Gerecht EU 11 september 2024, T-494/22, ECLI:EU:T:2024:607
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid)
11 september 2024 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen – Bevriezing van tegoeden – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Plaatsing en handhaving van de naam van de verzoeker op de lijst – Motiveringsplicht – Beoordelingsfout – Begrip ‚materiële of financiële steun aan de regering van de Russische Federatie’ – Vrijheid van ondernemerschap – Eigendomsrecht – Evenredigheid”
In zaak T‑494/22,
NKO AO National Settlement Depository (NSD), gevestigd te Moskou (Rusland), vertegenwoordigd door N. Tuominen, M. Krestiyanova, J.‑P. Fierens en C. Gieskes, advocaten,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bishop als gemachtigde, bijgestaan door B. Maingain, advocaat,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J.‑F. Brakeland, G. von Rintelen, L. Mantl en M. Carpus Carcea als gemachtigden,
interveniënte,
wijst
HET GERECHT (Eerste kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: D. Spielmann, president, M. Brkan (rapporteur), I. Gâlea, T. Tóth en S. L. Kalėda, rechters,
griffier: I. Kurme, administrateur,
gezien de stukken, met name
– het op 12 augustus 2022 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,
– de beschikkingen van 31 maart 2023, NSD/Raad (T‑494/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:196), en 31 maart 2023, NSD/Raad (T‑494/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:197), waarbij het verzoek om interventie van A. Lipatov en Maritime Bank JSC is afgewezen,
– de op 25 april 2023 door verzoekster ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie houdende aanpassing,
– de op 24 november 2023 door verzoekster ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie houdende aanpassing,
na de terechtzitting op 23 januari 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, NKO AO National Settlement Depository (NSD), nietigverklaring van, ten eerste, besluit (GBVB) 2022/883 van de Raad van 3 juni 2022 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 153, blz. 92) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/878 van de Raad van 3 juni 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2022, L 153, blz. 15; hierna samen: „oorspronkelijke handelingen”), ten tweede, besluit (GBVB) 2023/572 van de Raad van 13 maart 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 134) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/571 van de Raad van 13 maart 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 75 I, blz. 1; hierna samen: „handhavingshandelingen van maart 2023”) en, ten derde, besluit (GBVB) 2023/1767 van de Raad van 13 september 2023 tot wijziging van besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 104) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1765 van de Raad van 13 september 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2023, L 226, blz. 3; hierna: handhavingshandelingen van september 2023”), voor zover haar naam bij voormelde handelingen (hierna: „bestreden handelingen”) op de bijlagen daarbij is geplaatst en gehandhaafd.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster, een vennootschap naar Russisch recht, is een erkende bewaarder die als centrale bewaarinstelling diensten verleent op het gebied van effectenarchivering en -bewaring en die ook financiële diensten verleent, met name als niet-bancaire kredietinstelling met een vergunning die haar het recht geeft bankvereffeningsdiensten te verlenen.
3 De onderhavige zaak moet worden geplaatst in het kader van de beperkende maatregelen die de Europese Unie heeft vastgesteld naar aanleiding van de acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.
4 Op 17 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie krachtens artikel 29 VEU besluit 2014/145/GBVB betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit of onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 16) vastgesteld.
5 Diezelfde dag heeft de Raad op grond van artikel 215 VWEU verordening (EU) nr. 269/2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit of onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6) vastgesteld.
6 Op 25 februari 2022 heeft de Raad, gelet op de ernst van de situatie in Oekraïne, ten eerste besluit (GBVB) 2022/329 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 50, blz. 1) en ten tweede verordening (EU) 2022/330 tot wijziging van verordening nr. 269/2014 (PB 2022, L 51, blz. 1) vastgesteld, teneinde onder meer de criteria te wijzigen op grond waarvan natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen aan de betrokken beperkende maatregelen konden worden onderworpen.
7 Artikel 2 van het aldus gewijzigde besluit 2014/145 (hierna: gewijzigd besluit 2014/145) bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van: […] f) natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne […] 2. Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.”
8 De voorwaarden voor deze bevriezing van tegoeden worden in de daaropvolgende leden van artikel 2 van gewijzigd besluit 2014/145 omschreven.
9 Verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/330 (hierna: „gewijzigde verordening nr. 269/2014”), bepaalt dat maatregelen tot bevriezing van tegoeden worden vastgesteld en omschrijft de voorwaarden voor deze bevriezing in nagenoeg dezelfde bewoordingen als gewijzigd besluit 2014/145. Artikel 3, lid 1, onder a) tot en met g), van deze verordening is immers vrijwel identiek aan artikel 2, lid 1, onder a) tot en met g), van dat besluit.
10 Op 3 juni 2022 heeft de Raad, gelet op de voortzetting door de Russische Federatie van haar aanvalsoorlog tegen Oekraïne, de oorspronkelijke handelingen vastgesteld waarbij hij verzoeksters naam heeft toegevoegd aan de lijsten van personen, entiteiten en lichamen die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen, in de bijlage bij gewijzigd besluit 2014/145 en in bijlage I bij gewijzigde verordening nr. 269/2014 (hierna: „litigieuze lijsten”).
11 De redenen om verzoeksters naam op de litigieuze lijsten te plaatsen zijn de volgende: „[Verzoekster] is een Russische niet-bancaire financiële instelling en de centrale effectenbewaarinstelling van Rusland. Het is de grootste effectenbewaarinstelling in Rusland op marktwaarde van het eigen vermogen en op in bewaring gegeven schuldbewijzen, en de enige met toegang tot het internationale financiële stelsel. [Verzoekster] wordt door de regering en de centrale bank van Rusland erkend als een systeemrelevante Russische financiële instelling. [Zij] speelt een essentiële rol in de werking van het financiële stelsel van Rusland en in de wisselwerking daarvan met het internationale financiële stelsel, en stelt de Russische regering derhalve direct en indirect in staat haar activiteiten, beleid en middelen te ontplooien. [Verzoekster] is nagenoeg volledig in handen van de Beurs van Moskou, die als doel heeft uitgebreide toegang te verlenen tot de Russische financiële markten. De Beurs van Moskou staat vanwege haar rol en aandeelhouders dan weer in hoge mate onder zeggenschap van de Russische regering. [Verzoekster] is bijgevolg een entiteit of organisatie die materiële of financiële steun verleent aan de regering van de Russische Federatie, die verantwoordelijk is voor de annexatie van de Krim en de destabilisatie van Oekraïne.”
12 De Raad heeft in het Publicatieblad van de Europese Unie van 3 juni 2022 (PB 2022, C 219 I, blz. 1) een kennisgeving gepubliceerd ter attentie van de personen, entiteiten en lichamen waarvoor de bij de oorspronkelijke handelingen vastgestelde beperkende maatregelen gelden. Volgens deze kennisgeving konden de betrokken personen, onder overlegging van bewijsstukken, een verzoek bij de Raad indienen tot heroverweging van het besluit waarbij hun namen op de litigieuze lijsten waren geplaatst.
13 Bij brief van 4 augustus 2022 heeft verzoekster de Raad verzocht om de motivering en het bewijs ter rechtvaardiging van haar plaatsing op de litigieuze lijsten over te leggen.
14 Op 10 augustus 2022 heeft de Raad dossier WK 7236/2022/EXT 1 (hierna: „eerste bewijsdossier”) aan verzoekster doen toekomen, waarop hij zijn besluit had gebaseerd.
II. Feiten die zich hebben voorgedaan nadat het beroep was ingesteld
15 Op 14 september 2022 heeft de Raad besluit (GBVB) 2022/1530 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 239, blz. 149) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/1529 tot uitvoering van verordening nr. 269/2014 (PB 2022, L 239, blz. 1) vastgesteld. Uit besluit 2022/1530 volgt dat besluit 2014/145 van toepassing is tot en met 15 maart 2023 en dat de individuele beperkende maatregelen die voor verzoekster gelden dus worden verlengd, aangezien haar naam op de litigieuze lijsten wordt gehandhaafd om dezelfde redenen als die welke in punt 11 hierboven zijn uiteengezet.
16 Bij brief van 22 december 2022 heeft de Raad verzoekster ervan in kennis gesteld dat hij voornemens was de beperkende maatregelen tegen haar te handhaven, heeft hij haar dossier WK 17708/2022 INIT (hierna: „tweede bewijsdossier”) toegezonden en heeft hij haar verzocht om uiterlijk op 12 januari 2023 opmerkingen in te dienen.
17 Op 13 maart 2023 heeft de Raad de handhavingshandelingen van maart 2023 vastgesteld. Uit besluit 2023/572 volgt dat besluit 2014/145 van toepassing is tot en met 15 september 2023 en dat de individuele beperkende maatregelen die voor verzoekster gelden dus worden verlengd, aangezien haar naam op de litigieuze lijsten wordt gehandhaafd om dezelfde redenen als die welke in punt 11 hierboven zijn uiteengezet.
18 Bij brief van 14 maart 2023 heeft de Raad verzoekster in kennis gesteld van zijn besluit om haar inschrijving op de litigieuze lijsten te handhaven en heeft hij haar verzocht om uiterlijk op 1 juni 2023 opmerkingen in te dienen.
19 Bij brief van 10 juli 2023 heeft de Raad verzoekster laten weten dat hij voornemens was de beperkende maatregelen tegen haar te handhaven, heeft hij haar dossier WK 7807/2023 REV2 (hierna: „derde bewijsdossier”) toegezonden en haar verzocht om uiterlijk op 25 juli 2023 opmerkingen in te dienen.
20 Op 13 september 2023 heeft de Raad de handhavingshandelingen van september 2023 vastgesteld. Uit besluit 2023/1767 volgt dat besluit 2014/145 van toepassing is tot en met 15 maart 2024 en dat de individuele beperkende maatregelen die voor verzoekster gelden dus worden verlengd, aangezien haar naam op de litigieuze lijsten wordt gehandhaafd om dezelfde redenen als die welke in punt 11 hierboven zijn uiteengezet.
III. Conclusies van partijen
21 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden handelingen nietig te verklaren; – de Raad te verwijzen in de kosten.
22 De Raad, daarin ondersteund door de Europese Commissie, verzoekt het Gerecht: – het beroep tot nietigverklaring te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
IV. In rechte
23 Alvorens de gegrondheid van de door verzoekster aangevoerde middelen te onderzoeken, moet worden onderzocht of het beroep ontvankelijk is voor zover het ziet op uitvoeringsverordening 2023/1765.
A. Ontvankelijkheid van het beroep voor zover het ziet op uitvoeringsverordening 2023/1765
24 In haar opmerkingen over de tweede memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift betoogt de Commissie dat deze memorie kennelijk niet-ontvankelijk is voor zover zij strekt tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2023/1765, aangezien de memorie niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 86, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Volgens de Commissie vervangt en wijzigt die uitvoeringsverordening de bestreden handelingen niet wat verzoekster betreft.
25 Verzoekster betoogt dat de tweede memorie houdende aanpassing van de conclusies ontvankelijk is voor zover deze memorie strekt tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2023/1765 wat haar betreft.
26 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 86, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat wanneer een handeling waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling of vóór de beslissing van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, het verzoekschrift kan aanpassen om met dit nieuwe gegeven rekening te houden.
27 De ontvankelijkheid van het beroep tegen uitvoeringsverordening 2023/1765 moet worden beoordeeld in het licht van de in artikel 14, lid 4, van verordening nr. 269/2014 neergelegde verplichting van de Raad om de lijst in bijlage I bij deze verordening op gezette tijden te evalueren. In dit verband moet worden opgemerkt dat de uitvoeringsverordeningen die worden vastgesteld naar aanleiding van evaluaties, waaronder uitvoeringsverordening 2023/1765, enkel melding maken van de wijzigingen en schrappingen in de litigieuze lijsten na afloop van die evaluatie, zodat op grond van die uitvoeringsverordeningen inschrijvingen die niet worden gewijzigd of geschrapt, worden verlengd (zie naar analogie arrest van 28 april 2021, Sharif/Raad, T‑540/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:220, punt 48).
