 van de Raad van 8 december 2023 tot uitvoering van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1183/2005 betreffende bepaalde specifieke beperkende maatregelen met het oog op de situatie in de Democratische Republiek Congo (PB L, 2023/2771), voor zover deze handelingen (hierna samen: „bestreden handelingen”) hem betreffen.
Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na het instellen van het beroep hebben voorgedaan
2 Verzoeker, een zakenman van Belgische nationaliteit, is de voormalig directeur van African Gold Refinery Ltd (hierna: „AGR”), een in Uganda gevestigde vennootschap die actief is in de goudsector in Afrika. Haar activiteiten bestaan met name uit de aankoop, winning, raffinage en verkoop van goud afkomstig uit mijnen in de Democratische Republiek Congo.
3 De onderhavige zaak moet worden geplaatst in het kader van de beperkende maatregelen die de Raad van de Europese Unie heeft opgelegd om duurzame vrede in de Democratische Republiek Congo tot stand te brengen en druk uit te oefenen op de personen en entiteiten die handelen in strijd met het wapenembargo dat tegen die staat is afgekondigd.
Maatregelen die de Unie op autonome wijze heeft vastgesteld met het oog op de situatie in de Democratische Republiek Congo
4 Op 18 juli 2005 heeft de Raad, op basis van de artikelen 60, 301 en 308 EG, verordening (EG) nr. 1183/2005 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen die handelen in strijd met het wapenembargo tegen de Democratische Republiek Congo (PB 2005, L 193, blz. 1) vastgesteld. Daarenboven heeft de Raad op 20 december 2010, op basis van artikel 29 VEU, besluit 2010/788/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Republiek Congo en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2008/369/GBVB (PB 2010, L 336, blz. 30) vastgesteld.
5 Op 12 december 2016 heeft de Raad, op basis van artikel 29 VEU, besluit (GBVB) 2016/2231 tot wijziging van besluit 2010/788/GBVB (PB 2016, L 336 I, blz. 7) vastgesteld en, op basis van artikel 215 VWEU, verordening (EU) 2016/2230 tot wijziging van verordening nr. 1183/2005 (PB 2016, L 336 I, blz. 1).
6 Artikel 3, lid 2, van besluit 2010/788, zoals gewijzigd bij besluit 2016/2231, en artikel 2 ter van verordening nr. 1183/2005, zoals gewijzigd bij verordening 2016/2230, leggen beperkende maatregelen op aan onder meer personen die de Europese Unie op autonome wijze heeft aangewezen en waarvan de namen zijn opgenomen op de lijsten in afdeling A („Personen”) van bijlage II bij besluit 2010/788 en in afdeling A („Personen”) van bijlage I bis bij verordening nr. 1183/2005 (hierna: „litigieuze lijsten”).
7 Op 5 december 2022 heeft de Raad zich op het standpunt gesteld dat de criteria voor de aanwijzing van personen op wie die beperkende maatregelen van toepassing zijn, moesten worden gewijzigd om het mogelijk te maken die maatregelen ook te nemen tegen natuurlijke personen of rechtspersonen die het gewapend conflict, de instabiliteit of de onveiligheid in de Democratische Republiek Congo ondersteunden of er baat bij hadden. In dit kader heeft de Raad ten eerste besluit (GBVB) 2022/2377 tot wijziging van besluit 2010/788 (PB 2022, L 317, blz. 97) vastgesteld, waarbij in artikel 3, lid 2, onder c) tot en met f), van besluit 2010/788 vier aanvullende criteria voor plaatsing op de lijsten zijn opgenomen, en ten tweede verordening (EU) 2022/2373 tot wijziging van verordening nr. 1183/2005 (PB 2022, L 314, blz. 79), waarbij diezelfde vier criteria zijn opgenomen in artikel 2 ter, lid 1, van verordening nr. 1183/2005.
Criteria die zijn gehanteerd om de betrokken beperkende maatregelen vast te stellen
8 In artikel 4, leden 1 en 2, van besluit 2010/788, zoals gewijzigd bij besluit 2022/2377 (hierna: „besluit 2010/788 zoals gewijzigd”) is bepaald dat „[d]e lidstaten [...] de nodige maatregelen [nemen] om de binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied van de in artikel 3 bedoelde personen te beletten” en dat dit de „lidstaten niet [verplicht] de binnenkomst op hun grondgebied van eigen onderdanen te weigeren”.
9 Artikel 5, leden 1 en 2, van besluit 2010/788 zoals gewijzigd, dat in essentie is overgenomen in artikel 2 van verordening nr. 1183/2005, zoals gewijzigd bij verordening 2022/2373 (hierna: „verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd”), bepaalt:
„1. Alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die rechtstreeks of onrechtstreeks in bezit zijn of onder zeggenschap staan van de in artikel 3 bedoelde personen of entiteiten, of die worden gehouden door entiteiten waarvan de eigendom of de zeggenschap rechtstreeks of onrechtstreeks berust bij die personen of entiteiten, dan wel bij personen of entiteiten die namens deze of op hun aanwijzing handelen, als genoemd in de [litigieuze lijsten], worden bevroren.
2. Tegoeden, andere financiële activa of economische middelen worden rechtstreeks noch onrechtstreeks aan of ten behoeve van de in lid 1 bedoelde personen of entiteiten ter beschikking gesteld.”
10 Artikel 3, lid 2, onder f) en g), van besluit 2010/788 zoals gewijzigd, dat in essentie is overgenomen in artikel 2 ter, lid 1, van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, bepaalt dat de betrokken beperkende maatregelen onder meer worden opgelegd aan natuurlijke personen of rechtspersonen op de litigieuze lijsten die:
„f) [...] het gewapend conflict, de instabiliteit of de onveiligheid in de [Democratische Republiek Congo] [exploiteren], onder meer door de illegale exploitatie van of handel in natuurlijke hulpbronnen en wilde dieren en planten;
g) banden hebben met de [onder f)] bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen”.
Plaatsing van verzoekers naam op de litigieuze lijsten
11 Op 8 december 2022 heeft de Raad uitvoeringsbesluit (GBVB) 2022/2398 tot uitvoering van besluit 2010/788 (PB 2022, L 316, blz. 7) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/2397 tot uitvoering van verordening nr. 1183/2005 (PB 2022, L 316, blz. 1) vastgesteld.
12 Bij uitvoeringsbesluit 2022/2398 en uitvoeringsverordening 2022/2397 is verzoekers naam op de litigieuze lijsten geplaatst op basis van het criterium voor plaatsing op de lijsten van artikel 3, lid 2, onder f), van besluit 2010/788 zoals gewijzigd, en van artikel 2 ter, lid 1, onder f), van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd (hierna: „litigieus criterium”).
13 De Raad heeft de plaatsing van verzoekers naam op de litigieuze lijsten gerechtvaardigd op de volgende twee gronden:
„[Verzoeker] is een zakenman en de uiteindelijke begunstigde en voormalig directeur van [AGR], gevestigd in Uganda.
[AGR] ontvangt, koopt, raffineert en verhandelt sinds 2016 illegaal goud van oorsprong uit mijnen in de [Democratische Republiek Congo] die worden gecontroleerd door niet-gouvernementele gewapende groeperingen, waaronder de Mai-Mai Yakutumba en Raia Mutomboki, die betrokken zijn bij destabiliserende activiteiten in de provincie Zuid-Kivu.
[Verzoeker] exploiteert derhalve het gewapende conflict, de instabiliteit en de onveiligheid in de [Democratische Republiek Congo] door de illegale exploitatie van en handel in natuurlijke hulpbronnen.”
14 Op 9 december 2022 heeft de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie een kennisgeving gepubliceerd aan de personen op wie de beperkende maatregelen van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd – als uitgevoerd bij uitvoeringsbesluit 2022/2398 en uitvoeringsverordening 2022/2397 – betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in de Democratische Republiek Congo, van toepassing zijn (PB 2022, C 469, blz. 32). Daarin werd onder andere aangegeven dat de betrokken personen vóór 1 september 2023, onder overlegging van bewijsstukken, bij de Raad een verzoek tot heroverweging van dit besluit konden indienen.
15 Verzoeker heeft beroep ingesteld, ingeschreven onder zaaknummer T‑6/23, tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2022/2398 en uitvoeringsverordening 2022/2397, voor zover die handelingen hem betroffen. Dat beroep is na de instelling van het onderhavige beroep kennelijk rechtens ongegrond verklaard bij beschikking van 17 april 2024, UC/Raad (T‑6/23, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:263).
Heroverweging en handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten
16 Bij brieven van 13 december 2022 (hierna: „brief van 13 december 2022”) en 23 januari 2023 heeft verzoeker de Raad verzocht om heroverweging van de plaatsing van zijn naam op de litigieuze lijsten alsook van de motivering daarvan. Hij heeft tevens verzocht om mededeling van de bewijsstukken ter staving van deze motivering. Bij brieven van 8 en 16 februari 2023 heeft de Raad hem werkdocumenten uit het bewijsdossier toegestuurd, en er daarbij onder meer op gewezen dat verzoeker geen relevante gegevens had overgelegd om de transparantie van de activiteiten en de leveranciers van AGR aan te tonen en het bewijs te weerleggen dat AGR illegaal goud van oorsprong uit door gewapende groeperingen gecontroleerde mijnen ontving, kocht en raffineerde. De Raad heeft daaraan toegevoegd dat niet was bewezen dat verzoekers aandelen in die vennootschap daadwerkelijk waren overgedragen, zodat hij nog steeds de „adviseur/promotor” en de uiteindelijke begunstigde daarvan was. De Raad heeft hem er bovendien op gewezen dat een termijn voor het indienen van eventuele opmerkingen was vastgesteld op uiterlijk 1 september 2023.
17 Op 31 augustus 2023 heeft verzoeker via zijn advocaat bij de Raad een tweede verzoek om heroverweging ingediend, waarbij hij verzocht om zijn naam van de litigieuze lijsten te schrappen en om hem, voorafgaand aan een eventueel besluit om de hem betreffende beperkende maatregelen te verlengen, te horen tijdens een hoorzitting. Hij heeft met name benadrukt dat hij, ten eerste, niet langer directeur was en al zijn aandelen in de vennootschap AGR International Ltd (hierna: „AGR I”), de aandeelhoudende vennootschap van AGR, had verkocht, ten tweede, niet langer adviseur was van deze laatste vennootschap en, ten derde, sinds juni 2023 niet langer als uiteindelijk begunstigde van AGR werd vermeld in de rapporten van de groep van experten van de Verenigde Naties inzake de Democratische Republiek Congo (hierna: „expertengroep”).
18 Bij brief van 17 oktober 2023 heeft de Raad verzoekers advocaat meegedeeld dat hij voornemens was deze maatregelen aan het einde van de heroverwegingsperiode in 2023 te handhaven met een gewijzigde motivering. Hij heeft tevens drie werkdocumenten uit het bewijsdossier overgelegd, en een termijn voor het indienen van eventuele opmerkingen vastgesteld op uiterlijk 3 november 2023.
19 Bij brieven van 3 en 28 november 2023 heeft verzoeker met bewijsstukken ondersteunde opmerkingen ingediend. Daarin herhaalde hij onder meer dat hij niet langer de uiteindelijke begunstigde van AGR was, sinds ten minste 30 juni 2023 geen zeggenschap meer had over deze vennootschap en daar niet langer aan verbonden was als adviseur of promotor, en benadrukte hij dat die vennootschap niet langer actief was. Verzoeker voegde daaraan toe dat de vennootschap Aldabra (hierna: „Aldabra”) geen goudgerelateerde belangen meer had in de regio Zuid-Kivu, aangezien de joint venture Aldango Ltd (hierna: „joint venture Aldango”) die zij vormde met een Rwandese vennootschap, in januari 2021 door de Rwandese autoriteiten was genationaliseerd, waarbij hij op die datum was onteigend. Voorts heeft hij de Raad verzocht rekening te houden met zijn gezins- en gezondheidssituatie.
20 Op 8 december 2023 heeft de Raad de bestreden handelingen vastgesteld, waarbij verzoekers naam op de litigieuze lijsten is gehandhaafd tot en met 12 december 2024.
21 De motivering van de handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten (hierna: „litigieuze motivering van de handhaving”) luidt als volgt:
„[Verzoeker] is een zakenman en de voormalig uiteindelijke begunstigde en voormalig directeur van [AGR], gevestigd in Uganda. Hij blijft als adviseur en promotor verbonden aan [die vennootschap].