28 Volgens de rechtspraak moet zelfs in het geval waarin de betrokkene niet wordt genoemd in een latere handeling tot wijziging van de lijst waarop zijn naam is ingeschreven en zelfs indien die latere handeling de redenen waarom zijn naam aanvankelijk was ingeschreven, niet wijzigt, een dergelijke handeling worden opgevat als een uitdrukking van de wens van de Raad om de naam van de betrokkene op die lijst te handhaven, met als gevolg dat zijn tegoeden bevroren blijven, aangezien de Raad verplicht is die lijst regelmatig te herzien (zie arrest van 8 juli 2020, Neda Industrial Group/Raad, T‑490/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:318, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Bovendien moet de Raad overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening nr. 269/2014, indien er opmerkingen worden ingediend of nieuw substantieel bewijsmateriaal wordt overgelegd, zijn besluit om een persoon op de litigieuze lijsten te plaatsen evalueren. In casu heeft de Raad verzoekster bij brief van 15 september 2023 laten weten dat hij naar aanleiding van haar verzoek van 25 juli 2023 om haar plaatsing op de litigieuze lijsten te evalueren, had besloten de beperkende maatregelen te handhaven die tegen haar waren genomen bij besluit 2023/1767 en verordening nr. 269/2014, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening 2023/1765. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat zowel besluit 2023/1767 als uitvoeringsverordening 2023/1765 het resultaat is van een evaluatie van verzoeksters situatie.
30 Zo het voorts juist is dat de redenen voor verzoekers plaatsing op de litigieuze lijsten in de handhavingshandelingen van september 2023 niet zijn gewijzigd, moet niettemin worden geconstateerd dat deze handelingen steunen op aanvullend bewijsmateriaal dat de Raad heeft overgelegd in het derde bewijsdossier.
31 Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het onderhavige beroep ontvankelijk is voor zover het strekt tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening nr. 2023/1765 wat verzoekster betreft.
B. Ten gronde
32 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan: schending van de motiveringsplicht, kennelijke beoordelingsfout, onevenredige schending van de grondrechten en ontoereikendheid van het bewijs.
1. Eerste middel: schending van de motiveringsplicht
33 Verzoekster betoogt dat de motivering van de bestreden handelingen niet voldoet aan de eisen die de rechtspraak in verband met artikel 296 VWEU stelt. Volgens haar heeft de Raad gewoon het criterium op basis waarvan haar naam op de litigieuze lijsten is geplaatst, geherformuleerd. Verzoekster meent ook dat de bestreden handelingen geen precieze en concrete elementen bevatten en niet aangeven wanneer en in welke omstandigheden de bijstand aan de Russische regering is verleend om die in staat te stellen haar activiteiten, beleid en middelen te ontplooien, en evenmin melding maken van een specifieke operatie. Bovendien is volgens verzoekster het motief dat zij indirect onder controle van de Russische regering staat, onjuist.
34 Daarnaast verwijt verzoekster de Raad, niet te hebben uitgelegd waarom de tegen haar genomen beperkende maatregelen een bevriezing van de tegoeden van haar klanten impliceerden.
35 De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist dit betoog.
36 Er zij aan herinnerd dat de verplichting om een bezwarende handeling te motiveren, wat een logisch uitvloeisel is van het beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging, er enerzijds toe dient de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid voor de rechter van de Unie kan worden betwist, en anderzijds de rechter van de Unie in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba,C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 49).
37 De door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en aan de context waarin zij is vastgesteld. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt bij een toelichting kunnen hebben. Zo is het niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd, of dat daarin op gedetailleerde wijze wordt geantwoord op de opmerkingen die de betrokkene tijdens zijn raadpleging vóór de vaststelling van dezelfde handeling heeft gemaakt, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling toereikend is niet enkel acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Bijgevolg is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba,C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punten 53 en 54; zie ook arrest van 22 april 2021, Raad/PKK,C‑46/19 P, EU:C:2021:316, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Aldus hangt de mate van nauwkeurigheid waarmee een handeling moet worden gemotiveerd, af van de praktische mogelijkheden en de technische omstandigheden en van de termijn waarbinnen zij tot stand moet komen (zie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad,T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Bovendien is in de rechtspraak verduidelijkt dat de motivering van een handeling van de Raad waarbij een beperkende maatregel wordt opgelegd, niet alleen de rechtsgrondslag van die maatregel dient aan te geven, maar ook de specifieke en concrete redenen waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (zie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad,T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 In casu worden zowel in de oorspronkelijke handelingen als in de handhavingshandelingen van maart 2023 en september 2023 in de respectieve overwegingen ervan de context en de rechtsgrondslagen waarop zij zijn vastgesteld gepreciseerd. Uit de preambules van de bestreden handelingen blijkt met name dat de ernst van de situatie in Oekraïne en de voortdurende acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van dat land ondermijnen of bedreigen, rechtvaardigen dat de betrokken personen op de litigieuze lijsten worden geplaatst en gehandhaafd.
41 Bovendien biedt de uiteenzetting van de feitelijke omstandigheden, zoals die hierboven in punt 11 is weergegeven, een voldoende duidelijke en nauwkeurige motivering die verzoekster in staat stelt te begrijpen waarom haar naam op de litigieuze lijsten is geplaatst en vervolgens daarop is gehandhaafd, en die het Gerecht in staat stelt zijn toezicht uit te oefenen. In tegenstelling tot wat verzoekster betoogt, blijkt uit de bestreden handelingen dat daarin niet simpelweg het plaatsingscriterium van artikel 2, lid 1, onder f), van gewijzigd besluit 2014/145 wordt geherformuleerd. Bij de redenen voor de plaatsing wordt inzonderheid gepreciseerd dat verzoekster de grootste effectenbewaarinstelling in Rusland is, toegang heeft tot het internationale financiële stelsel en erkend wordt als een systeemrelevante financiële instelling die een essentiële rol speelt in de werking van het financiële stelsel van Rusland, zodat zij de Russische regering direct en indirect in staat stelt haar activiteiten, beleid en middelen te ontplooien. Bij de redenen voor de plaatsing wordt trouwens ook melding gemaakt van het feit dat verzoekster onder controle van de Russische regering staat.
42 Bovendien is het niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische omstandigheden in de motivering worden gespecificeerd noch dat daarin op gedetailleerde wijze wordt geantwoord op de opmerkingen die de betrokkene tijdens zijn raadpleging vóór de vaststelling van de handeling heeft gemaakt, zodat het argument dat in de bestreden handelingen noch het tijdstip en de omstandigheden van de aan de regering verleende steun noch een specifieke operatie worden vermeld, niet kan slagen.
43 Wat betreft het argument dat de motivering voor de plaatsing op de lijst onjuist is voor zover wordt gesteld dat verzoekster indirect onder controle van de Russische regering staat, zij eraan herinnerd dat de verplichting om een handeling te motiveren een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke rechtmatigheid van de litigieuze handeling betreft. De motivering van een handeling houdt immers in dat de gronden waarop deze handeling berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien deze gronden berusten op vergissingen doen deze afbreuk aan de inhoudelijke rechtmatigheid van die handeling, maar niet aan de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist (arresten van 5 november 2014, Mayaleh/Raad,T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 96, en 22 juni 2022, Haswani/Raad, T‑479/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:383, punt 57). Bijgevolg moet verzoeksters argument worden afgewezen.
44 Wat betreft verzoeksters argument dat de Raad niet heeft uiteengezet waarom de betrokken beperkende maatregelen een bevriezing van de tegoeden van haar klanten impliceerden en dat hij al haar klanten had moeten identificeren die door die maatregelen werden geraakt en had moeten nagaan of elk van hen individueel voldeed aan de voorwaarden van de plaatsingscriteria, moet worden opgemerkt dat, zoals de Raad betoogt, de motiveringsplicht niet de verplichting meebrengt om alle gevolgen van de vaststelling van de bestreden handeling voor andere personen uiteen te zetten en evenmin impliceert dat de Raad alle personen moet aanwijzen die indirect kunnen worden geraakt door de beperkende maatregelen jegens verzoekster.
45 Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
2. Tweede en vierde middel: kennelijke beoordelingsfout en ontoereikendheid van het bewijs
46 Opgemerkt zij dat het betoog ter ondersteuning van het vierde middel in wezen beperkt is tot de stelling dat de redenen voor de plaatsing niet met voldoende bewijzen zijn gestaafd. Aangezien voor het onderzoek van een eventuele beoordelingsfout moet worden nagegaan of de feiten waarop de Raad zich heeft gebaseerd, toereikend zijn, moet het vierde middel samen worden onderzocht met het tweede middel, dat is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout.
47 Het tweede middel bestaat uit drie onderdelen: 1) kennelijke beoordelingsfout voor zover is vastgesteld dat verzoekster een belangrijke instelling voor het Russische financiële stelsel is die de Russische regering in staat stelt haar activiteiten, beleid en middelen te ontplooien; 2) kennelijke beoordelingsfout voor zover is vastgesteld dat verzoekster onder controle van die regering staat, en 3) kennelijke beoordelingsfout doordat de Raad niet heeft aangetoond dat er een voldoende band bestaat tussen verzoekster en de Russische regering.
a) Overwegingen vooraf
48 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat het tweede middel van verzoekster aldus moet worden opgevat dat het betrekking heeft op een beoordelingsfout en niet op een kennelijke beoordelingsfout. De Raad beschikt namelijk weliswaar over een zekere beoordelingsbevoegdheid om per geval te bepalen of is voldaan aan de juridische criteria waarop de betrokken beperkende maatregelen zijn gebaseerd, doch dit neemt niet weg dat de rechterlijke instanties van de Unie de rechtmatigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig moeten toetsen (zie arrest van 15 november 2023, OT/Raad,T‑193/22, EU:T:2023:716, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 De doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) vereist met name dat de Unierechter zich ervan vergewist dat een besluit waarbij beperkende maatregelen zijn vastgesteld of gehandhaafd, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon of entiteit, berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dat betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119, en 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punt 62).
50 Bij die beoordeling moeten de bewijzen en de informatie niet afzonderlijk maar in hun context worden onderzocht. De Raad voldoet namelijk aan de op hem rustende bewijslast indien hij de Unierechter een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan het bestaan van een toereikend verband tussen de persoon of de entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren en het regime of, in het algemeen, de bestreden situaties kan worden vastgesteld (zie arrest van 20 juli 2017, Badica en Kardiam/Raad, T‑619/15, EU:T:2017:532, punt 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest van 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punten 63 en 66).
51 Het staat aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon of entiteit in aanmerking genomen redenen gegrond zijn en niet aan laatstbedoelde om het negatief bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn. Daartoe is niet vereist dat de Raad voor de Unierechter alle informatie en al het bewijs overlegt dat verband houdt met de redenen die zijn aangevoerd in de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevraagd. Het is van belang dat de overgelegde informatie en bewijzen de tegen de betrokken persoon of entiteit in aanmerking genomen redenen staven (arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 121 en 122, en 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punten 66 en 67; zie ook arrest van 1 juni 2022, Prigozhin/Raad, T‑723/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:317, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 In die hypothese dient de Unierechter na te gaan of de aangevoerde feiten materieel juist zijn gelet op die informatie en dat bewijs, en de bewijswaarde daarvan te beoordelen aan de hand van de omstandigheden van het geval en in het licht van de mogelijk daarover ingediende opmerkingen, met name die van de betrokken persoon of entiteit (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 124).
53 Wat meer bepaald de toetsing betreft van de rechtmatigheid van de handelingen tot handhaving van de naam van de betrokkene op de litigieuze lijsten, zij eraan herinnerd dat beperkende maatregelen bewarend en, per definitie, voorlopig van aard zijn; hun geldigheid hangt altijd af van de vraag of de feitelijke en juridische omstandigheden die tot de vaststelling ervan hebben geleid, blijven voortbestaan, en of voor de verwezenlijking van het nagestreefde doel de handhaving van deze maatregel vereist is. Het staat dus aan de Raad om bij de periodieke heroverweging van deze maatregelen een geactualiseerde beoordeling van de situatie uit te voeren en een balans op te maken van het effect van dergelijke maatregelen, teneinde te bepalen of deze de door de initiële plaatsing van de namen van de betrokken personen en entiteiten op de litigieuze lijsten beoogde doelstellingen hebben kunnen verwezenlijken en of met betrekking tot deze personen en entiteiten nog steeds dezelfde conclusie kan worden getrokken (zie arrest van 27 april 2022, Ilunga Luyoyo/Raad,T‑108/21, EU:T:2022:253, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest van 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punt 67).
54 Hieruit volgt dat het de Raad niet verboden is om zich ter rechtvaardiging van de handhaving van de naam van een persoon op een lijst van personen en entiteiten waarvoor beperkende maatregelen gelden, te baseren op dezelfde bewijzen als die welke de aanvankelijke plaatsing, de hernieuwde plaatsing of de eerdere handhaving van de naam van die persoon op die lijst rechtvaardigden, mits om te beginnen de redenen voor de plaatsing ongewijzigd blijven en voorts de context niet zodanig is gewijzigd dat die bewijzen achterhaald zijn geworden (zie in die zin arrest van 23 september 2020, Kaddour/Raad,T‑510/18, EU:T:2020:436, punt 99). In dit verband houdt de wijziging van de context in dat rekening wordt gehouden met, ten eerste, de situatie in het land ten aanzien waarvan het stelsel van beperkende maatregelen is ingevoerd alsmede de specifieke situatie van de betrokken persoon (arrest van 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punt 78; zie ook in die zin arrest van 23 september 2020, Kaddour/Raad,T‑510/18, EU:T:2020:436, punt 101) en, ten tweede, alle relevante omstandigheden en met name het verwezenlijken van de met de beperkende maatregelen beoogde doelstellingen (arrest van 27 april 2022, Ilunga Luyoyo/Raad,T‑108/21, EU:T:2022:253, punt 56; zie in die zin en naar analogie ook arrest van 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad,T‑163/18, EU:T:2020:57, punten 82‑84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat verzoeksters naam op de litigieuze lijsten is geplaatst op grond van het criterium van artikel 2, lid 1, onder f), van gewijzigd besluit 2014/145, dat onder meer ziet op rechtspersonen, entiteiten of lichamen die materiële of financiële steun verlenen aan de regering van de Russische Federatie (hierna: „criterium van materiële of financiële steun aan de regering”).
56 Het doel van de beperkende maatregelen is een zo groot mogelijke druk op de Russische autoriteiten uit te oefenen opdat deze een einde maken aan hun acties en beleid waarmee Oekraïne wordt gedestabiliseerd en aan de militaire agressie tegen dat land (zie in die zin en naar analogie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad,T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 163 en aldaar aangehaalde rechtspraak), met name door de prijs te verhogen van de acties van de Russische Federatie die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Rosneft e.a./Raad, T‑715/14, niet gepubliceerd, EU:T:2018:544, punt 157).
57 Daarbij moet worden onderstreept dat het criterium van materiële of financiële steun aan de regering niet vereist dat de betrokken personen of entiteiten steun verlenen die direct of indirect verband houdt met de annexatie van de Krim of de destabilisatie van Oekraïne. Materiële of financiële steun in de zin van dit criterium moet immers worden opgevat als elke steun die door het kwantitatieve of kwalitatieve belang ervan die regering middelen of materiële of financiële faciliteiten kan verschaffen die haar in staat stellen haar acties ter destabilisatie van Oekraïne voort te zetten (zie naar analogie arrest van 7 april 2016, Central Bank of Iran/Raad,C‑266/15 P, EU:C:2016:208, punt 44).
58 In het licht van deze beginselen moet worden nagegaan of de Raad een beoordelingsfout heeft gemaakt door te beslissen verzoeksters naam op de litigieuze lijsten te plaatsen en te handhaven op basis van het criterium van materiële of financiële steun aan de regering.
b) Gegevens in de bewijsdossiers van de Raad
59 In casu heeft de Raad ter rechtvaardiging van de plaatsing en de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten drie bewijsdossiers overgelegd.
60 Om de aanvankelijke plaatsing van verzoekster op de litigieuze lijsten te rechtvaardigen heeft de Raad het eerste bewijsdossier overgelegd, dat openbaar toegankelijke informatie bevat, namelijk links naar websites, screenshots en informatieartikelen. Het betreft met name het volgende: – een screenshot van een presentatiepagina van verzoekster op haar website, geraadpleegd op 29 april 2022 (stuk nr. 1); – een screenshot van een andere presentatiepagina van verzoekster op haar website, geraadpleegd op 12 mei 2022 (stuk nr. 2); – een kopie van een technische nota getiteld „Evaluatieprogramma voor de financiële sector van de Russische Federatie, financiële structuur”, gepubliceerd in juli 2016, beschikbaar op de website „worldbank.org”, geraadpleegd op 12 mei 2022 (stuk nr. 7); – een kopie van een verslag van de financiële prestaties van verzoekster in het tweede kwartaal van 2021, dat op 2 september 2021 is gepubliceerd op de website van de Vereniging van Euraziatische centrale effectenbewaarinstellingen, geraadpleegd op 12 mei 2022 (stuk nr. 8); – een bericht getiteld „Rusland heeft coupons betaald op zeven obligatie-emissies van de OFZ – ministerie van Financiën”, op 31 maart 2022 gepubliceerd op de nieuwssite „reuters.com” en geraadpleegd op 2 mei 2022 (stuk nr. 11).
61 Om te rechtvaardigen dat verzoeksters plaatsing op de litigieuze lijsten bij de handhavingshandelingen van maart 2023 is gehandhaafd, heeft de Raad zich tevens gebaseerd op de bewijzen die zijn overgelegd in het tweede bewijsdossier, dat eveneens publiek toegankelijke informatie bevat, te weten links naar websites, screenshots en informatieartikelen. Het gaat met name om het volgende: – een uittreksel uit het jaarverslag 2021 van de beurs van Moskou (hierna: „MOEX”), gepubliceerd op 4 maart 2022, beschikbaar op de website van die onderneming, geraadpleegd op 22 november 2022 (stuk nr. 2); – een persbericht over verzoeksters financiële beoordeling, op 15 november 2022 gepubliceerd op haar website en op 22 november 2022 geraadpleegd (stuk nr. 3); – een bericht getiteld „Het ministerie van Financiën heeft 4,9 miljard roebel overgemaakt aan NSD om de coupons op de euro-obligaties Rusland-2042 te betalen”, op 5 oktober 2022 gepubliceerd op de nieuwssite „interfax.ru”, geraadpleegd op 25 november 2022 (stuk nr. 5); – een artikel getiteld „Het ministerie van Financiën heeft coupons in roebels betaald voor twee emissies van euro-obligaties”, gepubliceerd op 16 september 2022 op de nieuwssite „ria.ru”, geraadpleegd op 17 november 2022 (stuk nr. 8); – een artikel getiteld „Het ministerie van Financiën betaalde in roebels de coupons op euro-obligaties die in 2035 vervallen”, gepubliceerd op 29 september 2022 op de nieuwssite „ria.ru”, geraadpleegd op 17 november 2022 (stuk nr. 9); – een screenshot van een publicatie op de officiële internetpagina van de Russische minister van Financiën over het succes van de betaling van coupons op euro-obligaties, geraadpleegd op 25 november 2022 (stuk nr. 10).
62 In casu zijn de redenen voor verzoeksters plaatsing en handhaving op de litigieuze lijsten niet gewijzigd, en hoeft dus geen onderscheid te worden gemaakt tussen de oorspronkelijke handelingen enerzijds en de handhavingshandelingen van maart 2023 en september 2023 anderzijds, aangezien de controle van de gegevens in de motivering en in de bewijsstukken, die zijn opgenomen in de bewijsdossiers, in wezen betrekking heeft op dezelfde feitelijke omstandigheden.
c) Bewijzen die als bijlage bij de memories van de Raad zijn gevoegd
63 Ter terechtzitting heeft verzoekster betoogd dat de door de Raad overgelegde bewijzen die als bijlagen bij het verweerschrift en de dupliek zijn gevoegd, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
64 Wat in de eerste plaats de bij de dupliek gevoegde bewijzen betreft, stelt verzoekster dat deze in strijd met artikel 85, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering te laat zijn overgelegd.
65 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 85, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het bewijs en de bewijsaanbiedingen worden overgelegd in het kader van de eerste memoriewisseling. Lid 2 van dat artikel voegt daaraan toe dat de hoofdpartijen in de repliek en in de dupliek nog bewijs kunnen overleggen of kunnen aanbieden om hun stellingen nader te bewijzen, mits de vertraging waarmee dit geschiedt, wordt gerechtvaardigd.
66 Voorts moet artikel 85, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden gelezen in het licht van artikel 92, lid 7, ervan, dat uitdrukkelijk bepaalt dat het tegenbewijs vrij staat en nadere bewijsaanbiedingen zijn toegelaten. Bijgevolg is volgens vaste rechtspraak de vervalregel van artikel 85, lid 2, van dit Reglement niet van toepassing op tegenbewijs en op nadere bewijsaanbiedingen na tegenbewijs van de tegenpartij (arresten van 18 september 2017, Uganda Commercial Impex/Raad, T‑107/15 en T‑347/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:628, punt 72, en 13 september 2023, ITD en Danske Fragtmænd/Commissie, T‑525/20, EU:T:2023:542, punt 78).
67 In casu blijkt uit de dupliek dat de bijlagen D.1 tot en met D.6 daarbij bewijzen zijn van het belang van de centrale effectenbewaarinstellingen (central securities depositories; hierna: „CSD’s”) en van verzoekster voor de goede werking van het financiële stelsel. Er zij op gewezen dat de Raad deze bewijzen heeft overgelegd als antwoord op de argumenten die verzoekster in haar repliek had aangevoerd ter betwisting van de betrouwbaarheid van de in het verweerschrift verstrekte informatie.
68 Bijlage D.7 bij de dupliek betreft de systeemrelevante betalingssystemen en is door de Raad overgelegd als antwoord op het door verzoekster in haar repliek aangevoerde argument waarmee zij betwist dat zij de Russische regering bevoordeelde in haar hoedanigheid van exploitant van een systeemrelevant betalingssysteem.
69 De bijlagen D.8 en D.9 bij de dupliek, die de centrale bank van de Russische Federatie betreffen, zijn bedoeld als reactie op de in de repliek aangevoerde argumenten dat die instelling onafhankelijk is van de Russische federale autoriteiten. Bijlage D.10 bij de dupliek, betreffende de Russische Sberbank, is overgelegd in antwoord op het betoog in de repliek dat deze financiële instelling onafhankelijk is van de Russische regering. De bijlagen D.11 en D.12 bij de dupliek betreffen de VEB.RF en beogen te antwoorden op het betoog in de repliek dat deze financiële instelling haar activa onafhankelijk beheert.