[AGR] ontvangt, koopt, raffineert en verhandelt sinds 2016 illegaal goud van oorsprong uit mijnen in de [Democratische Republiek Congo] die worden gecontroleerd door niet-gouvernementele gewapende groeperingen, waaronder de Mai-Mai Yakutumba en Raia Mutomboki, die betrokken zijn bij destabiliserende activiteiten in de provincie Zuid-Kivu.
[Verzoeker] behoudt ook goudgerelateerde belangen in de regio via het bedrijf Aldabra, waarover hij zeggenschap heeft.
Om al deze redenen exploiteert [verzoeker] het gewapende conflict, de instabiliteit en de onveiligheid in de [Democratische Republiek Congo] door de illegale ontginning van en handel in natuurlijke hulpbronnen.”
22 Bij brief van 11 december 2023 heeft de Raad verzoeker van deze handelingen in kennis gesteld, met een termijn voor het indienen van eventuele opmerkingen op 1 september 2024. Daarin benadrukte de Raad in essentie dat de stukken die verzoeker had overgelegd, ondanks zijn kwalificatie als voormalig uiteindelijke begunstigde van AGR, niet aantoonden dat hij niet langer aan die vennootschap verbonden was en daarin geen belangen meer had, met name gelet op het feit dat hij in zijn brief van 13 december 2022 zelf had meegedeeld dat hij daarin „een beperkte rol als „adviseur/promotor” vervulde. De Raad voegde daaraan toe dat de stukken die moesten aantonen dat die vennootschap niet langer actief was, tegenstrijdig, onduidelijk en onbetrouwbaar waren, en de vennootschap presenteerden als een bestaande juridische entiteit die niet uit het Ugandese handelsregister was geschrapt. Daarenboven was de Raad van mening dat verzoeker zich niet kon beroepen op het eindrapport van de expertengroep van 13 juni 2023, aangezien daarin melding werd gemaakt van smokkelroutes tussen de Democratische Republiek Congo, Burundi, Rwanda en Uganda en van het optreden van gewapende groeperingen in Zuid-Kivu om de mijnen te controleren. De Raad heeft met name benadrukt dat verzoeker via Aldabra, die actief is in de goudhandel, nog altijd belangen had in de joint venture Aldango, aangezien deze eerste vennootschap in een document dat als bijlage bij zijn brief van 3 november 2023 was gevoegd, werd aangemerkt als een „investeringsmaatschappij met [...] al meer dan drie decennia [een] onberispelijke staat van dienst op het vlak van de verwerking van en de handel in edele metalen”. Verder heeft de Raad verzoekers argument inzake gezins- en gezondheidsredenen verworpen op grond van artikel 4, lid 2, van besluit 2010/788. Ten slotte heeft hij gewezen op de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen in te dienen en eraan herinnerd dat er geen sprake is van een recht op een hoorzitting.
Conclusies van partijen
23 Verzoeker verzoekt het Gerecht:
– de bestreden handelingen nietig te verklaren voor zover deze op hem betrekking hebben;
– voor recht te zeggen dat de nietigverklaring van deze handelingen onmiddellijk na het arrest geldt, ongeacht ieder rechtsmiddel;
– de Raad te verwijzen in de kosten.
24 De Raad verzoekt het Gerecht:
– het beroep als kennelijk ongegrond te verwerpen;
– subsidiair, voor het geval besluit 2023/2768 nietig wordt verklaard voor zover het betrekking heeft op verzoeker, de werking van dit besluit te handhaven totdat de gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2023/2771 effect sorteert;
– verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
25 Ter ondersteuning van het beroep voert verzoeker vijf middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan onbevoegdheid van de Raad, een onjuiste rechtsgrondslag en schending van de regels inzake gelijke behandeling en van de transparantieverplichting. Het tweede middel is ontleend aan schending van de beginselen van rechtszekerheid, legaliteit en evenredigheid, en aan het feit dat verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, de werkingssfeer van besluit 2010/788 zoals gewijzigd, niet in acht neemt. Het derde middel is ontleend aan schending van de motiveringsplicht en een onjuiste beoordeling. Het vierde en het vijfde middel zijn ontleend aan schending van verschillende grondrechten en van de beginselen van evenredigheid en doelmatigheid.
26 Zoals blijkt uit het onderzoek van de eerste twee middelen hieronder, moet in dit verband worden opgemerkt dat verzoeker in het kader van een vordering tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden handelingen zich, zonder formeel krachtens artikel 277 VWEU een exceptie van onwettigheid op te werpen, beroept op de onwettigheid van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd. Aangezien de bestreden handelingen zijn vastgesteld ter uitvoering en tot wijziging van die eerdere handelingen en verzoekers naam op de litigieuze lijsten is gehandhaafd op basis van de in die handelingen vastgestelde criteria voor plaatsing op de lijsten, moet ervan worden uitgegaan dat verzoeker, wanneer hij om nietigverklaring ervan verzoekt, in werkelijkheid een exceptie van onwettigheid opwerpt ter ondersteuning van zijn vordering tot nietigverklaring van de bestreden handelingen, waarvan het Gerecht bevoegd is tot kennisname (zie in die zin en naar analogie arrest van 15 september 2016, Yanukovych/Raad, T‑348/14, EU:T:2016:508, punten 57‑59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Eerste middel, ontleend aan onbevoegdheid van de Raad, een onjuiste rechtsgrondslag en schending van de regels inzake gelijke behandeling en van de transparantieverplichting
27 Ten eerste betoogt verzoeker in essentie dat de Raad niet bevoegd was om, alleen, besluit 2010/788 zoals gewijzigd en verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd – waaraan door de bestreden handelingen uitvoering is gegeven – vast te stellen. Volgens hem gaat het om wetgevingshandelingen van algemene strekking, die zijn vastgesteld in strijd met artikel 31, lid 1, VEU.
28 Ten tweede betoogt verzoeker dat de betrokken maatregelen houdende bevriezing van tegoeden niet gericht zijn op de bestrijding van terroristische daden, in het kader van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, en dat de Raad de artikelen 75 en 215 VWEU heeft geschonden door laatstgenoemde bepaling aan te wijzen als rechtsgrondslag voor verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd en, in wezen, voor besluit 2010/788 zoals gewijzigd.
29 Ten derde betoogt verzoeker dat het feit dat die handelingen niet dezelfde rechtsgrondslag hebben, consequenties heeft voor de te volgen wetgevingsprocedure. Hij voegt daaraan toe dat, wat uitvoeringsbesluiten en de vaststelling van autonome maatregelen betreft, een voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid deel moet uitmaken van de voorbereidende handelingen die in het desbetreffende wetgevingsdossier worden opgenomen. Hij stelt dat het feit dat die gegevens in het onderhavige geval niet publiek zijn ontsloten een schending oplevert van de regels inzake gelijke behandeling en de transparantieverplichting, als bedoeld in artikel 15, lid 3, VWEU, evenals van het recht van toegang in de zin van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43). Hij verzoekt aldus om overlegging van documenten inzake de stemprocedures bij de vaststelling van de bestreden handelingen en van bepaalde eerdere handelingen tot wijziging van besluit 2010/788 en van verordening nr. 1183/2005.
30 De Raad betwist verzoekers argumenten.
31 Wat betreft ten eerste de vermeende wetgevende aard van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, en de daarmee samenhangende schending van artikel 31, lid 1, VEU, zij er om te beginnen aan herinnerd dat volgens artikel 289, lid 3, VWEU de volgens een wetgevingsprocedure vastgestelde rechtshandelingen wetgevingshandelingen vormen. Bijgevolg zijn de niet-wetgevingshandelingen de handelingen die volgens een andere procedure dan een wetgevingsprocedure zijn vastgesteld (arrest van 6 september 2017, Slowakije en Hongarije/Raad, C‑643/15 en C‑647/15, EU:C:2017:631, punt 58). Zo kan een rechtshandeling slechts als een wetgevingshandeling van de Unie worden aangemerkt indien zij is vastgesteld op grond van een Verdragsbepaling die uitdrukkelijk hetzij naar de gewone wetgevingsprocedure, hetzij naar de bijzondere wetgevingsprocedure verwijst (arrest van 6 september 2017, Slowakije en Hongarije/Raad, C‑643/15 en C‑647/15, EU:C:2017:631, punt 62).
32 Voorts wordt niet betwist dat de vaststelling van besluit 2010/788 uitsluitend is gebaseerd op artikel 29 VEU, dat is opgenomen in hoofdstuk 2 van titel V van het VEU, dat voorziet in specifieke bepalingen betreffende het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB). Dit artikel verleent de Raad de bevoegdheid om alleen op te treden om „besluiten [vast te stellen] waarin de aanpak van de Unie wordt bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard” (zie in die zin arrest van 29 april 2015, National Iranian Gas Company/Raad, T‑9/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:236, punten 82 en 85).
33 Bovendien bepaalt artikel 24, lid 1, VEU, dat is opgenomen in hoofdstuk 2 van titel V van het VEU, met name dat het GBVB aan „specifieke regels en procedures” is onderworpen, dat het „wordt bepaald en uitgevoerd door de Europese Raad en door de Raad, die besluiten met eenparigheid van stemmen, tenzij in de Verdragen anders wordt bepaald”, en dat „[w]etgevingshandelingen [niet kunnen] worden vastgesteld”. In dezelfde zin herinnert artikel 31, lid 1, VEU eraan dat „besluiten [in het kader van dat hoofdstuk] door de Europese Raad en de Raad met eenparigheid van stemmen [worden] genomen, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald” en dat „[w]etgevingshandelingen [niet kunnen] worden vastgesteld”.
34 Hieruit volgt dat de in artikel 29 VEU bedoelde besluiten van de Raad worden vastgesteld volgens een specifieke procedure die, volgens de in punt 31 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, geen gewone of bijzondere wetgevingsprocedure in de zin van artikel 289, leden 1 en 2, VWEU vormt. Deze besluiten vallen dus niet onder de kwalificatie van wetgevingshandelingen als bedoeld in artikel 289, lid 3, VWEU en in artikel 24 en artikel 31, lid 1, VEU.
35 Ten slotte kan een verordening, wanneer zij door de Raad is vastgesteld op de grondslag van artikel 215 VWEU en dus overeenkomstig de niet-wetgevingsprocedure waarin dit artikel voorziet, niet als wetgevingshandeling worden aangemerkt [zie in die zin arrest van 22 juni 2021, Venezuela/Raad (Geraaktheid van een derde staat), C‑872/19 P, EU:C:2021:507, punt 92].
36 Bijgevolg vormt in casu noch besluit 2010/788 zoals gewijzigd noch verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd – waaraan door de bestreden handelingen uitvoering is gegeven – een wetgevingshandeling, aangezien zij door de Raad zijn vastgesteld op grond van respectievelijk artikel 29 VEU en artikel 215 VWEU. Verzoeker kan zich dus niet beroepen op een schending van artikel 31, lid 1, VEU.
37 Wat ten tweede de vermeende schending door de Raad van de artikelen 75 en 215 VWEU betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 75 VWEU is opgenomen in titel V van het derde deel van het VWEU, die betrekking heeft op de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie. Krachtens dat artikel kunnen beperkende maatregelen worden vastgesteld met het oog op de verwezenlijking van de in die titel bepaalde doelstellingen, die zijn bedoeld in artikel 67 VWEU, uitsluitend wat betreft de preventie en de bestrijding van terrorisme en aanverwante activiteiten (arrest van 6 september 2013, Bank Melli Iran/Raad, T‑35/10 en T‑7/11, EU:T:2013:397, punt 162). Artikel 215 VWEU is op zijn beurt opgenomen in titel IV van het vijfde deel van het VEU, dat het extern optreden van de Unie betreft. Krachtens dat artikel kunnen op het vlak van het GBVB beperkende maatregelen worden vastgesteld jegens derde landen alsmede jegens natuurlijke personen, rechtspersonen, niet-statelijke groepen of entiteiten ter uitvoering van een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het VEU vastgesteld besluit (arrest van 6 september 2013, Bank Melli Iran/Raad, T‑35/10 en T‑7/11, EU:T:2013:397, punt 163).
38 In casu is besluit 2010/788 zoals gewijzigd, door de Raad vastgesteld als reactie op de belemmeringen van het verkiezingsproces en de daarmee verband houdende schendingen van de mensenrechten in de Democratische Republiek Congo. Het streeft aldus doelstellingen na die onder het GBVB vallen en is door de Raad terecht vastgesteld in het kader van de bevoegdheid die hij ontleent aan het VEU en in het bijzonder aan artikel 29 ervan (zie punt 32 hierboven). Verzoeker stelt dus ten onrechte dat dit besluit had moeten worden gebaseerd op artikel 75 VWEU en in strijd is met deze laatste bepaling. Hetzelfde geldt voor artikel 215 VWEU, dat niet de rechtsgrondslag van dat besluit vormt.
39 Wat betreft verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, zijn de beperkende maatregelen tot bevriezing van tegoeden waarin zij voorziet gericht tegen in de Democratische Republiek Congo gepleegde handelingen die met name de totstandbrenging van een duurzame vrede in dat land tegenwerken. Zij hebben dus geen betrekking op de doelstellingen van artikel 67 VWEU noch a fortiori op het voorkomen of bestrijden van terrorisme en aanverwante activiteiten. Bovendien is deze verordening vastgesteld om uitvoering te geven aan besluit 2010/788 zoals gewijzigd, als handeling die onder het GBVB valt. Derhalve vormt artikel 215 VWEU een geschikte en toereikende rechtsgrondslag voor de vaststelling van die verordening, aangezien de aldus bepaalde beperkende maatregelen buiten de materiële werkingssfeer van artikel 75 VWEU vallen (zie in die zin arrest van 6 september 2013, Bank Melli Iran/Raad, T‑35/10 en T‑7/11, EU:T:2013:397, punt 167). Verzoeker stelt dus eveneens ten onrechte dat de vaststelling van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd in strijd is met de artikelen 75 en 215 VWEU.
40 Wat ten derde de gestelde schending van de transparantieverplichting betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 15, lid 3, VWEU, net als artikel 42 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), voorziet in een recht van toegang tot documenten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, ongeacht de informatiedrager waarop zij zijn vastgelegd, met name voor iedere burger van de Unie en iedere natuurlijke persoon met verblijfplaats in een lidstaat. Dit artikel bepaalt ook dat de uitoefening van dit recht van toegang wordt geregeld door „bij verordeningen” vastgestelde „algemene beginselen en [...] beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen” en dat „[e]lke instelling, elk orgaan of elke instantie zorgt voor transparantie in zijn of haar werkzaamheden en [...] in zijn of haar eigen reglement van orde specifieke bepalingen betreffende de toegang tot zijn of haar documenten [opneemt], overeenkomstig [deze] verordeningen”.
41 In dit verband is in artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 1049/2001 bepaald dat „[d]e instellingen [...] de toegang tot een document [weigeren] wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van het openbaar belang, [met name] wat betreft de openbare veiligheid, defensie en militaire aangelegenheden, [en] internationale betrekkingen”.
42 Voorts bepaalt artikel 8, lid 1, van besluit (EU) 2009/937 van de Raad van 1 december 2009 houdende vaststelling van zijn reglement van orde (PB 2009, L 325, blz. 35) dat „[i]ndien de Raad een niet-wetgevend voorstel wordt voorgelegd met betrekking tot de aanneming van in of voor de lidstaten bindende rechtsregels in de vorm van [met name] verordeningen [...] of besluiten”, enkel „de eerste beraadslaging van de Raad over belangrijke nieuwe voorstellen openbaar [is]”. Bovendien geldt deze openbaarheid van belangrijke nieuwe voorstellen met name niet voor „handelingen die verband houden met interinstitutionele of internationale betrekkingen”.
43 In casu zijn besluit 2010/788 zoals gewijzigd en verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd geen wetgevingshandelingen (zie punt 36 hierboven). Bovendien moet worden opgemerkt dat de bestreden handelingen zelf niet-wetgevingshandelingen zijn, die door de Raad zijn vastgesteld op grond van artikel 29 VEU en artikel 215 VWEU en de uitvoeringsbevoegdheid die hij aan artikel 291, lid 2, VWEU ontleent.
44 Aangezien deze niet-wetgevingshandelingen daarenboven betrekking hebben op de openbare veiligheid en internationale betrekkingen, moet daaruit worden afgeleid dat de Raad op grond van de in de punten 40 tot en met 42 hierboven in herinnering gebrachte bepalingen niet verplicht was om tijdens de beraadslagingen en de stemmingen over die handelingen in het openbaar zitting te houden, noch om publieke toegang te verlenen tot de documenten betreffende die beraadslagingen. Bovendien mag een dergelijke behandeling van deze handelingen, die naar hun aard verschillen van de andere handelingen van de Raad, niet in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling, dat met name verbiedt dat verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie in die zin arrest van 9 juli 2009, Melli Bank/Raad, T‑246/08 en T‑332/08, EU:T:2009:266, punt 135).
45 Dezelfde conclusie geldt voor de handelingen tot wijziging of uitvoering van besluit 2010/788 en van verordening nr. 1183/2005 die aan besluit 2022/2377, verordening nr. 2022/2373 en de bestreden handelingen voorafgaan. Gesteld al dat deze wijzigings- of uitvoeringshandelingen in het bijzonder relevant zijn voor de situatie van verzoeker, is diens verzoek om overlegging van bepaalde documenten betreffende de procedure tot vaststelling van deze handelingen door de Raad dus niet nuttig voor de beslechting van het onderhavige geschil en moet het dus worden afgewezen.
46 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat verzoeker niet op goede gronden kan stellen dat de Raad in casu de regels inzake gelijke behandeling of de transparantieverplichting heeft geschonden.
47 Hieruit volgt dat het eerste middel in zijn geheel als rechtens ongegrond moet worden afgewezen.
Tweede middel, ontleend aan schending van de beginselen van rechtszekerheid, legaliteit en evenredigheid, en aan het feit dat verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd de werkingssfeer van besluit 2010/788 zoals gewijzigd niet in acht neemt.
48 Verzoeker stelt dat de litigieuze motivering van de handhaving verwijst naar het litigieuze criterium, maar tegelijkertijd aangeeft dat hij banden heeft met AGR, Aldabra en de joint venture Aldango. Hij is in wezen van mening dat het die vennootschappen zijn die kunnen worden geacht rechtstreeks betrokken te zijn bij de illegale exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in de zin van dat criterium. De handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten valt volgens hem dus waarschijnlijk onder het criterium voor plaatsing op de lijsten van artikel 3, lid 2, van besluit 2010/788 zoals gewijzigd, en artikel 2 ter, lid 1, van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd [hierna: „criterium onder g)”], en niet op het litigieuze criterium.
49 Daaruit concludeert verzoeker dat artikel 3, lid 2, van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en artikel 2 ter, lid 1, van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, in strijd zijn met de beginselen van rechtszekerheid, doelmatigheid, legaliteit en evenredigheid. Hij stelt dat de uitdrukking „banden hebben met” in het criterium onder g) van deze artikelen niet is gedefinieerd, algemeen is en niet voldoende duidelijk onderscheiden van de term „steun” in het criterium onder d) van die artikelen. Hij licht toe dat het begrip „banden hebben” verschilt van het begrip „voordeel” of „persoonlijk voordeel” en dat niet wordt uitgelegd welke elementen in aanmerking worden genomen om een verband aan te merken als het „hebben van banden”. Hij voegt daaraan toe dat artikel 2 ter, lid 1, van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, zoals dit gold voordat het werd gewijzigd, dubbelzinnig was wat betreft het cumulatieve karakter van de daarin genoemde criteria.
50 Voorts neemt verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, volgens verzoeker, de werkingssfeer van besluit 2010/788 zoals gewijzigd niet in acht. Hij stelt dat, in de Nederlandse taalversie van die handelingen en wegens een terminologisch verschil, de draagwijdte van het criterium van artikel 2 ter, lid 1, onder g), van die verordening, waarin sprake is van „in verband worden gebracht met”, ruimer is dan die van hetzelfde criterium van artikel 3, lid 2, onder g), van dat besluit, dat zou neerkomen op „banden hebben met”. Volgens verzoeker heeft dit tot gevolg dat dit besluit het bewijs van het bestaan van een daad vereist, terwijl deze verordening enkel een vaststelling vereist en dus een nagenoeg onbeperkte werkingssfeer heeft die verder gaat dan die van dat besluit, hetgeen in strijd is met het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
51 De Raad betwist verzoekers argumenten.
52 Volgens de rechtspraak moet de Raad niet alleen de rechtsgrondslag van de vastgestelde maatregel vermelden, maar ook de omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in het geval van de betrokkenen is voldaan aan een van de criteria voor plaatsing op de lijst (zie in die zin arrest van 12 februari 2020, Kande Mupompa/Raad, T‑170/18, EU:T:2020:60, punt 45). In dit verband hoeft het ontbreken van een verwijzing naar een precieze bepaling geen wezenlijk gebrek te zijn, mits de rechtsgrondslag van een handeling aan de hand van andere gegevens kan worden bepaald. Een dergelijke uitdrukkelijke verwijzing is echter volstrekt noodzakelijk wanneer de betrokkenen en de Unierechter bij gebreke daarvan in onzekerheid worden gelaten omtrent de juiste rechtsgrondslag (zie in die zin arresten 6 september 2013, Europäisch-Iranische Handelsbank/Raad, T‑434/11, EU:T:2013:405, punt 44, niet gepubliceerd; 18 september 2014, Central Bank of Iran/Raad, T‑262/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:777, punt 87, en 25 maart 2015, Central Bank of Iran/Raad, T‑563/12, EU:T:2015:187, punt 68).
53 Bijgevolg moet in het onderhavige geval allereerst worden nagegaan of de premisse waarop verzoekers argumenten berusten, namelijk dat de Raad toepassing heeft gemaakt van het criterium van verbondenheid van artikel 3, lid 2, onder f), van besluit 2010/788 zoals gewijzigd, en artikel 2 ter, lid 1, onder f), van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, juist is. Om te bepalen welk criterium de Raad op verzoekers situatie heeft toegepast, moet dus worden onderzocht of de litigieuze motivering van de handhaving verwijzingen bevat naar dat criterium en naar het litigieuze criterium, of althans naar een van die criteria.
54 Allereerst zij eraan herinnerd dat het litigieuze criterium inhoudt dat de betrokken beperkende maatregelen onder meer worden opgelegd aan personen die „het [...] gewapend conflict, de instabiliteit of de onveiligheid in de [Democratische Republiek Congo] [exploiteren], onder meer door de illegale exploitatie van of handel in natuurlijke hulpbronnen”. Het criterium van artikel 3, lid 2, onder g), van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en artikel 2 ter, lid 1, onder g), van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, verwijst dan weer naar met name personen die „banden hebben met de [onder a) tot en met f) van die artikelen] bedoelde [...] personen”.
55 Vervolgens blijkt uit de vierde alinea van de litigieuze motivering van de handhaving, die bij wijze van conclusie is ingevoegd, dat verzoekers naam op de litigieuze lijsten is gehandhaafd op grond dat hij „[om] al deze redenen [...] het gewapende conflict, de instabiliteit en de onveiligheid in de [Democratische Republiek Congo] [exploiteerde] door de illegale ontginning van en handel in natuurlijke hulpbronnen” (zie punt 21 hierboven).
56 Zoals verzoeker zelf erkent, kan uit de bewoordingen van de betrokken alinea, die bij wijze van conclusie is ingevoegd, gelezen in het licht van het litigieuze criterium dat uitdrukkelijk in die bewoordingen is overgenomen, dus duidelijk worden afgeleid dat de Raad op basis van dit criterium de plaatsing van zijn naam op de litigieuze lijsten heeft gehandhaafd.
57 Ten slotte moet worden opgemerkt dat in de eerste drie alinea’s van de litigieuze motivering van de handhaving behalve naar de activiteiten van AGR op het vlak van aankoop, raffinage en verkoop van illegaal goud van oorsprong uit mijnen in de Democratische Republiek Congo, tevens wordt verwezen naar het feit dat verzoeker „als adviseur en promotor verbonden [blijft] aan [AGR]”, en „ook goudgerelateerde belangen in de regio [behoudt] via het bedrijf Aldabra, waarover hij zeggenschap heeft”.