70 Aldus moet worden geoordeeld dat de bijlagen bij de dupliek tot doel hebben de door verzoekster in de repliek aangevoerde argumenten of bewijzen te weerleggen, en dus tegenbewijs in de zin van artikel 92, lid 7, van het Reglement voor de procesvoering vormen.
71 Bijgevolg zijn de bijlagen bij de dupliek ontvankelijk.
72 In de tweede plaats stelt verzoekster dat het Gerecht geen rekening mag houden met de bewijzen die bij het verweerschrift en de dupliek zijn gevoegd, omdat deze niet in het eerste bewijsdossier voorkwamen.
73 Volgens vaste rechtspraak moet de wettigheid van een handeling van de Unie worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de juridische situatie op de datum waarop die handeling werd vastgesteld (arresten van 3 september 2015, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Commissie,C‑398/13 P, EU:C:2015:535, punt 22, en 8 maart 2023, Prigozhina/Raad, T‑212/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:104, punt 80).
74 Tevens zij eraan herinnerd dat het door het Gerecht uit te oefenen toezicht op de rechtmatigheid ten gronde met name bij geschillen over beperkende maatregelen moet plaatsvinden in het licht van niet alleen de gegevens in de motiveringen van de litigieuze handelingen, maar ook van die welke de Raad in geval van betwisting aan het Gerecht verstrekt om aan te tonen dat de in die motiveringen aangevoerde feiten gegrond zijn (arrest van 22 april 2021, Raad/PKK,C‑46/19 P, EU:C:2021:316, punt 64).
75 Zoals verzoekster opmerkt, had het Gerecht in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 1 juni 2022, Prigozhin/Raad (T‑723/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:317), inderdaad geoordeeld dat de Raad ten tijde van de vaststelling van de litigieuze handelingen over gegevens moest beschikken om de gegrondheid van de in de motivering aangevoerde feiten aan te tonen (punt 52 van dat arrest). Daarmee heeft het Gerecht echter niet elke mogelijkheid willen uitsluiten om bij de rechtmatigheidstoetsing van de bestreden handelingen rekening te houden met aanvullende bewijzen die niet in het bewijsdossier voorkwamen en die zijn overgelegd ter bevestiging van de gegrondheid van de in de motivering voor plaatsing op de lijsten aangevoerde feiten, wanneer die bewijzen ten eerste de gegevens bevestigen waarover de Raad beschikte en ten tweede betrekking hebben op feiten van vóór de vaststelling van de betrokken bestreden handelingen.
76 Wat in casu de bijlagen B.1 tot en met B.6 bij het verweerschrift betreft – namelijk de biografische gegevens van bepaalde leden van de raad van bestuur van MOEX – moet worden opgemerkt dat verschillende gegevens betrekking hebben op personen die ten tijde van de vaststelling van de oorspronkelijke handelingen geen lid van de raad van bestuur waren. Bijgevolg kunnen de in de bijlagen B.1 tot en met B.6 bij het verweerschrift overgelegde bewijzen niet in aanmerking worden genomen om de gegrondheid van de oorspronkelijke handelingen na te gaan.
77 De bijlagen bij de dupliek zijn, zoals uit de punten 67 tot en met 69 hierboven blijkt, door de Raad overgelegd niet om de gegrondheid te staven van de bij de redenen voor de plaatsing aangevoerde feiten, maar om te antwoorden op de argumenten die verzoekster in haar repliek had aangevoerd. Aangezien het niet gaat om bewijzen die zijn overgelegd om de gegrondheid van de bij de redenen voor de plaatsing uiteengezette feiten te staven, zijn de in de punten 73 tot en met 75 hierboven genoemde beginselen niet van toepassing. Bijgevolg kan het Gerecht in de onderhavige zaak rekening houden met de in het stadium van de dupliek overgelegde bewijzen om de gegrondheid van verzoeksters stellingen te controleren.
d) Eerste onderdeel van het tweede middel: verzoekster stelt de regering niet in staat haar middelen te ontplooien
78 Verzoekster betoogt dat de bewering dat zij de enige effectenbewaarinstelling in Rusland is met toegang tot het internationale financiële stelsel onjuist is, aangezien andere effectenbewaarinstellingen in Rusland effectenrekeningen aanhouden bij internationale CSD’s.
79 Verzoekster geeft aan dat zij als CSD in de zin van het Russische recht deel uitmaakt van de internationale keten van de effectenhandel en betrokken is bij de exploitatie, bewaring, afwikkeling en betaling van diverse effecten. Zij stelt dat het grootste deel van haar activiteiten als CSD gericht is op particuliere marktdeelnemers en niet op de Russische regering. Wat de door het Russische ministerie van Financiën uitgegeven obligaties betreft, voert zij aan dat zij slechts één van de vele financiële instellingen is die aan obligatie-uitgiften deelnemen. Ook preciseert verzoekster dat zij als CSD uitsluitend handelt voor rekening en in opdracht van klanten en dat zij haar eigen activa niet plaatst op haar rekeningen bij buitenlandse CSD’s, die zij slechts op fiduciaire basis voor rekening van haar klanten aanhoudt. Zij stelt tevens dat, als CSD, haar betrekkingen met entiteiten die aan de Russische regering zijn verbonden, zakelijke betrekkingen zijn die niet te onderscheiden zijn van haar betrekkingen met haar andere klanten uit de openbare en particuliere sector. Zij betwist dan ook dat haar betrekkingen met de aan de Russische regering verbonden entiteiten worden beschouwd als materiële of financiële steun aan die regering. Verder betoogt verzoekster in haar opmerkingen over de memorie in interventie van de Commissie dat het Russische ministerie van Financiën obligaties kan uitgeven zonder een beroep te doen op haar diensten.
80 Bovendien betwist verzoekster het belang van het door haar beheerde betalingssysteem en is zij van mening dat de Raad hoe dan ook niet heeft aangetoond dat het beheren van een betalingssysteem van nationaal en systemisch belang inhield dat de Russische regering in staat werd gesteld haar activiteiten, beleid en middelen te ontplooien. Zij stelt in dit verband dat, in haar hoedanigheid van beheerder van een betalingssysteem, haar betrekkingen met de aan de Russische regering verbonden entiteiten plaatsvinden onder mededingingsvoorwaarden, zodat het verrichten van diensten in die hoedanigheid niet gelijkstaat met materiële of financiële steun aan die regering. Ook merkt zij op dat de doelstelling om de werking van de Russische economie te ondermijnen niet is bereikt, aangezien er talrijke andere belangrijke betalingssystemen zijn die dezelfde functies kunnen vervullen.
81 De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist dit betoog.
82 In de eerste plaats moet worden nagegaan of de Raad een beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat verzoekster een systeemrelevante financiële instelling was die een essentiële rol speelde in de werking van het Russische financiële stelsel.
83 In dit verband blijkt uit stuk nr. 1 van het eerste bewijsdossier dat verzoekster wordt beschouwd als „een wezenlijk onderdeel van de Russische financiële infrastructuur”. In stuk nr. 2 van dat dossier beschouwt de centrale bank van de Russische Federatie verzoekster als een „systeemrelevante financiële marktinfrastructuur: een systeemrelevante centrale effectenbewaarinstelling, een afwikkelingsbewaarinstelling, een transactieregister en een register van financiële transacties”. In stuk nr. 2 van het eerste bewijsdossier wordt gepreciseerd dat het door verzoekster geëxploiteerde betalingssysteem van systemisch en nationaal belang is. In dit bewijsstuk wordt ook verwezen naar haar banden met het internationale financiële stelsel, aangezien zij wordt voorgesteld als houdster van effectenrekeningen bij andere CSD’s en internationale CSD’s in acht landen, van rekeningen bij buitenlandse depositobanken en van correspondentrekeningen bij grote buitenlandse en Russische banken. Bovendien bedroeg volgens stuk nr. 2 van het eerste bewijsdossier in 2020 de waarde van de activa waarvan de effecten door verzoekster werden bewaard, 63,6 biljoen roebel (ongeveer 636 miljard EUR).
84 Daarnaast wordt in stuk nr. 7 van het eerste bewijsdossier ook verwezen naar verzoeksters banden met het internationale financiële systeem, en bevestigt stuk nr. 8 van dat dossier de omvang van de activa waarvan de effecten bij haar worden bewaard, die in het tweede trimester van 2020 het bedrag van 69,5 biljoen roebel (695 miljard euro) hadden bereikt.
85 Derhalve moet worden geconstateerd dat de Raad van bij de vaststelling van de oorspronkelijke handelingen over een toereikende feitelijke grondslag beschikte om te oordelen dat verzoekster een belangrijke financiële instelling voor het Russische financiële systeem was die banden had met het internationale financiële stelsel.
86 Bovendien bevestigt stuk nr. 3 van het tweede bewijsdossier verzoeksters belang voor het Russische financiële stelsel ten tijde van de vaststelling van de handhavingshandelingen van maart 2023 en september 2023, aangezien zij daarin wordt omschreven als een CSD van „cruciaal belang” die een „uitzonderlijke rol [speelt] op de Russische markt voor financiële diensten om de goede werking van de marktinfrastructuur te verzekeren”.
87 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door verzoeksters argumenten.
88 In de eerste plaats betwist verzoekster het belang van CSD’s in het financiële stelsel en hun banden met de regeringen. Uit de preciseringen door de Raad in zijn memories en die van de Commissie ter terechtzitting blijkt echter dat CSD’s worden beschouwd als systeemrelevante entiteiten die met name van essentieel belang zijn voor de effectieve uitvoering van het monetair beleid, de geloofwaardigheid van een programma voor het beheer van de overheidsschuld, het beheer van garanties en de veiligheid en efficiëntie van de effectenmarkten. Verzoeksters beweringen worden niet alleen weersproken door de werkdocumenten van het Internationaal Monetair Fonds (bijlage D.1 bij de dupliek) maar ook door de informatie van de Bundesbank (Duitse federale bank) (bijlage D.3 bij de dupliek) en de Banka Slovenije (centrale bank van Slovenië) (bijlage D.4 bij de dupliek). Vastgesteld moet worden dat verzoekster niets heeft aangevoerd dat de betrouwbaarheid van deze informatie in twijfel kan trekken.
89 Wat in de tweede plaats het betoog betreft waarmee verzoekster het belang betwist van het door haar geëxploiteerde betalingssysteem, moet worden opgemerkt dat zij geen enkel bewijs heeft aangedragen dat haar stelling kan onderbouwen dat haar betalingssysteem in wezen uitsluitend als systeemrelevant is erkend omdat zij betalingstransacties verwerkt die in het kader van georganiseerde handel worden verricht. Zoals de Raad terecht opmerkt, bevat het door verzoekster aangehaalde artikel 22, punt 1, van Russische federale wet nr. 161-FZ van 27 juni 2011 betreffende het nationale betalingssysteem immers de criteria om een betalingssysteem als systeemrelevant aan te wijzen, en staat daarin niet dat verzoekster als zodanig is aangewezen op basis van het criterium inzake de verwerking van transacties in het kader van georganiseerde handel. Bovendien is verzoeksters betalingssysteem, anders dan zij beweert, niet van nationaal belang geacht louter omdat de IT-infrastructuur die zij gebruikte, zich in Rusland bevond. Het is juist dat volgens artikel 22, lid 13, van die wet, gelezen in samenhang met de door verzoekster aan het dossier toegevoegde nota van de centrale bank van de Russische Federatie van 25 juli 2014 betreffende vereisten voor informatietechnologie die wordt gebruikt door exploitanten die betalingsdiensten exploiteren met het oog op de erkenning als betalingssysteem van nationaal belang, een van de criteria om als instelling van nationaal belang te worden erkend verband houdt met het vereiste dat de IT-infrastructuur zich in Rusland bevindt. Deze bepaling vereist echter ook dat aan een ander criterium wordt voldaan, namelijk dat wordt aangetoond dat de Russische Federatie, de centrale bank van de Russische Federatie of burgers van de Russische Federatie direct of indirect zeggenschap hebben over de exploitant van het betalingssysteem en de exploitanten van betalingsinfrastructuurdiensten. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat noch de Russische federale wet nr. 161-FZ van 27 juni 2011 betreffende het nationale betalingssysteem noch bovengenoemde nota van de centrale bank van de Russische Federatie kan afdoen aan het belang van het door verzoekster geëxploiteerde betalingssysteem of aan het feit dat het om een systeemrelevante financiële instelling in Rusland gaat. Overigens blijkt uit bijlage C.6 bij de repliek dat verzoeksters betalingssysteem onder meer door de centrale bank van de Russische Federatie wordt gebruikt bij de herfinanciering van kredietinstellingen of bij de „open market”-transacties (open markttransacties) die het mogelijk maken liquide middelen op de markt te verstrekken of te beheren. Bijgevolg kan verzoekster niet stellen dat het door haar geëxploiteerde betalingssysteem irrelevant is, aangezien het onder meer wordt gebruikt voor de tenuitvoerlegging van het Russische monetair beleid.