58 Het is juist dat deze elementen mogelijkerwijs wijzen op een band, in de zin van het criterium van artikel 3, lid 2, onder g), van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en artikel 2 ter, lid 1, onder g), van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, tussen verzoeker en AGR en Aldabra, die zelf actief zijn in de exploitatie van het gewapend conflict, de instabiliteit of de onveiligheid in de Democratische Republiek Congo, door de illegale ontginning van of handel in natuurlijke hulpbronnen, en dus als zodanig onder het litigieuze criterium kunnen vallen.
59 Niettemin zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak het criterium van de verbonden persoon, net als het criterium van artikel 3, lid 2, onder g), van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en van artikel 2 ter, lid 1, onder g), van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, aldus kan worden uitgelegd dat het ziet op elke natuurlijke of rechtspersoon of elke entiteit die banden heeft met een persoon op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn op grond van een van de criteria voor plaatsing op de lijsten van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd (zie naar analogie arrest van 11 september 2024, Ezubov/Raad, T‑741/22, niet gepubliceerd, EU:T:2024:605, punt 119). Een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam kan dus enkel op de litigieuze lijsten worden geplaatst wegens zijn of haar banden met een andere natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit die of ander lichaam dat op grond van een of meer van de in de bestreden handelingen genoemde aanwijzingscriteria op die lijsten is geplaatst (zie naar analogie arrest van 11 september 2024, Tokareva/Raad, T‑744/22, EU:T:2024:608, punt 47).
60 Daar in het onderhavige geval noch AGR noch Aldabra op de litigieuze lijsten is geplaatst op grond van een van de criteria voor plaatsing op de lijsten van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, dient derhalve op basis van de in punt 57 hierboven genoemde verwijzingen te worden geoordeeld dat de Raad verzoekers naam niet op de litigieuze lijsten heeft willen handhaven aan de hand van het criterium van de verbonden persoon van artikel 3, lid 2, onder g), van dat besluit en artikel 2 ter, lid 1, onder g), van die verordening. Zoals de Raad ter terechtzitting heeft benadrukt, kan er dus niet van worden uitgegaan dat hij de elementen die in de eerste drie alinea’s van de litigieuze motivering van de handhaving zijn genoemd in verband heeft willen brengen met dat criterium.
61 Derhalve moet, voor zover, ten eerste, de vierde alinea van de litigieuze motivering van de handhaving, die bij wijze van conclusie is ingevoegd, uitdrukkelijk alleen naar het litigieuze criterium verwijst, ten tweede, het criterium van artikel 3, lid 2, onder g), besluit 2010/788 zoals gewijzigd en artikel 2 ter, lid 1, onder g), van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, niet geldig kon worden toegepast op verzoekers situatie omdat de namen van AGR en Aldabra niet op de litigieuze lijsten waren geplaatst, en ten derde, de Raad in zijn geschriften en ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft bevestigd dat het laatstgenoemde criterium niet ziet op een dergelijke situatie, worden geconcludeerd dat uit deze gehele motivering blijkt dat de Raad deze handhaving uitsluitend heeft willen baseren op het litigieuze criterium.
62 Zelfs indien verzoekers argumenten inzake de definitie en de werkingssfeer van het criterium van artikel 3, lid 2, onder g), van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en artikel 2 ter, lid 1, onder g), van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd, gegrond zijn, dan nog rechtvaardigen zij niet dat de bestreden handelingen nietig worden verklaard voor wat betreft de plaatsing van verzoekers naam op de litigieuze lijsten op basis van het litigieuze criterium (zie in die zin arrest van 29 april 2015, National Iranian Gas Company/Raad, T‑9/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:236, punt 54). Bijgevolg moeten alle argumenten die verzoeker ontleent aan het vermeende algemene en vage karakter, de vermeende onbegrijpelijkheid en de onevenredigheid van de werkingssfeer van het criterium van artikel 3, lid 2, onder g), van dat besluit en artikel 2 ter, lid 1, onder g), van die verordening, als niet ter zake dienend worden afgewezen.
63 Gelet op een en ander moet het tweede middel in zijn geheel als niet ter zake dienend worden afgewezen.
Derde middel, ontleend aan een onjuiste beoordeling en niet-nakoming van de motiveringsplicht
64 Het onderhavige middel bestaat in wezen uit twee onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan een ontoereikende motivering en het tweede, zoals verzoeker ter terechtzitting heeft verduidelijkt, aan een onjuiste beoordeling van de feiten en het bewijsmateriaal.
Eerste onderdeel: ontoereikende motivering
65 Verzoeker voert in wezen aan dat de bestreden handelingen ontoereikend zijn gemotiveerd aangezien zijn naam niet is geplaatst op de lijsten die zijn opgesteld door het door de Veiligheidsraad ingestelde sanctiecomité voor de Democratische Republiek Congo (hierna: „sanctiecomité”). Volgens hem heeft de Raad dus niet voldaan aan zijn verplichting om het besluit tot handhaving van zijn naam op de litigieuze lijsten grondiger te motiveren.
66 De Raad betwist verzoekers argumenten.
67 Er zij aan herinnerd dat de motivering niet alle relevante feitelijke en juridische gegevens hoeft te vermelden, noch in detail hoeft in te gaan op de opmerkingen die de betrokkene tijdens zijn raadpleging vóór de vaststelling van dezelfde handeling heeft gemaakt, aangezien bij de beoordeling van de vraag of een motivering toereikend is niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Bijgevolg is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (arresten van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punten 53 en 54, en 22 april 2021, Raad/PKK, C‑46/19 P, EU:C:2021:316, punt 48). Bovendien hangt de mate van nauwkeurigheid waarmee een handeling moet worden gemotiveerd af van de praktische mogelijkheden en de technische omstandigheden en van de termijn waarbinnen zij tot stand moet komen (zie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad, T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Daarnaast dient de motivering van een handeling van de Raad waarbij een beperkende maatregel wordt opgelegd niet alleen de rechtsgrondslag van die maatregel aan te geven, maar ook de specifieke en concrete redenen waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (zie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad, T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg moet worden onderzocht of de motivering van de bestreden handeling expliciete verwijzingen naar het betrokken criterium voor plaatsing op de lijsten bevat en of deze motivering, in voorkomend geval, als voldoende kan worden beschouwd om de verzoeker in staat te stellen de gegrondheid van de bestreden handeling te verifiëren en zich voor het Gerecht te verdedigen, en om het Gerecht in staat te stellen zijn controle uit te oefenen (arrest van 12 februari 2020, Kande Mupompa/Raad, T‑170/18, EU:T:2020:60, punt 46).
69 In casu moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat de vierde alinea van de litigieuze motivering van de handhaving, die bij wijze van conclusie is ingevoegd, uitdrukkelijk de bewoordingen overneemt van het litigieuze criterium dat door de Raad is toegepast (zie punt 55 hierboven), en dus een duidelijk geïdentificeerde rechtsgrondslag vermeldt. Vervolgens moet worden vastgesteld dat de eerste drie alinea’s van die motivering op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze specifieke en concrete gegevens vermelden over verzoekers vroegere functies en banden, als adviseur en promotor, met AGR en over de door de Raad betreurde activiteiten van deze vennootschap, alsook over het feit dat verzoeker goudgerelateerde belangen behoudt via het bedrijf Aldabra waarover hij zeggenschap heeft (zie punt 21 hierboven).
70 De motivering van de bestreden handelingen stelde verzoeker aldus in staat om op de datum van vaststelling van deze handelingen en in het licht van de algemene context waarbinnen de betrokken beperkende maatregelen zijn vastgesteld – die zowel in de oorspronkelijke als in de opeenvolgende gewijzigde versies van besluit 2010/788 en verordening nr. 1183/2005 is toegelicht –, te begrijpen waarom de Raad van mening was dat het litigieuze criterium van toepassing was op verzoekers situatie bij de heroverweging ervan. Zo kon verzoeker begrijpen dat hij wegens zijn banden met AGR en Aldabra werd geacht illegaal goud te ontginnen en te verhandelen in de Democratische Republiek Congo en zo de instabiliteit van de veiligheidssituatie in dat land exploiteerde.
71 Bovendien volgt uit de argumenten die verzoeker in zijn schriftelijke opmerkingen in het tweede onderdeel van dit middel aanvoert om de juistheid te betwisten van de feiten waarop de bestreden handelingen zijn gebaseerd, dat hij ten eerste door zijn beroepservaring in de goudsector in dat land en bij AGR en Aldabra kennis had van zowel de algemene context van het gewapende conflict en de illegale goudwinning als de context met betrekking tot die twee vennootschappen, en dus van de context waarbinnen de betrokken beperkende maatregelen zijn vastgesteld. Ten tweede tonen deze argumenten aan dat hij in staat is gesteld kennis te nemen van de rechtvaardigingsgronden van zowel de plaatsing als de handhaving van zijn naam op de lijsten zodat hij de gegrondheid van die handelingen op nuttige wijze kon betwisten.
72 Ten slotte zij eraan herinnerd dat de betrokken beperkende maatregelen autonome beperkende maatregelen zijn die verschillen van de specifiek door het sanctiecomité aanbevolen maatregelen (zie in die zin arrest van 13 september 2023, Venezuela/Raad, T‑65/18 RENV, EU:T:2023:529, punt 95). Zij zijn door de Raad ter verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB vastgesteld in het kader van de uitoefening van zijn autonome bevoegdheid ter zake, op grond van artikel 29 VEU en artikel 215 VWEU, in het licht van lid 2, en niet van lid 1, van artikel 3 van besluit 2010/788 zoals gewijzigd, en van lid 2 ter, en niet van lid 2 bis, van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd.
73 Hieruit volgt dat, ten eerste, de motivering van de bestreden handelingen toereikend was om verzoeker in staat te stellen de gegrondheid van die handelingen te verifiëren en om het Gerecht in staat te stellen zijn toezicht op de rechtmatigheid ervan uit te oefenen, en ten tweede, verzoeker niet kan stellen dat voor de Raad een zwaardere motiveringsplicht gold wegens een eventuele voorafgaande standpuntbepaling van het sanctiecomité over zijn specifieke situatie.
74 Het onderhavige onderdeel moet derhalve ongegrond worden verklaard.
Tweede onderdeel: onjuiste beoordeling van de feiten en van het bewijsmateriaal
75 Verzoeker is van mening dat de bestreden handelingen, gelet op het daarin genoemde litigieuze criterium, zijn gebaseerd op een onjuiste beoordeling van zijn situatie, hetgeen in strijd is met artikel 3, lid 2, van besluit 2010/788 zoals gewijzigd en artikel 2 ter van verordening nr. 1183/2005 zoals gewijzigd. Hij stelt de bewijswaarde van de gegevens in het bewijsdossier ter discussie en is van mening dat de litigieuze motivering van de handhaving niet berust op ernstige en onderbouwde feiten.
76 Zo ontkent verzoeker ten eerste dat hij banden heeft met AGR en de directe of indirecte uiteindelijke begunstigde of adviseur en promotor van deze vennootschap is, en stelt hij dat het aan de Raad stond om het bewijs te leveren van het eigenaarschap van of de zeggenschap over die vennootschap op de datum van de bestreden handelingen. Hij legt ter ondersteuning van dit argument het volgende over: een akte van verkoop van zijn aandelen in deze vennootschap aan AGR I van februari 2018; een consultancy-overeenkomst van 5 november 2018 (hierna: „consultancy-overeenkomst”), die beweerdelijk op 7 juni 2021 is opgezegd na de beëindiging van zijn directeursfunctie in januari 2019; een akte van verkoop van zijn aandelen in AGR I aan een nieuwe directeur en een verklaring van de raad van bestuur van AGR, eveneens van 7 juni 2021 (hierna: „verklaring van 7 juni 2021”), volgens welke hij niet meer aan deze vennootschap verbonden is als directeur, eigenaar, adviseur, noch in enige andere hoedanigheid. Hij onderstreept dat de toevoeging „voormalig” aan de term „uiteindelijke begunstigde” wijst op een betrokkenheid die anders is dan die welke was vastgesteld op het moment dat zijn naam op de litigieuze lijsten werd geplaatst, en dat die hoedanigheid niet meer in de rapporten van de expertengroep van 16 december 2022 en 13 juni en 30 december 2023 wordt genoemd. Bovendien maakt de vermelding in het verzoekschrift in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 17 april 2024, UC/Raad (T‑6/23, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:263), volgens welke hij nog steeds verbonden was aan laatstgenoemde vennootschap, deel uit van de beschrijving van de voorgeschiedenis van het geding, waarbij de tegenwoordige tijd en de verleden tijd door elkaar zijn gebruikt. Ten slotte wordt door geen enkel stuk gestaafd dat verzoeker nog aan deze vennootschap verbonden bleef als adviseur of promotor.
77 Ten tweede legt verzoeker documenten over om aan te tonen dat AGR zonder vereffening is „gedeactiveerd” bij de Ugandese belastingdienst, hetgeen volgens hem wordt bevestigd door de schorsing van het fiscaal identificatienummer voor invoer en uitvoer (TIN) van deze vennootschap nadat haar naam op de lijsten van de Verenigde Staten was geplaatst. Volgens verzoeker is deze vennootschap niet op de litigieuze lijsten geplaatst omdat zij inactief is. Hij onderstreept dat de expertengroep zich in 2017 positief heeft uitgelaten over haar compliancebeleid met het oog op de transparantie van de goudketen. Hij merkt op dat het Ugandese openbaar ministerie na een onderzoek naar de activiteiten van de vennootschap AGR geen vervolging heeft ingesteld en dat de regering van de Democratische Republiek Congo niet heeft verzocht om beperkende maatregelen tegen deze vennootschap. Hij voegt daaraan toe dat in de rapporten van de expertengroep van 16 december 2022 en 13 juni en 30 december 2023 niet meer wordt gesproken van goudexport naar Uganda en dat daarin een monopolie van de vennootschap Primera Gold DRC (hierna: „Primera”) wordt genoemd, waaraan hij niet verbonden is.
78 Ten derde zet verzoeker uiteen dat Aldabra, een vastgoed- en investeringsmaatschappij, in mei 2017 samen met een Rwandese overheidsonderneming de joint venture Aldango heeft opgericht, zijn enige belang in de goudsector in het oosten van dat land. Hij staaft met verschillende documenten dat op 27 januari 2021 aan deze samenwerking een einde is gekomen ingevolge de nationalisatie van deze joint venture door de Rwandese autoriteiten. Ten slotte laakt hij dat tardief naar Aldabra wordt verwezen, en merkt hij op dat de namen van Aldabra, de joint venture Aldango, de Rwandese vennootschap die daar mede-eigenaar van is, en die van de vennootschap die na de nationalisatie van deze joint venture is opgericht, niet op de litigieuze lijsten voorkomen.
79 Ten vierde stelt hij dat het bewijsdossier bestaat uit oude, onnauwkeurige bronnen uit krantenknipsels en rapporten van ngo’s die onbetrouwbare en niet-objectieve informatie bevatten. Verzoeker betoogt dat de in het dossier opgenomen gegevens de situatie van gewapende conflicten en illegale goudexport weergeven zonder hem aan die feiten te linken. Bovendien stelt hij dat hijzelf, net als AGR en Aldabra, sinds juni 2020, dat wil zeggen ten minste vier jaar vóór de bestreden handelingen en na acht rapporten van de expertengroep, in geen van die documenten wordt vermeld. Hij is van mening dat de rapporten van vóór juni 2021 feitelijke onjuistheden bevatten en bovendien niet relevant zijn, aangezien hij niet langer aan AGR verbonden was. Hij betwist de relevantie van de documenten die verwijzen naar een besluit van het Office of Foreign Assets Control (bureau voor de controle op buitenlandse tegoeden, OFAC) van de United States Department of the Treasury (ministerie van financiën van de Verenigde Staten) van 30 juni 2023 (hierna: „OFAC-besluit”), aangezien dit besluit niet onder het Unierecht valt, is gebaseerd op zijn gedragingen in het verleden, berust op citaten uit bronnen die uit hun context zijn getrokken en verwijst naar twee (fiscale) strafzaken in België, waarbij de vennootschappen G en V betrokken waren en die geen verband houden met de litigieuze motivering van de handhaving. Drie artikelen tonen volgens verzoeker aan dat de joint venture Aldango is genationaliseerd en dat zijn familie noch de vennootschappen G en V betrokken waren bij de betrokken illegale activiteiten inzake goudverwerking of -handel. Ten slotte stelt hij dat bewijzen uit een werkdocument tardief zijn overgelegd als bijlage bij het verweerschrift, terwijl uit een verslag van 31 mei 2024 blijkt dat die bewijzen ten tijde van de plaatsing van zijn naam op de litigieuze lijsten niet in het dossier zaten, en dat die onregelmatigheid de bestreden handelingen aantast.
80 De Raad betwist verzoekers argumenten.
81 Er zij aan herinnerd dat de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest onder meer vereist dat de Unierechter zich ervan vergewist dat het besluit tot vaststelling of handhaving van beperkende maatregelen, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon of entiteit, op een voldoende solide feitelijke grondslag berust. Dat betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82 Bij die beoordeling moeten het bewijsmateriaal en de informatie niet afzonderlijk, maar in hun context worden onderzocht. De Raad voldoet namelijk enkel aan de op hem rustende bewijslast indien hij de Unierechter een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan het bestaan van een toereikend verband tussen de persoon of de entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren en het regime of, in het algemeen, de bestreden situaties kan worden vastgesteld (zie arrest van 20 juli 2017, Badica en Kardiam/Raad, T‑619/15, EU:T:2017:532, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
83 Het staat aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon of entiteit in aanmerking genomen redenen gegrond zijn, en niet aan laatstbedoelde om het negatief bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn. Daartoe is niet vereist dat de Raad voor de Unierechter alle informatie en al het bewijs overlegt dat verband houdt met de redenen die zijn aangevoerd in de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevraagd. Het is evenwel van belang dat de overgelegde informatie en bewijzen de tegen de betrokken persoon of entiteit in aanmerking genomen redenen staven (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 121 en 122).
84 In dat geval staat het aan de Unierechter om na te gaan of de aangevoerde feiten materieel juist zijn, gelet op die informatie of die bewijzen, en om de bewijskracht daarvan te beoordelen in het licht van de omstandigheden van het geval en van de eventuele opmerkingen die met name de betrokken persoon of entiteit daarover heeft ingediend (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 124).
85 Wat betreft de betrouwbaarheid en de bewijskracht van de bewijzen, met inbegrip van die uit digitale bronnen, zij eraan herinnerd dat de Unierechter volgens vaste rechtspraak het beginsel van de vrije beoordeling van het bewijs toepast, waarbij als enig criterium voor de beoordeling van de waarde van het aangevoerde bewijs de geloofwaardigheid ervan geldt. In dit verband moet bij de beoordeling van de bewijskracht van een stuk worden gekeken naar de waarschijnlijkheid van de daarin vervatte informatie en met name rekening worden gehouden met de herkomst van het stuk, de omstandigheden waarin het tot stand is gekomen en degene tot wie het is gericht, en moet worden onderzocht of het stuk, gelet op zijn inhoud, redelijk en geloofwaardig overkomt [zie arresten van 31 mei 2018, Kaddour/Raad, T‑461/16, EU:T:2018:316, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punt 95 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].
86 Bij gebreke van onderzoeksbevoegdheden in derde landen moeten de autoriteiten van de Unie zich bij hun beoordeling in feite baseren op voor het publiek toegankelijke informatiebronnen, verslagen, persartikelen of andere soortgelijke informatiebronnen (zie arrest van 12 februari 2020, Kibelisa Ngambasai/Raad, T‑169/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:58, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In bepaalde omstandigheden kan de Unierechter met name rekening houden met rapporten van internationale organisaties (zie in die zin arrest van 18 juni 2015, Ipatau/Raad, C‑535/14 P, EU:C:2015:407, punt 48), en meer bepaald met rapporten van de expertengroep (zie in die zin arrest van 18 september 2017, Uganda Commercial Impex/Raad, T‑107/15 en T‑347/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:628, punten 56 en 64). Evenzo kan voor de staving van het bestaan van bepaalde feiten gebruik worden gemaakt van persartikelen, wanneer zij voldoende concreet, nauwkeurig en onderling samenhangend zijn met betrekking tot de feiten die erin worden beschreven (zie arrest van 14 maart 2018, Kim e.a./Raad en Commissie, T‑533/15 en T‑264/16, EU:T:2018:138, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87 De Unierechter kan zich, zowel à charge als à décharge, baseren op bewijzen die de verzoeker tijdens de gerechtelijke procedure heeft overgelegd. Het feit dat een element als ontlastend bewijs is overgelegd door de persoon op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn, staat er namelijk niet aan in de weg dat dit element hem eventueel wordt tegengeworpen om vast te stellen dat de redenen die ten grondslag liggen aan de tegen hem genomen beperkende maatregelen gegrond zijn (zie in die zin arrest van 12 februari 2020, Ilunga Luyoyo/Raad, T‑166/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:50, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hetzelfde geldt voor gegevens die deze persoon heeft overgelegd naar aanleiding van een verzoek tot heroverweging van beperkende maatregelen die hem betreffen (arrest van 13 september 2023, Shatrov/Raad, T‑523/21 en T‑216/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:532, punt 38).
88 Tevens zij eraan herinnerd dat de wettigheid van een handeling van de Unie moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de juridische situatie op de datum waarop die handeling werd vastgesteld (zie arresten van 3 september 2015, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Commissie, C‑398/13 P, EU:C:2015:535, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 september 2015, NIOC e.a./Raad, T‑577/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:596, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg moet het Gerecht alleen rekening houden met feiten die ten tijde van de vaststelling van de bestreden handelingen bestonden en waarop de Raad zich op die datum heeft gebaseerd (zie in die zin arresten van 30 november 2016, Rotenberg/Raad, T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 127, en 15 juni 2017, Kiselev/Raad, T‑262/15, EU:T:2017:392, punten 102‑104).
89 Wat meer bepaald de toetsing betreft van de rechtmatigheid van de handelingen tot handhaving van de naam van de betrokkene op de litigieuze lijsten, zij eraan herinnerd dat beperkende maatregelen bewarend en, per definitie, voorlopig van aard zijn; hun geldigheid hangt steeds af van de vraag of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, blijven voortbestaan, en of het voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel noodzakelijk is om deze maatregelen te handhaven. Hieruit volgt dat het bij de periodieke heroverweging van deze maatregelen aan de Raad staat om een geactualiseerde beoordeling van de situatie uit te voeren en een balans op te maken van de invloed van dergelijke maatregelen, teneinde te bepalen of zij de door de initiële plaatsing van de namen van de betrokken personen en entiteiten op de litigieuze lijsten beoogde doelstellingen hebben kunnen verwezenlijken en of met betrekking tot deze personen en entiteiten nog steeds dezelfde conclusie kan worden getrokken (arresten van 27 april 2022, Ilunga Luyoyo/Raad, T‑108/21, EU:T:2022:253, punt 55, en 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punt 67; zie ook in die zin arrest van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 169).