90 Wat verzoeksters argument betreft dat de doelstelling om de werking van de Russische economie te ondermijnen niet is bereikt, met name omdat er 54 andere betalingssystemen zijn die dezelfde functies kunnen vervullen als het betalingssysteem dat zij exploiteert, moet worden opgemerkt dat zij geen enkel bewijs van het bestaan van deze andere betalingssystemen aanvoert, noch enig element waaruit kan worden afgeleid dat het om systeemrelevante betalingssystemen gaat. Bovendien kan het vermeende feit dat de beperkende maatregelen hun doel niet hebben bereikt, niet afdoen aan de vaststelling dat verzoekster een systeemrelevant betalingssysteem exploiteert. Dat gegeven staat los van het systeembelang van dat betalingssysteem.
91 Ten derde betwist verzoekster niet dat zij banden heeft met het internationale financiële stelsel, maar betoogt zij dat ook andere Russische effectenbewaarinstellingen toegang hebben tot het internationale financiële stelsel. Zij merkt in het bijzonder op dat twee andere financiële instellingen rechtstreeks bij Euroclear effectenrekeningen aanhouden. Zij voert dan ook aan dat de Raad een beoordelingsfout heeft gemaakt door bij de redenen voor de plaatsing te stellen dat zij de enige Russische depositaris is die toegang heeft tot het internationale financiële stelsel. In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoeksters plaatsing op de litigieuze lijsten wordt gerechtvaardigd door haar rol in de werking van het Russische financiële stelsel, in het bijzonder als centrale effectenbewaarinstelling, en door haar banden met het internationale financiële stelsel. Gesteld al dat de Raad een fout zou hebben gemaakt door te verklaren dat verzoekster de enige effectenbewaarnemer in Rusland was met banden met het internationale financiële stelsel, kan een dergelijke fout op zich dus niet afdoen aan de rechtmatigheid van de bestreden handelingen. De omstandigheid dat er andere effectenbewaarinstellingen kunnen zijn die toegang hebben tot het internationale financiële stelsel, doet immers geen afbreuk aan de vaststelling dat verzoekster de enige centrale effectenbewaarinstelling in Rusland was en dat zij een essentiële rol speelde in de werking van het Russische financiële stelsel.
92 Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat de Raad een beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat zij een systeemrelevante financiële instelling is die een essentiële rol speelt in de werking van het Russische financiële stelsel.
93 In de tweede plaats moet worden nagegaan of de Raad, rekening houdend met verzoeksters belangrijke rol in het Russische financiële stelsel, ten onrechte heeft geconstateerd dat zij de regering van de Russische Federatie direct of indirect in staat stelde haar activiteiten, beleid en middelen te ontplooien.
94 Ten eerste blijkt uit stuk nr. 2 van het eerste bewijsdossier dat de door het Russische ministerie van Financiën uitgegeven obligaties in 2020 een aandeel vertegenwoordigden van 22 % van alle door verzoekster bewaarde activa, wat overeenkwam met een bedrag van ongeveer 12,72 biljoen roebel (ongeveer 127,2 miljard EUR). Volgens stuk nr. 8 van dat bewijsdossier is de waarde van het saldo van de door verzoekster bewaarde federale obligaties in het tweede trimester van 2021 gestegen tot 15,2 biljoen roebel (ongeveer 152 miljard EUR). Bovendien beheert verzoekster de federale obligaties, aangezien zij blijkens stuk nr. 11 van het eerste bewijsdossier betalingen van het Russische ministerie van Financiën ontvangt om de betaling van de rente aan de schuldeisers van de federale obligaties te verzekeren.
95 Wat de oorspronkelijke handelingen betreft, beschikte de Raad met het eerste bewijsdossier dus over een toereikende feitelijke grondslag om vast te stellen dat verzoekster, door de diensten die zij als CSD aan de Russische regering verleende bij de uitgifte, de bewaring en het beheer van federale obligaties, die regering in staat stelde haar activiteiten, beleid en middelen te ontplooien.
96 Deze conclusie is bevestigd in de fase van vaststelling van de handhavingshandelingen van maart 2023 en september 2023. Uit stuk nr. 2 van het tweede bewijsdossier blijkt namelijk dat de waarde van het saldo van de door verzoekster bewaarde federale obligaties eind 2021 15,5 biljoen roebel (ongeveer 155 miljard EUR) bedroeg. Bovendien bevat het tweede bewijsdossier stukken die wijzen op bedragen van meerdere miljarden roebels die het Russische ministerie van Financiën aan verzoekster heeft overgedragen om de coupons op bepaalde obligaties, met name op de euro-obligaties „Rusland-2042” (stuk nr. 5) alsmede op euro-obligaties met een looptijd tot 2023 en 2043 (stuk nr. 8), 2035 (stuk nr. 9), en 2027 en 2032 (stuk nr. 10), te betalen.
97 Verzoeksters argumenten kunnen niet afdoen aan deze conclusie.
98 Om te beginnen doet het feit dat verzoekster de door het Russische ministerie van Financiën uitgegeven obligaties niet voor eigen rekening koopt, maar enkel handelt voor rekening en in opdracht van klanten, anders dan zij beweert niet af aan de constatatie dat zij, door de financiële diensten die zij als CSD bij haar obligatie-uitgiften aan de Russische regering verleent, bijdraagt tot de geloofwaardigheid van het programma voor het beheer van de overheidsschuld, zoals de Raad en de Commissie terecht betogen. Door haar rol als financieel intermediair bij het behoud en beheer van federale obligaties stelt verzoekster de Russische regering dus in staat om financiële middelen bijeen te brengen. In dit verband mag niet uit het oog worden verloren dat verzoekster volgens stuk nr. 2 van het eerste bewijsdossier en stuk nr. 2 van het tweede bewijsdossier een kwantitatief aanzienlijk bedrag aan federale obligaties bewaart en beheert, waarvan zij voor rekening van de Russische regering de integriteit en de uitbetaling van de coupons aan de schuldeisers verzekert.
99 Vervolgens is het juist dat verzoekster bij de obligatie-uitgiften van het Russische ministerie van Financiën aan deze uitgiften deelneemt naast andere financiële instellingen en internationale advocatenkantoren, maar daarbij dient evenwel rekening te worden gehouden met de cruciale rol van de diensten die verzoekster bij het beheer van de staatsschuld van de Russische Federatie verleent. Zoals in punt 98 hierboven is opgemerkt, dragen het beheer van en het toezicht op de federale obligaties en verzoeksters betrokkenheid bij de betaling van de rente aan de schuldeisers immers bij tot de geloofwaardigheid van het programma voor het beheer van de overheidsschuld, waardoor zij zich onderscheidt van de andere financiële instellingen die betrokken zijn bij de uitgifte van federale obligaties. In dit verband moet worden vastgesteld dat het argument dat het Russische ministerie van Financiën obligaties kan uitgeven door gebruik te maken van de diensten van andere Russische effectenbewaarinstellingen of van buitenlandse effectenbewaarinstellingen, door geen enkel bewijs wordt gestaafd. Dit argument kan hoe dan ook niet slagen. Gesteld al dat de Russische regering een beroep kan doen op andere marktdeelnemers, dan nog doet dit enkele feit niet af aan het belang dat verzoekster in het kader van de uitgifte en het beheer van federale obligaties heeft verworven, aangezien zij eind 2021 meerdere biljoenen roebel – namelijk ongeveer 15,5 biljoen roebel (ongeveer 155 miljard EUR) – aan federale obligaties bewaarde in haar registers. Bovendien blijkt uit stuk nr. 2 van het eerste bewijsdossier dat de Russische regering in 2020 voor de uitgifte van federale obligaties gebruik heeft gemaakt van verzoeksters diensten voor een bedrag van 4,7 biljoen roebel (ongeveer 47 miljard EUR). Volgens stuk nr. 2 van het tweede bewijsdossier is het totaalbedrag van de door verzoekster bewaarde federale obligaties tussen 2020 en 2021 gestegen met 13,3 %. Dergelijke gegevens bevestigden het gewicht van de diensten die verzoekster de Russische regering heeft aangeboden in het kader van haar programma voor de uitgifte van overheidsschuldbewijzen. Voorts kan het feit dat verzoekster als CSD ook diensten aan particuliere ondernemingen heeft verleend, niet afdoen aan het feit dat de aan de regering bij het beheer van de overheidsschuld verleende diensten die regering in staat hebben gesteld haar middelen te ontplooien.
100 Wat ten slotte het betoog betreft dat verzoeksters betrekkingen met de aan de Russische regering verbonden entiteiten zakelijke handelsbetrekkingen vormen die vergelijkbaar zijn met die met haar particuliere klanten, moet worden opgemerkt dat dit feit op zich geen afbreuk kan doen aan het belang van de door verzoekster verleende diensten bij de uitgifte, de bewaring en het beheer van federale obligaties, aangezien dat feit losstaat van het gewicht van deze diensten. Bovendien heeft verzoekster volgens stuk nr. 11 van het eerste bewijsdossier in maart 2022 beleggers ervan in kennis gesteld dat buitenlandse houders van federale obligaties ingevolge een bevel van de centrale bank van de Russische Federatie niet langer couponbetalingen op die obligaties mochten ontvangen. Aangezien verzoekster zich moest schikken naar het bevel van de centrale bank, kon de Raad op het tijdstip van de vaststelling van de oorspronkelijke handelingen dus op goede gronden oordelen dat zij niet langer onder normale commerciële exploitatievoorwaarden opereerde. Er zij op gewezen dat verzoekster dit feit niet betwist, aangezien zij in haar opmerkingen over de memorie in interventie van de Commissie heeft bevestigd dat de centrale bank van de Russische Federatie op 28 februari 2022 een bindend bevel aan de effectenbewaarinstellingen had uitgevaardigd op grond waarvan deze tijdelijk transacties moesten opschorten die tot doel hadden effecten van Russische emittenten te debiteren van de effectenrekeningen van buitenlandse aangewezen houders of buitenlandse houders. Hieruit volgt dat verzoekster, vanaf haar uitvoering van het bevel van de centrale bank van de Russische Federatie van 28 februari 2022, niet meer op goede gronden kon stellen dat haar betrekkingen met de aan de Russische regering verbonden entiteiten zakelijke betrekkingen waren die vergelijkbaar waren met de betrekkingen met haar particuliere klanten.