90 Hieruit volgt dat het de Raad niet verboden is om zich ter rechtvaardiging van de handhaving van de naam van een persoon of een entiteit op een lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn, te baseren op dezelfde bewijzen als die welke de aanvankelijke plaatsing, de hernieuwde plaatsing of de eerdere handhaving van de naam van deze persoon op die lijst rechtvaardigden, mits, ten eerste, de redenen voor plaatsing ongewijzigd blijven en, ten tweede, de context niet zodanig is gewijzigd dat die bewijzen achterhaald zijn (zie arresten van 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 169 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 november 2023, Pumpyanskiy/Raad, T‑734/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:761, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband houdt de ontwikkeling van de context onder meer in dat rekening wordt gehouden met de situatie van het land ten aanzien waarvan het stelsel van beperkende maatregelen is ingevoerd en met de specifieke situatie van de betrokkene (arrest van 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punt 78; zie ook in die zin arresten van 23 september 2020, Kaddour/Raad, T‑510/18, EU:T:2020:436, punt 101, en 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 169), en voorts met alle relevante omstandigheden, met name met het feit dat de met de beperkende maatregelen nagestreefde doelstellingen niet zijn verwezenlijkt (arrest van 27 april 2022, Ilunga Luyoyo/Raad, T‑108/21, EU:T:2022:253, punt 56; zie in die zin ook arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punten 82‑84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91 Daarbij kan de Raad besluiten de namen van personen op de litigieuze lijsten te handhaven op basis van redenen die betrekking hadden op feiten in het verleden en die zijn aangevoerd in eerdere besluiten die hen betreffen, zonder dat de betrokken personen in de periode vóór de heroverweging nieuwe daden hebben begaan die verband houden met het criterium voor plaatsing op de lijsten dat ten aanzien van hen is toegepast, mits die handhaving gerechtvaardigd blijft in het licht van alle relevante omstandigheden en met name gelet op het feit dat de met de beperkende maatregelen beoogde doelstellingen niet zijn bereikt (arrest van 8 maart 2023, Mutondo/Raad, T‑94/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:120, punt 50; zie ook in die zin arrest van 27 april 2022, Ilunga Luyoyo/Raad, T‑108/21, EU:T:2022:253, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92 In casu moet eerst de tweede alinea van de litigieuze motivering van de handhaving worden onderzocht en vervolgens de eerste en de derde alinea ervan. Wat in de eerste plaats de tweede alinea van die motivering betreft, voor zover deze betrekking heeft op de betrokkenheid van AGR bij de exploitatie van illegaal goud en van het gewapend conflict, moet vooraf worden vastgesteld dat de Raad met betrekking tot de activiteiten van deze vennootschap blijft verwijzen naar dezelfde redenen als die welke in aanmerking zijn genomen voor de plaatsing van verzoekers naam op de litigieuze lijsten. Derhalve moet overeenkomstig de in de punten 90 en 91 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak worden onderzocht of deze handhaving na afloop van de betrokken heroverwegingsperiode en op basis van de bewijzen die aan het dossier zijn toegevoegd, voor zowel de plaatsing als de handhaving van zijn naam op die lijsten, gerechtvaardigd bleef in het licht van alle relevante omstandigheden en met name gelet op het feit dat de met de beperkende maatregelen beoogde doelstellingen niet waren bereikt.
93 Wat ten eerste de doelstellingen van de betrokken beperkende maatregelen betreft, zij eraan herinnerd dat deze maatregelen vanaf besluit 2016/2231 tegen bepaalde categorieën personen worden genomen om, met name, de situatie in de Democratische Republiek Congo te kunnen stabiliseren en te dien einde beogen druk uit te oefenen op degenen die verantwoordelijk worden gehouden voor de onstabiele veiligheidssituatie in de Democratische Republiek Congo (zie in die zin arrest van 9 februari 2023, Boshab/Raad, C‑708/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:84, punt 73). In dit verband blijkt uit overweging 3 van besluit 2022/2377 dat de Raad, gelet op de ernst van de situatie in dat land, van mening was dat de plaatsingscriteria van besluit 2010/788 in die zin moesten worden gewijzigd dat gerichte beperkende maatregelen konden worden genomen tegen onder meer natuurlijke personen of rechtspersonen die het gewapend conflict, de instabiliteit of de onveiligheid in de Democratische Republiek Congo ondersteunen of er baat bij hebben.
94 In die omstandigheden is verzoekers naam in december 2022 op de litigieuze lijsten geplaatst, gezien zijn banden met AGR en het feit dat deze vennootschap sinds 2016 betrokken is bij de commerciële exploitatie van illegaal goud uit mijnen in de Democratische Republiek Congo. In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat de Raad op basis van geloofwaardige, nauwkeurige en onderling samenhangende gegevens in het dossier heeft kunnen aantonen dat deze vennootschap, evenals de vennootschap PGR en de joint venture Aldango die aan haar verbonden waren, overkwamen als betrokken, van 2016 tot en met 2022, bij de commerciële exploitatie van het betrokken illegale goud, met name door dit in Uganda in te voeren. Ten tweede kan op basis van de door de Raad overgelegde informatie of gegevens worden aangenomen dat sommige van de betrokken mijnen werden gecontroleerd door gewapende groeperingen, waaronder de Mai-Mai Yakutumba en de Raia Mutomboki, die verantwoordelijk werden gehouden voor een bijdrage aan de instabiliteit van de veiligheidssituatie in dat land en in het bijzonder in Zuid-Kivu (zie in die zin beschikking van 17 april 2024, UC/Raad, T‑6/23, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:263, punt 89).
95 Meer bepaald bleek namelijk uit vijf rapporten van de expertengroep in het bewijsdossier, die zijn opgesteld tussen augustus 2017 en juni 2022 en onder meer worden bevestigd door twee persartikelen, dat: waarschijnlijk smokkelgoud in de toeleveringsketen van AGR was terechtgekomen; de officiële exportroute vanuit Rwanda en Uganda werd gecontroleerd door verzoeker terwijl een groot deel van het door Uganda verkochte goud illegaal werd gewonnen in de Democratische Republiek Congo; het goud, waaronder het grootste deel van het in Zuid-Kivu verkochte goud, afkomstig was uit gebieden waar gewapende personen, criminele netwerken van niet-geregistreerde handelaren, ambtenaren en lokale en buitenlandse entiteiten actief waren; de Mai-Mai Yakutumba-facties de gegenereerde inkomsten gebruikten om wapens te kopen; het illegale goud dat werd gekocht van sommige van hun leiders werd doorverkocht aan inkoopkantoren, waarvan er één in maart 2019, met de hulp van een entiteit waarop de sancties van de Verenigde Naties van toepassing zijn, 2,105 kilogram goud had uitgevoerd naar AGR; goud was gekocht door een Ugandese raffinaderij en verkocht aan de vennootschap PGR in de Verenigde Arabische Emiraten in het kader van verkooptransacties waarover AGR zou hebben onderhandeld; een deel van de uitvoer van 135 kilogram goudstaven naar de vennootschap PGR in contanten was betaald; het goud door AGR van Uganda naar Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) was vervoerd, en twee smokkelaars in Zuid-Kivu goud hadden gedeponeerd bij Aldango en in contant geld waren betaald (zie in die zin beschikking van 17 april 2024, UC/Raad, T‑6/23, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:263, punten 83‑87).
96 Ten tweede moet, wat de situatie in de Democratische Republiek Congo betreft, worden opgemerkt dat de Raad met het oog op de handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten twee andere rapporten van de expertengroep aan het bewijsdossier heeft toegevoegd, namelijk een tussentijds rapport van 16 december 2022 en een eindrapport van 13 juni 2023, waarin is vastgesteld dat: gewapende groeperingen, met name de Coöperatie voor de ontwikkeling van Congo (Codeco), profiteerden van de illegale exploitatie van en handel in goud, en leden van de strijdkrachten van dat land met hen samenwerkten om voordeel te halen uit deze mijnactiviteiten; gewapende facties in Ituri hun activiteiten uitbreidden, met name met het doel de mijnen te controleren; er 59 mijnbouwcentra waren geïdentificeerd die door gewapende groeperingen werden gecontroleerd; er in Zuid-Kivu herhaaldelijk botsingen plaatsvonden tussen de groepen Mai-Mai en Twirwaneho, waarbij met name burgers werden gedood, en er regelmatig botsingen plaatsvonden tussen de laatstgenoemde groep en de strijdkrachten voor de controle over de omgeving van een mijn; deze strijdkrachten en de Mai-Mai Yakutumba-groep en hun bondgenoten Mai-Mai Apa Na Pale actief waren, met name eind 2022, rond verschillende mijnen waarover zij de controle wilden, waarbij burgers en humanitaire medewerkers werden aangevallen, en, tot slot, de meeste gewapende groeperingen die in Zuid-Kivu actief waren, kinderen inzetten bij de vijandelijkheden.
97 Deze informatie wordt bevestigd door verschillende andere gegevens in het bewijsdossier, waaronder resolutie 2666 (2022) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 20 december 2022, waarbij „de voortdurende illegale exploitatie van en de handel in natuurlijke hulpbronnen, met name ‚conflictmineralen’, zoals [goud] door gewapende groeperingen en criminele netwerken die hen ondersteunen[,] die duurzame vrede en ontwikkeling [...] belemmeren, worden veroordeeld”. Evenzo blijkt uit een rapport van het secretariaat-generaal van de Stabilisatiemissie van de Organisatie van de Verenigde Naties in de Democratische Republiek Congo (Monusco) van 19 juni 2023 dat „[het in] Zuid-Kivu onveilig is gebleven, [...] met voortdurend gewapend geweld tussen leden van de Mai-Mai [in verband met de controle over] mijnbouwcentra en activiteiten van buitenlandse gewapende groeperingen”, dat „het gebied het risico blijft lopen dat de crisis [in verband met de gewapende activiteiten van de Beweging van 23 maart (M23)] zal overslaan”, dat „[er] tussen 21 maart en 13 juni 172 [...] veiligheidsincidenten [zijn] geregistreerd, waarbij 36 burgers zijn omgekomen [...] en 6 burgers gewond zijn geraakt”, dat „de belangrijkste oorzaak van onveiligheid wordt gevormd door de Mai-Mai-groeperingen, verantwoordelijk voor 35 incidenten”, en dat „Zuid-Kivu [...] kwetsbaar blijft voor het risico van een gecoördineerd offensief door M23 en [de groepering] Twigwaneho, dat [...] een algemeen destabiliserend effect zou hebben”. In dezelfde zin wordt in een persbericht van het gemeenschappelijk bureau van de Verenigde Naties voor de rechten van de mens over de belangrijkste tendensen in de mensenrechtenschendingen van januari tot juni 2023 uiteengezet dat „van de verschillende groepen en facties de Mai-Mai het grootste aantal aanvallen [hebben] gepleegd [en verantwoordelijk waren voor het grootste aantal slachtoffers van ontvoering], gevolgd door de [ADF, de Codeco en M23]”.
98 Uit al deze gegevens blijkt dus dat de Raad bij de vaststelling van de bestreden handelingen in december 2023 beschikte over een corpus van informatie uit verschillende bronnen van de Verenigde Naties, onder meer van de expertengroep, die openbaar zijn, volgens een nauwkeurige methode zijn opgesteld en elkaar bevestigen – zodat de bewijswaarde daarvan moet worden geacht toereikend te zijn in de zin van de in de punten 85 en 86 hierboven vermelde rechtspraak –, waaruit blijkt dat de zorgwekkende situatie, ten aanzien waarvan het stelsel van beperkende maatregelen is ingesteld, inzake de illegale ontginning van en handel in goud uit mijnen in de Democratische Republiek Congo die worden gecontroleerd door gewapende niet-gouvernementele groeperingen, waaronder de Mai-Mai Yakutumba in Zuid-Kivu, tijdens de betrokken heroverwegingsperiode voortduurde.
99 Ten derde moet, wat de specifieke situatie van het aan verzoeker verbonden AGR betreft, allereerst aangaande verzoekers bewering dat deze vennootschap niet actief is, worden opgemerkt dat uit de screenshots in verband met het verzoek om informatie bij de Ugandese belastingdienst, waarop hij zich beroept om de deactivering aan te tonen, blijkt dat de status van het TIN van die vennootschap als „actief” staat vermeld, ofschoon de status van het TIN voor invoer en uitvoer staat vermeld als „opgeschort”. Uit de e-mail van die belastingdienst, die in bijlage is toegevoegd aan het e-mailverkeer dat in september 2023 tussen verzoekers advocaat en de wettelijke vertegenwoordiger van die vennootschap is gevoerd, blijkt ook dat zij „gedwongen is gedeactiveerd”, omdat zij „een belastingplichtige was „die geen aangifte indiende”, „door de [Verenigde Staten] was gesanctioneerd wegens illegale goudhandel” en „er een vermoeden was dat zij was omgevormd tot de raffinaderij Toyaa”.
100 Met deze informatie kan inderdaad worden aangetoond dat de fiscale registratie van AGR, uit hoofde van een legale operationele activiteit van uitvoer en invoer van goud in Uganda, is opgeschort. Aangezien de opschorting van deze activiteit volgens deze informatie is gebaseerd op een registratiestatus die louter tijdelijk van aard is, kan met deze informatie niet worden aangetoond dat deze vennootschap definitief alle activiteiten – waaronder die in verband met de in de litigieuze motivering van de handhaving genoemde exploitatie van illegaal goud – heeft stopgezet, noch dat zij is vereffend en heeft opgehouden te bestaan. Uit het verzoekschrift blijkt daarentegen dat, volgens de advocaat van die vennootschap, „op het moment van de Amerikaanse sancties iedereen de vennootschap heeft verlaten en niemand de taak heeft gekregen haar te vereffenen of officieel te sluiten” en dat „er geen officiële vereffeningsakte bestaat”. Uit die verklaringen valt dus af te leiden dat AGR niet is vereffend, hetgeen verzoeker ter terechtzitting heeft bevestigd door uit te leggen dat de „actieve” status van het TIN van deze vennootschap aangeeft dat zij bestaat.