101 Ten tweede moet worden opgemerkt dat de Russische federale schatkist volgens stuk nr. 8 van het eerste bewijsdossier verzoeksters Collateral Management System (zekerhedenbeheersysteem) heeft gebruikt om in 2021 liquide middelen te beleggen in repo-transacties voor een bedrag van 40,8 biljoen roebel (ongeveer 408 miljard EUR). Dit feit is ten tijde van de vaststelling van de handhavingshandelingen van maart 2023 bevestigd door stuk nr. 2 van het tweede bewijsdossier. In antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang heeft verzoekster bevestigd dat de Russische federale schatkist gebruikmaakte van haar zekerhedenbeheersysteem. Daarin heeft zij het voorbehoud gemaakt dat de door de Raad overgelegde stukken niet betrouwbaar waren. Het volstaat evenwel op te merken dat stuk nr. 2 van het tweede bewijsdossier een verslag van MOEX is, de vennootschap die meer dan 99 % van verzoeksters aandelen in handen heeft, zodat verzoekster niet kan stellen dat de informatie in dat verslag onbetrouwbaar is. Wat voorts de bewering betreft dat de Russische federale schatkist verzoeksters zekerhedenbeheersysteem onder zakelijke voorwaarden gebruikt die vergelijkbaar zijn met die welke voor particuliere klanten gelden, kan verzoekster zich om dezelfde redenen als die welke in punt 100 hierboven zijn uiteengezet, niet op een dergelijk feit beroepen om het belang van de diensten die zij aan de Russische regering verleent, te betwisten. Gelet op de omvang van de liquide middelen die de Russische federale schatkist met behulp van verzoeksters zekerhedenbeheersysteem heeft geplaatst, kon de Raad dus zonder een beoordelingsfout te maken oordelen dat verzoekster de Russische regering in staat stelde middelen te ontplooien.
102 Ten derde blijkt uit stuk nr. 8 van het eerste bewijsdossier en stuk nr. 2 van het tweede bewijsdossier ook dat de centrale bank van de Russische Federatie verzoeksters zekerhedenbeheersysteem in 2021 heeft gebruikt voor transacties ten bedrage van 2,3 biljoen roebel (ongeveer 23 miljard EUR). Bovendien worden in stuk nr. 8 van het eerste bewijsdossier de repo-transacties van de centrale bank van de Russische Federatie waarbij gebruik wordt gemaakt van verzoeksters financiële diensten, omschreven als transacties om de nationale economie te ondersteunen.
103 Zoals uit punt 89 hierboven blijkt, gebruikt de centrale bank van de Russische Federatie verzoeksters betalingssysteem trouwens ook om monetairebeleidstransacties te verrichten.
104 In navolging van hetgeen de Commissie in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft aangegeven, moet worden vastgesteld dat het liquiditeitsbeheer een belangrijk onderdeel van het monetair beleid is dat een invloed heeft op de prestaties van de Russische economie en dus indirect op de inkomsten van de Russische Federatie. Hieruit volgt dat de door verzoekster aan de centrale bank van de Russische Federatie verleende diensten op goede gronden konden worden geacht de Russische regering indirect in staat te stellen middelen te ontplooien.
105 Ten vierde helpt verzoekster, zoals de Raad terecht opmerkt, gezien haar belangrijke rol in het Russische financiële systeem die de financiële markten efficiënter maakt, investeringen naar Rusland aan te trekken, waardoor de economische groei wordt bevorderd en de Russische regering bijgevolg indirect in staat wordt gesteld haar middelen te ontplooien.
106 Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden geoordeeld dat de Raad geen beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat verzoekster de Russische regering in staat stelde haar activiteiten, beleid en middelen te ontplooien. Gelet op het belang van de door verzoekster verleende financiële diensten, zowel aan die regering als aan de centrale bank van de Russische Federatie, en op haar meer algemene bijdrage aan de goede werking van het Russische financiële stelsel, moet worden vastgesteld dat de Raad op goede gronden kon oordelen dat verzoekster in kwantitatief en kwalitatief opzicht aanzienlijke materiële of financiële steun verleende aan de regering van de Russische Federatie die deze laatste in staat stelde haar financiële middelen te ontplooien om haar acties ter destabilisatie van Oekraïne voort te zetten.
107 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.
e) Tweede onderdeel van het tweede middel: verzoekster staat niet onder controle van de Russische regering
108 Verzoekster betwist de vaststelling dat zij onder controle van de Russische regering staat. Zij betoogt dat MOEX en zijzelf afzonderlijke juridische entiteiten zijn en dat de Raad niet heeft aangetoond dat zij onder controle van MOEX stond. Bovendien stelt verzoekster dat die regering noch in rechte noch feitelijk controle over MOEX kan uitoefenen.
109 De Raad, daarin ondersteund door de Commissie, betwist dit betoog.
110 Opgemerkt zij dat het in artikel 2, lid 1, onder f), van gewijzigd besluit 2014/145 neergelegde criterium van materiële of financiële steun aan de regering niet vereist dat wordt aangetoond dat die regering controle uitoefent over de persoon, de entiteit of het lichaam die/dat haar steun verleent.
111 Aangezien uit het onderzoek van het eerste onderdeel blijkt dat de Raad over een toereikende feitelijke grondslag beschikte en geen beoordelingsfout heeft gemaakt door te bepalen dat verzoekster materiële of financiële steun verleende aan de regering van de Russische Federatie, vormt de vaststelling dat zij door die regering wordt gecontroleerd een bijkomend contextueel gegeven dat niet beslissend is om haar plaatsing op de litigieuze lijsten te rechtvaardigen.
112 Bijgevolg moeten verzoeksters argumenten ter betwisting van de geldigheid van deze vaststelling, als niet ter zake dienend worden afgewezen.
113 Derhalve dient het tweede onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen.
f) Derde onderdeel van het tweede middel: geen toereikende band tussen verzoekster en de Russische regering
114 Verzoekster betoogt in wezen dat de bestreden handelingen niet aantonen in welke zin de beperkende maatregelen waaraan zij is onderworpen, tegen de Russische Federatie zijn genomen.
115 De Raad, ondersteund door de Commissie, betwist dit betoog.
116 In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoekster op de litigieuze lijsten is geplaatst op basis van het criterium van materiële of financiële steun aan de regering bedoeld in artikel 2, lid 1, onder f), van gewijzigd besluit 2014/145. Uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het onderhavige middel volgt dat de Raad beschikte over een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen om haar plaatsing op die lijsten op basis van dat criterium te rechtvaardigen. Hieruit volgt dat de Raad een voldoende band tussen verzoekster en de Russische Federatie heeft aangetoond. Een bijkomende band die verder gaat dan de materiële of financiële steun waarin het jegens verzoekster toegepaste plaatsingscriterium voorziet, hoeft niet te worden aangetoond.
117 Derhalve dient het derde onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen.
118 Bijgevolg moeten het tweede middel en, gelet op de overwegingen in de punten 46 en 47 hierboven, het vierde middel in hun geheel worden afgewezen.
3. Derde middel: onevenredige schending van de grondrechten
119 Verzoekster betoogt dat de bestreden handelingen haar door de artikelen 16 en 17 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van ondernemerschap en recht op eigendom schenden. Zij meent dat de bestreden handelingen haar beletten vrijelijk een economische activiteit uit te oefenen en haar verplichtingen jegens haar klanten na te komen, waardoor haar vrijheid van ondernemerschap en haar eigendomsrecht worden aangetast.
120 Ook is zij van mening dat de bestreden handelingen de wezenlijke inhoud van haar door de artikelen 16 en 17 van het Handvest gewaarborgde rechten niet eerbiedigen. Zij meent verder dat de betrokken maatregelen passend noch noodzakelijk zijn voor de door de Raad nagestreefde doelstellingen, en dat de Raad niet heeft aangetoond dat de betrokken beperkende maatregelen de minst belastende wijze vormden om de nagestreefde doelstelling te bereiken noch dat minder belastende maatregelen hadden kunnen worden vastgesteld.
121 Bovendien houden de betrokken beperkende maatregelen volgens verzoekster onvoldoende verband met de nagestreefde doelstellingen, en kan niet worden aanvaard dat die maatregelen ondernemingen kunnen viseren die niet door de staat worden gecontroleerd op de enkele grond dat zij hun activiteiten in een belangrijke economische sector uitoefenen.
122 Verzoekster voert tevens aan dat de tegen haar vastgestelde maatregelen inbreuk maken op de grondrechten van haar klanten die daardoor niet kunnen beschikken over hun effecten die zij op fiduciaire basis in bewaring heeft op haar bevroren rekeningen bij in de Unie gevestigde effectenbewaarinstellingen.
123 De Raad, ondersteund door de Commissie, bestrijdt dit betoog.
124 Er zij aan herinnerd dat de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom zijn neergelegd in respectievelijk artikel 16 en artikel 17 van het Handvest.
125 Er zij ook aan herinnerd dat de door verzoekster ingeroepen grondrechten geen absolute gelding hebben en dat de uitoefening ervan aan beperkingen kan worden onderworpen die hun rechtvaardiging vinden in door de Unie nagestreefde doelstellingen van algemeen belang, mits deze beperkingen werkelijk beantwoorden aan doelstellingen van algemeen belang en gelet op het nagestreefde doel niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (arresten van 28 maart 2017, Rosneft,C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 148, en 25 juni 2020, VTB Bank/Raad, C‑729/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:499, punt 80).
126 Om in overeenstemming te zijn met het Unierecht moet een beperking van de grondrechten bij wet zijn gesteld, de wezenlijke inhoud van die grondrechten eerbiedigen, een doelstelling van algemeen belang nastreven en mag zij niet onevenredig zijn (zie arrest van 27 juli 2022, RT France/Raad,T‑125/22, EU:T:2022:483, punt 222 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
127 In het licht van deze overwegingen moet worden nagegaan of de bestreden handelingen een onevenredige inbreuk op de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom vormen.
128 In de eerste plaats moet het betoog worden onderzocht waarmee verzoekster aanvoert dat de tegen haar genomen beperkende maatregelen hebben geleid tot de bevriezing van de tegoeden of economische middelen van haar klanten ten belope van ongeveer 1,479 miljard EUR, en die maatregelen bijgevolg het eigendomsrecht van die klanten schenden.
129 In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoekster zich ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring niet kan beroepen op een eigendomsrecht waarvan zij geen houdster (zie in die zin arrest van 22 juni 2022, Anglo Austrian AAB en Belegging-MaatschappijFar-East/BCE, T‑797/19, waartegen een hogere voorziening aanhangig is, EU:T:2022:389, punt 285). Volgens de rechtspraak kan schending van een subjectief recht immers in beginsel slechts worden aangevoerd door de persoon wiens recht zou zijn geschonden, en niet door derden (zie naar analogie arrest van 19 september 2019, Zhejiang Jndia Pipeline Industry/Commissie,T‑228/17, EU:T:2019:619, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft erkend, beschikken haar klanten over rechtsmiddelen bij de nationale rechterlijke instanties, waar zij met name kunnen aanvoeren dat inbreuk is gemaakt op hun in artikel 17 van het Handvest neergelegde eigendomsrecht.
130 Wat voorts verzoeksters argument betreft dat de uitzondering waarin artikel 2, lid 15, van gewijzigd besluit 2014/145 en artikel 6 ter, lid 5, van gewijzigde verordening nr. 269/2014 voorzagen, haar klanten niet in staat heeft gesteld de ontdooiing van hun tegoeden of economische middelen te verkrijgen en dit wegens het stilzitten van de nationale autoriteiten of de té beperkende voorwaarden die deze autoriteiten hebben gesteld, moet worden opgemerkt dat verzoekster met dit argument in werkelijkheid niet de rechtmatigheid van die door de Raad vastgestelde afwijking betwist, maar de rechtmatigheid van de maatregelen die de nationale autoriteiten ter tenuitvoerlegging van die bepaling hebben genomen.
131 Er zij aan herinnerd dat het Gerecht volgens vaste rechtspraak in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, niet bevoegd is om de wettigheid van besluiten van nationale autoriteiten of van beslissingen van nationale rechterlijke instanties te toetsen (zie in die zin beschikkingen van 5 oktober 1983, Chatzidakis Nevas/Kas der juristen te Athene,142/83, EU:C:1983:267, punt 4, en 24 augustus 2010, Grúas Abril Asistencia/Commissie, T‑386/09, niet gepubliceerd, EU:T:2010:331, punt 28). Volgens vaste rechtspraak staat het immers enkel aan de bevoegde nationale rechters om de geldigheid van nationale maatregelen tot uitvoering van Uniehandelingen te controleren (zie in die zin arresten van 11 juli 1996, Branco/Commissie,T‑271/94, EU:T:1996:103, punt 53, en 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 268).
132 Verder zij eraan herinnerd dat wanneer de bevoegde nationale autoriteit een besluit neemt over een verzoek tot vrijgave van bevroren tegoeden in de zin van gewijzigd besluit 2014/145 en gewijzigde verordening nr. 269/2014, zij het recht van de Unie ten uitvoer brengt. Dit betekent dat zij bij de uitoefening van haar beoordelingsvrijheid het Handvest moet eerbiedigen, zoals bepaald in artikel 51, lid 1, ervan (zie in die zin arresten van 12 juni 2014, Peftiev,C‑314/13, EU:C:2014:1645, punt 24, en 14 april 2016, Ben Ali/Raad, T‑200/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:216, punt 266).
133 Hieruit volgt dat, voor verzoeksters klanten tegen wie geen beperkende maatregelen zijn genomen en van wie de tegoeden of economische middelen zijn bevroren als gevolg van de tegen verzoekster genomen beperkende maatregelen, de nationale autoriteiten bij de behandeling van een verzoek om vrijgave van die tegoeden of economische middelen moeten nagaan of de inmenging in het eigendomsrecht van die klanten voldoet aan de voorwaarden van artikel 52 van het Handvest.
134 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat verzoeksters vrijheid van ondernemerschap, alsmede haar eigendomsrecht met betrekking tot haar eigen tegoeden of economische middelen die zijn gedeponeerd bij in de Unie gevestigde financiële instellingen, worden beperkt door de beperkende maatregelen die op haar worden toegepast. Derhalve moet worden nagegaan of is voldaan aan de in punt 126 genoemde voorwaarden om een inmenging in haar grondrechten te rechtvaardigen.
135 Ten eerste moet worden vastgesteld dat de beperkende maatregelen in kwestie bij wet zijn vastgesteld, aangezien zij zijn neergelegd in handelingen die met name een algemene strekking hebben en een duidelijke rechtsgrondslag hebben in het Unierecht, te weten artikel 29 VEU respectievelijk artikel 215 VWEU.
136 Ten tweede zij eraan herinnerd dat de vastgestelde beperkende maatregelen tot gevolg hebben dat de eigen tegoeden of economische middelen van verzoekster bij wijze van voorzorgsmaatregel worden bevroren. Bovendien zijn de bestreden handelingen van toepassing voor zes maanden en worden zij voortdurend geëvalueerd, zoals is bepaald in artikel 6 van besluit 2014/145. Aangezien de maatregelen tijdelijk en omkeerbaar zijn, moet worden geoordeeld dat zij verzoeksters vrijheid van ondernemerschap en eigendomsrecht niet in de kern aantasten. Vastgesteld moet worden dat verzoekster geen onderbouwde argumenten heeft aangevoerd die deze conclusie in twijfel kunnen trekken.
137 Ten derde beantwoorden de betrokken beperkende maatregelen aan een als zodanig door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang, die aanzienlijke negatieve economische gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers kan rechtvaardigen (zie in die zin en naar analogie arrest van 28 maart 2017, Rosneft,C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 150). De maatregelen beogen namelijk druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten, zodat een einde komt aan hun acties en beleidsmaatregelen die Oekraïne destabiliseren. In dit kader heeft de Raad in februari 2022 de Russische economie strategisch willen verzwakken, door de financiering van de Russische Federatie en van haar regering en centrale bank te verbieden en door deze maatregelen met name toe te passen in de sectoren financiën, defensie en energie. Verder blijkt uit overweging 11 van besluit 2022/329 dat de Raad, gezien de ernst van de situatie in Oekraïne, van oordeel was dat de criteria voor plaatsing op de lijst moesten worden gewijzigd. De Unie tracht dus de inkomsten van de Russische Staat te verminderen en druk uit te oefenen op de Russische regering, zodat zij minder goed in staat is de acties te financieren die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en een einde aan die acties te maken teneinde de stabiliteit in Europa en de wereld te handhaven. Dit is een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als bedoeld in artikel 21, lid 2, onder b) en c), VEU, zoals handhaving van de vrede, voorkoming van conflicten en versterking van de internationale veiligheid.
138 Ten vierde moet worden nagegaan of de beperking van de vrijheid van ondernemerschap en het eigendomsrecht van verzoekster, wat haar eigen tegoeden of economische middelen betreft, evenredig is aan het met de beperkende maatregelen nagestreefde doel.
139 Wat om te beginnen de vraag betreft of de tegen verzoekster genomen beperkende maatregelen passend zijn, moet worden opgemerkt dat, aangezien de handhaving van de vrede en de internationale veiligheid als doelstellingen van algemeen belang zo fundamenteel zijn voor de internationale gemeenschap, die maatregelen als zodanig niet voor ongeschikt kunnen worden gehouden (zie in die zin en naar analogie arrest van 2 december 2020, Kalai/Raad, T‑178/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:580, punt 171 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 februari 2021, Boshab/Raad, T‑111/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:54, punt 150 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu kan verzoekster niet stellen dat de tegen haar genomen beperkende maatregelen ongeschikt zijn omdat zij geen toereikende banden hebben met het door de bestreden maatregelen nagestreefde doel in zoverre zij op de litigieuze lijsten is geplaatst op grond dat zij actief was in een belangrijke sector van de Russische economie. Aangezien het doel van de bestreden handelingen erin bestaat de inkomsten van de Russische Staat te verminderen en druk uit te oefenen op de Russische regering teneinde haar minder capabel te maken om haar acties te financieren die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, is de aanpak om de maatregelen te richten tegen marktdeelnemers zoals verzoekster die materiële of financiële steun verlenen aan de regering van de Russische Federatie, immers een logische manier om dit doel te verwezenlijken en kan die dus niet worden aangemerkt als ongeschikt voor het nagestreefde doel (zie naar analogie arrest van 28 maart 2017, Rosneft,C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 147).
140 Wat vervolgens de noodzakelijkheid van de beperkende maatregelen betreft, voert verzoekster weliswaar aan dat de nagestreefde doelstellingen met minder belastende alternatieve maatregelen hadden kunnen worden bereikt, maar moet niettemin worden geconstateerd dat zij geen enkele andere, minder belastende maatregel aanvoert en evenmin aantoont dat de Raad had kunnen overwegen minder belastende maatregelen vast te stellen die even geschikt zijn als die waarin de bestreden handelingen voorzien. Zoals de Raad opmerkt, is reeds geoordeeld dat de nagestreefde doelstelling niet even doeltreffend kon worden bereikt met alternatieve en minder dwingende maatregelen, zoals een stelsel van voorafgaande machtiging of een verplichting om a posteriori te verantwoorden waarvoor de uitgekeerde tegoeden zijn gebruikt, in het bijzonder gelet op de mogelijkheid om de opgelegde beperkingen te omzeilen (arresten van 30 november 2016, Rotenberg/Raad,T‑720/14, EU:T:2016:689, punt 182, en 1 juni 2022, Prigozhin/Raad, T‑723/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:317, punt 136).
141 Tot slot toont de afweging van de betrokken belangen aan dat de nadelen van de beperkende maatregelen voor verzoekster niet buitensporig groot zijn in verhouding tot het fundamentele belang van de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
142 Zoals de Raad en de Commissie hebben opgemerkt, beperken de gevolgen van de beperkende maatregelen zich immers tot het grondgebied van de Unie, zodat zij hooguit een gedeelte van verzoeksters eigen tegoeden of economische middelen betreffen en haar niet beletten haar activiteiten uit te oefenen in het land waar zij is gevestigd of in andere derde landen.
143 Ook moet worden vastgesteld dat de beperkende maatregelen verzoekster weliswaar beletten haar tegoeden of economische middelen te gebruiken, maar haar niet het recht ontnemen om overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder a), van besluit 2014/145 en artikel 7, lid 2, onder a), van verordening nr. 269/2014 de rente of andere inkomsten te innen van haar bevroren rekeningen waarop die tegoeden en middelen zijn gedeponeerd, voor zover ook al die interesten en andere inkomsten zouden zijn bevroren.
144 Bovendien voorzien de bestreden handelingen in uitzonderingen op grond waarvan de nationale autoriteiten toestemming kunnen geven om bepaalde tegoeden of economische middelen vrij te geven. Zo voorziet artikel 4, lid 1, van verordening nr. 269/2014 in de mogelijkheid om toe te staan dat bevroren tegoeden of economische middelen worden gebruikt om uitgaven te dekken voor de basisbehoeften van de natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die op de litigieuze lijsten zijn geplaatst, om in verband met de verlening van juridische diensten gemaakte kosten te vergoeden, om honoraria of kosten voor het aanhouden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen te betalen en om buitengewone lasten te betalen.
145 Ook voorzien artikel 2, lid 5, van besluit 2014/145 en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014 in de mogelijkheid om bepaalde bevroren eigen tegoeden of economische middelen van verzoekster vrij te geven om haar in staat te stellen een betaling te verrichten die verschuldigd is uit hoofde van een contract of overeenkomst die/dat is gesloten vóórdat zij op de litigieuze lijsten is geplaatst.
146 Bijgevolg kan de inmenging in de vrijheid van ondernemerschap en het eigendomsrecht van verzoekster niet als onevenredig worden beschouwd.
147 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door haar overige argumenten.
148 Wat in de eerste plaats het argument betreft dat de inbreuk op haar vrijheid van ondernemerschap in wezen des te groter is omdat zij zogenaamd haar contractuele verplichtingen jegens haar klanten niet heeft kunnen nakomen omdat de uitzonderingen haar niet in staat hebben gesteld hun effecten die zij op haar bevroren rekeningen aanhield, aan hen terug te geven, dienen achtereenvolgens de uitzondering in artikel 2, lid 5, van besluit 2014/145 en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014 en die in artikel 2, lid 19, van gewijzigd besluit 2014/145 en artikel 6 ter, lid 5, van gewijzigde verordening nr. 269/2014 te worden onderzocht.
149 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat volgens de uitzondering in artikel 2, lid 5, van besluit 2014/145, die van toepassing was op het tijdstip waarop de oorspronkelijke handelingen zijn vastgesteld, de bevriezing van tegoeden of economische middelen van een persoon, entiteit of lichaam niet belet dat die persoon, die entiteit of dat lichaam betalingen doet die verschuldigd zijn uit hoofde van een contract dat is gesloten vóór de datum waarop die persoon, die entiteit of dat lichaam op de lijst in de bijlage bij dat besluit is geplaatst, mits de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betaling niet rechtstreeks of onrechtstreeks wordt ontvangen door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam die/dat op die lijst staat.