101 Bovendien moet worden benadrukt dat de fiscale registratie van de activiteiten van AGR door de Ugandese belastingautoriteit voor in- en uitvoer is geschorst omdat de naam van deze vennootschap was toegevoegd aan de door het ministerie van Financiën van de Verenigde Staten opgestelde sanctielijsten en omdat zij geen belastingaangifte had ingediend. Bijgevolg staan enkel deze redenen eraan in de weg dat deze vennootschap opnieuw een „actieve” fiscale status krijgt voor in- en uitvoer, en kan in die omstandigheden, gelet op het feit dat zij verder wettelijk blijft bestaan, niet worden uitgesloten dat zij opnieuw „actief” wordt wanneer deze sancties niet meer op haar van toepassing zijn of indien zij een belastingaangifte doet van de door haar verrichte in- en uitvoer.
102 Verzoeker kan dus niet enkel op basis van deze gegevens beweren dat AGR op de datum van de bestreden handelingen niet meer actief was en dat daardoor de context en zijn specifieke situatie in dat verband tijdens de betrokken heroverwegingsperiode waren veranderd.
103 Voorts klopt het dat het eindrapport van de expertengroep van 13 juni 2023 het heeft over een monopolie op de uitvoer van artisanaal goud uit de Democratische Republiek Congo dat in handen is van de vennootschap Primera, die geen banden heeft met verzoeker, sinds januari 2023 actief is en is opgericht na de ondertekening van een samenwerkingsovereenkomst ter bestrijding van goudsmokkel tussen die staat en de Verenigde Arabische Emiraten. Ook wordt daarin inderdaad uitgelegd dat de illegale uitvoer en smokkel van goud zijn verplaatst naar Burundi en waarschijnlijk de Verenigde Arabische Emiraten, zonder dat daarbij Uganda, waar AGR is gevestigd, wordt vermeld.
104 Anders dan verzoeker stelt, kan op basis van deze informatie echter niet worden geconcludeerd dat AGR niet langer betrokken is bij de raffinage en de verhandeling van illegaal goud. Uit dit rapport blijkt namelijk ook dat er in de Democratische Republiek Congo sprake is van een omvangrijke en voortdurende illegale exploitatie van goud, waarvan de contouren enkel zijn gewijzigd als gevolg van de spanningen tussen dit land en Rwanda, hetgeen nog niet bewijst dat Rwanda en Uganda – waar het aan AGR verbonden netwerk van vennootschappen van verzoeker actief is – daar niet meer bij betrokken zijn. In dit verband wordt in dat rapport uiteengezet dat „Primera in drie maanden tijd tien keer zoveel goud heeft uitgevoerd als de regering van de Democratische Republiek Congo in 2022 officieel heeft uitgevoerd”, dat „[zij] van januari tot en met maart 2023 meer dan 500 kg artisanaal goud heeft uitgevoerd, terwijl [dat land] in 2022 officieel in totaal 42,25 kg heeft uitgevoerd, hetgeen aantoont dat de handel in artisanaal goud in het land altijd ruimschoots te laag is opgegeven en voornamelijk via illegale netwerken verliep”, en dat „in de onderzochte periode [...] een toegenomen activiteit is gedocumenteerd van een crimineel netwerk dat betrokken is in de goudsmokkel tussen [dat land] en Burundi”, doordat „de huidige spanningen [met] Rwanda de goudsmokkelroute hadden verstoord”.
105 Ten slotte moet worden opgemerkt dat de Raad het OFAC-besluit van 30 juni 2023 heeft overgelegd. Daaruit blijkt dat verzoeker ten aanzien van die instantie had geweigerd zijn banden met de betrokken illegale goudhandel te erkennen en dat de sancties die de Verenigde Staten hem hadden opgelegd, waren gehandhaafd omdat zijn gedrag met betrekking tot die activiteit niet was gewijzigd. Meer bepaald wordt verzoeker in dat besluit omschreven als een „integrerend en essentieel onderdeel van de handel in conflictgoud in de Democratische Republiek Congo sinds de jaren 1990 via de activiteiten van verschillende vennootschappen” en wordt daarin gepreciseerd dat „[zijn] rol als inkoper van en handelaar in goud tijdens de burgeroorlogen [in dat land] heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van het huidige ecosysteem waarin goud door talloze gewapende groeperingen wordt gebruikt voor de financiering van conflicten en geweld”. Daaraan wordt toegevoegd dat „het rapport van de [expertengroep] van 2022 [...] de rol van goud in het complexe netwerk van het conflict in het oosten van [dat land] uitgebreid [documenteert], en blijft aantonen dat goud wordt uitgevoerd naar Uganda en elders in de regio”, dat „[de International Criminal Police Organization (Interpol)] [...] in 2021 verslag [heeft] gedaan van de structuur van de illegale goudhandel, [in het bijzonder van] de route waarlangs het goud zijn weg vond van de mijnen in de Democratische Republiek Congo naar Uganda en Rwanda en vervolgens naar de Verenigde Arabische Emiraten”. In het besluit staat verder dat „de rol van goud in het conflict [...] ook op een coherente manier [is] vermeld in het rapport over de mensenrechten voor de Democratische Republiek Congo van het ministerie van Buitenlandse Zaken [...], zo ook het meest recente rapport van maart 2023”. Ten slotte wordt daarin vermeld dat verzoeker in 2017 met betrekking tot het feit dat zijn raffinaderij ook met dit goud werd bevoorraad publiekelijk heeft verklaard dat „het niet zijn verantwoordelijkheid of die van zijn vennootschappen was om aan die zorgen tegemoet te komen” en dat „hij nooit een gram conflictgoud had gezien en dat hij het verschil niet zou zien tussen een gram normaal goud en een gram zogenaamd conflictgoud”.
106 Hoewel verzoeker de geloofwaardigheid van het OFAC-besluit betwist, moet niettemin worden opgemerkt dat dit besluit niet alleen overeenstemt met de informatie uit de rapporten van de Verenigde Naties die in de punten 95 tot en met 97 hierboven is weergegeven en in het dossier van de Raad is opgenomen, maar ook verwijst naar gedetailleerde bronnen, waaronder recente rapporten van de Verenigde Naties en Interpol en interviews van verzoeker met Belgische en Ugandese kranten. Hieruit volgt dat niet kan worden voorbijgegaan aan de bewijskracht van dit besluit, waarin de bronnen en de verifieerbare gegevens waarop het is gebaseerd, worden vermeld.
107 De Raad kon dus, rekening houdend met de in punt 105 hierboven uiteengezette gegevens, die zijn beoordeeld in het licht van de in punt 95 hierboven uiteengezette oudere gegevens in het dossier, op goede gronden oordelen dat het OFAC-besluit een recente aanwijzing vormde dat verzoeker zich, samen met het netwerk van vennootschappen waarvan in 2022 is erkend dat AGR er deel van uitmaakte, in 2023 niet had uitgesproken tegen de situatie waarin de illegale commerciële exploitatie van goud bleef voortduren.
108 In die omstandigheden blijkt – op basis van die gegevens en bij gebreke van serieuze aanwijzingen dat AGR inactief was of dat er een verandering had plaatsgevonden in haar activiteiten of zelfs in de zorgwekkende algemene instabiliteit van de veiligheidssituatie in de Democratische Republiek Congo en wat de illegale commerciële exploitatie van goud betreft – uit de verwijzing in de motivering van de bestreden handelingen naar de sinds 2016 door AGR uitgeoefende activiteiten, dat de Raad op de datum van vaststelling van die handelingen kon menen dat deze vennootschap om die redenen nog bij die situatie betrokken was en dat hij niet over enig element beschikte dat die stelling kon ontkrachten (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 juli 2021, Benavides Torres/Raad T‑35/19, EU:T:2021:466, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In die omstandigheden is verzoekers argument dat het Ugandese openbaar ministerie geen vervolging tegen die vennootschap had ingesteld, niet ter zake dienend.
109 Wat in de tweede plaats de eerste alinea van de litigieuze motivering van de handhaving betreft, aangaande verzoekers banden met AGR, is er ten eerste op gewezen dat de Raad, met het oog op de plaatsing van zijn naam op de litigieuze lijsten, op basis van verschillende betrouwbaar geachte en met elkaar overeenstemmende gegevens, namelijk onder meer een rapport van de niet-gouvernementele organisatie (ngo) The Sentry van oktober 2018 en een rapport van de expertengroep van 2 juni 2020, die ook als bijlage bij het verweerschrift zijn gevoegd, had aangetoond dat verzoeker aan het hoofd stond van een netwerk van veertien vennootschappen die actief waren in de goudhandel en dat het illegale deel van die handel werd gepresenteerd als de belangrijkste bron van inkomsten voor de actoren van het conflict in het oosten van de Democratische Republiek Congo, dat verzoeker had aangeven oprichter te zijn van die vennootschap, die gevestigd is in Uganda en in 2014 werd bestuurd door vennootschap G, een naar zijn vader vernoemde vennootschap die was ingeschreven in het register van een Belgische bank, dat AGR voor de invoer van goud was aangesloten bij de vennootschap G, die actief was in België en Dubai en sinds 2018 via een in Luxemburg gevestigde vennootschap deels in handen was van verzoeker, dat verzoeker van 2017 tot oktober 2019 directeur van AGR was geweest en op 8 december 2022 dus de voormalige directeur van AGR was, dat verzoeker zijn aandelen in AGR had verkocht aan AGR I, dat in de Seychellen gevestigd is, dat Aldabra, een in Dubai gevestigde vastgoedmaatschappij, was genoemd in het jaarverslag van de vennootschap G van december 2018, dat Aldabra een van de twee aandeelhouders van de joint venture Aldango was, en daar in mei 2019 de helft van de gewone aandelen van bezat, dat Aldabra de kantoorruimten van AGR bezat en werd vertegenwoordigd door verzoeker die er de eigenaar van is, zodat deze laatste vennootschap en de joint venture Aldango zijn opgericht binnen een netwerk van ondernemingen die banden hebben met verzoeker, en dat verzoeker had verklaard dat de vennootschap PGR, die het resultaat is van de omvorming in 2019 van een vennootschap die zijn naam droeg en waarvan hij aandeelhouder en zaakvoerder was, raffinage- en handelsdiensten aanbood aan AGR en aan de joint venture Aldango (zie in die zin beschikking van 17 april 2024, UC/Raad, T‑6/23, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:263, punten 90‑94).
110 Op basis van deze elementen heeft de Raad in december 2022 aangetoond dat verzoeker een zakenman en de voormalig directeur was van AGR, die gevestigd is in Uganda, en dat hij ondanks de verkoop in februari 2018 van zijn aandelen in deze vennootschap aan AGR I en de beëindiging van zijn bestuursfuncties in AGR I vanaf juni 2021, en ondanks het feit dat hij geen bestuurs- of adviesfuncties bij AGR zou hebben, in 2018 en in 2022 publiekelijk werd gepresenteerd als een persoon die structureel betrokken bleef bij de activiteiten van die vennootschap vanwege een netwerk van aan hem verbonden vennootschappen die rond die vennootschap waren georganiseerd (zie in die zin beschikking van 17 april 2024, UC/Raad, T‑6/23, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:263, punt 95).
111 Ten tweede heeft de Raad bij de handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten in december 2023 de motivering aangevuld met de precisering dat verzoeker de „voormalige” uiteindelijk begunstigde van AGR was.
112 In dit verband moet worden opgemerkt dat die toevoeging strookt met de opmerkingen die verzoeker heeft gemaakt in zijn brieven van 31 augustus en 3 november 2023 en in zijn geschriften, volgens welke hij ten eerste, anders dan in het rapport van de expertengroep van 14 juni 2022, in de rapporten van die groep van 16 december 2022 en 13 juni 2023, die aan het bewijsdossier zijn toegevoegd, niet langer als „uiteindelijk begunstigde” van AGR werd aangemerkt, en, ten tweede, zijn eigendomstitels en zijn bestuursfuncties in AGR en AGR I beëindigd zijn. Evenzo heeft de Raad ter terechtzitting erkend rekening te hebben gehouden met deze opmerkingen en met de eigendomswijzigingen wat verzoekers aandelen betreft.