150 Zo kunnen de nationale autoriteiten overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014 toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen van een persoon, entiteit of lichaam op voorwaarde dat wordt aangetoond dat, zoals blijkt uit punt a) van deze bepaling, die tegoeden of economische middelen zullen worden gebruikt voor een betaling door die persoon, die entiteit of dat lichaam, en dat, zoals blijkt uit punt b) ervan, de te verrichten betaling niet in strijd is met het in artikel 2, lid 2, van die verordening neergelegde verbod om rechtstreeks of onrechtstreeks tegoeden of economische middelen ter beschikking te stellen aan of ten behoeve van in de litigieuze lijsten vermelde personen, entiteiten of lichamen of met hen verbonden personen, entiteiten of lichamen.
151 Daarbij zij opgemerkt dat het begrip „tegoeden” in artikel 1, onder g), van verordening nr. 269/2014 ruim wordt gedefinieerd, aangezien het ziet op alle „financiële activa en voordelen van enigerlei aard”. Hetzelfde geldt voor het begrip „economische middelen”, dat in artikel 1, onder d), van dezelfde verordening wordt gedefinieerd als „activa van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend of onroerend, die geen tegoeden zijn, maar kunnen worden gebruikt om tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen”. Aangezien tegoeden of economische middelen kunnen worden vrijgegeven om een persoon, entiteit of lichaam in staat te stellen een „betaling” te verrichten op grond van een contract of overeenkomst die/dat vóór de plaatsing op de litigieuze lijsten met een derde is gesloten, moet het begrip „betaling” noodzakelijkerwijs ruim worden uitgelegd en kan het niet worden beperkt tot betalingen in de vorm van een overdracht van een geldsom. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, zou een restrictieve uitlegging van het begrip „betaling” immers in tegenspraak zijn met de mogelijkheid om ruim gedefinieerde tegoeden of economische middelen vrij te geven om een betaling te verrichten.
152 Hieruit volgt dat, op het tijdstip waarop de oorspronkelijke handelingen zijn vastgesteld, de in artikel 2, lid 5, van besluit 2014/145 en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014 vastgestelde uitzondering de nationale autoriteiten de mogelijkheid bood om de vrijgave toe te staan van tegoeden of economische middelen van verzoekster om haar in staat te stellen een betaling te verrichten in de vorm van een teruggave van de effecten van haar klanten die zij op haar bevroren rekeningen bij in de Unie gevestigde effectenbewaarinstellingen aanhield.
153 In het kader van de door verzoekster te verrichten transacties om de effecten van haar klanten overeenkomstig de in punt 152 hierboven genoemde uitzondering aan hen ter beschikking te stellen, verzet artikel 2, lid 2, van verordening nr. 269/2014 zich er niet tegen, anders dan de Raad en de Commissie stellen, dat die klanten verzoekster provisies of kosten betalen om die transacties uit te voeren. Artikel 7, lid 2, onder b), van verordening nr. 269/2014 voorziet immers uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor verzoekster om een betaling te ontvangen voor een dienst die wordt verleend in het kader van de uitvoering van een contract of overeenkomst die/dat vóór haar plaatsing op de litigieuze lijsten werd gesloten, op voorwaarde dat die betalingen van die klanten worden bevroren overeenkomstig artikel 2, lid 1, van die verordening.
154 Het is juist dat de door verzoekster te verrichten betaling volgens artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 269/2014 niet in strijd mag zijn met artikel 2, lid 2, ervan, te weten het verbod op het rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen aan of ten behoeve van de in bijlage I bij die verordening vermelde personen, entiteiten of lichamen of met hen verbonden personen, entiteiten of lichamen. Dit verbod ziet evenwel niet op betalingen die verzoeksters klanten aan haar kunnen doen als tegenprestatie voor de dienst die wordt verleend bij de teruggave van hun effecten in uitvoering van een contract of overeenkomst die/dat is gesloten vóórdat verzoekster op die lijst werd geplaatst. Het beoogt verzoekster te verbieden een betaling te verrichten – in dit geval een effect terug te geven – aan een persoon op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn. Zoals blijkt uit artikel 2, lid 5, van besluit 2014/145, in het licht waarvan artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 269/2014 moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 28 maart 2017, Rosneft,C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 141), heeft de voorwaarde in die bepaling van verordening nr. 269/2014 immers betrekking op de verplichting voor de nationale autoriteiten om zich ervan te vergewissen dat de door verzoekster verrichte betaling niet direct of indirect wordt ontvangen door een op de litigieuze lijsten geplaatste persoon, entiteit of lichaam.
155 Het betoog inzake het stilzitten van de nationale autoriteiten na verzoeksters verzoeken om de uitzondering van artikel 2, lid 5, van besluit 2014/145 en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014 toe te passen, kan niet slagen. Zoals in punt 131 hierboven in herinnering is gebracht, is het Gerecht in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU immers niet bevoegd om de rechtmatigheid te onderzoeken van handelingen die de nationale autoriteiten hebben vastgesteld ter uitvoering van het Unierecht.
156 Bovendien moet worden opgemerkt dat, vóórdat de handhavingshandelingen van maart 2023 zijn vastgesteld, via besluit (GBVB) 2022/1907 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2022, L 259 I, blz. 98) en verordening (EU) 2022/1905 van de Raad van 6 oktober 2022 tot wijziging van verordening nr. 269/2014 (PB 2022, L 259 I, blz. 76), een uitzondering is ingevoegd in respectievelijk artikel 2, lid 19, van gewijzigd besluit 2014/145 en artikel 6 ter, lid 5, van gewijzigde verordening nr. 269/2014, waarbij de vrijgave of beschikbaarstelling van verzoeksters bevroren tegoeden of economische middelen is toegestaan teneinde uiterlijk op 7 januari 2023 verrichtingen, contracten of andere overeenkomsten die met haar zijn gesloten of waarbij zij anderszins betrokken is, te beëindigen.
157 Ter terechtzitting heeft de Raad verklaard dat deze uitzondering werd ingevoerd om de moeilijkheden te verhelpen die zich voordeden bij de toepassing van de uitzondering van artikel 2, lid 5, van besluit 2014/145 en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 269/2014 op transacties die verzoekster in staat moesten stellen de effecten van haar klanten die zij op haar bevroren rekeningen bij in de Unie gevestigde effectenbewaarinstellingen aanhield, aan hen terug te geven.
158 Uit de bewoordingen van de in artikel 2, lid 19, van gewijzigd besluit 2014/145 en artikel 6 ter, lid 5, van de gewijzigde verordening nr. 269/2014 neergelegde uitzondering blijkt dat hierin de voorwaarden worden gepreciseerd waaronder de nationale autoriteiten toestemming kunnen verlenen voor de vrijgave van verzoeksters tegoeden of economische middelen zodat haar klanten hun effecten kunnen terugkrijgen die op haar bevroren rekeningen worden bewaard. Dienaangaande moet erop worden gewezen dat verzoekster niet de rechtmatigheid van deze uitzondering betwist, maar de rechtmatigheid van de maatregelen die de nationale autoriteiten hebben genomen ter uitvoering ervan. Zoals in punt 131 hierboven in herinnering is gebracht, is het Gerecht in het kader van een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU echter niet bevoegd om kennis te nemen van de rechtmatigheid van de handelingen die de nationale autoriteiten vaststellen ter uitvoering van het Unierecht.
159 Bovendien moet worden opgemerkt dat, bij wege van besluit (GBVB) 2023/1218 van de Raad van 23 juni 2023 tot wijziging van besluit 2014/145 (PB 2023, L 159 I, blz. 526) en verordening (EU) 2023/1215 van de Raad van 23 juni 2023 tot wijziging van verordening nr. 269/2014 (PB 2023, L 159 I, blz. 330), een aanvullende uitzondering is ingevoegd in respectievelijk artikel 2, lid 25, van gewijzigd besluit 2014/145 en artikel 6, ter, lid 5 bis, van gewijzigde verordening nr. 269/2014. Op grond van artikel 2, lid 25, van gewijzigd besluit 2014/145 konden de bevoegde autoriteiten onder bepaalde voorwaarden aan onderdanen of ingezetenen van een lidstaat of een in de Unie gevestigde entiteit toestemming verlenen om uiterlijk op 24 december 2023 een certificaat (depository receipt) met onderliggende Russische effecten die bij verzoekster werden aangehouden, om te wisselen, met het oog op de verkoop van het onderliggende effect en de terbeschikkingstelling van tegoeden die verband hielden met de omwisseling van het certificaat en met de rechtstreekse of onrechtstreekse verkoop van het onderliggende effect aan verzoekster.
160 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat verzoekster, zowel wat de oorspronkelijke handelingen als wat de handhavingshandelingen van maart 2023 en september 2023 betreft, niet op goede gronden kan aanvoeren dat haar vrijheid van ondernemerschap eventueel nog zwaarder is aangetast doordat de uitzonderingen van besluit 2014/145 en verordening nr. 269/2014 haar niet in staat hebben kunnen stellen de effecten van haar klanten die zij op haar bevroren rekeningen bij in de Unie gevestigde bewaarinstellingen aanhield, terug te geven.
161 Ten tweede kan verzoekster niet stellen dat de toepassing van de tegen haar genomen beperkende maatregelen onevenredig is omdat zij naar eigen zeggen geen enkele inbreuk heeft gepleegd. Er zij immers aan herinnerd dat beperkende maatregelen doelgerichte preventieve maatregelen zijn die, overeenkomstig artikel 21, lid 2, onder c), VEU, onder meer beogen de vrede te handhaven, conflicten te voorkomen en de internationale veiligheid te versterken. Voorts zijn de bepalingen van besluit 2014/145 niet erop gericht te bestraffen of de herhaling van een gedraging te verhinderen. De maatregelen hebben uitsluitend tot doel, de activa die in het bezit zijn van de in artikel 2, lid 1, van dat besluit bedoelde personen, entiteiten en lichamen veilig te stellen overeenkomstig de in artikel 21, lid 2, onder c), VEU vermelde doelstellingen (zie naar analogie arrest van 15 februari 2023, Belaeronavigatsia/Raad,T‑536/21, EU:T:2023:66, punten 34 en 35).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 15 november 2023, T-193/22, ECLI:EU:T:2023:716
- Gerecht EU 13 september 2023, T-525/20, ECLI:EU:T:2023:542
- Gerecht EU 15 februari 2023, T-536/21, ECLI:EU:T:2023:66
- Gerecht EU 27 juli 2022, T-125/22, ECLI:EU:T:2022:483
- Gerecht EU 22 juni 2022, T-797/19, ECLI:EU:T:2022:389
- Gerecht EU 27 april 2022, T-108/21, ECLI:EU:T:2022:253
- HvJ EU 22 april 2021, C-46/19, ECLI:EU:C:2021:316
- Gerecht EU 23 september 2020, T-510/18, ECLI:EU:T:2020:436
- Gerecht EU 12 februari 2020, T-163/18, ECLI:EU:T:2020:57
- Gerecht EU 19 september 2019, T-228/17, ECLI:EU:T:2019:619
- Gerecht EU 20 juli 2017, T-619/15, ECLI:EU:T:2017:532
- HvJ EU 28 maart 2017, C-72/15, ECLI:EU:C:2017:236
- Gerecht EU 30 november 2016, T-720/14, ECLI:EU:T:2016:689
- HvJ EU 7 april 2016, C-266/15, ECLI:EU:C:2016:208
- HvJ EU 3 september 2015, C-398/13, ECLI:EU:C:2015:535
- Gerecht EU 5 november 2014, T-307/12, ECLI:EU:T:2014:926
- HvJ EU 12 juni 2014, C-314/13, ECLI:EU:C:2014:1645
- HvJ EU 28 november 2013, C-280/12, ECLI:EU:C:2013:775
- HvJ EU 18 juli 2013, C-584/10, ECLI:EU:C:2013:518
- HvJ EU 15 november 2012, C-417/11, ECLI:EU:C:2012:718