113 In het licht van die opmerkingen en deze wijzigingen kon de Raad dus, zonder een onjuiste beoordeling te maken, menen dat verzoeker de „voormalige” uiteindelijk begunstigde van AGR was geworden. In die omstandigheden is verzoekers op het arrest van 8 maart 2023, Prigozhina/Raad (T‑212/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:104, punten 76, 80 en 100), gebaseerde betoog dat de Raad verzoekers eigendom van of zeggenschap over AGR moet bewijzen door overlegging van uittreksels uit handels- en vennootschapsregisters, niet ter zake dienend.
114 Ten derde heeft de Raad bij de handhaving van verzoekers naam op de litigieuze lijsten in december 2023 ook de vermelding dat „verzoeker als adviseur en promotor aan AGR verbonden bleef” aan de motivering toegevoegd.
115 Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd dat verzoeker met AGR de consultancy-overeenkomst heeft gesloten waarmee hij tegen vergoeding werd aangesteld als „promotor om [deze in de verwerking van goud gespecialiseerde vennootschap] te stimuleren en te ontwikkelen” en, met name, „een public relations- en communicatiestrategie [...] met verschillende soorten publiek [te ontwikkelen, te beheren, te coördineren, te implementeren en te monitoren], met als doel de bekendheid van [die vennootschap] en haar activiteiten te bevorderen”, „[de vennootschap] te informeren over de situatie en de ontwikkelingen op de goudmarkt, evenals over nieuwe [regels] die een aanzienlijke invloed [hebben] op aanbestedingen [of] de uitvoering van activiteiten in het gebied”, „[de vennootschap] bij te staan en te adviseren [...] over alle aspecten van haar onderhandelingen met het oog op de gunning van een contract”, en „te zorgen voor de goede uitvoering daarvan”, alsook „de activiteiten van de vennootschap te promoten en relaties te onderhouden die de vennootschap ten goede kunnen komen in haar activiteiten en zaken”.
116 Gezien deze overeenkomst staat vast dat verzoeker vanaf 5 november 2018 voor AGR een rol van consultant heeft uitgeoefend, en in dat kader met name adviseur en promotor was.
117 Vervolgens is het juist dat verzoeker de verklaring van 7 juni 2021 overlegt om aan te tonen dat zijn functie als consultant op de datum van de bestreden handelingen was beëindigd. De raad van bestuur van AGR verklaart daarin inderdaad dat hij „niet langer aan [deze] vennootschap verbonden is als directeur, eigenaar, adviseur of in enige andere hoedanigheid” en dat hij, „na ontslag te hebben genomen als directeur, zijn consultancy-overeenkomst te hebben beëindigd en [al zijn aandelen] te hebben overgedragen, elke vorm van eigendom of belang in dan wel directe of indirecte zeggenschap over [die] vennootschap beëindigd heeft en beëindigd houdt”.
118 Maar waar verzoeker op basis daarvan beweert dat de consultancy-overeenkomst is beëindigd in juni 2021, gelet op het feit dat die overeenkomst was gesloten wegens de noodzaak een overgangsfase in te richten om de nieuwe directie van AGR bij te staan, moet echter worden opgemerkt dat deze datum niet coherent lijkt te zijn met de aanvankelijke toepassingsperiode van die overeenkomst, die volgens artikel 2 ervan was gesloten voor vijf jaar vanaf 5 november 2018, en er bovendien geen gegevens zijn die aantonen dat de overeenkomst op die datum onder de voorwaarden van artikel 8 ervan is opgezegd.
119 In navolging van de Raad moet vooral worden vastgesteld dat de inhoud van de betrokken verklaring en de aangevoerde uitleg worden tegengesproken door het feit dat verzoeker later heeft erkend dat hij een rol van „adviseur/promotor” uitoefende bij AGR, in de brief van 13 december 2022, en heeft verklaard dat hij „als adviseur aan die vennootschap verbonden was gebleven” in het verzoekschrift dat in januari 2023 is ingediend in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 17 april 2024, UC/Raad (T‑6/23, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2024:263), waarin werd verwezen naar feiten die bestonden op de datum van indiening van dat verzoekschrift, dat de Raad in casu heeft overgelegd als bijlage bij zijn verweerschrift, dus tweemaal, en meer dan anderhalf jaar na de vermeende beëindiging van de consultancy-overeenkomst.
120 Die tegenstrijdigheden in de schriftelijke uitingen die verzoeker zelf via zijn advocaat heeft gedaan, kunnen twijfels doen rijzen over de waarschijnlijkheid en de waarachtigheid van de inhoud van de verklaring van 7 juni 2021, volgens welke hij in geen enkele hoedanigheid meer verbonden was aan AGR. In die omstandigheden en gelet op het feit dat die verklaring bovendien is opgesteld door de raad van bestuur van die vennootschap – een vennootschap die deel uitmaakte van een netwerk van vennootschappen die op die datum afhankelijk waren van verzoeker (zie punt 110 hierboven) – moet de bewijskracht ervan als gering worden beschouwd.
121 In het licht van de in de punten 85 en 87 hierboven aangehaalde rechtspraak moet derhalve worden geoordeeld dat de verklaring van 7 juni 2021 op zich niet volstaat om te weerleggen dat verzoeker zijn functie van adviseur en promotor van AGR waarschijnlijk is blijven uitoefenen, met andere woorden dat hij in enige hoedanigheid aan deze vennootschap verbonden is gebleven in het kader van de betrokken consultancy-overeenkomst.
122 Ten slotte moet worden opgemerkt dat de partijen ter terechtzitting zijn gehoord over de consultancy-overeenkomst en dat deze overeenkomstig artikel 2 ervan had moeten eindigen op 5 november 2023, dat wil zeggen een maand voordat de bestreden handelingen werden vastgesteld.
123 Gelet op het litigieuze criterium verwijst het begrip „het exploiteren van het gewapend conflict, de instabiliteit of de onveiligheid in [de Democratische Republiek Congo], onder meer door de illegale exploitatie van of handel in natuurlijke hulpbronnen” in dit verband echter zowel naar feiten in het verleden als naar feiten die voortduren. De omstandigheid dat de litigieuze motivering van de handhaving betrekking heeft op een feitelijke situatie die bestond vóór de oorspronkelijke handelingen werden vastgesteld, en zeer recentelijk is gewijzigd, impliceert dan ook niet noodzakelijkerwijs dat de beperkende maatregelen die ten aanzien van hem zijn vastgesteld, achterhaald zijn (zie in die zin en naar analogie arresten van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, EU:T:2020:57, punt 83, en 15 november 2023, OT/Raad, T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 154).
124 Hieruit volgt dat de Raad, gelet op al deze elementen en op het feit dat eerder was aangetoond dat er een netwerk bestond van aan verzoeker verbonden en rond AGR georganiseerde vennootschappen, geen onjuiste beoordeling heeft gemaakt door zich op de datum van de bestreden handelingen op het standpunt te stellen dat verzoeker wegens zijn banden met deze vennootschap, als adviseur en promotor tot ten minste november 2023, kon worden geacht het gewapend conflict, de instabiliteit of de onveiligheid in de Democratische Republiek Congo te exploiteren. Verzoekers beweringen dat de Ugandese autoriteiten tegen hem geen onderzoek hebben ingesteld en dat de regering van de Democratische Republiek Congo niet heeft verzocht om beperkende maatregelen jegens hem, zijn dan ook niet relevant.
125 Wat in de derde plaats de derde alinea van de litigieuze motivering van de handhaving betreft, moet voor zover deze betrekking heeft op de vennootschap Aldabra worden opgemerkt dat de Raad de motivering heeft aangevuld met de vermelding dat verzoeker „ook goudgerelateerde belangen in de regio [behoudt] via het bedrijf Aldabra, waarover hij zeggenschap heeft”.
126 In dit verband heeft de Raad, zoals blijkt uit punt 92 hierboven, in het kader van de plaatsing van verzoekers naam op de litigieuze lijsten kunnen aantonen dat Aldabra in 2018 en 2020 werd gepresenteerd als een in Dubai gevestigde vastgoedmaatschappij, die eigendom was van en vertegenwoordigd werd door verzoeker, verbonden was aan de vennootschap G die op haar beurt verbonden was aan verzoeker, die de kantoorruimten van AGR bezat alsook de helft van de gewone aandelen van de joint venture Aldango, waaraan de vennootschap PGR, die eveneens verbonden was aan verzoeker, raffinage- en handelsdiensten aanbood, evenals aan AGR, en dat smokkelgoud een onderdeel was geworden van de activiteiten van zowel Aldabra als die joint venture (zie punt 95 hierboven).
127 Bovendien heeft verzoeker weliswaar ter terechtzitting voor het eerst betwist dat Aldabra een actieve vennootschap is, maar vastgesteld zij dat deze niet-gestaafde bewering in tegenspraak is met de kwalificatie van deze vennootschap in het verzoekschrift als een vastgoed- en investeringsmaatschappij en met de bevestiging van een activiteit als beleggingsmaatschappij in een openbare bekendmaking van november 2023 van de aan haar verbonden joint venture Aldango, die is overgelegd als bijlage bij het verzoekschrift en als bijlage bij de brief van verzoeker aan de Raad van 3 november 2023, en die de Raad in zijn brief van 11 december 2023 uitdrukkelijk heeft aangehaald als argument ter ondersteuning van de handhaving van de betrokken beperkende maatregelen en de motivering daarvan (zie punt 22 hierboven). In die bekendmaking wordt Aldabra namelijk gepresenteerd als „een buitenlandse investeringsmaatschappij met een ijzersterke reputatie dankzij een al meer dan drie decennia onberispelijke staat van dienst op het vlak van de verwerking van en de handel in edele metalen [die] ervan overtuigd [is] dat zij een toegevoegde waarde [kan] betekenen voor de goudtoeleveringsketen”.
128 Hieruit volgt dat Aldabra, gelet op de gegevens van het dossier, kan worden beschouwd als een vastgoed- en investeringsmaatschappij waarover verzoeker zeggenschap heeft en die deel uitmaakt van het netwerk van de aan hem verbonden vennootschappen, die complementair is aan de vennootschappen PGR en AGR die actief zijn op het gebied van raffinage van en handel in de goud in de Democratische Republiek Congo, en die zelf in november 2023 werd gepresenteerd als actief op het gebied van goudverwerking en -handel in dat land.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 11 september 2024, T-744/22, ECLI:EU:T:2024:608
- Gerecht EU 15 november 2023, T-193/22, ECLI:EU:T:2023:716
- Gerecht EU 27 juli 2022, T-125/22, ECLI:EU:T:2022:483
- Gerecht EU 27 april 2022, T-108/21, ECLI:EU:T:2022:253
- Gerecht EU 22 september 2021, T-203/20, ECLI:EU:T:2021:605
- Gerecht EU 14 juli 2021, T-35/19, ECLI:EU:T:2021:466
- HvJ EU 22 juni 2021, C-872/19, ECLI:EU:C:2021:507
- HvJ EU 22 april 2021, C-46/19, ECLI:EU:C:2021:316
- Gerecht EU 23 september 2020, T-510/18, ECLI:EU:T:2020:436
- Gerecht EU 12 februari 2020, T-163/18, ECLI:EU:T:2020:57
- Gerecht EU 12 februari 2020, T-170/18, ECLI:EU:T:2020:60
- Gerecht EU 31 mei 2018, T-461/16, ECLI:EU:T:2018:316
- Gerecht EU 14 maart 2018, T-533/15, ECLI:EU:T:2018:138
- HvJ EU 6 september 2017, C-643/15, ECLI:EU:C:2017:631
- Gerecht EU 20 juli 2017, T-619/15, ECLI:EU:T:2017:532
- Gerecht EU 15 juni 2017, T-262/15, ECLI:EU:T:2017:392
- HvJ EU 28 maart 2017, C-72/15, ECLI:EU:C:2017:236
- Gerecht EU 30 november 2016, T-720/14, ECLI:EU:T:2016:689
- Gerecht EU 15 september 2016, T-348/14, ECLI:EU:T:2016:508
- HvJ EU 3 september 2015, C-398/13, ECLI:EU:C:2015:535